Decreet tot wijziging van verschillende decreten die behoren tot de beleidsvelden Justitie en Handhaving, Bestuursrechtspraak, en Binnenlands Bestuur en Stedenbeleid, wat betreft de harmonisatie met het nieuwe Strafwetboek
72 artikels gewijzigd
| 1 | Als de eerste voorzitter of een effectieve bestuursrechter wordt vervolgd wegens een misdaad of wanbedrijf of tuchtrechtelijk wordt vervolgd, kan hij in het belang van de dienst bij wijze van ordemaatregel uit zijn ambt worden geschorst voor de duur van de vervolging en tot de eindbeslissing is genomen. | 1 | Als de eerste voorzitter of een effectieve bestuursrechter wordt vervolgd wegens een misdrijf of tuchtrechtelijk wordt vervolgd, kan hij in het belang van de dienst bij wijze van ordemaatregel uit zijn ambt worden geschorst voor de duur van de vervolging en tot de eindbeslissing is genomen. |
| 2 | De eerste voorzitter spreekt de schorsing van de effectieve bestuursrechter uit. Het tuchtcollege, dat bestaat uit de drie oudste effectieve bestuursrechters, spreekt de schorsing uit ten aanzien van de eerste voorzitter. | 2 | De eerste voorzitter spreekt de schorsing van de effectieve bestuursrechter uit. Het tuchtcollege, dat bestaat uit de drie oudste effectieve bestuursrechters, spreekt de schorsing uit ten aanzien van de eerste voorzitter. |
| 3 | De effectieve bestuursrechter en de eerste voorzitter kunnen op straffe van verval binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de kennisgeving van de ordemaatregel daartegen gemotiveerd beroep instellen bij de beroepscommissie. | 3 | De effectieve bestuursrechter en de eerste voorzitter kunnen op straffe van verval binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de kennisgeving van de ordemaatregel daartegen gemotiveerd beroep instellen bij de beroepscommissie. |
| 2 | De voorzitter van de provincieraad brengt de Raad voor Verkiezingsbetwistingen evenals de betrokkene onmiddellijk op de hoogte van feiten die het verval van mandaat met zich kunnen meebrengen. Als de provincieraad niet optreedt binnen twee maanden nadat hij kennis heeft van de feiten die verval met zich kunnen meebrengen, treedt de Raad voor Verkiezingsbetwistingen in zijn plaats op, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een provincieraadslid of van het openbaar ministerie. De provincieraad wordt geacht kennis te hebben van de feiten die verval met zich kunnen meebrengen, hetzij vanaf de ontvangst van een bezwaar van een ander provincieraadslid of van het openbaar ministerie, hetzij vanaf de verzending van de kennisgeving door de voorzitter aan de Raad voor Verkiezingsbetwistingen. | 2 | De voorzitter van de provincieraad brengt de Raad voor Verkiezingsbetwistingen evenals de betrokkene onmiddellijk op de hoogte van feiten die het verval van mandaat met zich kunnen meebrengen. Als de provincieraad niet optreedt binnen twee maanden nadat hij kennis heeft van de feiten die verval met zich kunnen meebrengen, treedt de Raad voor Verkiezingsbetwistingen in zijn plaats op, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een provincieraadslid of van het openbaar ministerie. De provincieraad wordt geacht kennis te hebben van de feiten die verval met zich kunnen meebrengen, hetzij vanaf de ontvangst van een bezwaar van een ander provincieraadslid of van het openbaar ministerie, hetzij vanaf de verzending van de kennisgeving door de voorzitter aan de Raad voor Verkiezingsbetwistingen. |
| 3 | § 2. De vervallenverklaring heeft pas gevolg vanaf de kennisgeving aan het provincieraadslid van de uitspraak van het verval door de provincieraad of de Raad voor Verkiezingsbetwistingen. Ze tast de geldigheid van de eerdere beslissingen van de provincieraad niet aan. | 3 | § 2. De vervallenverklaring heeft pas gevolg vanaf de kennisgeving aan het provincieraadslid van de uitspraak van het verval door de provincieraad of de Raad voor Verkiezingsbetwistingen. Ze tast de geldigheid van de eerdere beslissingen van de provincieraad niet aan. |
| 4 | § 3. Als de betrokkene, zelfs bij ontstentenis van enige kennisgeving, na de vervallenverklaring zijn mandaat blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van het verval, is hij strafbaar met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro. | 4 | § 3. Als de betrokkene, zelfs bij ontstentenis van enige kennisgeving, na de vervallenverklaring zijn mandaat blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van het verval, is hij strafbaar met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 4.000 euro bedraagt. |
| 1 | § 1. Het verkozen provincieraadslid dat zich op het ogenblik van zijn installatie als provincieraadslid in een situatie bevindt die onverenigbaar is met het lidmaatschap van de provincieraad, kan de eed niet afleggen, tenzij hij aantoont dat hij ontslag genomen heeft uit de met het mandaat van provincieraadslid onverenigbare functie. Hij wordt bijgevolg geacht afstand te doen van het hem toegekende mandaat. | 1 | § 1. Het verkozen provincieraadslid dat zich op het ogenblik van zijn installatie als provincieraadslid in een situatie bevindt die onverenigbaar is met het lidmaatschap van de provincieraad, kan de eed niet afleggen, tenzij hij aantoont dat hij ontslag genomen heeft uit de met het mandaat van provincieraadslid onverenigbare functie. Hij wordt bijgevolg geacht afstand te doen van het hem toegekende mandaat. |
| 2 | § 2. Een provincieraadslid dat tijdens zijn mandaat in een situatie terechtkomt die onverenigbaar is met zijn mandaat en dat binnen vijftien dagen na het tot hem gerichte verzoek van de voorzitter van de provincieraad geen einde maakt aan die situatie, wordt door de provincieraad vervallen verklaard van zijn mandaat, overeenkomstig artikel 10, § 1, tweede lid, § 2 en § 3, nadat het betrokken provincieraadslid is gehoord. | 2 | § 2. Een provincieraadslid dat tijdens zijn mandaat in een situatie terechtkomt die onverenigbaar is met zijn mandaat en dat binnen vijftien dagen na het tot hem gerichte verzoek van de voorzitter van de provincieraad geen einde maakt aan die situatie, wordt door de provincieraad vervallen verklaard van zijn mandaat, overeenkomstig artikel 10, § 1, tweede lid, § 2 en § 3, nadat het betrokken provincieraadslid is gehoord. |
| 3 | § 3. Als de betrokkene, zelfs bij ontstentenis van enige kennisgeving na de vervallenverklaring, zijn mandaat blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van het verval, is hij strafbaar met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro. | 3 | § 3. Als de betrokkene, zelfs bij ontstentenis van enige kennisgeving na de vervallenverklaring, zijn mandaat blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van het verval, is hij strafbaar met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 4.000 euro bedraagt. |
| 4 | § 3. De provincieraad bepaalt bij huishoudelijk reglement de voorwaarden voor het inzagerecht en het recht van afschrift, en de voorwaarden voor het bezoekrecht aan de instellingen en diensten die de provincie opricht en beheert. | 4 | § 3. De provincieraad bepaalt bij huishoudelijk reglement de voorwaarden voor het inzagerecht en het recht van afschrift, en de voorwaarden voor het bezoekrecht aan de instellingen en diensten die de provincie opricht en beheert. |
| 5 | § 4. De provincieraadsleden, alsmede alle andere personen die krachtens de wet of het decreet de besloten vergaderingen van de provincieraad bijwonen, zijn tot geheimhouding verplicht. | 5 | § 4. De provincieraadsleden, alsmede alle andere personen die krachtens de wet of het decreet de besloten vergaderingen van de provincieraad bijwonen, zijn tot geheimhouding verplicht. |
| 6 | Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging van de provincieraadsleden, alsmede van alle andere personen, vermeld in het eerste lid, wegens schending van het beroepsgeheim, overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. | 6 | Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging van de provincieraadsleden, alsmede van alle andere personen, vermeld in het eerste lid, wegens schending van het beroepsgeheim, overeenkomstig artikel 352 van het Strafwetboek. |
| 7 | § 5. Het inzagerecht en het bezoekrecht van de provincieraadsleden, als vermeld in § 1, § 2 en § 3, geldt eveneens voor de autonome provinciebedrijven van de provincie. | 7 | § 5. Het inzagerecht en het bezoekrecht van de provincieraadsleden, als vermeld in § 1, § 2 en § 3, geldt eveneens voor de autonome provinciebedrijven van de provincie. |
| 6 | 5° afzetting. | 6 | 5° afzetting. |
| 7 | § 2. De provincieraad kan de voorwaarden en de grenzen vaststellen van de tuchtstraffen, vermeld in paragraaf 1. De inhouding van salaris en de schorsing met inhouding van salaris mag respectievelijk een termijn van zes maanden en een jaar niet overschrijden. | 7 | § 2. De provincieraad kan de voorwaarden en de grenzen vaststellen van de tuchtstraffen, vermeld in paragraaf 1. De inhouding van salaris en de schorsing met inhouding van salaris mag respectievelijk een termijn van zes maanden en een jaar niet overschrijden. |
| 8 | De tuchtstraf afzetting kan slechts worden opgelegd als de feiten die daaraan ten grondslag liggen, door de wetten en decreten als een misdaad zijn omschreven. | 8 | De tuchtstraf afzetting kan slechts worden opgelegd als de feiten die daaraan ten grondslag liggen, door de wetten en decreten als een misdrijf waarop een straf van niveau 4, 5, 6, 7 of 8 is gesteld, zijn omschreven. |
| 9 | Elke tuchtstraf die een inhouding van salaris inhoudt, mag niet hoger zijn dan de begrenzing, vermeld in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers. | 9 | Elke tuchtstraf die een inhouding van salaris inhoudt, mag niet hoger zijn dan de begrenzing, vermeld in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers. |
| 10 | § 3. Elke tuchtstraf, behalve het ontslag van ambtswege en de afzetting, wordt in het persoonlijk dossier van de personeelsleden doorgehaald na verloop van een termijn van één jaar voor de blaam, drie jaar voor de inhouding van salaris en vier jaar voor de schorsing met inhouding van salaris. Die termijnen lopen vanaf de datum waarop de tuchtstraf werd uitgesproken door de tuchtoverheid of, indien beroep werd aangetekend overeenkomstig artikel 135, vanaf de datum van de uitspraak van de Beroepscommissie voor Tuchtzaken. De doorhaling heeft enkel uitwerking voor de toekomst. De provincieraad kan kortere doorhalingstermijnen vaststellen. | 10 | § 3. Elke tuchtstraf, behalve het ontslag van ambtswege en de afzetting, wordt in het persoonlijk dossier van de personeelsleden doorgehaald na verloop van een termijn van één jaar voor de blaam, drie jaar voor de inhouding van salaris en vier jaar voor de schorsing met inhouding van salaris. Die termijnen lopen vanaf de datum waarop de tuchtstraf werd uitgesproken door de tuchtoverheid of, indien beroep werd aangetekend overeenkomstig artikel 135, vanaf de datum van de uitspraak van de Beroepscommissie voor Tuchtzaken. De doorhaling heeft enkel uitwerking voor de toekomst. De provincieraad kan kortere doorhalingstermijnen vaststellen. |
| 2 | Het verzoekschrift bevat de volgende vermeldingen: | 2 | Het verzoekschrift bevat de volgende vermeldingen: |
| 3 | 1° de naam van de provincie; | 3 | 1° de naam van de provincie; |
| 4 | 2° de tekst van artikel 196 van het Strafwetboek; | 4 | 2° de tekst van artikel 451 van het Strafwetboek; |
| 5 | 3° de vraag of vragen waarop de voorgenomen volksraadpleging betrekking heeft; | 5 | 3° de vraag of vragen waarop de voorgenomen volksraadpleging betrekking heeft; |
| 6 | 4° de naam, de voornamen, de geboortedatum en de woonplaats van de personen die het initiatief nemen tot de volksraadpleging. | 6 | 4° de naam, de voornamen, de geboortedatum en de woonplaats van de personen die het initiatief nemen tot de volksraadpleging. |
| 2 | De voorzitter van de gemeenteraad brengt de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, alsook de betrokkene onmiddellijk op de hoogte van feiten die het verval van mandaat met zich kunnen meebrengen. Als de gemeenteraad niet optreedt binnen twee maanden nadat hij kennis heeft van de feiten die verval met zich kunnen meebrengen, treedt de Raad voor Verkiezingsbetwistingen in zijn plaats op, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een gemeenteraadslid of van het Openbaar Ministerie. De gemeenteraad wordt geacht kennis te hebben van de feiten die verval met zich kunnen meebrengen, hetzij vanaf de ontvangst van een bezwaar van een ander gemeenteraadslid of van het Openbaar Ministerie, hetzij vanaf de verzending van de kennisgeving door de voorzitter van de gemeenteraad aan de Raad voor Verkiezingsbetwistingen. | 2 | De voorzitter van de gemeenteraad brengt de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, alsook de betrokkene onmiddellijk op de hoogte van feiten die het verval van mandaat met zich kunnen meebrengen. Als de gemeenteraad niet optreedt binnen twee maanden nadat hij kennis heeft van de feiten die verval met zich kunnen meebrengen, treedt de Raad voor Verkiezingsbetwistingen in zijn plaats op, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een gemeenteraadslid of van het Openbaar Ministerie. De gemeenteraad wordt geacht kennis te hebben van de feiten die verval met zich kunnen meebrengen, hetzij vanaf de ontvangst van een bezwaar van een ander gemeenteraadslid of van het Openbaar Ministerie, hetzij vanaf de verzending van de kennisgeving door de voorzitter van de gemeenteraad aan de Raad voor Verkiezingsbetwistingen. |
| 3 | § 2. De vervallenverklaring heeft pas gevolg vanaf de kennisgeving aan het gemeenteraadslid van de uitspraak van het verval door de gemeenteraad of de Raad voor Verkiezingsbetwistingen. De vervallenverklaring tast de geldigheid van de eerdere beslissingen van de gemeenteraad niet aan. | 3 | § 2. De vervallenverklaring heeft pas gevolg vanaf de kennisgeving aan het gemeenteraadslid van de uitspraak van het verval door de gemeenteraad of de Raad voor Verkiezingsbetwistingen. De vervallenverklaring tast de geldigheid van de eerdere beslissingen van de gemeenteraad niet aan. |
| 4 | § 3. Als de betrokkene, zelfs bij ontstentenis van enige kennisgeving, na de vervallenverklaring zijn mandaat blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van het verval, is hij strafbaar met een gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro. | 4 | § 3. Als de betrokkene, zelfs bij ontstentenis van enige kennisgeving, na de vervallenverklaring zijn mandaat blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van het verval, is hij strafbaar met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 4.000 euro bedraagt. |
| 1 | Het verkozen gemeenteraadslid dat zich op het ogenblik van zijn installatie als gemeenteraadslid in een situatie bevindt die onverenigbaar is met het lidmaatschap van de gemeenteraad, kan de eed niet afleggen en wordt bijgevolg geacht afstand te doen van het mandaat dat aan hem toegekend is. | 1 | Het verkozen gemeenteraadslid dat zich op het ogenblik van zijn installatie als gemeenteraadslid in een situatie bevindt die onverenigbaar is met het lidmaatschap van de gemeenteraad, kan de eed niet afleggen en wordt bijgevolg geacht afstand te doen van het mandaat dat aan hem toegekend is. |
| 2 | Een gemeenteraadslid dat tijdens zijn mandaat in een met zijn mandaat onverenigbare situatie terechtkomt en dat binnen vijftien dagen na het tot hem gerichte verzoek van de voorzitter van de gemeenteraad geen einde maakt aan die situatie, wordt door de gemeenteraad vervallen verklaard van zijn mandaat, overeenkomstig artikel 9, § 1, tweede lid, § 2 en § 3, nadat het betrokken gemeenteraadslid is gehoord. | 2 | Een gemeenteraadslid dat tijdens zijn mandaat in een met zijn mandaat onverenigbare situatie terechtkomt en dat binnen vijftien dagen na het tot hem gerichte verzoek van de voorzitter van de gemeenteraad geen einde maakt aan die situatie, wordt door de gemeenteraad vervallen verklaard van zijn mandaat, overeenkomstig artikel 9, § 1, tweede lid, § 2 en § 3, nadat het betrokken gemeenteraadslid is gehoord. |
| 3 | Als de betrokkene, zelfs bij ontstentenis van enige kennisgeving, na de vervallenverklaring zijn mandaat blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van het verval, is hij strafbaar met een gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro. | 3 | Als de betrokkene, zelfs bij ontstentenis van enige kennisgeving, na de vervallenverklaring zijn mandaat blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van het verval, is hij strafbaar met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 4.000 euro bedraagt. |
| 4 | § 3. De gemeenteraad bepaalt bij huishoudelijk reglement de voorwaarden voor het inzagerecht en het recht van afschrift, en de voorwaarden voor het bezoekrecht aan de instellingen en diensten die de gemeente opricht en beheert. | 4 | § 3. De gemeenteraad bepaalt bij huishoudelijk reglement de voorwaarden voor het inzagerecht en het recht van afschrift, en de voorwaarden voor het bezoekrecht aan de instellingen en diensten die de gemeente opricht en beheert. |
| 5 | § 4. De gemeenteraadsleden, alsook alle andere personen die krachtens de wet of het decreet de besloten vergaderingen van de gemeenteraad bijwonen, zijn tot geheimhouding verplicht. | 5 | § 4. De gemeenteraadsleden, alsook alle andere personen die krachtens de wet of het decreet de besloten vergaderingen van de gemeenteraad bijwonen, zijn tot geheimhouding verplicht. |
| 6 | Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging van de gemeenteraadsleden, alsook van alle andere personen als vermeld in het eerste lid wegens schending van het beroepsgeheim, overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. | 6 | Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging van de gemeenteraadsleden, alsook van alle andere personen als vermeld in het eerste lid wegens schending van het beroepsgeheim, overeenkomstig artikel 352 van het Strafwetboek. |
| 7 | § 5. Het inzagerecht en het bezoekrecht van de gemeenteraadsleden, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, geldt ook voor de autonome gemeentebedrijven van de gemeente. | 7 | § 5. Het inzagerecht en het bezoekrecht van de gemeenteraadsleden, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, geldt ook voor de autonome gemeentebedrijven van de gemeente. |
| 6 | 5° afzetting. | 6 | 5° afzetting. |
| 7 | § 2. De gemeenteraad kan de voorwaarden en de grenzen vaststellen van de tuchtstraffen, vermeld in paragraaf 1. De inhouding van salaris en de schorsing met inhouding van salaris mogen respectievelijk een termijn van zes maanden en een jaar niet overschrijden. | 7 | § 2. De gemeenteraad kan de voorwaarden en de grenzen vaststellen van de tuchtstraffen, vermeld in paragraaf 1. De inhouding van salaris en de schorsing met inhouding van salaris mogen respectievelijk een termijn van zes maanden en een jaar niet overschrijden. |
| 8 | De tuchtstraf afzetting kan slechts worden opgelegd als de feiten die daaraan ten grondslag liggen, door de wetten en decreten als een misdaad zijn omschreven. | 8 | De tuchtstraf afzetting kan slechts worden opgelegd als de feiten die daaraan ten grondslag liggen, door de wetten en decreten als een misdrijf waarop een straf van niveau 4, 5, 6, 7 of 8 is gesteld, zijn omschreven. |
| 9 | Elke tuchtstraf die een inhouding van salaris inhoudt, mag niet hoger zijn dan de begrenzing, vermeld in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers. | 9 | Elke tuchtstraf die een inhouding van salaris inhoudt, mag niet hoger zijn dan de begrenzing, vermeld in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers. |
| 10 | § 3. De tuchtstraffen, de voorwaarden en de grenzen die de gemeenteraad in voorkomend geval vaststelt, zijn van rechtswege van toepassing op de personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient. | 10 | § 3. De tuchtstraffen, de voorwaarden en de grenzen die de gemeenteraad in voorkomend geval vaststelt, zijn van rechtswege van toepassing op de personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient. |
| 2 | Het verzoekschrift bevat de volgende vermeldingen: | 2 | Het verzoekschrift bevat de volgende vermeldingen: |
| 3 | 1° de naam van de gemeente; | 3 | 1° de naam van de gemeente; |
| 4 | 2° de tekst van artikel 196 van het Strafwetboek; | 4 | 2° de tekst van artikel 451 van het Strafwetboek; |
| 5 | 3° de vraag of vragen waarop de voorgenomen volksraadpleging betrekking heeft; | 5 | 3° de vraag of vragen waarop de voorgenomen volksraadpleging betrekking heeft; |
| 6 | 4° de voornaam, de achternaam, de geboortedatum, het rijksregisternummer en het adres van de personen die het initiatief nemen tot de volksraadpleging. | 6 | 4° de voornaam, de achternaam, de geboortedatum, het rijksregisternummer en het adres van de personen die het initiatief nemen tot de volksraadpleging. |
| 1 | De vergaderingen van de raad van bestuur zijn niet openbaar. De gedetailleerde notulen, waarbij het stemgedrag van de individuele leden en alle documenten waar in de notulen naar verwezen wordt, gevoegd zijn, liggen ter inzage van de gemeenteraadsleden op het secretariaat van de deelnemende gemeenten, met behoud van de decretale bepalingen over de openbaarheid van bestuur. | 1 | De vergaderingen van de raad van bestuur zijn niet openbaar. De gedetailleerde notulen, waarbij het stemgedrag van de individuele leden en alle documenten waar in de notulen naar verwezen wordt, gevoegd zijn, liggen ter inzage van de gemeenteraadsleden op het secretariaat van de deelnemende gemeenten, met behoud van de decretale bepalingen over de openbaarheid van bestuur. |
| 2 | Op verzoek van een raadslid vraagt het deelnemende bestuur aan de vereniging om de notulen en alle stukken waarnaar in de notulen wordt verwezen, elektronisch ter beschikking te stellen. De vereniging stelt de gevraagde stukken elektronisch ter beschikking aan het deelnemende bestuur en het deelnemende bestuur bezorgt ze aan het raadslid. | 2 | Op verzoek van een raadslid vraagt het deelnemende bestuur aan de vereniging om de notulen en alle stukken waarnaar in de notulen wordt verwezen, elektronisch ter beschikking te stellen. De vereniging stelt de gevraagde stukken elektronisch ter beschikking aan het deelnemende bestuur en het deelnemende bestuur bezorgt ze aan het raadslid. |
| 3 | Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging van de raadsleden wegens schending van het beroepsgeheim, overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. | 3 | Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging van de raadsleden wegens schending van het beroepsgeheim, overeenkomstig artikel 352 van het Strafwetboek. |
| 1 | De vergaderingen van de raad van bestuur zijn niet openbaar. De gedetailleerde notulen met bijgevoegd het stemgedrag van de individuele leden en alle documenten waar in de notulen naar verwezen wordt, liggen ter inzage van de gemeenteraadsleden op het secretariaat van de deelnemende gemeenten, met behoud van de toepassing van de decretale bepalingen inzake de openbaarheid van bestuur. | 1 | De vergaderingen van de raad van bestuur zijn niet openbaar. De gedetailleerde notulen met bijgevoegd het stemgedrag van de individuele leden en alle documenten waar in de notulen naar verwezen wordt, liggen ter inzage van de gemeenteraadsleden op het secretariaat van de deelnemende gemeenten, met behoud van de toepassing van de decretale bepalingen inzake de openbaarheid van bestuur. |
| 2 | Op verzoek van een raadslid vraagt het deelnemende bestuur om de notulen en alle stukken waarnaar in de notulen wordt verwezen, elektronisch ter beschikking te stellen. De vereniging stelt de gevraagde stukken elektronisch ter beschikking aan het deelnemende bestuur en het deelnemende bestuur bezorgt ze aan het raadslid. | 2 | Op verzoek van een raadslid vraagt het deelnemende bestuur om de notulen en alle stukken waarnaar in de notulen wordt verwezen, elektronisch ter beschikking te stellen. De vereniging stelt de gevraagde stukken elektronisch ter beschikking aan het deelnemende bestuur en het deelnemende bestuur bezorgt ze aan het raadslid. |
| 3 | Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging van de raadsleden wegens schending van het beroepsgeheim, overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. | 3 | Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging van de raadsleden wegens schending van het beroepsgeheim, overeenkomstig artikel 352 van het Strafwetboek. |
| 4 | Aan de vergaderingen van de raad van bestuur wordt deelgenomen door ten hoogste vijf rechtstreeks door verschillende gemeenten aangewezen afgevaardigden die lid zijn met raadgevende stem. Deze afgevaardigden worden niet meegeteld in het maximumaantal leden van de raad van bestuur, vermeld in artikel 434, § 1. De statuten vermelden de criteria die bepalend zijn voor de wijze van aanwijzing van die afgevaardigden, die altijd raadsleden zijn die in de betrokken gemeenten verkozen zijn op een lijst waarvan geen enkele verkozene deel uitmaakt van het college van burgemeester en schepenen. | 4 | Aan de vergaderingen van de raad van bestuur wordt deelgenomen door ten hoogste vijf rechtstreeks door verschillende gemeenten aangewezen afgevaardigden die lid zijn met raadgevende stem. Deze afgevaardigden worden niet meegeteld in het maximumaantal leden van de raad van bestuur, vermeld in artikel 434, § 1. De statuten vermelden de criteria die bepalend zijn voor de wijze van aanwijzing van die afgevaardigden, die altijd raadsleden zijn die in de betrokken gemeenten verkozen zijn op een lijst waarvan geen enkele verkozene deel uitmaakt van het college van burgemeester en schepenen. |
| 4 | a) de gecoördineerde en geïntegreerde omkadering van en zorg voor verdachte, beschuldigde, beklaagde, inverdenkinggestelde, veroordeelde of geïnterneerde personen, die het voorwerp uitmaken van een opdracht als vermeld in punt 1°, in voorbereiding van, tijdens of aansluitend op die opdracht; | 4 | a) de gecoördineerde en geïntegreerde omkadering van en zorg voor verdachte, beschuldigde, beklaagde, inverdenkinggestelde, veroordeelde of geïnterneerde personen, die het voorwerp uitmaken van een opdracht als vermeld in punt 1°, in voorbereiding van, tijdens of aansluitend op die opdracht; |
| 5 | b) de bescherming van de fysieke en psychische integriteit van personen; | 5 | b) de bescherming van de fysieke en psychische integriteit van personen; |
| 6 | c) de voorkoming van de misdrijven, vermeld in artikel 458ter van het Strafwetboek; | 6 | c) de voorkoming van de misdrijven, vermeld in artikel 353, §2, van het Strafwetboek; |
| 7 | 3° ondersteunende taken opnemen in het kader van de opdrachten, vermeld in punt 1° en 2°, meer bepaald: | 7 | 3° ondersteunende taken opnemen in het kader van de opdrachten, vermeld in punt 1° en 2°, meer bepaald: |
| 8 | a) ondersteunen van een coherent Vlaams beleid met betrekking tot een gemeenschapsgerichte justitie; | 8 | a) ondersteunen van een coherent Vlaams beleid met betrekking tot een gemeenschapsgerichte justitie; |
| 14 | 5° de formele moeilijkheden die bij de begeleiding, omkadering of behandeling zijn gerezen; | 14 | 5° de formele moeilijkheden die bij de begeleiding, omkadering of behandeling zijn gerezen; |
| 15 | 6° zo mogelijk, bij weigering of stopzetting van een begeleiding, omkadering of behandeling, een richtinggevend alternatief. | 15 | 6° zo mogelijk, bij weigering of stopzetting van een begeleiding, omkadering of behandeling, een richtinggevend alternatief. |
| 16 | §3. Psychologen die werkzaam zijn binnen de justitiehuizen kunnen, met het oog op het uitvoeren van een opdracht die tot doel heeft een opdrachtgever te informeren over een passende straf, maatregel, uitvoeringsmodaliteit of voorwaarde die aan een justitiabele kan worden opgelegd, of over de opvolging van een dergelijke straf, maatregel, uitvoeringsmodaliteit of voorwaarde, de noodzakelijke informatie omtrent een indicatiestelling van een justitiabele als vermeld in artikel 2, 9°, a), delen met het personeelslid van het justitiehuis dat instaat voor de uitvoering van de opdracht, zonder dat de psychologen wegens eventuele miskenning van het beroepsgeheim strafbaar kunnen worden gesteld op basis van artikel 458 van het Strafwetboek. | 16 | §3. Psychologen die werkzaam zijn binnen de justitiehuizen kunnen, met het oog op het uitvoeren van een opdracht die tot doel heeft een opdrachtgever te informeren over een passende straf, maatregel, uitvoeringsmodaliteit of voorwaarde die aan een justitiabele kan worden opgelegd, of over de opvolging van een dergelijke straf, maatregel, uitvoeringsmodaliteit of voorwaarde, de noodzakelijke informatie omtrent een indicatiestelling van een justitiabele als vermeld in artikel 2, 9°, a), delen met het personeelslid van het justitiehuis dat instaat voor de uitvoering van de opdracht, zonder dat de psychologen wegens eventuele miskenning van het beroepsgeheim strafbaar kunnen worden gesteld op basis van artikel 352 van het Strafwetboek. |
| 17 | In deze paragraaf wordt verstaan onder psycholoog: elke persoon die de titel van psycholoog draagt in de zin van de wet van 8 november 1993 tot bescherming van de titel van psycholoog. | 17 | In deze paragraaf wordt verstaan onder psycholoog: elke persoon die de titel van psycholoog draagt in de zin van de wet van 8 november 1993 tot bescherming van de titel van psycholoog. |
| 12 | 8° in geval van interventies ten aanzien van een justitiabele die nog niet schuldig is bevonden, respecteren ze het vermoeden van onschuld; | 12 | 8° in geval van interventies ten aanzien van een justitiabele die nog niet schuldig is bevonden, respecteren ze het vermoeden van onschuld; |
| 13 | 9° voor een opdracht met een doel als vermeld in artikel 9, § 1, 4°, nemen ze het belang van de minderjarige als centraal uitgangspunt, betrekken ze de minderjarige op een passende wijze rekening houdende met zijn leeftijd en maturiteit en houden ze rekening met de belevings- en leefwereld van de minderjarige in zijn beide thuissituaties zodat de opdrachtgever een weloverwogen beslissing kan nemen op maat van de minderjarige; | 13 | 9° voor een opdracht met een doel als vermeld in artikel 9, § 1, 4°, nemen ze het belang van de minderjarige als centraal uitgangspunt, betrekken ze de minderjarige op een passende wijze rekening houdende met zijn leeftijd en maturiteit en houden ze rekening met de belevings- en leefwereld van de minderjarige in zijn beide thuissituaties zodat de opdrachtgever een weloverwogen beslissing kan nemen op maat van de minderjarige; |
| 14 | 10° voor een opdracht met een doel als vermeld in artikel 9, §1, 3°, vindt het ondersteunen en informeren van de justitiabele plaats onmiddellijk na het ontvangen van de opdracht en zolang de justitiabele dat nodig acht, met specifieke aandacht voor slachtoffers van misdrijven als vermeld in boek 2, titel Iter, van het Strafwetboek en andere categorieën van slachtoffers die de Vlaamse Regering kan bepalen; | 14 | 10° voor een opdracht met een doel als vermeld in artikel 9, §1, 3°, vindt het ondersteunen en informeren van de justitiabele plaats onmiddellijk na het ontvangen van de opdracht en zolang de justitiabele dat nodig acht, met specifieke aandacht voor slachtoffers van misdrijven als vermeld in boek II, titel 4, hoofdstuk 1, van het Strafwetboek en andere categorieën van slachtoffers die de Vlaamse Regering kan bepalen; |
| 15 | 11° zolang een justitiabele als vermeld in artikel 2, 9°, a), minderjarig is, kan hij een persoon die ouderlijk gezag heeft of een andere persoon die door de gerechtelijke overheid is aanvaard of aangewezen, laten informeren over een opdracht als vermeld in artikel 5, 1°, en zich door die persoon laten vergezellen tijdens de gesprekken waartoe de justitiabele uitgenodigd wordt. | 15 | 11° zolang een justitiabele als vermeld in artikel 2, 9°, a), minderjarig is, kan hij een persoon die ouderlijk gezag heeft of een andere persoon die door de gerechtelijke overheid is aanvaard of aangewezen, laten informeren over een opdracht als vermeld in artikel 5, 1°, en zich door die persoon laten vergezellen tijdens de gesprekken waartoe de justitiabele uitgenodigd wordt. |
| 1 | De persoon die elektronisch toezichtsmateriaal beschadigt of verduistert, begaat een misdrijf dat wordt bestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een geldboete van 200 euro tot 4000 euro, of met een van die straffen alleen. | ||
| 1 | De persoon die elektronisch toezichtsmateriaal beschadigt of verduistert, begaat een misdrijf dat wordt bestraft met een straf van niveau 2. In afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, artikel 38, negende lid, 1°, en artikel 52, §1, tweede lid, 7°, van het Strafwetboek, bedraagt het maximum van de geldboete altijd 32.000 euro. | ||
| 2 | Het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 is, met inbegrip van hoofdstuk 10, afdeling 4, 8 en 10 van het voormelde decreet, van toepassing op de handhaving van dit artikel. | 2 | Het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 is, met inbegrip van hoofdstuk 10, afdeling 4, 8 en 10 van het voormelde decreet, van toepassing op de handhaving van dit artikel. |
| 1 | Elke overtreding van de bepalingen van dit decreet wordt gestraft met de straffen, gesteld in artikelen 315, 340, 453 en 526 van het Strafwetboek. | 1 | Elke overtreding van de bepalingen van dit decreet wordt gestraft met de straffen, gesteld in artikel 368 tot en met 370, 517 en 658 van het Strafwetboek. |
| 1 | Wie als dader, mededader of medeplichtige met schending van artikel 20 één van de volgende handelingen heeft gesteld, wordt gestraft overeenkomstig artikel 238 : | 1 | Wie als dader of deelnemer met schending van artikel 20 één van de volgende handelingen heeft gesteld, wordt gestraft overeenkomstig artikel 238 : |
| 2 | 1° exemplaren of afschriften van de kiezerslijst afgeven aan personen die niet gemachtigd zijn om ze te ontvangen; | 2 | 1° exemplaren of afschriften van de kiezerslijst afgeven aan personen die niet gemachtigd zijn om ze te ontvangen; |
| 3 | 2° van gegevens uit de kiezerslijst gebruikmaken voor andere doeleinden dan de doeleinden, vermeld in artikel 20, §3, eerste lid, of buiten de periode, vermeld in artikel 20, §3, eerste lid. | 3 | 2° van gegevens uit de kiezerslijst gebruikmaken voor andere doeleinden dan de doeleinden, vermeld in artikel 20, §3, eerste lid, of buiten de periode, vermeld in artikel 20, §3, eerste lid. |
| 2 | De volgende personen zijn niet verkiesbaar : | 2 | De volgende personen zijn niet verkiesbaar : |
| 3 | 1° overeenkomstig artikel 65, tweede lid, 2°, en artikel 113 van de Gemeentekieswet, de onderdanen van de andere lidstaten van de Europese Unie die, ten gevolge van een individuele burgerrechtelijke of een strafrechtelijke beslissing in hun lidstaat van herkomst ontheven zijn van het recht om gekozen te worden krachtens het recht van die lidstaat; | 3 | 1° overeenkomstig artikel 65, tweede lid, 2°, en artikel 113 van de Gemeentekieswet, de onderdanen van de andere lidstaten van de Europese Unie die, ten gevolge van een individuele burgerrechtelijke of een strafrechtelijke beslissing in hun lidstaat van herkomst ontheven zijn van het recht om gekozen te worden krachtens het recht van die lidstaat; |
| 4 | 2° personen die, onverminderd de toepassing van punt 1°, veroordeeld zijn, zelfs met uitstel, wegens één van de misdrijven, vermeld in artikel 240, 241, 243, en 245 tot en met 248 van het Strafwetboek, gepleegd tijdens de uitoefening van een gemeenteambt. Die onverkiesbaarheid eindigt twaalf jaar na de veroordeling. | 4 | 2° personen die, onverminderd de toepassing van punt 1°, veroordeeld zijn, zelfs met uitstel, wegens één van de misdrijven, vermeld in 634 tot en met 639 van het Strafwetboek, gepleegd tijdens de uitoefening van een gemeenteambt. Die onverkiesbaarheid eindigt twaalf jaar na de veroordeling. |
| 1 | Om tot provincieraadslid verkozen te kunnen worden en om het te kunnen blijven, moet men kiezer zijn , moet men ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van een gemeente die behoort tot de provincie, en moet men de kiesvoorwaarden, vermeld in artikel 8, behouden en mag men zich niet in een geval van schorsing of uitsluiting als vermeld in artikel 15, § 1 en § 2, bevinden. | 1 | Om tot provincieraadslid verkozen te kunnen worden en om het te kunnen blijven, moet men kiezer zijn , moet men ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van een gemeente die behoort tot de provincie, en moet men de kiesvoorwaarden, vermeld in artikel 8, behouden en mag men zich niet in een geval van schorsing of uitsluiting als vermeld in artikel 15, § 1 en § 2, bevinden. |
| 2 | Niet verkiesbaar zijn zij die veroordeeld zijn, zelfs met uitstel, wegens één van de misdrijven, vermeld in artikel 240, 241, 243, en 245 tot en met 248 van het Strafwetboek, gepleegd tijdens de uitoefening van een gemeenteambt. Die onverkiesbaarheid eindigt twaalf jaar na de veroordeling. | 2 | Niet verkiesbaar zijn zij die veroordeeld zijn, zelfs met uitstel, wegens één van de misdrijven, vermeld in artikel 634 tot en met 639 van het Strafwetboek, gepleegd tijdens de uitoefening van een gemeenteambt. Die onverkiesbaarheid eindigt twaalf jaar na de veroordeling. |
| 1 | Met een gevangenisstraf van acht dagen tot één maand en met een geldboete van vijftig euro tot vijfhonderd euro, of met één van die straffen alleen, wordt gestraft: | ||
| 1 | Met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 4.000 euro bedraagt, wordt gestraft: | ||
| 2 | 1° de kandidaat waarvan binnen dertig dagen na de verkiezingen geen aangifte of een onvolledige aangifte van zijn verkiezingsuitgaven, de herkomst van de geldmiddelen en de registratie van de giften en de sponsoring is ingediend; | 2 | 1° de kandidaat waarvan binnen dertig dagen na de verkiezingen geen aangifte of een onvolledige aangifte van zijn verkiezingsuitgaven, de herkomst van de geldmiddelen en de registratie van de giften en de sponsoring is ingediend; |
| 3 | 2° de kandidaat die voor kiespropaganda met opzet uitgaven doet of verbintenissen aangaat die de maximumbedragen overschrijden, vermeld in artikel 191, § 2 en § 3; | 3 | 2° de kandidaat die voor kiespropaganda met opzet uitgaven doet of verbintenissen aangaat die de maximumbedragen overschrijden, vermeld in artikel 191, § 2 en § 3; |
| 3 | § 2. De politieke partij die de uitgaven voor haar verkiezingspropaganda financiert met een gift of sponsoring die in strijd is met de artikelen 195 en 195/1, wordt door de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven gestraft met een administratieve boete ten belope van het dubbele van de overschrijding van het toegelaten giften- of sponsorbedrag. | 3 | § 2. De politieke partij die de uitgaven voor haar verkiezingspropaganda financiert met een gift of sponsoring die in strijd is met de artikelen 195 en 195/1, wordt door de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven gestraft met een administratieve boete ten belope van het dubbele van de overschrijding van het toegelaten giften- of sponsorbedrag. |
| 4 | § 3. Wanneer de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven een andere schending van de artikelen 195 of 195/1 vaststelt dan bedoeld in paragraaf 2, beslist ze om daarover al dan niet een klacht neer te leggen bij de procureur des Konings. | 4 | § 3. Wanneer de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven een andere schending van de artikelen 195 of 195/1 vaststelt dan bedoeld in paragraaf 2, beslist ze om daarover al dan niet een klacht neer te leggen bij de procureur des Konings. |
| 5 | § 4. Eenieder die de giftenregeling zoals bedoeld in artikel 195 of de sponsorregeling zoals bedoeld in artikel 195/1 schendt, wordt gestraft met een boete van 26 tot 100.000 euro . | 5 | § 4. Eenieder die de giftenregeling zoals bedoeld in artikel 195 of de sponsorregeling zoals bedoeld in artikel 195/1 schendt, wordt gestraft met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 800.000 euro bedraagt. |
| 5 | De procureur des Konings zendt binnen acht dagen na de indiening van een klacht over een inbreuk, bedoeld in artikel 200, § 3, een kopie aan de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven, alsook aan de personen tegen wie de klacht is ingediend. | 5 | De procureur des Konings zendt binnen acht dagen na de indiening van een klacht over een inbreuk, bedoeld in artikel 200, § 3, een kopie aan de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven, alsook aan de personen tegen wie de klacht is ingediend. |
| 6 | De procureur des Konings brengt, naargelang het geval, de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven of de Raad voor Verkiezingsbetwistingen binnen dezelfde termijn op de hoogte van zijn beslissing om vervolging in te stellen. | 6 | De procureur des Konings brengt, naargelang het geval, de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven of de Raad voor Verkiezingsbetwistingen binnen dezelfde termijn op de hoogte van zijn beslissing om vervolging in te stellen. |
| 7 | § 4. Iedereen die een klacht heeft ingediend of een vordering heeft ingesteld die ongegrond blijkt en waarvan vaststaat dat hij die heeft ingediend of ingesteld met het oogmerk te schaden, wordt gestraft met een geldboete van 50 tot 500 euro . | 7 | § 4. Iedereen die een klacht heeft ingediend of een vordering heeft ingesteld die ongegrond blijkt en waarvan vaststaat dat hij die heeft ingediend of ingesteld met het oogmerk te schaden, wordt gestraft met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 4.000 euro bedraagt. |
| 8 | § 5. De procureur des Konings kan met het oog op de vervolging, vermeld in paragraaf 2, aan een individuele kandidaat vragen alle inlichtingen te verstrekken over de herkomst van de gelden die voor de financiering van zijn verkiezingscampagne zijn aangewend. | 8 | § 5. De procureur des Konings kan met het oog op de vervolging, vermeld in paragraaf 2, aan een individuele kandidaat vragen alle inlichtingen te verstrekken over de herkomst van de gelden die voor de financiering van zijn verkiezingscampagne zijn aangewend. |
| 9 | § 6. Het eerste boek van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, is van toepassing op de misdrijven, bedoeld in artikel 199/1 en artikel 200, § 3. | ||
| 10 | Het vonnis kan op bevel van de rechtbank geheel of bij uittreksel opgenomen worden in de dag- en weekbladen die ze heeft aangeduid. | 9 | § 6. Het vonnis kan op bevel van de rechtbank geheel of bij uittreksel opgenomen worden in de dag- en weekbladen die ze heeft aangeduid. |
| 1 | Met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met een geldboete van vijftig euro tot vijfhonderd euro, of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die, rechtstreeks of onrechtstreeks, zelfs bij wijze van weddenschap, hetzij geld, waarden of enig voordeel, hetzij steun geeft, aanbiedt of belooft onder voorwaarde van stemverlening, stemonthouding of verlening van volmacht als vermeld in titel 11 van deel 2, dan wel op voorwaarde dat de verkiezing een bepaalde uitslag oplevert. | 1 | Met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 4.000 euro bedraagt, wordt gestraft hij die, rechtstreeks of onrechtstreeks, zelfs bij wijze van weddenschap, hetzij geld, waarden of enig voordeel, hetzij steun geeft, aanbiedt of belooft onder voorwaarde van stemverlening, stemonthouding of verlening van volmacht als vermeld in titel 11 van deel 2, dan wel op voorwaarde dat de verkiezing een bepaalde uitslag oplevert. |
| 2 | Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die het aanbod of de belofte aanneemt. | 2 | Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die het aanbod of de belofte aanneemt. |
| 3 | Iedereen die stelselmatig personen aanspreekt of op een andere manier persoonlijk benadert om hen ertoe te bewegen het formulier voor de volmacht, vermeld in artikel 56, § 3, te ondertekenen en af te geven, wordt met dezelfde straffen gestraft als de straffen, vermeld in het eerste lid. | 3 | Iedereen die stelselmatig personen aanspreekt of op een andere manier persoonlijk benadert om hen ertoe te bewegen het formulier voor de volmacht, vermeld in artikel 56, § 3, te ondertekenen en af te geven, wordt met dezelfde straffen gestraft als de straffen, vermeld in het eerste lid. |
| 1 | Met een geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro wordt gestraft hij die aan kiezers, onder voorwendsel van reis- of verblijfsvergoeding, een som geld of enige waarde geeft, aanbiedt of belooft. | 1 | Met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 1.600 euro bedraagt, wordt gestraft hij die aan kiezers, onder voorwendsel van reis- of verblijfsvergoeding, een som geld of enige waarde geeft, aanbiedt of belooft. |
| 2 | De straf, vermeld in het eerste lid, wordt ook opgelegd aan de persoon die ter gelegenheid van een verkiezing aan kiezers eetwaren of drank geeft, aanbiedt of belooft. Dezelfde straf wordt ook opgelegd aan de kiezer die een gift, aanbod of belofte aanneemt. | 2 | De straf, vermeld in het eerste lid, wordt ook opgelegd aan de persoon die ter gelegenheid van een verkiezing aan kiezers eetwaren of drank geeft, aanbiedt of belooft. Dezelfde straf wordt ook opgelegd aan de kiezer die een gift, aanbod of belofte aanneemt. |
| 3 | Herbergiers, drankslijters of andere handelaars zijn niet ontvankelijk om in rechte betaling te vorderen van verbruikerskosten die ter gelegenheid van de verkiezing gemaakt zijn. | 3 | Herbergiers, drankslijters of andere handelaars zijn niet ontvankelijk om in rechte betaling te vorderen van verbruikerskosten die ter gelegenheid van de verkiezing gemaakt zijn. |
| 1 | Als dader van de wanbedrijven, vermeld in artikel 221 tot en met 224, wordt gestraft hij die geld geeft om ze te plegen, wetend waarvoor het moet dienen, of opdracht geeft om in zijn naam het aanbod, de belofte of de bedreiging te doen. | 1 | Als dader van de misdrijven, vermeld in artikel 221 tot en met 224, wordt gestraft hij die geld geeft om ze te plegen, wetend waarvoor het moet dienen, of opdracht geeft om in zijn naam het aanbod, de belofte of de bedreiging te doen. |
| 1 | Met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met geldboete van vijftig euro tot vijfhonderd euro wordt gestraft elk lid of elke bediende van een onderstandscommissie of liefdadigheidscomité, elk lid of elke bediende van een openbaar liefdadigheidsbestuur, die aan een of meer behoeftigen, al dan niet rechtstreeks, blijvende, tijdelijke of buitengewone steun aanbiedt, belooft of geeft onder voorwaarde van stemverlening of stemonthouding. | 1 | Met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 4.000 euro bedraagt, wordt gestraft elk lid of elke bediende van een onderstandscommissie of liefdadigheidscomité, elk lid of elke bediende van een openbaar liefdadigheidsbestuur, die aan een of meer behoeftigen, al dan niet rechtstreeks, blijvende, tijdelijke of buitengewone steun aanbiedt, belooft of geeft onder voorwaarde van stemverlening of stemonthouding. |
| 2 | Het eerste lid geldt voor leden of bedienden vermeld in het eerste lid, die enige steunverlening ontzeggen of schorsen omdat de behoeftige weigert op zijn stemming invloed te laten uitoefenen of zich van stemming te onthouden. | 2 | Het eerste lid geldt voor leden of bedienden vermeld in het eerste lid, die enige steunverlening ontzeggen of schorsen omdat de behoeftige weigert op zijn stemming invloed te laten uitoefenen of zich van stemming te onthouden. |
| 3 | Hij die, onder bedreiging in een bepaalde zin te stemmen, steun of steunverhoging vraagt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden. | 3 | Hij die, onder bedreiging in een bepaalde zin te stemmen, steun of steunverhoging vraagt, wordt gestraft met een straf van niveau 1. |
| 1 | Hij die personen, zelfs ongewapende, aanwerft, bijeenbrengt of opstelt om de kiezers vrees aan te jagen of de orde te verstoren, wordt gestraft met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot een maand en met geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro. | 1 | Hij die personen, zelfs ongewapende, aanwerft, bijeenbrengt of opstelt om de kiezers vrees aan te jagen of de orde te verstoren, wordt gestraft met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 4.000 euro bedraagt. |
| 2 | Zij die bewust van aldus opgerichte benden of groepen deel uitmaken, worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijftien dagen en met een geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro. | 2 | Zij die bewust van aldus opgerichte benden of groepen deel uitmaken, worden gestraft met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 1.600 euro bedraagt. |
| 1 | Zij die door samenscholing, geweld of bedreiging een of meer burgers beletten hun politieke rechten uit te oefenen, worden gestraft met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot een jaar en met een geldboete van zesentwintig euro tot duizend euro. | 1 | Zij die door samenscholing, geweld of bedreiging een of meer burgers beletten hun politieke rechten uit te oefenen, worden gestraft met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 8.000 euro bedraagt. |
| 1 | Zij die met geweld binnendringen of proberen binnen te dringen in een kiescollege om de kiesverrichtingen te belemmeren, worden gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met een geldboete van tweehonderd euro tot tweeduizend euro. | 1 | Zij die met geweld binnendringen of proberen binnen te dringen in een kiescollege om de kiesverrichtingen te belemmeren, worden gestraft met een straf van niveau 2 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, en artikel 52, §1, tweede lid, 7°, van het Strafwetboek, het maximum van de geldboete altijd 16.000 euro bedraagt. |
| 2 | Als de stemming geschonden wordt, wordt het maximum van de straffen, vermeld in het eerste lid, uitgesproken en kunnen deze verdubbeld worden. | 2 | Als de stemming geschonden wordt, wordt een straf van niveau 3 waarbij in afwijking van artikel 52, §1, tweede lid, 6°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 32.000 euro bedraagt, uitgesproken. |
| 3 | Als de schuldigen wapens dragen, worden zij gestraft, in het eerste geval met een gevangenisstraf van eenjaar tot driejaar en met een geldboete van vijfhonderd euro tot drieduizend euro, in het tweede geval met opsluiting van vijf tot tien jaar en met een geldboete van drieduizend euro tot vijfduizend euro. | ||
| 3 | Als de schuldigen wapens dragen, worden zij gestraft, in het eerste geval met een straf van niveau 2 waarbij in afwijking van artikel 52, §1, tweede lid, 7°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 24.000 euro bedraagt, in het tweede geval met een straf van niveau 4 waarbij in afwijking van artikel 52, §1, tweede lid, 5°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 40.000 euro bedraagt. |
| 1 | Als de feiten gepleegd worden door opgerichte benden of groepen als vermeld in artikel 228, worden zij die de daarvan deel uitmakende personen aangeworven, bijeengebracht of opgesteld hebben, gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met een geldboete van honderd euro tot duizend euro. | 1 | Als de feiten gepleegd worden door opgerichte benden of groepen als vermeld in artikel 228, worden zij die de daarvan deel uitmakende personen aangeworven, bijeengebracht of opgesteld hebben, gestraft met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 8.000 euro bedraagt. |
| 1 | Als daders worden gestraft zij die hetzij door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, hetzij door woorden of kreten in openbare bijeenkomsten of plaatsen, hetzij door aangeplakte plakkaten, hetzij door al dan niet gedrukte geschriften die verkocht of rondgedeeld zijn, het plegen van de feiten, vermeld in artikel 229 en 230, rechtstreeks hebben uitgelokt. | 1 | Als daders worden gestraft zij die hetzij door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, hetzij door woorden of kreten in openbare bijeenkomsten of plaatsen, hetzij door aangeplakte plakkaten, hetzij door al dan niet gedrukte geschriften die verkocht of rondgedeeld zijn, het plegen van de feiten, vermeld in artikel 229 en 230, rechtstreeks hebben uitgelokt. |
| 2 | Als de uitlokking zonder gevolg is gebleven, worden ze gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot zes maanden en met een geldboete van vijftig euro tot vijfhonderd euro. | ||
| 2 | Als de uitlokking zonder gevolg is gebleven, worden ze gestraft met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 4.000 euro bedraagt. |
| 1 | Leden van een kiescollege die zich gedurende de vergadering schuldig maken aan smaad of geweld, hetzij tegen het stembureau, hetzij tegen een van de leden ervan of tegen een van de getuigen, of die door feitelijkheden of bedreigingen de kiesverrichtingen vertragen of verhinderen, worden gestraft met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot een jaar en met een geldboete van honderd euro tot duizend euro. | 1 | Leden van een kiescollege die zich gedurende de vergadering schuldig maken aan smaad of geweld, hetzij tegen het stembureau, hetzij tegen een van de leden ervan of tegen een van de getuigen, of die door feitelijkheden of bedreigingen de kiesverrichtingen vertragen of verhinderen, worden gestraft met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 8.000 euro bedraagt. |
| 2 | Als de stemming geschonden wordt, wordt het maximum van de straffen, vermeld in het eerste lid, uitgesproken en kunnen deze verdubbeld worden. | ||
| 3 | Als de schuldigen wapens dragen, worden zij gestraft, in het eerste geval met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met een geldboete van tweehonderd euro tot tweeduizend euro, in het tweede geval met opsluiting van vijf tot tien jaar en met een geldboete van drieduizend euro tot vijfduizend euro. | ||
| 2 | Als de stemming geschonden wordt, wordt een straf van niveau 2 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1° en artikel 52, §1, tweede lid, 7°, van het Strafwetboek, het maximum van de geldboete altijd 16.000 euro bedraagt, uitgesproken. | ||
| 3 | Als de schuldigen wapens dragen, worden zij gestraft, in het eerste geval met een straf van niveau 2 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1° en artikel 52, §1, tweede lid, 7°, van het Strafwetboek, het maximum van de geldboete altijd 16.000 euro bedraagt, in het tweede geval met een straf van niveau 4 waarbij in afwijking van artikel 52, §1, tweede lid, 5°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 40.000 euro bedraagt. |
| 1 | Hij die, met het oogmerk om zich op een kiezerslijst te doen inschrijven, bewust valse verklaringen aflegt of schijnakten overlegt, wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro. | 1 | Hij die, met het oogmerk om zich op een kiezerslijst te doen inschrijven, bewust valse verklaringen aflegt of schijnakten overlegt, wordt gestraft met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 1.600 euro bedraagt. |
| 2 | Met de straf, vermeld in het eerste lid, wordt gestraft hij die, met het oogmerk om een burger op deze lijsten te doen inschrijven of schrappen, bewust dezelfde kunstgrepen aanwendt. | 2 | Met de straf, vermeld in het eerste lid, wordt gestraft hij die, met het oogmerk om een burger op deze lijsten te doen inschrijven of schrappen, bewust dezelfde kunstgrepen aanwendt. |
| 3 | Vervolging kan echter maar worden ingesteld als de vraag tot inschrijving of schrapping verworpen is bij een definitief geworden beslissing die gegrond is op bedroginhoudende feiten. | 3 | Vervolging kan echter maar worden ingesteld als de vraag tot inschrijving of schrapping verworpen is bij een definitief geworden beslissing die gegrond is op bedroginhoudende feiten. |
| 1 | Hij die in enigerlei hoedanigheid met het voorbereiden of het opmaken van de kiezerslijsten belast is en, met het oogmerk om een kiezer te doen schrappen, bewust gebruikmaakt van stukken of bescheiden die hetzij door verandering, weglating of toevoeging vervalst zijn, hetzij valselijk opgemaakt zijn, of die opzettelijk, met hetzelfde oogmerk, de gegevens van de stukken of bescheiden die voor de opmaak van de lijsten kunnen dienen, door verandering, toevoeging of weglating onjuist overneemt op de kiezerslijsten, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijftien dagen en met een geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro. Als het wanbedrijf wordt gepleegd om aan een burger kiesrecht te verschaffen, is de gevangenisstraf acht dagen tot een maand en de geldboete vijftig euro tot vijfhonderd euro. | 1 | Hij die in enigerlei hoedanigheid met het voorbereiden of het opmaken van de kiezerslijsten belast is en, met het oogmerk om een kiezer te doen schrappen, bewust gebruikmaakt van stukken of bescheiden die hetzij door verandering, weglating of toevoeging vervalst zijn, hetzij valselijk opgemaakt zijn, of die opzettelijk, met hetzelfde oogmerk, de gegevens van de stukken of bescheiden die voor de opmaak van de lijsten kunnen dienen, door verandering, toevoeging of weglating onjuist overneemt op de kiezerslijsten, wordt gestraft met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 1.600 euro bedraagt. Als het misdrijf wordt gepleegd om aan een burger kiesrecht te verschaffen, is de straf een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 4.000 euro bedraagt. |
| 2 | Voor de misdrijven, vermeld in het eerste lid, begint de verjaring van zes maanden, vermeld in artikel 246, pas te lopen op de dag dat de kiezerslijsten en de desbetreffende stukken aan de provinciegouverneur of de door hem aangewezen ambtenaar verstuurd zijn. Dit geldt, onverminderd de toepassing van artikel 196, tweede lid, van het Algemeen Kieswetboek, voor wat betreft Voeren. | 2 | Voor de misdrijven, vermeld in het eerste lid, begint de verjaring van zes maanden, vermeld in artikel 246, pas te lopen op de dag dat de kiezerslijsten en de desbetreffende stukken aan de provinciegouverneur of de door hem aangewezen ambtenaar verstuurd zijn. Dit geldt, onverminderd de toepassing van artikel 196, tweede lid, van het Algemeen Kieswetboek, voor wat betreft Voeren. |
| 1 | Ieder lid van een college van burgemeester en schepenen en ieder gemeenteraadslid dat bij de uitoefening van de rechtsmacht in kieszaken in zijn verslag ten onrechte hetzij een aanvraag tot inschrijving op de lijsten doet verwerpen, hetzij de inschrijving of schrapping van een kiezer doet bevelen en daarvoor stukken of bescheiden inroept of gebruikt, hoewel hij weet dat ze door verandering, weglating of toevoeging vervalst zijn, of dat ze valselijk opgemaakt zijn of denkbeeldig zijn, wordt gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar. | 1 | Ieder lid van een college van burgemeester en schepenen en ieder gemeenteraadslid dat bij de uitoefening van de rechtsmacht in kieszaken in zijn verslag ten onrechte hetzij een aanvraag tot inschrijving op de lijsten doet verwerpen, hetzij de inschrijving of schrapping van een kiezer doet bevelen en daarvoor stukken of bescheiden inroept of gebruikt, hoewel hij weet dat ze door verandering, weglating of toevoeging vervalst zijn, of dat ze valselijk opgemaakt zijn of denkbeeldig zijn, wordt gestraft met een straf van niveau 2. |
| 2 | Vervolging kan alleen worden ingesteld, als op beroep tot inschrijving of schrapping van de kiezer een definitief geworden beslissing is gewezen die gegrond is op bedroginhoudende feiten. | 2 | Vervolging kan alleen worden ingesteld, als op beroep tot inschrijving of schrapping van de kiezer een definitief geworden beslissing is gewezen die gegrond is op bedroginhoudende feiten. |
| 3 | De verjaring, vermeld in artikel 246, begint te lopen vanaf deze beslissing. | 3 | De verjaring, vermeld in artikel 246, begint te lopen vanaf deze beslissing. |
| 1 | Met een gevangenisstraf van drie maanden tot vijfjaar en met een geldboete van duizend euro tot twintigduizend euro, of met één van die straffen alleen, wordt gestraft degene die als dader, mededader of medeplichtige, met schending van artikel 20, hetzij exemplaren of afschriften van de kiezerslijst heeft afgegeven aan personen die niet gemachtigd zijn om ze te ontvangen, hetzij die exemplaren heeft meegedeeld aan derden na ze regelmatig te hebben ontvangen, hetzij van de gegevens uit de kiezerslijst heeft gebruikgemaakt voor andere doeleinden dan verkiezingsdoeleinden. | 1 | Met een straf van niveau 3 waarbij in afwijking van artikel 52, §1, tweede lid, 6°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 160.000 euro bedraagt, wordt gestraft degene die als dader, of deelnemer, met schending van artikel 20, hetzij exemplaren of afschriften van de kiezerslijst heeft afgegeven aan personen die niet gemachtigd zijn om ze te ontvangen, hetzij die exemplaren heeft meegedeeld aan derden na ze regelmatig te hebben ontvangen, hetzij van de gegevens uit de kiezerslijst heeft gebruikgemaakt voor andere doeleinden dan verkiezingsdoeleinden. |
| 2 | De straffen die de medeplichtigen van de strafbare feiten, vermeld in het eerste lid, oplopen, mogen niet meer bedragen dan twee derde van de straffen die aan hen zouden zijn opgelegd als zij de dader van die strafbare feiten waren. | 2 | De straffen die de deelnemers van de strafbare feiten, vermeld in het eerste lid, oplopen, mogen niet meer bedragen dan twee derde van de straffen die aan hen zouden zijn opgelegd als zij de dader van die strafbare feiten waren. |
| 1 | De voorzitter, de bijzitter en de plaatsvervangende bijzitter van een telbureau en de voorzitter, de bijzitter of de plaatsvervangende bijzitter van een stembureau die binnen de bepaalde tijd de reden van zijn verhindering niet opgeeft, of die zonder wettige reden nalaat het hem opgedragen ambt te vervullen of die zich zonder geldige reden, onttrekt aan de aanwijzing, vermeld in artikel 45 tot en met 50, of die door zijn schuld, zijn onvoorzichtigheid of zijn nalatigheid op om het even welke manier de hem toevertrouwde opdracht in gevaar brengt, wordt gestraft met een geldboete van 50 tot 200 euro . | 1 | De voorzitter, de bijzitter en de plaatsvervangende bijzitter van een telbureau en de voorzitter, de bijzitter of de plaatsvervangende bijzitter van een stembureau die binnen de bepaalde tijd de reden van zijn verhindering niet opgeeft, of die zonder wettige reden nalaat het hem opgedragen ambt te vervullen of die zich zonder geldige reden, onttrekt aan de aanwijzing, vermeld in artikel 45 tot en met 50, of die door zijn schuld, zijn onvoorzichtigheid of zijn nalatigheid op om het even welke manier de hem toevertrouwde opdracht in gevaar brengt, wordt gestraft met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 1600 euro bedraagt. |
| 1 | Iedere voorzitter, bijzitter of secretaris van een bureau en iedere getuige die het geheim van de stemming kenbaar maakt, wordt gestraft met geldboete van vijfhonderd euro tot drieduizend euro. | 1 | Iedere voorzitter, bijzitter of secretaris van een bureau en iedere getuige die het geheim van de stemming kenbaar maakt, wordt gestraft met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 24.000 euro bedraagt. |
| 1 | Met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van vijftig euro tot tweeduizend euro wordt gestraft ieder lid van een bureau of iedere getuige die bij de stemming of bij de stemopneming betrapt wordt op bedrieglijke verandering, op wegneming of op bijvoeging van biljetten, of die bewust minder of meer stembiljetten of stemmen aantekent dan hij werkelijk te tellen heeft gekregen. | 1 | Met een straf van niveau 2 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1° en artikel 52, §1, tweede lid, 7°, van het Strafwetboek, het maximum van de geldboete altijd 16.000 euro bedraagt, wordt gestraft ieder lid van een bureau of iedere getuige die bij de stemming of bij de stemopneming betrapt wordt op bedrieglijke verandering, op wegneming of op bijvoeging van biljetten, of die bewust minder of meer stembiljetten of stemmen aantekent dan hij werkelijk te tellen heeft gekregen. |
| 2 | Ieder ander persoon die schuldig is aan de feiten, vermeld in het vorige lid, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met een geldboete van zesentwintig euro tot duizend euro. | 2 | Ieder ander persoon die schuldig is aan de feiten, vermeld in het vorige lid, wordt gestraft met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 8.000 euro bedraagt. |
| 3 | Van de feiten, vermeld in het eerste en het tweede lid, wordt onmiddellijk melding gemaakt in het proces-verbaal. | 3 | Van de feiten, vermeld in het eerste en het tweede lid, wordt onmiddellijk melding gemaakt in het proces-verbaal. |
| 1 | Met gevangenisstraf van een maand tot eenjaar en met geldboete van zesentwintig euro tot duizend euro wordt gestraft hij die, buiten de gevallen, vermeld in titel 11 van deel 2, stemt of zich ter stemming aanmeldt onder naam van een andere kiezer. | 1 | Met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 8.000 euro bedraagt, wordt gestraft hij die, buiten de gevallen, vermeld in titel 11 van deel 2, stemt of zich ter stemming aanmeldt onder naam van een andere kiezer. |
| 2 | Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die, op enigerlei wijze, een of meer officiële stembiljetten wegneemt of achterhoudt. | 2 | Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die, op enigerlei wijze, een of meer officiële stembiljetten wegneemt of achterhoudt. |
| 3 | Met geldboete van zesentwintig euro tot duizend euro wordt gestraft : | ||
| 3 | Met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 8.000 euro bedraagt, wordt gestraft : | ||
| 4 | 1° hij die, op grond van titel 11 van deel 2, volmacht heeft gegeven terwijl hij de desbetreffende voorwaarden niet vervulde; | 4 | 1° hij die, op grond van titel 11 van deel 2, volmacht heeft gegeven terwijl hij de desbetreffende voorwaarden niet vervulde; |
| 5 | 2° hij die volmacht heeft gegeven en zijn gemachtigde heeft laten stemmen, terwijl hij zijn stemrecht zelf kon uitoefenen; | 5 | 2° hij die volmacht heeft gegeven en zijn gemachtigde heeft laten stemmen, terwijl hij zijn stemrecht zelf kon uitoefenen; |
| 1 | Hij die in een kiescollege stemt met schending van artikel 8 of 80, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijftien dagen en met een geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro. | 1 | Hij die in een kiescollege stemt met schending van artikel 8 of 80, wordt gestraft met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 1.600 euro bedraagt. |
| 1 | Hij die op de dag van de stemming wanorde veroorzaakt, hetzij door een herkenningsteken te aanvaarden, te dragen of te vertonen, hetzij op een andere wijze, wordt gestraft met geldboete van vijftig euro tot vijfhonderd euro. | 1 | Hij die op de dag van de stemming wanorde veroorzaakt, hetzij door een herkenningsteken te aanvaarden, te dragen of te vertonen, hetzij op een andere wijze, wordt gestraft met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 4.000 euro bedraagt. |
| 1 | De vervolging van de misdaden en wanbedrijven, vermeld in dit decreet, alsook de burgerlijke rechtsvordering, verjaren na verloop van zes volle maanden vanaf de dag waarop de misdaden en wanbedrijven zijn gepleegd. | 1 | De vervolging van de misdrijven, vermeld in dit decreet, alsook de burgerlijke rechtsvordering, verjaren na verloop van zes volle maanden vanaf de dag waarop de misdrijven zijn gepleegd. |
| 1 | Bij samenloop van verschillende wanbedrijven, vermeld in dit decreet , worden alle straffen samen opgelegd, zonder dat ze het dubbele van het maximum van de zwaarste straf te boven mogen gaan. | 1 | Bij samenloop van verschillende misdrijven als vermeld in dit decreet waarop een straf van niveau 1, 2 of 3 is gesteld, worden alle straffen samen opgelegd, zonder dat ze het dubbele van het maximum van de zwaarste straf te boven mogen gaan. |
| 2 | Bij samenloop van een of meer van die wanbedrijven en een van de misdaden vermeld in dit decreet, wordt alleen de op de misdaad gestelde straf uitgesproken. | 2 | Bij samenloop van een of meer van de misdrijven vermeld in het eerste lid en een misdrijf, vermeld in dit decreet, waarop een straf van niveau 4 is gesteld, wordt alleen een straf van niveau 4 uitgesproken. |
| 1 | Als verzachtende omstandigheden aanwezig zijn kunnen de rechtbanken de straf van opsluiting door een gevangenisstraf van ten minste drie maanden vervangen en de gevangenisstraf tot beneden acht dagen, de geldboete tot beneden zesentwintig euro verminderen. | ||
| 2 | De rechtbanken kunnen een van de straffen, vermeld in het eerste lid, afzonderlijk uitspreken, zonder dat de straf lager mag zijn dan een politiestraf. |
| 1 | Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot één maand en met een geldboete van zesentwintig tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen al wie de bepalingen over het taalgebruik in dit decreet overtreedt. | 1 | Met behoud van de toepassing van artikel 644 tot en met 646 van het Strafwetboek, wordt gestraft met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 4.000 euro bedraagt, al wie de bepalingen over het taalgebruik in dit decreet overtreedt. |
| 1 | Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, uitgezonderd hoofdstuk V, maar met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn van toepassing op de misdrijven, vermeld in dit hoofdstuk. | 1 | Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, uitgezonderd artikel 60, zijn van toepassing op de misdrijven, vermeld in dit hoofdstuk. |
| 5 | Ze verrichten de controle vóór de verkiezingsdag, op de verkiezingsdag zelf en na de verkiezingsdag tot de indiening van het verslag, vermeld in paragraaf 3. | 5 | Ze verrichten de controle vóór de verkiezingsdag, op de verkiezingsdag zelf en na de verkiezingsdag tot de indiening van het verslag, vermeld in paragraaf 3. |
| 6 | § 3. Uiterlijk tien dagen na de dag van de verkiezingen bezorgen ze een verslag aan de Vlaamse Regering en aan het Vlaams Parlement. Hun verslag kan aanbevelingen bevatten in verband met de apparatuur en de software die zijn gebruikt en de procedures die zijn toegepast, en ook aanbevelingen over juridische aangelegenheden. | 6 | § 3. Uiterlijk tien dagen na de dag van de verkiezingen bezorgen ze een verslag aan de Vlaamse Regering en aan het Vlaams Parlement. Hun verslag kan aanbevelingen bevatten in verband met de apparatuur en de software die zijn gebruikt en de procedures die zijn toegepast, en ook aanbevelingen over juridische aangelegenheden. |
| 7 | § 4. De deskundigen zijn tot geheimhouding verplicht. Elke schending van de geheimhoudingsplicht, buiten het geval van oproeping om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet verplicht die geheimen bekend te maken, wordt bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van honderd euro tot vijfhonderd euro. | 7 | § 4. De deskundigen zijn tot geheimhouding verplicht. Elke schending van de geheimhoudingsplicht, buiten het geval van oproeping om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet verplicht die geheimen bekend te maken, wordt bestraft met een straf als vermeld in artikel 352 van het Strafwetboek. |
| 2 | 1° algemene verordening gegevensbescherming: de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming); | 2 | 1° algemene verordening gegevensbescherming: de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming); |
| 3 | 2° casus: een casus als vermeld in artikel 3, § 2, van de wet van 30 juli 2018; | 3 | 2° casus: een casus als vermeld in artikel 3, § 2, van de wet van 30 juli 2018; |
| 4 | 3° casusoverleg: een overleg als vermeld in artikel 458ter van het Strafwetboek, waarop casus per casus multilateraal informatie wordt uitgewisseld; | 4 | 3° casusoverleg: een overleg als vermeld in artikel 353, §2, van het Strafwetboek, waarop casus per casus multilateraal informatie wordt uitgewisseld; |
| 5 | 4° deelnemer: een lid van een dienst of een voorziening of een door de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest gesubsidieerde organisatie als vermeld in artikel 3, dat op uitnodiging van een burgemeester of een door hem aangestelde vertegenwoordiger deelneemt aan een casusoverleg binnen een LIVC R; | 5 | 4° deelnemer: een lid van een dienst of een voorziening of een door de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest gesubsidieerde organisatie als vermeld in artikel 3, dat op uitnodiging van een burgemeester of een door hem aangestelde vertegenwoordiger deelneemt aan een casusoverleg binnen een LIVC R; |
| 6 | 5° doelstelling van de LIVC R: de voorkoming van terroristische misdrijven als vermeld in titel Iter van het boek II van het Strafwetboek, overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de wet van 30 juli 2018; | 6 | 5° doelstelling van de LIVC R: de voorkoming van terroristische misdrijven als vermeld in boek II, titel 4, hoofdstuk 1, van het Strafwetboek; |
| 7 | 6° LIVC R: een lokale integrale veiligheidscel inzake radicalisme, extremisme en terrorisme als vermeld in artikel 2 van de wet van 30 juli 2018; | 7 | 6° LIVC R: een lokale integrale veiligheidscel inzake radicalisme, extremisme en terrorisme als vermeld in artikel 2 van de wet van 30 juli 2018; |
| 8 | 7° wet van 30 juli 2018: de wet van 30 juli 2018 tot oprichting van lokale integrale veiligheidscellen inzake radicalisme, extremisme en terrorisme. | 8 | 7° wet van 30 juli 2018: de wet van 30 juli 2018 tot oprichting van lokale integrale veiligheidscellen inzake radicalisme, extremisme en terrorisme. |
| 1 | De leden van de diensten, de voorzieningen en de gesubsidieerde organisaties, vermeld in artikel 3, kunnen op vrijwillige basis deelnemen aan een casusoverleg binnen een LIVC R als een burgemeester of een door hem aangestelde vertegenwoordiger hen daarvoor uitnodigt conform artikel 3, § 1, tweede lid, van de wet van 30 juli 2018. Een genodigde die niet wenst deel te nemen aan het casusoverleg, bezorgt een gemotiveerd antwoord aan de burgemeester of de door hem aangestelde vertegenwoordiger. Dit gemotiveerde antwoord dient niet verstrekt te worden indien de genodigde een vrijwilliger als vermeld in artikel 3, 2°, van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, is. Het gemotiveerde antwoord valt onder de geheimhoudingsplicht, vermeld in artikel 458ter, §2, van het Strafwetboek. | 1 | De leden van de diensten, de voorzieningen en de gesubsidieerde organisaties, vermeld in artikel 3, kunnen op vrijwillige basis deelnemen aan een casusoverleg binnen een LIVC R als een burgemeester of een door hem aangestelde vertegenwoordiger hen daarvoor uitnodigt conform artikel 3, § 1, tweede lid, van de wet van 30 juli 2018. Een genodigde die niet wenst deel te nemen aan het casusoverleg, bezorgt een gemotiveerd antwoord aan de burgemeester of de door hem aangestelde vertegenwoordiger. Dit gemotiveerde antwoord dient niet verstrekt te worden indien de genodigde een vrijwilliger als vermeld in artikel 3, 2°, van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, is. Het gemotiveerde antwoord valt onder de geheimhoudingsplicht, vermeld in artikel 353, §2, vierde lid, van het Strafwetboek. |
| 1 | Deelnemers kunnen conform artikel 458ter van het Strafwetboek tijdens een casusoverleg binnen een LIVC R slechts informatie delen voor zover die informatie relevant en proportioneel is in functie van de finaliteit van het casusoverleg, met name de voorkoming van terroristische misdrijven als vermeld in titel Iter van boek IIvan het Strafwetboek. | 1 | Deelnemers kunnen conform artikel 353, §2, van het Strafwetboek tijdens een casusoverleg binnen een LIVC R slechts informatie delen voor zover die informatie relevant en proportioneel is in functie van de finaliteit van het casusoverleg, met name de voorkoming van terroristische misdrijven als vermeld in boek II, titel 4, hoofdstuk 1, van het Strafwetboek. |
| 2 | Deelnemers zijn vrij om te bepalen welke informatie ze delen tijdens een casusoverleg binnen een LIVC R in functie van de finaliteit van het casusoverleg, vermeld in het eerste lid. | 2 | Deelnemers zijn vrij om te bepalen welke informatie ze delen tijdens een casusoverleg binnen een LIVC R in functie van de finaliteit van het casusoverleg, vermeld in het eerste lid. |
| 1 | De personen die uitgenodigd zijn voor een casusoverleg binnen een LIVC R, kunnen zich op de LIVC R laten vertegenwoordigen door een vaste afgevaardigde. | 1 | De personen die uitgenodigd zijn voor een casusoverleg binnen een LIVC R, kunnen zich op de LIVC R laten vertegenwoordigen door een vaste afgevaardigde. |
| 2 | Het lid van de dienst, de voorziening of de gesubsidieerde organisatie, vermeld in artikel 3, dat rechtstreeks betrokken is bij de persoon waarover op het LIVC R een casusoverleg wordt georganiseerd, kan ten overstaan van de vaste afgevaardigde, voorafgaand aan en met het oog op deelname aan het casusoverleg, de daartoe noodzakelijke informatie meedelen, zonder dat deze mededeling strafbaar wordt gesteld conform artikel 458 van het Strafwetboek. Door deze informatie-uitwisseling wordt de vaste afgevaardigde onderworpen aan dezelfde reglementering en contractuele voorwaarden als het betreffende lid dat informatie verstrekt, zijnde de toepasselijke bepalingen inzake gegevensbescherming, het ambtsgeheim, de discretieplicht en het beroepsgeheim. | 2 | Het lid van de dienst, de voorziening of de gesubsidieerde organisatie, vermeld in artikel 3, dat rechtstreeks betrokken is bij de persoon waarover op het LIVC R een casusoverleg wordt georganiseerd, kan ten overstaan van de vaste afgevaardigde, voorafgaand aan en met het oog op deelname aan het casusoverleg, de daartoe noodzakelijke informatie meedelen, zonder dat deze mededeling strafbaar wordt gesteld conform artikel 352 van het Strafwetboek. Door deze informatie-uitwisseling wordt de vaste afgevaardigde onderworpen aan dezelfde reglementering en contractuele voorwaarden als het betreffende lid dat informatie verstrekt, zijnde de toepasselijke bepalingen inzake gegevensbescherming, het ambtsgeheim, de discretieplicht en het beroepsgeheim. |
| 3 | De vaste afgevaardigde kan ten overstaan van het lid van de dienst, de voorziening of de gesubsidieerde organisatie, vermeld in artikel 3, dat rechtstreeks betrokken is bij de persoon waarover op het LIVC R een casusoverleg wordt georganiseerd, na het casusoverleg informatie uit het casusoverleg met betrekking tot de op het casusoverleg besproken persoon meedelen. Door deze informatie-uitwisseling wordt het betreffende lid voor wat betreft de meegedeelde geheimen onderworpen aan de geheimhoudingsplicht, vermeld in artikel 458ter, §2, van het Strafwetboek. | 3 | De vaste afgevaardigde kan ten overstaan van het lid van de dienst, de voorziening of de gesubsidieerde organisatie, vermeld in artikel 3, dat rechtstreeks betrokken is bij de persoon waarover op het LIVC R een casusoverleg wordt georganiseerd, na het casusoverleg informatie uit het casusoverleg met betrekking tot de op het casusoverleg besproken persoon meedelen. Door deze informatie-uitwisseling wordt het betreffende lid voor wat betreft de meegedeelde geheimen onderworpen aan de geheimhoudingsplicht, vermeld in artikel 353, §2, vierde lid, van het Strafwetboek. |
| 1 | De leden van de diensten, voorzieningen en gesubsidieerde organisaties, vermeld in artikel 3, kunnen, met het oog op bespreking op een casusoverleg binnen een LIVC R, casussen aanmelden bij de burgemeester of de door hem aangestelde vertegenwoordiger. De informatie die wordt uitgewisseld in het kader van deze aanmelding valt onder de geheimhoudingsplicht, vermeld in artikel 458ter, §2, van het Strafwetboek. | 1 | De leden van de diensten, voorzieningen en gesubsidieerde organisaties, vermeld in artikel 3, kunnen, met het oog op bespreking op een casusoverleg binnen een LIVC R, casussen aanmelden bij de burgemeester of de door hem aangestelde vertegenwoordiger. De informatie die wordt uitgewisseld in het kader van deze aanmelding valt onder de geheimhoudingsplicht, vermeld in artikel 353, §2, vierde lid, van het Strafwetboek. |
| 21 | De verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1, kan ook de verwerking omvatten van persoonsgegevens als vermeld in artikel 10 van de voormelde verordening. | 21 | De verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1, kan ook de verwerking omvatten van persoonsgegevens als vermeld in artikel 10 van de voormelde verordening. |
| 22 | § 3. De diensten, voorzieningen en gesubsidieerde organisaties, vermeld in artikel 3, en de gemeenten, treden elk individueel op als verwerkingsverantwoordelijke met betrekking tot de verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1. | 22 | § 3. De diensten, voorzieningen en gesubsidieerde organisaties, vermeld in artikel 3, en de gemeenten, treden elk individueel op als verwerkingsverantwoordelijke met betrekking tot de verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1. |
| 23 | De diensten, voorzieningen en gesubsidieerde organisaties, vermeld in artikel 3, en de gemeenten, nemen de passende maatregelen ter beveiliging van de persoonsgegevens, waaronder het voorzien in een behoorlijk gebruikers- en toegangsbeheer, conform de geheimhoudingsplicht, vermeld in artikel 458ter, §2, van het Strafwetboek, en conform de beveiliging van de verwerking, vermeld in artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming. In voorkomend geval worden de maatregelen, vermeld in artikel 9 en 10, § 2, van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, toegepast. | 23 | De diensten, voorzieningen en gesubsidieerde organisaties, vermeld in artikel 3, en de gemeenten, nemen de passende maatregelen ter beveiliging van de persoonsgegevens, waaronder het voorzien in een behoorlijk gebruikers- en toegangsbeheer, conform de geheimhoudingsplicht, vermeld in artikel 353, §2, vierde lid, van het Strafwetboek, en conform de beveiliging van de verwerking, vermeld in artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming. In voorkomend geval worden de maatregelen, vermeld in artikel 9 en 10, § 2, van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, toegepast. |
| 24 | De Vlaamse Regering kan de maatregelen, vermeld in het tweede lid, nader bepalen. | 24 | De Vlaamse Regering kan de maatregelen, vermeld in het tweede lid, nader bepalen. |
| 25 | § 4. De persoonsgegevens, verkregen in het kader van een casusoverleg binnen een LIVC R, worden niet langer bewaard dan noodzakelijk is voor het doeleinde van de gegevensverwerking, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en worden gewist of vernietigd zodra de bewaring niet langer noodzakelijk is voor het doeleinde van de gegevensverwerking, vermeld in paragraaf 1, eerste lid. De maximale bewaartermijn van de persoonsgegevens, verkregen in het kader van een casusoverleg binnen een LIVC R, bedraagt één jaar. De voormelde termijn vangt aan op de datum van de laatste bespreking van de betrokkene op het casusoverleg binnen een LIVC R. | 25 | § 4. De persoonsgegevens, verkregen in het kader van een casusoverleg binnen een LIVC R, worden niet langer bewaard dan noodzakelijk is voor het doeleinde van de gegevensverwerking, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en worden gewist of vernietigd zodra de bewaring niet langer noodzakelijk is voor het doeleinde van de gegevensverwerking, vermeld in paragraaf 1, eerste lid. De maximale bewaartermijn van de persoonsgegevens, verkregen in het kader van een casusoverleg binnen een LIVC R, bedraagt één jaar. De voormelde termijn vangt aan op de datum van de laatste bespreking van de betrokkene op het casusoverleg binnen een LIVC R. |
| 1 | Met toepassing van artikel 23, lid 1, a), c), d) en i), van de algemene verordening gegevensbescherming kunnen de diensten, voorzieningen en gesubsidieerde organisaties, vermeld in artikel 3, en de gemeenten, beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 21 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit decreet als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het zevende lid. | 1 | Met toepassing van artikel 23, lid 1, a), c), d) en i), van de algemene verordening gegevensbescherming kunnen de diensten, voorzieningen en gesubsidieerde organisaties, vermeld in artikel 3, en de gemeenten, beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 21 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit decreet als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het zevende lid. |
| 2 | De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt vanaf het ogenblik dat de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een aanmelding conform artikel 8 van dit decreet, tot na afloop van de bewaartermijn, vermeld in artikel 9, § 4, van dit decreet, op voorwaarde dat de niet-toepassing van de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 21 van de voormelde verordening, een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter voorkoming van terroristische misdrijven bedoeld in titel Iter van het boek IIvan het Strafwetboek, en ter waarborging van de belangen vermeld in artikel 23, lid 1, a), c), d) of i), van de algemene verordening gegevensbescherming. | 2 | De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt vanaf het ogenblik dat de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een aanmelding conform artikel 8 van dit decreet, tot na afloop van de bewaartermijn, vermeld in artikel 9, § 4, van dit decreet, op voorwaarde dat de niet-toepassing van de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 21 van de voormelde verordening, een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter voorkoming van terroristische misdrijven, vermeld in boek II, titel 4, hoofdstuk 1, van het Strafwetboek, en ter waarborging van de belangen vermeld in artikel 23, lid 1, a), c), d) of i), van de algemene verordening gegevensbescherming. |
| 3 | De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft enkel betrekking op de gegevens die gedeeld of verkregen worden in het kader van een casusoverleg binnen een LIVC R of in het kader van een aanmelding, conform artikel 8 van dit decreet. | 3 | De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft enkel betrekking op de gegevens die gedeeld of verkregen worden in het kader van een casusoverleg binnen een LIVC R of in het kader van een aanmelding, conform artikel 8 van dit decreet. |
| 4 | Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 21 van de voormelde verordening, bevestigt de betreffende dienst, voorziening of gesubsidieerde organisatie, of de betreffende gemeente, de ontvangst daarvan. | 4 | Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 21 van de voormelde verordening, bevestigt de betreffende dienst, voorziening of gesubsidieerde organisatie, of de betreffende gemeente, de ontvangst daarvan. |
| 2 | 1° algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming); | 2 | 1° algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming); |
| 3 | 2° betrokken persoon: de persoon die het voorwerp van bespreking is op een casusoverleg; | 3 | 2° betrokken persoon: de persoon die het voorwerp van bespreking is op een casusoverleg; |
| 4 | 3° casusoverleg: een overleg als vermeld in artikel 458ter van het Strafwetboek, waarop casus per casus multilateraal informatie wordt uitgewisseld. | 4 | 3° casusoverleg: een overleg als vermeld in artikel 353, §2, van het Strafwetboek, waarop casus per casus multilateraal informatie wordt uitgewisseld. |
| 3 | 2° de verwerking is noodzakelijk om een van de volgende doelstellingen van het casusoverleg te realiseren: | 3 | 2° de verwerking is noodzakelijk om een van de volgende doelstellingen van het casusoverleg te realiseren: |
| 4 | a) de fysieke en psychische integriteit van de betrokken persoon of van derden beschermen; | 4 | a) de fysieke en psychische integriteit van de betrokken persoon of van derden beschermen; |
| 5 | b) de misdrijven, vermeld in boek 2, titel Iter, van het Strafwetboek, of de misdrijven die zijn gepleegd in het raam van een criminele organisatie als vermeld in artikel 324bis van het Strafwetboek, voorkomen; | 5 | b) de misdrijven, vermeld in boek II, titel 4, hoofdstuk 1, van het Strafwetboek, of de misdrijven die zijn gepleegd in het raam van een criminele organisatie als vermeld in artikel 406 van het Strafwetboek, voorkomen; |
| 6 | 3° de organisatie wordt door een bepaalde expertise of door haar kennis van de betrokken persoon geacht een noodzakelijke bijdrage te kunnen leveren aan een geïndividualiseerde casusgerichte opvolging. | 6 | 3° de organisatie wordt door een bepaalde expertise of door haar kennis van de betrokken persoon geacht een noodzakelijke bijdrage te kunnen leveren aan een geïndividualiseerde casusgerichte opvolging. |
| 7 | §2. De organisaties, vermeld in paragraaf 1, verwerken de persoonsgegevens, vermeld in artikel 5, eerste lid, van dit decreet, conform artikel 6, lid 1, e), van de algemene verordening gegevensbescherming. | 7 | §2. De organisaties, vermeld in paragraaf 1, verwerken de persoonsgegevens, vermeld in artikel 5, eerste lid, van dit decreet, conform artikel 6, lid 1, e), van de algemene verordening gegevensbescherming. |
| 21 | 3° de organisaties, vermeld in artikel 4, §1, die deelnemen aan een casusoverleg, kunnen persoonsgegevens delen met de organisator van het casusoverleg als dat noodzakelijk is om de aanmelding van een casus te realiseren; | 21 | 3° de organisaties, vermeld in artikel 4, §1, die deelnemen aan een casusoverleg, kunnen persoonsgegevens delen met de organisator van het casusoverleg als dat noodzakelijk is om de aanmelding van een casus te realiseren; |
| 22 | 4° de persoonsgegevens kunnen worden ontvangen door politiediensten als vermeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, het openbaar ministerie, het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen en andere federale actoren indien zij door een bepaalde expertise of door hun kennis van de betrokken persoon geacht worden een noodzakelijke bijdrage te kunnen leveren aan een geïndividualiseerde casusgerichte opvolging. | 22 | 4° de persoonsgegevens kunnen worden ontvangen door politiediensten als vermeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, het openbaar ministerie, het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen en andere federale actoren indien zij door een bepaalde expertise of door hun kennis van de betrokken persoon geacht worden een noodzakelijke bijdrage te kunnen leveren aan een geïndividualiseerde casusgerichte opvolging. |
| 23 | Voor de dossieromgeving, vermeld in het derde lid, 2°, worden passende maatregelen voor de beveiliging genomen, waaronder het voorzien in een behoorlijk gebruikers- en toegangsbeheer, conform de geheimhoudingsplicht, vermeld in artikel 458ter, §2, van het Strafwetboek, en conform de beveiliging van de verwerking, vermeld in artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming. In voorkomend geval worden de maatregelen toegepast, vermeld in artikel 9 en 10, §2, van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. | 23 | Voor de dossieromgeving, vermeld in het derde lid, 2°, worden passende maatregelen voor de beveiliging genomen, waaronder het voorzien in een behoorlijk gebruikers- en toegangsbeheer, conform de geheimhoudingsplicht, vermeld in artikel 353, §2, vierde lid, van het Strafwetboek, en conform de beveiliging van de verwerking, vermeld in artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming. In voorkomend geval worden de maatregelen toegepast, vermeld in artikel 9 en 10, §2, van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. |
| 24 | De persoonsgegevens die verkregen zijn in het kader van een casusoverleg, worden niet langer bewaard dan noodzakelijk is voor het doeleinde van de gegevensverwerking, vermeld in artikel 4, §1, 2°. De maximale bewaartermijn zal alleszins niet langer dan 30 jaar na afsluiting van het dossier zijn, tenzij bepaalde toepasselijke regelgeving een langere maximale bewaartermijn vooropstelt. Als persoonsgegevens conform artikel 5, derde lid, 2°, worden opgenomen in een gezamenlijke dossieromgeving, bepalen de deelnemers voor de start van het eerste casusoverleg een maximale bewaartermijn voor de persoonsgegevens die bewaard worden in de gezamenlijke dossieromgeving. | 24 | De persoonsgegevens die verkregen zijn in het kader van een casusoverleg, worden niet langer bewaard dan noodzakelijk is voor het doeleinde van de gegevensverwerking, vermeld in artikel 4, §1, 2°. De maximale bewaartermijn zal alleszins niet langer dan 30 jaar na afsluiting van het dossier zijn, tenzij bepaalde toepasselijke regelgeving een langere maximale bewaartermijn vooropstelt. Als persoonsgegevens conform artikel 5, derde lid, 2°, worden opgenomen in een gezamenlijke dossieromgeving, bepalen de deelnemers voor de start van het eerste casusoverleg een maximale bewaartermijn voor de persoonsgegevens die bewaard worden in de gezamenlijke dossieromgeving. |
| 7 | 6° sanctioneerbare feiten: feiten waarvoor een strafrechtelijke of bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd en die kaderen binnen: | 7 | 6° sanctioneerbare feiten: feiten waarvoor een strafrechtelijke of bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd en die kaderen binnen: |
| 8 | a) de oplijsting in artikel 119ter, §10, vijfde lid, van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988; | 8 | a) de oplijsting in artikel 119ter, §10, vijfde lid, van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988; |
| 9 | b) misdrijven op grond van Vlaamse regelgeving die bestraft worden met een minimumgevangenisstraf van vijf jaar; | 9 | b) misdrijven op grond van Vlaamse regelgeving die bestraft worden met een straf van niveau 4 of hoger; |
| 10 | 7° verwerkingsverantwoordelijke: een verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming; | 10 | 7° verwerkingsverantwoordelijke: een verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming; |
| 11 | 8° werkdag: elke dag, behalve zaterdag, zondag en wettelijke feestdagen. | 11 | 8° werkdag: elke dag, behalve zaterdag, zondag en wettelijke feestdagen. |
| 1 | Overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek zijn de personeelsleden van het openbaar bestuur die belast zijn met het integriteitsonderzoek, voor de handelingen die ze stellen ter uitvoering van dat onderzoek, gehouden aan het beroepsgeheim. De persoon die het voormelde beroepsgeheim schendt, wordt gesanctioneerd met de straffen, vermeld in artikel 458 van het Strafwetboek. | 1 | Overeenkomstig artikel 352 van het Strafwetboek zijn de personeelsleden van het openbaar bestuur die belast zijn met het integriteitsonderzoek, voor de handelingen die ze stellen ter uitvoering van dat onderzoek, gehouden aan het beroepsgeheim. De persoon die het voormelde beroepsgeheim schendt, wordt gesanctioneerd met de straffen, vermeld in artikel 352 van het Strafwetboek. |
| 1 | §1. Buiten het geval waarin ze worden opgeroepen om in rechte te getuigen in strafzaken, of voor een parlementaire onderzoekscommissie, zijn de leden van het orgaan van het openbaar bestuur dat bevoegd is om een beslissing als vermeld in artikel 3 te nemen en alle personeelsleden van het openbaar bestuur die kennis krijgen van persoonsgegevens en informatie die werd verzameld met het oog op het uitvoeren van integriteitsbeoordelingen gebonden door het beroepsgeheim, vermeld in artikel 458 van het Strafwetboek. Zij mogen aan geen enkele persoon of autoriteit gegevens bekendmaken waarvan ze bij de uitoefening van de bevoegdheden krachtens dit decreet, in kennis zijn gesteld. | 1 | §1. Buiten het geval waarin ze worden opgeroepen om in rechte te getuigen in strafzaken, of voor een parlementaire onderzoekscommissie, zijn de leden van het orgaan van het openbaar bestuur dat bevoegd is om een beslissing als vermeld in artikel 3 te nemen en alle personeelsleden van het openbaar bestuur die kennis krijgen van persoonsgegevens en informatie die werd verzameld met het oog op het uitvoeren van integriteitsbeoordelingen gebonden door het beroepsgeheim, vermeld in artikel 352 van het Strafwetboek. Zij mogen aan geen enkele persoon of autoriteit gegevens bekendmaken waarvan ze bij de uitoefening van de bevoegdheden krachtens dit decreet, in kennis zijn gesteld. |
| 2 | De geheimhoudingsplicht, vermeld in het eerste lid, blijft bestaan als de personen, vermeld in het eerste lid, het openbaar bestuur hebben verlaten of de medewerking hebben stopgezet. | 2 | De geheimhoudingsplicht, vermeld in het eerste lid, blijft bestaan als de personen, vermeld in het eerste lid, het openbaar bestuur hebben verlaten of de medewerking hebben stopgezet. |
| 3 | §2. Inbreuken op de bepalingen, vermeld in paragraaf 1, worden bestraft met een gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en een geldboete van honderd euro tot duizend euro of met een van die straffen alleen. | 3 | §2. Inbreuken op de bepalingen, vermeld in paragraaf 1, die opzettelijk worden gepleegd, worden bestraft met een straf van niveau 2. |
| 3 | 2° Agentschap Opgroeien: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid, opgericht bij artikel 3 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie en het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid, opgericht bij artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Opgroeien; | 3 | 2° Agentschap Opgroeien: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid, opgericht bij artikel 3 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie en het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid, opgericht bij artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Opgroeien; |
| 4 | 3° algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming); | 4 | 3° algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming); |
| 5 | 4° casusoverleg: een overleg als vermeld in artikel 458ter van het Strafwetboek, waarop casus per casus multilateraal informatie wordt uitgewisseld; | 5 | 4° casusoverleg: een overleg als vermeld in artikel 353, §2, van het Strafwetboek, waarop casus per casus multilateraal informatie wordt uitgewisseld; |
| 6 | 5° cliëntsysteem: een groep personen die samenleeft of samengeleefd heeft en tussen wie een duurzame en affectieve band bestaat of bestaan heeft; | 6 | 5° cliëntsysteem: een groep personen die samenleeft of samengeleefd heeft en tussen wie een duurzame en affectieve band bestaat of bestaan heeft; |
| 7 | 6° coördinator: de coördinator van een Veilig Huis; | 7 | 6° coördinator: de coördinator van een Veilig Huis; |
| 1 | Met behoud van de toepassing van de bepalingen uit hoofdstuk 3 van dit decreet zijn de personen die betrokken zijn bij de operationele werking van een Veilig Huis, gehouden tot het beroepsgeheim, conform artikel 458 van het Strafwetboek. | 1 | Met behoud van de toepassing van de bepalingen uit hoofdstuk 3 van dit decreet zijn de personen die betrokken zijn bij de operationele werking van een Veilig Huis, gehouden tot het beroepsgeheim, conform artikel 352 van het Strafwetboek. |
| 1 | Binnen een Veilig Huis kan, met het oog op de bescherming van de fysieke en psychische integriteit van een of meer leden van het betrokken cliëntsysteem, in het kader van een intersectoraal traject, een casusoverleg conform artikel 458ter van het Strafwetboek worden georganiseerd. Op dat casusoverleg kunnen cliëntsystemen besproken worden die voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 5. | 1 | Binnen een Veilig Huis kan, met het oog op de bescherming van de fysieke en psychische integriteit van een of meer leden van het betrokken cliëntsysteem, in het kader van een intersectoraal traject, een casusoverleg conform artikel 353,§2, van het Strafwetboek worden georganiseerd. Op dat casusoverleg kunnen cliëntsystemen besproken worden die voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 5. |
| 1 | De organisaties, vermeld in artikel 10, kunnen, met het oog op bespreking op een casusoverleg binnen een Veilig Huis, cliëntsystemen aanmelden bij de coördinator of een vertegenwoordiger van de coördinator. Op basis van de aanmelding gaat de coördinator of zijn vertegenwoordiger na of voldaan is aan de criteria, vermeld in artikel 5. | 1 | De organisaties, vermeld in artikel 10, kunnen, met het oog op bespreking op een casusoverleg binnen een Veilig Huis, cliëntsystemen aanmelden bij de coördinator of een vertegenwoordiger van de coördinator. Op basis van de aanmelding gaat de coördinator of zijn vertegenwoordiger na of voldaan is aan de criteria, vermeld in artikel 5. |
| 2 | Als de aanmelding voldoet aan de criteria, vermeld in artikel 5, krijgen de kernpartners de mogelijkheid om op schriftelijke wijze de aanmelding aan te vullen met objectieve informatie over een eventueel reeds lopend traject binnen de eigen organisatie en een inschatting omtrent het vervolgtraject binnen het Veilig Huis. Er kan enkel informatie worden aangevuld voor zover dit noodzakelijk is voor het bepalen van het vervolgtraject binnen het Veilig Huis. | 2 | Als de aanmelding voldoet aan de criteria, vermeld in artikel 5, krijgen de kernpartners de mogelijkheid om op schriftelijke wijze de aanmelding aan te vullen met objectieve informatie over een eventueel reeds lopend traject binnen de eigen organisatie en een inschatting omtrent het vervolgtraject binnen het Veilig Huis. Er kan enkel informatie worden aangevuld voor zover dit noodzakelijk is voor het bepalen van het vervolgtraject binnen het Veilig Huis. |
| 3 | De informatie die wordt uitgewisseld in het kader van een aanmelding als vermeld in het eerste lid en de aanvulling van een aanmelding, vermeld in het tweede lid, betreft een voorbereiding op het casusoverleg en valt in die zin onder de geheimhoudingsplicht, vermeld in artikel 458ter, §2, van het Strafwetboek. De organisaties, vermeld in artikel 10, kunnen deze informatie in het kader van een aanmelding als vermeld in het eerste lid en de aanvulling van een aanmelding, vermeld in het tweede lid, uitwisselen zonder dat deze mededeling strafbaar wordt gesteld, conform artikel 458 van het Strafwetboek. | 3 | De informatie die wordt uitgewisseld in het kader van een aanmelding als vermeld in het eerste lid en de aanvulling van een aanmelding, vermeld in het tweede lid, betreft een voorbereiding op het casusoverleg en valt in die zin onder de geheimhoudingsplicht, vermeld in artikel 353, §2, vierde lid, van het Strafwetboek. De organisaties, vermeld in artikel 10, kunnen deze informatie in het kader van een aanmelding als vermeld in het eerste lid en de aanvulling van een aanmelding, vermeld in het tweede lid, uitwisselen zonder dat deze mededeling strafbaar wordt gesteld, conform artikel 352 van het Strafwetboek. |
| 3 | 2° een specifieke inhoudelijke expertise. | 3 | 2° een specifieke inhoudelijke expertise. |
| 4 | De personen en organisaties die uitgenodigd zijn voor een casusoverleg binnen een Veilig Huis, kunnen zich op het casusoverleg laten vertegenwoordigen door een vaste afgevaardigde. | 4 | De personen en organisaties die uitgenodigd zijn voor een casusoverleg binnen een Veilig Huis, kunnen zich op het casusoverleg laten vertegenwoordigen door een vaste afgevaardigde. |
| 5 | De uitgenodigde persoon of de persoon van de uitgenodigde organisatie, die rechtstreeks betrokken is bij het cliëntsysteem waarover een casusoverleg wordt georganiseerd, kan aan de vaste afgevaardigde, voorafgaand aan en met het oog op deelname aan het casusoverleg, de daartoe noodzakelijke informatie meedelen, zonder dat deze mededeling strafbaar wordt gesteld conform artikel 458 van het Strafwetboek. Door deze informatie-uitwisseling wordt de vaste afgevaardigde onderworpen aan dezelfde reglementering en contractuele voorwaarden als de persoon die de informatie verstrekt, met name de toepasselijke bepalingen inzake gegevensbescherming, het ambtsgeheim, de discretieplicht en het beroepsgeheim. | 5 | De uitgenodigde persoon of de persoon van de uitgenodigde organisatie, die rechtstreeks betrokken is bij het cliëntsysteem waarover een casusoverleg wordt georganiseerd, kan aan de vaste afgevaardigde, voorafgaand aan en met het oog op deelname aan het casusoverleg, de daartoe noodzakelijke informatie meedelen, zonder dat deze mededeling strafbaar wordt gesteld conform artikel 352 van het Strafwetboek. Door deze informatie-uitwisseling wordt de vaste afgevaardigde onderworpen aan dezelfde reglementering en contractuele voorwaarden als de persoon die de informatie verstrekt, met name de toepasselijke bepalingen inzake gegevensbescherming, het ambtsgeheim, de discretieplicht en het beroepsgeheim. |
| 6 | De vaste afgevaardigde kan aan die persoon, die rechtstreeks betrokken is bij het cliëntsysteem waarover een casusoverleg wordt georganiseerd, na het casusoverleg, informatie uit het casusoverleg meedelen over het op het casusoverleg besproken cliëntsysteem. Door deze informatie-uitwisseling wordt die persoon onderworpen aan de geheimhoudingsplicht, vermeld in artikel 458ter, §2, van het Strafwetboek. | 6 | De vaste afgevaardigde kan aan die persoon, die rechtstreeks betrokken is bij het cliëntsysteem waarover een casusoverleg wordt georganiseerd, na het casusoverleg, informatie uit het casusoverleg meedelen over het op het casusoverleg besproken cliëntsysteem. Door deze informatie-uitwisseling wordt die persoon onderworpen aan de geheimhoudingsplicht, vermeld in artikel 353, §2, vierde lid, van het Strafwetboek. |
| 1 | §1. De rol van de deelnemers tijdens een casusoverleg binnen een Veilig Huis is beperkt tot het bijdragen aan de realisatie van de doelstelling van het Veilig Huis. | 1 | §1. De rol van de deelnemers tijdens een casusoverleg binnen een Veilig Huis is beperkt tot het bijdragen aan de realisatie van de doelstelling van het Veilig Huis. |
| 2 | §2. Deelnemers kunnen conform artikel 458ter van het Strafwetboek tijdens een casusoverleg binnen een Veilig Huis slechts informatie delen voor zover die informatie relevant en proportioneel is in functie van de finaliteit van het casusoverleg, met name de bescherming van de fysieke en psychische integriteit van een of meer leden van het betrokken cliëntsysteem. | 2 | §2. Deelnemers kunnen conform artikel 353, §2, van het Strafwetboek tijdens een casusoverleg binnen een Veilig Huis slechts informatie delen voor zover die informatie relevant en proportioneel is in functie van de finaliteit van het casusoverleg, met name de bescherming van de fysieke en psychische integriteit van een of meer leden van het betrokken cliëntsysteem. |
| 3 | Deelnemers zijn vrij om te bepalen welke informatie ze delen tijdens het casusoverleg in functie van de finaliteit van het casusoverleg, vermeld in het eerste lid. | 3 | Deelnemers zijn vrij om te bepalen welke informatie ze delen tijdens het casusoverleg in functie van de finaliteit van het casusoverleg, vermeld in het eerste lid. |
| 4 | Van het casusoverleg kan een verslag worden opgemaakt. De Vlaamse Regering kan nader bepalen welke elementen dat verslag bevat. | 4 | Van het casusoverleg kan een verslag worden opgemaakt. De Vlaamse Regering kan nader bepalen welke elementen dat verslag bevat. |
| 1 | §1. Conform artikel 458ter, §2, van het Strafwetboek zijn de deelnemers tot geheimhouding verplicht wat betreft de tijdens het casusoverleg meegedeelde geheimen. | 1 | §1. Conform artikel 353, §2, vierde lid, van het Strafwetboek zijn de deelnemers tot geheimhouding verplicht wat betreft de tijdens het casusoverleg meegedeelde geheimen. |
| 2 | §2. Een deelnemer aan het casusoverleg kan informatie, die meegedeeld is op het casusoverleg, delen met een of meer leden van het betrokken cliëntsysteem als voldaan is aan volgende voorwaarden: | 2 | §2. Een deelnemer aan het casusoverleg kan informatie, die meegedeeld is op het casusoverleg, delen met een of meer leden van het betrokken cliëntsysteem als voldaan is aan volgende voorwaarden: |
| 3 | 1° er is tussen alle deelnemers aan het casusoverleg consensus over welke informatie precies gedeeld kan worden met welke leden van het betrokken cliëntsysteem en welke deelnemer aan het casusoverleg die informatie zal delen; | 3 | 1° er is tussen alle deelnemers aan het casusoverleg consensus over welke informatie precies gedeeld kan worden met welke leden van het betrokken cliëntsysteem en welke deelnemer aan het casusoverleg die informatie zal delen; |
| 23 | 6° de persoonsgegevens kunnen worden opgenomen in een gezamenlijke dossieromgeving, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het vierde lid; | 23 | 6° de persoonsgegevens kunnen worden opgenomen in een gezamenlijke dossieromgeving, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het vierde lid; |
| 24 | 7° de coördinator kan het dossier, met inbegrip van de persoonsgegevens, overdragen aan de coördinator van een ander Veilig Huis als het cliëntsysteem door dat andere Veilig Huis verder wordt opgevolgd. | 24 | 7° de coördinator kan het dossier, met inbegrip van de persoonsgegevens, overdragen aan de coördinator van een ander Veilig Huis als het cliëntsysteem door dat andere Veilig Huis verder wordt opgevolgd. |
| 25 | Voor de dossieromgeving, vermeld in het derde lid, 6°, worden passende beveiligingsmaatregelen genomen, waaronder het voorzien in een behoorlijk gebruikers- en toegangsbeheer, conform de geheimhoudingsplicht, vermeld in artikel 458ter, §2, van het Strafwetboek, en conform de beveiliging van de verwerking, vermeld in artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming. In voorkomend geval worden de maatregelen, vermeld in artikel 9 en 10, §2, van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, toegepast. De passende maatregelen ter beveiliging kunnen nader bepaald worden door de Vlaamse Regering. | 25 | Voor de dossieromgeving, vermeld in het derde lid, 6°, worden passende beveiligingsmaatregelen genomen, waaronder het voorzien in een behoorlijk gebruikers- en toegangsbeheer, conform de geheimhoudingsplicht, vermeld in artikel 353, §2, vierde lid, van het Strafwetboek, en conform de beveiliging van de verwerking, vermeld in artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming. In voorkomend geval worden de maatregelen, vermeld in artikel 9 en 10, §2, van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, toegepast. De passende maatregelen ter beveiliging kunnen nader bepaald worden door de Vlaamse Regering. |
| 26 | §2. Het Agentschap Justitie en Handhaving is verwerkingsverantwoordelijke voor de dossieromgeving, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 6°. | 26 | §2. Het Agentschap Justitie en Handhaving is verwerkingsverantwoordelijke voor de dossieromgeving, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 6°. |
| 27 | De organisaties die deelnemen aan het casusoverleg en de kernpartners die instaan voor de trajectwerking en de werking van het Veilig Huis in het algemeen, zijn verantwoordelijk voor de inhoud die ze ter beschikking stellen via de dossieromgeving en voor het zorgvuldige gebruik van de gegevens, al dan niet persoonsgegevens, die ze verkregen hebben via de dossieromgeving. | 27 | De organisaties die deelnemen aan het casusoverleg en de kernpartners die instaan voor de trajectwerking en de werking van het Veilig Huis in het algemeen, zijn verantwoordelijk voor de inhoud die ze ter beschikking stellen via de dossieromgeving en voor het zorgvuldige gebruik van de gegevens, al dan niet persoonsgegevens, die ze verkregen hebben via de dossieromgeving. |
| 1 | De personeelsleden van het Agentschap Justitie en Handhaving die betrokken zijn bij de operationele werking van het Meldpunt GOG, zijn onderworpen aan het beroepsgeheim conform artikel 458 van het Strafwetboek. | 1 | De personeelsleden van het Agentschap Justitie en Handhaving die betrokken zijn bij de operationele werking van het Meldpunt GOG, zijn onderworpen aan het beroepsgeheim conform artikel 352 van het Strafwetboek. |