§ flandrepo

programmadecreet bij de begroting 2024

Staatsblad 29 december 2023 NUMAC 2023048710
34 artikels gewijzigd
+1 −0 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 1.1.0.0.2
64In titel 2, hoofdstuk 4, wordt verstaan onder :64In titel 2, hoofdstuk 4, wordt verstaan onder :
651° EURO-emissieklasse : de klasse gedefinieerd op basis van de emissiegrenswaarden, vermeld in bijlage 0 van richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen;651° EURO-emissieklasse : de klasse gedefinieerd op basis van de emissiegrenswaarden, vermeld in bijlage 0 van richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen;
661°/0 emissievrij voertuig: een voertuig dat beantwoordt aan de voorwaarden als bepaald in artikel 3, punt 11, van verordening (EU) 2019/1242 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 595/2009 en (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 96/53/EG van de Raad.
662° gegarandeerde betaalmiddel : het betaalmiddel waarmee de dienstverlener, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, eerste lid, 7° /1, de kilometerheffing en, in voorkomend geval, de aan de houder van het voertuig gefactureerde inningskosten op het eerste verzoek kan innen, zonder verdere toelating van de houder van het voertuig en zonder dat die de betaling die met het betaalmiddel is verricht, kan annuleren;672° gegarandeerde betaalmiddel : het betaalmiddel waarmee de dienstverlener, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, eerste lid, 7° /1, de kilometerheffing en, in voorkomend geval, de aan de houder van het voertuig gefactureerde inningskosten op het eerste verzoek kan innen, zonder verdere toelating van de houder van het voertuig en zonder dat die de betaling die met het betaalmiddel is verricht, kan annuleren;
673° kilometer : elke kilometer, afgerond op het hogere of lagere duizendste, naargelang het cijfer van de tienduizendsten al of niet vijf bereikt;683° kilometer : elke kilometer, afgerond op het hogere of lagere duizendste, naargelang het cijfer van de tienduizendsten al of niet vijf bereikt;
+7 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.4.4.0.2
472° na de toepassing van de coëfficiënt wordt het verkregen bedrag afgerond op het hogere of lagere tiende van een eurocent naargelang het cijfer van het honderdste van de eurocent al dan niet vijf bereikt.472° na de toepassing van de coëfficiënt wordt het verkregen bedrag afgerond op het hogere of lagere tiende van een eurocent naargelang het cijfer van het honderdste van de eurocent al dan niet vijf bereikt.
48Als de factor F, vermeld in het eerste lid, 1°, gelijk is aan 1, mag het tarief nooit lager zijn dan nul eurocent..48Als de factor F, vermeld in het eerste lid, 1°, gelijk is aan 1, mag het tarief nooit lager zijn dan nul eurocent..
49Voor de toepassing van dit artikel worden de voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof, beschouwd als behorend tot de EURO-emissieklasse 6.
49Emissievrije voertuigen met een maximaal toegestane totaalgewicht (MTT) lager dan of gelijk aan 4,25 ton zijn vanaf 1 januari 2024 tot en met 31 december 2029 vrijgesteld van de verplichting om de kilometerheffing te betalen.
50Voor de overige emissievrije voertuigen, andere dan deze vermeld in het vijfde lid, is de toeslag Ex tot en met 31 december 2029 gelijk aan nul. Het overige gedeelte van de kilometerheffing wordt voor deze voertuigen verminderd met:
51ñ 100% vanaf 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025;
52ñ 80% vanaf 1 januari 2026 tot en met 31 december 2026;
53ñ 60% vanaf 1 januari 2027 tot en met 31 december 2027;
54ñ 40% vanaf 1 januari 2028 tot en met 31 december 2028;
55ñ 20% vanaf 1 januari 2029 tot en met 31 december 2029.
+133 −46 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. Bijlage 2
4A14A1
5E195E19
6Brussel - Mechelen - Antwerpen - grens NL (Breda)6Brussel–Mechelen–Antwerpen–grens NL (Breda)
7A27A2
8E3148E314
9Leuven - Lummen - grens NL (Heerlen)9Leuven–Lummen–grens NL (Heerlen)
10A310A3
11E4011E40
12Brussel - Leuven - grens Wallonië (Luik)12Brussel–Leuven–grens Wallonië (Luik)
13A413A4
14E41114E411
15Brussel - grens Wallonië (Namen)15Brussel–grens Wallonië (Namen)
16A716A7
17E1917E19
18Brussel (R0) - grens Wallonië (Bergen)18Brussel (R0)–grens Wallonië (Bergen)
19A819A8
20E42920E429
21Halle (Ring om Halle inclusief N203a) - grens Wallonië (Doornik)21Halle (Ring om Halle inclusief N203a)–grens Wallonië (Doornik)
22A1022A10
23E4023E40
24Brussel - Gent - Brugge - Oostende24Brussel–Gent–Brugge–Oostende
25A1125A11
26E34
27Antwerpen - Zelzate, tot en met de kruising met de R4-West
28A11
29Brugge (N31) - Knokke-Heist (N49) 26Brugge (N31)–Knokke-Heist (N49) – Zelzate–Antwerpen
30A1227A12
31Brussel - Boom - Antwerpen - grens NL (Bergen-op-Zoom)28Brussel–Boom–Antwerpen–grens NL (Bergen-op-Zoom)
32A1329A13
33E31330E313
34Antwerpen - Hasselt - grens Wallonië (Luik)31Antwerpen–Hasselt–grens Wallonië (Luik)
35A1432A14
36E1733E17
37Antwerpen - Gent - Grens FR (Lille)34Antwerpen–Gent–Grens FR (Lille)
38A1735A17
39E40336E403
40Brugge - Kortrijk - grens Wallonië (Doornik)37Brugge–Kortrijk–grens Wallonië (Doornik)
41A1838A18
42E4039E40
43Jabbeke - Veurne - grens FR (Duinkerken)40Jabbeke–Veurne–grens FR (Duinkerken)
44A1941A19
45Kortrijk - Ieper42Kortrijk–Ieper
46A2143A21
47E3444E34
48Antwerpen (Ranst) - grens NL (Eindhoven)45Antwerpen (Ranst)–grens NL (Eindhoven)
49A2546A25
50E2547E25
51Luik (Wallonië) - Maastricht (NL) thv Voeren (op- en afritten- complex N602)48Luik (Wallonië)–Maastricht (NL) thv Voeren (op- en afrit- ten-complex N602)
52A11249A112
53(N186)50(N186)
54Antwerpen/Jan de Voslei51Antwerpen/Jan de Voslei
55A20152A201
56Brussel - Zaventem53Brussel–Zaventem
57Autosnelwegringen54Autosnelwegringen:
58R055R0
59Ring om Brussel56Ring om Brussel
60R157R1
61Ring om Antwerpen58Ring om Antwerpen
59R2
60Ring om Antwerpen, excl. Liefkenshoektunnel (van op/afrit 11 Waaslandhaven-Noord tot N101)
62R461R4
63Ring om Gent, exclusief de R4-Oost tussen de kruising met de E34 en de kruising met de N70
62Ring om Gent
64R863R8
65Ring om Kortrijk64Ring om Kortrijk
662) Overige gewestwegen met een tarief hoger dan nul eurocent:652) Overige gewestwegen met een tarief hoger dan nul eurocent:
67N166N1
68Brussel - Antwerpen - grens NL (Breda)67Brussel–Antwerpen–grens NL (Breda)
69N268N2
70Brussel - Hasselt - grens NL (Maastricht)69Brussel–Hasselt–grens NL (Maastricht)
71N370N3
72Brussel - grens Wallonië (Luik)71Brussel–grens Wallonië (Luik)
73N472N4
74Brussel - grens Wallonië (Namen)73Brussel–grens Wallonië (Namen)
75N574N5
76Brussel - grens Wallonië (Charleroi)75Brussel–grens Wallonië (Charleroi)
77N676N6
78Brussel - grens Wallonië (Bergen)77Brussel–grens Wallonië (Bergen)
79N778N7
80Halle - grens Wallonië (Doornik)79Halle–grens Wallonië (Doornik)
81N880N8
82Brussel - Ninove - Oudenaarde - Kortrijk - Ieper - Koksijde81Brussel–Ninove–Oudenaarde–Kortrijk–Ieper–Koksijde
83N982N9
84Brussel - Gent - Brugge - Oostende83Brussel–Gent–Brugge–Oostende
85N1084N10
86Mortsel - Diest85Mortsel–Diest
86N12
87Antwerpen – (kruising met) R13 Turnhout
88N13
89Lier – (kruising met) E313 Herentals-West
87N1490N14
88Vanaf (de kruising met) R16 - (de kruising met) E34
91Mechelen (kruising met R6) – grens NL (met uitzondering van zone binnen R16 Lier)
92N15
93Mechelen – N19
94N16
95Vanaf A14 (E17)–Mechelen
96N19
97Tussen A13 (E313) en A21 (E34)
98N19g
99N19 (Kasterlee)–R14 (Geel)
89N20100N20
90Hasselt - grens Wallonië (Luik)101Hasselt–grens Wallonië (Luik)
102N28
103N6 (Halle) – N8 (Ninove)
91N31104N31
92(E403)105(E403)
93Brugge - Zeebrugge, exclusief N31 Zeebrugge tot en met de kruising met de N348
106Brugge–Zeebrugge
107N32
108Brugge – grens FR
109N34
110Hendrik van Minderhoutstraat (Zeebrugge) – N31
111N34a
112Kustlaan (Zeebrugge) tussen Hendrik van Minderhoutstraat en Zeegeulstraat
113N34f
114Slijkensesteenweg (Oostende)
115N34i
116Zeesluisstraat (Zeebrugge)
94N35117N35
95Deinze - N37 (Tielt)118Deinze–N37 (Tielt)
96N35119N35
97Pittem (de kruising met N50) - (de kruising met) N330120Pittem (de kruising met N50)–(de kruising met) N330
98N36121N36
99R32 (Roeselare) tot N35 (Zarren) 122Van R32 (Roeselare) tot N35 (Zarren) en van A14 (E17) tot N8 (Avelgem)
123N37
124Aalter (E40) – Roeselare (R32)
125N38
126A19 – grens FR
100N42127N42
101Vanaf (de kruising met) N8 - grens met Wallonië128Vanaf (de kruising met) N8–grens met Wallonië
102N43129N43
103Vanaf (de kruising met) R8 - (de kruising met) R4130Vanaf (de kruising met) R8–(de kruising met) R4
131N44
132Aalter–Maldegem
133N47
134N9–A14 (E17)
104N49135N49
105(E34)136(E34)
106Antwerpen - Zelzate - Maldegem - Knokke (Knokke-Heist), exclusief N49 van Westkapelle tot aan de kruising met de R4-West137Antwerpen–Zelzate–Maldegem–Knokke (Knokke-Heist)
107N50138N50
108Brugge - Ingelmunster - Kortrijk - grens Wallonië (Bergen)139Brugge–Ingelmunster–Kortrijk–grens Wallonië (Bergen)
140N58
141Van grens Wallonië tot A14 (E17) en van A19 tot grens Wallonië
109N60142N60
110Gent - Oudenaarde - Ronse - grens Wallonië (Leuze)143Gent–Oudenaarde–Ronse–grens Wallonië (Leuze)
111N70144N70
112Gent - Antwerpen145Gent–Antwerpen
146N71
147R14 – N74
113N73148N73
114Heppen - Kinrooi (kruising met de N762)
149Heppen N78 (Kinrooi)
150N74
151N715 – grens NL
152N75
153A2 (E314) – N78 (Dilsen-Stokkem)
154N76
155N20 (Kortessem) – N71 (Hamont-Achel)
115N80156N80
116Hasselt - grens Wallonië (Namen)157Hasselt–grens Wallonië (Namen)
158N101
159A12 – R2 – N180 (Noorderlaan)
160N101a
161Oudendijkweg (incl. Oudendijkbrug en Frederik-Hendrikbrug)
162N101b
163Kruisschansweg
164N111
165N180 (Noorderlaan) – A12
166N180
167N101 (Scheldelaan) – N111
117N186168N186
118Antwerpen (Jan de Voslei)169Antwerpen (Jan de Voslei)
170N223
171N2 (Tielt-Winge) – N3 (Tienen)
172N320
173N358 – N9
174N320a
175N320 – N9
176N350
177N34 – A11
178N358
179N320 – N9
180N376
181N49 (Knokke-Heist) – grens NL
182N382
183N36 (Anzegem) – A14 (E17)
184N424
185N456 – R4 Oost
186N450
187A11 (E34)–Melseledijk nr 68
188N456
189N424 – R4 West
190N458
191N456 – Langerbrugge-Eiland
192N474
193Van Langerbrugge-Eiland tot Vasco da Gamalaan en van Ter- donkkaai tot A11 (E34)
194N713
195N71 – N712b
196N715
197A2 (E314) – N74 (Lommel)
119N722198N722
120Vanaf N80 (Hasselt) tot N718 (St-Truiden)199Vanaf N80 (Hasselt) tot N718 (St-Truiden)
200R14
201Ring om Geel
202R31
203Ring om Oostende (deel tussen A10 en N9)
204R32
205Ring om Roeselare (deel tussen A17 (E403) en de N37)
206R33
207Ring om Poperinge tussen beide delen van N38
+4 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.19
290Doctoraten die over de studiegebieden heen gerangschikt worden, worden voor de bepaling van het puntengewicht gerangschikt in het studiegebied met het laagste puntengewicht dat in de combinatie voorkomt.290Doctoraten die over de studiegebieden heen gerangschikt worden, worden voor de bepaling van het puntengewicht gerangschikt in het studiegebied met het laagste puntengewicht dat in de combinatie voorkomt.
291§2. Opleidingen die over de studiegebieden heen gerangschikt worden, worden voor de bepaling van het puntengewicht gerangschikt in het studiegebied met het laagste puntengewicht dat in de combinatie voorkomt.291§2. Opleidingen die over de studiegebieden heen gerangschikt worden, worden voor de bepaling van het puntengewicht gerangschikt in het studiegebied met het laagste puntengewicht dat in de combinatie voorkomt.
292§3. In afwijking van paragraaf 1, punt 1°, d), bedraagt vanaf het begrotingsjaar 2014 het puntengewicht voor de bacheloropleiding “bachelor in de audiovisuele kunsten” 1,00 .292§3. In afwijking van paragraaf 1, punt 1°, d), bedraagt vanaf het begrotingsjaar 2014 het puntengewicht voor de bacheloropleiding “bachelor in de audiovisuele kunsten” 1,00 en bedraagt vanaf het begrotingsjaar 2024 het puntengewicht voor de bacheloropleiding “bachelor in visual design” 1,00.
293§4. In de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten wordt een bijkomend puntengewicht toegekend overeenkomstig het volgende schema:293§4. In de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten wordt een bijkomend puntengewicht toegekend overeenkomstig het volgende schema:
2941° studiegebied Audiovisuele en beeldende kunst :2941° studiegebied Audiovisuele en beeldende kunst :
297c) tot en met het begrotingsjaar 2013 wordt voor de organisatie van de academische bachelor- en masteropleiding in de conservatie-restauratie samen, de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, §2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel III.13, §4, 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 6.000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 2;297c) tot en met het begrotingsjaar 2013 wordt voor de organisatie van de academische bachelor- en masteropleiding in de conservatie-restauratie samen, de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, §2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel III.13, §4, 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 6.000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 2;
298d) vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt voor de organisatie van de professionele bacheloropleiding “bachelor in de audiovisuele kunsten” de som van het aantal opgenomen studiepunten, vermeld in artikel III. 12, §2, en het aantal verworven studiepunten, vermeld in artikel III.13, §4, 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 12.000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 2.298d) vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt voor de organisatie van de professionele bacheloropleiding “bachelor in de audiovisuele kunsten” de som van het aantal opgenomen studiepunten, vermeld in artikel III. 12, §2, en het aantal verworven studiepunten, vermeld in artikel III.13, §4, 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 12.000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 2.
299e) vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt voor de organisatie van de professionele bacheloropleiding “bachelor in visual design” de som van het aantal opgenomen studiepunten, vermeld in artikel III.12, §2, en het aantal verworven studiepunten, vermeld in artikel III.13, §4, 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 9.000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 2.
2992° studiegebied Muziek en podiumkunsten :3002° studiegebied Muziek en podiumkunsten :
300a) voor de organisatie van de academische bachelor- en masteropleiding in de muziek en van de academische bachelor- en masteropleiding in het drama en van de educatieve masteropleiding voor kunstvakken samen, wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, § 2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel III.13, § 4, 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 27.000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 3;301a) voor de organisatie van de academische bachelor- en masteropleiding in de muziek en van de academische bachelor- en masteropleiding in het drama en van de educatieve masteropleiding voor kunstvakken samen, wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, § 2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel III.13, § 4, 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 27.000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 3;
302c) voor de organisatie van de professionele bacheloropleiding in de dans wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, §2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel III.13, §4, 1°, a), in een hogeschool, met een maximum van 1.500 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 4;303c) voor de organisatie van de professionele bacheloropleiding in de dans wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, §2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel III.13, §4, 1°, a), in een hogeschool, met een maximum van 1.500 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 4;
303d) voor de organisatie van de professionele bacheloropleiding in de pop- en rockmuziek wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, §2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel III.13, §4, 1°, a), in een hogeschool, met een maximum van 9.000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 2,5.304d) voor de organisatie van de professionele bacheloropleiding in de pop- en rockmuziek wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, §2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel III.13, §4, 1°, a), in een hogeschool, met een maximum van 9.000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 2,5.
305e) voor de organisatie van de masteropleiding “master in de dans” wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, §2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel III.13, §4, 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 600 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 3;
306f) voor de organisatie van de masteropleiding “master in musical” wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, §2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel III.13, §4, 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 900 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 3.
304Voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-diploma-initieel, vermeld in artikel III.14, is voor de opleidingen vermeld in het eerste lid, het puntengewicht gelijk aan de som van het puntengewicht van het studiegebied waaronder deze opleiding ressorteert, vermeld in paragraaf 1, en het bijkomende puntengewicht voor deze opleiding, vermeld in het eerste lid.307Voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-diploma-initieel, vermeld in artikel III.14, is voor de opleidingen vermeld in het eerste lid, het puntengewicht gelijk aan de som van het puntengewicht van het studiegebied waaronder deze opleiding ressorteert, vermeld in paragraaf 1, en het bijkomende puntengewicht voor deze opleiding, vermeld in het eerste lid.
305Voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-input, vermeld in artikel III.12, en het aantal financieringspunten FPi-output, vermeld in artikel III.13, is voor de opleidingen vermeld in het eerste lid, het puntengewicht voor de berekening van de bijkomende financieringspunten gegenereerd door de financieringsboni voor beursstudenten, studenten met een functiebeperking en werkstudenten gelijk aan de som van het puntengewicht van het studiegebied waaronder deze opleiding ressorteert, vermeld in paragraaf 1, en het bijkomende puntengewicht voor deze opleiding, vermeld in het eerste lid.308Voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-input, vermeld in artikel III.12, en het aantal financieringspunten FPi-output, vermeld in artikel III.13, is voor de opleidingen vermeld in het eerste lid, het puntengewicht voor de berekening van de bijkomende financieringspunten gegenereerd door de financieringsboni voor beursstudenten, studenten met een functiebeperking en werkstudenten gelijk aan de som van het puntengewicht van het studiegebied waaronder deze opleiding ressorteert, vermeld in paragraaf 1, en het bijkomende puntengewicht voor deze opleiding, vermeld in het eerste lid.
+3 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.24
106§13. Vanaf het begrotingsjaar 2023 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) en de universiteiten met 7.941.650 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool en universiteit in de totale werkingsmiddelen.106§13. Vanaf het begrotingsjaar 2023 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) en de universiteiten met 7.941.650 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool en universiteit in de totale werkingsmiddelen.
107Vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt het bedrag, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.107Vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt het bedrag, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.
108§14. Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen, inclusief de Hogere Zeevaartschool, met 8 miljoen euro vermeerderd. Van dit bedrag wordt 683.000 euro toegevoegd aan het variabel onderwijs- deel voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts (VOWhko2014). Het resterende bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen.
109Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 20 miljoen euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen.
110De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2024 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.
+10 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.25/2
1In het kader van een verhoging van de quota, vermeld in artikel II.187, §4, kan de Vlaamse Regering vanaf het begrotingsjaar 2023 binnen de beschikbare budgettaire ruimte een bijkomende werkingstoelage toekennen voor de universiteiten die een bacheloropleiding aanbieden in het studiegebied Geneeskunde en/of Tandheelkunde.1§1. In het kader van een verhoging van de quota, vermeld in artikel II.187, §4, kan de Vlaamse Regering vanaf het begrotingsjaar 2023 binnen de beschikbare budgettaire ruimte een bijkomende werkingstoelage toekennen voor de universiteiten die een bacheloropleiding aanbieden in het studiegebied Geneeskunde en/of Tandheelkunde.
2De universiteiten kunnen de bijkomende middelen, vermeld in het eerste lid, enkel aanwenden voor werking of infrastructuur investeringen. Deze bijkomende middelen voor het begrotingsjaar t worden verdeeld over de desbetreffende universiteiten op basis van het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde en/of Tandheelkunde.2De universiteiten kunnen de bijkomende middelen, vermeld in het eerste lid, enkel aanwenden voor werking of infrastructuur investeringen. Deze bijkomende middelen voor het begrotingsjaar t worden verdeeld over de desbetreffende universiteiten op basis van het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde en/of Tandheelkunde.
3§2. Vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt de totale werkingsuitkering voor de universiteiten vermeerderd met 10 miljoen euro. Dit bedrag wordt als volgt verdeeld over de universiteiten die een bacheloropleiding aanbieden in het studiegebied Geneeskunde of Tandheelkunde:
41° een sokkel van 200.000 euro voor elk van de desbetreffende universiteiten; 2° een variabel deel voor elk van de desbetreffende universiteiten op basis van het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een of meer van de volgende opleidingen:
5a) bachelor in de geneeskunde;
6b) master in de geneeskunde;
7c) master in de huisartsengeneeskunde;
8d) master in de specialistische geneeskunde;
9e) bachelor in de tandheelkunde;
10f) master in de tandheelkunde.
11Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de bedragen, vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.
+4 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.25/4 nieuw
1Ter versterking van de lerarenopleidingen wordt vanaf het begrotingsjaar 2024 de totale werkingsuitkering van de hogescholen en de universiteiten vermeerderd met 15 miljoen euro. Dit totale bedrag wordt als volgt verdeeld over de hogescholen en universiteiten die een lerarenopleiding als vermeld in artikel II.111 aanbieden:
21° een sokkel van 150.000 euro voor elk van de desbetreffende universiteiten en hogescholen;
32° een variabel deel voor elk van de desbetreffende universiteiten of hogescholen op basis van het aantal opgenomen studiepunten waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een lerarenopleiding als vermeld in artikel II.111. Voor het begrotingsjaar 2024 worden de opgenomen studiepunten van het academiejaar 2021-2022 in aanmerking genomen. Voor het begrotingsjaar 2025 wordt het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten over de academiejaren 2021-2022 en 2022-2023 in aanmerking genomen. Vanaf het begrotingsjaar 2026 wordt het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten over de academiejaren t-5/t-4 tot en met t-3/t-2 in aanmerking genomen, waarbij t slaat op het begrotingsjaar.
4Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de bedragen, vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.25/5 nieuw
1In het begrotingsjaar 2024 wordt eenmalig de totale werkingsuitkering van de hogescholen en universiteiten vermeerderd met 706.680 euro.
2Dit bedrag wordt verdeeld over de hogescholen die in het academiejaar 2023- 2024 een procedure voor opleidingsaccreditatie doorlopen hebben voor de educatieve graduaatsopleidingen en over de universiteiten die in het academiejaar 2022-2023 een procedure voor opleidingsaccreditatie doorlopen hebben voor de educatieve masteropleidingen a rato van het aantal educatieve graduaatsopleidingen en het aantal educatieve masteropleidingen per instelling.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.67
3In het begrotingsjaar 2017 wordt in het kader van artikel II.117 een bedrag van 400.000 euro toegevoegd aan het bedrag van de sociale toelage van de universiteiten en een bedrag van 934.000 euro toegevoegd aan het bedrag van de hogescholen. Vanaf begrotingsjaar 2018 worden deze bedragen verhoogd tot respectievelijk 1.200.000 euro jaarlijks toe te voegen aan het bedrag van de sociale toelage van de universiteiten en 2.800.000 euro, jaarlijks toe te voegen aan het bedrag van de sociale toelage van de hogescholen.3In het begrotingsjaar 2017 wordt in het kader van artikel II.117 een bedrag van 400.000 euro toegevoegd aan het bedrag van de sociale toelage van de universiteiten en een bedrag van 934.000 euro toegevoegd aan het bedrag van de hogescholen. Vanaf begrotingsjaar 2018 worden deze bedragen verhoogd tot respectievelijk 1.200.000 euro jaarlijks toe te voegen aan het bedrag van de sociale toelage van de universiteiten en 2.800.000 euro, jaarlijks toe te voegen aan het bedrag van de sociale toelage van de hogescholen.
4In het begrotingsjaar 2019 wordt een bedrag van 163.719 euro toegevoegd aan het bedrag van de sociale toelage van de universiteiten en een bedrag van 803.211 euro aan het bedrag van de sociale toelage van de hogescholen. Vanaf het begrotingsjaar 2020 worden deze bedragen verhoogd tot respectievelijk 491.157 euro jaarlijks toe te voegen aan het bedrag van de sociale toelage van de universiteiten en 2.409.632 euro, jaarlijks toe te voegen aan het bedrag van de sociale toelage van de hogescholen.4In het begrotingsjaar 2019 wordt een bedrag van 163.719 euro toegevoegd aan het bedrag van de sociale toelage van de universiteiten en een bedrag van 803.211 euro aan het bedrag van de sociale toelage van de hogescholen. Vanaf het begrotingsjaar 2020 worden deze bedragen verhoogd tot respectievelijk 491.157 euro jaarlijks toe te voegen aan het bedrag van de sociale toelage van de universiteiten en 2.409.632 euro, jaarlijks toe te voegen aan het bedrag van de sociale toelage van de hogescholen.
5In het begrotingsjaar 2024 evalueert de Vlaamse Regering of de bedragen van de sociale toelage aan de universiteiten en de hogescholen nog in overeenstemming zijn met de evoluties van het aantal en het profiel van de studenten. Deze evaluatie zal de Vlaamse Regering elke vier jaar uitvoeren.
5Vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt een bedrag van 2,8 miljoen euro toegevoegd aan het bedrag van de sociale toelage voor de universiteiten en een bedrag van 3,2 miljoen euro aan het bedrag van de sociale toelage van de hogescholen.
6§ 2. De bedragen, berekend overeenkomstig dit artikel, worden binnen de perken van de jaarlijkse begrotingskredieten jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de volgende formule : I = 0,50 x (L1/L0) + 0,50 x (Cl/CO), waarbij6§ 2. De bedragen, berekend overeenkomstig dit artikel, worden binnen de perken van de jaarlijkse begrotingskredieten jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de volgende formule : I = 0,50 x (L1/L0) + 0,50 x (Cl/CO), waarbij
71° I : de indexformule;71° I : de indexformule;
+8 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/0 nieuw
1De Vlaamse Regering kan vanaf het begrotingsjaar 2024 een beheersovereenkomst met een looptijd van vijf jaar afsluiten met een via oproep geselecteerde partner voor de monitoring en de bevordering van het welbevinden van de studenten, waarin ten minste de volgende elementen voorkomen en worden afgesproken:
2a) een begroting en beleidsplan voor de looptijd van de beheersovereenkomst;
3b) de kwantiteit en de kwaliteit van de te leveren prestaties;
4c) de jaarlijkse monitorings- en rapporteringsafspraken.
5De jaarlijkse financiële ondersteuning die in de beheersovereenkomst wordt afgesproken, bedraagt maximaal 300.000 euro.
6De Vlaamse Regering kan de hoogte van de basissubsidie herzien afhankelijk van de mate waarin de in de beheersovereenkomst afgesproken doelstellingen worden gehaald.
7De Vlaamse Regering kan een deel van de financiële ondersteuning inhouden en zo nodig terugvorderen indien de Vlaamse Regering vaststelt dat de partner de beheersovereenkomst niet naleeft.
8Vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt het bedrag, vermeld in het tweede lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.
+2 −1 decreet-2007-06-15/art. 196sexies
7Ten laste van het begrotingsjaar 2022 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkings- middelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.7Ten laste van het begrotingsjaar 2022 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkings- middelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
8Ten laste van het begrotingsjaar 2023 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.8Ten laste van het begrotingsjaar 2023 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
9De centra voor volwassenenonderwijs kunnen na een voorafgaand akkoord in het bevoegde lokale comité de toegekende leraarsuren ten laste van het begrotingsjaar 2023 omzetten in werkingsmiddelen voor contractuele aanwervingen ten belope van de lesopdracht tijdens de maanden juli en augustus. Voor de omzetting geldt één leraarsuur voor 63,64 euro. Uiterlijk twee maanden na de melding aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen van de om te zetten leraarsuren voor de aanwerving van contractuele personeelsleden worden 80% van deze omgezette werkingsmiddelen als voorschot aan de centra uitbetaald. Het resterende saldo van 20% wordt uitbetaald uiterlijk in de loop van de maand december van het kalenderjaar 2023. Het centrum moet alle aangewende middelen bewijzen met facturen of betalingen die werden gedaan in het kader van deze contractuele aanstellingen. Niet-aangewende middelen worden na het einde van het kalenderjaar 2023 teruggestort. Daarvoor deelt het centrum het niet-aangewende bedrag mee aan de bevoegde administratie9De centra voor volwassenenonderwijs kunnen na een voorafgaand akkoord in het bevoegde lokale comité de toegekende leraarsuren ten laste van het begrotingsjaar 2023 omzetten in werkingsmiddelen voor contractuele aanwervingen ten belope van de lesopdracht tijdens de maanden juli en augustus. Voor de omzetting geldt één leraarsuur voor 63,64 euro. Uiterlijk twee maanden na de melding aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen van de om te zetten leraarsuren voor de aanwerving van contractuele personeelsleden worden 80% van deze omgezette werkingsmiddelen als voorschot aan de centra uitbetaald. Het resterende saldo van 20% wordt uitbetaald uiterlijk in de loop van de maand december van het kalenderjaar 2023. Het centrum moet alle aangewende middelen bewijzen met facturen of betalingen die werden gedaan in het kader van deze contractuele aanstellingen. Niet-aangewende middelen worden na het einde van het kalenderjaar 2023 teruggestort. Daarvoor deelt het centrum het niet-aangewende bedrag mee aan de bevoegde administratie.
10Ten laste van het begrotingsjaar 2024 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
10§ 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.11§ 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.
11§ 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.12§ 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.
+1 −0 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.1.1
32° afgesloten watervoerende laag: watervoerende laag die voorkomt onder één van de volgende afsluitende hydrogeologische hoofdeenheden die gekenmerkt worden door de unieke code 0300, 0500, 0700 of 0900 zoals weergegeven in bijlage 6 bij dit decreet. De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast en zorgt er daarbij voor dat elke winning eenduidig is vastgelegd32° afgesloten watervoerende laag: watervoerende laag die voorkomt onder één van de volgende afsluitende hydrogeologische hoofdeenheden die gekenmerkt worden door de unieke code 0300, 0500, 0700 of 0900 zoals weergegeven in bijlage 6 bij dit decreet. De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast en zorgt er daarbij voor dat elke winning eenduidig is vastgelegd
43° bovengemeentelijke saneringsverplichting: elke verplichting inzake sanering die op het Vlaams Gewest rust;43° bovengemeentelijke saneringsverplichting: elke verplichting inzake sanering die op het Vlaams Gewest rust;
53°/1 circulair afvalwater: afvalwater als vermeld in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM, dat hergebruikt kan worden door een andere heffingsplichtige voor de activiteiten, vermeld in bijlage 5, die bij dit decreet is gevoegd;
54° ...64° ...
65° exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk: de gemeente, de gemeentelijke regie, de intercommunale, de Vlaamse openbare instelling en alle andere exploitanten die een openbaar waterdistributienetwerk via leidingen beheren;75° exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk: de gemeente, de gemeentelijke regie, de intercommunale, de Vlaamse openbare instelling en alle andere exploitanten die een openbaar waterdistributienetwerk via leidingen beheren;
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.1.1.2
1Elke rechtspersoon die in het Vlaamse Gewest een zuiveringstechnisch werk exploiteert waarin uitsluitend afvalwater van de openbare riolering (met inbegrip van afvalstoffen afkomstig van septische putten, vetvangers of kleinschalige waterzuiveringsinstallaties met een capaciteit van maximaal 20 inwonerequivalenten waarin uitsluitend huishoudelijk afvalwater wordt geleid, per as aangevoerde afvalwaters, slibs afkomstig van openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties en/of slibs afkomstig van het onderhoud van collectoren en pompstations) wordt behandeld en dat aangesloten is op het openbaar hydrografisch net, is van de heffing waterverontreiniging vrijgesteld voor wat betreft de lozing van de effluentwaters van voornoemde openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties.1Elke rechtspersoon die in het Vlaamse Gewest een zuiveringstechnisch werk exploiteert waarin uitsluitend afvalwater van de openbare riolering (met inbegrip van afvalstoffen afkomstig van septische putten, vetvangers of kleinschalige waterzuiveringsinstallaties met een capaciteit van maximaal 20 inwonerequivalenten waarin uitsluitend huishoudelijk afvalwater wordt geleid, per as aangevoerde afvalwaters, retentaatstromen als vermeld in artikel 4.2.2.4.1, §1, vierde lid, slibs afkomstig van openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties en/of slibs afkomstig van het onderhoud van collectoren en pompstations) wordt behandeld en dat aangesloten is op het openbaar hydrografisch net, is van de heffing waterverontreiniging vrijgesteld voor wat betreft de lozing van de effluentwaters van voornoemde openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties.
2Een slibverbrandingsinstallatie waarmee het zuiveringstechnisch werk een milieutechnische eenheid vormt is geen onderdeel van het zuiveringstechnisch werk.2Een slibverbrandingsinstallatie waarmee het zuiveringstechnisch werk een milieutechnische eenheid vormt is geen onderdeel van het zuiveringstechnisch werk.
+1 −0 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.1.1.9 nieuw
1De openbare brandweerdiensten die deel uitmaken van de operationele diensten van de civiele veiligheid, zoals bedoeld in artikel 2, §1, 1°, van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid, worden vrijgesteld van de heffing op de waterverontreiniging voor het volume grondwater, hemelwater, oppervlaktewater, circulair afvalwater of ander water waarmee zij de brandweerwagens vullen en dat wordt gebruikt voor de hun wettelijk toegewezen opdrachten.
+3 −3 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.2.1.1
13b) een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;13b) een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;
14c) een openbare of privaatrechterlijke effluentleiding die uitmondt in oppervlaktewater.14c) een openbare of privaatrechterlijke effluentleiding die uitmondt in oppervlaktewater.
153° de heffingsplichtigen, bedoeld in artikel 4.2.2.2.1, waarvan de inrichting niet gelegen is in de zone van vijftig meter rond het stelsel van de openbare riolering en collectoren dat:
16a) is aangesloten op een operationele openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie; of
17b) wordt aangesloten op een openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie op basis van het zoneringsplan zoals bedoeld in artikel 10.2.3, §1, 20°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, geldig op 1 januari van het jaar in kwestie.153° de heffingsplichtigen, bedoeld in artikel 4.2.2.2.1, waarvan de inrichting volgens het zoneringsplan bedoeld in artikel 10.2.3, §1, 20°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, geldig op 1 januari van het heffingsjaar, gelegen is:
16a) in het individueel of collectief te optimaliseren buitengebied;
17b) in het centraal, collectief geoptimaliseerd of collectief te optimaliseren buitengebied, waarbij conform artikel 6.2.2.1.2, §1, van titel II van het VLAREM wordt afgeweken van de aansluitplicht op openbare riolering.
18Voor alle andere heffingsplichtigen wordt het eenheidstarief van de heffing vastgesteld op 33,38 euro.18Voor alle andere heffingsplichtigen wordt het eenheidstarief van de heffing vastgesteld op 33,38 euro.
19De eenheidstarieven van de heffing worden jaarlijks gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen voor de maand november van het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het heffingsjaar wordt genoemd met als basisindex het indexcijfer der consumptieprijzen van november 1992, basis 1988, met name 113,77.19De eenheidstarieven van de heffing worden jaarlijks gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen voor de maand november van het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het heffingsjaar wordt genoemd met als basisindex het indexcijfer der consumptieprijzen van november 1992, basis 1988, met name 113,77.
+12 −11 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.2.1.4
1§1. Elke heffingsplichtige die door investeringen in het productieproces en/of in zuiveringstechnische werken komt tot een totale niet-lozing van afvalwater uit het productieproces en dit op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, is vrijgesteld van de heffing waterverontreiniging voor zover geen sanitair afvalwater en/of koelwater geloosd wordt.1§1. Elke heffingsplichtige die door investeringen in het productieproces en/of in zuiveringstechnische werken komt tot een totale niet-lozing van afvalwater uit het productieproces is vrijgesteld van de heffing waterverontreiniging voor zover geen sanitair afvalwater en/of koelwater geloosd wordt.
2Indien sanitair afvalwater en/of koelwater geloosd wordt, wordt enkel op het sanitair waterverbruik en/of koelwater een heffing gevestigd.2Indien sanitair afvalwater en/of koelwater geloosd wordt, wordt enkel op het sanitair waterverbruik en/of koelwater een heffing gevestigd.
3De heffingsplichtige mag bovendien op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar niet beschikken over een omgevings- of lozingsvergunning die hem toelaat ander afvalwater dan huishoudelijk afvalwater en/of koelwater te lozen.3De heffingsplichtige mag bovendien niet beschikken over een omgevings- of lozingsvergunning die hem toelaat ander afvalwater dan huishoudelijk afvalwater en/of koelwater te lozen.
4§2. Elke heffingsplichtige die van de regeling in de vorige paragraaf gebruik wenst te maken, moet bij de aangifte bedoeld in artikel 4.2.4.1,§1, een dossier voegen dat opgesteld is door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater, die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid. Elk ander bewijs van niet lozing zal niet worden aanvaard door de Vlaamse Milieumaatschappij.4§2. Elke heffingsplichtige die van de regeling in de vorige paragraaf gebruik wenst te maken, moet een dossier bezorgen aan de Vlaamse Milieumaatschappij dat opgesteld is door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater, die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid. Elk ander bewijs van niet lozing zal niet worden aanvaard door de Vlaamse Milieumaatschappij.
5Het bedoelde dossier bevat minstens de volgende gegevens:5Het bedoelde dossier bevat minstens de volgende gegevens:
61° een beschrijving van het productieproces met aanduiding van de verschillende waterstromen;61° een beschrijving van het productieproces met aanduiding van de verschillende waterstromen;
116° de datum waarop de milieudeskundige zijn vaststellingen ter plaatse heeft gedaan die hebben geleid tot de opmaak van dit rapport.116° de datum waarop de milieudeskundige zijn vaststellingen ter plaatse heeft gedaan die hebben geleid tot de opmaak van dit rapport.
12De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake het bedoelde dossier.12De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake het bedoelde dossier.
13§3. De uiterste datum voor de vaststellingen van de niet-lozing is 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar.
14Uiterlijk één maand voordat de vaststellingen ter plaatse zullen worden gedaan door de milieudeskundige, brengt de heffingsplichtige het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar schriftelijk, per e-mail of per fax op de hoogte van het geplande plaatsbezoek.13§3. Uiterlijk één maand voordat de vaststellingen ter plaatse zullen worden gedaan door de milieudeskundige, brengt de heffingsplichtige het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar schriftelijk of via e-mail op de hoogte van het geplande plaatsbezoek.
15Indien de milieudeskundige erom wordt verzocht, stelt hij de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of onderzoek in verband met de toepassing van de heffing, alle relevante informatie ter beschikking en geeft hij hen de mogelijkheid deel te nemen aan het plaatsbezoek.14Indien de milieudeskundige erom wordt verzocht, stelt hij de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of onderzoek in verband met de toepassing van de heffing, alle relevante informatie ter beschikking en geeft hij hen de mogelijkheid deel te nemen aan het plaatsbezoek.
15§4. Het nullozersstatuut wordt toegekend vanaf de dag waarop de Vlaamse Milieumaatschappij vaststelt dat aan alle voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 en 2, is voldaan.
16§4. Het bedoelde dossiergeldt voor het heffingsjaar waarvoor de aanvraag is ingediend en voor de negen daaropvolgende heffingsjaren behoudens in geval van wijzigingen die tot gevolg hebben dat niet meer aan de hierboven vermelde voorwaardenis voldaan.16Het dossier, vermeld in paragraaf 2, geldt voor tien jaar vanaf de dag waarop het nullozersstatuut wordt toegekend, behalve na wijzigingen die tot gevolg hebben dat niet meer aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, is voldaan.
17Iedere wijziging betreffende de lozingssituatie moet onmiddellijk per aangetekend schrijven worden gemeld aan het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffingof de door hem gedelegeerde ambtenaar .17De toekenningsvoorwaarden, vermeld in paragraaf 1, moeten vervuld zijn gedurende de volledige looptijd van het nullozersstatuut. Iedere wijziging van de lozings- en vergunningssituatie wordt onmiddellijk met een aangetekende brief gemeld aan het afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij dat bevoegd is voor de vestiging, inning en invordering van de heffing, of aan de ambtenaar die het afdelingshoofd gedelegeerd heeft.
18Het nullozersstatuut vervalt vanaf de dag waarop de Vlaamse Milieumaatschappij vaststelt dat de heffingsplichtige niet meer voldoet aan alle voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.
18§5. Het statuut van nullozer kan worden verlengd voor opeenvolgende periodes van tien jaar.19§5. Het statuut van nullozer kan worden verlengd voor opeenvolgende periodes van tien jaar.
19Hiertoe moet de heffingsplichtige waterverontreiniging, vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het bedoelde dossier, een hernieuwingsaanvraag indienen bij de ambtenaar die conform artikel 4.2.1.1.8 aangewezen is voor de vestiging van de heffing, samen met een attest afgeleverd door een milieu-deskundige bedoeld in paragraaf 2, waarin de conclusie van het aanvankelijk ingediende dossier wordt herbevestigd."20Hiertoe moet de heffingsplichtige waterverontreiniging, vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het bedoelde dossier, een hernieuwingsaanvraag indienen bij de ambtenaar die conform artikel 4.2.1.1.8 aangewezen is voor de vestiging van de heffing, samen met een attest afgeleverd door een milieu-deskundige bedoeld in paragraaf 2, waarin de conclusie van het aanvankelijk ingediende dossier wordt herbevestigd."
20Het attest vermeldt tevens de datum waarop de milieudeskundige zijn vaststellingen ter plaatse heeft gedaan die hebben geleid tot de opmaak van dit attest. De uiterste datum voor deze vaststellingen is 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar waarvoor de hernieuwingsaanvraag wordt ingediend.21Het attest vermeldt tevens de datum waarop de milieudeskundige zijn vaststellingen ter plaatse heeft gedaan die hebben geleid tot de opmaak van dit attest.
21Als het ingediende dossier op de datum van de eerste aanvraag nog niet hoefde te voldoen aan de inhoudelijke voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, wordt het dosser aangevuld met de gegevens, vermeld in die paragraaf.22Als het ingediende dossier op de datum van de eerste aanvraag nog niet hoefde te voldoen aan de inhoudelijke voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, wordt het dosser aangevuld met de gegevens, vermeld in die paragraaf.
22Uiterlijk één maand voordat de vaststellingen voor het voormeld attest met het oog op de hernieuwing van het nullozerstatuut ter plaatse zullen worden gedaan door de milieudeskundige, brengt de heffingsplichtige het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar schriftelijk, per e-mail of per fax op de hoogte van het geplande plaatsbezoek. Indien de milieudeskundige erom wordt verzocht, stelt hij de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of onderzoek in verband met de toepassing van de heffing, alle relevante informatie ter beschikking en geeft hij hen de mogelijkheid deel te nemen aan het plaatsbezoek.23Uiterlijk één maand voordat de vaststellingen voor het voormeld attest met het oog op de hernieuwing van het nullozerstatuut ter plaatse zullen worden gedaan door de milieudeskundige, brengt de heffingsplichtige het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar schriftelijk, of via e-mail op de hoogte van het geplande plaatsbezoek. Indien de milieudeskundige erom wordt verzocht, stelt hij de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of onderzoek in verband met de toepassing van de heffing, alle relevante informatie ter beschikking en geeft hij hen de mogelijkheid deel te nemen aan het plaatsbezoek.
23Indien de heffingsplichtige waterverontreiniging, in afwijking van wat wordt bepaald in het eerste en tweede lid, een laattijdige hernieuwingsaanvraag indient, kan de Vlaamse Milieumaatschappij na onderzoek van het dossier beslissen de verlenging van het statuut met terugwerkende kracht toe te staan vanaf de vervaldatum van het oorspronkelijke statuut. De toepassing van de overige bepalingen van dit artikel blijft daarbij onverkort.24Indien de heffingsplichtige waterverontreiniging, in afwijking van wat wordt bepaald in het eerste en tweede lid, een laattijdige hernieuwingsaanvraag indient, kan de Vlaamse Milieumaatschappij na onderzoek van het dossier beslissen de verlenging van het statuut met terugwerkende kracht toe te staan vanaf de vervaldatum van het oorspronkelijke statuut. De toepassing van de overige bepalingen van dit artikel blijft daarbij onverkort.
24Het met terugwerkende kracht toekennen van de verlenging geeft aanleiding tot het opleggen van een boete conform artikel 5.4.2.2, tweede lid.25Het met terugwerkende kracht toekennen van de verlenging geeft aanleiding tot het opleggen van een boete conform artikel 5.4.2.2, tweede lid.
25§6. Als de Vlaamse Milieumaatschappij beschikt over gegevens over enige onvergunde lozing uit dat productieproces, wordt de heffing op de vuilvracht, veroorzaakt door die lozing, bepaald conform artikel 4.2.2.1.10, §1.26§6. Als de Vlaamse Milieumaatschappij beschikt over gegevens over enige onvergunde lozing uit dat productieproces, wordt de heffing op de vuilvracht, veroorzaakt door die lozing, bepaald conform artikel 4.2.2.1.10, §1.
26Voor de daaropvolgende jaren van de nog resterende looptijd van het dossier of het attest, vermeld in paragraaf 4 of 5, wordt het statuut van nullozer alleen behouden als voor die jaren de onregelmatige lozingssituatie is geremedieerd en de heffingsplichtige daarvan het bewijs levert.
27§7. Als de totale niet-lozing van afvalwater uit het productieproces in afwijking van paragraaf 1 en 2 pas in de loop van het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, wordt verwezenlijkt en/of vastgesteld, wordt de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1 evenwel toegekend vanaf de maand die volgt op de maand waarin de Vlaamse Milieumaatschappij vaststelt dat aan alle overige bepalingen van paragraaf 1 en 2 is voldaan.
27Als naar aanleiding van de vaststelling van de onvergunde lozing blijkt dat de inhoud van het dossier dat de heffingsplichtige heeft ingediend en op basis waarvan het nullozersstatuut is toegekend, niet overeenstemt met de werkelijke lozingssituatie, vervalt het nullozersstatuut voor de resterende looptijd vanaf de dag waarop die vaststelling is gedaan.
28§7. ...
28§8. Alle vermeldingen en bepalingen opgenomen in paragrafen 2, 3 en 4 zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid.29§8. Alle vermeldingen en bepalingen opgenomen in paragrafen 2, 3 en 4 zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid.
29§9. Het onderzoek, vermeld in paragraaf 5, zesde lid, kan worden uitgevoerd op heffingsdossiers waarin voorafgaand aan de inwerkingtreding van paragraaf 5, zesde en zevende lid, een laattijdige hernieuwingsaanvraag werd ingediend, en waarvoor op het ogenblik van de bekendmaking van het programmadecreet van 9 juli 2021 bij de aanpassing van de begroting 2021 waarbij deze bepalingen worden ingevoegd:30§9. Het onderzoek, vermeld in paragraaf 5, zesde lid, kan worden uitgevoerd op heffingsdossiers waarin voorafgaand aan de inwerkingtreding van paragraaf 5, zesde en zevende lid, een laattijdige hernieuwingsaanvraag werd ingediend, en waarvoor op het ogenblik van de bekendmaking van het programmadecreet van 9 juli 2021 bij de aanpassing van de begroting 2021 waarbij deze bepalingen worden ingevoegd:
+28 −21 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.2.1.10
1§1. In afwijking van artikel 4.2.2.1.1., wordt in geval van:
1§1. In afwijking van artikel 4.2.2.1.1 wordt voor de volgende lozingen het bedrag van de heffing voor de periode waarin de lozing in kwestie zich heeft voorgedaan, bepaald op de wijze, vermeld in het tweede lid:
21° een onvergunde lozing;21° een onvergunde lozing;
32° een lozing die niet voldoet aan de bijzondere voorwaardevermeld in de lozings- of omgevingsvergunning om een contract, vermeld in artikel 2.6.2.1., af te sluiten; of32° een lozing die niet voldoet aan de bijzondere voorwaarde, vermeld in de lozings- of omgevingsvergunning om een saneringscontract als vermeld in artikel 2.6.2.1, te sluiten;
43° een lozing via een noodaansluiting die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.2.1.1.7.;43° een lozing via een noodaansluiting die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.2.1.1.7.
5het bedrag van de heffing voor de periode waarin vermelde lozing zich voordeed, als volgt vastgesteld :5Het bedrag van de heffing voor de periode waarin de lozing in kwestie, vermeld in het eerste lid, zich heeft voorgedaan, wordt vastgesteld met de volgende formule:
6H = T x Qx x Cx + T x Nkx 6H = T x Nx + T x Nkx waarbij:
71° H: het bedrag van de verschuldigde heffing voor waterverontreiniging;
82° T: het bedrag van het eenheidstarief van de heffing voor alle andere hef- fingsplichtigen, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, §2, tweede lid;
93° Nx: de vuilvracht, veroorzaakt door de lozing, vermeld in het eerste lid, uitgedrukt in vervuilingseenheden en berekend met de volgende formule:
10Qx x Cx waarbij:
11a) Qx: het waterverbruik, waarvan de hoeveelheid gelijk is aan het totale waterverbruik Q dat is bepaald conform artikel 4.2.2.5.2, verminderd met de hoeveelheid koelwater K, vermeld in artikel 4.2.2.3.1, vermenigvuldigd met dx en gedeeld door 365 of, als daarvan het bewijs geleverd wordt, gedeeld door het reële aantal dagen waarop afvalwater geloosd wordt in het jaar vóór het heffingsjaar. dx is de cumulatieve duur van de lozing, vermeld in het eerste lid, uitgedrukt in dagen. dx is niet groter dan 365 en wordt berekend met de volgende formule:
12(deind–dbegin) + F
7waarbij:13waarbij:
8H = het bedrag van de verschuldigde heffing voor waterverontreiniging;
9T = het bedrag van het eenheidstarief van de heffing voor alle andere heffingsplichtigen, vermeld in het vierde lid van artikel 4.2.2.1.1, §2, 2e lid.;
10Qx = het waterverbruik, waarvan de hoeveelheid gelijk is aan het totale waterverbruik Q bepaald overeenkomstig artikel 4.2.2.5.2., verminderd met de hoeveelheid koelwater K, vermeld in artikel 4.2.2.3.1., vermenigvuldigd met dx en gedeeld door 365 of, indien hiervan het bewijs geleverd wordt, gedeeld door het reëel aantal dagen waarop afvalwater geloosd wordt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar. dx is de cumulatieve duur van de lozingen in het betrokken heffingsjaar, uitgedrukt in dagen. dx is niet groter dan 365 en wordt berekend als volgt:
11Σ [(deind - dbegin) + F]
12waarbij:
13dbegin =141) dbegin:
141° de datum van aanvang van de lozing, zoals opgenomen in de schriftelijke melding van de heffingsplichtige aan de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouderbevoegd voor milieuhandhaving, tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij aantoont dat de lozing reeds op een vroegere datum startte, op voorwaarde dat de melding plaatsvond voorafgaand aan de eventuele vaststelling van de lozing door de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing of de toezichthouderbevoegd voor milieuhandhaving;15i) de datum van de aanvang van de lozing, zoals opgenomen in de schriftelijke melding van de heffingsplichtige aan de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouder, bevoegd voor milieuhand- having, tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij aantoont dat de lozing al op een vroegere datum is gestart, op voorwaarde dat de voormelde melding is gedaan vóór de eventuele vaststelling van de lozing door de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij die belast zijn met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing of de toezichthouder, bevoegd voor milieuhandhaving;
152° de datum van vaststelling van de lozing, als vermeld in het proces- verbaal van overtreding of een vaststellingsverslag als vermeld in artikel 5.3.3., tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij aantoont dat de lozing reeds op een vroegere datum startte, indien de lozing werd vastgesteld door de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing of de toezichthouderbevoegd voor milieuhandhavingvoorafgaand aan een eventuele schriftelijke melding door de heffingsplichtige;16ii) de datum van de vaststelling van de lozing, vermeld in het proces- verbaal van overtreding of in een vaststellingsverslag als vermeld in artikel 5.4.1.3, tweede lid, tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij aantoont dat de lozing al op een vroegere datum is gestart, als de lozing is vastgesteld door de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij die belast zijn met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing of de toezichthouder, bevoegd voor milieuhandhaving, voorafgaand aan een eventuele schriftelijke melding door de heffingsplichtige;
16deind = de datum waarop door de bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouderbevoegd voor milieuhandhavingvastgesteld werd dat de lozing stopgezet is, mits mogelijkheid voor de heffingsplichtige om een andere datum te bewijzen;172) deind: de datum waarop door de bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouder, bevoegd voor milieuhandhaving, is vastgesteld dat de lozing stopgezet is. De heffingsplichtige heeft de mogelijkheid om een andere datum te bewijzen;
17F =183) F:
181° 1 indien de lozing gemeld werd door de heffingsplichtige aan de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouderbevoegd voor milieuhandhavingen deze melding plaatsvond voorafgaand aan de eventuele vaststelling van de lozing door de bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouderbevoegd voor milieuhandhaving;19i) 1, als de heffingsplichtige de lozing heeft gemeld aan de Vlaamse Milieumaatschappij of aan de toezichthouder, bevoegd voor milieuhandhaving, en als die melding is gedaan vóór de eventuele vaststelling van de lozing door de bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij of door de toezichthouder, bevoegd voor milieuhandhaving;
192° 30in alle andere gevallen tenzij de heffingsplichtige de werkelijke aanvangsdatum van de lozing bewijst en de toezichthouderbevoegd voor milieuhandhaving deze kan bevestigen of staven op basis van vergelijking met zijn eigen vaststellingen. In voorkomend geval wordt F gelijkgesteld aan 1 en wordt dbegin gelijkgesteld aan de bevestigde datum van aanvang van de lozing;20ii) 30, in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt i), tenzij de heffingsplichtige de werkelijke aanvangsdatum van de lozing bewijst en de toezichthouder, bevoegd voor milieuhandhaving, die aanvangsdatum kan bevestigen of staven op basis van vergelijking met zijn eigen vaststellingen. In voorkomend geval wordt F gelijkgesteld aan 1 en wordt dbegin gelijkgesteld aan de bevestigde datum van de aanvang van de lozing;
20Cx = de omzettingscoëfficiënt, vermeld in kolom 8 van de tabel opgenomen in bijlage 5;21b) Cx: de omzettingscoëfficiënt, vermeld in kolom 8 van de tabel die is opgenomen in bijlage 5, die bij dit decreet is gevoegd;
21Nkx = de vuilvrachtveroorzaakt door de lozing van koelwaterbepaald overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1., vermenigvuldigd met dx en gedeeld door 365of, indien hiervan het bewijs geleverd wordt, gedeeld door het reëel aantal dagen waarop koelwater geloosd wordt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar.224° Nkx: de vuilvracht, veroorzaakt door de lozing van koelwater, bepaald overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1, vermenigvuldigd met dx en gedeeld door 365, of, als daarvan het bewijs geleverd wordt, gedeeld door het reële aantal dagen waarop koelwater geloosd wordt in het jaar vóór het heffingsjaar.
22Indien de heffingsplichtige voor de periode dx het aandeel van de lozing vermeld in het eerste lid in de totale afvalwaterlozing bewijst en de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving deze kan bevestigen of staven op basis van vergelijking met zijn eigen vaststellingen, wordt voor de betrokken periode dx de bepalingen in dit artikel enkel toegepast op dit aandeel.
23Als de toezichthouder, bevoegd voor milieuhandhaving, vaststellingen heeft gedaan over het debiet of het volume van een lozing als vermeld in het eerste lid, en als er voor die lozing meet- en bemonsteringsresultaten beschikbaar zijn die afkomstig zijn van een schepstaal dat de Vlaamse Milieumaatschappij heeft genomen, of als een schepstaal wordt genomen door de toezichthouder, bevoegd voor milieuhandhaving, wordt de vuilvracht Nx, vermeld in het tweede lid, 3°, bepaald conform de formule, vermeld in artikel 4.2.2.3.1, waarbij, in afwijking van artikel 4.2.2.3.1, wordt verstaan onder:
241° N: de vuilvracht, veroorzaakt door een lozing als vermeld in het eerste lid, uitgedrukt in vervuilingseenheden;
252° Qd: het volume afvalwater, uitgedrukt in liter, van de lozing, vermeld in het eerste lid, dat geloosd is tijdens een etmaal;
263° Qj: het volume afvalwater, uitgedrukt in kubieke meter, van de lozing, vermeld in het eerste lid, dat geloosd is tijdens de periode dx;
274° Nk: 0;
285° Qdv: het gemiddelde volume afvalwater, uitgedrukt in liter, van de lozing, vermeld in het eerste lid, dat geloosd is tijdens een etmaal, berekend met de volgende formule:
29.
23In alle andere gevallen wordt de vuilvrachtvermeld in artikel 4.2.2.1.1., vermenigvuldigd met (365-dx)/365.30In alle andere gevallen dan de gevallen, vermeld in het derde lid, wordt de vuilvracht, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, vermenigvuldigd met (365-dx)/365.
24§2. Onder de in deze paragraaf bepaalde voorwaarden is paragraaf 1 niet van toepassing op lozingen zonder voorafgaande melding of meldingsakte of voorafgaande of tijdige verlenging van de lozings-, milieu- of omgevingsvergunning, zoals respectievelijk vermeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en voor zover:31§2. Onder de in deze paragraaf bepaalde voorwaarden is paragraaf 1 niet van toepassing op lozingen zonder voorafgaande melding of meldingsakte of voorafgaande of tijdige verlenging van de lozings-, milieu- of omgevingsvergunning, zoals respectievelijk vermeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en voor zover:
251° de heffingsplichtige beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens als vermeld in artikel 4.2.2.3.3., die betrekking hebben op de volledige afvalwaterstroom; ofwel321° de heffingsplichtige beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens als vermeld in artikel 4.2.2.3.3., die betrekking hebben op de volledige afvalwaterstroom; ofwel
+17 −0 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.2.1.12 nieuw
1§1. Elke heffingsplichtige die het geheel of een gedeelte van zijn afvalwater via een vaste constructie ter beschikking stelt van een andere heffingsplichtige, wordt voor het aangeboden volume circulair afvalwater vrijgesteld van de heffing op de waterverontreiniging.
2De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend vanaf de dag waarop de Vlaamse Milieumaatschappij vaststelt dat de heffingsplichtige voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2 tot en met 4.
3§2. Tussen de aanbieder van het circulair afvalwater en de ontvanger wordt een schriftelijke overeenkomst opgemaakt waarin de modaliteiten van de uitwisseling van het circulair afvalwater zijn opgenomen. De overeenkomst wordt opgesteld conform het model dat de Vlaamse Milieumaatschappij ter beschikking stelt.
4De overeenkomst die beide partijen ondertekenen, wordt door de aanbieder bezorgd aan de Vlaamse Milieumaatschappij.
5Elke wijziging in de inhoudelijke bepalingen van de schriftelijke overeenkomst wordt binnen dertig dagen vanaf de wijziging van de overeenkomst schriftelijk gemeld aan de Vlaamse Milieumaatschappij. De stopzetting van de uitwisseling van circulair afvalwater tussen de aanbieder en de ontvanger heeft het verval van de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, tot gevolg. In het voormelde geval vervalt de vrijstelling vanaf de dag waarop er een einde is gekomen aan de uitwisseling van circulair afvalwater tussen de aanbieder en de ontvanger.
6§3. De samenstelling van het aangeboden circulair afvalwater wordt bij de aanvang van de uitwisseling ervan bepaald aan de hand van een schepstaal dat een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, uitvoert en analyseert. Als op initiatief van de aanbieder een meetcampagne wordt uitgevoerd op de volledige bedrijfsafvalwaterstroom, vermeld in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid, van dit decreet, wordt de samenstelling van het circulair afvalwater aangetoond aan de hand van de meet- en bemonsteringsresultaten van de voormelde meetcampagne, op voorwaarde dat het circulair afvalwater wordt aangeboden na de meetinrichting van het geloosde afvalwater. De voormelde bemonsterings- en analyseresultaten worden opgenomen in de schriftelijke overeenkomst, vermeld in paragraaf 2.
7De aanbieder herhaalt jaarlijks de bemonstering en analyse van het aangeboden circulair afvalwater, tenzij het circulair afvalwater afkomstig is van bodemsaneringswerken, grindwinningen of bronbemalingen die zijn vrijgesteld op basis van artikel 4.2.1.1.3, 4.2.1.1.5 of 4.2.1.1.6. De aanbieder bezorgt de jaarlijkse bemonsterings- en analyseresultaten binnen dertig dagen vanaf de kennisname van de bemonsterings- en analyseresultaten aan de Vlaamse Milieumaatschappij.
8§4. De aanbieder meet het aangeboden circulair afvalwater gedurende het volledige jaar vóór het heffingsjaar, aan de hand van een verzegelde continue debietmeting met registratie conform de regels die de Vlaamse Regering vaststelt.
9§5. De ontvanger van het circulair afvalwater zorgt jaarlijks voor bemonstering en analyse als vermeld in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid, van de volledige bedrijfsafvalwaterstroom.
10De verplichting voor de ontvanger, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor de volgende categorieën heffingsplichtigen:
111° heffingsplichtigen die beschikken over het nullozersstatuut, vermeld in artikel 4.2.2.1.4;
122° heffingsplichtigen die het circulair afvalwater gebruiken voor activiteiten die ressorteren onder sector nummer 28.e of 62 als vermeld in bijlage 5, die bij dit decreet is gevoegd;
133° heffingsplichtigen die het circulair afvalwater gebruiken bij de uitvoering van taken van algemeen belang.
14Als de ontvanger uitzonderlijk voor een of meer componenten N1, N2, N3 of Nv niet over meet- en bemonsteringsgegevens beschikt, kan hij de toepassing van de afwijkende berekeningsmethode, vermeld in artikel 4.2.2.3.5, vragen. De toepassing van de voormelde afwijkende berekeningsmethode verhindert niet dat aan de aanbieder van het circulair afvalwater de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt toegekend.
15Als de ontvanger niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.2.2.3.5, vervalt de vrijstelling voor de aanbieder, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, voor het betreffende heffingsjaar en wordt de heffing op het aangeboden circulair afvalwater bepaald aan de hand van de formule, vermeld in artikel 4.2.2.3.1, met inachtname van de bemonsterings- en analyseresultaten, vermeld in paragraaf 3, van het schepstaal dat is genomen in het jaar vóór het heffingsjaar of van de meetcampagne die tijdens het jaar vóór het heffingsjaar is georganiseerd.
16Als de heffing op het circulair afvalwater wordt bepaald conform het vierde lid, wordt het jaarvolume geloosd afvalwater Qj gelijkgesteld aan de gemeten hoeveelheid aangeboden circulair afvalwater tijdens het jaar vóór het heffingsjaar, of het minimale volume circulair afvalwater opgenomen in de overeenkomst, vermeld in paragraaf 2, als de aanbieder van het circulair afvalwater het aangeboden volume circulair afvalwater in het jaar vóór het heffingsjaar niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting die voorzien is van registratie. Als het aangeboden circulair afvalwater maar is gemeten voor een gedeelte van het jaar vóór het heffingsjaar, wordt voor dat gedeelte het gemeten volume in aanmerking genomen. Voor het gedeelte van het jaar vóór het heffingsjaar waarin het volume niet is gemeten, wordt het minimale volume dat is opgenomen in de overeenkomst, vermeld in paragraaf 2, in aanmerking genomen, berekend op dagbasis.
17§6. Als het circulair afvalwater via een vaste constructie ter beschikking wordt gesteld aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die geen heffingsplichtige is voor de heffing op de waterverontreiniging in de zin van artikel 4.2.1.1.1, kan de aanbieder toch genieten van de vrijstelling opgenomen in paragraaf 1, eerste lid, als aan de voorwaarden van paragraaf 2 tot en met 5 voldaan wordt. De bemonstering en analyse van het eigen afvalwater van de ontvanger, gebeurt in dat geval conform de regelgeving van toepassing voor de plaats waar de ontvanger is gevestigd.
+18 −7 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.2.3.1
5waarin:5waarin:
6N1: de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de zuurstofbindende stoffen en de zwevende stoffen uitgedrukt in vervuilingseenheden;6N1: de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de zuurstofbindende stoffen en de zwevende stoffen uitgedrukt in vervuilingseenheden;
7Qd: het volume, uitgedrukt in liter, van het afvalwater geloosd in een etmaal tijdens de maand van grootste bedrijvigheid van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar;
7Qd: het volume, uitgedrukt in liter, van het afvalwater dat wordt geloosd in een etmaal tijdens het jaar vóór het heffingsjaar. Als de heffingsplichtige voor de meetinrichting van het geloosde afvalwater circulair afvalwater aanbiedt dat aanleiding geeft tot toekenning van de vrijstelling, vermeld in artikel 4.2.2.1.12, §1, en de Vlaamse Milieumaatschappij kan aantonen dat de Qd die tijdens de meetcampagne gemeten is, niet als representatief kan worden beschouwd voor het volume geloosd afvalwater in een etmaal tijdens de peri- ode van de grootste vervuiling, wordt Qd bepaald door het jaarvolume geloosd afvalwater Qj, dat wordt bepaald conform artikel 4.2.2.3.8, te delen door het aantal lozingsdagen tijdens het jaar vóór het heffingsjaar, tenzij dat aanleiding zou geven tot een lagere heffing. Als het circulair afvalwater dat aanleiding geeft tot toekenning van de vrijstelling, vermeld in artikel 4.2.2.1.12, §1, door de heffingsplichtige wordt aangeboden na de meetinrichting van het geloosde afvalwater, wordt Qd vermenigvuldigd met:
8waarbij Qc: het gemeten volume aangeboden circulair afvalwater in het jaar vóór het heffingsjaar of het minimale volume circulair afvalwater, vermeld in de overeenkomst, vermeld in artikel 4.2.2.1.12, §2, als de aanbieder van het circulair afvalwater het aangeboden volume circulair afvalwater in het jaar vóór het heffingsjaar niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting, voorzien van registratie. Als het aangeboden circulair afvalwater maar wordt gemeten voor een gedeelte van het jaar vóór het heffingsjaar, wordt voor dat gedeelte rekening gehouden met het gemeten volume. Voor het gedeelte van het jaar vóór het heffingsjaar waarin het volume niet is gemeten, wordt rekening gehouden met het minimale volume, vermeld in de voormelde overeenkomst, berekend op dagbasis;
8a:9a:
91° deze term is gelijk aan nul voor de heffingsplichtigen waterverontreining:101° deze term is gelijk aan nul voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging:
10a) die op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het beschouwde heffingsjaar zijn aangesloten op het openbaar hydrografisch net, zoals bedoeld in artikel 4.1.1, en op dezelfde datum bovendien beschikken over een omgevings- respectievelijk lozingsvergunning voor lozing op het openbaar hydrografisch net;11a) die op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het beschouwde heffingsjaar zijn aangesloten op het openbaar hydrografisch net, zoals bedoeld in artikel 4.1.1, en op dezelfde datum bovendien beschikken over een omgevings- respectievelijk lozingsvergunning voor lozing op het openbaar hydrografisch net;
11b) die op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het beschouwde heffingsjaar beschikken over een omgevings-, respectievelijk lozingsvergunning met normen voor lozen in de gewone oppervlaktewateren en die lozen in ofwel:12b) die op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het beschouwde heffingsjaar beschikken over een omgevings-, respectievelijk lozingsvergunning met normen voor lozen in de gewone oppervlaktewateren en die lozen in ofwel:
19CZV: de chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg/l, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft;20CZV: de chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg/l, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft;
20d: correctiefactor wanneer het gaat om seizoensgebonden of niet-continue activiteiten waarbij minder dan 225 kalenderdagen per jaar afvalwater wordt geloosd en hiervan het bewijs geleverd wordt; d is dan gelijk aan het quotiënt van het aantal dagen waarin afvalwater werd geloosd en 225.21d: correctiefactor wanneer het gaat om seizoensgebonden of niet-continue activiteiten waarbij minder dan 225 kalenderdagen per jaar afvalwater wordt geloosd en hiervan het bewijs geleverd wordt; d is dan gelijk aan het quotiënt van het aantal dagen waarin afvalwater werd geloosd en 225.
21Indien er in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar gedurende verschillende etmalen metingen zijn gebeurd van het dagdebiet en de samenstelling van het geloosde afvalwater , dan wordt als N1 het rekenkundig gemiddelde van de op dagbasis berekende N1-componenten genomen.22Als er in het jaar vóór het beschouwde heffingsjaar verschillende metingen zijn gedaan van de samenstelling van het geloosde afvalwater en, in voorkomend geval, van het dagdebiet, wordt als N1 het rekenkundig gemiddelde genomen van de N1-componenten die op dagbasis berekend zijn.
22Indien er in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar in verschillende maanden metingen zijn gebeurd van het dagdebiet en de samenstelling van het geloosde afvalwater, dan wordt als maand van de grootste bedrijvigheid die maand in aanmerking genomen waarvan het rekenkundig gemiddelde van de op dagbasis berekende N1-component het grootst is.
23N2 = Qjx [40 x (Hg) + 10 x (Ag + Cd) + 5 x (Zn + Cu) + 2 x (Ni) + 1 x (Pb + AS + Cr) ]23N2 = Qjx [40 x (Hg) + 10 x (Ag + Cd) + 5 x (Zn + Cu) + 2 x (Ni) + 1 x (Pb + AS + Cr) ]
241000241000
74180 1.350 50074180 1.350 500
75waarbij:75waarbij:
76Qdv: het gemiddelde volume afvalwater, uitgedrukt in liter, geloosd in een etmaal in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar. Het gemiddelde volume is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid. Indien enkel het volume afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar (Qj) beschikbaar is, wordt Qdv als volgt berekend:76Qdv: het gemiddelde volume afvalwater, uitgedrukt in liter, geloosd in een etmaal in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar. Het gemiddelde volume is het rekenkundig gemiddelde van alle Qd. Indien enkel het volume afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar (Qj) beschikbaar is, wordt Qdv als volgt berekend:
77Qdv = Qj x 100077Qdv = Qj x 1000
78225*d78225*d
94180 135094180 1350
95waarbij:95waarbij:
96Qdv: het gemiddelde volume afvalwater, uitgedrukt in liter, geloosd in een etmaal in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar. Het gemiddelde volume is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid. Indien enkel het volume afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar (Qj) beschikbaar is, wordt Qdv als volgt berekend:96Qdv: het gemiddelde volume afvalwater, uitgedrukt in liter, geloosd in een etmaal in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar. Het gemiddelde volume is het rekenkundig gemiddelde van alle Qd.. Indien enkel het volume afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar (Qj) beschikbaar is, wordt Qdv als volgt berekend:
97Qdv = Qj x 100097Qdv = Qj x 1000
98225*d98225*d
99BZV: de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg BZV/l. De gemiddelde concentratie is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid;99BZV: de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg BZV/l. De gemiddelde concentratie is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid;
100d: correctiefactor wanneer het gaat om seizoensgebonden of niet-continue activiteiten waarbij minder dan 225 kalenderdagen per jaar afvalwater wordt geloosd en hiervan het bewijs geleverd wordt; d is dan gelijk aan het quotiënt van het aantal dagen waarin afvalwater werd geloosd en 225.100d: correctiefactor wanneer het gaat om seizoensgebonden of niet-continue activiteiten waarbij minder dan 225 kalenderdagen per jaar afvalwater wordt geloosd en hiervan het bewijs geleverd wordt; d is dan gelijk aan het quotiënt van het aantal dagen waarin afvalwater werd geloosd en 225.
101In afwijking van de voorgaande bepalingen wordt de component Nv bij toepassing van de 30%-regel, vermeld in artikel 4.2.2.3.3., tweede lid, uitsluitend berekend op basis van de resultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij voor zover dat resulteert in een hogere vuilvracht.101In afwijking van wat is bepaald in het eerste lid, worden, bij toepassing van de 30%-regel, vermeld in artikel 4.2.2.3.3, tweede lid, de resultaten van de heffingsplichtige van de berekening van de component Nv uitgesloten als dat resulteert in een hogere N-waarde.
102Als een heffingsplichtige dit uitdrukkelijk vraagt, past de Vlaamse Milieumaat- schappij de bepalingen van het eerste lid, zoals gewijzigd bij het programmadecreet van 22 december 2023 bij de begroting 2024, ook toe op heffingsdossiers die betrekking hebben op het heffingsjaar 2020, 2021, 2022 of 2023, die voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1031° de heffing of aanvullende heffing, vermeld in artikel 4.2.4.5, §2, van dit decreet, is nog niet definitief vastgesteld op 1 januari 2024. Een heffing of aanvullende heffing is nog niet definitief vastgesteld als voldaan is aan een van de volgende voorwaarden:
104a) de heffing is nog niet opgenomen in een kohier als vermeld in artikel 4.2.4.5, §4, van dit decreet;
105b) de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een heffing of aanvullende heffing als vermeld in artikel 4.2.4.6, §1, van dit decreet, is nog niet verstreken;
106c) de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of de ambtenaar die door de leidend ambtenaar is gedelegeerd heeft nog geen beslissing genomen over het bezwaarschrift dat de heffingsplichtige conform artikel 4.2.4.6, §1, van dit decreet, tegen de heffing of aanvullende heffing heeft ingediend;
107d) de termijn voor het indienen van een fiscaal verzoekschrift op tegenspraak tegen de beslissing over het bezwaarschrift, vermeld in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, is nog niet verstreken;
108e) de heffing of aanvullende heffing is het voorwerp van een gerechtelijke procedure, waarin nog geen definitieve uitspraak werd gedaan;
1092° er zijn voor het jaar voor het heffingsjaar meet- en bemonsteringsresultaten beschikbaar, afkomstig van meerdere meetcampagnes uitgevoerd in opdracht van de heffingsplichtige of de Vlaamse Milieumaatschappij;
1103° tijdens de meetcampagne die bepalend is voor de N1-component, was er een eenmalige incidentele lozing van basisproducten of grondstoffen, die bij een normale productie niet samen met het bedrijfsafvalwater worden geloosd, maar in het eindproduct worden opgenomen. Het eenmalige incidentele karakter van de lozing wordt aangetoond door de meet- en bemonsteringsresultaten van de overige meetcampagnes.
111De heffingsplichtige vraagt de toepassing van het eerste lid, zoals gewijzigd bij het programmadecreet van 22 december 2023 bij de begroting 2024, zoals vermeld in het derde lid, aan de Vlaamse Milieumaatschappij uiterlijk op 31 december 2024 met een per post aangetekende brief. Uit de inhoud van die brief en de bijgevoegde stukken blijkt dat aan de voorwaarden, vermeld in het derde lid, is voldaan.
112Als de Vlaamse Milieumaatschappij de bepalingen van het eerste lid, zoals gewijzigd bij het programmadecreet van 22 december 2023 bij de begroting 2024, toepast, zoals vermeld in het derde en vierde lid, wordt in afwijking van artikel 418 van het WIB enkel het verschil tussen het oorspronkelijke heffingsbedrag, verhoogd met de eventuele heffingsverhoging, en het herrekende heffingsbedrag, verhoogd met de eventuele heffingsverhoging, terugbetaald aan de heffingsplichtige. De heffingsplichtige kan de eventuele kosten die verbonden zijn aan betwistingen over het oorspronkelijke heffingsbedrag, opgeworpen voor het indienen van de vraag, ver- meld in het derde en vierde lid, niet verhalen op de Vlaamse Milieumaatschappij.
+3 −3 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.2.3.3
1Heffingsplichtigen die de toepassing wensen van de in artikel 4.2.2.3.1. bedoelde berekeningsmethode moeten zelf zorgen voor meet- en bemonsteringsresultaten afkomstig van een op eigen initiatief uitgevoerde meetcampagne door een laboratorium vermeld in artikel 4.2.2.3.2.1Heffingsplichtigen die de toepassing wensen van de in artikel 4.2.2.3.1. bedoelde berekeningsmethode moeten zelf zorgen voor meet- en bemonsteringsresultaten afkomstig van een op eigen initiatief uitgevoerde meetcampagne door een laboratorium vermeld in artikel 4.2.2.3.2, uitgevoerd minstens in de periode van de grootste vervuiling.
2Indien de heffingsplichtige en de Vlaamse Milieumaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar monsternemingen hebben laten uitvoerenen de overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1. vastgestelde N1-waarde, berekend op basis van de resultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij 30% hoger ligt dan de N1-waarde bepaald op grond van de resultaten van de heffingsplichtige , worden de componenten N1, N2, N3 en Nv bedoeld in artikel 4.2.2.3.1. uitsluitend berekend op basis van de resultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij voor zover dit resulteert in een hogere vuilvracht.2Als in het jaar vóór het heffingsjaar de heffingsplichtige en de Vlaamse Milieumaatschappij en, in voorkomend geval, de toezichthouder, bevoegd voor milieuhandhaving, monsternemingen uitvoeren, en de N-waarde die conform artikel 4.2.2.3.1 is berekend op basis van het gemiddelde van alle resultaten van monsternemingen, met uitzondering van de resultaten die van de heffingsplichtige komen, 30% hoger ligt dan de N-waarde die is bepaald op grond van de resultaten van de meetcampagne van de heffingsplichtige met de hoogste vuilvracht, worden alle resultaten van de heffingsplichtige van de berekening van de componenten N1, N2, N3 en Nv, vermeld in artikel 4.2.2.3.1, uitgesloten.
3In dit geval worden de kosten voor monsterneming en analyses die als basis dienen voor bedoelde heffing ten laste gelegd van de heffingsplichtige, tenzij het verschil tussen de overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1. vastgestelde N-waarde, berekend op basis van de resultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij, en de N-waarde, bepaald op grond van de resultaten van de heffingsplichtige , kleiner is dan 50 VE.3In dit geval worden de door de Vlaamse Milieumaatschappij gedragen kosten voor monsterneming en analyses die als basis dienen voor bedoelde heffing ten laste gelegd van de heffingsplichtige, tenzij het verschil tussen de overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1. vastgestelde N-waarde, berekend op basis van het gemiddelde van alle resultaten van monsternemingen, met uitzondering van de resultaten die van de heffingsplichtige komen, en de N-waarde, die wordt bepaald op grond van de resultaten van de meetcampagne van de heffingsplichtige met de hoogste vuilvracht, kleiner is dan 50 VE.
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.2.3.4
1Indien de heffingsplichtige niet beschikt over geldige meet- en bemonsteringsgegevens, vermeld in artikel 4.2.2.3.3., én indien artikel 4.2.2.3.5. of 4.2.2.3.6. niet van toepassing is, kan de Vlaamse Milieumaatschappij de in artikel 4.2.2.3.1. bedoelde berekeningsmethode toepassen voor zover de nodige gegevens beschikbaar zijn en voor zover dit resulteert in een hogere vuilvracht dan de vuilvracht berekend volgens artikel 4.2.2.5.1 en 4.2.2.5.2., en dit zonder verhaal van de betrokken heffingsplichtige voor wat de keuze van de berekeningsmethode betreft. In dit geval worden de kosten van de campagne van de Vlaamse Milieumaatschappij ten laste gelegd van de heffingsplichtige.1Indien de heffingsplichtige niet beschikt over geldige meet- en bemonsteringsgegevens, vermeld in artikel 4.2.2.3.3., én indien artikel 4.2.2.3.5. of 4.2.2.3.6. niet van toepassing is, kan de Vlaamse Milieumaatschappij de in artikel 4.2.2.3.1. bedoelde berekeningsmethode toepassen voor zover de nodige gegevens beschikbaar zijn en voor zover dit resulteert in een hogere N-waarde dan die berekend volgens artikel 4.2.2.5.1 en 4.2.2.5.2., en dit zonder verhaal van de betrokken heffingsplichtige voor wat de keuze van de berekeningsmethode betreft. In dit geval worden de kosten van de campagne van de Vlaamse Milieumaatschappij ten laste gelegd van de heffingsplichtige.
+61 −33 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.2.3.8
1Het jaarvolume geloosd afvalwater Qj, bedoeld in artikel 4.2.2.3.1. wordt als volgt bepaald:1§1. Het jaarvolume geloosd afvalwater Qj, vermeld in artikel 4.2.2.3.1 van dit decreet, wordt op de volgende wijze bepaald:
21° op basis van een continu werkend debietmeetsysteem, waarbij doorlopend het geloosde dagdebiet wordt gemeten en dagelijks geregistreerd volgens de door de regering vastgestelde regels;
21° op basis van een continu werkend debietmeetsysteem, waarbij doorlopend het geloosde dagdebiet wordt gemeten en dagelijks wordt geregistreerd volgens de regels die de Vlaamse Regering vaststelt. Als de heffingsplichtige na de meetinrichting van het geloosde afvalwater circulair afvalwater aanbiedt dat aanleiding geeft tot toekenning van de vrijstelling, vermeld in artikel 4.2.2.1.12, §1, van dit decreet, wordt het aldus gemeten jaarvolume geloosd afvalwater Qj bij de aanbieder verminderd met de gemeten hoeveelheid aangeboden circulair afvalwater die is bepaald conform punt 2°, e);
32° als het jaarvolume geloosd afvalwater Qj niet is gemeten met debietmeetapparatuur bedoeld in 1°wordt Qj vastgesteld als de som van het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de drinkwatermaatschappij geleverde drinkwater en van de gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar ontvangen hoeveelheid grondwater, oppervlaktewater, hemelwateren ander wateruitgedrukt in m³, verminderd met de hoeveelheid water gebruikt als koelwater voor zo ver dit koelwater niet samen met het afvalwater geloosd wordt;32° als het jaarvolume geloosd afvalwater Qj niet is gemeten met de debietmeetapparatuur, vermeld in punt 1°, wordt het jaarvolume geloosd afvalwater Qj vastgesteld als de som van het drinkwater dat de drinkwatermaatschappij heeft geleverd in het jaar vóór het heffingsjaar, en de hoeveelheid grondwater, oppervlaktewater, hemelwater, circulair afvalwater en ander water, uitgedrukt in m³, die de heffingsplichtige gedurende het jaar vóór het heffingsjaar heeft ontvangen, verminderd met de hoeveelheid water die wordt gebruikt als koel- water, als dat koelwater niet samen met het afvalwater geloosd wordt, en verminderd met de hoeveelheid aangeboden circulair afvalwater;
4a) de af te trekken hoeveelheid koelwater is gelijk aan:4a) de voormelde af te trekken hoeveelheid koelwater wordt op de volgende wijze bepaald:
51) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels ;51) het volume wordt gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de regels die de Vlaamse Regering vaststelt;
62) indien de hoeveelheid gebruikt als koelwater niet is vastgesteld door middel van debietmeet-apparatuur wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het geloosde volume vergund koelwater zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;62) als de heffingsplichtige het volume niet kan aantonen met behulp van een continue debietmeting met registratie als vermeld in punt 1), wordt de hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het geloosde volume vergund koelwater, vermeld in artikel 4.2.2.3.1 van dit decreet;
73) als de debietmeting met registratie bedoeld in 1)geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:73) als de debietmeting met registratie, vermeld in punt 1), geen betrekking heeft op het volledige jaar vóór het heffingsjaar:
8i. voor de periode dat de hoeveelheid koelwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;8i) voor de periode waarin de hoeveelheid koelwater is gemeten: op basis van de tellerstanden van die periode;
9ii. voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijnwordt de overeenstemmende hoeveelheid koelwater vastgesteld overeenkomstig de bepaling van 2)en op dagbasis berekend;9ii) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn, wordt de overeenstemmende hoeveelheid koelwater vastgesteld conform punt 2), en op dagbasis berekend;
10b) de opgenomen hoeveelheid grondwater is gelijk aan:10b) de voormelde opgenomen hoeveelheid grondwater wordt op de volgende wijze bepaald:
111) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels ;111) het volume wordt gemeten aan de hand van een verzegelde continue debietmeting met registratie conform de regels die de Vlaamse Regering vaststelt, of het volume wordt bepaald conform paragraaf 2 of 3;
122) indien de heffingsplichtige het opgenomen grondwater niet kan aantonen met behulp van een verzegelde dagelijkse debietmeting met registratie voor het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan het grondwatervolume bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1, §2, 2° en 3°;122) als de heffingsplichtige het opgenomen grondwater niet kan aantonen met behulp van een verzegelde dagelijkse debietmeting met registratie als vermeld in punt 1), voor het volledige jaar vóór het heffingsjaar, en als de bepalingen van paragraaf 2 of 3 niet worden toegepast, wordt onweerlegbaar vermoed dat de hoeveelheid gelijk is aan het grondwatervolume dat wordt bepaald conform artikel 4.2.3.1, §2, eerste lid, 2° en 3°, van dit decreet;
13c) de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater is gelijk aan:13c) de voormelde opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater wordt op de volgende wijze bepaald:
141) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels ;141) het volume wordt gemeten aan de hand van een verzegelde continue debietmeting met registratie conform de regels die de Vlaamse Regering bepaalt, of het volume wordt bepaald conform paragraaf 2 of 3;
152) wanneer de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater niet vastgesteld is door middel van een verzegelde debietmeting met registratie , wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het gecapteerde volume water dat de beheerder van de betrokken waterweg het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in aanmerking heeft genomen voor het bepalen van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang zoals bedoeld in hoofdstuk IVvan het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991;152) als de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater niet vastgesteld is met een verzegelde debietmeting met registratie als vermeld in punt 1), en als de bepalingen van paragraaf 2 of 3 niet worden toegepast, wordt de hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het gecapteerde volume water dat de beheerder van de waterweg in kwestie tijdens het jaar vóór het heffingsjaar in aanmerking heeft genomen om de vergoeding te bepalen voor de vergunning voor de watervang, vermeld in titel II, hoofdstuk IV, van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, of voor onttrekkingen uit onbevaarbare waterlopen en publieke grachten het debiet van het water en de hoeveelheid water die opgenomen wordt volgens de melding, vermeld in artikel 30, §3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 tot uitvoering van diverse bepalingen uit de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare water- lopen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft het toezicht op de naleving van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
163) bij ontstentenis van debietmeting bedoeld in 1) en van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang bedoeld in 2)wordt onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater gelijk is aan de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m³ per uur en vermenigvuldigd met T. Daarbij is:163) als er geen debietmeting als vermeld in punt 1), is uitgevoerd, als de bepalingen van paragraaf 2 of 3 niet worden toegepast en als de vergoeding voor de vergunning voor de watervang of de melding voor onttrekkingen uit onbevaarbare waterlopen en publieke grachten, vermeld in punt 2), ontbreekt, wordt onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater gelijk is aan de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m³ per uur en vermenigvuldigd met T. Daarbij is:
17i. voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit: T=200;17i) voor seizoensgebonden irrigatie in openlucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit: T=200;
18ii. voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur: T=10x het reële aantal dagen dat de oppervlaktewaterwinning in gebruik geweest is;18ii) voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur: T=10x het reële aantal dagen dat de oppervlaktewaterwinning in gebruik geweest is;
19iii. in de overige gevallen: T=2000;19iii) in de overige gevallen: T=2000;
204) als de debietmeting bedoeld in 1)geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:204) als de debietmeting, vermeld in punt 1), geen betrekking heeft op het volledige jaar vóór het heffingsjaar:
21i. voor de periode dat de hoeveelheid oppervlaktewater werd gemeten: op basis van tellerstanden van deze periode;21i) voor de periode dat de hoeveelheid oppervlaktewater is gemeten: op basis van tellerstanden van die periode;
22ii. voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijnwordt de overeenstemmende hoeveelheid oppervlaktewater naargelang het geval vastgesteld volgens de bepalingen van 2 ) of 3) en op dagbasis berekend;22ii) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn, wordt de overeenstemmende hoeveelheid oppervlaktewater naargelang het geval vastgesteld conform paragraaf 2 of 3 en, als de bepalingen van paragraaf 2 of 3 niet worden toegepast, conform punt 2) of 3) op dagbasis berekend;
23d) voor de toepassing van dit artikel wordt onder hemelwater verstaan, het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de in bijlage 5 vermelde sectoren, of vervuild wordt, of samen met het afvalwater geloosd wordt. De ontvangen hoeveelheid hemelwater is gelijk aan:
23d) de hoeveelheid van het voormelde hemelwater wordt op de volgende wijze bepaald:
241) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de Regering vastgestelde regels;241) het volume wordt gemeten aan de hand van een verzegelde continue debietmeting met registratie conform de regels die de Vlaamse Regering bepaalt, of het volume wordt bepaald conform paragraaf 2 of 3;
252) indien de heffingsplichtige het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar volume ontvangen hemelwater niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmetingvoorzien van registratie , wordt de hoeveelheid hemelwater gelijkgesteld aan 800 l/m² afspoelbare of vervuilde oppervlakte, tenzij de heffingsplichtige aan de hand van de gegevensafkomstig van het Koninklijk Meteorologisch Instituut, kan aantonen dat de neerslag kleiner is dan 800 l/m² ;252) als de heffingsplichtige het ontvangen hemelwater in het jaar vóór het heffingsjaar niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting, voorzien van registratie als vermeld in punt 1), en als de bepalingen van paragraaf 2 of 3 niet worden toegepast, wordt de hoeveelheid hemelwater gelijkgesteld aan 800 l/m² afspoelbare of vervuilde oppervlakte, tenzij de heffingsplichtige aan de hand van de gegevens, afkomstig van het Koninklijk Meteorologisch Instituut, kan aantonen dat de neerslag kleiner dan 800 l/m² is;
263) als de debietmeting met registratie bedoeld in 1)geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:263) als de debietmeting met registratie, vermeld in punt 1), geen betrekking heeft op het volledige jaar vóór het heffingsjaar:
27i. voor de periode dat de hoeveelheid hemelwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;27i) voor de periode waarin de hoeveelheid hemelwater is gemeten: op basis van de tellerstanden van die periode;
28ii) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn, wordt de overeenstemmende hoeveelheid hemelwater vastgesteld conform paragraaf 2 of 3 en, als de bepalingen van paragraaf 2 en 3 niet worden toegepast, conform punt 2) of 3) op dagbasis berekend;
29e) de hoeveelheid van het voormelde circulair afvalwater wordt op de volgende wijze vastgesteld:
301) het volume circulair afvalwater dat de aanbieder heeft gemeten aan de hand van een continue verzegelde debietmeting met registratie conform de regels die de Vlaamse Regering vaststelt krachtens artikel 4.2.2.1.12, §4, van dit decreet;
312) als de aanbieder van het circulair afvalwater het volume circulair afvalwater dat in het jaar vóór het heffingsjaar wordt aangeboden, niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting, voorzien van registratie als vermeld in punt 1), het minimale volume circulair afvalwater dat is opgenomen in de overeenkomst, vermeld in artikel 4.2.2.1.12, §2, van dit decreet;
323) als de debietmeting met registratie, vermeld in punt 1), geen betrekking heeft op het volledige jaar vóór het heffingsjaar:
33i) voor de periode waarin de hoeveelheid ontvangen circulair afvalwater is gemeten: op basis van de tellerstanden van die periode;
28ii. voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijnwordt de overeenstemmende hoeveelheid hemelwater vastgesteld overeenkomstig de bepaling van 2) en op dagbasis berekend;34ii) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn, wordt de overeenstemmende hoeveelheid ontvangen circulair afvalwater vastgesteld conform punt 2) en op dagbasis berekend;
35f) de voormelde af te trekken hoeveelheid aangeboden circulair afvalwater wordt bepaald conform punt e);
293° als de debietmeting met registratie bedoeld in punt 1°geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:363° als de debietmeting met registratie, vermeld in punt 1°, geen betrekking heeft op het volledige jaar vóór het heffingsjaar:
30a) voor de periode dat de geloosde hoeveelheid afvalwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;37a) voor de periode waarin de geloosde hoeveelheid afvalwater is gemeten: op basis van de tellerstanden van die periode;
31b) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijnwordt de overeenstemmende geloosde hoeveelheid afvalwater vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van punt 2° en op dagbasis berekend.38b) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn, wordt de overeenstemmende geloosde hoeveelheid afvalwater vastgesteld conform punt 2° en op dagbasis berekend.
39In het eerste lid wordt verstaan onder hemelwater: het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de sectoren, vermeld in bijlage 5, die bij dit decreet is gevoegd, of vervuild wordt, of samen met het afvalwater geloosd wordt.
32De systemen voor registratie van het debiet, vermeld in dit artikel, die vóór 1 januari 2004 in gebruik zijn genomen, worden verzegeld door de Vlaamse Milieumaatschappij. De overige debietmeetsystemen worden bij de indienstneming verzegeld door de leverancier, de externe installateur of een laboratorium als vermeld in artikel 4.2.2.3.2. Deze verplichting geldt niet voor de meetsystemen waarmee het geloosde debiet wordt gemeten. Als de verzegeling verbroken wordt, verwittigt de heffingsplichtige onmiddellijk de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing en gebruikt hiervoor het formulier dat de Vlaamse Milieumaatschappij ter beschikking stelt.40De systemen voor registratie van het debiet, vermeld in dit artikel, die vóór 1 januari 2004 in gebruik zijn genomen, worden verzegeld door de Vlaamse Milieumaatschappij. De overige debietmeetsystemen worden bij de indienstneming verzegeld door de leverancier, de externe installateur of een laboratorium als vermeld in artikel 4.2.2.3.2. De voormelde verplichting geldt niet voor de meetsystemen waarmee het geloosde debiet wordt gemeten. Als de verzegeling verbroken wordt, brengt de heffingsplichtige onmiddellijk de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij op de hoogte die belast zijn met de controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing. De heffingsplichtige gebruikt daarvoor het formulier dat de Vlaamse Milieumaatschappij ter beschikking stelt.
33In geval van het resetten van de debietmeetsystemenvermeld in deze paragraafin het jaar voorafgaand aan het heffingsjaarworden de tellerstanden voor dat jaar voor de berekening van de heffing uitgesloten.41Als de debietmeetsystemen, vermeld in deze paragraaf, gereset worden in het jaar vóór het heffingsjaar, worden de tellerstanden voor dat jaar uitgesloten van de berekening van de heffing.
42§2. Als de heffingsplichtige in de loop van het jaar vóór het heffingsjaar of uiterlijk bij de indiening van een tijdig bezwaarschrift tegen de heffing van het betreffende heffingsjaar overgaat tot ingebruikname van een verzegelde continue debietmeeting, kan hij de Vlaamse Milieumaatschappij, uiterlijk in het voormelde bezwaarschrift, schriftelijk verzoeken om de tellerstanden van de verzegelde continue debietmeting in aanmerking te nemen bij de berekening van de heffing.
43Als de Vlaamse Milieumaatschappij het verzoek, vermeld in het eerste lid, aanvaardt, wordt het volume voor het deel van het jaar waarvoor de heffingsplichtige niet beschikt over tellerstanden, vastgesteld op 1,5 keer het volume dat gemeten is in de overeenkomstige periode in het eerste jaar dat volgt op de datum van installatie, berekend op dagbasis.
44Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op voorwaarde dat:
451° het volume dat conform het tweede lid wordt gebruikt, gemeten is door een verzegelde continue debietmeting met registratie conform de regels die de Vlaamse Regering vaststelt;
462° de heffingsplichtige de tellerstanden van het continu werkende debietmeetsysteem die gebruikt worden voor de vestiging van de heffing conform het tweede lid, aan de Vlaamse Milieumaatschappij bezorgt uiterlijk dertig dagen nadat deze overeenkomstige periode in het eerste jaar dat volgt op de installatie, afloopt;
473° het verzegelde continu werkende debietmeetsysteem in gebruik is genomen conform paragraaf 1;
484° in het jaar vóór het heffingsjaar, de waterhuishouding vergelijkbaar is met de waterhuishouding in de periode die wordt gebruikt om de heffing vast te stellen conform het tweede lid;
495° als het verzoek een grondwaterwinning betreft, die grondwaterwinning in het jaar vóór het heffingsjaar vergund is met toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer of conform titel II van het VLAREM en de bijlagen bij dat besluit gevoegd of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
506° het verzoek betrekking heeft op een eigenwaterwinning waar niet eerder een continue debietmeting in gebruik is genomen;
517° uit de bewijsstukken bij de aanvraag blijkt dat aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° tot en met 6°, is voldaan.
52§3. Als de heffingsplichtige als gevolg van een defect aan een verzegeld continu werkend debietmeetsysteem van een eigenwaterwinning voor een deel van het jaar vóór het heffingsjaar niet beschikt over correcte tellerstanden, kan hij uiterlijk bij de indiening van een tijdig bezwaarschrift tegen de heffing de Vlaamse Milieumaatschappij schriftelijk verzoeken om de tellerstanden van het verzegelde continu werkende debietmeetsysteem te berekenen aan de hand van de tellerstanden van de drie opeenvolgende voorgaande heffingsjaren.
53Als de Vlaamse Milieumaatschappij het verzoek, vermeld in het eerste lid, aanvaardt, wordt het volume voor de periode waarin het defect zorgde voor de afwezigheid van een correcte registratie, vastgesteld op 1,5 keer het rekenkundig gemiddelde van het volume dat geregistreerd is door het debietmeetsysteem dat gebruikt is voor de drie opeenvolgende voorgaande heffingsjaren, berekend op dagbasis.
54Samen met het heffingsjaar waarvoor de heffingsplichtige de afwijking vraagt, vormen de heffingsjaren waarvan de tellerstanden in rekening gebracht worden, vier opeenvolgende heffingsjaren.
55Het eerste tot en met het derde lid zijn van toepassing op voorwaarde dat:
561° het volume dat conform het tweede lid wordt gebruikt, gemeten is door een verzegelde continue debietmeting met registratie conform de regels die de Vlaamse Regering vaststelt;
572° het bewijs van herstel of vervanging van het verzegelde continu werkende debietmeetsysteem door een externe installateur bij de aanvraag wordt gevoegd;
583° bij de aanvraag technisch onderbouwd wordt waarom het debietmeetsysteem defect was;
594° in het jaar vóór het heffingsjaar de waterhuishouding vergelijkbaar is met de waterhuishouding in de periode die wordt gebruikt om de heffing conform het tweede lid vast te stellen;
605° als het verzoek een grondwaterwinning betreft, de grondwaterwinning op het ogenblik waarop het grondwater in het jaar vóór het heffingsjaar wordt gewonnen, vergund is met toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer of conform titel II van het VLAREM en de bijlagen bij dat besluit gevoegd of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
616° uit de bewijsstukken bij de aanvraag blijkt dat aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° tot en met 5°, is voldaan.
+2 −0 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.2.4.1
272° de lozing in een ander oppervlaktewater een voordeliger effect op de waterkwaliteit en het milieu heeft dan lozing in het oppervlaktewater waaruit wordt opgenomen; en272° de lozing in een ander oppervlaktewater een voordeliger effect op de waterkwaliteit en het milieu heeft dan lozing in het oppervlaktewater waaruit wordt opgenomen; en
283° de lozing in hetzelfde oppervlaktewater geen nadelig effect op de waterkwaliteit en het milieu zou hebben voor het oppervlaktewater waaruit wordt opgenomen.283° de lozing in hetzelfde oppervlaktewater geen nadelig effect op de waterkwaliteit en het milieu zou hebben voor het oppervlaktewater waaruit wordt opgenomen.
29Als een heffingsplichtige effluentwater opneemt van een openbare waterzuiveringsinstallatie en het afvalwater afkomstig van dit effluentwater loost in hetzelfde oppervlaktewater als waarin het effluentwater door de openbare waterzuiveringsinstallatie zou worden geloosd indien dit niet zou zijn opgenomen door de heffingsplichtige, kan de vuilvracht van het effluentwater conform de bepalingen van het eerste lid, in mindering worden gebracht van deze van het geloosde afvalwater. Deze regeling is ook van toepassing als de heffingsplichtige in een ander opper- vlaktewater loost conform de bepalingen van het tweede lid.
30Een heffingsplichtige kan na filtratie van het opgenomen effluentwater of oppervlaktewater een bepaalde retentaatstroom terugsturen naar de openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie. Er wordt geen heffing op de waterverontreiniging gevestigd op deze retentaatstroom als de rechtspersoon die het zuiveringstechnisch werk exploiteert uitdrukkelijk toestemming geeft voor het terugsturen ervan.
29§2. De bemonstering en de analyses van de parameters, vermeld in paragraaf 1, worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater en oppervlaktewater als vermeld in artikel 6, 5°, a) , van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.31§2. De bemonstering en de analyses van de parameters, vermeld in paragraaf 1, worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater en oppervlaktewater als vermeld in artikel 6, 5°, a) , van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.
30§3. De Regering kan de nadere regels vaststellen aangaande de wijze waarop de gegevens met betrekking tot het gebruikte oppervlaktewater kunnen worden bepaald voor de toepassing van de in §1 aangegeven berekeningsmethode.32§3. De Regering kan de nadere regels vaststellen aangaande de wijze waarop de gegevens met betrekking tot het gebruikte oppervlaktewater kunnen worden bepaald voor de toepassing van de in §1 aangegeven berekeningsmethode.
+9 −22 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.2.5.2
1Voor de toepassing van artikel 4.2.2.5.1. wordt onder Q verstaan:1Voor de toepassing van artikel 4.2.2.5.1. wordt onder Q verstaan:
2het waterverbruik berekend als de som van het door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar gefactureerd waterverbruik en van de gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op een andere wijze ontvangen hoeveelheid grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en ander water, uitgedrukt in m³.2het waterverbruik berekend als de som van het door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar gefactureerd waterverbruik en van de gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op een andere wijze ontvangen hoeveelheid grondwater, oppervlaktewater, hemelwater circulair afvalwater en ander water, verminderd met de hoeveelheid aangeboden circulair afvalwater, uitgedrukt in m³.
3Q wordt als volgt berekend:3Q wordt op de volgende wijze berekend:
41° het gefactureerde waterverbruik wordt bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 4.2.2.5.1.;41° het gefactureerde waterverbruik wordt bepaald conform artikel 4.2.2.5.1;
52° de opgenomen hoeveelheid grondwater is gelijk aan:
6a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
7b) indien de heffingsplichtige het opgenomen grondwater niet kan aantonen met behulp van een verzegelde dagelijkse debietmeting met registratie voor het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan het grondwatervolume bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1., §2, 2° en 3° ;
83° de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater is gelijk aan:
9a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
10b) wanneer het opgenomen volume oppervlaktewater niet vastgesteld is door middel van een verzegelde debietmeting met registratie wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het gecapteerde volume water dat de beheerder van de betrokken waterweg het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in aanmerking heeft genomen voor het bepalen van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang zoals bedoeld in hoofdstuk IV van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, of voor onttrekkingen uit onbevaarbare waterlopen en publieke grachten het debiet en de hoeveelheid water die opgenomen wordt volgens de melding, vermeld in artikel 30, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 tot uitvoering van diverse bepalingen uit de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft het toezicht op de naleving van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
11c) bij ontstentenis van debietmeting bedoeld in a) en van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang of de melding voor onttrekkingen uit onbevaarbare waterlopen en publieke grachten bedoeld in b) wordt onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater gelijk is aan de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m³ per uur en vermenigvuldigd met T. Daarbij is:
121) voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit: T = 200;
132) voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur: T = 10 x het reële aantal dagen dat de oppervlaktewaterwinning in gebruik geweest is;
143) in de overige gevallen: T = 2000;
15d) als de debietmeting bedoeld in a) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
161) voor de periode dat de hoeveelheid oppervlaktewater werd gemeten: op basis van tellerstanden van deze periode;
172) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid oppervlaktewater naargelang het geval vastgesteld volgens de bepalingen van b) of c) en op dagbasis berekend;
52° de opgenomen hoeveelheid grondwater is gelijk aan de hoeveelheid die wordt bepaald conform artikel 4.2.2.3.8, §1, eerste lid, 2°, b);
63° de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater is gelijk aan de hoeveelheid die wordt bepaald conform artikel 4.2.2.3.8, §1, eerste lid, 2°, c);
74° de ontvangen hoeveelheid hemelwater is gelijk aan de hoeveelheid die wordt bepaald conform artikel 4.2.2.3.8, §1, eerste lid, 2°, d);
85° de hoeveelheid ontvangen circulair afvalwater is gelijk aan de hoeveelheid die wordt bepaald conform artikel 4.2.2.3.8, §1, eerste lid, 2°, e);
96° de af te trekken hoeveelheid aangeboden circulair afvalwater is gelijk aan de hoeveelheid die wordt bepaald conform artikel 4.2.2.3.8, §1, eerste lid, 2°, f).
184° voor de toepassing van deze onderafdeling wordt onder hemelwater verstaan, het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de in bijlage 5 vermelde sectoren en/of vervuild wordt. De ontvangen hoeveelheid hemelwater is gelijk aan:10In het eerste en het tweede lid wordt onder hemelwater verstaan: het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de sectoren, vermeld in bijlage 5, die bij dit decreet is gevoegd, of dat vervuild wordt.
19a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
20b) indien de heffingsplichtige het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar volume gebruikt of vervuild hemelwater niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting voorzien van registratie, wordt de hoeveelheid hemelwater gelijkgesteld aan 800 l/m² afspoelbare of vervuilde oppervlakte, tenzij de heffingsplichtige aan de hand van de gegevens afkomstig van het Koninklijk Meteorologisch Instituut, kan aantonen dat de neerslag kleiner is dan 800 l/m²;
21c) als de debietmeting met registratie bedoeld in a) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
221) voor de periode dat de hoeveelheid hemelwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;
232) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid hemelwater vastgesteld overeenkomstig de bepaling van b) en op dagbasis berekend.
24De systemen voor registratie van het debiet, vermeld in dit artikel, die vóór 1 januari 2004 in gebruik zijn genomen, worden verzegeld door de Vlaamse Milieumaatschappij. De overige debietmeetsystemen worden bij de indienstneming verzegeld door de leverancier, de externe installateur of een laboratorium als vermeld in artikel 4.2.2.3.2. Als de verzegeling verbroken wordt, verwittigt de heffingsplichtige onmiddellijk de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing. De heffingsplichtige gebruikt hiervoor het formulier dat de Vlaamse Milieumaatschappij ter beschikking stelt.11De systemen voor registratie van het debiet, vermeld in dit artikel, die vóór 1 januari 2004 in gebruik zijn genomen, worden verzegeld door de Vlaamse Milieumaatschappij. De overige debietmeetsystemen worden bij de indienstneming verzegeld door de leverancier, de externe installateur of een laboratorium als vermeld in artikel 4.2.2.3.2. Als de verzegeling verbroken wordt, verwittigt de heffingsplichtige onmiddellijk de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing. De heffingsplichtige gebruikt hiervoor het formulier dat de Vlaamse Milieumaatschappij ter beschikking stelt.
25In geval van het resetten van de debietmeetsystemen, vermeld in deze paragraaf, in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar worden de tellerstanden voor dat jaar voor de berekening van de heffing uitgesloten.12In geval van het resetten van de debietmeetsystemen, vermeld in deze paragraaf, in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar worden de tellerstanden voor dat jaar voor de berekening van de heffing uitgesloten.
+3 −3 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.3.1
32De indexering gebeurt elk jaar ambtshalve op 1 januari. Het aangepast bedrag wordt afgerond op de hogere eurocent.32De indexering gebeurt elk jaar ambtshalve op 1 januari. Het aangepast bedrag wordt afgerond op de hogere eurocent.
33§2. De hoeveelheid grondwater die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd gewonnen wordt als volgt bepaald:33§2. De hoeveelheid grondwater die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd gewonnen wordt als volgt bepaald:
341° op basis van een continue debietmeting met registratie volgens de door de Regering vastgestelde regels ;341° op basis van een continue debietmeting met registratie volgens de door de Regering vastgestelde regels of de hoeveelheid grondwater die is bepaald conform artikel 4.2.2.3.8, §2 of §3, van dit decreet;
352° als de opgenomen hoeveelheid grondwater niet gemeten is aan de hand van een continue debietmeting als vermeld in punt 1°wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan:352° als de opgenomen hoeveelheid grondwater niet gemeten is aan de hand van een continue debietmeting als vermeld in punt 1°, en er geen toepassing wordt gemaakt van artikel 4.2.2.3.8, §2 of §3, van dit decreet wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan:
36a) als de grondwaterwinning op het ogenblik waarop het grondwater in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar wordt gewonnen met toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer of conform de bepalingen van het VLAREM of van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning is vergund:36a) als de grondwaterwinning op het ogenblik waarop het grondwater in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar wordt gewonnen met toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer of conform de bepalingen van het VLAREM of van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning is vergund:
371) als in de vergunning een hoeveelheid op jaarbasis is vermeld: deze hoeveelheid;371) als in de vergunning een hoeveelheid op jaarbasis is vermeld: deze hoeveelheid;
453° als de debietmeting met registratie geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:453° als de debietmeting met registratie geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
46a) voor de periode dat de opgenomen hoeveelheid grondwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;46a) voor de periode dat de opgenomen hoeveelheid grondwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;
47b) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijnwordt de overeenstemmende hoeveelheid grondwater vastgesteld volgens de bepalingen van punt 2° en op dagbasis berekend.47b) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn, wordt de overeenstemmende hoeveelheid grondwater vastgesteld conform artikel 4.2.2.3.8, §2 of §3, van dit decreet, en, als er geen toepassing van de voormelde bepalingen wordt gemaakt conform punt 2°, op dagbasis berekend.
48Bij toepassing van de punten 2° en 3° uit het eerste lid behouden de daartoe bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij bedoeld in artikel 5.4.2.1. de mogelijkheid over te gaan tot het opleggen van een boete bedoeld in artikel 5.4.2.2.48Bij toepassing van de punten 2° en 3° uit het eerste lid behouden de daartoe bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij bedoeld in artikel 5.4.2.1. de mogelijkheid over te gaan tot het opleggen van een boete bedoeld in artikel 5.4.2.2.
49In geval van het resetten van het debietmeetsysteem met registratie, vermeld in deze paragraaf, in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar worden de tellerstanden voor dat jaar voor de berekening van de heffing uitgesloten.49In geval van het resetten van het debietmeetsysteem met registratie, vermeld in deze paragraaf, in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar worden de tellerstanden voor dat jaar voor de berekening van de heffing uitgesloten.
+17 −17 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. Bijlage 5
2060,4122060,412
2070,4122070,412
20821.a
20921.b
210Horeca :
211a) hotels, motels restaurants, jeugdherbergen en cafés
212b) pensions, bungalowparken, campings, pretparken en diergaarden
2131 m3 gebruikt water
2141 m3 gebruikt water
2150,02
2160,02
2170,001
2180,001
2190,009
2200,009
2210
2220
2230,030
2240,030
22522.a20822.a
22622.b20922.b
6500.0036330.003
6510.0096340.009
63562
636Water gebruikt bij beregening of op peil hou- den van vijvers door andere heffingsplichti- gen dan land- en tuinbouw- bedrijven
6371 m³ gebruikt water
6380,015/100
6390,001/100
6400,009/100
6410
6420,000
64363
644Niet elders genoemde acti- viteiten met uit- sluitend NACE-
645BEL-codes 47 of 53 tot en met 99 (inclu- sief sanitair afvalwater)
6461 m³ gebruikt water
6470,017
6480,001
6490,009
6500
6510,027
652Voor de toepassing van de nummering 53 wordt onder een gesaneerde zuivelfabriek verstaan een zuivelfabriek waarin goede voorzieningen ter beperking van de vervuilingsgraad zijn getroffen, als het opvangen van drupmelk, het terughouden van het bezinksel uit het boterwaswater, het opvangen van de perswei, het voorkomen van lekverliezen en dergelijke.652Voor de toepassing van de nummering 53 wordt onder een gesaneerde zuivelfabriek verstaan een zuivelfabriek waarin goede voorzieningen ter beperking van de vervuilingsgraad zijn getroffen, als het opvangen van drupmelk, het terughouden van het bezinksel uit het boterwaswater, het opvangen van de perswei, het voorkomen van lekverliezen en dergelijke.
653Voor de toepassing van de nummeringen die als grondslag "1 m³ gebruikt water" vermelden wordt onder aantal m³ gebruikt water verstaan de hoeveelheid gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar verbruikte water Q, zoals gedefinieerd in artikel 4.2.2.5.1, verminderd met het koelwater K, zoals gedefinieerd in artikel 4.2.2.3.1 van deze wet.653Voor de toepassing van de nummeringen die als grondslag "1 m³ gebruikt water" vermelden wordt onder aantal m³ gebruikt water verstaan de hoeveelheid gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar verbruikte water Q, zoals gedefinieerd in artikel 4.2.2.5.1, verminderd met het koelwater K, zoals gedefinieerd in artikel 4.2.2.3.1 van deze wet.
+7 −0 decreet-1997-02-25/art. 87quinquies nieuw
1Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon basisonderwijs voor het schooljaar 20TT-1–20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van februari van 20TT-4 of 20TT-3 of 20TT-2 meer dan 50 procent regelmatige leerlingen lager onderwijs telden die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, c), van dit decreet.
2Voor de maatregel, vermeld in het eerste lid en in artikel 48/2 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, wordt voor het basis- en secundair onderwijs samen vanaf 2024 jaarlijks een bedrag van 20 miljoen euro voorzien. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 79, §3, derde lid, 2°, van dit decreet.
3Het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt over het basis- en secundair onderwijs verdeeld op basis van het aandeel van het onderwijsniveau in het totale aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari van het jaar 20TT-2 die voldoen aan het leerlingenkenmerk 3, vermeld in artikel 242, §1, eerste lid, 1°, c), van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 en in artikel 78, §1, 1°, c), van dit decreet, en voor zover zij ingeschreven zijn in de scholen of centra die voldoen aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid of in artikel 48/2, eerste lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
4Het extra werkingsbudget per school voor het betrokken schooljaar is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat beantwoordt aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, c), van dit decreet, op de eerste schooldag van februari van jaar 20TT-2 in de school met het binnen de begroting voorziene werkingsbudget, vermeld in dit artikel, voor het basisonderwijs voor dat schooljaar gedeeld door het totale aantal regelmatige leerlingen gewoon lager onderwijs in de scholen die voldoen aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, dat op de eerste schooldag van februari van jaar 20TT-2 beantwoordt aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, c), van dit decreet.
5Het extra werkingsbudget wordt aangewend om leerlingen met een te beperkte kennis van het Nederlands extra te ondersteunen.
6Het extra werkingsbudget voor het betrokken schooljaar wordt aan de schoolbesturen in minstens twee schijven uitbetaald, waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50% van het extra werkingsbudget van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt.
7De regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten het extra werkingsbudget, vermeld in dit artikel, verhogen.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 153quaterdecies
1Vanaf het schooljaar 2021-2022 tot en met het schooljaar 2023-2024 wordt een lerarenplatform opgezet om tijdelijk aangestelde personeelsleden werkzekerheid te bieden.1Vanaf het schooljaar 2021-2022 wordt een lerarenplatform opgezet om tijdelijk aangestelde personeelsleden werkzekerheid te bieden.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 153viciesquinquies
1Deze afdeling treedt in werking op 1 september 2021 en houdt op uitwerking te hebben op het einde van het schooljaar 2023-2024.1Deze afdeling treedt in werking op 1 september 2021.
+26 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 47/1 nieuw
1§1. Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget van 10.000.000 euro toegekend aan de scholen voor het voltijds gewoon secundair onderwijs, de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en de centra voor de vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, voor materiaalintensieve structuuronderdelen. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 243, §3, derde lid, 2°.
2Met materiaalintensieve structuuronderdelen wordt bedoeld:
31° groep 1:
4a) alle niet-duale structuuronderdelen van de finaliteit arbeidsmarkt, behalve binnen het studiedomein taal en cultuur en het studiedomein economie en organisatie;
5b) alle niet-duale structuuronderdelen van de onderwijsvorm bso, behalve de studiegebieden toerisme, handel en maatschappelijke veiligheid;
6c) alle niet-duale structuuronderdelen van de opleidings-, kwalificatie- en integratiefase van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs;
72° groep 2:
8a) alle niet-duale structuuronderdelen van de dubbele finaliteit, behalve binnen het studiedomein economie en organisatie, het studiedomein maatschappij en welzijn met uitzondering van het niet-duale structuuronderdeel mode, het studiedomein taal en cultuur, de niet-duale structuuronderdelen ballet, creatie en mode en fotografie binnen het studiedomein kunst en creatie en het niet-duale structuuronderdeel toerisme binnen het studiedomein voeding en horeca;
9b) alle niet-duale structuuronderdelen binnen het studiegebied beeldende kunsten van de onderwijsvorm kso;
10c) alle niet-duale structuuronderdelen van de onderwijsvorm tso, behalve de studiegebieden handel, personenzorg, toerisme en maatschappelijke veiligheid;
113° groep 3:
12a) alle duale structuuronderdelen van de finaliteit arbeidsmarkt, behalve binnen het studiedomein taal en cultuur en het studiedomein economie en organisatie;
13b) alle duale structuuronderdelen van de dubbele finaliteit, behalve binnen het studiedomein economie en organisatie, het studiedomein maatschappij en welzijn met uitzondering van het duale structuuronderdeel mode, het studiedomein taal en cultuur, de duale structuuronderdelen ballet, creatie en mode en fotografie binnen het studiedomein kunst en creatie en het duale structuuronderdeel toerisme binnen het studiedomein voeding en horeca;
14c) alle duale structuuronderdelen binnen de onderwijsvormen bso en tso, behalve binnen het studiegebied handel, het studiegebied personenzorg tso en het studiegebied toerisme;
15d) alle opleidingen binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
16e) alle duale structuuronderdelen van de kwalificatie- en integratiefase van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs.
17§2. Een basisbedrag per gewogen regelmatige leerling wordt bekomen door het extra werkingsbudget, vermeld in paragraaf 1, te delen door het aantal gewogen regelmatige leerlingen op de teldatum voor de berekening van de werkingsbudgetten voor het schooljaar 20TT-1 - 20TT, vermeld in artikel 169 tot en met 172 en artikel 357/26 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 en in artikel 86, §1, 2°, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel voor leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.
18De regelmatige leerlingen, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gewogen: 1° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 1, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, worden gewogen aan factor 1;
192° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 2, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, worden gewogen aan factor 0,75;
203° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 3, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°, worden gewogen aan factor 0,50.
21§3. Het extra werkingsbudget per school of centrum is het resultaat van de vermenigvuldiging van het basisbedrag per gewogen regelmatige leerling, vermeld in paragraaf 2, met het aantal gewogen regelmatige leerlingen in de school of het centrum op de reguliere teldatum voor de berekening van de werkingsbudgetten voor het schooljaar 20TT-1 - 20TT, vermeld in artikel 169 tot en met 172 en artikel 357/26 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, en in artikel 86, §1, 2°, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel voor leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.
22De regelmatige leerlingen, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gewogen:
231° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 1, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, worden gewogen aan factor 1;
242° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 2, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, worden gewogen aan factor 0,75;
253° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 3, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°, worden gewogen aan factor 0,50.
26§4. Het extra werkingsbudget wordt aan de school- en centrumbesturen uitbetaald uiterlijk op 30 juni van het jaar 20TT.
+7 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 48/2 nieuw
1Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs voor het schooljaar 20TT-1– 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van februari van 20TT-4 of 20TT-3 of 20TT-2 meer dan 50 procent regelmatige leerlingen telden die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 242, §1, eerste lid, 1°, c), van deze codex.
2Voor de maatregel, vermeld in het eerste lid en in artikel 87quinquies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, wordt voor het basis- en secundair onderwijs samen vanaf 2024 jaarlijks een bedrag van 20 miljoen euro voorzien. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 79, §3, derde lid, 2°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997.
3Het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt over het basis- en secundair onderwijs verdeeld op basis van het aandeel van het onderwijsniveau in het totale aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari van het jaar 20TT-2 die voldoen aan het leerlingenkenmerk 3, vermeld in artikel 78, §1, 1°, c), van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en in artikel 242, §1, eerste lid, 1°, c), van deze codex, en voor zover zij ingeschreven zijn in de scholen of centra die voldoen aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid of in artikel 87quinquies, eerste lid, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997.
4Het extra werkingsbudget per school of centrum voor het betrokken schooljaar is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal regelmatige leerlingen dat beantwoordt aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 242, §1, eerste lid, 1°, c), van deze codex, op de eerste schooldag van februari van jaar 20TT-2 in de school of het centrum met het binnen de begroting voorziene werkingsbudget, vermeld in dit artikel, voor het secundair onderwijs voor dat schooljaar gedeeld door het totale aantal regelmatige leerlingen gewoon secundair onderwijs in de scholen of centra die voldoen aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, dat op de eerste schooldag van februari van jaar 20TT-2 beantwoordt aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 242, §1, eerste lid, 1°, c), van deze codex.
5Het extra werkingsbudget wordt aangewend om leerlingen met een te beperkte kennis van het Nederlands extra te ondersteunen.
6Het extra werkingsbudget voor het betrokken schooljaar wordt aan de school-of centrumbesturen in minstens twee schijven uitbetaald, waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50% van het extra werkingsbudget van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt.
7De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten het extra werkingsbudget, vermeld in dit artikel, verhogen.
+16 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 48/3 nieuw
1Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, tot en met het begrotingsjaar 2027, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onder- wijs voor het schooljaar 20TT-1 – 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 voldoen aan de volgende voorwaarden:
21° de school of het centrum heeft op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten minste dertig regelmatige leerlingen meer dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in de eerste graad B-stroom, alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen;
32° de hoofdvestigingsplaats van de school of het centrum is gelegen in een onderwijszone waar in de eerste graad B-stroom, alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 hoger is dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1.
4Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, tot en met het begrotings- jaar 2027, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onder- wijs voor het schooljaar 20TT-1 – 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 voldoen aan een van de volgende voorwaarden: 1° de school of het centrum heeft op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten minste 30 procent meer regelmatige leerlingen dan op de eerste schooldag
5van februari van 20TT-1 in de eerste graad B-stroom;
62° de school of centrum had op de eerste schooldag van februari 20TT-1 nog geen aanbod eerste graad B-stroom, en heeft wel een aanbod eerste graad B-stroom op de eerste schooldag van oktober 20TT-1.
7Een school die aan een van de in het tweede lid bepaalde voorwaarden voldoet, komt slechts in aanmerking indien de hoofdvestigingsplaats van de school of het centrum is gelegen in een onderwijszone waar in de eerste graad B-stroom het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 hoger is dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1.
8Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, tot en met het begrotingsjaar 2027, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onder- wijs voor het schooljaar 20TT-1 – 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 voldoen aan de volgende voorwaarden:
91° de school of het centrum heeft op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten minste 30 procent meer regelmatige leerlingen dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen;
102° de hoofdvestigingsplaats van de school of het centrum is gelegen in een onderwijszone waar in alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 hoger is dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1.
11Voor de maatregelen, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt vanaf 2024 jaarlijks in een bedrag van 10 miljoen euro voorzien. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 243, §3, derde lid, 2°.
12Het extra werkingsbudget per school of centrum voor het betrokken schooljaar is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal bijkomende regelmatige leerlingen in de school of het centrum in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten opzichte van het aantal regelmatige leerlingen in de school of het centrum in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 met het binnen de begroting voorziene werkingsbudget, vermeld in dit artikel, gedeeld door het totale aantal bijkomende regelmatige leerlingen in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 in alle scholen en centra die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid, ten opzichte van het aantal regelmatige leerlingen in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in alle scholen en centra die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid.
13Het bedrag dat een school of centrum ontvangt per bijkomende regelmatige leerling kan niet meer bedragen dan 11.000 euro. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 243, §3, derde lid, 2°.
14Scholen en centra die voor het schooljaar 20TT-1 – 20TT de eerste schooldag van oktober hanteren als teldatum als vermeld in artikel 86, §2, derde lid, van het decreet betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap en in artikel 171 en 172, §1, komen voor het betrokken schooljaar niet in aanmerking voor het extra werkingsbudget, vermeld in dit artikel.
15Het extra werkingsbudget voor het betrokken schooljaar wordt aan de school- of centrumbesturen vóór 1 februari van het betrokken schooljaar betaald.
16De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten het bedrag, vermeld in het vijfde lid, verhogen.
+1 −0 decreet-1998-07-07-1006281/art. 2
15§ 2/10. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst van (1 januari 2018 - 31 december 2021) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald.15§ 2/10. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst van (1 januari 2018 - 31 december 2021) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald.
16§ 2/11. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in uitvoering van de overeenkomst (01/01/2020 - 31/12/2021) tussen het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het RIZIV en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald.16§ 2/11. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in uitvoering van de overeenkomst (01/01/2020 - 31/12/2021) tussen het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het RIZIV en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald.
17§2/12. Het Fonds wordt gespijsd met middelen van het Minafonds die het Minafonds heeft ontvangen conform artikel 3 van de Saneringsovereenkomst tussen de Vlaamse Regering enerzijds en 3M Belgium van 6 juli 2022.
17§ 3. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven van de administratie Gezondheidszorg aangerekend, zowel voor personeel, als voor werking of uitrusting, voorzover deze uitgaven verband houden met onderzoek dat door derden wordt betaald, betrekking hebben op het centraal beheer van het informatiesysteem, op de kosten gegenereerd door de uitvoering van het protocolakkoord van 20 maart 2003 gesloten tussen de Federale Overheid en de Overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet betreffende de harmonisering van het vaccinatiebeleid en het aanhangsel bij het protocolakkoord van 20 maart 2003, over de harmonisering van het vaccinatiebeleid inzake het netwerk voor de distributie van vaccins en inzake het akkoord gesloten tussen de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad of op het preventief gezondheidsbeleid.18§ 3. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven van de administratie Gezondheidszorg aangerekend, zowel voor personeel, als voor werking of uitrusting, voorzover deze uitgaven verband houden met onderzoek dat door derden wordt betaald, betrekking hebben op het centraal beheer van het informatiesysteem, op de kosten gegenereerd door de uitvoering van het protocolakkoord van 20 maart 2003 gesloten tussen de Federale Overheid en de Overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet betreffende de harmonisering van het vaccinatiebeleid en het aanhangsel bij het protocolakkoord van 20 maart 2003, over de harmonisering van het vaccinatiebeleid inzake het netwerk voor de distributie van vaccins en inzake het akkoord gesloten tussen de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad of op het preventief gezondheidsbeleid.
18§ 3/1. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven van de administratie Zorg en Gezondheid aangerekend, zowel voor personeel, als voor werking of uitrusting voor zover deze uitgaven verband houden met de uitvoering van Europese overeenkomsten.19§ 3/1. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven van de administratie Zorg en Gezondheid aangerekend, zowel voor personeel, als voor werking of uitrusting voor zover deze uitgaven verband houden met de uitvoering van Europese overeenkomsten.
+0 −5 decreet-2012-12-21/art. 57 opgeheven
1§ 1. Er wordt een Fonds Administratieve Toeristische boeten opgericht, hierna genoemd « het fonds ».
2§ 2. Het fonds is een begrotingsfonds als vermeld in artikel 15, §2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019.
3§ 3. Het fonds wordt gespijsd door de invordering van de administratieve boeten bepaald in artikel 22 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende de toeristische logies.
4§ 4. Het fonds wordt aangewend voor de uitvoering en handhaving van de Vlaamse toeristische vergunningenregelgeving en voor initiatieven om de Vlaamse toeristische sector te sensibiliseren van het nut en de kwaliteit van een toeristische vergunning.
5§ 5. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het fonds.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd