Artikel 13
§1. Buiten het geval waarin ze worden opgeroepen om in rechte te getuigen in strafzaken, of voor een parlementaire onderzoekscommissie, zijn de leden van het orgaan van het openbaar bestuur dat bevoegd is om een beslissing als vermeld in artikel 3 te nemen en alle personeelsleden van het openbaar bestuur die kennis krijgen van persoonsgegevens en informatie die werd verzameld met het oog op het uitvoeren van integriteitsbeoordelingen gebonden door het beroepsgeheim, vermeld in artikel 352 van het Strafwetboek. Zij mogen aan geen enkele persoon of autoriteit gegevens bekendmaken waarvan ze bij de uitoefening van de bevoegdheden krachtens dit decreet, in kennis zijn gesteld.
De geheimhoudingsplicht, vermeld in het eerste lid, blijft bestaan als de personen, vermeld in het eerste lid, het openbaar bestuur hebben verlaten of de medewerking hebben stopgezet.
§2. Inbreuken op de bepalingen, vermeld in paragraaf 1, die opzettelijk worden gepleegd, worden bestraft met een straf van niveau 2.