Decreet houdende diverse bepalingen inzake omgeving, leefmilieu en natuur, ruimtelijke ordening en landbouw
93 artikels gewijzigd
| 38 | 11) parkgebieden, | 38 | 11) parkgebieden, |
| 39 | 12) valleigebieden, | 39 | 12) valleigebieden, |
| 40 | b) gebieden, aangewezen op ruimtelijke uitvoeringsplannen, en sorterend onder één van volgende categorieën of subcategorieën van gebiedsaanduiding : | 40 | b) de volgende gebieden, aangewezen op ruimtelijke uitvoeringsplannen: |
| 41 | 1) bos, | ||
| 42 | 2) parkgebied, | ||
| 41 | 1) gebieden sorterend onder de categorie van gebiedsaanduiding bos; | ||
| 42 | 2) gebieden sorterend onder de subcategorie van gebiedsaanduiding parkgebied; | ||
| 43 | 3) reservaat en natuur, | 43 | 3) gebieden sorterend onder de categorie van gebiedsaanduiding reservaat en natuur; |
| 44 | 4) agrarische gebieden met ecologisch belang | ||
| 44 | c) het Vlaams Ecologisch Netwerk, bestaande uit de gebiedscategorieën Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling, vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, | 45 | c) het Vlaams Ecologisch Netwerk, bestaande uit de gebiedscategorieën Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling, vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, |
| 45 | d) de beschermde duingebieden en de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, aangeduid krachtens artikel 52, § 1, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud; | 46 | d) de beschermde duingebieden en de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, aangeduid krachtens artikel 52, § 1, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud; |
| 4 | 3° gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen voor een of meer delen van het grondgebied van de gemeente. | 4 | 3° gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen voor een of meer delen van het grondgebied van de gemeente. |
| 5 | § 2. Een planningsniveau kan een planningsbevoegdheid delegeren aan een ander planningsniveau. | 5 | § 2. Een planningsniveau kan een planningsbevoegdheid delegeren aan een ander planningsniveau. |
| 6 | De delegatie, vermeld in het eerste lid, wordt verleend door de Vlaamse Regering, de deputatie, respectievelijk het college van burgemeester en schepenen. Ze wordt schriftelijk gegeven, uiterlijk op of naar aanleiding van de plenaire vergadering of de adviesvraag over het voorontwerp van plan waarvoor de delegatie vereist is. Het delegatiebesluit bevat een omschrijving van het te plannen onderwerp en van het gebied waarop het plan of planonderdeel betrekking heeft. | 6 | De delegatie, vermeld in het eerste lid, wordt verleend door de Vlaamse Regering, de deputatie, respectievelijk het college van burgemeester en schepenen. Ze wordt schriftelijk gegeven voor de voorlopige vaststelling van het ontwerp van plan waarvoor de delegatie vereist is. Het delegatiebesluit bevat een omschrijving van het te plannen onderwerp en van het gebied waarop het plan of planonderdeel betrekking heeft. |
| 7 | De delegatie kan gecombineerd worden met een instemming als vermeld in artikel 2.2.12, § 1, derde lid, of artikel 2.2.18, § 1, derde lid. | 7 | De delegatie kan gecombineerd worden met een instemming als vermeld in artikel 2.2.12, § 1, derde lid, of artikel 2.2.18, § 1, derde lid. |
| 8 | Bij het verlenen van de delegatie, vermeld in het eerste lid, kunnen de planningsniveaus afspraken maken over de verdeling van de kosten die verbonden zijn aan de opmaak van het ruimtelijk uitvoeringsplan en van financiële lasten of opbrengsten ten gevolge van de planschadevergoeding of de planbatenheffing die in voorkomend geval uit het ruimtelijk uitvoeringsplan zal ontstaan. In voorkomend geval kan daarbij worden afgeweken van artikel 2.6.17, § 3, eerste lid, 1° en 2°. | 8 | Bij het verlenen van de delegatie, vermeld in het eerste lid, kunnen de planningsniveaus afspraken maken over de verdeling van de kosten die verbonden zijn aan de opmaak van het ruimtelijk uitvoeringsplan en van financiële lasten of opbrengsten ten gevolge van de planschadevergoeding of de planbatenheffing die in voorkomend geval uit het ruimtelijk uitvoeringsplan zal ontstaan. In voorkomend geval kan daarbij worden afgeweken van artikel 2.6.17, § 3, eerste lid, 1° en 2°. |
| 8 | § 2. De startnota bevat : | 8 | § 2. De startnota bevat : |
| 9 | 1° een beschrijving en verduidelijking van de doelstellingen van het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan; | 9 | 1° een beschrijving en verduidelijking van de doelstellingen van het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan; |
| 10 | 2° een aanduiding van het studiegebied voor de uitwerking van de doelstellingen van het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan; | 10 | 2° een indicatieve aanduiding van het plangebied van het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan, met vermelding van de wijze waarop dat plangebied tijdens het planproces nader bepaald zal worden; |
| 11 | 3° een beknopte beschrijving van de alternatieven voor het ontwerpplan of voor onderdelen ervan, die de initiatiefnemer heeft overwogen, en een beknopte beschrijving van de voor- en nadelen van de verschillende alternatieven; | 11 | 3° een beknopte beschrijving van de alternatieven voor het ontwerpplan of voor onderdelen ervan, die de initiatiefnemer heeft overwogen, en een beknopte beschrijving van de voor- en nadelen van de verschillende alternatieven; |
| 12 | 4° een beschrijving van de reikwijdte en het detailleringsniveau van het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan en daaraan gekoppeld de reikwijdte en het detailleringsniveau van de te voeren effectonderzoeken zoals in die fase gekend; | 12 | 4° een beschrijving van de reikwijdte en het detailleringsniveau van het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan en daaraan gekoppeld de reikwijdte en het detailleringsniveau van de te voeren effectonderzoeken zoals in die fase gekend; |
| 16 | 9° in voorkomend geval, een register, al dan niet grafisch, van de percelen waarop een bestemmingswijziging wordt doorgevoerd die aanleiding kan geven tot een planschadevergoeding als vermeld in artikel 2.6.1 van deze codex, een planbatenheffing als vermeld in artikel 2.6.4 van deze codex, of een compensatie als vermeld in boek 6, titel 2 of titel 3, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid; | 16 | 9° in voorkomend geval, een register, al dan niet grafisch, van de percelen waarop een bestemmingswijziging wordt doorgevoerd die aanleiding kan geven tot een planschadevergoeding als vermeld in artikel 2.6.1 van deze codex, een planbatenheffing als vermeld in artikel 2.6.4 van deze codex, of een compensatie als vermeld in boek 6, titel 2 of titel 3, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid; |
| 17 | 10° in voorkomend geval, een register, al dan niet grafisch, van de percelen waarop een bestemmingswijziging wordt doorgevoerd of een overdruk wordt toegevoegd die aanleiding kan geven tot gebruikerscompensatie als vermeld in het decreet van 27 maart 2009 houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen; | 17 | 10° in voorkomend geval, een register, al dan niet grafisch, van de percelen waarop een bestemmingswijziging wordt doorgevoerd of een overdruk wordt toegevoegd die aanleiding kan geven tot gebruikerscompensatie als vermeld in het decreet van 27 maart 2009 houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen; |
| 18 | 10°/1 in voorkomend geval, het schaderamingsrapport, vermeld in artikel 7, § 2, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, en het meerwaarderamingsrapport, vermeld in artikel 2.6.10, § 2/1; | 18 | 10°/1 in voorkomend geval, het schaderamingsrapport, vermeld in artikel 7, § 2, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023; |
| 19 | 11° voor de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, in voorkomend geval, een overzicht van de geheel of gedeeltelijk gewijzigde of opgeheven erkennings-, rangschikkings- en beschermingsbesluiten inzake onroerend erfgoed, samen met de gegevens, vermeld in artikel 6.2.5 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met uitzondering van de aanduiding van de plaats van de aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek op het gegeorefereerde plan; | 19 | 11° voor de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, in voorkomend geval, een overzicht van de geheel of gedeeltelijk gewijzigde of opgeheven erkennings-, rangschikkings- en beschermingsbesluiten inzake onroerend erfgoed, samen met de gegevens, vermeld in artikel 6.2.5 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met uitzondering van de aanduiding van de plaats van de aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek op het gegeorefereerde plan; |
| 20 | 12° in voorkomend geval, het grondruilplan, vermeld in artikel 2.1.65 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting; | 20 | 12° in voorkomend geval, het grondruilplan, vermeld in artikel 2.1.65 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting; |
| 17 | b) agrarische bedrijvenzone : in hoofdzaak bestemd voor de inplanting van agrarische bedrijven, in het bijzonder glastuinbouw; | 17 | b) agrarische bedrijvenzone : in hoofdzaak bestemd voor de inplanting van agrarische bedrijven, in het bijzonder glastuinbouw; |
| 18 | c) bouwvrij agrarisch gebied : in hoofdzaak bestemd voor beroepslandbouw, met dien verstande dat de oprichting van gebouwen er niet is toegelaten; | 18 | c) bouwvrij agrarisch gebied : in hoofdzaak bestemd voor beroepslandbouw, met dien verstande dat de oprichting van gebouwen er niet is toegelaten; |
| 19 | d) agrarische gebieden met overdruk natuurverweving: bestemd voor beroepslandbouw, met dien verstande dat de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en de landschapswaarden toegelaten zijn; | ||
| 20 | e) agrarische gebieden met ecologisch belang: bestemd voor beroepslandbouw, met dien verstande dat de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en de landschapswaarden toegelaten zijn, en/ of dat aan de uitoefening van de beroepslandbouw randvoorwaarden worden gesteld met het oog op de instandhouding of het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en de landschapswaarden; | ||
| 19 | 5° bos : in hoofdzaak bestemd voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van het bos; | 21 | 5° bos : in hoofdzaak bestemd voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van het bos; |
| 20 | 6° overig groen. Deze categorie bestaat ten minste uit de volgende subcategorieën van gebiedsaanduiding : | 22 | 6° overig groen. Deze categorie bestaat ten minste uit de volgende subcategorieën van gebiedsaanduiding : |
| 1 | De Vlaamse Regering stuurt het voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en, in voorkomend geval, de ontwerpen van planmilieueffectrapport, ruimtelijk veiligheidsrapport en andere verplicht voorgeschreven of gemaakte effectbeoordelingsrapporten voor advies naar de deputatie van de betrokken provincies, de colleges van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenten en de door de Vlaamse Regering aangewezen adviserende diensten. Als het plan grenst aan een ander gewest of land of aanzienlijke grensoverschrijdende effecten voor mens of milieu kan hebben, zoals blijkt uit de startnota, de scopingnota of de ontwerprapporten, wordt het advies van het desbetreffende gewest of land gevraagd. Als het plan grenst aan of een aanzienlijk effect kan hebben op gebieden die onder de federale bevoegdheid vallen, wordt het advies van de federale overheid gevraagd. Als een land, een gewest, de federale overheid, een gemeente of een provincie verzoekt om de scopingnota of de ontwerprapporten te bezorgen of al een advies heeft verleend over de startnota, wordt ook een advies gevraagd. | 1 | De Vlaamse Regering stuurt het voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en, in voorkomend geval, de ontwerpen van planmilieueffectrapport, ruimtelijk veiligheidsrapport en andere verplicht voorgeschreven of gemaakte effectbeoordelingsrapporten voor advies naar de deputatie van de betrokken provincies, de colleges van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenten en de door de Vlaamse Regering aangewezen adviserende diensten. Als het plan grenst aan een ander gewest of land of aanzienlijke grensoverschrijdende effecten voor mens of milieu kan hebben, zoals blijkt uit de startnota, de scopingnota of de ontwerprapporten, wordt het advies van het desbetreffende gewest of land gevraagd. Als het plan grenst aan of een aanzienlijk effect kan hebben op gebieden die onder de federale bevoegdheid vallen, wordt het advies van de federale overheid gevraagd. Als een land, een gewest, de federale overheid, een gemeente of een provincie verzoekt om de scopingnota of de ontwerprapporten te bezorgen of al een advies heeft verleend over de startnota, wordt ook een advies gevraagd. |
| 2 | De Vlaamse Regering kan beslissen om al dan niet een of meer plenaire vergaderingen te houden. Als de Vlaamse Regering een plenaire vergadering organiseert met de instanties, vermeld in het eerste lid, vindt die op zijn vroegst plaats de eenentwintigste dag na het versturen van het voorontwerp door de Vlaamse Regering. | 2 | De Vlaamse Regering kan beslissen om al dan niet een of meer plenaire vergaderingen te houden. Als de Vlaamse Regering een plenaire vergadering organiseert met de instanties, vermeld in het eerste lid, vindt die op zijn vroegst plaats de dertigste dag na het versturen van het voorontwerp door de Vlaamse Regering. |
| 3 | Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengen de deputaties en de colleges van burgemeester en schepenen en, in voorkomend geval, een ander land, de federale overheid of een gewest, advies uit, en delen de adviserende diensten, vermeld in het eerste lid, hun opmerkingen mee. De vertegenwoordigers van die instanties moeten gemandateerd zijn om een standpunt in te nemen tijdens de vergadering. | 3 | Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengen de deputaties en de colleges van burgemeester en schepenen en, in voorkomend geval, een ander land, de federale overheid of een gewest, advies uit, en delen de adviserende diensten, vermeld in het eerste lid, hun opmerkingen mee. De vertegenwoordigers van die instanties moeten gemandateerd zijn om een standpunt in te nemen tijdens de vergadering. |
| 4 | Van de plenaire vergadering wordt een schriftelijk verslag opgemaakt. Dat verslag wordt binnen veertien dagen bezorgd aan de instanties die op de plenaire vergadering aanwezig moesten zijn. Eventuele reacties op het verslag kunnen worden ingediend door de instanties die effectief aanwezig waren op de plenaire vergadering, en moeten binnen veertien dagen na de ontvangst van het verslag bezorgd worden aan de Vlaamse Regering. | 4 | Van de plenaire vergadering wordt een schriftelijk verslag opgemaakt. Dat verslag wordt binnen veertien dagen bezorgd aan de instanties die op de plenaire vergadering aanwezig moesten zijn. Eventuele reacties op het verslag kunnen worden ingediend door de instanties die effectief aanwezig waren op de plenaire vergadering, en moeten binnen veertien dagen na de ontvangst van het verslag bezorgd worden aan de Vlaamse Regering. |
| 5 | Als er geen plenaire vergadering wordt georganiseerd, wordt een schriftelijk advies uitgebracht binnen een termijn van eenentwintig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. | 5 | Als er geen plenaire vergadering wordt georganiseerd, wordt een schriftelijk advies uitgebracht binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. |
| 6 | De Vlaamse Regering kan te allen tijde beslissen om alsnog een plenaire vergadering te organiseren, ook na het ontvangen van de schriftelijke adviezen. | 6 | De Vlaamse Regering kan te allen tijde beslissen om alsnog een plenaire vergadering te organiseren, ook na het ontvangen van de schriftelijke adviezen. |
| 2 | De provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het provinciaal beleidsplan ruimte of het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. | 2 | De provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het provinciaal beleidsplan ruimte of het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. |
| 3 | De voorschriften van de provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen kunnen niet afwijken van de voorschriften van de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, tenzij de Vlaamse Regering daarvoor haar toestemming verleent. In dat geval vervangen de voorschriften van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, voor het grondgebied waarop ze betrekking hebben, de voorschriften van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, tenzij het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan het uitdrukkelijk anders bepaalt. | 3 | De voorschriften van de provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen kunnen niet afwijken van de voorschriften van de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, tenzij de Vlaamse Regering daarvoor haar toestemming verleent. In dat geval vervangen de voorschriften van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, voor het grondgebied waarop ze betrekking hebben, de voorschriften van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, tenzij het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan het uitdrukkelijk anders bepaalt. |
| 4 | De instemming, vermeld in het derde lid, wordt schriftelijk gegeven, uiterlijk op of naar aanleiding van de plenaire vergadering of de adviesvraag over het voorontwerp van plan waarvoor de instemming vereist is. Het besluit waarbij de instemming wordt verleend, bevat een omschrijving van het te plannen onderwerp en van het gebied waarop het plan of planonderdeel betrekking heeft, en vermeldt de voorschriften van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan die zullen worden opgeheven. | 4 | De instemming, vermeld in het derde lid, wordt schriftelijk gegeven voor de voorlopige vaststelling van het ontwerp van plan waarvoor de instemming vereist is. Het besluit waarbij de instemming wordt verleend, bevat een omschrijving van het te plannen onderwerp en van het gebied waarop het plan of planonderdeel betrekking heeft, en vermeldt de voorschriften van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan die zullen worden opgeheven. |
| 5 | § 2. De deputatie keurt de startnota en de procesnota goed met de informatie die op dat ogenblik bekend is, en vraagt advies over de startnota aan : | 5 | § 2. De deputatie keurt de startnota en de procesnota goed met de informatie die op dat ogenblik bekend is, en vraagt advies over de startnota aan : |
| 6 | 1° het departement; | 6 | 1° het departement; |
| 1 | De deputatie stuurt het voorontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan en, in voorkomend geval, de ontwerpen van planmilieueffectrapport, ruimtelijk veiligheidsrapport en andere verplicht voorgeschreven of gemaakte effectbeoordelingsrapporten voor advies naar het departement, de colleges van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenten en de adviserende diensten. De Vlaamse Regering kan bepalen aan welke adviserende diensten het voorontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan minstens moet worden voorgelegd. Als het plan grenst aan een andere provincie, een ander gewest of land of aanzienlijke grensoverschrijdende effecten voor mens of milieu kan hebben, zoals blijkt uit de startnota, de scopingnota of de ontwerprapporten, wordt het advies van de betrokken provincie, het gewest of land in kwestie gevraagd. Als het plan grenst aan of een aanzienlijk effect kan hebben op gebieden die onder de federale bevoegdheid vallen, wordt het advies van de federale overheid gevraagd. Als een land, een gewest, de federale overheid, een gemeente of een provincie verzoekt om de scopingnota of de ontwerprapporten te bezorgen of al een advies heeft verleend over de startnota, wordt ook een advies gevraagd. | 1 | De deputatie stuurt het voorontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan en, in voorkomend geval, de ontwerpen van planmilieueffectrapport, ruimtelijk veiligheidsrapport en andere verplicht voorgeschreven of gemaakte effectbeoordelingsrapporten voor advies naar het departement, de colleges van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenten en de adviserende diensten. De Vlaamse Regering kan bepalen aan welke adviserende diensten het voorontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan minstens moet worden voorgelegd. Als het plan grenst aan een andere provincie, een ander gewest of land of aanzienlijke grensoverschrijdende effecten voor mens of milieu kan hebben, zoals blijkt uit de startnota, de scopingnota of de ontwerprapporten, wordt het advies van de betrokken provincie, het gewest of land in kwestie gevraagd. Als het plan grenst aan of een aanzienlijk effect kan hebben op gebieden die onder de federale bevoegdheid vallen, wordt het advies van de federale overheid gevraagd. Als een land, een gewest, de federale overheid, een gemeente of een provincie verzoekt om de scopingnota of de ontwerprapporten te bezorgen of al een advies heeft verleend over de startnota, wordt ook een advies gevraagd. |
| 2 | De deputatie kan beslissen om al dan niet een of meer plenaire vergaderingen te houden. Als de deputatie een plenaire vergadering organiseert met de instanties, vermeld in het eerste lid, vindt die op zijn vroegst plaats de eenentwintigste dag na het versturen van het voorontwerp door de deputatie. | 2 | De deputatie kan beslissen om al dan niet een of meer plenaire vergaderingen te houden. Als de deputatie een plenaire vergadering organiseert met de instanties, vermeld in het eerste lid, vindt die op zijn vroegst plaats de dertigste dag na het versturen van het voorontwerp door de deputatie. |
| 3 | Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengt het departement advies uit over de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in artikel 2.2.16, § 3, eerste lid, 1° en 2°. | 3 | Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengt het departement advies uit over de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in artikel 2.2.16, § 3, eerste lid, 1° en 2°. |
| 4 | Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengen de colleges van burgemeester en schepenen en, in voorkomend geval, een ander land, de federale overheid of een gewest advies uit en delen de adviserende diensten, vermeld in het eerste lid, hun opmerkingen mee. De vertegenwoordigers van die instanties moeten gemandateerd zijn om een standpunt in te nemen tijdens de vergadering. | 4 | Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengen de colleges van burgemeester en schepenen en, in voorkomend geval, een ander land, de federale overheid of een gewest advies uit en delen de adviserende diensten, vermeld in het eerste lid, hun opmerkingen mee. De vertegenwoordigers van die instanties moeten gemandateerd zijn om een standpunt in te nemen tijdens de vergadering. |
| 5 | Van de plenaire vergadering wordt een schriftelijk verslag opgemaakt. Dat verslag wordt binnen veertien dagen bezorgd aan de instanties die op de plenaire vergadering aanwezig moesten zijn. Eventuele reacties op het verslag kunnen worden ingediend door de instanties die effectief aanwezig waren op de plenaire vergadering, en moeten binnen veertien dagen na de ontvangst van het verslag bezorgd worden aan de deputatie. | 5 | Van de plenaire vergadering wordt een schriftelijk verslag opgemaakt. Dat verslag wordt binnen veertien dagen bezorgd aan de instanties die op de plenaire vergadering aanwezig moesten zijn. Eventuele reacties op het verslag kunnen worden ingediend door de instanties die effectief aanwezig waren op de plenaire vergadering, en moeten binnen veertien dagen na de ontvangst van het verslag bezorgd worden aan de deputatie. |
| 6 | Als er geen plenaire vergadering wordt georganiseerd, wordt een schriftelijk advies uitgebracht door de instanties, vermeld in het eerste lid, en door het departement binnen een termijn van eenentwintig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. | 6 | Als er geen plenaire vergadering wordt georganiseerd, wordt een schriftelijk advies uitgebracht door de instanties, vermeld in het eerste lid, en door het departement binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. |
| 7 | De deputatie kan te allen tijde beslissen om alsnog een plenaire vergadering te organiseren, ook na het ontvangen van de schriftelijke adviezen. | 7 | De deputatie kan te allen tijde beslissen om alsnog een plenaire vergadering te organiseren, ook na het ontvangen van de schriftelijke adviezen. |
| 2 | De gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het gemeentelijk beleidsplan ruimte, het provinciaal beleidsplan ruimte of het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. | 2 | De gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het gemeentelijk beleidsplan ruimte, het provinciaal beleidsplan ruimte of het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. |
| 3 | De voorschriften van de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen kunnen niet afwijken van de voorschriften van de provinciale en de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, tenzij de provincieraad, respectievelijk de Vlaamse Regering instemming daarmee verleent. In dat geval vervangen de voorschriften van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, voor het grondgebied waarop ze betrekking hebben, de voorschriften van het provinciaal of gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, tenzij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan het uitdrukkelijk anders bepaalt. | 3 | De voorschriften van de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen kunnen niet afwijken van de voorschriften van de provinciale en de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, tenzij de provincieraad, respectievelijk de Vlaamse Regering instemming daarmee verleent. In dat geval vervangen de voorschriften van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, voor het grondgebied waarop ze betrekking hebben, de voorschriften van het provinciaal of gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, tenzij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan het uitdrukkelijk anders bepaalt. |
| 4 | De instemming, vermeld in het derde lid, wordt schriftelijk gegeven, uiterlijk op of naar aanleiding van de plenaire vergadering of de adviesvraag over het voorontwerp van plan waarvoor de instemming vereist is. Het besluit waarbij de instemming wordt verleend, bevat een omschrijving van het te plannen onderwerp en van het gebied waarop het plan of planonderdeel betrekking heeft, en vermeldt de voorschriften van het provinciaal of gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan die zullen worden opgeheven. | 4 | De instemming, vermeld in het derde lid, wordt schriftelijk gegeven voor de voorlopige vaststelling van het ontwerp van plan waarvoor de instemming vereist is. Het besluit waarbij de instemming wordt verleend, bevat een omschrijving van het te plannen onderwerp en van het gebied waarop het plan of planonderdeel betrekking heeft, en vermeldt de voorschriften van het provinciaal of gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan die zullen worden opgeheven. |
| 5 | § 2. Het college van burgemeester en schepenen keurt de startnota en de procesnota goed met de informatie die op dat ogenblik bekend is, en vraagt advies over de startnota aan : | 5 | § 2. Het college van burgemeester en schepenen keurt de startnota en de procesnota goed met de informatie die op dat ogenblik bekend is, en vraagt advies over de startnota aan : |
| 6 | 1° het departement; | 6 | 1° het departement; |
| 1 | Het college van burgemeester en schepenen stuurt het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en, in voorkomend geval, de ontwerpen van planmilieueffectrapport, ruimtelijk veiligheidsrapport en andere verplicht voorgeschreven of gemaakte effectbeoordelingsrapporten voor advies naar de deputatie, het departement en de andere adviserende diensten. De Vlaamse Regering kan bepalen aan welke adviserende diensten het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan minstens moet worden voorgelegd. Als het plan grenst aan een andere gemeente, een andere provincie, een ander gewest of land of aanzienlijke grensoverschrijdende effecten voor mens of milieu kan hebben, zoals blijkt uit de startnota, de scopingnota of de ontwerprapporten, wordt het advies van de betrokken gemeente, de betrokken provincie, het gewest of land in kwestie gevraagd. Als het plan grenst aan of een aanzienlijk effect kan hebben op gebieden die onder de federale bevoegdheid vallen, wordt het advies van de federale overheid gevraagd. Als een land, een gewest, de federale overheid, een gemeente of een provincie verzoekt om de scopingnota of de ontwerprapporten te bezorgen of al een advies heeft verleend over de startnota, wordt ook een advies gevraagd. | 1 | Het college van burgemeester en schepenen stuurt het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en, in voorkomend geval, de ontwerpen van planmilieueffectrapport, ruimtelijk veiligheidsrapport en andere verplicht voorgeschreven of gemaakte effectbeoordelingsrapporten voor advies naar de deputatie, het departement en de andere adviserende diensten. De Vlaamse Regering kan bepalen aan welke adviserende diensten het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan minstens moet worden voorgelegd. Als het plan grenst aan een andere gemeente, een andere provincie, een ander gewest of land of aanzienlijke grensoverschrijdende effecten voor mens of milieu kan hebben, zoals blijkt uit de startnota, de scopingnota of de ontwerprapporten, wordt het advies van de betrokken gemeente, de betrokken provincie, het gewest of land in kwestie gevraagd. Als het plan grenst aan of een aanzienlijk effect kan hebben op gebieden die onder de federale bevoegdheid vallen, wordt het advies van de federale overheid gevraagd. Als een land, een gewest, de federale overheid, een gemeente of een provincie verzoekt om de scopingnota of de ontwerprapporten te bezorgen of al een advies heeft verleend over de startnota, wordt ook een advies gevraagd. |
| 2 | Het college van burgemeester en schepenen kan beslissen om al dan niet een of meer plenaire vergaderingen te houden. Als het college van burgemeester en schepenen een plenaire vergadering organiseert met de instanties, vermeld in het eerste lid, vindt die op zijn vroegst plaats de eenentwintigste dag na het versturen van het voorontwerp door het college van burgemeester en schepenen. | 2 | Het college van burgemeester en schepenen kan beslissen om al dan niet een of meer plenaire vergaderingen te houden. Als het college van burgemeester en schepenen een plenaire vergadering organiseert met de instanties, vermeld in het eerste lid, vindt die op zijn vroegst plaats de dertigste dag na het versturen van het voorontwerp door het college van burgemeester en schepenen. |
| 3 | Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengt het departement advies uit over de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in artikel 2.2.23, § 2, eerste lid, 1° en 2°. | 3 | Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengt het departement advies uit over de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in artikel 2.2.23, § 2, eerste lid, 1° en 2°. |
| 4 | Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengt de deputatie advies uit, en delen de adviserende diensten, vermeld in het eerste lid, hun opmerkingen mee. De vertegenwoordigers van die instanties moeten gemandateerd zijn om een standpunt in te nemen tijdens de vergadering. | 4 | Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengt de deputatie advies uit, en delen de adviserende diensten, vermeld in het eerste lid, hun opmerkingen mee. De vertegenwoordigers van die instanties moeten gemandateerd zijn om een standpunt in te nemen tijdens de vergadering. |
| 5 | Van de plenaire vergadering wordt een schriftelijk verslag opgemaakt. Dat verslag wordt binnen veertien dagen bezorgd aan de instanties die op de plenaire vergadering aanwezig moesten zijn. Eventuele reacties op het verslag kunnen worden ingediend door de instanties die effectief aanwezig waren op de plenaire vergadering, en moeten binnen veertien dagen na de ontvangst van het verslag bezorgd worden aan het college van burgemeester en schepenen. | 5 | Van de plenaire vergadering wordt een schriftelijk verslag opgemaakt. Dat verslag wordt binnen veertien dagen bezorgd aan de instanties die op de plenaire vergadering aanwezig moesten zijn. Eventuele reacties op het verslag kunnen worden ingediend door de instanties die effectief aanwezig waren op de plenaire vergadering, en moeten binnen veertien dagen na de ontvangst van het verslag bezorgd worden aan het college van burgemeester en schepenen. |
| 6 | Als er geen plenaire vergadering wordt georganiseerd, wordt een schriftelijk advies uitgebracht door de instanties, vermeld in het eerste lid, en door het departement binnen een termijn van eenentwintig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. | 6 | Als er geen plenaire vergadering wordt georganiseerd, wordt een schriftelijk advies uitgebracht door de instanties, vermeld in het eerste lid, en door het departement binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. |
| 7 | Het college van burgemeester en schepenen kan te allen tijde beslissen om alsnog een plenaire vergadering te organiseren, ook na het ontvangen van de schriftelijke adviezen. | 7 | Het college van burgemeester en schepenen kan te allen tijde beslissen om alsnog een plenaire vergadering te organiseren, ook na het ontvangen van de schriftelijke adviezen. |
| 50 | §2/4. De gemeenteraad kan gemeentelijke bouwverordeningen of gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen geheel of gedeeltelijk opheffen bij gemeenteraadsbesluit overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2. | 50 | §2/4. De gemeenteraad kan gemeentelijke bouwverordeningen of gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen geheel of gedeeltelijk opheffen bij gemeenteraadsbesluit overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2. |
| 51 | Het college van burgemeester en schepenen neemt de nodige maatregelen tot opheffing. | 51 | Het college van burgemeester en schepenen neemt de nodige maatregelen tot opheffing. |
| 52 | In geval van een loutere opheffing van een verordening, vastgesteld voor 1 september 2009, zijn de bepalingen van paragraaf 2, zesde tot en met achtste lid, niet van toepassing en kan de gemeenteraad onmiddellijk tot opheffing overgaan. | 52 | In geval van een loutere opheffing van een verordening, vastgesteld voor 1 september 2009, zijn de bepalingen van paragraaf 2, vijfde tot en met zevende lid, niet van toepassing en kan de gemeenteraad onmiddellijk tot opheffing overgaan. |
| 53 | Deze paragraaf verleent nimmer vrijstelling van de toepassing van de bepalingen inzake de milieueffectrapportage over plannen en programma’s, opgenomen in hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. | 53 | Deze paragraaf verleent nimmer vrijstelling van de toepassing van de bepalingen inzake de milieueffectrapportage over plannen en programma’s, opgenomen in hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. |
| 54 | Het gemeenteraadsbesluit wordt bezorgd aan het departement en bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. | 54 | Het gemeenteraadsbesluit wordt bezorgd aan het departement en bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. |
| 3 | § 2. Planschadevergoeding wordt toegekend als een perceel volgens de voor dat perceel toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften van het nieuwe ruimtelijk uitvoeringsplan niet meer in aanmerking komt voor een vergunning om te bouwen als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, of om te verkavelen, terwijl het volgens de op het perceel toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften van de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen die golden op de dag die aan de inwerkingtreding van dat definitieve plan voorafging, wel in aanmerking kwam voor een vergunning om te bouwen of te verkavelen, of voor een gemeenteraadsbesluit tot volledige of gedeeltelijke vrijgave van een woonreservegebied als vermeld in artikel 5.6.11. | 3 | § 2. Planschadevergoeding wordt toegekend als een perceel volgens de voor dat perceel toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften van het nieuwe ruimtelijk uitvoeringsplan niet meer in aanmerking komt voor een vergunning om te bouwen als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, of om te verkavelen, terwijl het volgens de op het perceel toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften van de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen die golden op de dag die aan de inwerkingtreding van dat definitieve plan voorafging, wel in aanmerking kwam voor een vergunning om te bouwen of te verkavelen, of voor een gemeenteraadsbesluit tot volledige of gedeeltelijke vrijgave van een woonreservegebied als vermeld in artikel 5.6.11. |
| 4 | § 3. Er is geen planschadevergoeding verschuldigd in de volgende gevallen: | 4 | § 3. Er is geen planschadevergoeding verschuldigd in de volgende gevallen: |
| 5 | 1° bij een verbod om te bouwen of te verkavelen als gevolg van een vastgestelde en, in voorkomend geval, goedgekeurde onteigeningsbeslissing; | ||
| 5 | 1° bij een verbod om te bouwen of te verkavelen als gevolg van een definitief onteigeningsbesluit als vermeld in artikel 28 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 of, in voorkomend geval, een definitieve onteigeningsbeslissing overeenkomstig de wet van 27 mei 1870 houdende vereenvoudiging van de administratieve formaliteiten inzake onteigening ten algemenen nutte; | ||
| 6 | 2° bij een verbod om een grotere oppervlakte van een perceel te bebouwen dan het ruimtelijk uitvoeringsplan toestaat, of om bij een verkaveling de door het plan bepaalde bebouwingsdichtheid te overschrijden; | 6 | 2° bij een verbod om een grotere oppervlakte van een perceel te bebouwen dan het ruimtelijk uitvoeringsplan toestaat, of om bij een verkaveling de door het plan bepaalde bebouwingsdichtheid te overschrijden; |
| 7 | 3° bij een verbod om de exploitatie van gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven voort te zetten na het verstrijken van de termijn waarvoor de milieuvergunning of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit was verleend; | 7 | 3° bij een verbod om de exploitatie van gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven voort te zetten na het verstrijken van de termijn waarvoor de milieuvergunning of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit was verleend; |
| 1 | § 1. Alleen de waardevermindering die voortvloeit uit het plan, vermeld in artikel 2.6.1, § 2, kan in aanmerking komen voor planschadevergoeding. | 1 | § 1. Alleen de waardevermindering die voortvloeit uit het plan, vermeld in artikel 2.6.1, § 2, kan in aanmerking komen voor planschadevergoeding. |
| 2 | Het recht op planschadevergoeding wordt geregeld in het Instrumentendecreet van 26 mei 2023. | 2 | Het recht op planschadevergoeding wordt geregeld in het Instrumentendecreet van 26 mei 2023. |
| 3 | § 2. ... | ||
| 3 | § 2. De planschadevergoeding wordt geweigerd voor zover voldaan is aan al de volgende voorwaarden: | ||
| 4 | 1° de percelen waarvoor de planschadevergoeding wordt aangevraagd zijn betrokken in een gebiedsgericht project dat mogelijk wordt gemaakt door het ruimtelijk uitvoeringsplan dat aanleiding geeft tot de aanvraag; | ||
| 5 | 2° het bouw- of verkavelingsverbod voor de percelen in kwestie is het gevolg van een in het ruimtelijke uitvoeringsplan vastgelegde gedetailleerde ordening die op het niveau van het gebiedsgericht project een waardevermeerdering met zich mee brengt ten opzichte van de toestand voorafgaand aan de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan. | ||
| 6 | In dit artikel wordt verstaan onder gebiedsgericht project: een project dat voor een samenhangend deel van het grondgebied een nieuw of gewijzigd ruimtegebruik beoogt door een samenhangend geheel van ingrepen met name verbouwingen, nieuwbouw, het verwijderen van constructies, terreinaanleg en infrastructuurwerken, en de inrichting van groene ruimtes of het faciliteren van natuurontwikkeling. | ||
| 4 | § 3. ... | 7 | § 3. ... |
| 5 | § 4. Wanneer krachtens een definitief vastgesteld ruimtelijk uitvoeringsplan een bouwverbod kan worden tegengeworpen aan degene die een perceel in een verkaveling heeft aangekocht, kan het gewest, de provincie of de gemeente zich aan de verplichting tot planschadevergoeding onttrekken door dat perceel, in onderling akkoord, van de betrokkene terug te kopen, op voorwaarde dat hem de betaalde koopprijs, verhoogd met de lasten en kosten, en geactualiseerd aan de hand van het indexcijfer van de consumptieprijzen, wordt terugbetaald. De betrokkene, het gewest, de provincie of de gemeente kan voor de toepassing van het eerste lid een beroep doen op de Vlaamse Grondenbank. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de behandeling van een vraag of aanbod tot koop. | 8 | § 4. Wanneer krachtens een definitief vastgesteld ruimtelijk uitvoeringsplan een bouwverbod kan worden tegengeworpen aan degene die een perceel in een verkaveling heeft aangekocht, kan het gewest, de provincie of de gemeente zich aan de verplichting tot planschadevergoeding onttrekken door dat perceel, in onderling akkoord, van de betrokkene terug te kopen, op voorwaarde dat hem de betaalde koopprijs, verhoogd met de lasten en kosten, en geactualiseerd aan de hand van het indexcijfer van de consumptieprijzen, wordt terugbetaald. De betrokkene, het gewest, de provincie of de gemeente kan voor de toepassing van het eerste lid een beroep doen op de Vlaamse Grondenbank. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de behandeling van een vraag of aanbod tot koop. |
| 1 | Er is geen planbatenheffing verschuldigd in volgende gevallen : | 1 | Er is geen planbatenheffing verschuldigd in volgende gevallen : |
| 2 | 1° wanneer de bestemmingswijziging niet voor gevolg heeft dat voortaan een omgevingsvergunning verkregen kan worden die vóór de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan of het bijzonder plan van aanleg niet verkregen kon worden; | 2 | 1° wanneer de bestemmingswijziging niet voor gevolg heeft dat voortaan een omgevingsvergunning verkregen kan worden die vóór de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan niet verkregen kon worden; |
| 3 | 2° wanneer de bestemmingswijziging een perceelsgedeelte van minder dan 200 m2 betreft; | 3 | 2° wanneer de bestemmingswijziging een perceelsgedeelte van minder dan 200 m2 betreft; |
| 4 | 3° wanneer voor het perceel een ruimtelijk uitvoeringsplan, dan wel een bijzonder plan van aanleg, in werking treedt om te voldoen aan een verplichting tot planschadevergoeding; | ||
| 4 | 3° als voor het perceel een ruimtelijk uitvoeringsplan in werking treedt om te voldoen aan een verplichting tot planschadevergoeding na een rechterlijke uitspraak met toepassing van artikel 2.6.2, § 2 en § 3, vóór 15 april 2024 of een gerechtelijke uitspraak met kracht van gewijsde als vermeld in artikel 9 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023; | ||
| 5 | 4° ...; | 5 | 4° ...; |
| 6 | 5° wanneer een perceel, begrepen in een niet-vervallen verkaveling, bestemd voor woningbouw, een voor woningbouw geëigende bestemming krijgt ten gevolge van het plan; | 6 | 5° wanneer een perceel, begrepen in een niet-vervallen verkaveling, bestemd voor woningbouw, een voor woningbouw geëigende bestemming krijgt ten gevolge van het plan; |
| 1 | Percelen die worden onteigend of overgedragen in der minne ten algemenen nutte worden van planbatenheffing vrijgesteld, voor zover voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden : | 1 | Percelen die worden onteigend of overgedragen in der minne ten algemenen nutte worden van planbatenheffing vrijgesteld, voor zover voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden : |
| 2 | 1° er wordt overeenkomstig artikel 74 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die voortvloeit uit de voorschriften van het ruimtelijk uitvoeringsplan, dan wel het bijzonder plan van aanleg; | 2 | 1° er wordt overeenkomstig artikel 74 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die voortvloeit uit de voorschriften van het ruimtelijk uitvoeringsplan; |
| 3 | 2° de onteigening, respectievelijk de overdracht in der minne ten algemenen nutte, gebeurt ten laste van de heffingsplichtige en niet ten aanzien van een derde-verkrijger. | 3 | 2° de onteigening, respectievelijk de overdracht in der minne ten algemenen nutte, gebeurt ten laste van de heffingsplichtige en niet ten aanzien van een derde-verkrijger. |
| 4 | De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, geldt proportioneel voor de oppervlakte waarop de onteigening of de overdracht in der minne ten algemenen nutte betrekking heeft. | 4 | De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, geldt proportioneel voor de oppervlakte waarop de onteigening of de overdracht in der minne ten algemenen nutte betrekking heeft. |
| 1 | De heffingen die betrekking hebben op percelen die al voor de inwerkingtreding van artikel 2.6.7/1 het voorwerp uitmaken van een bestaand brownfieldconvenant, worden in afwijking van artikel 2.6.7/1, § 1, opgeschort als het verzoek tot opschorting gebeurt voor 31 december 2013. | ||
| 2 | De paragrafen 2 en 3 van artikel 2.6.7/1 zijn overeenkomstig van toepassing. |
| 7 | De landcommissie bezorgt een uittreksel van het ontwerp van meerwaarderapport aan elk van de betrokken eigenaars. Elk van de betrokken eigenaars kan een bezwaar indienen tegen het ontwerp van meerwaarderapport. De landcommissie stelt het meerwaarderapport definitief vast als er geen tijdige bezwaren zijn ingediend of na de behandeling van de bezwaren. | 7 | De landcommissie bezorgt een uittreksel van het ontwerp van meerwaarderapport aan elk van de betrokken eigenaars. Elk van de betrokken eigenaars kan een bezwaar indienen tegen het ontwerp van meerwaarderapport. De landcommissie stelt het meerwaarderapport definitief vast als er geen tijdige bezwaren zijn ingediend of na de behandeling van de bezwaren. |
| 8 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels over de mededeling van het ontwerp van meerwaarderapport aan de eigenaars, de indiening van een bezwaar tegen het ontwerp van meerwaarderapport en de behandeling van een dergelijk bezwaar. Ze kan ook nadere regels vaststellen voor de opmaak van het ontwerp van meerwaarderapport. | 8 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels over de mededeling van het ontwerp van meerwaarderapport aan de eigenaars, de indiening van een bezwaar tegen het ontwerp van meerwaarderapport en de behandeling van een dergelijk bezwaar. Ze kan ook nadere regels vaststellen voor de opmaak van het ontwerp van meerwaarderapport. |
| 9 | § 2/1. Een overheid die een ruimtelijk uitvoeringsplan wil vaststellen, kan de territoriaal bevoegde landcommissie vóór de definitieve vaststelling ervan verzoeken om een meerwaarderamingsrapport op te maken. Het meerwaarderamingsrapport bevat een berekening van de vermoede meerwaarde op het niveau van het globale ruimtelijk uitvoeringsplan. | ||
| 10 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de opmaak van een meerwaarderamingsrapport. | ||
| 9 | § 2/1. ... | ||
| 11 | § 3. In afwijking van paragraaf 1 wordt voor de berekening van de vermoede meerwaarde de oppervlakte van de bestemmingswijziging beperkt tot een maximale oppervlakte van 2750 m2, voor zover tegelijk aan volgende voorwaarden is voldaan : | 10 | § 3. In afwijking van paragraaf 1 wordt voor de berekening van de vermoede meerwaarde de oppervlakte van de bestemmingswijziging beperkt tot een maximale oppervlakte van 2750 m2, voor zover tegelijk aan volgende voorwaarden is voldaan : |
| 12 | 1° het betreft een bestemmingswijziging zoals vermeld in artikel 5.4.2, tweede lid; | 11 | 1° het betreft een bestemmingswijziging zoals vermeld in artikel 5.4.2, tweede lid; |
| 1 | § 1. Bestaande constructies waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden vóór 22 april 1962, worden voor de toepassing van deze codex te allen tijde geacht te zijn vergund. | 1 | § 1. Bestaande constructies waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden vóór 22 april 1962, worden voor de toepassing van deze codex te allen tijde geacht te zijn vergund. |
| 2 | § 2. Bestaande constructies waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, worden voor de toepassing van deze codex geacht te zijn vergund, tenzij het vergund karakter wordt tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie. | 2 | § 2. Bestaande constructies waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, worden voor de toepassing van deze codex geacht te zijn vergund, tenzij het vergund karakter wordt tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie. |
| 3 | Het tegenbewijs, vermeld in het eerste lid, kan niet meer worden geleverd eens de constructie één jaar als vergund geacht opgenomen is in het vergunningenregister. 1 september 2009 geldt als eerste mogelijke startdatum voor deze termijn van één jaar. Deze regeling geldt niet indien de constructie gelegen is in een ruimtelijk kwetsbaar gebied. | 3 | Het vermoeden van vergunning wordt geacht definitief te zijn als geen beroep inzake registratiebeslissingen als vermeld in artikel 4.8.11, § 2, meer kan worden ingesteld. Deze regeling geldt niet indien de constructie gelegen is in een ruimtelijk kwetsbaar gebied. |
| 4 | § 3. Indien met betrekking tot een vergund geachte constructie handelingen zijn verricht die niet aan de voorwaarden van § 1 en § 2, eerste lid, voldoen, worden deze handelingen niet door de vermoedens, vermeld in dit artikel, gedekt. | 4 | § 3. Indien met betrekking tot een vergund geachte constructie handelingen zijn verricht die niet aan de voorwaarden van § 1 en § 2, eerste lid, voldoen, worden deze handelingen niet door de vermoedens, vermeld in dit artikel, gedekt. |
| 5 | § 4. Dit artikel heeft nimmer voor gevolg dat teruggekomen wordt op in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen die het vergund karakter van een constructie tegenspreken. | 5 | § 4. Dit artikel heeft nimmer voor gevolg dat teruggekomen wordt op in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen die het vergund karakter van een constructie tegenspreken. |
| 1 | § 1. Een kavel uit een vergunde verkaveling of verkavelingsfase kan enkel verkocht worden, verhuurd worden voor méér dan negen jaar, of bezwaard worden met een recht van erfpacht of opstal, nadat de verkavelingsakte door de instrumenterende ambtenaar is verleden. | 1 | § 1. Een kavel uit een vergunde verkaveling of verkavelingsfase kan enkel verkocht worden, verhuurd worden voor méér dan negen jaar, of bezwaard worden met een recht van erfpacht of opstal, nadat de verkavelingsakte door de instrumenterende ambtenaar is verleden. |
| 2 | § 2. De verkavelingsakte wordt eerst verleden na overlegging van een attest van het college van burgemeester en schepenen, waaruit blijkt dat, voor de volledige verkaveling of voor de betrokken verkavelingsfase, het geheel van de lasten uitgevoerd is of gewaarborgd is door : | 2 | § 2. De verkavelingsakte wordt pas verleden na overlegging van een attest van het college van burgemeester en schepenen, waaruit blijkt dat, voor de volledige verkaveling of voor de betrokken verkavelingsfase, alle lasten uitgevoerd zijn of gewaarborgd zijn overeenkomstig artikel 77, § 1, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.. |
| 3 | 1° de storting van een afdoende financiële waarborg; | ||
| 4 | 2° een door een bankinstelling op onherroepelijke wijze verleende afdoende financiële waarborg. | ||
| 5 | Het attest, vermeld in het eerste lid, kan worden afgeleverd indien de vergunninghouder deels zelf de lasten heeft uitgevoerd, deels de nodige waarborgen heeft gegeven. | 3 | Het attest, vermeld in het eerste lid, kan worden afgeleverd indien de vergunninghouder deels zelf de lasten heeft uitgevoerd, deels de nodige waarborgen heeft gegeven. |
| 10 | 5° als de aanvraag onverenigbaar is met een voorlopig vastgestelde ontwerp van rooilijnplan. Die weigeringsgrond vervalt als het plan niet definitief werd vastgesteld binnen de termijn die in de procedure is vastgesteld. | 10 | 5° als de aanvraag onverenigbaar is met een voorlopig vastgestelde ontwerp van rooilijnplan. Die weigeringsgrond vervalt als het plan niet definitief werd vastgesteld binnen de termijn die in de procedure is vastgesteld. |
| 11 | In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, kan het vergunningverlenende bestuursorgaan de vergunning toch afleveren, wanneer het van oordeel is dat de overeenstemming van het aangevraagde met het recht en de goede ruimtelijke ordening gewaarborgd kan worden door het opleggen van voorwaarden, met inbegrip van het opleggen van een beperkte aanpassing van de ter beoordeling voorgelegde plannen. Die voorwaarden kunnen niet dienen om de leemten van een onvolledige of vage aanvraag op te vangen. | 11 | In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, kan het vergunningverlenende bestuursorgaan de vergunning toch afleveren, wanneer het van oordeel is dat de overeenstemming van het aangevraagde met het recht en de goede ruimtelijke ordening gewaarborgd kan worden door het opleggen van voorwaarden, met inbegrip van het opleggen van een beperkte aanpassing van de ter beoordeling voorgelegde plannen. Die voorwaarden kunnen niet dienen om de leemten van een onvolledige of vage aanvraag op te vangen. |
| 12 | Een aanpassing van de plannen, zoals vermeld in het tweede lid, is slechts mogelijk overeenkomstig artikel 30 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. | ||
| 13 | De gemeenteraad kan gemotiveerd beslissen dat de voorschriften van een verkaveling in afwijking op het eerste lid, 1°, c), behouden blijven als weigeringsgrond voor zover van die verkavelingsvoorschriften niet op geldige wijze is afgeweken. Deze gemeenteraadsbeslissing wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking ervan en is van toepassing op vergunningsaanvragen die worden ingediend vanaf de inwerkingtreding ervan. | 12 | De gemeenteraad kan gemotiveerd beslissen dat de voorschriften van een verkaveling in afwijking op het eerste lid, 1°, c), behouden blijven als weigeringsgrond voor zover van die verkavelingsvoorschriften niet op geldige wijze is afgeweken. Deze gemeenteraadsbeslissing wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking ervan en is van toepassing op vergunningsaanvragen die worden ingediend vanaf de inwerkingtreding ervan. |
| 14 | De termijn van vijftien jaar, vermeld in het eerste lid, 1°, c), wordt berekend vanaf de datum van afgifte van de oorspronkelijke vergunning in laatste administratieve aanleg. Als de vergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het verkavelingsproject, wordt de termijn gerekend per fase. Voor de tweede fase en volgende fasen wordt de termijn dientengevolge gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie. | 13 | De termijn van vijftien jaar, vermeld in het eerste lid, 1°, c), wordt berekend vanaf de datum van afgifte van de oorspronkelijke vergunning in laatste administratieve aanleg. Als de vergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het verkavelingsproject, wordt de termijn gerekend per fase. Voor de tweede fase en volgende fasen wordt de termijn dientengevolge gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie. |
| 1 | In een omgevingsvergunning betreffende een bestaand hoofdzakelijk vergunde constructie die krachtens decreet definitief of voorlopig beschermd is als monument, of deel uitmaakt van een krachtens decreet definitief of voorlopig beschermd stads- of dorpsgezicht cultuurhistorisch landschap of archeologische site, kan worden afgeweken van stedenbouwkundige voorschriften, voor zover de betrokken handelingen worden geadviseerd vanuit het beleidsveld onroerend erfgoed. | 1 | In een omgevingsvergunning betreffende een bestaand hoofdzakelijk vergunde constructie die krachtens decreet definitief of voorlopig beschermd is als monument, of deel uitmaakt van een krachtens decreet definitief of voorlopig beschermd stads- of dorpsgezicht cultuurhistorisch landschap of archeologische site, kan worden afgeweken van stedenbouwkundige voorschriften, voor zover de betrokken handelingen worden geadviseerd vanuit het beleidsveld onroerend erfgoed. |
| 2 | Hetzelfde geldt voor handelingen aan of in de omgeving van een beschermd monument of binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht, cultuurhistorisch landschap of archeologische site die aan al de volgende voorwaarden voldoen: | 2 | Hetzelfde geldt voor handelingen aan of in de omgeving van een beschermd monument of binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht, cultuurhistorisch landschap of archeologische site die aan al de volgende voorwaarden voldoen: |
| 3 | 1° ze betreffen ontsluitingen, parkings, verhardingen, reliëfwijzigingen, ondergrondse constructies, technische constructies of onthaalinfrastructuur met een maximale vloeroppervlakte van 100 vierkante meter; | 3 | 1° ze betreffen onthaalinfrastructuur met een maximale vloeroppervlakte van 100 vierkante meter, ontsluitingen, parkings, verhardingen, reliëfwijzigingen, ondergrondse of technische constructies; |
| 4 | 2° ze bevorderen het functioneren van de aanwezige of te vergunnen activiteiten binnen de beschermde goederen, vermeld in het eerste lid, of ze zorgen voor de valorisatie ervan. | 4 | 2° ze bevorderen het functioneren van de aanwezige of te vergunnen activiteiten binnen de beschermde goederen, vermeld in het eerste lid, of ze zorgen voor de valorisatie ervan. |
| 8 | 2° wat betreft registratiebeslissingen: | 8 | 2° wat betreft registratiebeslissingen: |
| 9 | a) hetzij de dag na de betekening, wanneer een dergelijke betekening vereist is; | 9 | a) hetzij de dag na de betekening, wanneer een dergelijke betekening vereist is; |
| 10 | b) [... (vernietigd bij arrest Grondwettelijk Hof 2024/109 van 3 oktober 2024)]; | ||
| 10 | b) hetzij de dag na de individuele kennisgeving van de registratiebeslissing, voor wie in kennis wordt gesteld, hetzij de dag na de eerste dag van de aanplakking van de registratiebeslissing, in de overige gevallen; | ||
| 8 | 7° de aanduiding van de gronden waarvoor de reservatiestrook is opgeheven conform artikel 7.4.2/3 van deze codex; | 8 | 7° de aanduiding van de gronden waarvoor de reservatiestrook is opgeheven conform artikel 7.4.2/3 van deze codex; |
| 9 | 8° de beslissing van de gemeenteraad inzake de afwijkingsmogelijkheid van een bijzonder plan van aanleg ouder dan vijftien jaar, conform artikel 4.4.9/1, laatste lid, van deze codex; | 9 | 8° de beslissing van de gemeenteraad inzake de afwijkingsmogelijkheid van een bijzonder plan van aanleg ouder dan vijftien jaar, conform artikel 4.4.9/1, laatste lid, van deze codex; |
| 10 | 9° de aanduiding van de gronden in woonreservegebied die overeenkomstig arti- kel 5.6.11 en 5.6.12 bij gemeenteraadsbesluit zijn vrijgegeven, en de voorwaarden en eventuele lasten van het vrijgavebesluit. | 10 | 9° de aanduiding van de gronden in woonreservegebied die overeenkomstig arti- kel 5.6.11 en 5.6.12 bij gemeenteraadsbesluit zijn vrijgegeven, en de voorwaarden en eventuele lasten van het vrijgavebesluit; |
| 11 | 10° de stedenbouwkundige voorschriften en de eventueel bijbehorende grafische plannen van de stedenbouwkundige verordeningen. | ||
| 11 | De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop in het plannenregister ruimtelijk relevante beschermingsvoorschriften opgenomen worden ten gevolge van regelgeving binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening. | 12 | De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop in het plannenregister ruimtelijk relevante beschermingsvoorschriften opgenomen worden ten gevolge van regelgeving binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening. |
| 12 | §2. Elke gemeente is verplicht om een plannenregister op te maken, te actualiseren, ter inzage te leggen en er uittreksels uit af te leveren volgens de bepalingen van deze codex. | 13 | §2. Elke gemeente is verplicht om een plannenregister op te maken, te actualiseren, ter inzage te leggen en er uittreksels uit af te leveren volgens de bepalingen van deze codex. |
| 2 | 1° of er voor het onroerend goed een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is uitgereikt; | 2 | 1° of er voor het onroerend goed een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is uitgereikt; |
| 3 | 2° de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit onroerend goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister; | 3 | 2° de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit onroerend goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister; |
| 4 | 3° of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een beveiligingsmaatregel of publieke herstelmaatregel als vermeld in artikel 2, 10° en 23°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, dan wel of een procedure voor het opleggen van een dergelijke maatregel hangende is; | 4 | 3° of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een beveiligingsmaatregel of publieke herstelmaatregel als vermeld in artikel 2, 10° en 23°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, dan wel of een procedure voor het opleggen van een dergelijke maatregel hangende is, en ook of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een rechterlijke herstelmaatregel of een bestuurlijke maatregel opgelegd op basis van het ruimtelijke ordeningsrecht, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van artikel 71 en 79 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, dan wel of een procedure voor het opleggen van een dergelijke maatregel nog hangende is;; |
| 5 | 4° of er op het onroerend goed een voorkooprecht rust, vermeld in artikel 2.4.1 of artikel 34 van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten; | 5 | 4° of er op het onroerend goed een voorkooprecht rust, vermeld in artikel 2.4.1 of artikel 34 van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten; |
| 6 | 5° of er voor het onroerend goed een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van toepassing is; | 6 | 5° of er voor het onroerend goed een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van toepassing is; |
| 10 | In de authentieke akte wordt de verklaring van de verkrijger opgenomen dat hij een stedenbouwkundig uittreksel heeft ontvangen, dat ten hoogste één jaar voor het verlijden van de authentieke akte werd verleend. | 10 | In de authentieke akte wordt de verklaring van de verkrijger opgenomen dat hij een stedenbouwkundig uittreksel heeft ontvangen, dat ten hoogste één jaar voor het verlijden van de authentieke akte werd verleend. |
| 11 | De instrumenterende ambtenaar neemt bovendien een verwijzing naar artikel 4.2.1 van deze codex op in de akte. | 11 | De instrumenterende ambtenaar neemt bovendien een verwijzing naar artikel 4.2.1 van deze codex op in de akte. |
| 12 | Indien de instrumenterende ambtenaar een onderhandse akte in een authentieke akte dient op te nemen, waarbij de eerste niet beantwoordt aan de voorschriften van artikel 5.2.5, dan wijst hij de partijen bij de opmaak van de akte op artikel 5.2.5, 6.2.2, eerste lid, 4° en 6.6.2 van deze codex. | 12 | Indien de instrumenterende ambtenaar een onderhandse akte in een authentieke akte dient op te nemen, waarbij de eerste niet beantwoordt aan de voorschriften van artikel 5.2.5, dan wijst hij de partijen bij de opmaak van de akte op artikel 5.2.5, 6.2.2, eerste lid, 4° en 6.3.2 van deze codex. |
| 13 | § 1/1. De bepalingen van paragraaf 1 zijn niet van toepassing op: | 13 | § 1/1. De bepalingen van paragraaf 1 zijn niet van toepassing op: |
| 14 | 1° huwelijkscontracten en hun wijzigingen; | 14 | 1° huwelijkscontracten en hun wijzigingen; |
| 1 | Iedereen die een onderhandse akte van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, en ook van vestiging van erfpacht of opstal opmaakt, moet vermelden of er voor het onroerend goed een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is uitgereikt en moet de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister overnemen. In voorkomend geval worden ook vermeld : de beveiligingsmaatregelen of publieke herstelmaatregelen, vermeld in artikel 2, 10° en 23°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die werden opgelegd met betrekking tot het goed of de hangende procedures die strekken tot het opleggen van dergelijke maatregelen, de op het goed rustende voorkooprechten, vermeld in artikel 2.4.1, respectievelijk het feit dat op het goed een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van toepassing is.In voorkomend geval wordt ook vermeld of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een aanduiding als watergevoelig openruimtegebied conform artikel 5.6.8, § 1. | 1 | Iedereen die een onderhandse akte van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, en ook van vestiging van erfpacht of opstal opmaakt, moet vermelden of er voor het onroerend goed een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is uitgereikt en moet de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister overnemen. In voorkomend geval worden ook vermeld : de beveiligingsmaatregelen of publieke herstelmaatregelen, vermeld in artikel 2, 10° en 23°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die werden opgelegd met betrekking tot het goed of de hangende procedures die strekken tot het opleggen van dergelijke maatregelen, alsook de rechterlijke herstelmaatregelen of bestuurlijke maatregelen opgelegd op basis van het ruimtelijke ordeningsrecht, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van artikel 71 en 79 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, of de hangende procedures die strekken tot het opleggen van een dergelijke maatregelen, de op het goed rustende voorkooprechten, vermeld in artikel 2.4.1, respectievelijk het feit dat op het goed een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van toepassing is.In voorkomend geval wordt ook vermeld of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een aanduiding als watergevoelig openruimtegebied conform artikel 5.6.8, § 1. |
| 2 | De vastgoedmakelaars en andere personen die in de uitoefening van hun beroep of activiteit dergelijke onderhandse akten opmaken, moeten een verwijzing naar artikel 4.2.1 van deze codex opnemen in de akte. | 2 | De vastgoedmakelaars en andere personen die in de uitoefening van hun beroep of activiteit dergelijke onderhandse akten opmaken, moeten een verwijzing naar artikel 4.2.1 van deze codex opnemen in de akte. |
| 2 | 1° of er voor het goed een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is uitgereikt; | 2 | 1° of er voor het goed een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is uitgereikt; |
| 3 | 2° de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister; | 3 | 2° de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister; |
| 4 | 3° of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een beveiligingsmaatregel of publieke herstelmaatregel als vermeld in artikel 2, 10° en 23°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, dan wel of een procedure voor het opleggen van een dergelijke maatregel hangende is; | 4 | 3° of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een beveiligingsmaatregel of publieke herstelmaatregel als vermeld in artikel 2, 10° en 23°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, dan wel of een procedure voor het opleggen van een dergelijke maatregel hangende is, alsook of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een rechterlijke herstelmaatregel of een bestuurlijke maatregel opgelegd op basis van het ruimtelijke ordeningsrecht, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van artikel 71 en 79 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, dan wel of een procedure voor het opleggen van een dergelijke maatregel nog hangende is; |
| 5 | 4° of er op het goed een voorkooprecht rust, in de zin van artikel 2.4.1; | 5 | 4° of er op het goed een voorkooprecht rust, in de zin van artikel 2.4.1; |
| 6 | 5° of voor het goed een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van toepassing is; | 6 | 5° of voor het goed een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van toepassing is; |
| 25 | § 5. Voor de gebieden die als watergevoelig openruimtegebied zijn aangeduid, kan een ruimtelijk uitvoeringsplan vastgesteld worden met een andersluidende regeling dan de regeling, vermeld in paragraaf 3, in zoverre bij de opmaak van dat ruimtelijk uitvoeringsplan rekening wordt gehouden met het conflict dat bestaat tussen de verdere realisatie van de bestemming en de belangen van het watersysteem. Er kan geen ruimtelijk uitvoeringsplan worden opgemaakt waarvan de voorschriften andere of ruimere bebouwing toelaten dan deze vermeld in paragraaf 3, tweede lid. | 25 | § 5. Voor de gebieden die als watergevoelig openruimtegebied zijn aangeduid, kan een ruimtelijk uitvoeringsplan vastgesteld worden met een andersluidende regeling dan de regeling, vermeld in paragraaf 3, in zoverre bij de opmaak van dat ruimtelijk uitvoeringsplan rekening wordt gehouden met het conflict dat bestaat tussen de verdere realisatie van de bestemming en de belangen van het watersysteem. Er kan geen ruimtelijk uitvoeringsplan worden opgemaakt waarvan de voorschriften andere of ruimere bebouwing toelaten dan deze vermeld in paragraaf 3, tweede lid. |
| 26 | De vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan in toepassing van deze paragraaf geeft geen aanleiding tot planschadevergoeding, vermeld in titel II, hoofdstuk VI, afdeling 1, noch tot een planbatenheffing, vermeld in titel II, hoofdstuk VI, afdeling 2, noch tot kapitaalschade in de zin van boek 6 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid. | 26 | De vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan in toepassing van deze paragraaf geeft geen aanleiding tot planschadevergoeding, vermeld in titel II, hoofdstuk VI, afdeling 1, noch tot een planbatenheffing, vermeld in titel II, hoofdstuk VI, afdeling 2, noch tot kapitaalschade in de zin van boek 6 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid. |
| 27 | § 6. Eigenaars van gronden die in watergevoelig openruimtegebied liggen dat is aangeduid conform dit artikel , kunnen een vergoeding verkrijgen met toepassing van dezelfde voorwaarden en modaliteiten als die welke gelden voor de planschadevergoeding, vermeld in artikel 2.6.1, waarbij: | 27 | § 6. Voor gronden die conform dit artikel aangeduid worden als watergevoelig openruimtegebied, kan een vergoeding toegekend worden met toepassing van dezelfde voorwaarden en modaliteiten als deze die op grond van artikel 2.6.1 en 2.6.2 gelden voor de planschadevergoeding. |
| 28 | 1° het recht op vergoeding ontstaat conform artikel 13, § 1, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023; | ||
| 29 | 2° het vorderingsrecht twee jaar nadat het recht op vergoeding is ontstaan, vervalt; | ||
| 30 | 3° de vergoedingsgerechtigde diegene is die op het ogenblik van de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering tot aanduiding van het watergevoelig openruimtegebied het eigendomsrecht of het bloot eigendomsrecht op het perceel kan laten gelden. | ||
| 31 | De vergoeding wordt gevorderd ten aanzien van het Vlaamse Gewest en wordt aangerekend op het BRV-fonds. | 28 | De vergoeding wordt gevorderd ten aanzien van het Vlaamse Gewest en wordt aangerekend op het BRV-fonds. |
| 32 | § 7. De Vlaamse Regering kan, hangende de procedure of uiterlijk binnen het jaar na een veroordeling tot vergoeding die kracht van gewijsde heeft verkregen, beslissen om de aanduiding als watergevoelig openruimtegebied zoals vermeld in paragraaf 1, geheel of gedeeltelijk op te heffen voor de gronden waarvoor de vergoeding werd gevorderd. De Vlaamse Regering wint hierover het advies in van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de gronden gelegen zijn, en van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid, bedoeld in artikel 25 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid. | 29 | § 7. De Vlaamse Regering kan, hangende de procedure of uiterlijk binnen het jaar na een veroordeling tot vergoeding die kracht van gewijsde heeft verkregen, beslissen om de aanduiding als watergevoelig openruimtegebied zoals vermeld in paragraaf 1, geheel of gedeeltelijk op te heffen voor de gronden waarvoor de vergoeding werd gevorderd. De Vlaamse Regering wint hierover het advies in van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de gronden gelegen zijn, en van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid, bedoeld in artikel 25 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid. |
| 4 | 3° voor zover ze in overeenstemming zijn met de voorschriften van een algemeen plan van aanleg of een bijzonder plan van aanleg, met behoud van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk IV van titel IV. | 4 | 3° voor zover ze in overeenstemming zijn met de voorschriften van een algemeen plan van aanleg of een bijzonder plan van aanleg, met behoud van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk IV van titel IV. |
| 5 | In afwijking van het eerste lid kunnen in woonreservegebieden omgevingsver- gunningen afgegeven worden voor aanvragen die zijn gesteund op afwijkingsmogelijkheden als vermeld in titel IV, hoofdstuk IV. | 5 | In afwijking van het eerste lid kunnen in woonreservegebieden omgevingsver- gunningen afgegeven worden voor aanvragen die zijn gesteund op afwijkingsmogelijkheden als vermeld in titel IV, hoofdstuk IV. |
| 6 | In afwijking van het eerste lid kunnen in woonreservegebieden omgevingsvergunningen worden afgegeven voor de loutere afbraak of verwijdering van constructies of voor het vellen van bomen. | ||
| 7 | In afwijking van het eerste lid kunnen in woonreservegebieden omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden afgegeven worden als de verkavelingsvoorschriften niet in bebouwing of verharding voorzien voor het deel van de verkaveling dat in woonreservegebied ligt. | ||
| 6 | §2. De mogelijkheden, vermeld in paragraaf 1, gelden niet in gebieden die zijn aangeduid als watergevoelige openruimtegebieden als vermeld in artikel 5.6.8, §3. | 8 | §2. De mogelijkheden, vermeld in paragraaf 1, gelden niet in gebieden die zijn aangeduid als watergevoelige openruimtegebieden als vermeld in artikel 5.6.8, §3. |
| 11 | §3. Een gemeenteraadsbesluit dat een woonreservegebied volledig of gedeeltelijk vrijgeeft, bepaalt de voorwaarden voor een ruimtelijk kwalitatieve ontwikke- ling van het vrijgegeven gebied. Deze voorwaarden hebben minstens betrekking op de woningtypologie en -dichtheid, op de vermenging van functies en op de groen- voorzieningen en de waterhuishouding. Het vrijgavebesluit en de voorwaarden gel- den als ordening in de zin van artikel 5.1.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen. | 11 | §3. Een gemeenteraadsbesluit dat een woonreservegebied volledig of gedeeltelijk vrijgeeft, bepaalt de voorwaarden voor een ruimtelijk kwalitatieve ontwikke- ling van het vrijgegeven gebied. Deze voorwaarden hebben minstens betrekking op de woningtypologie en -dichtheid, op de vermenging van functies en op de groen- voorzieningen en de waterhuishouding. Het vrijgavebesluit en de voorwaarden gel- den als ordening in de zin van artikel 5.1.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen. |
| 12 | De voorwaarden, vermeld in het eerste lid, garanderen een hoog ruimtelijk rendement en een zuinig ruimtegebruik door een minimale groepering van de woningen en door gedeelde voorzieningen. | 12 | De voorwaarden, vermeld in het eerste lid, garanderen een hoog ruimtelijk rendement en een zuinig ruimtegebruik door een minimale groepering van de woningen en door gedeelde voorzieningen. |
| 13 | § 3/1. Er kan gemotiveerd worden afgeweken van de vereiste van verweving of vermenging van functies en de vereiste van gedeelde voorzieningen, vermeld in paragraaf 1 en 3, in geval van een vrijgave die betrekking heeft op minder dan een halve hectare. In dat geval moet het vrijgavebesluit, vermeld in paragraaf 3, geen voorwaarden bevatten wat betreft de betrokken vereisten. | ||
| 14 | Er kan gemotiveerd worden afgeweken van de vereisten van hoog ruimtelijk rendement en een minimale groepering van woningen, vermeld in paragraaf 3, in geval van een vrijgave die betrekking heeft op minder dan vijftien are. In dat geval moet het vrijgavebesluit, vermeld in paragraaf 3, geen voorwaarden bevatten wat betreft de betrokken vereisten. | ||
| 15 | De motivatie heeft minstens betrekking op de aanwezigheid van voorzieningen en andere functies dan residentiële functies en op de woondichtheid in de omgeving. | ||
| 16 | Er kan niet worden afgeweken van de vereiste, vermeld in paragraaf 1, dat de vrijgave betrekking heeft op een samenhangend en ruimtelijk afzonderbaar onderdeel van het woonreservegebied. | ||
| 13 | §4. Een gemeenteraadsbesluit dat een woonreservegebied volledig of gedeel- telijk vrijgeeft, kan gepaste lasten opleggen om de omgevingskwaliteit van een woonreservegebied en zijn omgeving te verhogen. Die lasten kunnen onder meer betrekking hebben op het versterken van de landschappelijke inpasbaarheid en de groenblauwe dooradering, de vrijwaring of de verwezenlijking van gemeenschappelijke ruimten en gemeenschappelijk groen, de integrale toegankelijkheid, klimaatbestendigheid, energetische optimalisatie, een kwaliteitsvolle verweving van functies, en zuinig en duurzaam ruimtegebruik. Zij kunnen geheel of gedeeltelijk de vorm aannemen van de storting van een bedrag dat bestemd wordt voor de uitvoering van de handelingen en werken, vermeld in dit lid. | 17 | §4. Een gemeenteraadsbesluit dat een woonreservegebied volledig of gedeel- telijk vrijgeeft, kan gepaste lasten opleggen om de omgevingskwaliteit van een woonreservegebied en zijn omgeving te verhogen. Die lasten kunnen onder meer betrekking hebben op het versterken van de landschappelijke inpasbaarheid en de groenblauwe dooradering, de vrijwaring of de verwezenlijking van gemeenschappelijke ruimten en gemeenschappelijk groen, de integrale toegankelijkheid, klimaatbestendigheid, energetische optimalisatie, een kwaliteitsvolle verweving van functies, en zuinig en duurzaam ruimtegebruik. Zij kunnen geheel of gedeeltelijk de vorm aannemen van de storting van een bedrag dat bestemd wordt voor de uitvoering van de handelingen en werken, vermeld in dit lid. |
| 14 | De lasten, vermeld in het eerste lid, voldoen aan de bepalingen voor lasten als vermeld in artikel 75 tot en met 77 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. | 18 | De lasten, vermeld in het eerste lid, voldoen aan de bepalingen voor lasten als vermeld in artikel 75 tot en met 77 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. |
| 6 | c) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld; | 6 | c) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld; |
| 7 | 3° DABM: het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid; | 7 | 3° DABM: het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid; |
| 8 | 4° definitieve beslissing: een beslissing waartegen geen georganiseerd administratief beroep meer kan worden ingesteld en die, wat betreft het recht tot voortzetting van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit als vermeld in artikel 70, § 1, tweede lid, en artikel 390, § 6, niet voor een eerste maal geheel of gedeeltelijk vernietigd is door de Raad van Vergunningsbetwistingen en voor zover de beslissingen in eerste en tweede administratieve aanleg de verdere uitbating toelieten. Het recht op verdere exploitatie stopt definitief wanneer de Raad van Vergunningsbetwistingen de schorsing van de vergunning uitspreekt of na een termijn van maximum vijf maand na de eerste uitspraak van de Raad van Vergunningsbetwistingen; [ZIE BELANGRIJKE OPMERKING IN COMMENTAAR IVM ART. 2, EERSTE LID, 4°] | 8 | 4° definitieve beslissing: een beslissing waartegen geen georganiseerd administratief beroep meer kan worden ingesteld en die, wat betreft het recht tot voortzetting van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit als vermeld in artikel 70, § 1, tweede lid, en artikel 390, § 6, niet voor een eerste maal geheel of gedeeltelijk vernietigd is door de Raad voor Vergunningsbetwistingen en voor zover de beslissingen in eerste en tweede administratieve aanleg de verdere uitbating toelieten. Het recht op verdere exploitatie stopt definitief wanneer de Raad voor Vergunningsbetwistingen de schorsing van de vergunning uitspreekt of na een termijn van maximum vijf maand na de eerste uitspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen; [ZIE BELANGRIJKE OPMERKING IN COMMENTAAR IVM ART. 2, EERSTE LID, 4°] |
| 9 | 5° gemeentelijke projecten: de door de Vlaamse Regering limitatief aangewezen projecten waarvoor het college van burgemeester en schepenen bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen; | 9 | 5° gemeentelijke projecten: de door de Vlaamse Regering limitatief aangewezen projecten waarvoor het college van burgemeester en schepenen bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen; |
| 10 | 6° meldingsakte: het document waaruit blijkt dat de bevoegde overheid uitdrukkelijk of stilzwijgend akte heeft genomen van een melding; | 10 | 6° meldingsakte: het document waaruit blijkt dat de bevoegde overheid uitdrukkelijk of stilzwijgend akte heeft genomen van een melding; |
| 4 | 2° voor projecten die uitsluitend tijdelijke inrichtingen of activiteiten omvatten, vermeld in artikel 5.2.1, § 2, tweede lid, van het DABM; | 4 | 2° voor projecten die uitsluitend tijdelijke inrichtingen of activiteiten omvatten, vermeld in artikel 5.2.1, § 2, tweede lid, van het DABM; |
| 5 | 3° als de exploitatie betrekking heeft op een grondwaterwinning of een ontginning; | 5 | 3° als de exploitatie betrekking heeft op een grondwaterwinning of een ontginning; |
| 6 | 3°/1 voor indirecte lozingen van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater in grondwater zoals de Vlaamse Regering bepaalt; | ||
| 6 | 4° als een omgevingsvergunning op proef noodzakelijk is; | 7 | 4° als een omgevingsvergunning op proef noodzakelijk is; |
| 7 | 5° met het oog op de herlokalisatie van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die niet verenigbaar is met de ruimtelijke bestemming; | 8 | 5° met het oog op de herlokalisatie van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die niet verenigbaar is met de ruimtelijke bestemming; |
| 19 | De inkomsten van de financiële lasten, vermeld in paragraaf 3, 4°, worden door de bevoegde overheid aangewend voor het ruimtelijk beleid. De bevoegde overheid bewerkstelligt bij de opmaak van haar begrotingen dat ten minste een equivalent van de in het vorige begrotingsjaar doorgestorte inkomsten bestemd wordt binnen het ruimtelijke beleid, zoals in het bijzonder het voldoen van planschadevergoedingen en de aanwending van het instrument planologische ruil. Onder planologische ruil wordt verstaan: de omwisseling van gebiedsbestemmingen vanuit een samenhangende visie op de duurzame ruimtelijke ordening van het volledige plangebied. | 19 | De inkomsten van de financiële lasten, vermeld in paragraaf 3, 4°, worden door de bevoegde overheid aangewend voor het ruimtelijk beleid. De bevoegde overheid bewerkstelligt bij de opmaak van haar begrotingen dat ten minste een equivalent van de in het vorige begrotingsjaar doorgestorte inkomsten bestemd wordt binnen het ruimtelijke beleid, zoals in het bijzonder het voldoen van planschadevergoedingen en de aanwending van het instrument planologische ruil. Onder planologische ruil wordt verstaan: de omwisseling van gebiedsbestemmingen vanuit een samenhangende visie op de duurzame ruimtelijke ordening van het volledige plangebied. |
| 20 | De bevoegde overheid kan beslissen om de bedragen van de lasten van meerdere vergunningen aan te wenden om gelijke handelingen en werken te verwezenlijken, als geen enkele bijdrage afzonderlijk zou volstaan om de verwezenlijking ervan volledig te financieren. | 20 | De bevoegde overheid kan beslissen om de bedragen van de lasten van meerdere vergunningen aan te wenden om gelijke handelingen en werken te verwezenlijken, als geen enkele bijdrage afzonderlijk zou volstaan om de verwezenlijking ervan volledig te financieren. |
| 21 | § 5. Bij een overdracht van een omgevingsvergunning blijft de overdragende partij gehouden tot de goede uitvoering van de lasten totdat de overdracht gerealiseerd is, waarop de nieuwe vergunninghouder vervolgens gehouden is de lasten uit te voeren. | ||
| 21 | § 5. ... | ||
| 1 | § 1. Voor de lasten in natura, vermeld in artikel 75, § 3, 1° tot en met 3°, verleent de houder van de vergunning die daarop betrekking heeft, een financiële waarborg vóór er met de werken gestart wordt. | 1 | § 1. Voor de lasten in natura, vermeld in artikel 75, § 3, 1° tot en met 3°, verleent de houder van de vergunning die daarop betrekking heeft, een financiële waarborg vóór er met de werken gestart wordt. Deze verplichting geldt niet voor omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 5, 1°, b). |
| 2 | De waarborg dekt de volledige geraamde kostprijs van de lasten, vermeld in het eerste lid, behalve als kan worden vastgesteld dat de financiële toestand van de begunstigde van de vergunning dat niet toelaat. De bevoegde overheid kan die dekking verminderen tot een niveau dat aanvaardbaar is voor de financiële toestand van de begunstigde van de vergunning, maar de waarborg mag niet kleiner zijn dan de helft van de geraamde kosten van de lasten. | 2 | De waarborg dekt de volledige geraamde kostprijs van de lasten, vermeld in het eerste lid, behalve als kan worden vastgesteld dat de financiële toestand van de begunstigde van de vergunning dat niet toelaat. De bevoegde overheid kan die dekking verminderen tot een niveau dat aanvaardbaar is voor de financiële toestand van de begunstigde van de vergunning, maar de waarborg mag niet kleiner zijn dan de helft van de geraamde kosten van de lasten. |
| 3 | De waarborg kan worden geleverd met een borgstelling via een overschrijving op de Deposito- en Consignatiekas of door een financiële instelling borg te laten staan voor het bedrag van het project. | 3 | De waarborg kan worden geleverd met een borgstelling via een overschrijving op de Deposito- en Consignatiekas of door een financiële instelling borg te laten staan voor het bedrag van het project. |
| 4 | De waarborg kan worden vrijgemaakt naarmate de als lasten opgelegde handelingen en werken worden uitgevoerd, in verhouding tot de investeringen die in het kader van de lasten al zijn verricht, tegen maximaal 60% van de totale waarde, waarbij het saldo pas wordt vrijgemaakt als de bevoegde overheid of haar gemachtigde die handelingen en werken voorlopig opgeleverd heeft. | 4 | De waarborg kan worden vrijgemaakt naarmate de als lasten opgelegde handelingen en werken worden uitgevoerd, in verhouding tot de investeringen die in het kader van de lasten al zijn verricht, tegen maximaal 60% van de totale waarde, waarbij het saldo pas wordt vrijgemaakt als de bevoegde overheid of haar gemachtigde die handelingen en werken voorlopig opgeleverd heeft. |
| 5 | § 2. Als de uitvoering van diverse lasten financieel wordt gewaarborgd, hanteert de bevoegde overheid één waarborg voor de totaliteit van de lasten in kwestie, waarbij aangegeven wordt welk waarborggedeelte betrekking heeft op elke last afzonderlijk. | 5 | § 2. Als de uitvoering van diverse lasten financieel wordt gewaarborgd, hanteert de bevoegde overheid één waarborg voor de totaliteit van de lasten in kwestie, waarbij aangegeven wordt welk waarborggedeelte betrekking heeft op elke last afzonderlijk. |
| 6 | § 3. Bij een overdracht van een vergunning blijft de overdragende partij ertoe gehouden borg te staan voor de goede uitvoering van de lasten totdat de nieuwe houder van de vergunning de bevoegde overheid een financiële waarborg heeft geleverd die gelijk is aan de waarborg, vermeld in paragraaf 1. | ||
| 6 | § 3. ... | ||
| 7 | § 4. De waarborg is in de volgende gevallen opeisbaar of van rechtswege door de bevoegde overheid verworven ten belope van de waarde van de lasten die nog niet uitgevoerd zijn: | 7 | § 4. De waarborg is in de volgende gevallen opeisbaar of van rechtswege door de bevoegde overheid verworven ten belope van de waarde van de lasten die nog niet uitgevoerd zijn: |
| 8 | 1° bij niet-naleving van de uitvoeringstermijnen voor de lasten, vermeld in de definitief uitvoerbare vergunning, waartegen geen beroep meer mogelijk is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen; | 8 | 1° bij niet-naleving van de uitvoeringstermijnen voor de lasten, vermeld in de definitief uitvoerbare vergunning, waartegen geen beroep meer mogelijk is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen; |
| 9 | 2° als de vergunning waarvoor lasten werden opgelegd, vervalt na gedeeltelijk te zijn uitgevoerd. | 9 | 2° als de vergunning waarvoor lasten werden opgelegd, vervalt na gedeeltelijk te zijn uitgevoerd. |
| 10 | § 5. De waarborg kan zonder uitvoering van de lasten alleen worden vrijgemaakt als de vergunning waarvoor de lasten werden opgelegd, vervallen is en het project niet of zelfs niet gedeeltelijk werd uitgevoerd. | 10 | § 5. De waarborg kan zonder uitvoering van de lasten alleen worden vrijgemaakt als de vergunning waarvoor de lasten werden opgelegd, vervallen is en het project niet of zelfs niet gedeeltelijk werd uitgevoerd. |
| 11 | § 6. Als een last als vermeld in artikel 75 niet is uitgevoerd binnen de daartoe gestelde termijn, kan de bevoegde overheid aan de schuldenaar van de last een beslissing tot toepassing van bestuursdwang betekenen, per beveiligde zending. De beslissing vermeldt dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de schuldenaar plaatsvindt. In de beslissing wordt een termijn gesteld waarbinnen de schuldenaar de tenuitvoerlegging kan voorkomen door de last alsnog uit te voeren. Als niet tot tijdige uitvoering wordt overgegaan, kan de bevoegde overheid ambtshalve in de uitvoering van de lasten voorzien. De schuldenaar is verplicht alle uitvoeringskosten te vergoeden, op voorlegging van een staat, opgesteld door de bevoegde overheid. |
| 3 | Het vergunningsbesluit wordt als gevolg van de melding, vermeld in het tweede lid, door de bevoegde overheid aangepast overeenkomstig de regels die de Vlaamse Regering bepaalt. | 3 | Het vergunningsbesluit wordt als gevolg van de melding, vermeld in het tweede lid, door de bevoegde overheid aangepast overeenkomstig de regels die de Vlaamse Regering bepaalt. |
| 4 | Als er lasten aan een omgevingsvergunning verbonden zijn, blijft de overdrager ertoe gehouden ten aanzien van de bevoegde overheid tenzij deze met de substitutie van haar schuldenaar heeft ingestemd. | 4 | Als er lasten aan een omgevingsvergunning verbonden zijn, blijft de overdrager ertoe gehouden ten aanzien van de bevoegde overheid tenzij deze met de substitutie van haar schuldenaar heeft ingestemd. |
| 5 | Bij een overdracht van een vergunning blijft de overdragende partij ertoe gehouden borg te staan voor de goede uitvoering van de lasten totdat de nieuwe houder van de vergunning de bevoegde overheid een financiële waarborg heeft geleverd die gelijk is aan de waarborg, vermeld in artikel 77, § 1. | ||
| 8 | e) de leidend ambtenaar van een adviesinstantie die met toepassing van de bepalingen, vermeld in artikel 24, eerste lid, is aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit advies uit te brengen; | 8 | e) de leidend ambtenaar van een adviesinstantie die met toepassing van de bepalingen, vermeld in artikel 24, eerste lid, is aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit advies uit te brengen; |
| 9 | f) de leidend ambtenaar van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning. | 9 | f) de leidend ambtenaar van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning. |
| 10 | Het verzoek, vermeld in punt 2°, e), wordt ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, binnen een termijn van dertig dagen voorafgaand aan de maand waarin de evaluatie, vermeld in artikel 5.4.11 van het DABM, zou plaatsvinden. | ||
| 11 | Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4 en 5. | 10 | Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4 en 5. |
| 10 | 1° de milieuvoorwaarden wijzigen of aanvullen; | 10 | 1° de milieuvoorwaarden wijzigen of aanvullen; |
| 11 | 2° het voorwerp van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit beperken voor zover de risico's en de hinder niet via milieuvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden herleid; | 11 | 2° het voorwerp van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit beperken voor zover de risico's en de hinder niet via milieuvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden herleid; |
| 12 | 3° de duur van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit beperken voor zover deze niet verder verenigbaar is met de ruimtelijke bestemming. In dat geval zal de resterende duur van de omgevingsvergunning niet minder dan zeven jaar bedragen. | 12 | 3° de duur van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit beperken voor zover deze mogelijkheid vermeld is in artikel 68, tweede lid. |
| 13 | § 2/1. Het tweede lid van paragraaf 1 geldt niet voor de gemotiveerde verzoeken tot bijstelling van het voorwerp of duur die de leidend ambtenaar van de VMM indient met het oog op de implementatie van de Europese doelstellingen van richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid. | ||
| 13 | § 3. Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4 en 5. | 14 | § 3. Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4 en 5. |
| 9 | 1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend; | 9 | 1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend; |
| 10 | 2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften. | 10 | 2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften. |
| 11 | De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd. | 11 | De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3°, 4°, 5° en 6°, ook met twee jaar verlengd. |
| 12 | Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie. | 12 | Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie. |
| 13 | § 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen: | 13 | § 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen: |
| 2 | De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de archeologienota waarvan akte is genomen overeenkomstig artikel 5.4.9 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de nota waarvan akte is genomen overeenkomstig artikel 5.4.17 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving. | 2 | De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de archeologienota waarvan akte is genomen overeenkomstig artikel 5.4.9 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de nota waarvan akte is genomen overeenkomstig artikel 5.4.17 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving. |
| 3 | De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken. | 3 | De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken. |
| 4 | De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel. | 4 | De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigde beveiligingsmaatregel als vermeld in artikel 63, § 2, 1°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die de staking van handelingen oplegt, niet wordt opgeheven door de bevoegde toezichthouder of herstelinstantie, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van de beveiligingsmaatregel wordt gevorderd of geen opheffing ervan wordt gedaan door de bevoegde toezichthouder of herstelinstantie binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van de beveiligingsmaatregel. |
| 14 | 5° de berekening van de gebruikersvergoeding, vermeld in artikel 17 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023; | 14 | 5° de berekening van de gebruikersvergoeding, vermeld in artikel 17 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023; |
| 15 | 6° het opmaken van een meerwaarderapport als vermeld in artikel 2.6.10, §2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; | 15 | 6° het opmaken van een meerwaarderapport als vermeld in artikel 2.6.10, §2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; |
| 16 | 7° het opmaken van een meerwaarderamingsrapport als vermeld in artikel 2.6.10, §2/1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. | ||
| 16 | 7° ... | ||
| 17 | De te verwerken informatie omvat met name de volgende categorieën van persoonsgegevens: | 17 | De te verwerken informatie omvat met name de volgende categorieën van persoonsgegevens: |
| 18 | 1° identificatiegegevens van de aanvragers of begunstigden of van de heffingsplichtige, vermeld in artikel 2.6.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, waaronder het Rijksregisternummer en, in voorkomend geval, het BIS-nummer; | 18 | 1° identificatiegegevens van de aanvragers of begunstigden of van de heffingsplichtige, vermeld in artikel 2.6.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, waaronder het Rijksregisternummer en, in voorkomend geval, het BIS-nummer; |
| 42 | 6° de heffingsplichtige, vermeld in artikel 2.6.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; | 42 | 6° de heffingsplichtige, vermeld in artikel 2.6.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; |
| 43 | 7° de Vlaamse Belastingdienst, met het oog op de inkohiering en invordering van de planbatenheffing, vermeld in artikel 2.6.13 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. | 43 | 7° de Vlaamse Belastingdienst, met het oog op de inkohiering en invordering van de planbatenheffing, vermeld in artikel 2.6.13 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. |
| 44 | § 4. Voor de uitvoering van de taken van algemeen belang die het Instrumentendecreet van 26 mei 2023 en de uitvoeringsbesluiten ervan aan de initiatiefnemer opdragen in het kader van de planschadevergoeding, vermeld in artikel 6, 1°, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, verwerkt de initiatiefnemer de informatie, met inbegrip van de persoonsgegevens, die daartoe noodzakelijk is. De initiatiefnemer doet dat als verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming. Onder algemene verordening gegevensbescherming wordt verstaan: | ||
| 45 | verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). Dat houdt met name in dat de initiatiefnemer belast is met de opvolging van de aanvragen van de planschadevergoeding, met inbegrip van het bezorgen van het dossier aan de bevoegde landcommissie voor de opmaak van het schaderapport, de behandeling van de bezwaren of de vragen van de betrokkenen om gehoord te worden tot het nemen van de beslissing tot toekenning of weigering van de planschadevergoeding. | ||
| 46 | De te verwerken informatie omvat met name de volgende categorieën van persoonsgegevens: | ||
| 47 | 1° de identificatiegegevens van de aanvragers of begunstigden, waaronder het rijksregisternummer en, in voorkomend geval, het BIS-nummer; | ||
| 48 | 2° gegevens in verband met de onroerende goederen en de percelen in verband waarmee een vergoeding wordt gevraagd, waaronder kadastrale gegevens, gegevens over erfdienstbaarheden en de verwervingswaarde; | ||
| 49 | 3° gegevens in verband met persoonlijke en zakelijke rechten; | ||
| 50 | 4° gegevens in verband met vergunningen en stedenbouwkundige inlichtingen; | ||
| 51 | 5° gegevens die een invloed kunnen hebben op de waarde van onroerende goederen zoals de aanwezigheid van verontreiniging. | ||
| 52 | De initiatiefnemer voert de taken, vermeld in het eerste lid, uit op basis van de inlichtingen die de aanvrager, de landcommissies of andere overheden verstrekken en die ze rechtstreeks inzamelen bij de instantie of persoon die erover beschikt. | ||
| 53 | De gegevens die bij de aanvraag moeten worden gevoegd of die de aanvrager moet verstrekken op verzoek van een initiatiefnemer, worden rechtstreeks bij de aanvrager opgevraagd. | ||
| 54 | Daarnaast kan de initiatiefnemer voor de uitoefening van zijn taken, vermeld in het eerste lid, als dat noodzakelijk is, informatie, waaronder persoonsgegevens, opvragen bij andere overheden of instanties die daarover beschikken, op voorwaarde dat de regelgeving inzake de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens wordt nageleefd die van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd. De persoonsgegevens die op die manier worden verkregen, en ook de instanties of overheden die de persoonsgegevens verstrekken, worden nader bepaald door de Vlaamse Regering, na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens. | ||
| 55 | De initiatiefnemer deelt de informatie, met inbegrip van de persoonsgegevens, die hij in het kader van dit decreet verwerkt, volgens de voorwaarden die in dit decreet zijn opgenomen, mee aan: | ||
| 56 | 1° de betrokkene; | ||
| 57 | 2° de aanvrager; | ||
| 58 | 3° de landcommissie; | ||
| 59 | 4° in voorkomend geval, de adviesverleners; | ||
| 60 | 5° het agentschap, vermeld in artikel 7, § 1. | ||
| 61 | De initiatiefnemer bewaart de persoonsgegevens conform artikel III.87, § 1/1, vierde lid, 8°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. | ||
| 8 | 3° de instrumenten, vermeld in het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten; | 8 | 3° de instrumenten, vermeld in het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten; |
| 9 | 4° de Vlaamse voorkooprechten, vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten; | 9 | 4° de Vlaamse voorkooprechten, vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten; |
| 10 | 5° de koopplichten, vermeld in artikel 20 van het decreet van 16 juni 2006 houdende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen; | ||
| 10 | 5° de koopplichten, vermeld in artikel 21, § 1, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023; | ||
| 11 | 6° het recht van wederinkoop, vermeld in artikel 5.92 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021; | 11 | 6° het recht van wederinkoop, vermeld in artikel 5.92 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021; |
| 12 | 7° het sociaal beheersrecht, vermeld in boek 5, deel 7, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021; | 12 | 7° het sociaal beheersrecht, vermeld in boek 5, deel 7, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021; |
| 1 | Binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het beroep, wordt de indiener van het beroep door de Vlaamse Regering of de daartoe gemachtigde ambtenaar bij aangetekende brief in kennis gesteld over de ontvankelijkheid van het beroep. | 1 | Binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het beroep, wordt de indiener van het beroep door de Vlaamse Regering of de daartoe gemachtigde ambtenaar in kennis gesteld over de ontvankelijkheid van het beroep. |
| 1 | § 1. Het administratief beroep, vermeld in artikel 146, beperkt zich tot een marginale toetsing waarbij de Vlaamse Regering uitspraak doet over de manifeste onredelijkheid van de bestreden beslissing van de OVAM. | 1 | § 1. Het administratief beroep, vermeld in artikel 146, beperkt zich tot een marginale toetsing waarbij de Vlaamse Regering uitspraak doet over de manifeste onredelijkheid van de bestreden beslissing van de OVAM. |
| 2 | § 2. Binnen een termijn van negentig dagen na de verzendingsdatum van de kennisgeving van het ontvankelijk beroep, doet de Vlaamse Regering uitspraak over het beroep. De beslissing van de Vlaamse Regering wordt binnen tien dagen na datum van deze beslissing bij aangetekende brief ter kennis gebracht van alle personen en overheidsorganen die in kennis werden gesteld van het ontvankelijk beroep. | 2 | § 2. Binnen een termijn van negentig dagen na de verzendingsdatum van de kennisgeving van het ontvankelijk beroep, doet de Vlaamse Regering uitspraak over het beroep. De beslissing van de Vlaamse Regering wordt binnen tien dagen na datum van deze beslissing ter kennis gebracht van alle personen en overheidsorganen die in kennis werden gesteld van het ontvankelijk beroep. |
| 3 | § 3. Als de uitspraak over het ingediende beroep en de kennisgeving ervan niet gebeurt binnen de termijn, vermeld in § 2, wordt het beroep geacht verworpen te zijn. | 3 | § 3. Als de uitspraak over het ingediende beroep en de kennisgeving ervan niet gebeurt binnen de termijn, vermeld in § 2, wordt het beroep geacht verworpen te zijn. |
| 4 | § 4. De uitspraak wordt op de wijze, vastgesteld krachtens artikel 51, bekendgemaakt. | 4 | § 4. De uitspraak wordt op de wijze, vastgesteld krachtens artikel 51, bekendgemaakt. |
| 1 | § 1. Het beroep wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, ingediend met een aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing van de OVAM overeenkomstig de bepalingen van dit decreet. | 1 | § 1. Het beroep wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, ingediend met een aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing van de OVAM overeenkomstig de bepalingen van dit decreet. |
| 2 | Bij het beroepschrift wordt, op straffe van onontvankelijkheid, een afschrift van de bestreden beslissing gevoegd. De Vlaamse Regering kan bepalen welke andere documenten, op straffe van onontvankelijkheid, bij het beroepschrift moeten worden gevoegd. | 2 | Bij het beroepschrift wordt, op straffe van onontvankelijkheid, een afschrift van de bestreden beslissing gevoegd. De Vlaamse Regering kan bepalen welke andere documenten, op straffe van onontvankelijkheid, bij het beroepschrift moeten worden gevoegd. |
| 3 | § 2. Binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het beroep wordt de indiener van het beroep door de Vlaamse Regering of de daartoe gemachtigde ambtenaar bij aangetekende brief in kennis gesteld over de ontvankelijkheid van het beroep. | 3 | § 2. Binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het beroep wordt de indiener van het beroep door de Vlaamse Regering of de daartoe gemachtigde ambtenaar in kennis gesteld over de ontvankelijkheid van het beroep. |
| 1 | § 1. Het administratief beroep, vermeld in artikel 153, is een vol beroep als het beroep betrekking heeft op een beslissing van de OVAM over de aanduiding van de saneringsplichtige of de vrijstelling van de saneringsplicht, met uitzondering van die onderdelen van voormelde beslissingen waarbij de OVAM als bodemsaneringsdeskundige uitspraak heeft gedaan. | 1 | § 1. Het administratief beroep, vermeld in artikel 153, is een vol beroep als het beroep betrekking heeft op een beslissing van de OVAM over de aanduiding van de saneringsplichtige of de vrijstelling van de saneringsplicht, met uitzondering van die onderdelen van voormelde beslissingen waarbij de OVAM als bodemsaneringsdeskundige uitspraak heeft gedaan. |
| 2 | In de andere gevallen beperkt het administratief beroep, vermeld in artikel 153, zich tot een marginale toetsing waarbij de Vlaamse Regering uitspraak doet over de manifeste onredelijkheid van de bestreden beslissing van de OVAM of het betreffende onderdeel ervan. | 2 | In de andere gevallen beperkt het administratief beroep, vermeld in artikel 153, zich tot een marginale toetsing waarbij de Vlaamse Regering uitspraak doet over de manifeste onredelijkheid van de bestreden beslissing van de OVAM of het betreffende onderdeel ervan. |
| 3 | § 2. Binnen een termijn van negentig dagen na de verzendingsdatum van de kennisgeving van het ontvankelijk beroep doet de Vlaamse Regering uitspraak over het beroep. De beslissing wordt binnen tien dagen na de datum ervan bij aangetekende brief ter kennis gebracht van alle personen en overheidsorganen die in kennis werden gesteld van het ontvankelijke beroep. | 3 | § 2. Binnen een termijn van negentig dagen na de verzendingsdatum van de kennisgeving van het ontvankelijk beroep doet de Vlaamse Regering uitspraak over het beroep. De beslissing wordt binnen tien dagen na de datum ervan ter kennis gebracht van alle personen en overheidsorganen die in kennis werden gesteld van het ontvankelijke beroep. |
| 4 | § 3. De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen voor de behandeling van het beroep. | 4 | § 3. De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen voor de behandeling van het beroep. |
| 1 | De saneringsplichtige, vermeld in artikel 11, 22 en 132, § 1, stelt op verzoek van de OVAM, financiële zekerheden tot waarborg van de uitvoering van de verplichting tot beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering en eventuele nazorg opgelegd door of krachtens dit decreet. De OVAM kan de aanpassing van de voormelde financiële zekerheid eisen. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast over het bedrag en de looptijd van de financiële zekerheden, en de wijze waarop die financiële zekerheden worden gesteld en aangepast. | 1 | De saneringsplichtige, vermeld in artikel 11, 22, 132, § 1, en artikel 157, eerste lid, stelt op verzoek van de OVAM, financiële zekerheden tot waarborg van de uitvoering van de verplichting tot beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering en eventuele nazorg opgelegd door of krachtens dit decreet. De OVAM kan de aanpassing van de voormelde financiële zekerheid eisen. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast over het bedrag en de looptijd van de financiële zekerheden, en de wijze waarop die financiële zekerheden worden gesteld en aangepast. |
| 19 | §4. De verwerkte persoonsgegevens hebben betrekking op de volgende natuurlijke personen voor zover zij geïdentificeerd of identificeerbaar zijn: | 19 | §4. De verwerkte persoonsgegevens hebben betrekking op de volgende natuurlijke personen voor zover zij geïdentificeerd of identificeerbaar zijn: |
| 20 | 1° de eigenaar en de gebruiker van de grond en de exploitant op de grond; | 20 | 1° de eigenaar en de gebruiker van de grond en de exploitant op de grond; |
| 21 | 2° de rechtsvoorgangers, de rechtsopvolgers en de vertegenwoordigers van de personen, vermeld in punt 1°; | 21 | 2° de rechtsvoorgangers, de rechtsopvolgers en de vertegenwoordigers en de contactpersonen van de personen, vermeld in punt 1°; |
| 22 | 3° de contactpersonen van erkende organisaties; | 22 | 3° de contactpersonen van erkende organisaties; |
| 23 | 4° de personen werkzaam bij de politiediensten en overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, §1, eerste lid, van het bestuursdecreet van 7 december 2018, die bevoegdheid hebben of openbare verantwoordelijkheden of functies uitoefenen inzake het leefmilieu of het waterbeleid; | 23 | 4° de personen werkzaam bij de politiediensten en overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, §1, eerste lid, van het bestuursdecreet van 7 december 2018, die bevoegdheid hebben of openbare verantwoordelijkheden of functies uitoefenen inzake het leefmilieu of het waterbeleid; |
| 24 | 5° de instrumenterende ambtenaren; | 24 | 5° de instrumenterende ambtenaren; |
| 25 | 6° andere belanghebbenden. | 25 | 6° andere belanghebbenden; |
| 26 | 7° de relevante voormalige eigenaars en gebruikers van, en de relevante voormalige exploitanten op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand gekomen is. | ||
| 26 | §5. De verwerkte persoonsgegevens hebben betrekking op de volgende categorieën van persoonsgegevens: | 27 | §5. De verwerkte persoonsgegevens hebben betrekking op de volgende categorieën van persoonsgegevens: |
| 27 | 1° contactgegevens; | 28 | 1° contactgegevens; |
| 40 | 3° toezichthouders die belast zijn met het toezicht op de bepalingen van dit decreet; | 41 | 3° toezichthouders die belast zijn met het toezicht op de bepalingen van dit decreet; |
| 41 | 4° professionele raadgevers van de betrokkenen, vermeld in paragraaf 6, 1°, of van de OVAM of andere belanghebbenden; | 42 | 4° professionele raadgevers van de betrokkenen, vermeld in paragraaf 6, 1°, of van de OVAM of andere belanghebbenden; |
| 42 | 5° bodemsaneringsdeskundigenof de organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II; | 43 | 5° bodemsaneringsdeskundigen, het Fonds, vermeld in artikel 82bis, 2°, of de organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II; |
| 43 | 6° derden wanneer de OVAM of de Vlaamse Regering een verplichting heeft om de persoonsgegevens te verstrekken; | 44 | 6° derden wanneer de OVAM of de Vlaamse Regering een verplichting heeft om de persoonsgegevens te verstrekken; |
| 44 | 7° de Vlaamse Milieumaatschappij; | 45 | 7° de Vlaamse Milieumaatschappij; |
| 1 | §1. Deze bepaling regelt de verwerking van persoonsgegevens door de bodemsaneringsdeskundige in het kader van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, en in het kader van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en de uitvoeringsbesluiten ervan. | ||
| 1 | §1. De bodemsaneringsdeskundige treedt op als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming voor de doeleinden, vermeld in paragraaf 2. | 2 | De bodemsaneringsdeskundige treedt op als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming voor de doeleinden, vermeld in paragraaf 2. |
| 2 | De verwerkingen door de bodemsaneringsdeskundige zijn noodzakelijk voor de vervulling van de taken van algemeen belang overeenkomstig artikel 6, eerste lid, e), van de algemene verordening gegevensbescherming. | 3 | De verwerkingen door de bodemsaneringsdeskundige zijn noodzakelijk voor de vervulling van de taken van algemeen belang overeenkomstig artikel 6, eerste lid, e), van de algemene verordening gegevensbescherming. |
| 3 | §2. De bodemsaneringsdeskundige verwerkt de persoonsgegevens voor de volgende doeleinden: | 4 | §2. De bodemsaneringsdeskundige verwerkt de persoonsgegevens voor de volgende doeleinden: |
| 14 | 1° de eigenaar en gebruiker van de grond; | 15 | 1° de eigenaar en gebruiker van de grond; |
| 15 | 2° de exploitant op de grond; | 16 | 2° de exploitant op de grond; |
| 16 | 3° de bodemsaneringsdeskundige. | ||
| 17 | 3° de bodemsaneringsdeskundige, zijn kwaliteitsverantwoordelijke en de persoon die beschikt over de individuele handtekeningsbevoegdheid; | ||
| 18 | 4° de opdrachtgever van de verslagen, rapporten en studies die de bodemsaneringsdeskundige opmaakt in het kader van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan; | ||
| 19 | 5° de uitvoerder van de bodemsaneringswerken en de uitvoerder van de maatregelen, vermeld in artikel 82octies; | ||
| 20 | 6° de relevante voormalige eigenaars en gebruikers van, en de relevante voormalige exploitanten op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand gekomen is; | ||
| 21 | 7° de aanvrager, vermeld in artikel 82bis, 1° ; | ||
| 22 | 8° de vertegenwoordigers en de contactpersonen van de personen, vermeld in punt 1° tot en met 7°. | ||
| 17 | §5. De bodemsaneringsdeskundige kan de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1, verstrekken aan: | 23 | §5. De bodemsaneringsdeskundige kan de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1, verstrekken aan: |
| 18 | 1° de OVAM; | 24 | 1° de OVAM; |
| 1 | §1. Deze bepaling regelt de verwerking van persoonsgegevens door de organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II, in het kader van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. | ||
| 1 | §1. De organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II, treden op als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming voor de doeleinden, vermeld in paragraaf 2. | 2 | De organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II, treden op als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming voor de doeleinden, vermeld in paragraaf 2. |
| 2 | De verwerkingen door de organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II, zijn noodzakelijk voor de vervulling van de taken van algemeen belang overeenkomstig artikel 6, eerste lid, e), van de algemene verordening gegevensbescherming. | 3 | De verwerkingen door de organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II, zijn noodzakelijk voor de vervulling van de taken van algemeen belang overeenkomstig artikel 6, eerste lid, e), van de algemene verordening gegevensbescherming. |
| 3 | §2. De organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II, verwerken de persoonsgegevens voor het beheer van het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen en de doeleinden, vermeld in artikel 138, §1. | 4 | §2. De organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II, verwerken de persoonsgegevens voor het beheer van het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen en de doeleinden, vermeld in artikel 138, §1. |
| 10 | 2° de exploitant op de grond; | 11 | 2° de exploitant op de grond; |
| 11 | 3° de bodemsaneringsdeskundige; | 12 | 3° de bodemsaneringsdeskundige; |
| 12 | 4° de organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II. | 13 | 4° de organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II; |
| 14 | 5° de eindgebruiker, de initiatiefnemer, de ontvanger, de uitvoerder van de werken en de vervoerder van de bodemmaterialen, vermeld in de regeling, vastgesteld krachtens artikel 138, § 1. | ||
| 13 | §5. De organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II, kunnen de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, verstrekken aan: | 15 | §5. De organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II, kunnen de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, verstrekken aan: |
| 14 | 1° de OVAM; | 16 | 1° de OVAM; |
| 1 | § 1. De erkende organisaties, vermeld in artikel 95, treden op als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming voor de doeleinden, vermeld in paragraaf 2. | ||
| 2 | De verwerkingen door de erkende organisaties, vermeld in artikel 95, zijn noodzakelijk om de taken van algemeen belang te vervullen overeenkomstig artikel 6, lid 1, e), van de algemene verordening gegevensbescherming. | ||
| 3 | § 2. De erkende organisaties, vermeld in artikel 95, verwerken de persoonsgegevens in het kader van hun verplichte en facultatieve taken, vermeld in artikel 96 en 97. | ||
| 4 | § 3. De verwerkte persoonsgegevens hebben betrekking op de volgende gegevens: | ||
| 5 | 1° identiteitsgegevens; | ||
| 6 | 2° adresgegevens; | ||
| 7 | 3° gegevens die verband houden met de grond en de overeenkomsten, vermeld in artikel 97. | ||
| 8 | § 4. De verwerkte persoonsgegevens hebben betrekking op de volgende natuurlijke personen voor zover ze geïdentificeerd of identificeerbaar zijn: | ||
| 9 | 1° de eigenaar en gebruiker van de grond; | ||
| 10 | 2° de exploitant op de grond; | ||
| 11 | 3° de bodemsaneringsdeskundige; | ||
| 12 | 4° de saneringsplichtige, vermeld in artikel 11 en 22; | ||
| 13 | 5° de saneringswillige, vermeld in artikel 92. | ||
| 14 | § 5. De erkende organisaties, vermeld in artikel 95, kunnen de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, verstrekken aan: | ||
| 15 | 1° de OVAM; | ||
| 16 | 2° de Vlaamse Regering; | ||
| 17 | 3° derden als de erkende organisaties, vermeld in artikel 95, een wettelijke of decretale verplichting hebben om de persoonsgegevens te verstrekken. | ||
| 18 | § 6. De persoonsgegevens kunnen worden bewaard tot maximaal tien jaar na de beëindiging van de taken, vermeld in paragraaf 2, of tot maximaal één jaar na het verstrijken van de toepasselijke verjaringstermijnen als die termijnen langer zijn. |
| 9 | g) stoffen die bestemd zijn voor gebruik als voedermiddelen als vermeld in artikel 3, lid 2, g), van verordening (EG) nr. 767/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 79/373/EEG van de Raad, Richtlijn 80/511/EEG van de Commissie, Richtlijnen 82/471/EEG, 83/228/EEG, 93/74/EEG, 93/113/EG en 96/25/EG van de Raad en Beschikking 2004/217/EG van de Commissie, en die geen dierlijke bijproducten bevatten of daaruit bestaan; | 9 | g) stoffen die bestemd zijn voor gebruik als voedermiddelen als vermeld in artikel 3, lid 2, g), van verordening (EG) nr. 767/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 79/373/EEG van de Raad, Richtlijn 80/511/EEG van de Commissie, Richtlijnen 82/471/EEG, 83/228/EEG, 93/74/EEG, 93/113/EG en 96/25/EG van de Raad en Beschikking 2004/217/EG van de Commissie, en die geen dierlijke bijproducten bevatten of daaruit bestaan; |
| 10 | h) het gebruik van teruggewonnen water waarvoor een toelating voor gebruik werd afgeleverd of waarvoor een melding met aktename gebeurde overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 2023 houdende reglementering inzake de kwaliteit en de productie, de levering en het gebruik van teruggewonnen water; | 10 | h) het gebruik van teruggewonnen water waarvoor een toelating voor gebruik werd afgeleverd of waarvoor een melding met aktename gebeurde overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 2023 houdende reglementering inzake de kwaliteit en de productie, de levering en het gebruik van teruggewonnen water; |
| 11 | i) ongezuiverd afwater, uitgezonderd afvalwater van afvalverwerkende activiteiten, dat met het oog op de zuivering en lozing ervan, vervoerd wordt tussen twee bedrijven die behoren tot dezelfde vennootschapsgroep; | 11 | i) ongezuiverd afvalwater, uitgezonderd afvalwater van afvalverwerkende activiteiten, dat met het oog op de zuivering en lozing ervan, vervoerd wordt tussen twee bedrijven die behoren tot dezelfde vennootschapsgroep; |
| 12 | j) het al dan niet verontreinigde water dat wordt geloosd in een oppervlaktewater of in de openbare waterzuiveringsstructuur. In deze context wordt de in-situbehandeling, met inbegrip van de ontwatering van het ter plaatse geproduceerde slib, die bedoeld is om dat water in overeenstemming te brengen met de milieuvoorwaarden die gelden voor de lozing, niet als een afvalstoffenverwerking aanzien; | ||
| 13 | k) bemalingswater zoals gedefinieerd in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne dat terug in de ondergrond gebracht of nuttig gebruikt wordt overeenkomstig de bepalingen van titel II van VLAREM; | ||
| 12 | 2° afvalstoffenhandelaar : iedere onderneming die als verantwoordelijke optreedt bij het aankopen en vervolgens verkopen van afval, met inbegrip van handelaars die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben; | 14 | 2° afvalstoffenhandelaar : iedere onderneming die als verantwoordelijke optreedt bij het aankopen en vervolgens verkopen van afval, met inbegrip van handelaars die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben; |
| 13 | 3° afvalstoffenmakelaar : iedere onderneming die ten behoeve van anderen de verwijdering of de nuttige toepassing van afvalstoffen organiseert, met inbegrip van makelaars die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben; | 15 | 3° afvalstoffenmakelaar : iedere onderneming die ten behoeve van anderen de verwijdering of de nuttige toepassing van afvalstoffen organiseert, met inbegrip van makelaars die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben; |
| 17 | 1° het gebruik van pesticiden is als vermeld in artikel 3 van het decreet van 8 februari 2013 houdende duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest, verboden in de oeverzone en binnen 5 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam. Van dat verbod kan worden afgeweken in de gevallen, vermeld in artikel 7, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet, en volgens de procedures, vastgesteld ter uitvoering van dat decreet; | 17 | 1° het gebruik van pesticiden is als vermeld in artikel 3 van het decreet van 8 februari 2013 houdende duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest, verboden in de oeverzone en binnen 5 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam. Van dat verbod kan worden afgeweken in de gevallen, vermeld in artikel 7, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet, en volgens de procedures, vastgesteld ter uitvoering van dat decreet; |
| 18 | 2° binnen 5 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een oppervlaktewaterlichaam mag geen nitraatgevoelige teelt aanwezig zijn. | 18 | 2° binnen 5 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een oppervlaktewaterlichaam mag geen nitraatgevoelige teelt aanwezig zijn. |
| 19 | In afwijking van het eerste lid, 1° tot en met 3°, gelden voor oeverzones die enkel de taluds omvattenen die gelegen zijn langs oppervlaktewaterlichamen die zijn opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas, vanaf 1 januari 2026 de volgende bepalingen: | 19 | In afwijking van het eerste lid, 1° tot en met 3°, gelden voor oeverzones die enkel de taluds omvatten, die onderdeel zijn van een landbouwgrond of gelegen langs een landbouwgrond, en die gelegen zijn langs oppervlaktewaterlichamen die zijn opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas, vanaf 1 januari 2026 de volgende bepalingen: |
| 20 | 1° in de beschermingsstrook is elke vorm van bemesting verboden, met inbegrip van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing. In afwijking hiervan is elke vorm van bemesting met inbegrip van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, verboden over een strook van minimaal 10 meter vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas, voor percelen gelegen in het Vlaams Ecologisch Netwerk of voor percelen waar een helling grenst aan de waterloop. | 20 | 1° in de beschermingsstrook is elke vorm van bemesting verboden, met inbegrip van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing. In afwijking hiervan is elke vorm van bemesting met inbegrip van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, verboden over een strook van minimaal 10 meter vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas, voor percelen gelegen langs oppervlaktewaterlichamen die zijn opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas gelegen in het Vlaams Ecologisch Netwerk of voor percelen waar een helling grenst aan de waterloop. |
| 21 | In afwijking hiervan is op de beschermingsstrook of de strook van 10 meter bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing toegestaan, als de beschermingsstrook of in voorkomend geval de strook van 10 meter: | 21 | In afwijking hiervan is op de beschermingsstrook of de strook van 10 meter bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing toegestaan, als de beschermingsstrook of in voorkomend geval de strook van 10 meter: |
| 22 | a) hetzij behoort tot een perceel waarop als hoofdteelt gras verbouwd wordt; | 22 | a) hetzij behoort tot een perceel waarop als hoofdteelt gras verbouwd wordt; |
| 26 | 4° bewerkingen, uitgevoerd buiten de beschermingsstrook, moeten beantwoorden aan de code van goede landbouwpraktijken; | 26 | 4° bewerkingen, uitgevoerd buiten de beschermingsstrook, moeten beantwoorden aan de code van goede landbouwpraktijken; |
| 27 | 5° in de beschermingsstrook zijn bewerkingen met inbegrip van het betreden of berijden van de beschermingsstrook, verboden. Op het gedeelte vanaf 1 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam, zijn de volgende uitzonderingen op het bewerkingsverbod toegestaan: | 27 | 5° in de beschermingsstrook zijn bewerkingen met inbegrip van het betreden of berijden van de beschermingsstrook, verboden. Op het gedeelte vanaf 1 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam, zijn de volgende uitzonderingen op het bewerkingsverbod toegestaan: |
| 28 | a) beschermingsstroken waarop niet-houtige vegetatie aanwezig is. Hiervoor is het toegelaten om te maaien op voorwaarde dat het maaien niet gebeurt in de periode vanaf 15 maart tot en met 15 juli; | 28 | a) beschermingsstroken waarop niet-houtige vegetatie aanwezig is. Hiervoor is het toegelaten om te maaien op voorwaarde dat het maaien niet gebeurt in de periode vanaf 1 mei tot en met 15 juni. Dit geldt niet voor stroken die grenzen aan of deel zijn van een perceel grasland. De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin in afwijking van het voorgaande wel gemaaid mag worden; |
| 29 | b) bewerkingen die noodzakelijk zijn om probleemonkruiden mechanisch te bestrijden en op voorwaarde dat de bestrijding van de onkruiden gericht en pleksgewijs gebeurt; | 29 | b) bewerkingen die noodzakelijk zijn om probleemonkruiden mechanisch te bestrijden en op voorwaarde dat de bestrijding van de onkruiden gericht en pleksgewijs gebeurt; |
| 30 | c) bewerkingen die nodig zijn om het meerjarig buffergewas te vernieuwen, met dien verstande dat dit maximaal eenmaal om de drie jaar mogelijk is; | 30 | c) bewerkingen die nodig zijn om het meerjarig buffergewas te vernieuwen, met dien verstande dat dit maximaal eenmaal om de drie jaar mogelijk is; |
| 33 | Bij het verbouwen van een buffergewas als vermeld in het derde lid, 3°, of het uitvoeren van bewerkingen als vermeld in het derde lid, 5°, wordt er voor gezorgd dat de stabiliteit van het talud gegarandeerd blijft. | 33 | Bij het verbouwen van een buffergewas als vermeld in het derde lid, 3°, of het uitvoeren van bewerkingen als vermeld in het derde lid, 5°, wordt er voor gezorgd dat de stabiliteit van het talud gegarandeerd blijft. |
| 34 | In afwijking van het derde lid kan, mits voorafgaandelijk positief advies van de waterloopbeheerders en mits dit geen risico’s voor de waterveiligheid met zich meebrengt, de Vlaamse Regering in de zone binnen 1 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam, bepaalde maatregelen toestaan. | 34 | In afwijking van het derde lid kan, mits voorafgaandelijk positief advies van de waterloopbeheerders en mits dit geen risico’s voor de waterveiligheid met zich meebrengt, de Vlaamse Regering in de zone binnen 1 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam, bepaalde maatregelen toestaan. |
| 35 | De beschermingsstrook als vermeld in het derde lid is een strook die onderdeel is van of gelegen is langs een perceel landbouwgrond en dat vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas: | 35 | De beschermingsstrook als vermeld in het derde lid is een strook die vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas: |
| 36 | 1° minimaal 3 meter is; | 36 | 1° minimaal 3 meter is; |
| 37 | 2° in afwijking van punt 1° is de beschermingsstrook minimaal 5 meter voor percelen: | 37 | 2° in afwijking van punt 1° is de beschermingsstrook minimaal 5 meter voor percelen: |
| 1 | De Vlaamse Regering stelt een hydrogeologische codering van de ondergrond van Vlaanderen vast om de hydrogeologische lagen te karakteriseren en te identificeren. |
| 1 | Voor een project dat conform artikel 4.3.3 onder de werkingssfeer van deze titel valt, kan de Vlaamse Regering bepalen op welke wijze de bepalingen over de screening of de milieubeoordeling in de besluitvorming over dit project geïnte-greerd worden. | 1 | Voor een project dat conform artikel 4.3.3 onder de werkingssfeer van deze titel valt, kan de Vlaamse Regering bepalen op welke wijze de bepalingen over de screening of de milieubeoordeling in de besluitvorming over dit project geïnte-greerd worden. |
| 2 | Als bij decreet of besluit van de Vlaamse Regering geen wijze van integratie is bepaald, dan gelden voor een project dat overeenkomstig artikel 4.3.3 onder de werkingssfeer van deze titel valt, de bepalingen zoals voorzien in deze titel. |
| 1 | §1. Een milieubeoordeling wordt uitgevoerd voor de volgende plannen en programma’s: | 1 | §1. Een milieubeoordeling wordt uitgevoerd voor de volgende plannen en programma’s: |
| 2 | 1° de plannen of programma’s die voorbereid worden voor landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, regionale ontwikkeling, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor een project als vermeld in bijlage I en II van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage; | 2 | 1° de plannen of programma’s die voorbereid worden voor landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, regionale ontwikkeling, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor een project als vermeld in bijlage 1 en 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2025 tot uitvoering van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft de milieueffectrapportage; |
| 3 | 2° de plannen of programma’s waarvoor, gelet op het mogelijke effect op gebieden, een passende beoordeling vereist is conform artikel 36ter, §3, eerste lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. | 3 | 2° de plannen of programma’s waarvoor, gelet op het mogelijke effect op gebieden, een passende beoordeling vereist is conform artikel 36ter, §3, eerste lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. |
| 4 | §2. Voor de plannen of programma’s, vermeld in paragraaf 1, die het gebruik bepalen van kleine gebieden op provinciaal of gemeentelijk niveau, of voor kleine wijzigingen aan die plannen of programma’s, is een milieubeoordeling alleen vereist als op basis van de screening blijkt dat het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben. | 4 | §2. Voor de plannen of programma’s, vermeld in paragraaf 1, die het gebruik bepalen van kleine gebieden op provinciaal of gemeentelijk niveau, of voor kleine wijzigingen aan die plannen of programma’s, is een milieubeoordeling alleen vereist als op basis van de screening blijkt dat het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben. |
| 1 | §1. Voor de projecten die de Vlaamse Regering conform artikel 4.3.3, §1, 2°, aanwijst, toetst de initiatiefnemer aan de hand van de criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, in een screening of het voorgenomen project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. | 1 | §1. Voor de projecten die de Vlaamse Regering conform artikel 4.3.3, §1, 2°, aanwijst, toetst de initiatiefnemer aan de hand van de criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, in een screening of het voorgenomen project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. |
| 2 | §2. De bevoegde overheid beslist zo snel mogelijk en uiterlijk binnen negentig dagen na de dag waarop de initiatiefnemer de screening bij de bevoegde overheid heeft ingediend of het project aan een milieubeoordeling conform hoofdstuk 4 moet worden onderworpen. | 2 | §2. De bevoegde overheid beslist zo snel mogelijk en uiterlijk binnen negentig dagen na de dag waarop de initiatiefnemer de screening bij de bevoegde overheid heeft ingediend of het project aan een milieubeoordeling conform hoofdstuk 4 moet worden onderworpen. In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld afhankelijk van de aard, de complexiteit, de locatie of de omvang van het project, kan de bevoegde overheid die termijn verlengen. In dat geval deelt ze de initiatiefnemer mee welke redenen aan de basis liggen van de termijnverlenging en op welke datum een beslissing wordt verwacht. |
| 3 | Als de bevoegde overheid beslist dat het project aan een milieubeoordeling conform hoofdstuk 4 moet worden onderworpen, vermeldt de bevoegde overheid de belangrijkste redenen die haar beslissing motiveren. In die motivering wordt verwezen naar de relevante criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd. | 3 | Als de bevoegde overheid beslist dat het project aan een milieubeoordeling conform hoofdstuk 4 moet worden onderworpen, vermeldt de bevoegde overheid de belangrijkste redenen die haar beslissing motiveren. In die motivering wordt verwezen naar de relevante criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd. |
| 4 | Als de bevoegde overheid beslist dat het project niet aan een milieubeoorde-ling conform hoofdstuk 4 moet worden onderworpen, vermeldt de bevoegde overheid de belangrijkste redenen die haar beslissing motiveren. In die motivering wordt verwezen naar de relevante criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, en, als de initiatiefnemer deze heeft voorgesteld, de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest. | 4 | Als de bevoegde overheid beslist dat het project niet aan een milieubeoorde-ling conform hoofdstuk 4 moet worden onderworpen, vermeldt de bevoegde overheid de belangrijkste redenen die haar beslissing motiveren. In die motivering wordt verwezen naar de relevante criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, en, als de initiatiefnemer deze heeft voorgesteld, de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest. |
| 1 | De bevoegde instantie brengt tweejaarlijks, vanaf de datum van inwerkingtreding van deze titel, rapport uit aan de Vlaamse Regering over de toepassing van deze titel. | 1 | De bevoegde instantie brengt vijfjaarlijks, vanaf de datum van inwerkingtreding van deze titel, rapport uit aan de Vlaamse Regering over de toepassing van deze titel. |
| 2 | Dit rapport omvat minstens de volgende informatie : | 2 | Dit rapport omvat minstens de volgende informatie : |
| 3 | 1° de genomen maatregelen ter bevordering van het gebruik van instrumenten van financiële zekerheid en de resultaten ervan; | 3 | 1° de genomen maatregelen ter bevordering van het gebruik van instrumenten van financiële zekerheid en de resultaten ervan; |
| 18 | 6° een beschrijving van de methoden of bewijsstukken die gebruikt zijn voor de identificatie en de beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten, met inbegrip van een overzicht van de moeilijkheden (bijvoorbeeld technische gebreken of ontbrekende kennis) die zijn ondervonden bij het verzamelen van de vereiste informatie en de belangrijkste onzekerheden; | 18 | 6° een beschrijving van de methoden of bewijsstukken die gebruikt zijn voor de identificatie en de beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten, met inbegrip van een overzicht van de moeilijkheden (bijvoorbeeld technische gebreken of ontbrekende kennis) die zijn ondervonden bij het verzamelen van de vereiste informatie en de belangrijkste onzekerheden; |
| 19 | 7° een beschrijving van de geplande maatregelen om alle geïdentificeerde aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen, te beperken of zo mogelijk te compenseren en, in voorkomend geval, van eventuele voorgestelde monitoringsregelingen (bijvoorbeeld de voorbereiding van een postprojectanalyse). In die beschrijving moet worden uitgelegd in welke mate aanzienlijke nadelige milieueffecten worden vermeden, voorkomen, beperkt of gecompenseerd, zowel in de bouwfase als in de bedrijfsfase; | 19 | 7° een beschrijving van de geplande maatregelen om alle geïdentificeerde aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen, te beperken of zo mogelijk te compenseren en, in voorkomend geval, van eventuele voorgestelde monitoringsregelingen (bijvoorbeeld de voorbereiding van een postprojectanalyse). In die beschrijving moet worden uitgelegd in welke mate aanzienlijke nadelige milieueffecten worden vermeden, voorkomen, beperkt of gecompenseerd, zowel in de bouwfase als in de bedrijfsfase; |
| 20 | 8° een beschrijving van de verwachte aanzienlijke nadelige milieueffecten van het project die voortvloeien uit de kwetsbaarheid van het project, voor risico’s op zware ongevallen of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie. Daarvoor kan gebruikgemaakt worden van beschikbare relevante informatie die is verkregen met toepassing van het samenwerkingsakkoord van 5 juni 2015 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken of de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle of overeenkomstig andere uitgevoerde relevante beoordelingen die zijn gemaakt met toepassing van titel IV of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving, als aan de vereisten, vermeld in titel IV, hoofdstuk 4, wordt voldaan. In voorkomend geval moet de beschrijving de geplande maatregelen ter voorkoming of verzachting van de aanzienlijke nadelige milieueffecten van dergelijke gebeurtenissen omvatten, alsook details over de paraatheid en het voorgenomen reactievermogen bij dergelijke noodsituaties; | 20 | 8° een beschrijving van de verwachte aanzienlijke nadelige milieueffecten van het project die voortvloeien uit de kwetsbaarheid van het project, voor risico’s op zware ongevallen of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie. Daarvoor kan gebruikgemaakt worden van beschikbare relevante informatie die is verkregen met toepassing van het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken of de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle of overeenkomstig andere uitgevoerde relevante beoordelingen die zijn gemaakt met toepassing van titel IV of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving, als aan de vereisten, vermeld in titel IV, hoofdstuk 4, wordt voldaan. In voorkomend geval moet de beschrijving de geplande maatregelen ter voorkoming of verzachting van de aanzienlijke nadelige milieueffecten van dergelijke gebeurtenissen omvatten, alsook details over de paraatheid en het voorgenomen reactievermogen bij dergelijke noodsituaties; |
| 21 | 9° een niet-technische samenvatting van de informatie die verstrekt is conform punt 1° tot en met 8°; | 21 | 9° een niet-technische samenvatting van de informatie die verstrekt is conform punt 1° tot en met 8°; |
| 22 | 10° een referentielijst waarin de bronnen worden vermeld die zijn gebruikt voor de in het rapport opgenomen beschrijvingen en beoordelingen. | 22 | 10° een referentielijst waarin de bronnen worden vermeld die zijn gebruikt voor de in het rapport opgenomen beschrijvingen en beoordelingen. |
| 1 | De begunstigde vraagt bij de instrumenterende ambtenaar de naam en het adres van de verkoper of kandidaat-koper op als voldaan is aan al de volgende voorwaarden: | ||
| 2 | 1° de begunstigde aanvaardt het aanbod conform artikel 13, eerste lid, artikel 14/1, § 2, tweede lid, of artikel 14/2, tweede lid; | ||
| 3 | 2° de begunstigde is een overheidsinstantie in de zin van artikel II.18 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. | ||
| 4 | Bij een openbare verkoop als vermeld in hoofdstuk V, afdeling 3, is de kandidaat-koper, vermeld in het eerste lid, de hoogst aanvaarde bieder aan wie het onroerend goed zou worden toegewezen conform artikel 14/1, § 2, vierde lid, of artikel 14/2, vijfde lid, als het voorkooprecht niet werd uitgeoefend. | ||
| 5 | Binnen vijf werkdagen na de ontvangst van de vraag, vermeld in het eerste lid, bezorgt de instrumenterende ambtenaar de naam en het adres van de verkoper en de kandidaat-koper op digitale wijze of op papier aan de begunstigde. |
| 1 | § 1. De Vlaamse Grondenbank beheert de in eigen naam en voor eigen rekening verworven zakelijke rechten vanaf de verwerving, vermeld in artikel 13, tot de overdracht, vermeld in artikel 15. Op verzoek van een administratieve overheid van het Vlaamse Gewest, kan de Vlaamse Grondenbank ook de onroerende goederen beheren waarop de administratieve overheid zakelijke rechten heeft. | ||
| 2 | In het kader van het beheer, vermeld in het eerste lid, en in afwachting dat de goederen worden overgedragen, kunnen de onroerende goederen die vrij van gebruik zijn, in voorkomend geval na akkoord van de verzoekende bevoegde administratieve overheid van het Vlaamse Gewest, verpacht worden bij een overeenkomst die van rechtswege verstrijkt na één jaar maar die hernieuwd kan worden. Die verpachtingen zijn niet onderworpen aan de bepalingen van het Vlaams Pachtdecreet van 13 oktober 2023. | ||
| 3 | § 2. In voorkomend geval dat het onroerend goed vrij van gebruik wordt gemaakt, heeft de laatst gekende gebruiker van het onroerend goed een voorkeurrecht voor het afsluiten van een nieuwe gebruiksovereenkomst dewelke is opgesteld overeenkomstig de door de bevoegde administratieve overheid gestelde voorwaarden. | ||
| 1 | De Vlaamse Grondenbank beheert de zakelijke rechten die ze in eigen naam en voor eigen rekening verworven heeft, vanaf de verwerving, vermeld in artikel 13 van dit decreet, tot de overdracht, vermeld in artikel 15 van dit decreet. De verworven zakelijke rechten die vrij van gebruik zijn, kunnen, in voorkomend geval na akkoord van de verzoekende bevoegde administratieve overheid van het Vlaamse Gewest, door de Vlaamse Grondenbank in tijdelijk gebruik worden gegeven met een overeenkomst waarvan de looptijd tussen de Vlaamse Grondenbank en de gebruiker bedongen wordt. De overeenkomst mag maximaal een duur van vijf jaar hebben. De overeenkomst verstrijkt van rechtswege nadat de bedongen looptijd is beëindigd. De overeenkomst is niet onderworpen aan de regels voor de pacht, vermeld in het Vlaams Pachtdecreet van 13 oktober 2023. |
| 1 | De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de betaling van werkingsmiddelen aan het agentschap voor wat haar taken ingevolge de uitvoering van dit decreet betreft. | 1 | De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de betaling van werkingsmiddelen aan het agentschap voor wat haar taken ingevolge de uitvoering van dit decreet betreft. |
| 2 | Het agentschap kan de voorbereiding of de uitvoering van een landinrichtingsproject of een inrichting voor een project, plan of programma prefinancieren. | 2 | Het agentschap kan de voorbereiding of de uitvoering van een landinrichtingsproject of een inrichting voor een project, plan of programma prefinancieren. |
| 3 | Het agentschap kan gebruik maken van een toegewezen toelage om de uitvoering van werkings- en investeringskosten ingevolge de uitvoering van dit decreet, te financieren. |
| 13 | 5° de berekening van de gebruikersvergoeding, vermeld in artikel 17 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023; | 13 | 5° de berekening van de gebruikersvergoeding, vermeld in artikel 17 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023; |
| 14 | 6° het opmaken van een meerwaarderapport als vermeld in artikel 2.6.10, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; | 14 | 6° het opmaken van een meerwaarderapport als vermeld in artikel 2.6.10, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; |
| 15 | 7° het opmaken van een meerwaarderamingsrapport als vermeld in artikel 2.6.10, § 2/1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. | ||
| 15 | 7° ... | ||
| 16 | De landcommissies vervullen de opdrachten die het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof aan die commissies heeft opgedragen in het kader van het flankerend beleid bij de programmatische aanpak stikstof. | 16 | De landcommissies vervullen de opdrachten die het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof aan die commissies heeft opgedragen in het kader van het flankerend beleid bij de programmatische aanpak stikstof. |
| 30 | 1° de nodige compenserende maatregelen genomen zijn en de nodige actieve instandhoudingsmaatregelen genomen zijn of worden die waarborgen dat de algehele samenhang van de speciale beschermingszone en -zones bewaard blijft; | 30 | 1° de nodige compenserende maatregelen genomen zijn en de nodige actieve instandhoudingsmaatregelen genomen zijn of worden die waarborgen dat de algehele samenhang van de speciale beschermingszone en -zones bewaard blijft; |
| 31 | 2° de compenserende maatregelen zijn van die aard dat een evenwaardige habitat of het natuurlijk milieu ervan, van minstens een gelijkaardige oppervlakte in principe actief is ontwikkeld. De initiatiefnemer rapporteert aan het agentschap over de uitvoering van de compenserende maatregelen, ten laatste binnen een jaar na de definitieve beslissing waarbij de afwijking is toegestaan. Het agentschap neemt de gerapporteerde compenserende maatregelen op in een register. Na de ontvangst van de rapportering beslist het agentschap binnen drie maanden over de inhoud en desgevallend de verdere frequentie van de rapportering. | 31 | 2° de compenserende maatregelen zijn van die aard dat een evenwaardige habitat of het natuurlijk milieu ervan, van minstens een gelijkaardige oppervlakte in principe actief is ontwikkeld. De initiatiefnemer rapporteert aan het agentschap over de uitvoering van de compenserende maatregelen, ten laatste binnen een jaar na de definitieve beslissing waarbij de afwijking is toegestaan. Het agentschap neemt de gerapporteerde compenserende maatregelen op in een register. Na de ontvangst van de rapportering beslist het agentschap binnen drie maanden over de inhoud en desgevallend de verdere frequentie van de rapportering. |
| 32 | Als het gebied waar de compenserende maatregelen, vermeld in het tweede lid, worden genomen, nog geen deel uitmaakt van een speciale beschermingszone, kan de Vlaamse Regering het, in afwijking van artikel 36bis, § 14, aanwijzen als een speciale beschermingszone na advies van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. Dit besluit neemt ze samen met de beslissing, vermeld in het vijfde lid. Het besluit bevat de gegevens, vermeld in artikel 36bis, § 1, tweede lid. De bepalingen van artikel 36bis, § 9, tweede tot en met vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op dit besluit. | ||
| 32 | De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen voor het opstellen van een passende beoordeling van de effecten van de activiteit op de habitats, de habitats van een soort en op de soort of soorten waarvoor de speciale beschermingszone is aangewezen, voor het onderzoeken van minder schadelijke alternatieven en inzake de compenserende maatregelen. | 33 | De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen voor het opstellen van een passende beoordeling van de effecten van de activiteit op de habitats, de habitats van een soort en op de soort of soorten waarvoor de speciale beschermingszone is aangewezen, voor het onderzoeken van minder schadelijke alternatieven en inzake de compenserende maatregelen. |
| 33 | De Vlaamse regering oordeelt over het bestaan van een dwingende reden van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. | 34 | De Vlaamse regering oordeelt over het bestaan van een dwingende reden van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. |
| 1 | De eigenaar van een onroerend goed dat binnen het VEN of binnen een speciale beschermingszone, aangewezen door de Vlaamse Regering met toepassing van artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn, ligt, kan van de Vlaamse Grondenbank de verwerving van dat onroerend goed eisen, als hij aantoont dat, ten gevolge van terugkerende schade veroorzaakt door een beschermde soort, en als die schade redelijkerwijze niet kon worden voorkomen, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is, of dat de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt. | ||
| 2 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden van de koopplicht, vermeld in het eerste lid. | ||
| 3 | De bepalingen van titel 3, hoofdstuk 1 tot en met 6, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023 zijn van toepassing op die koopplicht. | ||
| 4 | Als een eigenaar van een onroerend goed deze mogelijkheid van gedwongen aankoop door de Vlaamse Grondenbank toepast, kan hij vanaf de effectieve verwerving geen aanspraak meer maken op een schadevergoeding van het Vlaamse Gewest of van de Vlaamse Grondenbank voor hetzelfde onroerend goed. |
| 3 | 2° het gaat om schade die redelijkerwijze niet kon worden voorkomen; | 3 | 2° het gaat om schade die redelijkerwijze niet kon worden voorkomen; |
| 4 | 3° er is geen afwijking verleend krachtens artikel 56, 4°, om schade te voorkomen waarvoor vergoeding wordt gevraagd. | 4 | 3° er is geen afwijking verleend krachtens artikel 56, 4°, om schade te voorkomen waarvoor vergoeding wordt gevraagd. |
| 5 | Binnen speciale beschermingszones, aangewezen door de Vlaamse Regering met toepassing van artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn, en binnen VEN-gebieden, kan de vergoeding beperkt worden in de tijd. | ||
| 5 | De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast om de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, te beoordelen. | 6 | De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast om de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, te beoordelen, en inzake de beperking van de vergoeding in de tijd, vermeld in het tweede lid. |
| 6 | § 2. Om aanspraak te kunnen maken op de vergoeding, vermeld in paragraaf 1, dient de schadelijder tijdig een aanvraag in bij een door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaar van het Agentschap voor Natuur en Bos. | 7 | § 2. Om aanspraak te kunnen maken op de vergoeding, vermeld in paragraaf 1, dient de schadelijder tijdig een aanvraag in bij een door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaar van het Agentschap voor Natuur en Bos. |
| 7 | De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop en de termijn waarin de aanvraag moet worden ingediend, en welke gegevens de aanvraag moet bevatten. | 8 | De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop en de termijn waarin de aanvraag moet worden ingediend, en welke gegevens de aanvraag moet bevatten. |
| 3 | Bij het invullen van hun taken zoeken de bosgroepen naar optimale afstemming en synergiën met andere actoren, in het bijzonder met de regionale landschappen. | 3 | Bij het invullen van hun taken zoeken de bosgroepen naar optimale afstemming en synergiën met andere actoren, in het bijzonder met de regionale landschappen. |
| 4 | § 2. Een bosgroep is een duurzaam samenwerkingsverband tussen terreinbeheerders. Alle terreinbeheerders kunnen toetreden tot en gebruik maken van de diensten van een bosgroep. Een bosgroep heeft het statuut van private rechtspersoonlijkheid, onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk. | 4 | § 2. Een bosgroep is een duurzaam samenwerkingsverband tussen terreinbeheerders. Alle terreinbeheerders kunnen toetreden tot en gebruik maken van de diensten van een bosgroep. Een bosgroep heeft het statuut van private rechtspersoonlijkheid, onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk. |
| 5 | § 3. De provincies zijn bevoegd voor de erkenning, subsidiëring en opvolging van de bosgroepen. | ||
| 5 | § 3. De provincies zijn bevoegd voor de erkenning, subsidiëring en opvolging van de bosgroepen. De Vlaamse Regering kan in aanvullende subsidiëring voorzien ter ondersteuning van de werking van de bosgroepen als bijdrage aan de realisatie van andere specifieke Vlaamse beleidsdoelstellingen dan de beleidsdoelstellingen, vermeld in paragraaf 1. | ||
| 6 | § 4. Naast financiële middelen kunnen de provincies ook infrastructuur en personeel ter beschikking stellen. | 6 | § 4. Naast financiële middelen kunnen de provincies ook infrastructuur en personeel ter beschikking stellen. |
| 9 | § 2. Voor de Vlaamse Regering kan overgaan tot intrekking van een vergunning, stuurt ze een ingebrekestelling aangetekend naar de vergunninghouder. De ingebrekestelling bevat een omschrijving van de redenen voor de geplande intrekking en de vermelding van een termijn van ten minste negentig dagen waarin de vergunninghouder uitleg kan verschaffen, bezwaar kan aantekenen, of zijn activiteiten in overeenstemming kan brengen met de vergunning, met dit decreet en, als het een winningsvergunning voor koolwaterstoffen betreft, met het winningsplan voor koolwaterstoffen. | 9 | § 2. Voor de Vlaamse Regering kan overgaan tot intrekking van een vergunning, stuurt ze een ingebrekestelling aangetekend naar de vergunninghouder. De ingebrekestelling bevat een omschrijving van de redenen voor de geplande intrekking en de vermelding van een termijn van ten minste negentig dagen waarin de vergunninghouder uitleg kan verschaffen, bezwaar kan aantekenen, of zijn activiteiten in overeenstemming kan brengen met de vergunning, met dit decreet en, als het een winningsvergunning voor koolwaterstoffen betreft, met het winningsplan voor koolwaterstoffen. |
| 10 | Binnen een termijn van negentig dagen na het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, neemt de Vlaamse Regering een besluit over het al dan niet intrekken van de vergunning. | 10 | Binnen een termijn van negentig dagen na het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, neemt de Vlaamse Regering een besluit over het al dan niet intrekken van de vergunning. |
| 11 | De beslissingstermijn, vermeld in het tweede lid, wordt met negentig dagen verlengd als aan de vergunninghouder bijkomende toelichting wordt gevraagd binnen de termijn, vermeld in het tweede lid. | ||
| 8 | § 2. Voor de Vlaamse Regering kan overgaan tot intrekking van een vergunning, stuurt ze een ingebrekestelling aangetekend naar de vergunninghouder. De ingebrekestelling bevat een omschrijving van de redenen voor de geplande intrekking en de vermelding van een termijn van ten minste negentig dagen waarin de vergunninghouder uitleg kan verschaffen, bezwaar kan aantekenen, of zijn activiteiten in overeenstemming kan brengen met de vergunning, met dit decreet en, als het een winningsvergunning voor aardwarmte betreft, met het winningsplan voor aardwarmte. | 8 | § 2. Voor de Vlaamse Regering kan overgaan tot intrekking van een vergunning, stuurt ze een ingebrekestelling aangetekend naar de vergunninghouder. De ingebrekestelling bevat een omschrijving van de redenen voor de geplande intrekking en de vermelding van een termijn van ten minste negentig dagen waarin de vergunninghouder uitleg kan verschaffen, bezwaar kan aantekenen, of zijn activiteiten in overeenstemming kan brengen met de vergunning, met dit decreet en, als het een winningsvergunning voor aardwarmte betreft, met het winningsplan voor aardwarmte. |
| 9 | Binnen een termijn van negentig dagen na het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, neemt de Vlaamse Regering een besluit over het al dan niet intrekken van de vergunning. | 9 | Binnen een termijn van negentig dagen na het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, neemt de Vlaamse Regering een besluit over het al dan niet intrekken van de vergunning. |
| 10 | De beslissingstermijn, vermeld in het tweede lid, wordt met negentig dagen verlengd als aan de vergunninghouder bijkomende toelichting wordt gevraagd binnen de termijn, vermeld in het tweede lid. | ||
| 154 | 21° teelt met lage stikstofbehoefte: cichorei, sjalotten, ui, vlas, witloof of fruit met uitzondering van aardbeien. De Vlaamse Regering kan deze lijst aanvullen; | 154 | 21° teelt met lage stikstofbehoefte: cichorei, sjalotten, ui, vlas, witloof of fruit met uitzondering van aardbeien. De Vlaamse Regering kan deze lijst aanvullen; |
| 155 | 22° vanggewas: bladrammenas, boekweit, festulolium, gele mosterd, gras in onderzaai, grasklaver, graskruidenmengsel, grasland, graszoden, incarnaatklaver, Japanse haver, komkommerkruid, luzerne, nootzoetraapzaad, nyger, phacelia, rode klaver, sareptamosterd, snijrogge, sorghum, tagetes, voederkool (bladkool), winterhaver, winterraapzaad, witte klaver, zaaizaadgrassen, zomerhaver, zomerraapzaad, zwaardherik evenals alle mengsels die voor minimaal 75% bestaan uit een of meerdere van deze teelten. De Vlaamse Regering kan deze teeltenlijst wijzigen en nadere regels bepalen; | 155 | 22° vanggewas: bladrammenas, boekweit, festulolium, gele mosterd, gras in onderzaai, grasklaver, graskruidenmengsel, grasland, graszoden, incarnaatklaver, Japanse haver, komkommerkruid, luzerne, nootzoetraapzaad, nyger, phacelia, rode klaver, sareptamosterd, snijrogge, sorghum, tagetes, voederkool (bladkool), winterhaver, winterraapzaad, witte klaver, zaaizaadgrassen, zomerhaver, zomerraapzaad, zwaardherik evenals alle mengsels die voor minimaal 75% bestaan uit een of meerdere van deze teelten. De Vlaamse Regering kan deze teeltenlijst wijzigen en nadere regels bepalen; |
| 156 | 23° voorteelt: de voorteelt, vermeld in artikel 1, 45°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; | 156 | 23° voorteelt: de voorteelt, vermeld in artikel 2, 45°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor subsidies voor de uitvoering van maatregelen met een gunstig effect op het milieu, het klimaat en de biodiversiteit. |
| 157 | § 7. De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema "de bodemeigenschappen". Het betreft de volgende definities: | 157 | § 7. De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema "de bodemeigenschappen". Het betreft de volgende definities: |
| 158 | 1° landbouwstreek: landbouwstreek als vermeld in het koninklijk besluit van 24 februari 1951 houdende grensbepaling van de landbouwstreken van het Rijk; | 158 | 1° landbouwstreek: landbouwstreek als vermeld in het koninklijk besluit van 24 februari 1951 houdende grensbepaling van de landbouwstreken van het Rijk; |
| 21 | 1° in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober op voorwaarde dat aan de volgende twee voorwaarden is voldaan: | 21 | 1° in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober op voorwaarde dat aan de volgende twee voorwaarden is voldaan: |
| 22 | a) de hoeveelheid kunstmest en spuistroom, met inbegrip van kunstmest en spuistroom waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare en de hoeveelheid die binnen een periode van twee weken opgebracht wordt, is beperkt tot 60 kg werkzame stikstof per hectare; | 22 | a) de hoeveelheid kunstmest en spuistroom, met inbegrip van kunstmest en spuistroom waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare en de hoeveelheid die binnen een periode van twee weken opgebracht wordt, is beperkt tot 60 kg werkzame stikstof per hectare; |
| 23 | b) voorafgaand aan het opbrengen van de meststoffen is een bodemanalyse met bijhorend bemestingsadvies uitgevoerd. De hoeveelheid meststoffen die in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober opgebracht mag worden, is beperkt tot de hoeveelheid opgenomen in het bemestingsadvies; | 23 | b) voorafgaand aan het opbrengen van de meststoffen is een bodemanalyse met bijhorend bemestingsadvies uitgevoerd. De hoeveelheid meststoffen die in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober opgebracht mag worden, is beperkt tot de hoeveelheid opgenomen in het bemestingsadvies. In afwijking van dit punt is het voor percelen met spruitkool of andere, door de Vlaamse Regering te bepalen teelten, niet vereist om voorafgaand aan het opbrengen van de meststoffen een bodemanalyse met bijbehorend bemestingsadvies uit te voeren; |
| 24 | 2° vanaf 16 januari tot en met 15 februari op voorwaarde dat de hoeveelheid kunstmest en spuistroom die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 50 kg werkzame stikstof per hectare. | 24 | 2° vanaf 16 januari tot en met 15 februari op voorwaarde dat de hoeveelheid kunstmest en spuistroom die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 50 kg werkzame stikstof per hectare. |
| 25 | In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor fruit toegelaten om kunstmest en spuistroom op te brengen vanaf 1 september tot en met 31 oktober op voorwaarde dat de hoeveelheid kunstmest en spuistroom, met inbegrip van kunstmest en spuistroom waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 40 kg werkzame stikstof per hectare. | 25 | In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor fruit toegelaten om kunstmest en spuistroom op te brengen vanaf 1 september tot en met 31 oktober op voorwaarde dat de hoeveelheid kunstmest en spuistroom, met inbegrip van kunstmest en spuistroom waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 40 kg werkzame stikstof per hectare. |
| 56 | a) hetzij door de betrokken landbouwer, hetzij op het betrokken bedrijf of op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, geen overtreding van de bepalingen van artikel 8, 12, 13, 20, 21 of 22 van dit | 56 | a) hetzij door de betrokken landbouwer, hetzij op het betrokken bedrijf of op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, geen overtreding van de bepalingen van artikel 8, 12, 13, 20, 21 of 22 van dit |
| 57 | decreet, van artikel 5.9.2.1, 5.9.2.2, 5.9.2.3, 5.9.2.4, 5.9.8.5, 5.28.2.2 | 57 | decreet, van artikel 5.9.2.1, 5.9.2.2, 5.9.2.3, 5.9.2.4, 5.9.8.5, 5.28.2.2 |
| 58 | of 5.28.2.3 van titel II van het Vlarem, of van artikel 1.3.2.2, §1, 1° en 3°, of § 1/1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, begaan; | 58 | of 5.28.2.3 van titel II van het Vlarem, of van artikel 1.3.2.1 of 1.3.2.2, § 1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, begaan; |
| 59 | b) aan de betrokken landbouwer geen maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62 opgelegd, en is geen administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, §1, §3 of §5, opgelegd; | 59 | b) aan de betrokken landbouwer geen maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62 opgelegd, en is geen administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, §1, §3 of §5, opgelegd; |
| 60 | c) in het jaar X werd hetzij door de betrokken landbouwer tijdig voldaan aan zijn aangifteplicht als vermeld in artikel 23, hetzij aan de betrokken landbouwer een administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, §6, opgelegd, waarvoor het uitstel ten belope van 200 euro van rechtswege omgezet is in een opheffing, overeenkomstig artikel 63, §6, vierde lid. | 60 | c) in het jaar X werd hetzij door de betrokken landbouwer tijdig voldaan aan zijn aangifteplicht als vermeld in artikel 23, hetzij aan de betrokken landbouwer een administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, §6, opgelegd, waarvoor het uitstel ten belope van 200 euro van rechtswege omgezet is in een opheffing, overeenkomstig artikel 63, §6, vierde lid. |
| 1 | Het op of in de bodem brengen van meststoffen in de nabijheid van waterlopen: | ||
| 1 | Bemesting in de nabijheid van waterlopen gebeurt: | ||
| 2 | 1° is verboden binnen de gebieden, vermeld in artikel 1.3.2.2, §1, 1°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018; | 2 | 1° als de oeverzone vastgelegd is in een goedgekeurd oeverzoneproject als vermeld in artikel 1.3.2.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, overeenkomstig de bepalingen die in het oeverzoneproject in kwestie bepaald zijn; |
| 3 | 2° is verboden op de beschermingsstroken, vermeld in artikel 1.3.2.2van voormeld decreet; | 3 | 2° als de oeverzone alleen de taluds omvat, overeenkomstig de bepalingen, vermeld in artikel 1.3.2.2, § 1, van het voormelde decreet. |
| 4 | 3° gebeurt, in het geval van een oeverzone, vastgelegd in een goedgekeurd oeverzoneproject als vermeld in artikel 1.3.2.1 van voormeld decreet, overeenkomstig de bepalingen die in het oeverzoneproject in kwestie bepaald zijn. |
| 12 | 8° onderzoeksfase : de fase waarin een initiatief tot complex project in het licht van het te nemen voorkeursbesluit op zijn effecten wordt onderzocht; | 12 | 8° onderzoeksfase : de fase waarin een initiatief tot complex project in het licht van het te nemen voorkeursbesluit op zijn effecten wordt onderzocht; |
| 13 | 9° procesverantwoordelijke : de door de bevoegde overheid aangewezen verantwoordelijke voor de formele processtappen tijdens de verkennings-, onderzoeks-, uitwerkings- of uitvoeringsfase van het complexe project; | 13 | 9° procesverantwoordelijke : de door de bevoegde overheid aangewezen verantwoordelijke voor de formele processtappen tijdens de verkennings-, onderzoeks-, uitwerkings- of uitvoeringsfase van het complexe project; |
| 14 | 10° projectbesluit : het eindbesluit van de bevoegde overheid over een complex project, genomen bij de afronding van de uitwerkingsfase en houdende vaststelling van een op uitvoeringsniveau gekozen alternatief; | 14 | 10° projectbesluit : het eindbesluit van de bevoegde overheid over het geheel of over een onderdeel van een complex project, genomen bij de afronding van de uitwerkingsfase en houdende vaststelling van een op uitvoeringsniveau gekozen alternatief; |
| 15 | 11° projectonderzoeksnota : de nota, opgemaakt bij de start van de uitwerkingsfase, ter beschrijving van het complexe project en de in het voorkeursbesluit opgenomen flankerende maatregelen, van de op uitvoeringsniveau redelijkerwijs te onderzoeken alternatieven en van de wijze waarop de effecten van het complexe project, de flankerende maatregelen en de redelijke alternatieven zullen worden onderzocht en beoordeeld; | 15 | 11° projectonderzoeksnota : de nota, opgemaakt bij de start van de uitwerkingsfase, ter beschrijving van het complexe project en de in het voorkeursbesluit opgenomen flankerende maatregelen, van de op uitvoeringsniveau redelijkerwijs te onderzoeken alternatieven en van de wijze waarop de effecten van het complexe project, de flankerende maatregelen en de redelijke alternatieven zullen worden onderzocht en beoordeeld; |
| 16 | 12° speciale beschermingszone : een van de volgende gebieden : | 16 | 12° speciale beschermingszone : een van de volgende gebieden : |
| 11 | b) de voorschriften van plannen van aanleg en van ruimtelijke uitvoeringsplannen; | 11 | b) de voorschriften van plannen van aanleg en van ruimtelijke uitvoeringsplannen; |
| 12 | 8° de monitoringsmaatregelen en, in voorkomend geval, de flankerende maatregelen op het detailleringsniveau van het ontwerp van voorkeursbesluit; | 12 | 8° de monitoringsmaatregelen en, in voorkomend geval, de flankerende maatregelen op het detailleringsniveau van het ontwerp van voorkeursbesluit; |
| 13 | 9° in voorkomend geval, de rechtsgevolgen, vermeld in de artikelen 28, 30, 31 en 34; | 13 | 9° in voorkomend geval, een vermelding van de rechtsgevolgen, vermeld in de artikelen 28, 30, 31 en 34; |
| 14 | 10° in voorkomend geval, de aanwijzing van één of meer instrumenten als vermeld in deel 2 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting die ingezet zullen worden voor het complexe project, en de hiervoor vereiste inrichtingsnota als vermeld in hetzelfde decreet. | 14 | 10° in voorkomend geval, de aanwijzing van één of meer instrumenten als vermeld in deel 2 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting die ingezet zullen worden voor het complexe project, en de hiervoor vereiste inrichtingsnota als vermeld in hetzelfde decreet. |
| 2 | Als een passende beoordeling werd gemaakt als vermeld in artikel 9, en gelet op de conclusies van die beoordeling, stelt de bevoegde overheid het voorkeursbesluit pas definitief vast nadat ze de zekerheid heeft verkregen dat het voorkeursbesluit niet zal leiden tot een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone in kwestie. | 2 | Als een passende beoordeling werd gemaakt als vermeld in artikel 9, en gelet op de conclusies van die beoordeling, stelt de bevoegde overheid het voorkeursbesluit pas definitief vast nadat ze de zekerheid heeft verkregen dat het voorkeursbesluit niet zal leiden tot een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone in kwestie. |
| 3 | In afwijking van het tweede lid mag de bevoegde overheid het voorkeursbesluit toch definitief vaststellen, ondanks de negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, als er voor de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone geen minder schadelijke alternatieve oplossingen zijn en het project om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd. In dat geval worden alle nodige compenserende maatregelen genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het coherente Europese ecologische netwerk van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd, bewaard blijft. Die maatregelen impliceren de actieve ontwikkeling van een evenwaardige habitat of het natuurlijk milieu ervan met minstens een gelijkaardige oppervlakte. | 3 | In afwijking van het tweede lid mag de bevoegde overheid het voorkeursbesluit toch definitief vaststellen, ondanks de negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, als er voor de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone geen minder schadelijke alternatieve oplossingen zijn en het project om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd. In dat geval worden alle nodige compenserende maatregelen genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het coherente Europese ecologische netwerk van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd, bewaard blijft. Die maatregelen impliceren de actieve ontwikkeling van een evenwaardige habitat of het natuurlijk milieu ervan met minstens een gelijkaardige oppervlakte. |
| 4 | Indien het gebied waar de compenserende maatregelen, vermeld in het derde lid, worden genomen, nog geen deel uitmaakt van een speciale beschermingszone, kan de Vlaamse Regering het, in afwijking van artikel 36bis, § 14, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, aanwijzen als een speciale beschermingszone na advies van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. Dit besluit neemt zij samen met of aansluitend op de definitieve vaststelling door de bevoegde overheid van het voorkeursbesluit. Het besluit van de Vlaamse Regering waarbij het gebied waar de compenserende maatregelen worden genomen, wordt toegevoegd aan een speciale beschermingszone, bevat de gegevens vermeld in artikel 36bis, § 1, tweede lid, van het voormelde decreet. De bepalingen van artikel 36bis, § 9, tweede tot en met vierde lid, van het voormelde decreet zijn van overeenkomstige toepassing op dit besluit. | ||
| 4 | Als de speciale beschermingszone in kwestie of het deelgebied ervan een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met effecten die wezenlijk gunstig zijn voor het milieu, dan wel, na advies van de Europese Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd. Een prioritair type natuurlijke habitat is een type natuurlijke habitat dat met een asterisk gemerkt is in bijlage I van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Een prioritaire soort is een soort die met een asterisk gemerkt is in bijlage II van het voormelde decreet. | 5 | Als de speciale beschermingszone in kwestie of het deelgebied ervan een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met effecten die wezenlijk gunstig zijn voor het milieu, dan wel, na advies van de Europese Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd. Een prioritair type natuurlijke habitat is een type natuurlijke habitat dat met een asterisk gemerkt is in bijlage I van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Een prioritaire soort is een soort die met een asterisk gemerkt is in bijlage II van het voormelde decreet. |
| 5 | § 2. Het definitief vastgestelde voorkeursbesluit heeft dezelfde indeling als vermeld in artikel 14, tweede lid. | 6 | § 2. Het definitief vastgestelde voorkeursbesluit heeft dezelfde indeling als vermeld in artikel 14, tweede lid. |
| 1 | § 1. Het voorkeursbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad na de definitieve vaststelling. | 1 | § 1. Het voorkeursbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad na de definitieve vaststelling. |
| 2 | De Vlaamse Regering kan andere wijzen bepalen waarop het publiek op de hoogte wordt gebracht van het definitief vastgestelde voorkeursbesluit. | 2 | De Vlaamse Regering kan andere wijzen bepalen waarop het publiek op de hoogte wordt gebracht van het definitief vastgestelde voorkeursbesluit. |
| 3 | § 2. Een afschrift van het definitief vastgestelde voorkeursbesluit wordt gestuurd naar : | 3 | § 2. Een afschrift van het definitief vastgestelde voorkeursbesluit wordt gestuurd naar de volgende instanties, tenzij die instantie de bevoegde overheid is: |
| 4 | 1° de Vlaamse Regering; | 4 | 1° de Vlaamse Regering; |
| 5 | 2° de provincies en de gemeenten waarvan het gebied door het voorkeursbesluit geheel of ten dele wordt bestreken; | 5 | 2° de provincies en de gemeenten waarvan het gebied door het voorkeursbesluit geheel of ten dele wordt bestreken; |
| 1 | §1. De resultaten van het geïntegreerde effectenonderzoek worden vastgelegd in effectenonderzoeksrapporten, waaronder het ontwerp van MER. | 1 | §1. De resultaten van het geïntegreerde effectenonderzoek worden vastgelegd in effectenonderzoeksrapporten, waaronder het ontwerp van MER. |
| 2 | Op basis van de conclusies van de effectenonderzoeksrapporten worden een synthesenota en een voorontwerp van projectbesluit opgemaakt. | 2 | Op basis van de conclusies van de effectenonderzoeksrapporten worden een synthesenota en een voorontwerp van projectbesluit opgemaakt. |
| 3 | §2. De procesverantwoordelijke bezorgt de synthesenota, de effectenonderzoeksrapporten en het voorontwerp van projectbesluit aan de adviesinstanties , vermeld in artikel 18, §2, die uitgenodigd worden op een adviesvergadering. | 3 | §2. De procesverantwoordelijke bezorgt de synthesenota, de effectenonderzoeksrapporten en het voorontwerp van projectbesluit aan de adviesinstanties en in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten, vermeld in artikel 18, §2, die uitgenodigd worden op een adviesvergadering. |
| 4 | De bestuursorganen, entiteiten of ambtenaren die gemachtigd zijn om in voorkomend geval de beslissingen, vermeld in artikel 40 en artikel 41 te nemen behoren in elk geval ook tot de adviesinstanties, vermeld in het eerste lid. | 4 | De bestuursorganen, entiteiten of ambtenaren die gemachtigd zijn om in voorkomend geval de beslissingen, vermeld in artikel 40 en artikel 41 te nemen behoren in elk geval ook tot de adviesinstanties, vermeld in het eerste lid. |
| 5 | Alle adviesinstanties geven uiterlijk op het moment van de adviesvergadering hun advies. Als de adviesinstanties geen advies uitbrengen uiterlijk op de adviesvergadering, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. | 5 | Alle adviesinstanties geven uiterlijk op het moment van de adviesvergadering hun advies. Als de adviesinstanties geen advies uitbrengen uiterlijk op de adviesvergadering, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. |
| 15 | 9° in voorkomend geval, de acties, maatregelen, voorwaarden, lasten of instrumenten bij het alternatief dat gekozen is op uitvoeringsniveau met inbegrip van een beschrijving van alle kenmerken van het ontwerp van projectbesluit en/of de geplande maatregelen om aanzienlijke nadelige effecten op het milieu te vermijden, te voorkomen of te beperken en, als dat mogelijk is, te compenseren; | 15 | 9° in voorkomend geval, de acties, maatregelen, voorwaarden, lasten of instrumenten bij het alternatief dat gekozen is op uitvoeringsniveau met inbegrip van een beschrijving van alle kenmerken van het ontwerp van projectbesluit en/of de geplande maatregelen om aanzienlijke nadelige effecten op het milieu te vermijden, te voorkomen of te beperken en, als dat mogelijk is, te compenseren; |
| 16 | 10° de monitoringsmaatregelen en, in voorkomend geval, de flankerende maatregelen op het detailleringsniveau van het ontwerp van projectbesluit; | 16 | 10° de monitoringsmaatregelen en, in voorkomend geval, de flankerende maatregelen op het detailleringsniveau van het ontwerp van projectbesluit; |
| 17 | 11° in voorkomend geval, de rechtsgevolgen, vermeld in de artikelen 30, 31, 32, 33 en 34; | 17 | 11° in voorkomend geval, een vermelding van de rechtsgevolgen, vermeld in de artikelen 30, 31, 32, 33 en 34; |
| 18 | 12° in voorkomend geval, de aanwijzing van één of meer instrumenten als vermeld in deel 2 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting die ingezet zullen worden voor het complex project, en de hiervoor vereiste inrichtingsnota als vermeld in hetzelfde decreet; | 18 | 12° in voorkomend geval, de aanwijzing van één of meer instrumenten als vermeld in deel 2 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting die ingezet zullen worden voor het complex project, en de hiervoor vereiste inrichtingsnota als vermeld in hetzelfde decreet; |
| 19 | 13° in voorkomend geval, de verschillende fasen van de uitvoering van het projectbesluit en de aanvangsdatum van elke fase. | 19 | 13° in voorkomend geval, de verschillende fasen van de uitvoering van het projectbesluit en de aanvangsdatum van elke fase. |
| 1 | De bevoegde overheid, vermeld in artikel 6, stelt het projectbesluit definitief vast. | 1 | De bevoegde overheid, vermeld in artikel 6, stelt het projectbesluit definitief vast. |
| 2 | De bepalingen van artikel 16, § 1, tweede tot en met vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing bij de beslissing over de definitieve vaststelling van het projectbesluit. | 2 | De bepalingen van artikel 16, § 1, tweede tot en met vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing bij de beslissing over de definitieve vaststelling van het projectbesluit. |
| 3 | Het definitief vastgestelde projectbesluit heeft dezelfde indeling als vermeld in artikel 23, derde lid en bevat bovendien een gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke effecten van het project op het milieu. Bij het nemen van de gemotiveerde conclusie wordt rekening gehouden met de beslissing over de goedkeuring van het MER van het Vlaams expertisecentrum m.e.r., en met de adviezen en de inspraak in het kader van het projectbesluit. | 3 | Het definitief vastgestelde projectbesluit heeft dezelfde indeling als vermeld in artikel 23, derde lid en bevat bovendien een gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke effecten van het project op het milieu. Bij het nemen van de gemotiveerde conclusie wordt rekening gehouden met de beslissing over de goedkeuring van het MER van het Vlaams expertisecentrum m.e.r., en met de adviezen en de inspraak in het kader van het projectbesluit. |
| 4 | Als het alternatief dat in het voorkeursbesluit op strategisch niveau gekozen is, resulteert in verschillende concrete projecten, geeft het projectbesluit ter informatie de stand van verwezenlijking van het voorkeursbesluit en van de andere projectbesluiten die eraan gekoppeld zijn. | 4 | Als het alternatief dat in het voorkeursbesluit op strategisch niveau gekozen is, resulteert in verschillende concrete projecten, geeft het projectbesluit ter informatie de stand van verwezenlijking van het voorkeursbesluit en van de andere projectbesluiten die eraan gekoppeld zijn. |
| 1 | § 1. Het projectbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad na de definitieve vaststelling. | 1 | § 1. Het projectbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad na de definitieve vaststelling. |
| 2 | De Vlaamse Regering kan andere wijzen bepalen waarop het publiek op de hoogte wordt gebracht van het definitief vastgestelde projectbesluit. | 2 | De Vlaamse Regering kan andere wijzen bepalen waarop het publiek op de hoogte wordt gebracht van het definitief vastgestelde projectbesluit. |
| 3 | § 2. Een afschrift van het definitief vastgestelde projectbesluit wordt gestuurd naar : | 3 | § 2. Een afschrift van het definitief vastgestelde projectbesluit wordt gestuurd naar de volgende instanties, tenzij die instantie de bevoegde overheid is: |
| 4 | 1° de Vlaamse Regering; | 4 | 1° de Vlaamse Regering; |
| 5 | 2° de provincies en de gemeenten waarvan het gebied door het projectbesluit geheel of ten dele wordt bestreken; | 5 | 2° de provincies en de gemeenten waarvan het gebied door het projectbesluit geheel of ten dele wordt bestreken; |
| 1 | Een vergunning, machtiging of toestemming kan worden geweigerd als de aanvraag onverenigbaar is met het voorkeursbesluit . In de gebieden waar met toepassing van artikel 28 een bouwverbod of bouwbeperkingen opgelegd zijn, wordt een vergunning, machtiging of toestemming geweigerd als het aangevraagde valt onder dit verbod of deze beperkingen. | 1 | Een vergunning, machtiging of toestemming kan worden geweigerd als de aanvraag onverenigbaar is met het voorkeursbesluit of het ontwerp projectbesluit. In de gebieden waar met toepassing van artikel 28 een bouwverbod of bouwbeperkingen opgelegd zijn, wordt een vergunning, machtiging of toestemming geweigerd als het aangevraagde valt onder dit verbod of deze beperkingen. |
| 2 | Als het projectbesluit een herkenbaar onderdeel bevat dat conform artikel 23 geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan, kan in een omgevingsvergunning worden afgeweken van stedenbouwkundige voorschriften, zodra het vergunningverlenende bestuursorgaan kennis heeft van de resultaten van het openbaar onderzoek met betrekking tot het ontwerp van projectbesluit waarmee de aangevraagde handelingen verenigbaar zijn, voor zover: | ||
| 3 | 1° het ontwerp van projectbesluit de bestaande stedenbouwkundige voorschriften vervangt of van rechtswege opheft; | ||
| 4 | 2° de Vlaamse Regering of de deputatie geen strijdigheid vaststelt van het ontwerp van projectbesluit met hogere plannen of andere normen. |
| 5 | 4° de vergunningen, de machtigingen en toelatingen, vermeld in de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg en het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013; | 5 | 4° de vergunningen, de machtigingen en toelatingen, vermeld in de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg en het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013; |
| 6 | 5° de conformiteitsattesten, vermeld in artikel 50 en 58 van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming; | 6 | 5° de conformiteitsattesten, vermeld in artikel 50 en 58 van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming; |
| 7 | 6° de machtigingen, vermeld in artikel 12, 14 en 23 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen; | 7 | 6° de machtigingen, vermeld in artikel 12 en 23ter van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen; |
| 8 | 7° de machtigingen, vermeld in artikel 4.3.8, § 1, derde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; | 8 | 7° de machtigingen, vermeld in artikel 4.3.8, § 1, derde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; |
| 9 | 8° de vergunningen, machtigingen of afwijkingen, verleend bij of krachtens het Bosdecreet van 13 juni 1990, behoudens die vermeld in artikel 90bis, § 1, laatste lid; | 9 | 8° de vergunningen, machtigingen of afwijkingen, verleend bij of krachtens het Bosdecreet van 13 juni 1990, behoudens die vermeld in artikel 90bis, § 1, derde lid; |
| 10 | 9° de machtiging, vermeld in artikel 89 van het koninklijk besluit van 15 oktober 1935 houdende Algemeen reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk; | 10 | 9° de machtiging, vermeld in artikel 89 van het koninklijk besluit van 15 oktober 1935 houdende Algemeen reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk; |
| 11 | 10° de afwijkingen, vermeld in artikel 4en 5 van het besluit van de Vlaam-se Regering van 25 januari 2019 betreffende de vrije stroken langs au-tosnelwegen;; | 11 | 10° de afwijkingen, vermeld in artikel 4, § 2, van de wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen, en vermeld in artikel 4 en 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2019 betreffende de vrije stroken langs autosnelwegen;; |
| 12 | 11° de toestemmingen of machtigingen, verleend bij of krachtens het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen. | 12 | 11° de toestemmingen of machtigingen, verleend bij of krachtens het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen. |
| 13 | Het definitief vastgestelde projectbesluit geeft aan als welk van die beslissingen het geldt. | 13 | Het definitief vastgestelde projectbesluit geeft aan als welk van die beslissingen het geldt. |
| 1 | § 1. De gegevens die binnen het toepassingsgebied, vermeld in artikel 3, aan een entiteit van het beleidsdomein Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie, Landbouw en Sociale Economie, opgericht bij besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2023, worden verstrekt, kunnen aan de andere entiteiten van het beleidsdomein ter beschikking worden gesteld als die terbeschikkingstelling aansluit bij het toepassingsgebied, vermeld in artikel 3. | 1 | § 1. De gegevens die binnen het toepassingsgebied, vermeld in artikel 3, aan een entiteit van het beleidsdomein Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie, Landbouw en Sociale Economie, opgericht bij besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2023, worden verstrekt, kunnen aan de andere entiteiten van het beleidsdomein ter beschikking worden gesteld als die terbeschikkingstelling aansluit bij het toepassingsgebied, vermeld in artikel 3. |
| 2 | Binnen binnen het beleidsdomein, vermeld in het eerste lid, kunnen gegevens uitgewisseld worden voor de volgende doeleinden : | 2 | Binnen het beleidsdomein, vermeld in het eerste lid, kunnen gegevens uitgewisseld worden voor de volgende doeleinden : |
| 3 | 1° studie en analyse in het kader van wetenschappelijk onderzoek; | 3 | 1° studie en analyse in het kader van wetenschappelijk onderzoek; |
| 4 | 2° studie en analyse in het kader van beleidsvoorbereiding; | 4 | 2° studie en analyse in het kader van beleidsvoorbereiding; |
| 44 | 8° gerechtelijke gegevens; | 44 | 8° gerechtelijke gegevens; |
| 45 | 9° gegevens over de gezinssamenstelling; | 45 | 9° gegevens over de gezinssamenstelling; |
| 46 | 10° gegevens over de controle door controleorganen en onderzoeken die uitgevoerd zijn door aangewezen en erkende laboratoria. | 46 | 10° gegevens over de controle door controleorganen en onderzoeken die uitgevoerd zijn door aangewezen en erkende laboratoria; |
| 47 | 11° bedrijfsgegevens. | ||
| 47 | Voor de identificatie van natuurlijke personen worden de volgende gegevens verwerkt: | 48 | Voor de identificatie van natuurlijke personen worden de volgende gegevens verwerkt: |
| 48 | 1° het rijksregisternummer, als de gegevens betrekking hebben op een natuurlijke persoon die in het Rijksregister is opgenomen; | 49 | 1° het rijksregisternummer, als de gegevens betrekking hebben op een natuurlijke persoon die in het Rijksregister is opgenomen; |
| 7 | De Vlaamse Regering bepaalt wie het toezicht, vermeld in het eerste lid, uitoefent. | 7 | De Vlaamse Regering bepaalt wie het toezicht, vermeld in het eerste lid, uitoefent. |
| 8 | § 3. De overeenkomsten, vermeld in paragraaf 1, 2°, kunnen algemeen verbindend verklaard worden onder de voorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering. | 8 | § 3. De overeenkomsten, vermeld in paragraaf 1, 2°, kunnen algemeen verbindend verklaard worden onder de voorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering. |
| 9 | § 4. Representatieve unies van producentenorganisaties en brancheorganisaties kunnen op uitdrukkelijk verzoek persoonsgegevens van de marktdeelnemers binnen het toepassingsgebied waarvoor de desbetreffende organisatie een erkenning heeft gekregen of andere vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven in kwestie bij de bevoegde entiteit opvragen om het bedrag, vermeld in paragraaf 1, 3°, te kunnen innen, of de algemeen verbindend verklaarde overeenkomsten, vermeld in paragraaf 3, te kunnen uitvoeren. | ||
| 10 | Representatieve producentenorganisaties kunnen op uitdrukkelijk verzoek persoonsgegevens van de aangesloten leden of andere vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven in kwestie bij de bevoegde entiteit opvragen om het bedrag, vermeld in paragraaf 1, 3°, te kunnen innen, of de algemeen verbindend verklaarde overeenkomsten, vermeld in paragraaf 3, te kunnen uitvoeren. In dat laatste geval kunnen ook de persoonsgegevens van de niet-aangesloten leden worden opgevraagd. | ||
| 11 | Voor de doelen, vermeld in het eerste en tweede lid, treden de representatieve producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en brancheorganisaties op als verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). | ||
| 12 | De categorieën van de betrokken personen van wie gegevens kunnen worden verwerkt, zijn: | ||
| 13 | 1° natuurlijke personen of groeperingen daarvan, rechtspersonen of groeperingen daarvan, die activiteiten verrichten of laten verrichten als vermeld in artikel 3; | ||
| 14 | 2° de wettelijk verantwoordelijken, aangestelden of vertegenwoordigers van de actoren, vermeld in punt 1°. | ||
| 15 | De categorieën van persoonsgegevens die kunnen worden verwerkt, zijn: | ||
| 16 | 1° de identificatiegegevens, vermeld in artikel 7, § 5, tweede lid, 1° ; | ||
| 17 | 2° de bedrijfsgegevens, vermeld in artikel 7, § 5, tweede lid, 11°. | ||
| 18 | Alleen de personeelsleden, aangestelden of vertegenwoordigers van de betrokken organisaties of de dienstverleners waarmee de betrokken organisaties een verwerkingsovereenkomst afsloten, die belast zijn met de inning van de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 3°, en de uitvoering van de overeenkomsten, vermeld in paragraaf 3, krijgen toegang tot de gegevens. | ||
| 19 | De gegevens mogen niet langer bewaard worden dan noodzakelijk is voor de verwerking ervan, met een maximale bewaartermijn van tien jaar. | ||
| 20 | De betrokken organisaties verwerken de gegevens overeenkomstig verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). | ||
| 21 | De betrokken organisaties nemen overeenkomstig artikel 12 van de algemene verordening gegevensbescherming passende maatregelen om de betrokkenen te informeren over de verwerking van hun persoonsgegevens conform artikel 13 en 14 van de voormelde verordening en informeren de betrokkenen over de rechten, vermeld in artikel 15 tot en met 22 en artikel 34 van de voormelde verordening. | ||
| 22 | De betrokken organisaties nemen overeenkomstig artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming, passende en technische en organisatorische maatregelen om een beveiligingsniveau te waarborgen dat conform het risico is afgestemd, zodat de persoonsgegevens onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging. | ||
| 23 | De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden bepalen voor de aanvraag en de mededeling van de persoonsgegevens. | ||
| 1 | §1. De belasting op de afgifte van de jachtverloven en de jachtvergunningen wordt vanaf het jachtseizoen 1992-1993 als volgt vastgesteld: | 1 | §1. De belasting op de afgifte van de jachtverloven en de jachtvergunningen wordt als volgt vastgesteld: |
| 2 | 1° voor het jachtverlof dat elke dag van het jachtseizoen geldig is: 175 euro; | 2 | 1° voor het jachtverlof dat elke dag van het jachtseizoen geldig is: 175 euro; |
| 3 | 2° voor het jachtverlof dat elke zondag van het jachtseizoen geldig is: 120 euro; 3° voor de jachtvergunning die vijf vooraf bepaalde dagen in het jachtseizoen | 3 | 2° voor het jachtverlof dat elke zondag van het jachtseizoen geldig is: 120 euro; 3° voor de jachtvergunning die vijf vooraf bepaalde dagen in het jachtseizoen |
| 4 | geldig is: 45 euro. | 4 | geldig is: 45 euro. |
| 5 | §2. Het in paragraaf 1 vermelde bedrag wordt op 31 juli van het jaar 2023 en vervolgens in de daaropvolgende jaren op 31 juli jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex van de maand juni. | 5 | §2. Het bedrag, vermeld in paragraaf 1, wordt voor het jachtseizoen 2026-2027 en vervolgens voor elk jachtseizoen aangepast aan de gezondheidsindex van de maand juli van het voorgaande jachtseizoen met als referentie de gezondheidsindex van de maand juli 2023. Het bedrag wordt telkens afgerond op de hogere euro. |
| 1 | De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor het doden van grof wild met ernstig fysiek trauma, met als doel het dierenwelzijn van de dieren niet verder te laten afnemen of met als doel de openbare veiligheid te vrijwaren. | ||
| 2 | Daarbij worden minstens de volgende aspecten geregeld: | ||
| 3 | 1° de criteria waaraan voldaan moet worden om de dieren te doden; | ||
| 4 | 2° de te volgen procedure om over te gaan tot het doden; | ||
| 5 | 3° de te volgen procedure om de casussen te documenteren; | ||
| 6 | 4° wat er met de gedode dieren moet gebeuren; | ||
| 7 | 5° welke personen gemachtigd zijn om de dieren te doden; | ||
| 8 | 6° op welke wijze het toezicht op de procedure moet verlopen. | ||
| 9 | De Vlaamse Regering kan bepalen welke middelen gebruikt kunnen worden voor het doel, vermeld in het eerste lid. |
| 3 | 2° wild mag worden vervoerd als het gaat om specimens die het voorwerp zijn geweest van bestrijding als vermeld in artikel 22; | 3 | 2° wild mag worden vervoerd als het gaat om specimens die het voorwerp zijn geweest van bestrijding als vermeld in artikel 22; |
| 4 | 3° wild mag worden vervoerd als het gaat om specimens die het voorwerp zijn geweest van een afwijking met toepassing van artikel 33. | 4 | 3° wild mag worden vervoerd als het gaat om specimens die het voorwerp zijn geweest van een afwijking met toepassing van artikel 33. |
| 5 | Het verbod van het eerste lid slaat niet op wildpreparaten met bedoelde wildsoorten, wanneer het wild dat er in is verwerkt volledig onherkenbaar is. | ||
| 6 | De Vlaamse regering kan jaarlijks bepalen dat het vervoeren of het in de handel brengen van levend of dood wild eveneens verboden is of alleen onder door haar te stellen voorwaarden geoorloofd is in de periode vanaf de opening tot en met de tiende dag volgend op de sluiting van de jacht op dit wild. | 5 | De Vlaamse regering kan jaarlijks bepalen dat het vervoeren of het in de handel brengen van levend of dood wild eveneens verboden is of alleen onder door haar te stellen voorwaarden geoorloofd is in de periode vanaf de opening tot en met de tiende dag volgend op de sluiting van de jacht op dit wild. |
| 7 | Wanneer de jacht in een beperkt gebied geopend is, kan de Vlaamse regering tijdens de betrokken periode machtiging verlenen tot het vervoer van geschoten wild en de voorwaarden bepalen waaronder dit vervoer mag geschieden. | 6 | Wanneer de jacht in een beperkt gebied geopend is, kan de Vlaamse regering tijdens de betrokken periode machtiging verlenen tot het vervoer van geschoten wild en de voorwaarden bepalen waaronder dit vervoer mag geschieden. |
| 8 | De Vlaamse regering kan eveneens de voorwaarden bepalen waaronder het vervoer en de handel van wildsoorten of delen van wildsoorten waarvoor zij een afschotplan gesteld heeft, mogen plaatshebben. | 7 | De Vlaamse regering kan eveneens de voorwaarden bepalen waaronder het vervoer en de handel van wildsoorten of delen van wildsoorten waarvoor zij een afschotplan gesteld heeft, mogen plaatshebben. |
| 9 | Het is eveneens verboden aan handelaars in eetwaren, traiteurs en restaurateurs het in het eerste lid genoemde wild bij zich te houden, zelfs buiten hun woning, en het is aan iedereen verboden de genoemde wildsoorten te verbergen of bij zich te houden voor rekening van de voormelde handelaars, traiteurs en restaurateurs. | ||
| 10 | Onder de door de Vlaamse regering voorgeschreven voorwaarden en het door haar geregelde toezicht, is het vervoer, de opslag en de handel van diepgevroren wild geoorloofd buiten de periode vanaf de opening tot en met de tiende dag volgend op de sluiting van de jacht op dit wild. | 8 | Onder de door de Vlaamse regering voorgeschreven voorwaarden en het door haar geregelde toezicht, is het vervoer, de opslag en de handel van diepgevroren wild geoorloofd buiten de periode vanaf de opening tot en met de tiende dag volgend op de sluiting van de jacht op dit wild. |
| 1 | De Vlaamse Regering kan voor elk administratief proces met betrekking tot wildbeheer nadere regels bepalen voor gegevensverzameling, gegevensverwerking en gegevensbescherming. Het Agentschap voor Natuur en Bos fungeert daarbij als verwerkingsverantwoordelijke van deze gegevens, met uitzondering van de gegevens verzameld in de processen met betrekking tot jachtplannen en jachtverloven. Voor de gegevens verzameld in de processen met betrekking tot jachtplannen en jachtverloven fungeren de door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren, vermeld in artikel 7 en 14, als verwerkingsverantwoordelijke. | ||
| 2 | De categorieën van de betrokken personen van wie gegevens kunnen worden verwerkt, zijn: | ||
| 3 | 1° de eigenaar en gebruiker; | ||
| 4 | 2° de exploitant; | ||
| 5 | 3° de exploitant op de grond; | ||
| 6 | 4° de jager; | ||
| 7 | 5° de jachtrechthouder; | ||
| 8 | 6° de bestrijder; | ||
| 9 | 7° de wildbeheereenheid; | ||
| 10 | 8° de wettelijk verantwoordelijken, aangestelden of vertegenwoordigers van de actoren; | ||
| 11 | 9° aanvragers of begunstigden. | ||
| 12 | De personen die toegang krijgen tot de gegevens zijn: | ||
| 13 | 1° de dossierbehandelaars voor de respectievelijke processen; | ||
| 14 | 2° politiediensten; | ||
| 15 | 3° natuurinspectie; | ||
| 16 | 4° de federale wapendiensten. | ||
| 17 | De categorieën van gegevens die kunnen worden verwerkt, zijn: | ||
| 18 | 1° identiteitsgegevens; | ||
| 19 | 2° adresgegevens; | ||
| 20 | 3° de identificatiegegevens van de aanvragers of begunstigden, waaronder het rijksregisternummer en, in voorkomend geval, het BIS-nummer; | ||
| 21 | 4° gegevens in verband met de onroerende goederen en de percelen in verband waarmee een vergoeding wordt gevraagd, waaronder kadastrale gegevens, gegevens over erfdienstbaarheden en de verwervingswaarde; | ||
| 22 | De persoonsgegevens kunnen worden bewaard tot maximaal dertig jaar na het beëindigen van het administratief proces. | ||
| 23 | De doelstelling van de verwerking van de persoonsgegevens is het voorzien in een digitaal platform voor de verzameling, de verwerking en de bescherming van gegevens met betrekking tot wildbeheer. | ||
| 24 | De Vlaamse Regering kan ook nadere regels bepalen voor gegevensuitwisseling tussen bevoegde overheidsdiensten. |
| 1 | De Vlaamse Regering voorziet in een digitaal platform voor de verzameling, de verwerking en de bescherming van gegevens met betrekking tot wildbeheer. | ||
| 2 | Ze kan nadere regels bepalen voor het gebruik en de werking van dat digitale platform. | ||
| 3 | Ze kan bepalen dat administratieve handelingen voor meldingen, aanvragen en rapportering met betrekking tot wildbeheer via dat digitale platform verlopen. | ||
| 4 | Ze kan bepalen dat administratieve handelingen voor de controle en goedkeuring met betrekking tot wildbeheer via dat digitale platform verlopen. | ||
| 5 | De Vlaamse Regering kan ook nadere regels bepalen voor gegevensuitwisseling tussen bevoegde overheidsdiensten via dat platform. |
| 1 | § 1. Een provinciaal ruimtelijk structuurplan blijft van kracht tot het wordt vervangen door een eerste provinciaal beleidsplan ruimte voor de provincie in kwestie. | 1 | § 1. Een provinciaal ruimtelijk structuurplan blijft van kracht tot het wordt vervangen door een eerste provinciaal beleidsplan ruimte voor de provincie in kwestie. |
| 2 | Artikel 2.1.2, § 2, § 3, § 6 en § 7, en artikel 2.2.12, § 1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zoals ze golden tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet, blijven van toepassing zolang het provinciaal ruimtelijk structuurplan van kracht is. De bepalingen in kwestie van voormelde codex gelden echter niet ten aanzien van de vaststelling van gemeentelijke ruimtelijke beleidsplannen, noch ten aanzien van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die vastgesteld worden nadat een eerste gemeentelijk beleidsplan ruimte is vastgesteld. | 2 | Artikel 2.1.2, § 2, § 3, § 6 en § 7, en artikel 2.2.12, § 1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zoals ze golden tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet, blijven van toepassing zolang het provinciaal ruimtelijk structuurplan van kracht is. De bepalingen in kwestie van voormelde codex gelden echter niet ten aanzien van de vaststelling van gemeentelijke ruimtelijke beleidsplannen, noch ten aanzien van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die vastgesteld worden nadat een eerste gemeentelijk beleidsplan ruimte is vastgesteld. |
| 3 | Artikel 2.2.16, § 3, 1°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals het gold tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet, aangevuld met de door dit decreet ingevoegde mogelijkheid om de definitieve vaststelling van het betrokken provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan te vernietigen, is van toepassing zolang het provinciaal ruimtelijk structuurplan van kracht is. | 3 | Artikel 2.2.16, § 3, 1°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals het gold tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 36 van dit decreet, aangevuld met de door dit decreet ingevoegde mogelijkheid om de definitieve vaststelling van het betrokken provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan te vernietigen, is van toepassing zolang het provinciaal ruimtelijk structuurplan van kracht is. |
| 4 | Artikel 2.2.23, § 2, 1°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals het gold tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet, aangevuld met de door dit decreet ingevoegde mogelijkheid om de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in kwestie te vernietigen, is van toepassing zolang het provinciaal ruimtelijk structuurplan van kracht is. De bepaling in kwestie van voormelde codex geldt echter niet ten aanzien van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die vastgesteld worden nadat een eerste gemeentelijk beleidsplan ruimte is vastgesteld. | 4 | Artikel 2.2.23, § 2, 1°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals het gold tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 42 van dit decreet, aangevuld met de door dit decreet ingevoegde mogelijkheid om de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in kwestie te vernietigen, is van toepassing zolang het provinciaal ruimtelijk structuurplan van kracht is. De bepaling in kwestie van voormelde codex geldt echter niet ten aanzien van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die vastgesteld worden nadat een eerste gemeentelijk beleidsplan ruimte is vastgesteld. |
| 5 | § 2. Bij de definitieve vaststelling van beleidskaders van het provinciaal beleidsplan ruimte kan de provincieraad onderdelen van gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen omschrijven of aanduiden die niet meer geldig zijn. De provincieraad wint hiervoor het advies in van de betrokken gemeenteraad. | 5 | § 2. Bij de definitieve vaststelling van beleidskaders van het provinciaal beleidsplan ruimte kan de provincieraad onderdelen van gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen omschrijven of aanduiden die niet meer geldig zijn. De provincieraad wint hiervoor het advies in van de betrokken gemeenteraad. |
| 6 | De deputatie kan, met toepassing van de modaliteiten van artikel 2.2.23 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan schorsen dat uitvoering geeft aan een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan dat niet meer geldig is door toepassing van het eerste lid. | 6 | De deputatie kan, met toepassing van de modaliteiten van artikel 2.2.23 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan schorsen dat uitvoering geeft aan een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan dat niet meer geldig is door toepassing van het eerste lid. |
| 1 | § 1. Een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan blijft van kracht tot het wordt vervangen door een eerste gemeentelijk beleidsplan ruimte voor de gemeente in kwestie. | 1 | § 1. Een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan blijft van kracht tot het wordt vervangen door een eerste gemeentelijk beleidsplan ruimte voor de gemeente in kwestie. |
| 2 | Artikel 2.1.2, § 2, § 3, § 6 en § 7, en artikel 2.2.18, § 1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals ze golden tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet, blijven van toepassing zolang het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van kracht is. | 2 | Artikel 2.1.2, § 2, § 3, § 6 en § 7, en artikel 2.2.18, § 1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals ze golden tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet, blijven van toepassing zolang het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van kracht is. |
| 3 | Artikel 2.2.23, § 2, 1°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals het gold tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet, aangevuld met de door dit decreet ingevoegde mogelijkheid om de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in kwestie te vernietigen, is van toepassing zolang het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van kracht is. | 3 | Artikel 2.2.23, § 2, 1°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals het gold tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 42 van dit decreet, aangevuld met de door dit decreet ingevoegde mogelijkheid om de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in kwestie te vernietigen, is van toepassing zolang het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van kracht is. |
| 4 | § 2. Gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die voorlopig zijn vastgesteld op het ogenblik van de inwerkingtreding van het gemeentelijk beleidsplan ruimte, kunnen definitief worden vastgesteld ter uitvoering van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zoals het gold tot aan de inwerkingtreding van het gemeentelijk beleidsplan ruimte, mits daarbij artikel 2.1.2, § 2, § 3 en § 6, en artikel 2.2.18, § 1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals ze golden tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet of krachtens paragraaf 1, worden nageleefd. | 4 | § 2. Gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die voorlopig zijn vastgesteld op het ogenblik van de inwerkingtreding van het gemeentelijk beleidsplan ruimte, kunnen definitief worden vastgesteld ter uitvoering van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zoals het gold tot aan de inwerkingtreding van het gemeentelijk beleidsplan ruimte, mits daarbij artikel 2.1.2, § 2, § 3 en § 6, en artikel 2.2.18, § 1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals ze golden tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet of krachtens paragraaf 1, worden nageleefd. |
| 5 | De Vlaamse Regering of de deputatie kan, met toepassing van artikel 2.2.23 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan schorsen of vernietigen dat vastgesteld wordt in strijd met de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, met dien verstande dat de deputatie alleen kan schorsen. | 5 | De Vlaamse Regering of de deputatie kan, met toepassing van artikel 2.2.23 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan schorsen of vernietigen dat vastgesteld wordt in strijd met de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, met dien verstande dat de deputatie alleen kan schorsen. |
| 22 | 18° natuurkern: een gebied als vermeld in artikel 4, §1, derde lid; | 22 | 18° natuurkern: een gebied als vermeld in artikel 4, §1, derde lid; |
| 23 | 19° operationeel plan: een operationeel plan als vermeld in artikel 9; | 23 | 19° operationeel plan: een operationeel plan als vermeld in artikel 9; |
| 24 | 20° parkbureau: een rechtspersoon zonder winstuitkeringsoogmerk aan wie het management van een Vlaams Park is toegewezen, vermeld in artikel 12; | 24 | 20° parkbureau: een nieuwe of bestaande rechtspersoon zonder winstuitkeringsoogmerk waaraan het management van een Vlaams Park is toegewezen, vermeld in artikel 12; |
| 25 | 21° parknota: de nota ingediend door een gebiedscoalitie waarin de kandidatuur van een Vlaams Park en de samenstelling van het parkbureau worden beschreven; | 25 | 21° parknota: de nota ingediend door een gebiedscoalitie waarin de kandidatuur van een Vlaams Park en de samenstelling van het parkbureau worden beschreven; |
| 26 | 22° regionaal landschap: een private vereniging zonder winstuitkeringsoogmerk gericht op algemene landschapszorg tussen maatschappelijke en bestuurlijke actoren; | 26 | 22° regionaal landschap: een private vereniging zonder winstuitkeringsoogmerk gericht op algemene landschapszorg tussen maatschappelijke en bestuurlijke actoren; |
| 4 | De Vlaamse Regering kan voor een Vlaams Park dat gewestgrensoverschrijdend is afwijkende en aanvullende regels inzake de doelstellingen en het management vastleggen. | 4 | De Vlaamse Regering kan voor een Vlaams Park dat gewestgrensoverschrijdend is afwijkende en aanvullende regels inzake de doelstellingen en het management vastleggen. |
| 5 | Een parkbureau kan de rechtshandelingen stellen die rechtstreeks bijdragen tot de vervulling van zijn opdrachten en de verwezenlijking van de doelstellingen van een Vlaams Park waarvan het management aan hem werden toegekend. | 5 | Een parkbureau kan de rechtshandelingen stellen die rechtstreeks bijdragen tot de vervulling van zijn opdrachten en de verwezenlijking van de doelstellingen van een Vlaams Park waarvan het management aan hem werden toegekend. |
| 6 | De lokale overheden zijn gemachtigd om deel te nemen aan de oprichting van een parkbureau en lid te worden van de algemene vergadering ervan. De gemeenteraad van het betrokken lokaal bestuur geeft zijn akkoord voor de toetreding van de gemeente tot het parkbureau. | 6 | De lokale overheden zijn gemachtigd om deel te nemen aan de oprichting van een parkbureau en lid te worden van het bestuursorgaan ervan. De gemeenteraad van het betrokken lokaal bestuur geeft zijn akkoord voor de toetreding van de gemeente tot het parkbureau. |
| 7 | In geval van een grensoverschrijdend Vlaams Park kunnen instanties met zetel buiten het Vlaamse Gewest deelnemen aan de oprichting en lid worden van het bestuursorgaan. | 7 | In geval van een grensoverschrijdend Vlaams Park kunnen instanties met zetel buiten het Vlaamse Gewest deelnemen aan de oprichting en lid worden van het bestuursorgaan. |
| 8 | §2. Het bestuursorgaan van het parkbureau is evenwichtig minstens samengesteld uit: | 8 | §2. Het bestuursorgaan van het parkbureau is evenwichtig minstens samengesteld uit: |
| 9 | 1° voor de helft leden die worden benoemd op individuele of gezamenlijke voordracht van de gemeenten op wier grondgebied het park gelegen is; de voorgedragen leden dienen gemeenteraadslid te zijn ; | 9 | 1° voor de helft leden die worden benoemd op individuele of gezamenlijke voordracht van de gemeenten op wier grondgebied het park gelegen is; de voorgedragen leden dienen gemeenteraadslid te zijn of hebben, in het kader van een grensoverschrijdend Vlaams Park, een functie die daarmee gelijkgesteld kan worden; |
| 10 | 2° leden die zijn benoemd op individuele of gezamenlijke voordracht van de publieke of particuliere beheerders met een terrein gelegen in het Vlaams Park waaronder landbouworganisaties, natuurorganisaties, erfgoedverenigingen, streekverenigingen, private eigenaars enzovoort op voorwaarde dat zij het beheer van hun terrein hebben afgestemd op de doelstellingen van het Vlaams Park; | 10 | 2° leden die zijn benoemd op individuele of gezamenlijke voordracht van de publieke of particuliere beheerders met een terrein gelegen in het Vlaams Park waaronder landbouworganisaties, natuurorganisaties, erfgoedverenigingen, streekverenigingen, private eigenaars enzovoort op voorwaarde dat zij het beheer van hun terrein hebben afgestemd op de doelstellingen van het Vlaams Park; |
| 11 | 3° actoren wier medewerking nuttig is voor de realisatie van de doelstellingen van het Vlaams Park. | 11 | 3° actoren wier medewerking nuttig is voor de realisatie van de doelstellingen van het Vlaams Park. |