Tot wijziging van de Codex Hoger Onderwijs en het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, wat betreft de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen en de rechtspositieregeling van de bestuursrechters (opschrift gewijzigd door de commissie: ... tot wijziging van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 en het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, wat betreft de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen en de rechtspositieregeling van de bestuursrechters) #1511
Gemerged Vlaamse Regering voegde 16 artikels samen in decreet-2014-04-04 · 12 december 2022 Alle checks geslaagd
16 artikels gewijzigd
| 4 | b) de Raad voor Vergunningsbetwistingen, opgericht bij artikel 4.8.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en waaraan tevens bevoegdheden toegekend worden bij artikel 105 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en artikel 43 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017; | 4 | b) de Raad voor Vergunningsbetwistingen, opgericht bij artikel 4.8.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en waaraan tevens bevoegdheden toegekend worden bij artikel 105 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en artikel 43 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017; |
| 5 | c) de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, opgericht bij artikel 202 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011; | 5 | c) de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, opgericht bij artikel 202 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011; |
| 6 | d) de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, opgericht bij artikel II.285 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013; | ||
| 6 | 2° Vlaamse bestuursrechtscolleges: alle instanties, vermeld in punt 1°, samen; | 7 | 2° Vlaamse bestuursrechtscolleges: alle instanties, vermeld in punt 1°, samen; |
| 7 | 3° bestuursrechter: de effectieve, aanvullende of plaatsvervangende bestuursrechter ; | 8 | 3° bestuursrechter: de effectieve, aanvullende of plaatsvervangende bestuursrechter of de bijzitter; |
| 8 | 4° voorzitter: de voorzitter van een Vlaams bestuursrechtscollege; | 9 | 4° voorzitter: de voorzitter van een Vlaams bestuursrechtscollege; |
| 9 | 5° algemene vergadering: de effectieve bestuursrechters van de Vlaamse bestuursrechtscolleges, met uitzondering van de bestuursrechters, vermeld in artikel 91, § 4, maar met toevoeging van de voorzitter van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen; | 10 | 5° algemene vergadering: de effectieve bestuursrechters van de Vlaamse bestuursrechtscolleges, met uitzondering van de bestuursrechters, vermeld in artikel 91, § 4, maar met toevoeging van de voorzitter van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen; |
| 3 | Indien een bestuursrechter overeenkomstig het tweede lid wordt ter beschikking gesteld, hoort de eerste voorzitter de betrokken bestuursrechter en motiveert hij zijn beslissing. | 3 | Indien een bestuursrechter overeenkomstig het tweede lid wordt ter beschikking gesteld, hoort de eerste voorzitter de betrokken bestuursrechter en motiveert hij zijn beslissing. |
| 4 | De terbeschikkingstelling van een bestuursrechter aan een Vlaams bestuursrechtscollege kan enkel voor zover de bestuursrechter over voldoende kennis beschikt in de domeinen waarvoor dat Vlaams bestuursrechtscollege bevoegd is. | 4 | De terbeschikkingstelling van een bestuursrechter aan een Vlaams bestuursrechtscollege kan enkel voor zover de bestuursrechter over voldoende kennis beschikt in de domeinen waarvoor dat Vlaams bestuursrechtscollege bevoegd is. |
| 5 | De aanvullende bestuursrechters, vermeld in artikel 49, § 2, en 91, § 3, de plaatsvervangende bestuursrechters, vermeld in artikel 91, § 1, en de effectieve, aanvullende en plaatsvervangende bestuursrechters vermeld in artikel 91, § 4, zijn uitgesloten van de toepassing van het tweede lid. | 5 | De aanvullende bestuursrechters, vermeld in artikel 49, § 2, en 91, § 3, de bijzitters, vermeld in artikel 49, §2, de plaatsvervangende bestuursrechters, vermeld in artikel 91, § 1, en de effectieve, aanvullende en plaatsvervangende bestuursrechters vermeld in artikel 91, § 4, zijn uitgesloten van de toepassing van het tweede lid. |
| 1 | De voorzitter van een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b) , wordt aangesteld onder en door de effectieve bestuursrechters die benoemd of aangesteld zijn bij dat Vlaams bestuursrechtscollege. | 1 | De voorzitter van een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a), b) en d), wordt aangesteld onder en door de effectieve bestuursrechters die benoemd of aangesteld zijn bij dat Vlaams bestuursrechtscollege. |
| 2 | De voorzitter van een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, c), wordt aangesteld onder en door de effectieve, aanvullende en plaatsvervangende bestuursrechters die benoemd zijn bij dat Vlaams bestuursrechtscollege. | 2 | De voorzitter van een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, c), wordt aangesteld onder en door de effectieve, aanvullende en plaatsvervangende bestuursrechters die benoemd zijn bij dat Vlaams bestuursrechtscollege. |
| 3 | Het betreft een mandaat van vijf jaar, dat eenmaal kan worden hernieuwd. | 3 | Het betreft een mandaat van vijf jaar, dat eenmaal kan worden hernieuwd. |
| 6 | De kamervoorzitter bewaakt de eenheid van rechtspraak of rechtsvorming in zijn kamer. | 6 | De kamervoorzitter bewaakt de eenheid van rechtspraak of rechtsvorming in zijn kamer. |
| 7 | De eerste voorzitter kan aanvullende kamers samenstellen. Hij kan daarbij afwijken van de regels die zijn vastgesteld in het huishoudelijk reglement. | 7 | De eerste voorzitter kan aanvullende kamers samenstellen. Hij kan daarbij afwijken van de regels die zijn vastgesteld in het huishoudelijk reglement. |
| 8 | In afwijking van het derde lid stelt de eerste voorzitter alle kamers van het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), samen uit één kamervoorzitter en twee bijzitters. | ||
| 9 | In afwijking van het vierde lid kan de eerste voorzitter de kamervoorzitters van het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), niet aanwijzen onder de bijzitters. | ||
| 3 | De eerste voorzitter of, als die wordt gewraakt, de oudste kamervoorzitter doet zo spoedig mogelijk uitspraak over het verzoek tot wraking. Als het verzoek wordt ingewilligd, wordt de gewraakte bestuursrechter vervangen. | 3 | De eerste voorzitter of, als die wordt gewraakt, de oudste kamervoorzitter doet zo spoedig mogelijk uitspraak over het verzoek tot wraking. Als het verzoek wordt ingewilligd, wordt de gewraakte bestuursrechter vervangen. |
| 4 | De bestuursrechter die weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, onthoudt zich van de zaak en laat zich vervangen. | 4 | De bestuursrechter die weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, onthoudt zich van de zaak en laat zich vervangen. |
| 5 | Naast de redenen, vermeld in het tweede lid, gelden voor het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), de volgende bijkomende redenen tot wraking: | ||
| 6 | 1° de redenen, vermeld in artikel 829, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek; | ||
| 7 | 2° de hoedanigheid van lid van een rechtspersoon als vermeld in artikel 24, §4, van de Grondwet, verantwoordelijk voor de universiteit of de hogeschool waaraan de kwestieuze beslissing werd genomen, of van een personeelslid van die universiteit of hogeschool; | ||
| 8 | 3° de hoedanigheid, vermeld in punt 2°, hebben gehad in een periode van drie jaar die aan het ingestelde beroep voorafgaat. | ||
| 1 | De decreten, vermeld in artikel 2, 1°, a) en b) , stellen de personen vast die beroep kunnen instellen tegen een bestreden beslissing, alsook de daarvoor geldende termijnen. | 1 | De decreten, vermeld in artikel 2, 1°, a), b) en d), stellen de personen vast die beroep kunnen instellen tegen een bestreden beslissing, alsook de daarvoor geldende termijnen. |
| 1 | In afwijking van artikel 16 van dit decreet verloopt de procedure voor een rechtstreeks beroep betreffende de in artikel II.285, tweede lid, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 bedoelde aanpassing van het leerkrediet bij overmachtsituaties, na mededeling van een vereenvoudigde procedurekalender louter schriftelijk en volgt er geen concrete oproeping van de partijen tenzij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), van dit decreet, het noodzakelijk acht voor de behandeling van de zaak of tenzij een van de partijen uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoekt om gehoord te worden. | ||
| 2 | Het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), oordeelt onverwijld bij beschikking van de kamervoorzitter of gevolg wordt gegeven aan het verzoek, vermeld in het eerste lid. |
| 1 | Als er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, kan de kamervoorzitter bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd. | ||
| 2 | De kamervoorzitter beslist ter zake bij beschikking. De beschikking vermeldt de identiteit van de partij of de derde die het stuk moet overleggen en de wijze waarop en de termijn waarbinnen dat moet gebeuren. De beschikking wordt via het meest gerede communicatiemiddel verzonden aan de partijen en bij beveiligde zending aan een derde. | ||
| 3 | Als het verzoek een aanpassing van het leerkrediet betreft, kan het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), bij de betrokken instellingen van het hoger onderwijs informatie opvragen met het oog op de verificatie van de voorgelegde feiten. |
| 1 | Het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), beoordeelt of studievoortgangsbeslissingen in overeenstemming zijn met: | ||
| 2 | 1° de decretale en reglementaire bepalingen en het onderwijs- en examenreglement; | ||
| 3 | 2° de algemene administratieve beginselen. | ||
| 4 | Het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), stelt zijn appreciatie betreffende de waarde van een kandidaat niet in de plaats van die van het bestuur of enig orgaan dat werkt onder de verantwoordelijkheid van het bestuur. |
| 1 | §1. De behandeling van het verzoekschrift door het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), leidt tot: | ||
| 2 | 1° de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid of de ongegrondheid ervan; of | ||
| 3 | 2° de gemotiveerde vernietiging van de onrechtmatig genomen studievoortgangsbeslissing, in welk geval het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), het bestuur kan bevelen een nieuwe beslissing te nemen, onder de door het Vlaamse bestuursrechtscollege te stellen voorwaarden. Deze voorwaarden kunnen inhouden dat: | ||
| 4 | a) een nieuwe examen(tucht)beslissing afhankelijk wordt gemaakt van de organisatie van een nieuw examen of een onderdeel daarvan. Het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), kan de termijn en de materiële voorwaarden bepalen waaronder deze organisatie moet gebeuren; | ||
| 5 | b) een nieuwe beslissing houdende toekenning van een bewijs van bekwaamheid in voorkomend geval afhankelijk wordt gemaakt van de organisatie van een nieuw bekwaamheidsonderzoek of een onderdeel daarvan. Het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), kan de termijn en de materiële voorwaarden bepalen waaronder deze organisatie moet gebeuren; | ||
| 6 | c) welbepaalde onregelmatige of onredelijke motieven bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing niet worden betrokken; | ||
| 7 | d) welbepaalde regelmatige en redelijke motieven bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing kennelijk in ogenschouw moeten worden genomen. | ||
| 8 | De termijn voor het nemen van een nieuwe beslissing overeenkomstig het eerste lid, 2°, bedraagt ten minste zeven kalenderdagen. | ||
| 9 | In het geval bedoeld onder het eerste lid, 2°, kan het Vlaamse bestuurs- rechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), zo het dit op grond van de aangedragen feiten kennelijk noodzakelijk acht, bevelen dat de verzoeker in afwachting van een nieuwe beslissing voorlopig ingeschreven wordt, alsof geen nadelige studievoortgangsbeslissing was genomen. | ||
| 10 | §2. Bij de behandeling van een verzoekschrift dat als voorwerp een studievoortgangsbeslissing heeft zoals bepaald in artikel I.3, 69°, i), van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, oordeelt het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), van dit decreet, of er in voorkomend geval al dan niet sprake is van een niet-remedieerbare overmacht en de onmogelijkheid om voor de betrokken student om organisatorische redenen een aangepaste examenregeling uit te werken. | ||
| 11 | §3. Het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), antwoordt in de uitspraken op alle opmerkingen van de partijen die de aan het geschil te geven oplossing kunnen beïnvloeden. |
| 5 | Het gemotiveerd verzoek wordt per beveiligde zending aan de eerste voorzitter bezorgd. | 5 | Het gemotiveerd verzoek wordt per beveiligde zending aan de eerste voorzitter bezorgd. |
| 6 | De eerste voorzitter beslist over het gemotiveerde verzoek. | 6 | De eerste voorzitter beslist over het gemotiveerde verzoek. |
| 7 | In afwijking van het eerste lid worden de arresten die worden uitgesproken in uitvoering van artikel II.204, §3, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 slechts gepubliceerd door beslissing van de voorzitter van het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), van dit decreet, wanneer deze arresten een belang kunnen hebben voor de rechtspraak of het juridisch onderzoek, en onder voorbehoud van depersonalisatie. | ||
| 5 | 3° een grondige kennis hebben van procesvoering en rechtsbescherming in bestuurlijke of rechterlijke aangelegenheden; | 5 | 3° een grondige kennis hebben van procesvoering en rechtsbescherming in bestuurlijke of rechterlijke aangelegenheden; |
| 6 | 4° een grondige kennis hebben van het Vlaams onteigeningsrecht. | 6 | 4° een grondige kennis hebben van het Vlaams onteigeningsrecht. |
| 7 | In afwijking van het tweede lid voldoen de effectieve bestuursrechters die benoemd worden bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), minstens aan al de volgende benoemingsvoorwaarden: | ||
| 8 | 1° houder zijn van het diploma van licentiaat of master in de rechten; 2° een grondige kennis hebben van het Vlaamse onderwijsrecht; | ||
| 9 | 3° een grondige kennis hebben van procesvoering en rechtsbescherming in bestuurlijke of rechterlijke aangelegenheden. | ||
| 7 | § 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan de Vlaamse Regering bij het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, c), aanvullende bestuursrechters benoemen op voordracht van de algemene vergadering voor een periode van zes jaar, die hernieuwbaar is. | 10 | § 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan de Vlaamse Regering bij het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, c), aanvullende bestuursrechters benoemen op voordracht van de algemene vergadering voor een periode van zes jaar, die hernieuwbaar is. |
| 8 | In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, kan niemand als aanvullende bestuursrechter worden benoemd tenzij hij zijn deskundigheid kan aantonen op het vlak van publiek recht, politieke wetenschappen of bestuurswetenschappen. | 11 | In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, kan niemand als aanvullende bestuursrechter worden benoemd bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, c), tenzij hij zijn deskundigheid kan aantonen op het vlak van publiek recht, politieke wetenschappen of bestuurswetenschappen. |
| 12 | Naast de effectieve bestuursrechters kan de Vlaamse Regering bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), aanvullende bestuursrechters benoemen op voordracht van de algemene vergadering voor een periode van zes jaar, die hernieuwbaar is. | ||
| 13 | Niemand kan als aanvullende bestuursrechter worden benoemd bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), tenzij hij minstens voldoet aan de benoemingsvoorwaarden, bepaald in paragraaf 1, derde lid. | ||
| 14 | De Vlaamse Regering benoemt de bijzitters bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), op voordracht van de algemene vergadering voor een periode van zes jaar, die hernieuwbaar is. | ||
| 15 | De bijzitters die benoemd worden bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), voldoen minstens aan al de volgende benoemingsvoorwaarden: | ||
| 16 | 1° op het ogenblik van de benoeming minstens vijf jaar belast zijn met een onderwijsopdracht als lid van het academisch of onderwijzend personeel van een instelling die binnen het toepassingsgebied valt van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, en die ten hoogste drie jaar voor de benoeming is beëindigd; | ||
| 17 | 2° een grondige kennis hebben van het hoger onderwijs; | ||
| 18 | 3° een grondige kennis hebben van de beroepsprocedures in het hoger onderwijs. | ||
| 9 | § 3. De Vlaamse Regering verklaart de functie van bestuursrechter vacant. | 19 | § 3. De Vlaamse Regering verklaart de functie van bestuursrechter vacant. |
| 10 | § 4. De kandidaten worden geselecteerd door een selectiecommissie. De selectie beoogt de bekwaamheid die vereist is voor de uitoefening van het ambt van bestuursrechter te beoordelen. De algemene vergadering bepaalt de samenstelling van de selectiecommissie. De selectiecommissie stelt het programma van de selectieproef vast en legt dat ter bekrachtiging voor aan de algemene vergadering. | 20 | § 4. De kandidaten worden geselecteerd door een selectiecommissie. De selectie beoogt de bekwaamheid die vereist is voor de uitoefening van het ambt van bestuursrechter te beoordelen. De algemene vergadering bepaalt de samenstelling van de selectiecommissie. De selectiecommissie stelt het programma van de selectieproef vast en legt dat ter bekrachtiging voor aan de algemene vergadering. |