Artikel 12
§ 1. Het verkozen provincieraadslid dat zich op het ogenblik van zijn installatie als provincieraadslid in een situatie bevindt die onverenigbaar is met het lidmaatschap van de provincieraad, kan de eed niet afleggen, tenzij hij aantoont dat hij ontslag genomen heeft uit de met het mandaat van provincieraadslid onverenigbare functie. Hij wordt bijgevolg geacht afstand te doen van het hem toegekende mandaat.
§ 2. Een provincieraadslid dat tijdens zijn mandaat in een situatie terechtkomt die onverenigbaar is met zijn mandaat en dat binnen vijftien dagen na het tot hem gerichte verzoek van de voorzitter van de provincieraad geen einde maakt aan die situatie, wordt door de provincieraad vervallen verklaard van zijn mandaat, overeenkomstig artikel 10, § 1, tweede lid, § 2 en § 3, nadat het betrokken provincieraadslid is gehoord.
§ 3. Als de betrokkene, zelfs bij ontstentenis van enige kennisgeving na de vervallenverklaring, zijn mandaat blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van het verval, is hij strafbaar met een straf van niveau 1 waarbij in afwijking van artikel 36, negende lid, 1°, van het Strafwetboek het maximum van de geldboete 4.000 euro bedraagt.