Tot wijziging van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, en het Mestdecreet van 22 december 2006 #160
Gemerged 




cd&v, N-VA, Vooruit voegde 27 artikels samen in decreet-2003-07-18mestdecreet · 10 december 2024 4 checks vragen aandacht
27 artikels gewijzigd
Art. 2. Aan artikel 1.3.2.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“De bepalingen die gelden in en rond afgebakende oeverzones zijn minimaal gelijk aan de bepalingen, vermeld in artikel 1.3.2.2, §1, derde lid, 1° tot en met 4°.”.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
Art. 3. Aan artikel 1.3.2.2, §1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 24 juni 2022, worden een tweede tot en met achtste lid toegevoegd, die luiden als volgt:
“Op percelen gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3 en waarop als hoofdteelt een nitraatgevoelige teelt wordt verbouwd, en die gelegen zijn langs oppervlaktewaterlichamen die zijn opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas, gelden vanaf 1 januari 2025 de volgende bijkomende bepalingen:
1° het gebruik van pesticiden is als vermeld in artikel 3 van het decreet van 8 februari 2013 houdende duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest, verboden in de oeverzone en binnen 5 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam. Van dat verbod kan worden afgeweken in de gevallen, vermeld in artikel 7, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet, en volgens de procedures, vastgesteld ter uitvoering van dat decreet;
2° binnen 5 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een oppervlaktewaterlichaam mag geen nitraatgevoelige teelt aanwezig zijn.
In afwijking van het eerste lid, 1° tot en met 3°, gelden voor oeverzones die enkel de taluds omvatten en die gelegen zijn langs oppervlaktewaterlichamen die zijn opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas, vanaf 1 januari 2026 de volgende bepalingen:
1° in de beschermingsstrook is elke vorm van bemesting verboden, met inbegrip van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing. In afwijking hiervan is elke vorm van bemesting met inbegrip van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, verboden over een strook van minimaal 10 meter vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas, voor percelen gelegen in het Vlaams Ecologisch Netwerk of voor percelen waar een helling grenst aan de waterloop.
In afwijking hiervan is op de beschermingsstrook of de strook van 10 meter bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing toegestaan, als de beschermingsstrook of in voorkomend geval de strook van 10 meter:
a) hetzij behoort tot een perceel waarop als hoofdteelt gras verbouwd wordt;
b) hetzij in geval van tijdelijke begrazing voor het onderhoud van de beschermingsstrook of de strook van 10 meter;
2° het gebruik van pesticiden als vermeld in artikel 3 van het decreet van 8 februari 2013 houdende duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest, is verboden in de beschermingsstrook. Van dat verbod kan worden afgeweken in de gevallen, vermeld in artikel 7, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet, en volgens de procedures, vastgesteld ter uitvoering van dat decreet;
3° op de beschermingsstrook is hetzij spontane vegetatie aanwezig, hetzij vanaf 1 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam een meerjarig buffergewas;
Vlaams Parlement160 (2024-2025) – Nr. 3 3
4° bewerkingen, uitgevoerd buiten de beschermingsstrook, moeten beantwoorden aan de code van goede landbouwpraktijken;
5° in de beschermingsstrook zijn bewerkingen met inbegrip van het betreden of berijden van de beschermingsstrook, verboden. Op het gedeelte vanaf 1 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam, zijn de volgende uitzonderingen op het bewerkingsverbod toegestaan:
a) beschermingsstroken waarop niet-houtige vegetatie aanwezig is. Hiervoor is het toegelaten om te maaien op voorwaarde dat het maaien niet gebeurt in de periode vanaf 15 maart tot en met 15 juli;
b) bewerkingen die noodzakelijk zijn om probleemonkruiden mechanisch te bestrijden en op voorwaarde dat de bestrijding van de onkruiden gericht en pleksgewijs gebeurt;
c) bewerkingen die nodig zijn om het meerjarig buffergewas te vernieuwen, met dien verstande dat dit maximaal eenmaal om de drie jaar mogelijk is;
d) het louter rijden over de beschermingsstrook als gevolg van het gebruik van de beschermingsstrook als wendakker, met dien verstande dat bij het toepassen van deze uitzondering er maximaal getracht moet worden om de beschermingsstrook niet te beschadigen;
e) bewerkingen voor het uitvoeren van activiteiten of werkzaamheden als vermeld in het eerste lid, 4°, a) tot en met e).
Bij het verbouwen van een buffergewas als vermeld in het derde lid, 3°, of het uitvoeren van bewerkingen als vermeld in het derde lid, 5°, wordt er voor gezorgd dat de stabiliteit van het talud gegarandeerd blijft.
In afwijking van het derde lid kan, mits voorafgaandelijk positief advies van de waterloopbeheerders en mits dit geen risico’s voor de waterveiligheid met zich meebrengt, de Vlaamse Regering in de zone binnen 1 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam, bepaalde maatregelen toestaan.
De beschermingsstrook als vermeld in het derde lid is een strook die onderdeel is van of gelegen is langs een perceel landbouwgrond en dat vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas:
1° minimaal 3 meter is;
2° in afwijking van punt 1° is de beschermingsstrook minimaal 5 meter voor percelen:
a) hetzij gelegen in de gebieden, vermeld in artikel 10, §1, 7°, c), van het Pachtdecreet van 13 oktober 2023;
b) hetzij gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3 en waarop als hoofdteelt een nitraatgevoelige teelt wordt verbouwd.
De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de toepassing van deze paragraaf, kan bepalen welke planten als probleemonkruid beschouwd worden, kan aan de toegestane grondbewerkingen als vermeld in het derde lid extra voorwaarden verbinden, waaronder het beperken van de periode waarbinnen deze grondbewerkingen uitgevoerd mogen worden en kan voor percelen waarvoor de toepassing van de afwijking, vermeld in het zesde lid, 2°, b), een verhoudingsgewijs grote impact heeft, de afwijking, vermeld in het zesde lid, 2°, b), beperken.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
1° gebiedstype 2: gebiedstype 2 als vermeld in artikel 3, §2, 7°, van het Mestdecreet van 22 december 2006;
2° gebiedstype 3: gebiedstype 3 als vermeld in artikel 3, §2, 8°, van het Mestdecreet van 22 december 2006;
3° landbouwgrond: landbouwgrond als vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
4° meerjarig buffergewas: gras, meerjarige vlinderbloemigen of meerjarige mengsels met vlinderbloemigen of houtige gewassen. De Vlaamse Regering kan de lijst met meerjarige buffergewassen aanpassen;
5° nitraatgevoelige teelt: een teelt die geen niet-nitraatgevoelige teelt als vermeld in artikel 3, §6, 16°/1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, is.”.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | Dit decreet heeft tot doel de bescherming van het leefmilieu door de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten en fosfaten uit agrarische bronnen te verminderen, verdere verontreiniging van die aard te voorkomen, bij te dragen tot de realisatie van een goede toestand van de watersystemen en de beperking van de luchtverontreiniging als gevolg van de productie en het gebruik van meststoffen. | 1 | Dit decreet heeft tot doel de bescherming van het leefmilieu door de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten en fosfaten uit agrarische bronnen te verminderen, verdere verontreiniging van die aard te voorkomen, bij te dragen tot de realisatie van een goede toestand van de watersystemen en de beperking van de luchtverontreiniging als gevolg van de productie en het gebruik van meststoffen. |
| 2 | Dit doel wordt ondermeer gerealiseerd door bepalingen inzake de productie, de verhandeling, het gebruik, de bewerking en de verwerking van meststoffen, en dit zowel in het kader van de goede landbouwpraktijken als in het kader van de zorg voor de goede kwaliteit van het water en de bodem. | 2 | Dit doel wordt ondermeer gerealiseerd door bepalingen inzake de productie, de verhandeling, het gebruik, de bewerking en de verwerking van meststoffen, en dit zowel in het kader van de goede landbouwpraktijken als in het kader van de zorg voor de goede kwaliteit van het water en de bodem. |
| 3 | Dit decreet bevat de maatregelen uitgewerkt met het oog op het behalen van de doelstellingen in het kader van de Nitraatrichtlijn en de aan het mestbeleid gerelateerde doelstellingen van de kaderrichtlijn Water . Afhankelijk van het resultaat van de analyse, die zal worden gemaakt om de afstand tot het doel van de kaderrichtlijn Water in te schatten, kunnen er bijkomende maatregelen voor de diffuse vervuiling door fosfor uit landbouwbronnen opgenomen worden in dit decreet. | 3 | Dit decreet bevat de maatregelen uitgewerkt met het oog op het behalen van de doelstellingen in het kader van de Nitraatrichtlijn en de aan het mestbeleid gerelateerde doelstellingen van de kaderrichtlijn Water en van de Drinkwaterrichtlijn. Afhankelijk van het resultaat van de analyse, die zal worden gemaakt om de afstand tot het doel van de kaderrichtlijn Water en de doelstellingen van de Drinkwaterrichtlijn in te schatten, kunnen er bijkomende maatregelen voor de diffuse vervuiling door fosfor of stikstof uit landbouwbronnen opgenomen worden in dit decreet. |
| 1 | § 1. Voor de toepassing van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten gelden de hierna opgenomen definities. Deze zijn thematisch gerangschikt. | 1 | § 1. Voor de toepassing van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten gelden de hierna opgenomen definities. Deze zijn thematisch gerangschikt. |
| 2 | §2. De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema "wetgeving en de waterkwaliteit". Het betreft de volgende definities: | 2 | §2. De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema “wetgeving en de waterkwaliteit”. Het betreft de volgende definities: |
| 3 | 1° afstroomzone: een geografische eenheid, gebaseerd op het afstroomgebied van de Vlaamse waterlichamen. De verschillende afstroomzones zijn aangeduid op de kaart, die als bijlage 2 bij dit decreet is gevoegd; | 3 | 1° afstroomzone: een geografische eenheid, gebaseerd op het afstroomgebied van de Vlaamse waterlichamen; |
| 4 | 2° algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming); | ||
| 5 | 3° Drinkwaterrichtlijn: richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water; | ||
| 4 | 1°/1 eutrofiëring: een verrijking van het water door stikstof- of fosforverbindingen, die leidt tot een versnelde groei van algen en hogere plantaardige levensvormen met als gevolg een ongewenste verstoring van het evenwicht tussen de verschillende in het water aanwezige organismen en een verslechtering van de waterkwaliteit; | 6 | 4° eutrofiëring: een verrijking van het water door stikstof- of fosforverbindingen, die leidt tot een versnelde groei van algen en hogere plantaardige levensvormen met als gevolg een ongewenste verstoring van het evenwicht tussen de verschillende in het water aanwezige organismen en een verslechtering van de waterkwaliteit; |
| 5 | 1°/2 gebiedstype 0: gebiedstype 0 als vermeld in artikel 14, §1, vierde lid, 1°; | 7 | 5° gebiedstype 0: gebiedstype 0 als vermeld in artikel 14, §1, vierde lid, 1°; |
| 6 | 1°/3 gebiedstype 1: gebiedstype 1 als vermeld in artikel 14, §1, vierde lid, 2°; | 8 | 6° gebiedstype 1: gebiedstype 1 als vermeld in artikel 14, §1, vierde lid, 2°; |
| 7 | 1°/4 gebiedstype 2: gebiedstype 2 als vermeld in artikel 14, §1, vierde lid, 3°; | 9 | 7° gebiedstype 2: gebiedstype 2 als vermeld in artikel 14, §1, vierde lid, 3°; |
| 8 | 1°/5 gebiedstype 3: gebiedstype 3 als vermeld in artikel 14, §1, vierde lid, 4° : | 10 | 8° gebiedstype 3: gebiedstype 3 als vermeld in artikel 14, §1, vierde lid, 4°; |
| 9 | 2° grondwater: al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat; | 11 | 9° grondwater: al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat; |
| 10 | 2°/1 Habitatrichtlijngebied: de gebieden, vermeld in artikel 2, 43°, c), van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; | 12 | 10° Habitatrichtlijngebied: de gebieden, vermeld in artikel 2, 43°, c), van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; |
| 11 | 2°/2 groen Habitatrichtlijngebied: Habitatrichtlijngebied dat volgens ruimtelijke uitvoeringsplannen die definitief vastgesteld zijn met toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, in een van de volgende gebieden ligt: | 13 | 11° groen Habitatrichtlijngebied: Habitatrichtlijngebied dat volgens ruimtelijke uitvoeringsplannen die definitief vastgesteld zijn met toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, in een van de volgende gebieden ligt: |
| 12 | a) de gebieden die op provinciale of gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen aangewezen zijn onder de categorie “reservaat en natuur”, vermeld in artikel 2.2.6, §2, tweede lid, 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, of de categorie “bos”, vermeld in artikel 2.2.6, §2, tweede lid, 5°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; | 14 | a) de gebieden die op provinciale of gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen aangewezen zijn onder de categorie “reservaat en natuur”, vermeld in artikel 2.2.6, §2, tweede lid, 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, of de categorie “bos”, vermeld in artikel 2.2.6, §2, tweede lid, 5°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; |
| 13 | b) de gebieden die op gewestelijke, provinciale of gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen aangewezen zijn onder de categorie “overig groen”, vermeld in artikel 2.2.6, §2, tweede lid, 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, voor zover het geen agrarisch gebied met ecologisch belang of agrarisch gebied met overdruk natuurverweving, betreft; | 15 | b) de gebieden die op gewestelijke, provinciale of gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen aangewezen zijn onder de categorie “overig groen”, vermeld in artikel 2.2.6, §2, tweede lid, 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, voor zover het geen agrarisch gebied met ecologisch belang of agrarisch gebied met overdruk natuurverweving, betreft; |
| 14 | 3° kaderrichtlijn Water: de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 (2000/60/EG) tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid; | 16 | 12° kaderrichtlijn Water: de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 (2000/60/EG) tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid; |
| 15 | 4° kwetsbare zone water: een overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de Nitraatrichtlijn aangewezen stuk land; | 17 | 13° kwetsbare zone water: een overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de Nitraatrichtlijn aangewezen stuk land; |
| 16 | 5° Nitraatrichtlijn: de richtlijn van de Raad van 12 december 1991 (91/676/ EEG) inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen; | 18 | 14° Nitraatrichtlijn: de richtlijn van de Raad van 12 december 1991 (91/676/ EEG) inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen; |
| 19 | 15° VEN: het Vlaams Ecologisch Netwerk als vermeld in artikel 17 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; | ||
| 17 | 6° verordening nr. 1013/2006: de verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen; | 20 | 16° verordening nr. 1013/2006: de verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen; |
| 18 | 7° verordening nr. 1069/2009: de verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten); | 21 | 17° verordening nr. 1069/2009: de verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten); |
| 19 | 8° VHA-zone: sub-hydrografische eenheid, die de captatiezone van een waterloop of deel van een waterloop voorstelt. De ligging van de grenzen van de VHA-zones is onder andere gebaseerd op de afwatering via oppervlaktewater, reliëf en op vergelijkbare oppervlaktes van deze zones en is opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas (VHA); | 22 | 18° VHA-zone: subhydrografische eenheid, die de captatiezone van een waterloop of deel van een waterloop voorstelt. De ligging van de grenzen van de VHA-zones is onder andere gebaseerd op de afwatering via oppervlaktewater, reliëf en op vergelijkbare oppervlaktes van deze zones en is opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas (VHA); |
| 20 | 9° waterverontreiniging: het direct of indirect lozen van stikstof- of fosforverbindingen uit agrarische bronnen in het aquatisch milieu ten gevolge waarvan de gezondheid van de mens in gevaar kan worden gebracht, het leven en de aquatische ecosystemen kunnen worden geschaad, de mogelijkheden tot recreatie kunnen worden aangetast of een ander rechtmatig gebruik van het water kan worden gehinderd; | 23 | 19° waterverontreiniging: het direct of indirect lozen van stikstof- of fosforverbindingen uit agrarische bronnen in het aquatisch milieu ten gevolge waarvan de gezondheid van de mens in gevaar kan worden gebracht, het leven en de aquatische ecosystemen kunnen worden geschaad, de mogelijkheden tot recreatie kunnen worden aangetast of een ander rechtmatig gebruik van het water kan worden gehinderd; |
| 21 | 10° zoet water: van nature voorkomend water met een laag gehalte aan zouten, dat in veel gevallen aanvaard wordt als zijnde geschikt voor onttrekking en behandeling voor de bereiding van drinkwater. | 24 | 20° zoet water: van nature voorkomend water met een laag gehalte aan zouten, dat in veel gevallen aanvaard wordt als zijnde geschikt voor onttrekking en behandeling voor de bereiding van drinkwater. |
| 22 | § 3. De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema "landbouwbedrijf". Het betreft de volgende definities: | 25 | § 3. De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema "landbouwbedrijf". Het betreft de volgende definities: |
| 23 | 1° bedrijf: bedrijf als vermeld in artikel 2, 13°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid; | 26 | 1° bedrijf: bedrijf als vermeld in artikel 2, 13°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid; |
| 24 | 1°/1 bedrijf dat de biologische productie toepast: bedrijf dat de biologische productie toepast overeenkomstig Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 of vanaf 1 januari 2021 overeenkomstig Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad; | 27 | 1°/1 bedrijf dat de biologische productie toepast: bedrijf dat de biologische productie toepast overeenkomstig Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 of vanaf 1 januari 2021 overeenkomstig Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad; |
| 28 | 1°/2 bioperceel: een tot een bedrijf dat de biologische productie toepast behorend perceel landbouwgrond dat onder controle staat van een controleorgaan biologische productie en etikettering biologische producten als vermeld in artikel 1, 14°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en dat niet gedeclasseerd is; | ||
| 25 | 2° exploitant: exploitant als vermeld in artikel 2, 8°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid; | 29 | 2° exploitant: exploitant als vermeld in artikel 2, 8°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid; |
| 26 | 3° exploitatie: exploitatie als vermeld in artikel 2, 9°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid; | 30 | 3° exploitatie: exploitatie als vermeld in artikel 2, 9°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid; |
| 31 | 3°/1 gewestgrensoverschrijdend bedrijf: de exploitatie waar dieren als vermeld in artikel 27, §1, worden gehouden en die landbouwactiviteiten uitoefent op het grondgebied van het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest, waarbij de afstand in vogelvlucht: | ||
| 32 | a) van de exploitatie en van de percelen waarop mest wordt uitgereden, tot de gewestgrens minder dan 25 kilometer bedraagt; | ||
| 33 | b) tussen de exploitatie enerzijds en de percelen anderzijds niet groter mag zijn dan 40 kilometer; | ||
| 27 | 4° groeimedium: materiaal in vaste of vloeibare vorm niet zijnde landbouwgrond dat wordt gebruikt of bestemd is om te worden gebruikt als voedingsbodem voor planten; | 34 | 4° groeimedium: materiaal in vaste of vloeibare vorm niet zijnde landbouwgrond dat wordt gebruikt of bestemd is om te worden gebruikt als voedingsbodem voor planten; |
| 28 | 5° landbouwer: landbouwer als vermeld in artikel 2, 7°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid; | 35 | 5° landbouwer: landbouwer als vermeld in artikel 2, 7°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid; |
| 29 | 6° landbouwgrond: landbouwgrond als vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid; | 36 | 6° landbouwgrond: landbouwgrond als vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid; |
| 30 | 7° tot het bedrijf behorende landbouwgronden: de landbouwgronden die op 1 januari tot de exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf behoren. De Vlaamse Regering kan, in afwijking hiervan, een ander criterium vaststellen voor het bepalen van de tot het bedrijf behorende landbouwgronden; | 37 | 7° tot het bedrijf behorende landbouwgronden: de landbouwgronden waarvoor door een exploitant van een exploitatie die deel uitmaakt van het bedrijf voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7, eerste lid, van het ministerieel besluit van 23 juni 2023 tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeen- schappelijk landbouwbeleid, voor wat de rechtstreekse betalingen betreft. De Vlaamse Regering kan, in afwijking hiervan, een ander criterium vaststellen voor het bepalen van de tot het bedrijf behorende landbouwgronden; |
| 31 | 8° verzamelaanvraag: de verzamelaanvraag als vermeld in artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het mestbeleid en het landbouwbeleid. | 38 | 8° verzamelaanvraag: de verzamelaanvraag als vermeld in artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het mestbeleid en het landbouwbeleid. |
| 32 | § 4. De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema "het opslaan, verwerken, bewerken en verhandelen van mest". Het betreft de volgende definities: | 39 | § 4. De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema "het opslaan, verwerken, bewerken en verhandelen van mest". Het betreft de volgende definities: |
| 74 | 17° spuistroom: drainwater dat niet hergebruikt wordt als voedingswater; | 81 | 17° spuistroom: drainwater dat niet hergebruikt wordt als voedingswater; |
| 75 | 18° spuiwater: vloeistof die niet hergebruikt wordt als waswater in een luchtwassysteem dat lucht reinigt van de aanwezige ammoniak (NH3) die ontstaat in een stal, of bij verwerking of bewerking van dierlijke mest; | 82 | 18° spuiwater: vloeistof die niet hergebruikt wordt als waswater in een luchtwassysteem dat lucht reinigt van de aanwezige ammoniak (NH3) die ontstaat in een stal, of bij verwerking of bewerking van dierlijke mest; |
| 76 | 19° stalmest: mengsel van stroen uitwerpselen van runderen, paarden, schapen, geiten of varkens, met een drogestofgehalte van het mengsel van minimum 20 %, en waarbij het mengsel als vaste mest is ontstaan door het huisvesten van deze dieren in ingestrooide stallen of door het bewerken van dierlijke mest met stro. Mengsels met uitwerpselen van pluimvee worden niet beschouwd als stalmest, ongeacht het drogestofgehalte of de ontstaanswijze; | 83 | 19° stalmest: mengsel van stro, houtkrullen, vlaslemen of miscanthus en uitwerpselen van runderen, paarden, schapen, geiten of varkens, met een drogestofgehalte van het mengsel van minimum 20 %, en waarbij het mengsel als vaste mest is ontstaan door het huisvesten van deze dieren in ingestrooide stallen of door het bewerken van dierlijke mest met stro, houtkrullen, vlaslemen of miscanthus. Mengsels met uitwerpselen van pluimvee worden niet beschouwd als stalmest, ongeacht het drogestofgehalte of de ontstaanswijze; |
| 77 | 20° steile helling: landbouwgronden met een hellingsgraad van meer dan 8 %; | 84 | 20° steile helling: landbouwgronden met een hellingsgraad van meer dan 8 %; |
| 78 | 21° stikstofverbinding: elke stikstof bevattende stof, uitgezonderd gasvormige moleculaire stikstof; | 85 | 21° stikstofverbinding: elke stikstof bevattende stof, uitgezonderd gasvormige moleculaire stikstof; |
| 82 | 25° vloeibare andere meststoffen: andere meststoffen die geen vaste andere meststoffen zijn; | 89 | 25° vloeibare andere meststoffen: andere meststoffen die geen vaste andere meststoffen zijn; |
| 83 | 26° vloeibare dierlijke mest: dierlijke mest die geen vaste dierlijke mest is en geen dierlijke mest is die is opgebracht door bemesting door begrazing van vee; | 90 | 26° vloeibare dierlijke mest: dierlijke mest die geen vaste dierlijke mest is en geen dierlijke mest is die is opgebracht door bemesting door begrazing van vee; |
| 84 | 27° werkzame stikstof: stikstof onder de vorm van nitraatstikstof of ammoniumstikstof of snel vrijkomende organische stikstof. Voor het bepalen hoeveel nutriënten, uitgedrukt in kg werkzame N, een meststof bevat, moet de totale inhoud aan stikstof van de meststof in kwestie vermenigvuldigd worden met het overeenkomstige percentage werkzame stikstof ten opzichte van de totale inhoud aan stikstof. Het overeenkomstige percentage werkzame stikstof ten opzichte van de totale inhoud aan stikstof is vermeld in tabel 1, met dien verstande dat voor traagwerkende meststoffen andere dan gecertificeerde gft- en groencompost , het percentage werkzame stikstof ten opzichte van de totale inhoud aan stikstof, 30 % is. | 91 | 27° werkzame stikstof: stikstof onder de vorm van nitraatstikstof of ammoniumstikstof of snel vrijkomende organische stikstof. Voor het bepalen hoeveel nutriënten, uitgedrukt in kg werkzame N, een meststof bevat, moet de totale inhoud aan stikstof van de meststof in kwestie vermenigvuldigd worden met het overeenkomstige percentage werkzame stikstof ten opzichte van de totale inhoud aan stikstof. Het overeenkomstige percentage werkzame stikstof ten opzichte van de totale inhoud aan stikstof is vermeld in tabel 1, met dien verstande dat voor traagwerkende meststoffen andere dan gecertificeerde gft- en groencompost en boerderijcompost, het percentage werkzame stikstof ten opzichte van de totale inhoud aan stikstof, 30 % is. |
| 85 | Tabel 1. Percentages werkzame stikstof volgens mestsoort | 92 | Tabel 1. Percentages werkzame stikstof volgens mestsoort |
| 86 | Mestsoort | 93 | Mestsoort |
| 94 | 2° effluenten. | 101 | 2° effluenten. |
| 95 | 60 % | 102 | 60 % |
| 96 | Vaste dierlijke mest en boerderijcompost | 103 | Vaste dierlijke mest |
| 97 | 30 % | 104 | 30 % |
| 98 | Bemesting door begrazing van vee | 105 | Bemesting door begrazing van vee |
| 99 | 20 % | 106 | 20 % |
| 100 | Gecertificeerde gft- en groencompost | 107 | Gecertificeerde gft- en groencompost en boerderijcompost |
| 101 | 15 % | 108 | 15 % |
| 102 | § 6. De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema "de verschillende soorten teelten en bemesting". Het betreft de volgende definities: | 109 | § 6. De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema "de verschillende soorten teelten en bemesting". Het betreft de volgende definities: |
| 133 | 10° groenten van groep III: wortelen, rapen, koolraap, rode biet, pastinaak, rammenas met uitzondering van bladrammenas, radijs, mierikswortel, schorseneren, wortelpeterselie, asperges, erwten, bonen, dille, kervel, tijm, of andere kruiden met uitzondering van peterselie, bieslook en basilicum. De Vlaamse Regering kan deze lijst wijzigen; | 140 | 10° groenten van groep III: wortelen, rapen, koolraap, rode biet, pastinaak, rammenas met uitzondering van bladrammenas, radijs, mierikswortel, schorseneren, wortelpeterselie, asperges, erwten, bonen, dille, kervel, tijm, of andere kruiden met uitzondering van peterselie, bieslook en basilicum. De Vlaamse Regering kan deze lijst wijzigen; |
| 134 | 11° ...; | 141 | 11° ...; |
| 135 | 12° hoofdteelt: de teelt die op 31 mei van een jaar op het perceel aanwezig is of in afwezigheid van een teelt op deze datum, de eerstvolgende teelt die op het perceel wordt ingezaaid; | ||
| 142 | 12° hoofdteelt: de hoofdteelt, vermeld in artikel 1, 25°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; | ||
| 136 | 13° huiskavel: kadastraal perceel of kadastrale percelen gelegen in de gebieden, bedoeld in artikel 41bis in zoverre tot het bedrijf behorend of die ofwel behoren bij de vergunde woning ofwel behoren bij de stal of stallen van het bedrijf en met de vergunde woning, stal of stallen een ononderbroken ruimtelijk geheel vormen. De begrenzing van de huiskavel vindt plaats op basis van een duidelijk herkenbaar specifiek gebruik of op basis van een in het landschap duidelijk herkenbaar element; | 143 | 13° huiskavel: kadastraal perceel of kadastrale percelen gelegen in de gebieden, bedoeld in artikel 41bis in zoverre tot het bedrijf behorend of die ofwel behoren bij de vergunde woning ofwel behoren bij de stal of stallen van het bedrijf en met de vergunde woning, stal of stallen een ononderbroken ruimtelijk geheel vormen. De begrenzing van de huiskavel vindt plaats op basis van een duidelijk herkenbaar specifiek gebruik of op basis van een in het landschap duidelijk herkenbaar element; |
| 137 | 14° intensief grasland: grasland dat niet valt onder de definities, bedoeld in punt 4° /1, 4° /2, 5°, 6° en 7°; | 144 | 14° intensief grasland: grasland dat niet valt onder de definities, bedoeld in punt 4° /1, 4° /2, 5°, 6° en 7°; |
| 139 | 15° maïs voorafgegaan door een snede gras of door een snede snijrogge: een teeltcombinatie waarbij op hetzelfde perceel in hetzelfde jaar een hoofdteelt maïs voorafgegaan wordt door een voorteelt grasland dat enkel gemaaid wordt of een voorteelt snijrogge. De voorteelt grasland dat enkel gemaaid wordt mag niet vóór 1 april gemaaid worden. De voorteelt snijrogge, mag niet vóór 15 maart geoogst worden. Het gemaaide gras of de geoogste snijrogge moet vervolgens van het perceel verwijderd worden; | 146 | 15° maïs voorafgegaan door een snede gras of door een snede snijrogge: een teeltcombinatie waarbij op hetzelfde perceel in hetzelfde jaar een hoofdteelt maïs voorafgegaan wordt door een voorteelt grasland dat enkel gemaaid wordt of een voorteelt snijrogge. De voorteelt grasland dat enkel gemaaid wordt mag niet vóór 1 april gemaaid worden. De voorteelt snijrogge, mag niet vóór 15 maart geoogst worden. Het gemaaide gras of de geoogste snijrogge moet vervolgens van het perceel verwijderd worden; |
| 140 | 16° nateelt: de teelt die na de hoofdteelt op hetzelfde perceel en in hetzelfde jaar verbouwd wordt; | 147 | 16° nateelt: de teelt die na de hoofdteelt op hetzelfde perceel en in hetzelfde jaar verbouwd wordt; |
| 141 | 16°/1 niet-nitraatgevoelige teelt: een teelt als vermeld in artikel 124 van het ministerieel besluit van 3 april 2015 tot het verlenen van subsidies voor beheerovereenkomsten met toepassing van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, met uitzondering van korrelmaïs; | ||
| 148 | 16°/1 niet-nitraatgevoelige teelt: een teelt die behoort tot de groep van graangewassen, oliehoudende zaden, eiwithoudende gewassen, vlas, bieten, grasland, klaver, luzerne, spruitkool, cichorei, witloof, mengsels van vlinderbloemigen en overige vanggewassen. De Vlaamse Regering kan deze lijst wijzigen; | ||
| 149 | 16°/2 nitraatgevoelige teelt: elke teelt die geen niet-nitraatgevoelige teelt is; | ||
| 142 | 17° nitraatresidudrempelwaarde: de nitraatresidudrempelwaarde als vermeld in artikel 15, § 1, tweede lid; | 150 | 17° nitraatresidudrempelwaarde: de nitraatresidudrempelwaarde als vermeld in artikel 15, § 1, tweede lid; |
| 143 | 18° plantbeschikbare fosfaat: de hoeveelheid fosfaat extraheerbaar met een gebufferde oplossing van ammoniumlactaatazijnzuur, uitgedrukt in mg P per 100 g luchtdroge grond; | 151 | 18° plantbeschikbare fosfaat: de hoeveelheid fosfaat extraheerbaar met een gebufferde oplossing van ammoniumlactaatazijnzuur, uitgedrukt in mg P per 100 g luchtdroge grond; |
| 145 | 20° specifieke teelt: fruit, sierteelt of boomkweek, aardbeien, groenten van groep I, groenten van groep II, groenten van groep III, spruitkool of graszoden. De Vlaamse Regering kan deze lijst wijzigen; | 153 | 20° specifieke teelt: fruit, sierteelt of boomkweek, aardbeien, groenten van groep I, groenten van groep II, groenten van groep III, spruitkool of graszoden. De Vlaamse Regering kan deze lijst wijzigen; |
| 146 | 21° teelt met lage stikstofbehoefte: cichorei, sjalotten, ui, vlas, witloof of fruit met uitzondering van aardbeien. De Vlaamse Regering kan deze lijst aanvullen; | 154 | 21° teelt met lage stikstofbehoefte: cichorei, sjalotten, ui, vlas, witloof of fruit met uitzondering van aardbeien. De Vlaamse Regering kan deze lijst aanvullen; |
| 147 | 22° vanggewas: een groenbedekker uit de teeltenlijst, zoals van toepassing in het gemeenschappelijk landbouwbeleid, die niet-vlinderbloemig is, een mengsel van dergelijke groenbedekkers of een mengsel van gras en klaver. De Vlaamse Regering kan deze teeltenlijst wijzigen en nadere regels bepalen; | ||
| 148 | 23° voorteelt: de teelt die vóór de hoofdteelt op hetzelfde perceel en in hetzelfde jaar verbouwd wordt. | ||
| 155 | 22° vanggewas: bladrammenas, boekweit, festulolium, gele mosterd, gras in onderzaai, grasklaver, graskruidenmengsel, grasland, graszoden, incarnaatklaver, Japanse haver, komkommerkruid, luzerne, nootzoetraapzaad, nyger, phacelia, rode klaver, sareptamosterd, snijrogge, sorghum, tagetes, voederkool (bladkool), winterhaver, winterraapzaad, witte klaver, zaaizaadgrassen, zomerhaver, zomerraapzaad, zwaardherik evenals alle mengsels die voor minimaal 75% bestaan uit een of meerdere van deze teelten. De Vlaamse Regering kan deze teeltenlijst wijzigen en nadere regels bepalen; | ||
| 156 | 23° voorteelt: de voorteelt, vermeld in artikel 1, 45°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. | ||
| 149 | § 7. De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema "de bodemeigenschappen". Het betreft de volgende definities: | 157 | § 7. De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema "de bodemeigenschappen". Het betreft de volgende definities: |
| 150 | 1° landbouwstreek: landbouwstreek als vermeld in het koninklijk besluit van 24 februari 1951 houdende grensbepaling van de landbouwstreken van het Rijk; | 158 | 1° landbouwstreek: landbouwstreek als vermeld in het koninklijk besluit van 24 februari 1951 houdende grensbepaling van de landbouwstreken van het Rijk; |
| 172 | c) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld. Voor de communicatie die gebeurt in uitvoering van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten, kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder een verzending via een door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket als een beveiligde zending beschouwd kan worden; | 180 | c) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld. Voor de communicatie die gebeurt in uitvoering van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten, kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder een verzending via een door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket als een beveiligde zending beschouwd kan worden; |
| 173 | 1°/1 erkend laboratorium: een laboratorium dat krachtens artikel 61, § 7, erkend is; | 181 | 1°/1 erkend laboratorium: een laboratorium dat krachtens artikel 61, § 7, erkend is; |
| 182 | 1°/2 gebiedscoalitie: lokaal samenwerkingsverband, dat zich bij voorkeur richt op gebieden in de gebiedstypes 2 en 3 of in de gebieden, vermeld in artikel 16, 17, 41bis of 41ter, en waarin een intensieve samenwerking wordt opgestart met alle in het betreffende gebied actieve actoren, met het oog op onder meer het onderzoeken van nieuwe maatregelen en het maken van afspraken over de synchronisatie van maatregelen die de realisatie van de doelstellingen van dit decreet kunnen verbeteren; | ||
| 183 | 1°/3 gekwalificeerde adviesinstantie: een adviesinstantie die voldoet aan de voorwaarden en kwaliteitseisen, vermeld in artikel 61, §9; | ||
| 174 | 2° Mestbank: de afdeling Mestbank van de bij decreet van 21 december 1988 opgerichte Vlaamse Landmaatschappij; | 184 | 2° Mestbank: de afdeling Mestbank van de bij decreet van 21 december 1988 opgerichte Vlaamse Landmaatschappij; |
| 175 | 3° Meststoffendecreet: het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen; | 185 | 3° Meststoffendecreet: het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen; |
| 176 | 3°/1 nitraatresidu: de hoeveelheid nitraatstikstof gemeten in een bodem tussen 1 oktober en 15 november over een diepte van 0 tot 90 cm en uitgedrukt in kg nitraatstikstof per hectare. Deze hoeveelheid wordt bepaald volgens het methodenboek, vermeld in artikel 61, § 8; | 186 | 3°/1 nitraatresidu: de hoeveelheid nitraatstikstof gemeten in een bodem tussen 1 oktober en 15 november over een diepte van 0 tot 90 cm en uitgedrukt in kg nitraatstikstof per hectare. Deze hoeveelheid wordt bepaald volgens het methodenboek, vermeld in artikel 61, § 8; |
| 177 | 4° onlinepositiebepaling: een systeem dat op een geautomatiseerde wijze een plaatsbepaling van voorwerpen of personen verricht en deze informatie onmiddellijk ter beschikking stelt; | 187 | 4° onlinepositiebepaling: een systeem dat op een geautomatiseerde wijze een plaatsbepaling van voorwerpen of personen verricht en deze informatie onmiddellijk ter beschikking stelt; |
| 188 | 4°/1 opvolgingsorgaan: commissie, samengesteld uit vertegenwoordigers van de verschillende bij het mestbeleid betrokken middenveldorganisaties, zoals de landbouworganisaties en de milieuorganisaties, en de betrokken Vlaamse administraties, onder het voorzitterschap van een vertegenwoordiger van de Vlaamse minister van Omgeving, en waarbinnen overleg gepleegd wordt aangaande de uitwerking van het mestbeleid in Vlaanderen. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels; | ||
| 178 | 5° productiejaar: het jaar waarin de meststoffen werden geproduceerd, gebruikt of ingevoerd; | 189 | 5° productiejaar: het jaar waarin de meststoffen werden geproduceerd, gebruikt of ingevoerd; |
| 179 | 5°/1 nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau: een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15, § 4 tot en met § 9; | 190 | 5°/1 nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau: een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15, § 4 tot en met § 9; |
| 180 | 6° waterkwaliteitsgroep: een duurzaam samenwerkingsverband tussen landbouwers dat erop gericht is binnen de betrokken afstroomzone, afstroomzones of delen ervan de realisatie van de doelstellingen van dit decreet mogelijk te maken. | ||
| 191 | 6°.... | ||
| 1 | §1. De Vlaamse Landmaatschappij wordt belast met volgende taken: | 1 | §1. De Vlaamse Landmaatschappij wordt belast met volgende taken: |
| 2 | 1° ondersteunende taken: | 2 | 1° ondersteunende taken: |
| 3 | a) in het kader van een klantvriendelijke en oplossingsgerichte administratie, het informeren van land- en tuinbouwers over hun mestproductie en over het gebruik van meststoffen op hun bedrijf. Deze begeleiding wordt gedaan in een partnerschap met het oog op het bereiken van de milieudoelstellingen; | 3 | a) in het kader van een klantvriendelijke en oplossingsgerichte administratie, het informeren van land- en tuinbouwers over hun mestproductie en over het gebruik van meststoffen op hun bedrijf. Deze begeleiding wordt gedaan in een partnerschap met het oog op het bereiken van de milieudoelstellingen; |
| 10 | h) de toewijzing van nutriëntenemissierechten aan landbouwers, de registratie van de melding van overdracht van nutriëntenemissierechten en de aktename van de annulatie van nutriëntenemissierechten; | 10 | h) de toewijzing van nutriëntenemissierechten aan landbouwers, de registratie van de melding van overdracht van nutriëntenemissierechten en de aktename van de annulatie van nutriëntenemissierechten; |
| 11 | i) het informeren van landbouwers over de door de Mestbank geregistreerde mestverhandelingen; | 11 | i) het informeren van landbouwers over de door de Mestbank geregistreerde mestverhandelingen; |
| 12 | j) het ondersteunen van gebiedscoalities; | ||
| 12 | 2° controletaken: | 13 | 2° controletaken: |
| 13 | a) het registreren van de aangegeven gegevens, onder meer ter bepaling van de mestoverschotten evenals het registreren van de gegevens aangaande het mestvervoer; | 14 | a) het registreren van de aangegeven gegevens, onder meer ter bepaling van de mestoverschotten evenals het registreren van de gegevens aangaande het mestvervoer; |
| 23 | b) het aanreiken van en het begeleiden rond technische tools en rekenprogramma's voor een bemestingsmanagement op bedrijfsniveau, inzonderheid met betrekking tot nutriënten- en bodembeheer; | 24 | b) het aanreiken van en het begeleiden rond technische tools en rekenprogramma's voor een bemestingsmanagement op bedrijfsniveau, inzonderheid met betrekking tot nutriënten- en bodembeheer; |
| 24 | c) breed informeren en sensibiliseren rond aspecten van oordeelkundige bemesting teneinde een goede water- en bodemkwaliteit te bekomen of te behouden. | 25 | c) breed informeren en sensibiliseren rond aspecten van oordeelkundige bemesting teneinde een goede water- en bodemkwaliteit te bekomen of te behouden. |
| 25 | §2. De Mestbank is belast met het verlenen van erkenningen, in het kader van de verordening nr. 1069/2009, aan installaties die meststoffen bewerken of verwerken. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de voorwaarden voor deze erkenningen, en aangaande de manier waarop deze erkenningen worden aangevraagd, verleend, geschorst en geheel of gedeeltelijk kunnen worden ingetrokken. | 26 | §2. De Mestbank is belast met het verlenen van erkenningen, in het kader van de verordening nr. 1069/2009, aan installaties die meststoffen bewerken of verwerken. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de voorwaarden voor deze erkenningen, en aangaande de manier waarop deze erkenningen worden aangevraagd, verleend, geschorst en geheel of gedeeltelijk kunnen worden ingetrokken. |
| 26 | §3. De Vlaamse Regering kan de Vlaamse Landmaatschappij met bijkomende taken belasten in het kader van de doelstellingen van dit decreet. | 27 | §3. De Vlaamse Regering kan de Vlaamse Landmaatschappij met bijkomende taken belasten in het kader van de doelstellingen van dit decreet. |
| 27 | §4. De Vlaamse Landmaatschappij kan voor de uitoefening van haar taken, als vermeld in § 1, in overeenstemming met de bepalingen van de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, met administratieve overheden, diensten of andere derden gegevens uitwisselen of opvragen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van deze taken. | 28 | §4. De Vlaamse Landmaatschappij kan voor de uitoefening van haar taken, als vermeld in § 1, in overeenstemming met de bepalingen van de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, met administratieve overheden, diensten of andere derden gegevens uitwisselen of opvragen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van deze taken. |
| 28 | De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, onder meer met betrekking tot de aard van de gegevens die uitgewisseld of opgevraagd kunnen worden, tot de vorm waarin en de wijze waarop deze gegevens worden verwerkt en uitgewisseld. | 29 | De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, onder meer met betrekking tot de aard van de gegevens die uitgewisseld of opgevraagd kunnen worden, tot de vorm waarin en de wijze waarop deze gegevens worden verwerkt en uitgewisseld. |
| 29 | §5. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van de bepalingen van dit decreet, voor bepaalde verplichtingen in het kader van dit decreet, zoals onder meer het bijhouden van registers, of voor bepaalde vormen van communicatie tussen de Vlaamse Landmaatschappij en de betrokken burgers, die gebeurt in het kader van dit decreet, bepalen dat deze verplichtingen of deze communicatie mag of moet gebeuren via e-mail, een internetloket of een andere vorm van gegevensuitwisseling. | 30 | §5. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van de bepalingen van dit decreet, voor bepaalde verplichtingen in het kader van dit decreet, zoals onder meer het bijhouden van registers, of voor bepaalde vormen van communicatie tussen de Vlaamse Landmaatschappij en de betrokken burgers, die gebeurt in het kader van dit decreet, bepalen dat deze verplichtingen of deze communicatie mag of moet gebeuren via e-mail, een internetloket of een andere vorm van gegevensuitwisseling. |
| 31 | §6. Alle documenten die opgemaakt worden in het kader van het Mestdecreet van 22 december 2006 en alle bewijsstukken worden door de betrokkene vijf kalenderjaren bewaard en ter inzage gehouden, vanaf 1 januari die volgt op de datum waarop het document of bewijsstuk is opgemaakt. | ||
| 4 | 1° de meststoffen worden opgebracht op een perceel waarop fruitbomen geteeld worden; | 4 | 1° de meststoffen worden opgebracht op een perceel waarop fruitbomen geteeld worden; |
| 5 | 2° de meststoffen worden pleksgewijs aangebracht rond de stam van de fruitbomen; | 5 | 2° de meststoffen worden pleksgewijs aangebracht rond de stam van de fruitbomen; |
| 6 | 3° de landbouwer meldt, voorafgaand aan het opbrengen van de meststoffen, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, dat hij gebruik wil maken van de afwijking, vermeld in dit lid, en vermeldt hierbij de perceelsnummers van de percelen waarvoor hij van de afwijking, vermeld in dit lid, gebruik wil maken. | ||
| 6 | 3° ... | ||
| 7 | § 2. Het op of in de bodem brengen van meststoffen type 2 op niet permanent overkapte landbouwgronden is verboden: | 7 | § 2. Het op of in de bodem brengen van meststoffen type 2 op niet permanent overkapte landbouwgronden is verboden: |
| 8 | 1° op graslanden vanaf 15 augustus tot en met 15 februari; | 8 | 1° op graslanden vanaf 15 augustus tot en met 15 februari; |
| 18 | b) hetzij na 31 juli en uiterlijk op 15 september een vanggewas ingezaaid wordt en op voorwaarde dat de hoofdteelt een niet-nitraatgevoelige teelt is en dat de hoeveelheid meststoffen type 3 die na de oogst van de hoofdteelt opgebracht wordt, beperkt wordt tot 36 kg werkzame stikstof per hectare; | 18 | b) hetzij na 31 juli en uiterlijk op 15 september een vanggewas ingezaaid wordt en op voorwaarde dat de hoofdteelt een niet-nitraatgevoelige teelt is en dat de hoeveelheid meststoffen type 3 die na de oogst van de hoofdteelt opgebracht wordt, beperkt wordt tot 36 kg werkzame stikstof per hectare; |
| 19 | c) hetzij na 31 juli en uiterlijk op 31 augustus een specifieke teelt ingezaaid wordt. | 19 | c) hetzij na 31 juli en uiterlijk op 31 augustus een specifieke teelt ingezaaid wordt. |
| 20 | §4. In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor specifieke teelten, andere dan fruit, toegelaten om meststoffen type 3 op te brengen: | 20 | §4. In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor specifieke teelten, andere dan fruit, toegelaten om kunstmest en spuistroom op te brengen: |
| 21 | 1° in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober op voorwaarde dat aan de volgende twee voorwaarden is voldaan: | 21 | 1° in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober op voorwaarde dat aan de volgende twee voorwaarden is voldaan: |
| 22 | a) de hoeveelheid meststoffen type 3, met inbegrip van meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare en de hoeveelheid die binnen een periode van twee weken opgebracht wordt, is beperkt tot 60 kg werkzame stikstof per hectare; | 22 | a) de hoeveelheid kunstmest en spuistroom, met inbegrip van kunstmest en spuistroom waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare en de hoeveelheid die binnen een periode van twee weken opgebracht wordt, is beperkt tot 60 kg werkzame stikstof per hectare; |
| 23 | b) voorafgaand aan het opbrengen van de meststoffen is een bodemanalyse met bijhorende bemestingsadvies uitgevoerd. De hoeveelheid meststoffen die in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober opgebracht mag worden, is beperkt tot de hoeveelheid opgenomen in het bemestingsadvies; | 23 | b) voorafgaand aan het opbrengen van de meststoffen is een bodemanalyse met bijhorend bemestingsadvies uitgevoerd. De hoeveelheid meststoffen die in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober opgebracht mag worden, is beperkt tot de hoeveelheid opgenomen in het bemestingsadvies; |
| 24 | 2° vanaf 16 januari tot en met 15 februari op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 3 die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 50 kg werkzame stikstof per hectare. | 24 | 2° vanaf 16 januari tot en met 15 februari op voorwaarde dat de hoeveelheid kunstmest en spuistroom die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 50 kg werkzame stikstof per hectare. |
| 25 | In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor fruit toegelaten om meststoffen type 3 op te brengen vanaf 1 september tot en met 31 oktober op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 3, met inbegrip van meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 40 kg werkzame stikstof per hectare. | 25 | In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor fruit toegelaten om kunstmest en spuistroom op te brengen vanaf 1 september tot en met 31 oktober op voorwaarde dat de hoeveelheid kunstmest en spuistroom, met inbegrip van kunstmest en spuistroom waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 40 kg werkzame stikstof per hectare. |
| 26 | In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor meststoffen type 3, waarvan de stikstofinhoud laag is, toegelaten om deze op te brengen in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober en vanaf 16 januari tot en met 15 februari, op voorwaarde dat er een gewas aanwezig is op het moment van de opbrenging. In afwijking hiervan mogen er in de periode vanaf 1 september tot en met 15 oktober meststoffen type 3, waarvan de stikstofinhoud laag is, opgebracht worden als er een gewas ingezaaid wordt uiterlijk de zevende dag na het opbrengen van de meststoffen. De hoeveelheid meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober opgebracht wordt, samen met de hoeveelheid die in de daarop volgende periode vanaf 16 januari tot en met 15 februari opgebracht wordt, is beperkt tot 30 kg stikstof per hectare waarvan maximaal 10 kg minerale stikstof. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen en bepaalt welke meststoffen een meststof zijn waarvan de stikstofinhoud laag is. | 26 | In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor kunstmest en spuistroom, waarvan de stikstofinhoud laag is, toegelaten om deze op te brengen in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober en vanaf 16 januari tot en met 15 februari, op voorwaarde dat er een gewas aanwezig is op het moment van de opbrenging. In afwijking hiervan mag er in de periode vanaf 1 september tot en met 15 oktober kunstmest en spuistroom, waarvan de stikstofinhoud laag is, opgebracht worden als er een gewas ingezaaid wordt uiterlijk de zevende dag na het opbrengen van de meststoffen. De hoeveelheid kunstmest en spuistroom waarvan de stikstofinhoud laag is, die in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober opgebracht wordt, samen met de hoeveelheid die in de daaropvolgende periode vanaf 16 januari tot en met 15 februari opgebracht wordt, is beperkt tot 30 kg stikstof per hectare waarvan maximaal 10 kg minerale stikstof. |
| 27 | In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor effluent waarvan de stikstofinhoud laag is, toegelaten om dit op zware kleigronden op te brengen in de periode vanaf 1 september tot en met 15 oktober op voorwaarde dat: | ||
| 28 | 1° er een gewas aanwezig is op het moment van de opbrenging of een gewas ingezaaid wordt uiterlijk de zevende dag na het opbrengen van het effluent; | ||
| 29 | 2° het vervoer van het effluent gebeurt met een trekkend voertuig dat is uitgerust met een AGR-GPS-systeem. Tijdens het transport wordt het AGR-GPS-systeem gebruikt, zodat de traceerbaarheid van de betreffende transporten gewaarborgd is; | ||
| 30 | 3° de hoeveelheid effluent, kunstmest en spuistroom waarvan de stikstofinhoud laag is, die in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober opgebracht wordt, samen met de hoeveelheid kunstmest en spuistroom die in de daarop volgende periode vanaf 16 januari tot en met 15 februari opgebracht wordt, is beperkt tot 30 kg stikstof per hectare waarvan maximaal 10 kg minerale stikstof, en de hoeveelheid effluent die na 31 augustus opgebracht wordt is beperkt tot 25 ton per hectare; | ||
| 31 | 4° de hoeveelheid effluent die in de periode vanaf 1 juli tot en met 31 augustus opgebracht wordt is beperkt tot 50 ton per hectare en tot maximum 36 kg werkzame N/ha. | ||
| 32 | De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen en bepaalt welke meststoffen een meststof zijn waarvan de stikstofinhoud laag is. | ||
| 27 | Op een akker op een niet-zware kleigrond, waarop na de oogst van de hoofdteelt en na 31 juli een vanggewas is ingezaaid, is de hoeveelheid meststoffen type 2 en type 3, die na de oogst van de hoofdteelt mag opgebracht worden, beperkt tot 36 kg werkzame stikstof per hectare. | 33 | Op een akker op een niet-zware kleigrond, waarop na de oogst van de hoofdteelt en na 31 juli een vanggewas is ingezaaid, is de hoeveelheid meststoffen type 2 en type 3, die na de oogst van de hoofdteelt mag opgebracht worden, beperkt tot 36 kg werkzame stikstof per hectare. |
| 34 | In afwijking van paragraaf 2, eerste lid, en paragraaf 3, eerste lid, is het verboden meststoffen type 2 en meststoffen type 3 op te brengen tot en met 15 maart op percelen landbouwgrond waarop als hoofdteelt maïs of late aardappelen worden verbouwd, zonder dat de hoofdteelt maïs of de hoofdteelt late aardappelen voorafgegaan wordt door een voorteelt. | ||
| 35 | In afwijking van paragraaf 2, eerste lid, en paragraaf 3, eerste lid, is het op biopercelen toegelaten andere meststoffen op te brengen: | ||
| 36 | 1° in de periode vanaf 1 augustus tot en met 31 oktober op voorwaarde dat aan de volgende twee voorwaarden is voldaan: | ||
| 37 | a) de hoeveelheid meststoffen type 2 en meststoffen type 3 die in deze periode opgebracht worden, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare en de hoeveelheid die binnen een periode van twee weken opgebracht wordt, is beperkt tot 60 kg werkzame stikstof per hectare; | ||
| 38 | b) voorafgaand aan het opbrengen van de meststoffen is een bodemanalyse met bijhorend bemestingsadvies uitgevoerd. De hoeveelheid meststoffen type 2 en meststoffen type 3 die in de periode vanaf 1 augustus tot en met 31 oktober opgebracht mag worden, is beperkt tot de hoeveelheid opgenomen in het bemestingsadvies; | ||
| 39 | 2° vanaf 16 januari tot en met 15 februari op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 2 en meststoffen type 3 die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 50 kg werkzame stikstof per hectare. | ||
| 28 | § 5. Het op of in de bodem brengen van meststoffen is tevens verboden: | 40 | § 5. Het op of in de bodem brengen van meststoffen is tevens verboden: |
| 29 | 1° op alle zon- en feestdagen. Deze verbodsbepaling geldt niet voor kunstmest; | 41 | 1° op alle zon- en feestdagen. Deze verbodsbepaling geldt niet voor kunstmest; |
| 40 | Opslag van dierlijke mest of andere meststoffen op landbouwgrond die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in deze paragraaf, is verboden. | 52 | Opslag van dierlijke mest of andere meststoffen op landbouwgrond die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in deze paragraaf, is verboden. |
| 41 | Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder publiek toegankelijk gebouw: een gebouw of deel van een gebouw dat krachtens zijn bestemming of vast gebruik functioneel openstaat voor het publiek zoals, en in eerste instantie, scholen, kinderdagverblijven, buurtcentra. | 53 | Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder publiek toegankelijk gebouw: een gebouw of deel van een gebouw dat krachtens zijn bestemming of vast gebruik functioneel openstaat voor het publiek zoals, en in eerste instantie, scholen, kinderdagverblijven, buurtcentra. |
| 54 | Bij de opslag van vloeibare meststoffen op landbouwgrond in niet-permanente mestzakken bedraagt de afstand van de opslag tot een oppervlaktewaterlichaam als vermeld in artikel 1.1.3, §2, 7°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, ten minste 10 meter. | ||
| 42 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen. | 55 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen. |
| 43 | § 8. Voor de toepassing van dit artikel wordt, op percelen met als hoofdteelt grasland, het scheuren van de hoofdteelt grasland beschouwd als het oogsten van de hoofdteelt. | 56 | § 8. Voor de toepassing van dit artikel wordt, op percelen met als hoofdteelt grasland, het scheuren van de hoofdteelt grasland beschouwd als het oogsten van de hoofdteelt. |
| 48 | In afwijking van § 2, vijfde lid, en § 3, eerste lid, kan de Vlaamse Regering in geval van uitzonderlijke weersomstandigheden bepalen dat voor de betreffende types meststoffen, het toegestaan wordt om deze op te brengen tot en met 10 september. De Vlaamse Regering kan aan deze verlenging van de bemestingsperiode voorwaarden verbinden. | 61 | In afwijking van § 2, vijfde lid, en § 3, eerste lid, kan de Vlaamse Regering in geval van uitzonderlijke weersomstandigheden bepalen dat voor de betreffende types meststoffen, het toegestaan wordt om deze op te brengen tot en met 10 september. De Vlaamse Regering kan aan deze verlenging van de bemestingsperiode voorwaarden verbinden. |
| 49 | De Vlaamse Regering kan bepalen dat in geval van maatregelen genomen in toepassing van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, educatieve demonstraties en wetenschappelijke proefnemingen, er afgeweken mag worden van de bepalingen van dit artikel. | 62 | De Vlaamse Regering kan bepalen dat in geval van maatregelen genomen in toepassing van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, educatieve demonstraties en wetenschappelijke proefnemingen, er afgeweken mag worden van de bepalingen van dit artikel. |
| 50 | De Vlaamse Regering kan extra voorwaarden aan deze afwijkingen verbinden en kan deze afwijkingen onder meer beperken tot bepaalde gebieden | 63 | De Vlaamse Regering kan extra voorwaarden aan deze afwijkingen verbinden en kan deze afwijkingen onder meer beperken tot bepaalde gebieden. |
| 64 | §10. Van de in dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten opgenomen bepalingen aangaande de periodes en tijdstippen gedurende dewelke er bemest mag worden en aangaande het inzaaien, planten, aanhouden of oogsten van teelten, kan, omwille van weersomstandigheden, een afwijking toegestaan worden. Een eventuele afwijking: | ||
| 65 | 1° bedraagt maximaal veertien kalenderdagen; | ||
| 66 | 2° kan gekoppeld worden aan extra voorwaarden; | ||
| 67 | 3° kan onder meer beperkt worden tot bepaalde gebieden, bepaalde teelten of bepaalde types bedrijven. | ||
| 68 | Voorafgaand aan het verlenen van een afwijking, wordt het advies gevraagd aan een adviescommissie. In haar advies beoordeelt de adviescommissie minimaal zowel de milieukundige als de landbouwkundige impact van een eventuele afwijking. | ||
| 69 | De adviescommissie, vermeld in het tweede lid, bestaat minimaal uit: | ||
| 70 | 1° een vertegenwoordiger van de Vlaamse Landmaatschappij; | ||
| 71 | 2° een vertegenwoordiger van het Instituut voor Landbouw-, Visserij- of Voedingsonderzoek; | ||
| 72 | 3° een vertegenwoordiger van de gekwalificeerde adviesinstanties. | ||
| 73 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels aangaande de wijze waarop een eventuele afwijking als vermeld in deze paragraaf aangevraagd, behandeld en toegekend wordt en aangaande de samenstelling en de werking van de adviescommissie. | ||
| 7 | De minimale opslagcapaciteit uitgedrukt in m3 wordt door de Vlaamse Regering bepaald in volume-eenheden naargelang de diersoort en het staltype. | 7 | De minimale opslagcapaciteit uitgedrukt in m3 wordt door de Vlaamse Regering bepaald in volume-eenheden naargelang de diersoort en het staltype. |
| 8 | De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, in overeenstemming met de bepalingen van bijlage II van de nitraatrichtlijn. | 8 | De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, in overeenstemming met de bepalingen van bijlage II van de nitraatrichtlijn. |
| 9 | § 2. Landbouwers die voor de teelt onder permanente overkapping gebruik maken van een groeimedium, dienen te beschikken over een opslagcapaciteit minstens overeenstemmend met de spuistroom geproduceerd gedurende 6 maanden. | 9 | § 2. Landbouwers die voor de teelt onder permanente of niet-permanente overkapping gebruik maken van een groeimedium, dienen te beschikken over een opslagcapaciteit minstens overeenstemmend met de spuistroom geproduceerd gedurende 6 maanden. |
| 10 | De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, in overeenstemming met de bepalingen van bijlage II van de nitraatrichtlijn. | 10 | De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, in overeenstemming met de bepalingen van bijlage II van de nitraatrichtlijn. |
| 11 | De verplichting geldt niet indien de landbouwer kan aantonen dat elke hoeveelheid spuistroom boven de werkelijke opslagcapaciteit op een voor het leefmilieu onschadelijke wijze zal worden verwijderd. | 11 | De verplichting geldt niet indien de landbouwer kan aantonen dat elke hoeveelheid spuistroom boven de werkelijke opslagcapaciteit op een voor het leefmilieu onschadelijke wijze zal worden verwijderd. |
| 12 | § 3. Voor elk perceel waarop planten geteeld worden in trays of containers of via een andere teeltwijze waarbij planten in open lucht doch niet in volle grond geteeld worden, beschikt de landbouwer tegen 1 januari 2021 over een firstflushsysteem met een minimale opslagcapaciteit van 100 m3 per betrokken hectare. | 12 | § 3. Voor elk perceel waarop planten geteeld worden in trays of containers of via een andere teeltwijze waarbij planten in open lucht doch niet in volle grond geteeld worden, beschikt de landbouwer tegen 1 januari 2021 over een firstflushsysteem met een minimale opslagcapaciteit van 100 m3 per betrokken hectare. |
| 13 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen en kan de opslagcapaciteit aanpassen op basis van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. | 13 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen en kan de opslagcapaciteit aanpassen op basis van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. |
| 14 | De Vlaamse Regering kan, in afwijking van het eerste lid, toestaan dat er in plaats van een firstflushsysteem een ander systeem of andere techniek wordt toegepast, als op basis van wetenschappelijk onderzoek zou blijken dat, in het licht van de doelstellingen van dit decreet als vermeld in artikel 2, dit ander systeem of deze andere techniek minstens een even goed resultaat bereikt als een firstflushsysteem. De Vlaamse Regering kan hierbij een onderscheid maken tussen verschillende teelten of teeltmethodes. | ||
| 1 | §1. De hoeveelheid nutriënten die met meststoffen per jaar op landbouwgrond mag opgebracht worden, met inbegrip van de uitscheiding door dieren bij begrazing, moet zodanig beperkt worden dat de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen zowel in grond- als in oppervlaktewater kleiner blijft dan 50 mg nitraat per liter en de eutrofiëring van natuurlijke zoetwatermeren, andere zoetwatermassa's, estuaria, kustwater en zeewater vermeden wordt en verdere verontreiniging van die aard voorkomen wordt. | 1 | §1. De hoeveelheid nutriënten die met meststoffen per jaar op landbouwgrond mag opgebracht worden, met inbegrip van de uitscheiding door dieren bij begrazing, moet zodanig beperkt worden dat de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen zowel in grond- als in oppervlaktewater kleiner blijft dan 50 mg nitraat per liter en de eutrofiëring van natuurlijke zoetwatermeren, andere zoetwatermassa's, estuaria, kustwater en zeewater vermeden wordt en verdere verontreiniging van die aard voorkomen wordt. |
| 2 | De hoeveelheid nutriënten die met meststoffen mag opgebracht worden, met inbegrip van de rechtstreekse uitscheiding door dieren bij begrazing, moet rekening houden met de bodemvoorraad en de mineralisatie. | 2 | De hoeveelheid nutriënten die met meststoffen mag opgebracht worden, met inbegrip van de rechtstreekse uitscheiding door dieren bij begrazing, moet rekening houden met de bodemvoorraad en de mineralisatie. |
| 3 | Per jaar mag op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond maximaal een hoeveelheid nutriënten opgebracht worden, die overeenkomt met de som van de maximale hoeveelheid nutriënten die op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond mag opgebracht worden, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet. | 3 | Per jaar mag op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond maximaal een hoeveelheid nutriënten opgebracht worden, die overeenkomt met de som van de maximale hoeveelheid nutriënten die op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond mag opgebracht worden, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet. |
| 4 | §2. De stikstofbemestingsnormen, uitgedrukt respectievelijk in kg N uit dierlijke mest per hectare en per jaar en in kg werkzame N per hectare en per jaar voor teelten op zandgronden of op niet-zandgronden worden vermeld in onderstaande tabel: | 4 | §2. De stikstofbemestingsnormen, uitgedrukt respectievelijk in kg N uit dierlijke mest per hectare en per jaar en in kg werkzame N per hectare en per jaar voor teelten op zandgronden of op niet-zandgronden worden vermeld in onderstaande tabel: |
| 5 | Tabel 2. Stikstofbemestingsnormen voor teeltgroepen | 5 | Tabel 2. Stikstofbemestingsnormen voor teeltgroepen |
| 6 | Teeltgroep | 6 | Teeltgroep |
| 181 | 170 | 181 | 170 |
| 182 | 200 | 182 | 200 |
| 183 | §3. Landbouwgronden worden ingedeeld in vier klassen, afhankelijk van de hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat in de bodem uitgedrukt in mg P per 100 gr luchtdroge grond. Voor de indeling in klassen maakt men een onderscheid tussen akkers en grasland. Voor elk van de verschillende klassen worden de volgende criteria onderscheiden: | 183 | §3. Landbouwgronden worden ingedeeld in vier klassen, afhankelijk van de hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat in de bodem uitgedrukt in mg P per 100 gr luchtdroge grond. Voor de indeling in klassen maakt men een onderscheid tussen akkers en grasland. Voor elk van de verschillende klassen worden de volgende criteria onderscheiden: |
| 184 | Klasse | 184 | Klasse |
| 185 | Plantbeschikbare fosfaat in akker | 185 | Plantbeschikbare fosfaat in akker |
| 207 | De Vlaamse Regering stelt nadere regels en kan onder meer de kosten van de bodemanalyse forfaitair bepalen. | 207 | De Vlaamse Regering stelt nadere regels en kan onder meer de kosten van de bodemanalyse forfaitair bepalen. |
| 208 | Op basis van de hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat in de bodem, die op basis van de bodemanalyse is bepaald, en op basis van de hoofdteelt die in het jaar waarin de bodemanalyse is uitgevoerd, op het perceel werd geteeld, wordt het perceel in één van de vier klassen als vermeld in het eerste lid, ingedeeld. Als voor eenzelfde perceel er meerdere bodemanalyses ter bepaling van de hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat zijn uitgevoerd, gebeurt de indeling in één van de vier klassen op basis van de meest recente analyse. | 208 | Op basis van de hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat in de bodem, die op basis van de bodemanalyse is bepaald, en op basis van de hoofdteelt die in het jaar waarin de bodemanalyse is uitgevoerd, op het perceel werd geteeld, wordt het perceel in één van de vier klassen als vermeld in het eerste lid, ingedeeld. Als voor eenzelfde perceel er meerdere bodemanalyses ter bepaling van de hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat zijn uitgevoerd, gebeurt de indeling in één van de vier klassen op basis van de meest recente analyse. |
| 209 | De indeling in één van de vier klassen volgt op het jaar waarin de bodemanalyse door de Mestbank werd gevalideerd. | 209 | De indeling in één van de vier klassen volgt op het jaar waarin de bodemanalyse aan de Mestbank werd overgemaakt. |
| 210 | De indeling in één van de vier klassen vervalt, uiterlijk op 1 januari van het zesde jaar volgend op het jaar waarin de bodemanalyse, op basis waarvan de indeling in één van de vier klassen is gebeurd, uitgevoerd werd. | 210 | De indeling in één van de vier klassen vervalt, uiterlijk op 1 januari van het zesde jaar volgend op het jaar waarin de bodemanalyse, op basis waarvan de indeling in één van de vier klassen is gebeurd, uitgevoerd werd. |
| 211 | In afwijking van het achtste lid, wordt, als een perceel op basis van de bodemanalyse was ingedeeld in klasse I als vermeld in het eerste lid, dat perceel: | 211 | In afwijking van het achtste lid, wordt, als een perceel op basis van de bodemanalyse was ingedeeld in klasse I als vermeld in het eerste lid, dat perceel: |
| 331 | 55 | 331 | 55 |
| 332 | 45 | 332 | 45 |
| 333 | §4. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van dit artikel, en ter uitvoering van een besluit van de Europese Commissie tot verlening van een door de lidstaat België op grond van de Nitraatrichtlijn gevraagde derogatie, de stikstofbemestingsnormen voor dierlijke mest wijzigen onder de voorwaarden bepaald in de beschikking van de Commissie. Deze voorwaarden kunnen afwijken van de bepalingen van dit decreet. | 333 | §4. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van dit artikel, en ter uitvoering van een besluit van de Europese Commissie tot verlening van een door de lidstaat België op grond van de Nitraatrichtlijn gevraagde derogatie, de stikstofbemestingsnormen voor dierlijke mest wijzigen onder de voorwaarden bepaald in de beschikking van de Commissie. Deze voorwaarden kunnen afwijken van de bepalingen van dit decreet. |
| 334 | §5. Als de landbouwer gecertificeerde gft- of groencompost op een perceel gebruikt, wordt, in afwijking van de bepalingen van dit decreet, slechts 50 % van de hoeveelheid P2O5, afkomstig van de gecertificeerde gft- of groencompost , als opgebracht beschouwd. | 334 | §5. Als de landbouwer gecertificeerde gft- of groencompost of boerderijcompost op een perceel gebruikt, wordt, in afwijking van de bepalingen van dit decreet, slechts 50 % van de hoeveelheid P2O5, afkomstig van de gecertificeerde gft- of groencompost of boerderijcompost, als opgebracht beschouwd. |
| 335 | Op landbouwgronden die behoren tot een bedrijf dat de biologische productie toepast of tot een circulair stalmestbedrijf of die, overeenkomstig paragraaf 3, als klasse I of klasse II zijn ingedeeld, wordt in afwijking van de bepalingen van dit decreet, slechts 50 % van de hoeveelheid P2O5, afkomstig van stalmest of boerderijcompost, als opgebracht beschouwd. | 335 | Op landbouwgronden die behoren tot een bedrijf dat de biologische productie toepast of tot een circulair stalmestbedrijf of die, overeenkomstig paragraaf 3, als klasse I of klasse II zijn ingedeeld, wordt in afwijking van de bepalingen van dit decreet, slechts 50 % van de hoeveelheid P2O5, afkomstig van stalmest, als opgebracht beschouwd. |
| 336 | Een circulair stalmestbedrijf als vermeld in het tweede lid is hetzij een bedrijf waarvan de dierlijke mestproductie, uitgedrukt in kg P2O5, voor minimaal 90% uit stalmest bestaat en waar minimaal 90% van de geproduceerde stalmest, uitgedrukt in kg P2O5, op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden opgebracht wordt, hetzij een samenwerking van twee bedrijven waarvan de gezamenlijke dierlijke mestproductie, uitgedrukt in kg P2O5, voor minimaal 90% uit stalmest bestaat en waar minimaal 90% van de geproduceerde stalmest, uitgedrukt in kg P2O5, op de tot beide bedrijven behorende landbouwgronden opgebracht wordt. | 336 | Een circulair stalmestbedrijf als vermeld in het tweede lid is hetzij een bedrijf waarvan de dierlijke mestproductie, uitgedrukt in kg P2O5, voor minimaal 90% uit stalmest bestaat en waar minimaal 90% van de geproduceerde stalmest, uitgedrukt in kg P2O5, op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden opgebracht wordt, hetzij een samenwerking van twee bedrijven waarvan de gezamenlijke dierlijke mestproductie, uitgedrukt in kg P2O5, voor minimaal 90% uit stalmest bestaat en waar minimaal 90% van de geproduceerde stalmest, uitgedrukt in kg P2O5, op de tot beide bedrijven behorende landbouwgronden opgebracht wordt. |
| 337 | Een samenwerking als vermeld in het derde lid wordt uiterlijk op 15 februari van het jaar X door een van de betrokken landbouwers aan de Mestbank gemeld via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. Uiterlijk op 15 februari van het jaar X moet de gemelde samenwerking door de andere betrokken landbouwer bevestigd zijn via het internetloket. Elk van de betrokken landbouwers kan tot uiterlijk 15 februari van het jaar X de melding intrekken via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. | 337 | Een samenwerking als vermeld in het derde lid wordt uiterlijk op 15 februari van het jaar X door een van de betrokken landbouwers aan de Mestbank gemeld via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. Uiterlijk op 15 februari van het jaar X moet de gemelde samenwerking door de andere betrokken landbouwer bevestigd zijn via het internetloket. Elk van de betrokken landbouwers kan tot uiterlijk 15 februari van het jaar X de melding intrekken via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. |
| 338 | Voor het bepalen van de dierlijke mestproductie, uitgedrukt in kg P2O5 van een bedrijf of van een samenwerking van bedrijven als vermeld in het derde lid wordt enkel rekening gehouden met de dierlijke mestproductie die in stallen gebeurt en wordt geen rekening gehouden met de dierlijke mestproductie die door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing opgebracht wordt. | ||
| 338 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen en kan aan het gebruik van boerderijcompost die het resultaat is van een samenwerking tussen verschillende bedrijven, extra voorwaarden verbinden. | 339 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen en kan aan het gebruik van boerderijcompost die het resultaat is van een samenwerking tussen verschillende bedrijven, extra voorwaarden verbinden. |
| 339 | § 6. ... | ||
| 340 | §6. ... | ||
| 340 | §7. Voor percelen waarop in volle grond sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld, geldt de toegelaten stikstofbemestingsnorm, vermeld in paragraaf 2, enkel als de landbouwer tot wiens bedrijf er percelen landbouwgrond behoren waarop sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld, een voldoende aantal stikstofanalyses met bijhorend bemestingsadvies laat uitvoeren. | 341 | §7. Voor percelen waarop in volle grond sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld, geldt de toegelaten stikstofbemestingsnorm, vermeld in paragraaf 2, enkel als de landbouwer tot wiens bedrijf er percelen landbouwgrond behoren waarop sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld, een voldoende aantal stikstofanalyses met bijhorend bemestingsadvies laat uitvoeren. |
| 341 | Als de landbouwer tot wiens bedrijf er percelen landbouwgrond behoren waarop sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld, in een bepaald jaar, niet de nodige stikstofanalyses met bijhorend bemestingsadvies laat uitvoeren, wordt voor de betreffende landbouwer het volgende jaar, de toegelaten stikstofbemestingsnorm, vermeld in paragraaf 2, met 20 % verminderd, voor percelen waarop in dat volgende jaar sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld. In afwijking hiervan wordt, voor percelen waarop in dat volgende jaar een teeltcombinatie geteeld wordt waarbij minstens één van de teelten van deze teeltcombinatie sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien betreft en waarbij de toegelaten stikstofbemestingsnorm die op basis van deze teeltcombinatie mag opgebracht worden, hoger is dan de stikstofbemestingsnorm van de betrokken hoofdteelt, de toegelaten stikstofbemestingsnorm, vermeld in paragraaf 2, verminderd tot de hoeveelheid die op basis van tabel 2, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, op dat perceel mag opgebracht worden op basis van de hoofdteelt die op dat perceel geteeld wordt. | 342 | Als de landbouwer tot wiens bedrijf er percelen landbouwgrond behoren waarop sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld, in een bepaald jaar, niet de nodige stikstofanalyses met bijhorend bemestingsadvies laat uitvoeren, wordt voor de betreffende landbouwer het volgende jaar, de toegelaten stikstofbemestingsnorm, vermeld in paragraaf 2, met 20 % verminderd, voor percelen waarop in dat volgende jaar sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld. In afwijking hiervan wordt, voor percelen waarop in dat volgende jaar een teeltcombinatie geteeld wordt waarbij minstens één van de teelten van deze teeltcombinatie sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien betreft en waarbij de toegelaten stikstofbemestingsnorm die op basis van deze teeltcombinatie mag opgebracht worden, hoger is dan de stikstofbemestingsnorm van de betrokken hoofdteelt, de toegelaten stikstofbemestingsnorm, vermeld in paragraaf 2, verminderd tot de hoeveelheid die op basis van tabel 2, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, op dat perceel mag opgebracht worden op basis van de hoofdteelt die op dat perceel geteeld wordt. |
| 342 | Om als een stikstofanalyses met bijhorend bemestingsadvies, als vermeld in het eerste en het tweede lid, aangemerkt te worden, moet de analyse betrekking hebben op een tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond waarop in het jaar van de analyse sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II of aardbeien, geteeld wordt. | 343 | Om als een stikstofanalyses met bijhorend bemestingsadvies, als vermeld in het eerste en het tweede lid, aangemerkt te worden, moet de analyse betrekking hebben op een tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond waarop in het jaar van de analyse sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II of aardbeien, geteeld wordt. |
| 344 | De Vlaamse Regering bepaalt hoeveel staalnames met bijhorend bemestingsadvies een voldoende aantal zijn als vermeld in het eerste lid, en kan, in afwijking van deze paragraaf, een regeling uitwerken waarbij landbouwers kunnen kiezen om zich te laten begeleiden in plaats van een voldoende aantal stikstofanalyses met bijhorend bemestingsadvies te laten uitvoeren. De Vlaamse Regering kan bepalen dat deze paragraaf niet van toepassing is voor bepaalde, door de Vlaamse Regering aan te duiden, specifieke teeltmethodes. | 345 | De Vlaamse Regering bepaalt hoeveel staalnames met bijhorend bemestingsadvies een voldoende aantal zijn als vermeld in het eerste lid, en kan, in afwijking van deze paragraaf, een regeling uitwerken waarbij landbouwers kunnen kiezen om zich te laten begeleiden in plaats van een voldoende aantal stikstofanalyses met bijhorend bemestingsadvies te laten uitvoeren. De Vlaamse Regering kan bepalen dat deze paragraaf niet van toepassing is voor bepaalde, door de Vlaamse Regering aan te duiden, specifieke teeltmethodes. |
| 345 | Deze paragraaf vindt geen toepassing voor percelen gelegen in gebiedstype 0. | 346 | Deze paragraaf vindt geen toepassing voor percelen gelegen in gebiedstype 0. |
| 346 | §8. Voor de toepassing van dit artikel wordt, voor het bepalen van de stikstofbemestingsnorm van een perceel: | 347 | §8. Voor de toepassing van dit artikel wordt, voor het bepalen van de stikstofbemestingsnorm van een perceel: |
| 347 | 1° een teeltcombinatie van een hoofdteelt die niet behoort tot de teeltgroep groente van groep I, groente van groep II of groente van groep III, met een nateelt of voorteelt die behoort tot de teeltgroep groente van groep I, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van twee teelten behorende tot de teeltgroep groente van groep I; | 348 | 1° een teeltcombinatie van een hoofdteelt die niet behoort tot de teeltgroep groente van groep I, groente van groep II of groente van groep III, met een nateelt of voorteelt die behoort tot de teeltgroep groente van groep I, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van twee teelten behorende tot de teeltgroep groente van groep I; |
| 348 | 2° een teeltcombinatie van een hoofdteelt die niet behoort tot de teeltgroep groente van groep I, groente van groep II of groente van groep III, met een nateelt of voorteelt die behoort tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groente van groep II of aardbeien, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van een teelt behorende tot de teeltgroep groente van groep I en een teelt behorende tot de teeltgroep groente van groep II; | 349 | 2° een teeltcombinatie van een hoofdteelt die niet behoort tot de teeltgroep groente van groep I, groente van groep II of groente van groep III, met een nateelt of voorteelt die behoort tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groente van groep II of aardbeien, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van een teelt behorende tot de teeltgroep groente van groep I en een teelt behorende tot de teeltgroep groente van groep II; |
| 350 | De gelijkstelling, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor percelen landbouwgrond waar de bemesting beperkt wordt, in toepassing van paragraaf 7, tweede lid. | 351 | De gelijkstelling, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor percelen landbouwgrond waar de bemesting beperkt wordt, in toepassing van paragraaf 7, tweede lid. |
| 351 | Als op een perceel, een hoofdteelt die behoort tot de teeltgroep "wintertarwe of triticale" of "wintergerst of andere granen" gevolgd wordt door een teelt behorende tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groente van groep I, groente van groep II, groente van groep III of aardbeien, geldt de regeling vermeld in deze paragraaf en zijn de stikstofbemestingsnormen voor de hoofdteeltcombinaties "wintertarwe gevolgd door een nateelt of triticale gevolgd door een nateelt" en voor "wintergerst gevolgd door een nateelt of andere granen gevolgd door een nateelt" niet van toepassing. In afwijking hiervan geldt voor een dergelijk perceel dat de stikstofbemestingsnormen voor de hoofdteeltcombinaties "wintertarwe gevolgd door een nateelt of triticale gevolgd door een nateelt" en voor "wintergerst gevolgd door een nateelt of andere granen gevolgd door een nateelt" van toepassing zijn in het jaar waarin er voor de landbouwer tot wiens bedrijf het betreffende perceel behoort, een bemestingsbeperking als vermeld in paragraaf 7, tweede lid, van toepassing is. | 352 | Als op een perceel, een hoofdteelt die behoort tot de teeltgroep "wintertarwe of triticale" of "wintergerst of andere granen" gevolgd wordt door een teelt behorende tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groente van groep I, groente van groep II, groente van groep III of aardbeien, geldt de regeling vermeld in deze paragraaf en zijn de stikstofbemestingsnormen voor de hoofdteeltcombinaties "wintertarwe gevolgd door een nateelt of triticale gevolgd door een nateelt" en voor "wintergerst gevolgd door een nateelt of andere granen gevolgd door een nateelt" niet van toepassing. In afwijking hiervan geldt voor een dergelijk perceel dat de stikstofbemestingsnormen voor de hoofdteeltcombinaties "wintertarwe gevolgd door een nateelt of triticale gevolgd door een nateelt" en voor "wintergerst gevolgd door een nateelt of andere granen gevolgd door een nateelt" van toepassing zijn in het jaar waarin er voor de landbouwer tot wiens bedrijf het betreffende perceel behoort, een bemestingsbeperking als vermeld in paragraaf 7, tweede lid, van toepassing is. |
| 352 | §9. Het is verboden om in een bepaald jaar meststoffen op te brengen op percelen landbouwgrond die gedurende dat volledige jaar braak liggen . | 353 | §9. Het is verboden om in een bepaald jaar meststoffen op te brengen op percelen landbouwgrond die gedurende dat volledige jaar braak liggen of waar de landbouwer tot wiens bedrijf het perceel landbouwgrond in kwestie behoort, niet ook de hoofdteelt verbouwt op het perceel in kwestie. |
| 354 | Op een individueel perceel landbouwgrond mag op jaarbasis een hoeveelheid stikstof, uitgedrukt in kg werkzame stikstof per hectare, opgebracht worden, die maximaal gelijk is aan 125% van de hoeveelheid stikstof, uitgedrukt in kg werkzame stikstof per hectare, die op dat perceel mag opgebracht worden, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet. | ||
| 355 | Op een individueel perceel landbouwgrond mag op jaarbasis een hoeveelheid stikstof, uitgedrukt in kg stikstof uit dierlijke mest per hectare, opgebracht worden, die maximaal gelijk is aan 150% van de hoeveelheid stikstof, uitgedrukt in kg stikstof uit dierlijke mest per hectare, die op dat perceel mag opgebracht worden, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet. | ||
| 353 | Op een individueel perceel landbouwgrond , mag een hoeveelheid stikstof, uitgedrukt in kg werkzame stikstof per hectare en in kg stikstof uit dierlijke mest per hectare, opgebracht worden, die maximaal gelijk is aan het dubbele van de hoeveelheid stikstof, uitgedrukt in kg werkzame stikstof per hectare en in kg stikstof uit dierlijke mest per hectare, die op dat perceel mag opgebracht worden, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet. In afwijking hiervan wordt, op percelen landbouwgrond waar de hoeveelheid nutriënten die opgebracht mag worden, beperkt wordt door de toepassing van de artikelen 16, 41bis of 41ter of door een beheerovereenkomst, de hoeveelheid nutriënten die opgebracht mag worden, beperkt tot de hoeveelheid die overeenkomstig de artikelen 16, 41bis of 41ter of overeenkomstig de op dat perceel van toepassing zijnde beheerovereenkomst, op dat perceel mag opgebracht worden. | 356 | In afwijking hiervan mag, als in een bepaald jaar op een individueel perceel landbouwgrond al de opgebrachte dierlijke mest vaste dierlijke mest betreft, in voorkomend geval met inbegrip van boerderijcompost die stalmest bevat, of meststoffen opgebracht via rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, op jaarbasis een hoeveelheid stikstof, uitgedrukt in kg stikstof uit dierlijke mest per hectare, opgebracht worden, die maximaal het dubbele is van de hoeveelheid stikstof, uitgedrukt in kg stikstof uit dierlijke mest per hectare, die op dat perceel mag opgebracht worden, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet. |
| 354 | §10. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de toepassing van dit artikel. | 357 | §10. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de toepassing van dit artikel. |
| 355 | De Vlaamse Regering kan de teelt of teelten bepalen die onder een bepaalde teeltgroep of teeltcombinatie vallen. De Vlaamse Regering kan hierbij een onderscheid maken op basis van de teeltmethode of de bijkomende bestemmingen. De op een perceel toegelaten hoeveelheid meststoffen wordt bepaald op basis van de teeltgroep waartoe de hoofdteelt, die op dat perceel wordt verbouwd, behoort. | 358 | De Vlaamse Regering kan de teelt of teelten bepalen die onder een bepaalde teeltgroep of teeltcombinatie vallen. De Vlaamse Regering kan hierbij een onderscheid maken op basis van de teeltmethode of de bijkomende bestemmingen. De op een perceel toegelaten hoeveelheid meststoffen wordt bepaald op basis van de teeltgroep waartoe de hoofdteelt, die op dat perceel wordt verbouwd, behoort. |
| 356 | De Vlaamse Regering kan bepalen dat voor de teelt op groeimedium die gebeurt op niet permanent overkapte landbouwgronden, onder bepaalde voorwaarden, afgeweken kan worden van de bemestingsnormen voor kunstmest, vermeld in dit artikel. | 359 | De Vlaamse Regering kan bepalen dat voor de teelt op groeimedium die gebeurt op niet permanent overkapte landbouwgronden, onder bepaalde voorwaarden, afgeweken kan worden van de bemestingsnormen voor kunstmest, vermeld in dit artikel. |
| 357 | De Vlaamse Regering kan, in afwijking van paragraaf 3, derde lid, een andere werkwijze opleggen voor de bepaling van het perceel dat geanalyseerd wordt. | 360 | De Vlaamse Regering kan, in afwijking van paragraaf 3, derde lid, een andere werkwijze opleggen voor de bepaling van het perceel dat geanalyseerd wordt. |
| 358 | De Vlaamse Regering kan bepalen dat op landbouwgronden die permanent overkapt zijn, er, in afwijking van dit artikel, kunstmest opgebracht mag worden tot de hoeveelheden opgenomen in de bemestingsadviezen, opgemaakt voor de percelen landbouwgrond in kwestie. | 361 | De Vlaamse Regering kan bepalen dat op landbouwgronden die permanent overkapt zijn, er, in afwijking van dit artikel, kunstmest of andere meststoffen opgebracht mogen worden tot de hoeveelheden opgenomen in de bemestingsadviezen, opgemaakt voor de percelen landbouwgrond in kwestie. |
| 359 | De Vlaamse Regering kan bepalen dat op landbouwgronden met een beperkte oppervlakte, er onder bepaalde voorwaarden mag afgeweken worden van de bepalingen van paragraaf 3. | 362 | De Vlaamse Regering kan bepalen dat op landbouwgronden met een beperkte oppervlakte, er onder bepaalde voorwaarden mag afgeweken worden van de bepalingen van paragraaf 3. |
| 360 | De Vlaamse Regering kan bepalen dat onder welbepaalde voorwaarden voor wetenschappelijke proefnemingen de toelating gegeven kan worden om af te wijken van de bemestingsnormen, vermeld in dit decreet. | 363 | De Vlaamse Regering kan bepalen dat onder welbepaalde voorwaarden voor wetenschappelijke proefnemingen de toelating gegeven kan worden om af te wijken van de bemestingsnormen, vermeld in dit decreet. |
| 1 | §1. Het Vlaamse Gewest wordt onderverdeeld in vier gebiedstypes in functie van de gegevens aangaande de waterkwaliteit. Voor de indeling in gebiedstypes worden de afstroomzones van de Vlaamse waterlichamen gebruikt als geografische eenheid. Elke afstroomzone wordt ingedeeld in één van de vier gebiedstypes, op basis van de criteria, vermeld in paragraaf 1 en 2. | 1 | §1. Het Vlaamse Gewest wordt onderverdeeld in vier gebiedstypes in functie van de gegevens aangaande de waterkwaliteit. Voor de indeling in gebiedstypes worden de afstroomzones van de Vlaamse waterlichamen gebruikt als geografische eenheid. Elke afstroomzone wordt ingedeeld in één van de vier gebiedstypes, op basis van de criteria, vermeld in paragraaf 1 en 2. |
| 2 | Voor oppervlaktewater worden, op basis van de metingen in het MAP-meetnet oppervlaktewater in landbouwgebied, uitgebaat door de Vlaamse Milieumaatschappij, van de winterjaren 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018 alle afstroomzones ingedeeld in één van de vier onderstaande categorieën, met name: | 2 | Voor oppervlaktewater worden, op basis van de metingen in het MAP-meetnet oppervlaktewater in landbouwgebied, uitgebaat door de Vlaamse Milieumaatschappij, van de winterjaren 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018 alle afstroomzones ingedeeld in één van de vier onderstaande categorieën, met name: |
| 3 | 1° categorie 0: afstroomzones waar de gemiddelde nitraatconcentratie in oppervlaktewater lager is of gelijk is aan 18 mg nitraat per liter; | 3 | 1° categorie 0: afstroomzones waar de gemiddelde nitraatconcentratie in oppervlaktewater lager is of gelijk is aan 18 mg nitraat per liter; |
| 32 | 2° een beduidend stijgende trend voor grondwater: de determinatiecoëfficiënt van de lineaire regressie, bepaald op basis van de metingen van de kalenderjaren 2014, 2015, 2016 en 2017 is hoger dan 0,5. | 32 | 2° een beduidend stijgende trend voor grondwater: de determinatiecoëfficiënt van de lineaire regressie, bepaald op basis van de metingen van de kalenderjaren 2014, 2015, 2016 en 2017 is hoger dan 0,5. |
| 33 | Voor de indeling van de afstroomzones in gebiedstypes, vanaf het jaar 2019, geldt de indeling als vermeld in de lijst die als bijlage 4 bij dit decreet is gevoegd. | 33 | Voor de indeling van de afstroomzones in gebiedstypes, vanaf het jaar 2019, geldt de indeling als vermeld in de lijst die als bijlage 4 bij dit decreet is gevoegd. |
| 34 | §2. De indeling in categorieën als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, in klassen als vermeld in paragraaf 1, derde lid, en in gebiedstypes als vermeld in paragraaf 1, vierde lid, wordt tweejaarlijks geëvalueerd, overeenkomstig de volgende criteria: | 34 | §2. De indeling in categorieën als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, in klassen als vermeld in paragraaf 1, derde lid, en in gebiedstypes als vermeld in paragraaf 1, vierde lid, wordt tweejaarlijks geëvalueerd, overeenkomstig de volgende criteria: |
| 35 | 1° voor wat betreft oppervlaktewater, op basis van de criteria, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, met dien verstande dat: | 35 | 1° voor wat betreft oppervlaktewater, op basis van de criteria, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, met dien verstande dat: |
| 36 | a) de metingen op basis waarvan de beoordeling en indeling in categorieën zal gebeuren, met inbegrip van de beoordeling, vermeld in punt b), de metingen van de op dat moment twee recentste winterjaren zullen zijn; | 36 | a) de metingen op basis waarvan de beoordeling en indeling in categorieën zal gebeuren, met inbegrip van de beoordeling, vermeld in punt b), de metingen van de op dat moment twee recentste winterjaren zullen zijn; |
| 38 | 2° voor wat betreft grondwater, op basis van de criteria, vermeld in paragraaf 1, derde lid, met dien verstande dat de metingen op basis waarvan de beoordeling en indeling in klassen zal gebeuren, zijn, voor het bepalen van de gemiddelde nitraatconcentratie, de metingen van de op dat moment twee recentste kalenderjaren, en voor de trendbeoordeling de metingen van de op dat moment vier recentste kalenderjaren. | 38 | 2° voor wat betreft grondwater, op basis van de criteria, vermeld in paragraaf 1, derde lid, met dien verstande dat de metingen op basis waarvan de beoordeling en indeling in klassen zal gebeuren, zijn, voor het bepalen van de gemiddelde nitraatconcentratie, de metingen van de op dat moment twee recentste kalenderjaren, en voor de trendbeoordeling de metingen van de op dat moment vier recentste kalenderjaren. |
| 39 | De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen en maakt, naar aanleiding van een tweejaarlijkse evaluatie als vermeld in het eerste lid een nieuwe indeling van de afstroomzones in gebiedstypes, die zal gelden in afwijking van de indeling als vermeld in de lijst die als bijlage 4 bij dit decreet is gevoegd. | 39 | De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen en maakt, naar aanleiding van een tweejaarlijkse evaluatie als vermeld in het eerste lid een nieuwe indeling van de afstroomzones in gebiedstypes, die zal gelden in afwijking van de indeling als vermeld in de lijst die als bijlage 4 bij dit decreet is gevoegd. |
| 40 | §3. De landbouwer zorgt op al zijn tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond die niet gelegen zijn in gebiedstype 0, die geen zware kleigrond zijn, en waarvan de hoofdteelt uiterlijk op 31 augustus werd geoogst, dat er steeds uiterlijk op 15 september een vanggewas ingezaaid wordt behalve op de percelen waar een nateelt wordt ingezaaid. | 40 | §3. De landbouwer zorgt op al zijn tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond die niet gelegen zijn in gebiedstype 0, die geen zware kleigrond zijn, en waarvan de hoofdteelt uiterlijk op 31 augustus werd geoogst, dat er steeds uiterlijk op 15 september een vanggewas ingezaaid wordt behalve op de percelen waar een nateelt wordt ingezaaid. |
| 41 | Het vanggewas, vermeld in het eerste lid, wordt minstens tot de volgende data aangehouden: | 41 | Het vanggewas, vermeld in het eerste lid, wordt minstens tot de volgende data aangehouden: |
| 42 | 1° op de zware kleigronden: minstens aanhouden tot en met 15 oktober; | 42 | 1° op de zware kleigronden: minstens aanhouden tot en met 15 oktober; |
| 43 | 2° op percelen gelegen in de landbouwstreek `de Leemstreek', die geen zware kleigronden zijn: minstens aanhouden tot en met 30 november; | 43 | 2° op percelen gelegen in de landbouwstreek `de Leemstreek', die geen zware kleigronden zijn: minstens aanhouden tot en met 30 november; |
| 44 | 3° op percelen, andere dan punten 1° en 2° : minstens aanhouden tot en met 31 januari van het volgende jaar. | 44 | 3° op percelen, andere dan punten 1° en 2° : minstens aanhouden tot en met 31 januari van het volgende jaar. |
| 45 | §4. In gebiedstype 2 en gebiedstype 3 gelden de volgende maatregelen: | 45 | §4. In gebiedstype 1, gebiedstype 2 en gebiedstype 3 gelden de volgende maatregelen: |
| 46 | 1° bemesting is enkel toegestaan op percelen waar de landbouwer tot wiens bedrijf het perceel landbouwgrond in kwestie behoort, ook de hoofdteelt verbouwt op het perceel in kwestie; | ||
| 47 | 2° de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, die mag opgebracht worden met toepassing van dit decreet en de van toepassing zijnde beheerovereenkomsten, wordt: | 46 | 1° de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, die mag opgebracht worden met toepassing van dit decreet en de van toepassing zijnde beheerovereenkomsten, agromilieu- en klimaatmaatregelen of ecoregelingen die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mag opgebracht worden, beperken, wordt: |
| 48 | a) in 2019 op de percelen, gelegen in gebiedstype 3, met 5% verminderd; | 47 | a) op percelen gelegen in gebiedstype 1, waar als hoofdteelt een nitraatgevoelige teelt werd verbouwd, met 5% verminderd; |
| 49 | b) in 2020 op de percelen, gelegen in gebiedstype 2, met 5% verminderd; | 48 | b) op percelen gelegen in gebiedstype 2, waar als hoofdteelt een niet- nitraatgevoelige teelt werd verbouwd, met 10% verminderd; |
| 50 | c) in 2020 op de percelen, gelegen in gebiedstype 3, met 10% verminderd; | 49 | c) op percelen gelegen in gebiedstype 2, waar als hoofdteelt een nitraat- gevoelige teelt werd verbouwd, met 20% verminderd; |
| 51 | d) in 2021 op de percelen, gelegen in gebiedstype 2, met 5% verminderd; | 50 | d) op percelen gelegen in gebiedstype 3, waar als hoofdteelt een niet- nitraatgevoelige teelt werd verbouwd, met 20% verminderd; |
| 52 | e) in 2021 op de percelen, gelegen in gebiedstype 3, met 15% verminderd; | 51 | e) op percelen gelegen in gebiedstype 3, waar als hoofdteelt een nitraatgevoelige teelt werd verbouwd, met 30% verminderd; |
| 53 | f) vanaf 2022 op de percelen, gelegen in gebiedstype 2, met 10% verminderd; | ||
| 54 | g) vanaf 2022 op de percelen, gelegen in gebiedstype 3, met 20% verminderd; | ||
| 55 | 3° het percentage van het areaal waarop een vanggewas of laag-risico nateelt geteeld wordt is: | ||
| 56 | a) in 2019, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 2, minimaal gelijk aan het referentiepercentage van de betrokken landbouwer; | ||
| 57 | b) in 2019, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 3, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer verhoogd met 5 %; | ||
| 58 | c) in 2020, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 2, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer verhoogd met 5%; | ||
| 59 | d) in 2020, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 3, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer verhoogd met 10%; | ||
| 60 | e) in 2021, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 2, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer verhoogd met 5%; | ||
| 61 | f) in 2021, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 3, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer verhoogd met 15%; | ||
| 62 | g) vanaf 2022, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 2, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer, verhoogd met 10%; | ||
| 63 | h) vanaf 2022, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 3, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer verhoogd met 20%; | ||
| 64 | 4° vanaf 1 augustus van een bepaald kalenderjaar gebeurt elk vervoer van vloeibare dierlijke mest naar een perceel gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3 waarop een teelt wordt verbouwd die geen blijvende teelt en geen grasland is, overeenkomstig artikel 48. | 52 | 2° vanaf 1 juli van een bepaald kalenderjaar gebeurt elk vervoer van vloeibare dierlijke mest naar een perceel gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3 waarop een teelt wordt verbouwd die geen blijvende teelt en geen grasland is, overeenkomstig artikel 48. |
| 65 | Het referentiepercentage van de betrokken landbouwer als vermeld in het eerste lid, 3°, wordt bepaald op basis van de gegevens uit de verzamelaanvraag, zoals gekend op 1 januari 2019, voor de kalenderjaren 2016, 2017 en 2018. | ||
| 66 | Voor het kalenderjaar 2016, het kalenderjaar 2017 en het kalenderjaar 2018 wordt voor elke landbouwer een referentieareaal, uitgedrukt in percent, als volgt berekend: | ||
| 67 | 1° eerst wordt, voor elk van de betrokken kalenderjaren, de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, uitgedrukt in hectare, bepaald, die voldoet aan al de volgende voorwaarden: | ||
| 68 | a) het betreft landbouwgrond gelegen in gebiedstype 2 of 3, overeenkomstig de indeling als vermeld in bijlage 4; | ||
| 69 | b) het betreft geen landbouwgrond waarop de teelt gebeurt onder overkapping, op groeimedium of in containers; | ||
| 70 | c) de hoofdteelt die op de betreffende landbouwgrond verbouwd wordt is geen blijvende teelt, geen meerjarige teelt of geen blijvend grasland; | ||
| 71 | d) het betreft geen begraasde niet-landbouwgrond met overeenkomst, geen volkstuinpark, geen onverharde landingsbaan, geen veiligheidszone of geen vliegveld; | ||
| 72 | 2° vervolgens wordt van het aantal hectare als vermeld in punt 1° het aantal hectares bepaald dat aan één van de hierna volgende voorwaarden voldoet: | ||
| 73 | a) het betreft een perceel landbouwgrond waarop de hoofdteelt grasland is en waarop geen voorteelt of nateelt, andere dan grasland, verbouwd wordt; | ||
| 74 | b) het betreft een perceel landbouwgrond waarop de hoofdteelt een niet-nitraatgevoelige teelt is, die gevolgd wordt door een nateelt. De nateelt in kwestie is geen vanggewas of specifieke teelt; | ||
| 75 | c) het betreft een perceel landbouwgrond waarop na een niet-late hoofdteelt als enige nateelt een vanggewas wordt verbouwd; | ||
| 76 | d) het betreft een perceel landbouwgrond waarop na een hoofdteelt van maïs, niet-vroege aardappelen of pootgoed van aardappelen, als enige nateelt een vanggewas wordt verbouwd; | ||
| 77 | 3° ten slotte wordt bepaald met hoeveel percent van het aantal hectares, vermeld in punt 1°, het aantal hectares, vermeld in punt 2°, overeenstemt. | ||
| 78 | Van het referentieareaal, uitgedrukt in percent, voor een betrokken landbouwer, voor het kalenderjaar 2016, het referentieareaal, uitgedrukt in percent, voor een betrokken landbouwer, voor het kalenderjaar 2017 en het referentieareaal, uitgedrukt in percent, voor een betrokken landbouwer, voor het kalenderjaar 2018, berekend overeenkomstig het derde lid, wordt het gemiddelde gemaakt. Dit gemiddelde is het referentiepercentage van de betrokken landbouwer als vermeld in het eerste lid, 3°, met dien verstande dat: | ||
| 79 | 1° als er voor de betrokken landbouwer, voor het kalenderjaar 2016, het kalenderjaar 2017 of het kalenderjaar 2018, geen referentieareaal, uitgedrukt in percent, kan berekend worden overeenkomstig het derde lid, dan wordt: | ||
| 80 | a) als er voor twee van de jaren in kwestie, een referentieareaal, uitgedrukt in percent, kan berekend worden overeenkomstig het derde lid, het referentiepercentage van de betrokken landbouwer als vermeld in het eerste lid, 3°, bepaald als het gemiddelde van het referentieareaal, uitgedrukt in percent, voor de betrokken landbouwer, voor de twee jaren in kwestie, berekend overeenkomstig het derde lid; | ||
| 81 | b) als er voor slechts één van de jaren in kwestie, een referentieareaal, uitgedrukt in percent, kan berekend worden overeenkomstig het derde lid, het referentiepercentage van de betrokken landbouwer als vermeld in het eerste lid, 3°, gelijk gesteld met het referentieareaal, uitgedrukt in percent, voor de betrokken landbouwer, voor dat ene jaar in kwestie, berekend overeenkomstig het derde lid; | ||
| 82 | 2° als er voor de betrokken landbouwer, voor geen enkel van de betrokken kalenderjaren 2016, 2017 of 2018, een referentieareaal, uitgedrukt in percent, kan berekend worden overeenkomstig het derde lid, het referentiepercentage van de betrokken landbouwer, jaarlijks, als volgt berekend wordt: | ||
| 83 | a) voor elke afstroomzone, gelegen in gebiedstype 2 of 3, waarin, in het betrokken jaar, één of meerdere van de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, gelegen zijn, wordt de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, uitgedrukt in hectare, bepaald, die voldoet aan al de voorwaarden, vermeld in het derde lid, 1°, a), b), c) en d); | ||
| 84 | b) per afstroomzone wordt het aantal hectares, bepaald overeenkomstig punt a), vermenigvuldigd met het referentiepercentage dat voor de betreffende afstroomzone opgenomen is in de tabel, die als bijlage drie bij dit decreet is gevoegd; | ||
| 85 | c) het aantal hectares, bepaald overeenkomstig punt a), voor elke betrokken afstroomzone, wordt opgeteld; | ||
| 86 | d) het aantal hectares, bepaald overeenkomstig punt b), voor elke betrokken afstroomzone, wordt opgeteld; | ||
| 87 | e) ten slotte wordt bepaald met hoeveel percent van het aantal hectares, vermeld in punt c) het aantal hectares, vermeld in punt d) overeenstemt. Dit percentage is het referentiepercentage van de betrokken landbouwer, voor het kalenderjaar in kwestie. | ||
| 88 | Als het referentiepercentage van een landbouwer, berekend overeenkomstig het vierde lid, lager is dan 20%, dan bedraagt het referentiepercentage van de betrokken landbouwer, in afwijking van het vierde lid, 20%. | ||
| 89 | Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: | ||
| 90 | 1° meerjarige teelt: een teelt als vermeld in artikel 84, § 13, b), of rabarber; | ||
| 91 | 2° blijvend grasland: blijvend grasland als vermeld in artikel 4, eerste lid, h), van Verordening nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad; | ||
| 92 | 3° een niet-late hoofdteelt: een hoofdteelt die tot een van de volgende teelten behoort: | ||
| 93 | a) wintertarwe; | ||
| 94 | b) triticale; | ||
| 95 | c) een graangewas met uitzondering van Japanse haver, boekweit, sorghum, quinoa, gierst, kanariezaad, snijrogge en soedangras; | ||
| 96 | d) een teelt olievlas die geen vezelvlas is; | ||
| 97 | e) vezelvlas bestemd voor vezelproductie; | ||
| 98 | f) winterkoolzaad; | ||
| 99 | g) zomerkoolzaad; | ||
| 100 | h) ajuinen; | ||
| 101 | i) vroege aardappelen; | ||
| 102 | j) primeur aardappelen; | ||
| 103 | k) erwten; | ||
| 104 | l) spinazie; | ||
| 105 | m) vroege wortelen; | ||
| 106 | n) tabak. | ||
| 107 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen aangaande de wijze waarop het referentiepercentage van een landbouwer wordt bepaald en kan een afwijkende berekening van het referentiepercentage uitwerken, voor landbouwers van wie de bedrijfsstructuur wijzigt of naar aanleiding van de tweejaarlijkse evaluatie van de gebiedstypes als vermeld in paragraaf 2. | ||
| 108 | § 5. Een landbouwer kan vrijgesteld worden van een of meerdere van de maatregelen, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, 3° en 4°, als hij een of meerdere equivalente maatregelen, opgenomen in de lijst van equivalente maatregelen, naleeft. | ||
| 109 | Een equivalente maatregel is een alternatieve mitigerende maatregel die: | ||
| 110 | 1° hetzij alleen of in combinatie met andere equivalente maatregelen een reductie van de stikstofverliezen realiseert die minstens vergelijkbaar is met de reductie die de maatregel, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2° of 3°, waarvoor men vrijgesteld wil worden, veroorzaakt; | ||
| 111 | 2° hetzij alleen of in combinatie met andere equivalente maatregelen een opvolging van de bemesting met vloeibare dierlijke mest realiseert die minstens vergelijkbaar is met de opvolging die de maatregel, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 4°, waarvoor men vrijgesteld wil worden, veroorzaakt. | ||
| 112 | Er wordt, na advies van de beoordelingscommissie equivalente maatregelen, een lijst opgemaakt van de equivalente maatregelen die mogelijk zijn, waarbij voor elke in de lijst opgenomen maatregel: | ||
| 113 | 1° een nadere omschrijving wordt gegeven van de maatregel; | ||
| 114 | 2° in voorkomend geval de randvoorwaarden die van toepassing moeten zijn opdat de betreffende maatregel als een equivalente maatregel beschouwd kan worden; | ||
| 115 | 3° het gewicht van de maatregel in kwestie wordt vermeld, met name voor welke maatregel of deel van een maatregel als vermeld in paragraaf 4 men, mits naleving van de equivalente maatregel in kwestie, wordt vrijgesteld en gedurende welke periode. | ||
| 116 | Voorafgaand aan de opname van een maatregel op de lijst van equivalente maatregelen wordt, op basis van de meest actuele wetenschappelijke inzichten, door de beoordelingscommissie equivalente maatregelen een advies gegeven, aan de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu, aangaande het effect van de betreffende maatregel op de reductie van de stikstofverliezen, in voorkomend geval aangaande de randvoorwaarden die van toepassing moeten zijn opdat een maatregel als een equivalente maatregel beschouwd kan worden en aangaande het gewicht dat aan de betreffende maatregel wordt gehangen. | ||
| 117 | De beoordelingscommissie voor equivalente maatregelen is samengesteld uit verschillende experts op het gebied van bemesting, bodem, water, milieu en landbouw. De leden van de beoordelingscommissie voor equivalente maatregelen worden door de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu benoemd. De commissie is samengesteld als volgt: | ||
| 118 | 1° vijf vertegenwoordigers uit de wetenschappelijke instelling, waarvan minimaal één vertegenwoordiger van een buitenlandse universiteit of onderzoeksinstituut en minimaal één vertegenwoordiger van het instituut voor landbouw- en visserijonderzoek; | ||
| 119 | 2° twee vertegenwoordigers van de Vlaamse Landmaatschappij, waarvan één het secretariaat van de commissie verzorgt; | ||
| 120 | 3° één vertegenwoordiger van de Vlaamse Milieumaatschappij; | ||
| 121 | 4° twee vertegenwoordigers van het Departement Landbouw en Visserij van het Vlaams Ministerie van Landbouw en Visserij; | ||
| 122 | 5° één vertegenwoordiger van het Departement Omgeving van het Vlaams Ministerie van Omgeving. | ||
| 123 | De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, benoemt: | ||
| 124 | 1° uit de leden, vermeld in het vijfde lid, 1°, een voorzitter; | ||
| 125 | 2° voor elk lid een effectief lid en een plaatsvervanger. | ||
| 126 | Elke belanghebbende kan een of meerdere maatregelen ter advisering voorleggen en toelichten aan de beoordelingscommissie voor equivalente maatregelen. De beoordelingscommissie voor equivalente maatregelen hoort de belanghebbende die de betrokken maatregelen ter advisering voorlegt, evenals, in voorkomend geval, experts met betrekking tot de maatregelen die ter advisering voorliggen. | ||
| 127 | De beoordelingscommissie voor equivalente maatregelen maakt een huishoudelijk reglement op. | ||
| 128 | De landbouwer die equivalente maatregelen als vermeld in het eerste lid wil toepassen, vraagt dit aan de Mestbank. De aanvraag wordt uiterlijk op 15 februari van het jaar X bij de Mestbank ingediend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. Bij zijn aanvraag meldt de landbouwer welke equivalente maatregelen als vermeld op de lijst, vermeld in het derde lid, hij in het betrokken jaar wil toepassen en voor welke maatregelen als vermeld in paragraaf 4, hij daarvoor vrijgesteld wil zijn. | ||
| 129 | Bij de aanvraag tot toepassing van equivalente maatregelen als vermeld in het negende lid dienen de volgende voorwaarden vervuld te zijn: | ||
| 130 | 1° als de landbouwer in het jaar X-1 vrijgesteld was van het naleven van één of meerdere van de maatregelen, vermeld in paragraaf 4, op basis van een vrijstelling, vermeld in het eerste lid, dan moet de landbouwer de equivalente maatregelen, die hij in uitvoering van deze vrijstelling voor het jaar X-1 moest uitvoeren, correct uitgevoerd hebben; | ||
| 131 | 2° in het jaar X werd door de betrokken landbouwer tijdig voldaan aan zijn aangifte-plicht als vermeld in artikel 23; | ||
| 132 | 3° de landbouwer valt in het jaar X niet onder het toepassingsgebied van paragraaf 9; | ||
| 133 | 4° de equivalente maatregel of maatregelen die de landbouwer in zijn aanvraag, vermeld in het negende lid, vermeldt: | ||
| 134 | a) moeten, rekening houdend met het gewicht van de maatregel of maat-regelen in kwestie als vermeld in het derde lid, minstens equivalent zijn aan de maatregel, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, 3° of 4°, waarvoor de landbouwer vrijgesteld wil worden; | ||
| 135 | b) mogen niet in strijd zijn met verplichtingen die de betrokken landbouwer, in uitvoering van dit decreet, of in uitvoering van een doorlichting als vermeld in artikel 62 moet naleven. | ||
| 136 | De Mestbank beoordeelt de ontvangen aanvragen en deelt uiterlijk op 31 maart via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, aan de landbouwer mee of de ingediende aanvraag geldig is. Een aanvraag als vermeld in het negende lid is ongeldig als aan een of meerdere van de voorwaarden als vermeld in het tiende lid niet voldaan is. Als de aanvraag, vermeld in het negende lid, betrekking heeft op meerdere maatregelen, vermeld in paragraaf 4, beoordeelt de Mestbank, per maatregel, vermeld in paragraaf 4, waarvoor de landbouwer vrijgesteld wil worden, of de aanvraag geldig is. De landbouwer kan hiertegen bezwaar indienen uiterlijk op 30 april. Het bezwaar moet per beveiligde zending gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank. Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de verzending van de beveiligde zending. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet. | ||
| 137 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de toepassing van deze paragraaf, met inbegrip van: | ||
| 138 | 1° de nadere regels voor de werking van de beoordelingscommissie voor equivalente maatregelen en de minimale inhoud van het huishoudelijk reglement ervan; | ||
| 139 | 2° de tenlasteneming van de verplaatsingskosten van haar leden en het bedrag van het presentiegeld dat de leden toekomt; | ||
| 140 | 3° de wijze waarop de lijst van equivalente maatregelen wordt opgemaakt, vastgesteld en geëvalueerd. | ||
| 141 | § 6. Een bedrijf, waartoe landbouwgrond behoort, kan een aanvraag tot vrijstelling van de maatregelen, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, 3° en 4°, mits het uitvoeren van een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, indienen. | 53 | §5. Een bedrijf waartoe landbouwgrond behoort, verkrijgt een vrijstelling van de maatregelen, vermeld in paragraaf 4, mits de volgende voorwaarden vervuld zijn: |
| 142 | Bij de aanvraag tot vrijstelling als vermeld in het eerste lid dienen de volgende voorwaarden vervuld te zijn: | ||
| 143 | 1° de landbouwer liet in het jaar X-1 een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uitvoeren waarvan het resultaat positief is als vermeld in artikel 15, §9; | 54 | 1° de landbouwer liet in het jaar X-1 een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uitvoeren waarvan het resultaat positief is als vermeld in artikel 15, §9; |
| 144 | 2° in het jaar X-1 is: | 55 | 2° in het jaar X-1 is: |
| 56 | a) hetzij door de betrokken landbouwer, hetzij op het betrokken bedrijf of op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, geen overtreding van de bepalingen van artikel 8, 12, 13, 20, 21 of 22 van dit | ||
| 57 | decreet, van artikel 5.9.2.1, 5.9.2.2, 5.9.2.3, 5.9.2.4, 5.9.8.5, 5.28.2.2 | ||
| 145 | a) hetzij door de betrokken landbouwer, hetzij op het betrokken bedrijf of op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, geen overtreding van de bepalingen van de artikelen 8, 12, 13, 20, 21 of 22 van dit decreet, van artikel 5.9.2.1, 5.9.2.2, 5.9.2.3, 5.9.2.4, 5.9.8.5, 5.28.2.2 of 5.28.2.3 van titel II van het Vlarem, of van artikel 1.3.2.2, §1, 1° en 3°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, begaan; | 58 | of 5.28.2.3 van titel II van het Vlarem, of van artikel 1.3.2.2, §1, 1° en 3°, of §1/1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, begaan; |
| 146 | b) aan de betrokken landbouwer geen maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62 opgelegd, en is geen administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, §1, §3, of §5, opgelegd; | 59 | b) aan de betrokken landbouwer geen maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62 opgelegd, en is geen administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, §1, §3 of §5, opgelegd; |
| 147 | 3° in het jaar X werd hetzij door de betrokken landbouwer tijdig voldaan aan zijn aangifteplicht als vermeld in artikel 23, hetzij aan de betrokken landbouwer een administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, §6, opgelegd, waarvoor het uitstel ten belope van 200 euro van rechtswege omgezet is in een opheffing, overeenkomstig artikel 63, §6, vierde lid. | 60 | c) in het jaar X werd hetzij door de betrokken landbouwer tijdig voldaan aan zijn aangifteplicht als vermeld in artikel 23, hetzij aan de betrokken landbouwer een administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, §6, opgelegd, waarvoor het uitstel ten belope van 200 euro van rechtswege omgezet is in een opheffing, overeenkomstig artikel 63, §6, vierde lid. |
| 148 | 4° de landbouwer valt in het jaar X niet onder het toepassingsgebied van paragraaf 9. | ||
| 149 | De landbouwer die een vrijstelling als vermeld in het eerste lid wil verkrijgen, vraagt dit aan de Mestbank. De aanvraag wordt uiterlijk op 15 februari van het jaar X bij de Mestbank ingediend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De landbouwer die in het jaar X-1 nog niet verplicht is om een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren en die in het jaar X een vrijstelling als vermeld in het eerste lid wil aanvragen, meldt dit aan de Mestbank, uiterlijk op 1 juni van het jaar X-1, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. Een landbouwer kan deze melding tot uiterlijk 1 juni van het jaar X-1 intrekken. Elke landbouwer die op 2 juni van het jaar X-1 een niet-ingetrokken melding heeft, is verplicht om de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren. Deze nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau gebeurt overeenkomstig artikel 15. | ||
| 150 | In afwijking van het tweede lid, 1°, en het derde lid wordt een landbouwer geacht van rechtswege een vraag tot vrijstelling als vermeld in het eerste lid aan te vragen voor het jaar X als hij aan de volgende twee voorwaarden voldoet: | ||
| 151 | 1° in het jaar X-1 was de landbouwer vrijgesteld van de maatregelen, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, 3° en 4°, op basis van een aanvraag, als vermeld in deze paragraaf; | ||
| 61 | De Mestbank kan een landbouwer die over een vrijstelling beschikt, opleggen om een nitraatresidubepaling op bedrijfsniveau te laten uitvoeren. | ||
| 62 | Een vrijstelling als vermeld in het eerste lid vervalt: | ||
| 63 | 1° als aan een of meerdere van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 2° of 3°, niet voldaan is; | ||
| 152 | 2° in het jaar X-1 liet de landbouwer geen nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uitvoeren, waarvan het resultaat niet positief is als vermeld in artikel 15, §9. | 64 | 2° als aan de landbouwer opgelegd was een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren, en de landbouwer hetzij geen nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau liet uitvoeren, hetzij een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau liet uitvoeren waarvan het resultaat niet positief is als vermeld in artikel 15, §9. |
| 153 | Een landbouwer kan zijn aanvraag tot vrijstelling als vermeld in het eerste lid intrekken tot uiterlijk 15 februari van het jaar X. | ||
| 154 | De Mestbank duidt, voor elke aanvraag die geldig is verklaard, het tot het bedrijf behorende perceel landbouwgrond aan waarop de landbouwer het nitraatresidu moet laten bepalen. Een landbouwer wiens aanvraag geldig is verklaard, is verplicht om het nitraatresidu te laten bepalen op het door de Mestbank aangeduide perceel. | ||
| 155 | In afwijking van het zesde lid moet een landbouwer in het jaar X een nitraatresidubepaling op bedrijfsniveau laten uitvoeren als hij onder één van de volgende twee situaties valt: | ||
| 156 | 1° het verschil in oppervlakte tussen de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, uitgedrukt in hectare, in het jaar Y en de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, uitgedrukt in hectare, in het jaar X, bedraagt meer dan 25% of meer dan 10 hectare. Voor de toepassing van deze voorwaarde is het jaar Y het laatste jaar waarin betrokkene een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau liet uitvoeren, waarvan het resultaat positief was als vermeld in artikel 15, § 9; | ||
| 157 | 2° ofwel zijn de volgende drie voorwaarden vervuld: | ||
| 158 | a) in het jaar X-1 was de landbouwer vrijgesteld van de maatregelen, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, 3° en 4°, op basis van een aanvraag als vermeld in deze paragraaf en diende hij in uitvoering van zijn aanvraag als vermeld in deze paragraaf slechts op één van zijn tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond het nitraatresidu te bepalen; | ||
| 159 | b) in het jaar X-1 liet de landbouwer geen nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uitvoeren; | ||
| 160 | c) het resultaat van de nitraatresidubepaling op het ene, door de Mestbank aangeduide, tot zijn bedrijf behorende perceel landbouwgrond als vermeld in a) was hoger dan de overeenkomstige eerste drempelwaarde als vermeld in artikel 15, § 1. | ||
| 161 | Een landbouwer wiens aanvraag geldig is verklaard, wordt voor het jaar X vrijgesteld van de maatregelen, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, 3° en 4°. | ||
| 162 | De Mestbank beoordeelt de ontvangen aanvragen en deelt uiterlijk op 31 maart via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket aan de landbouwer mee of de ingediende aanvraag geldig is. Een aanvraag als vermeld in het derde of vierde lid is ongeldig als aan een of meerdere van de voorwaarden als vermeld in het tweede lid niet voldaan is. De landbouwer kan hiertegen bezwaar indienen uiterlijk op 30 april. Het bezwaar moet per beveiligde zending gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank. Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de verzending van de beveiligde zending. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet. | 65 | De Mestbank beoordeelt de vrijstellingen en vermeldt op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket of een vrijstelling wordt verleend. De landbouwer kan hiertegen bezwaar indienen uiterlijk op 15 maart van het betrokken jaar. In afwijking hiervan wordt, als voor een bepaald bedrijf op 15 februari van een bepaald jaar de beoordeling van de vrijstelling nog niet vermeld is op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, voor de betrokken landbouwer de termijn om bezwaar in te dienen verlengd tot de dertigste dag nadat de beoordeling van de vrijstelling voor zijn bedrijf op het internetloket vermeld werd. |
| 163 | De Vlaamse Regering kan in gebieden waar bij een tussentijdse evaluatie als vermeld in paragraaf 2, blijkt dat de waterkwaliteit achteruitgaat, de toepassing van deze paragraaf beperken of kan extra voorwaarden aan de toepassing van deze paragraaf verbinden. | 66 | De Vlaamse Regering kan in gebieden waar bij een tussentijdse evaluatie als vermeld in paragraaf 2 blijkt dat de waterkwaliteit achteruitgaat, de toepassing van deze paragraaf beperken of kan extra voorwaarden aan de toepassing van deze paragraaf verbinden. |
| 164 | In het kader van de omvorming van een landbouwer met meerdere exploitanten naar een of meer nieuwe landbouwers met één exploitant, waarbij de exploitant van elke nieuwe landbouwer deel uitmaakt van de landbouwer met meerdere exploitanten, bevindt elke nieuwe landbouwer zich in het jaar X van de omvorming, voor de toepassing van deze paragraaf, in dezelfde rechtstoestand als de rechts- toestand waarin de landbouwer met meerdere exploitanten zich zou bevinden als die niet zou zijn omgevormd. Het bepalen van de betreffende rechtstoestand van de nieuwe landbouwer voor het jaar X+1 en de daaropvolgende jaren gebeurt conform dit artikel. Voor de toepassing van het zevende lid wordt het verschil in oppervlakte berekend tussen de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond van de landbouwer met meerdere exploitanten, uitgedrukt in hectare, in het jaar Y en de tot het bedrijf behorende landbouwgronden van de nieuwe landbouwer, uitgedrukt in hectare, in het jaar X. | 67 | In het kader van de omvorming van een landbouwer met meerdere exploitanten naar een of meer nieuwe landbouwers met één exploitant, waarbij de exploitant van elke nieuwe landbouwer deel uitmaakt van de landbouwer met meerdere exploitanten, bevindt elke nieuwe landbouwer zich in het jaar X van de omvorming, voor de toepassing van deze paragraaf, in dezelfde rechtstoestand als de rechtstoestand waarin de landbouwer met meerdere exploitanten zich zou bevinden als die niet zou zijn omgevormd. Het bepalen van de betreffende rechtstoestand van de nieuwe landbouwer voor het jaar X+1 en de daaropvolgende jaren gebeurt conform dit artikel. Voor de toepassing van het zevende lid wordt het verschil in oppervlakte berekend tussen de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond van de landbouwer met meerdere exploitanten, uitgedrukt in hectare, in het jaar Y en de tot het bedrijf behorende landbouwgronden van de nieuwe landbouwer, uitgedrukt in hectare, in het jaar X. |
| 165 | § 7. Voor de toepassing van de maatregel, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, wordt: | 68 | §6. Voor de toepassing van de maatregel, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 1°, |
| 69 | wordt: | ||
| 166 | 1° voor elk van de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, die mag opgebracht worden met toepassing van de artikelen 12, 13, 16, 17, 41bis, §1 tot en met §8, en 41ter, van dit decreet en de van toepassing zijnde beheerovereenkomsten, bepaald; | 70 | 1° voor elk van de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, bepaald die mag opgebracht worden met toepassing van artikel 12, 13, 16, 17, 41bis, §1 tot en met §8, en 41ter, van dit decreet, de van toepassing zijnde beheerovereenkomsten, agromilieu- en klimaatmaatregelen of ecoregelingen die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mag opgebracht worden, beperken en met de beperkingen aangaande het op of in de bodem brengen van meststoffen in de nabijheid van waterlopen, overeenkomstig artikel 1.3.2.1 en 1.3.2.2 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018; |
| 167 | 2° vervolgens de hoeveelheid meststoffen die op bedrijfsniveau op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond mag opgebracht worden, verminderd overeenkomstig paragraaf 4, eerste lid, 2°, en paragraaf 9. Hiervoor wordt: | 71 | 2° vervolgens de hoeveelheid meststoffen die op bedrijfsniveau op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond mag opgebracht worden, verminderd overeenkomstig paragraaf 4, eerste lid, 1°. Voor het toepassen van deze vermindering wordt: |
| 168 | a) voor de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond die gelegen zijn in gebiedstype 2 de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, bepaald overeenkomstig 1°, verminderd met het overeenkomstige percentage als vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°. In afwijking hiervan wordt, in het geval als vermeld in paragraaf 9, 1°, voor de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond die gelegen zijn in gebiedstype 2 de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, bepaald overeenkomstig 1°, verminderd met de verlaging die voor het bedrijf in kwestie van toepassing was op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 7 of § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015; | ||
| 169 | b) voor de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond die gelegen zijn in gebiedstype 3, de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, bepaald overeenkomstig 1°, verminderd met het overeenkomstige percentage als vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°. In afwijking hiervan wordt, in het geval als vermeld in paragraaf 9, 2°, voor de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond die gelegen zijn in gebiedstype 3 de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, bepaald overeenkomstig 1°, verminderd met de verlaging die voor het bedrijf in kwestie van toepassing was op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 7 of § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015; | ||
| 72 | a) enkel rekening gehouden met percelen gelegen in gebiedstype 1, gebiedstype 2 of gebiedstype 3; | ||
| 73 | b) geen rekening gehouden met percelen landbouwgrond waarop de teelt gebeurt onder overkapping, op groeimedium of in containers; | ||
| 74 | c) geen rekening gehouden met percelen landbouwgrond waarop de biologische productiemethode wordt toegepast of die in omschakeling zijn naar de biologische productiemethode en die behoren tot een bedrijf dat de biologische productiemethode toepast; | ||
| 75 | d) geen rekening gehouden met percelen waarop als hoofdteelt een meerjarige, houtige fruitteelt wordt verbouwd; | ||
| 170 | 3° ten slotte wordt, na toepassing van 1° en 2°, in voorkomend geval de hoeveelheid meststoffen die op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond mag opgebracht worden, nog aangepast op basis van een gebruiksovereenkomst als vermeld in artikel 41bis, §9, of op basis van een maatregel of reductie als vermeld in artikel 62. | 76 | 3° ten slotte, na toepassing van 1° en 2°, in voorkomend geval de hoeveelheid meststoffen die op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond mag opgebracht worden, nog aangepast op basis van een gebruiksovereenkomst als vermeld in artikel 41bis, §9, of op basis van een maatregel of reductie als vermeld in artikel 62. |
| 171 | § 8. De beoordeling of voldaan is aan de verplichting van het telen van een vanggewas of laag-risico nateelt als vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, gebeurt overeenkomstig het beoordelingskader, opgenomen in deze paragraaf. | ||
| 172 | Voor de beoordeling of voldaan is aan de verplichting van het telen van een vanggewas of laag-risico nateelt als vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, wordt nagegaan of de landbouwer op een voldoende groot percentage van zijn tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, een vanggewas of laag-risico nateelt heeft verbouwd. Hiervoor wordt voor de betrokken landbouwer zijn gerealiseerde areaal vergeleken met zijn doelareaal. Een landbouwer heeft, voor een bepaald jaar voldaan aan de verplichting, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, als in het betreffende jaar zijn gerealiseerd areaal minstens even groot is als zijn doelareaal. | ||
| 173 | Het doelareaal van een landbouwer in een bepaald jaar wordt bepaald door zowel voor gebiedstype 2 als voor gebiedstype 3 het referentiepercentage van de betrokken landbouwer, bepaald overeenkomstig paragraaf 4, en verhoogd overeenkomstig paragraaf 4, eerste lid, 3°, te vermenigvuldigen met de oppervlakte, uitgedrukt in hectare, van de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, die in gebiedstype 2 respectievelijk gebiedstype 3 gelegen zijn. Het resultaat van gebiedstype 2 en gebiedstype 3 wordt vervolgens opgeteld. In voorkomend geval wordt, als het resultaat van deze som hoger is dan 80% van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, gelegen in gebiedstype 2 of 3, uitgedrukt in hectare, het resultaat van deze som afgetopt op exact 80% van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, gelegen in gebiedstype 2 of 3, uitgedrukt in hectare. Het resultaat van deze som, in voorkomend geval na een aftopping, wordt: | ||
| 174 | 1° in voorkomend geval verminderd met het aantal hectares, opgenomen in een geldig verklaarde melding als vermeld in het negende lid waarin de betrokken landbouwer als verkrijgende landbouwer vermeld is; | ||
| 175 | 2° in voorkomend geval vermeerderd met het aantal hectares, opgenomen in een geldig verklaarde melding als vermeld in het negende lid waarin de betrokken landbouwer als aanbieder-landbouwer vermeld is; | ||
| 176 | 3° in voorkomend geval vermeerderd met het aantal hectares, gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3, waarvoor in het vorige kalenderjaar niet voldaan was aan de verplichting, vermeld in deze paragraaf of paragraaf 9, en waarvoor een administratieve geldboete, berekend overeenkomstig artikel 63, § 14, tweede lid, is opgelegd. | ||
| 177 | Het gerealiseerde areaal van een landbouwer in een bepaald jaar wordt berekend door de som te maken van de volgende getallen: | ||
| 178 | 1° de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, uitgedrukt in hectare, en gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3, waarop een vanggewas werd verbouwd dat uiterlijk op 15 september ingezaaid werd of waarop na een niet-nitraatgevoelige hoofdteelt een laag-risico nateelt werd verbouwd; | ||
| 179 | 2° de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, uitgedrukt in hectare, die voldoet aan al de volgende voorwaarden: | ||
| 180 | a) op de betrokken percelen werd als hoofdteelt hetzij maïs, hetzij niet-vroege aardappelen, verbouwd; | ||
| 181 | b) de betrokken percelen zijn gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3; | ||
| 182 | c) op de betrokken percelen werd een vanggewas verbouwd dat uiterlijk op 15 oktober werd ingezaaid. | ||
| 183 | Een landbouwer kan, voor het voldoen aan zijn verplichting, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, een beroep doen op een andere landbouwer om een deel van zijn verplichting in te vullen. De verkrijgende landbouwer en de aanbieder-landbouwer sluiten hiervoor een overeenkomst af en melden dit aan de Mestbank. | ||
| 184 | Een overeenkomst als vermeld in het vijfde lid is enkel geldig als voldaan is aan de volgende vijf voorwaarden: | ||
| 185 | 1° geen van de betrokken landbouwers valt in het jaar X onder het toepassingsgebied van paragraaf 5, paragraaf 6 of paragraaf 9; | ||
| 186 | 2° geen van de betrokken landbouwers is voor het betreffende jaar al betrokken bij een bevestigde, niet-ingetrokken overeenkomst voor hetzelfde gebiedstype; | ||
| 187 | 3° de aanbieder-landbouwer viel in het jaar X-1 niet onder het toepassingsgebied van paragraaf 5, paragraaf 6 of paragraaf 9 en heeft in het jaar X-1 voldaan aan zijn verplichting, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3° ; | ||
| 188 | 4° bij de bepaling van het doelareaal van de betrokken aanbieder-landbouwer is er geen aftopping gebeurd overeenkomstig het derde lid; | ||
| 189 | 5° de overeenkomst vermeldt het gebiedstype waarop de overeenkomst betrekking heeft. Zowel de aanbieder-landbouwer als de verkrijgende landbouwer moeten minimaal één tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond hebben dat in het betreffende gebiedstype gelegen is. | ||
| 190 | De landbouwers die voor de beoordeling of voldaan is aan de verplichting van het telen van een vanggewas of laag-risico nateelt als vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, gebruik willen maken van een overeenkomst, melden dit bij de Mestbank. De melding wordt uiterlijk op 15 februari van het jaar X bij de Mestbank ingediend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket door een van de betrokken landbouwers en vervolgens door de andere betrokken landbouwer bevestigd via het internetloket. Elk van de betrokken landbouwers kan tot uiterlijk 15 februari van het jaar X zijn melding intrekken via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. | ||
| 191 | Bij de melding, vermeld in het zevende lid, wordt per gebiedstype vermeld hoeveel hectare vanggewas van de ene landbouwer ingevuld zal worden door vanggewas dat de andere landbouwer in het overeenkomstige gebiedstype zal telen. | ||
| 192 | De Mestbank beoordeelt de ontvangen meldingen en deelt uiterlijk op 31 maart via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket aan elk van de betrokken landbouwers mee of de ingediende melding geldig is. Een melding als vermeld in het zevende lid is ongeldig als, op basis van de gegevens waarover de Mestbank beschikt: | ||
| 193 | 1° aan een of meerdere van de voorwaarden als vermeld in het zesde lid niet voldaan is; | ||
| 194 | 2° de door een van de betrokken landbouwers ingediende melding werd door de andere betrokken landbouwer niet bevestigd via het internetloket; | ||
| 195 | 3° de melding werd door minstens één van de betrokken landbouwers ingetrokken. | ||
| 196 | Als de melding geldig is verklaard als vermeld in het negende lid wordt het doelareaal van de verkrijgende landbouwer verminderd met het aantal hectares, vermeld bij de melding als vermeld in het achtste lid en wordt het doelareaal van de aanbieder-landbouwer verhoogd met het aantal hectares, vermeld in de melding als vermeld in het achtste lid. | ||
| 197 | De Mestbank vermeldt op het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket of de melding als vermeld in het zevende lid geldig is. De landbouwer kan hiertegen bezwaar indienen uiterlijk op 30 april. Het bezwaar moet per beveiligde zending gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank. Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de verzending van de beveiligde zending. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet. | ||
| 198 | Voor de toepassing van deze paragraaf wordt: | ||
| 199 | 1° bij het bepalen van het gerealiseerde areaal en het doelareaal van een landbouwer geen rekening gehouden met landbouwgrond die permanent overkapt is of met landbouwgronden waarop een blijvende teelt wordt verbouwd; | ||
| 200 | 2° bij het bepalen van het gerealiseerde areaal van een landbouwer enkel rekening gehouden met landbouwgronden waar het vanggewas minimaal gedurende de periode als vermeld in paragraaf 3, tweede lid, aangehouden blijft. | ||
| 201 | Voor de toepassing van deze paragraaf wordt begrepen onder: | ||
| 202 | 1° een verkrijgende landbouwer: een landbouwer die voor het voldoen aan zijn verplichting, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, een beroep doet op een andere landbouwer om een deel van zijn verplichting in te vullen; | ||
| 203 | 2° een aanbieder-landbouwer: een landbouwer die voor een andere landbouwer voldoet aan een deel of een geheel van de verplichting, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°. | ||
| 204 | § 9. In afwijking van paragraaf 4 wordt voor een bedrijf dat op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 7, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 12 juni 2015, of overeenkomstig artikel 14, § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015, een beperking had van de toegelaten bemesting, de hoeveelheid werkzame stikstof die jaarlijks op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond mag opgebracht worden, beperkt tot het percentage dat voor het betrokken bedrijf op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 7, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 12 juni 2015, of overeenkomstig artikel 14, § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015, van toepassing was. | ||
| 205 | In afwijking van het eerste lid wordt vanaf het kalenderjaar 2021 voor een bedrijf dat op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 7, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 12 juni 2015, als focusbedrijf met maatregelen van categorie 2 is gekwalificeerd, de hoeveelheid werkzame stikstof die op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond gelegen in gebiedstype 3 mag opgebracht worden, beperkt tot het percentage, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°. | ||
| 206 | Onverminderd de toepassing van paragraaf 4 blijft, voor een bedrijf dat op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015, een verplichting had om een bepaald percentage vanggewassen in te zaaien, deze verplichting ook van toepassing in het kalenderjaar 2019 en de volgende kalenderjaren, met dien verstande dat als in een bepaald kalenderjaar voor zijn tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgronden: | ||
| 207 | 1° gelegen in gebiedstype 2, het percentage van het areaal waarop een vanggewas of laag-risico nateelt geteeld moet worden, overeenkomstig paragraaf 4, eerste lid, 3°, hoger is dan het percentage dat voor het bedrijf in kwestie op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015, van toepassing was, het percentage van het areaal waarop een vanggewas of laag-risico nateelt geteeld moet worden, overeenkomstig paragraaf 4, eerste lid, 3°, van toepassing is; | ||
| 208 | 2° gelegen in gebiedstype 3, het percentage van het areaal waarop een vanggewas of laag-risico nateelt geteeld moet worden, overeenkomstig paragraaf 4, eerste lid, 3°, hoger is dan het percentage dat voor het bedrijf in kwestie op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015, van toepassing was, het percentage van het areaal waarop een vanggewas of laag-risico nateelt geteeld moet worden, overeenkomstig paragraaf 4, eerste lid, 3°, van toepassing is. | ||
| 209 | Voor de toepassing van deze paragraaf zijn paragraaf 3, tweede lid, en paragraaf 7 van overeenkomstige toepassing. | ||
| 210 | Als een bedrijf in het jaar X een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uitvoert waarvan het resultaat positief is als vermeld in artikel 15, § 9, valt het bedrijf vanaf het kalenderjaar X+1 niet meer onder het toepassingsgebied van deze paragraaf. | ||
| 211 | § 10. De oplegging van de maatregelen, vermeld in paragraaf 3, 4 en 9, gebeurt van rechtswege. De beoordeling van de naleving van de maatregelen, vermeld in dit artikel, gebeurt door de Mestbank. De Mestbank vermeldt het resultaat van deze beoordeling via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De landbouwer kan tegen het resultaat van deze beoordeling bezwaar indienen uiterlijk op 15 maart van het betrokken jaar. In afwijking hiervan wordt, als voor een bepaald bedrijf op 15 februari van een bepaald jaar het resultaat van deze beoordeling nog niet vermeld wordt op het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket, voor de betrokken landbouwer de termijn om bezwaar in te dienen verlengd tot de dertigste dag nadat het resultaat van deze beoordeling voor zijn bedrijf op het internetloket vermeld werd. Het bezwaar moet per beveiligde zending gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank. | 77 | §7. De oplegging van de maatregelen, vermeld in paragraaf 3 en 4 gebeurt van rechtswege. De beoordeling van de naleving van de maatregelen, vermeld in dit artikel, gebeurt door de Mestbank. De Mestbank vermeldt het resultaat van deze beoordeling via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De landbouwer kan tegen het resultaat van deze beoordeling bezwaar indienen uiterlijk op 15 maart van het betrokken jaar. In afwijking hiervan wordt, als voor een bepaald bedrijf op 15 februari van een bepaald jaar het resultaat van deze beoordeling nog niet vermeld wordt op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, voor de betrokken landbouwer de termijn om bezwaar in te dienen verlengd tot de dertigste dag nadat het resultaat van deze beoordeling voor zijn bedrijf op het internetloket vermeld werd. Het bezwaar moet per beveiligde zending gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank. |
| 212 | Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de verzending van de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet. | 78 | Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen negentig dagen vanaf de verzending van de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet. |
| 213 | § 11. Voor de toepassing van dit artikel wordt een onderzaai van gras bij een hoofdteelt maïs ook als een vanggewas beschouwd, op voorwaarde dat het gras dat als onderzaai wordt geteeld, na de oogst van de maïs minimaal gedurende de periode als vermeld in paragraaf 3, tweede lid, aangehouden blijft. | ||
| 214 | Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winterjaar verstaan de periode van 1 juli van het jaar X-1 tot 30 juni van het jaar X. | 79 | §8. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winterjaar verstaan de periode van 1 juli van het jaar X-1 tot 30 juni van het jaar X. |
| 215 | De Vlaamse Regering kan nadere regels stellen betreffende de uitvoering van dit artikel. | 80 | De Vlaamse Regering kan nadere regels stellen betreffende de uitvoering van dit artikel. |
| 81 | §9. ... | ||
| 82 | §10. ... | ||
| 83 | §11. ... | ||
| 1 | §1. Onverminderd de bepalingen van artikel 13 en van de artikelen 61 tot en met 72 worden nitraatresidudrempelwaarden vastgesteld. | 1 | §1. Onverminderd de bepalingen van artikel 13 en van de artikelen 61 tot en met 72 worden nitraatresidudrempelwaarden vastgesteld. |
| 2 | De volgende elf types nitraatresidudrempelwaarden worden onderscheiden: | 2 | De volgende elf types nitraatresidudrempelwaarden worden onderscheiden: |
| 3 | Nitraat residu type | 3 | Nitraat residu type |
| 92 | Het teelttype als vermeld in de tabel in het tweede lid betreft de hoofdteelt die op het betrokken perceel, overeenkomstig de verzamelaanvraag, geteeld zal worden, tenzij de hoofdteelt in dat jaar wordt gevolgd door een specifieke teelt of door de teelt van aardappelen. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de tabel, vermeld in het tweede lid, rekening gehouden met de specifieke teelt of de teelt van aardappelen, die op dat perceel als nateelt uitgevoerd zal worden. | 92 | Het teelttype als vermeld in de tabel in het tweede lid betreft de hoofdteelt die op het betrokken perceel, overeenkomstig de verzamelaanvraag, geteeld zal worden, tenzij de hoofdteelt in dat jaar wordt gevolgd door een specifieke teelt of door de teelt van aardappelen. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de tabel, vermeld in het tweede lid, rekening gehouden met de specifieke teelt of de teelt van aardappelen, die op dat perceel als nateelt uitgevoerd zal worden. |
| 93 | De bemonsteringen van de nitraatresidubepalingen, uitgevoerd in toepassing van dit decreet, gebeuren in de periode van 1 oktober tot en met 15 november. De nitraatresidubepalingen worden uitgevoerd door een erkend laboratorium als vermeld in artikel 61, § 7, overeenkomstig de bepalingen van het methodenboek als vermeld in artikel 61, § 8. | 93 | De bemonsteringen van de nitraatresidubepalingen, uitgevoerd in toepassing van dit decreet, gebeuren in de periode van 1 oktober tot en met 15 november. De nitraatresidubepalingen worden uitgevoerd door een erkend laboratorium als vermeld in artikel 61, § 7, overeenkomstig de bepalingen van het methodenboek als vermeld in artikel 61, § 8. |
| 94 | §2. De Mestbank kan jaarlijks het nitraatresidu laten bepalen op percelen landbouwgrond gelegen in het Vlaamse Gewest. | 94 | §2. De Mestbank kan jaarlijks het nitraatresidu laten bepalen op percelen landbouwgrond gelegen in het Vlaamse Gewest. |
| 95 | De Mestbank bepaalt de percelen landbouwgrond waarvan het nitraatresidu bepaald moet worden en selecteert hierbij vooral percelen gelegen buiten gebiedstype 0 of percelen gelegen binnen gebiedstype 0 die in de afstroomzone liggen van een meetput van het freatisch grondwatermeetnet in landbouwgebied, uitgebaat door de Vlaamse Milieumaatschappij, of van het meetpunt voor oppervlakte-water van het MAP-meetnet oppervlaktewater in landbouwgebied, uitgebaat door de Vlaamse Milieumaatschappij, waar de drempel van 50 mg nitraat per liter werd overschreden. | 95 | De Mestbank bepaalt de percelen landbouwgrond waarvan het nitraatresidu bepaald moet worden en selecteert hierbij vooral percelen gelegen buiten gebiedstype 0 of percelen gelegen binnen gebiedstype 0 die in de afstroomzone liggen van een meetput van het freatisch grondwatermeetnet in landbouwgebied, uitgebaat door de Vlaamse Milieumaatschappij, of van het meetpunt voor oppervlaktewater van het MAP-meetnet oppervlaktewater in landbouwgebied, uitgebaat door de Vlaamse Milieumaatschappij, waar de drempel van 50 mg nitraat per liter werd overschreden. |
| 96 | De Mestbank zorgt ervoor dat de landbouwer tot wiens bedrijf het betreffende perceel behoort minstens een week voor de bemonstering in kennis wordt gesteld van de dag waarop de bemonstering zal uitgevoerd worden en van het perceel waarop de nitraatresidubepaling zal gebeuren. Bij betwistingen aangaande deze inkennisstelling kan de landbouwer de nietigheid van het resultaat van de uitgevoerde nitraatresidubepaling niet inroepen. | 96 | De Mestbank zorgt ervoor dat de landbouwer tot wiens bedrijf het betreffende perceel behoort minstens een week voor de bemonstering in kennis wordt gesteld van de dag waarop de bemonstering zal uitgevoerd worden en van het perceel waarop de nitraatresidubepaling zal gebeuren via een door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket. |
| 97 | De landbouwer kan in zijn opdracht en op zijn kosten door een erkend laboratorium naar zijn keuze een nitraatresidubepaling laten uitvoeren op het perceel waarop een nitraatresidubepaling wordt uitgevoerd in opdracht van de Mestbank als vermeld in het eerste lid. In voorkomend geval wordt het laagste resultaat van de nitraatresidubepalingen in aanmerking genomen. Deze nitraatresidubepaling moet gebeuren in de periode van 1 oktober tot en met 15 november in hetzelfde jaar als de nitraatresidubepaling in opdracht van de Mestbank. | ||
| 97 | De landbouwer die in een bepaald kalenderjaar nog niet verplicht is om een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren, maar dit wenst te doen, meldt dit aan de Mestbank, uiterlijk op 31 mei, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. Een landbouwer kan deze melding tot uiterlijk 31 mei intrekken. Elke landbouwer die op 1 juni een niet-ingetrokken melding heeft, is verplicht om dat kalenderjaar de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren. | ||
| 98 | Onverminderd de nitraatresidubepalingen, opgelegd in uitvoering van artikel 14, § 6, kan de Mestbank een landbouwer opleggen in opdracht en op kosten van de landbouwer in kwestie door een erkend laboratorium op één of meerdere percelen landbouwgrond die behoren tot zijn bedrijf, een nitraatresidubepaling te laten uitvoeren. De Mestbank kan de verplichting tot het laten uitvoeren van één of meerdere nitraatresidubepalingen of van een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau opleggen aan de volgende landbouwers: | 98 | Onverminderd de nitraatresidubepalingen, opgelegd in uitvoering het vierde lid, kan de Mestbank een landbouwer opleggen in opdracht en op kosten van de landbouwer in kwestie door een erkend laboratorium een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau te laten uitvoeren, met dien verstande dat de Mestbank er voor zorgt dat een landbouwer die de maatregelen als vermeld in paragraaf 11 moet toepassen, minstens elke vijf jaar een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau laat uitvoeren. |
| 99 | 1° landbouwers die op hun bedrijf gebruikmaken van de mogelijkheden die voortvloeien uit de uitvoering van een besluit van de Europese Commissie tot verlening van een door de lidstaat België op grond van de Nitraatrichtlijn gevraagde derogatie; | ||
| 100 | 2° landbouwers aan wie één of meerdere administratieve geldboetes of strafrechtelijke veroordelingen zijn opgelegd wegens overtreding van één of meerdere bepalingen van dit decreet; | ||
| 101 | 3° landbouwers van wie het bedrijf niet beschikt over voldoende mestopslagcapaciteit als vermeld in artikel 9; | ||
| 102 | 4° landbouwers aan wie een maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62 werd opgelegd, of één of meerdere administratieve geldboetes als vermeld in artikel 63, § 1 tot en met § 3, of § 5. | ||
| 103 | § 3. Als in een bepaald jaar X op een tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond gelegen in gebiedstype 0 een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde doch de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde niet overschrijdt, moet de betrokken landbouwer in het jaar X+1 in zijn opdracht en op zijn kosten op één door de Mestbank aangeduid perceel S een nitraatresidubepaling laten uitvoeren. Als het nitraat-residu van het perceel landbouwgrond in jaar X meerdere malen bepaald werd, dan wordt het laagste resultaat van de nitraatresidubepalingen in aanmerking genomen. | ||
| 104 | Als in het jaar X+1 bij de nitraatresidubepaling op het perceel S als vermeld in het eerste lid een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde moet de betrokken landbouwer in het jaar X+2 in zijn opdracht en op zijn kosten een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, laten uitvoeren. | ||
| 105 | Een landbouwer laat in het jaar X+1 in zijn opdracht en op zijn kosten een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uitvoeren, als in het jaar X op een tot zijn bedrijf behorend perceel landbouwgrond: | ||
| 106 | 1° dat niet gelegen is in gebiedstype 0 een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde; | ||
| 107 | 2° een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde. | ||
| 108 | Als in een bepaald jaar op een bedrijf een nitraatresiduevaluatie op bedrijfs-niveau moet gebeuren, is deze paragraaf niet van toepassing. | ||
| 99 | §3. Voor percelen met een hoog koolstofgehalte werkt de Vlaamse Regering, in afwijking van paragraaf 1, een regeling uit. | ||
| 100 | De Vlaamse Regering bepaalt hierbij de wijze waarop het hoge koolstofgehalte vastgesteld moet worden en wat het effect van het hoge koolstofgehalte is, op de nitraatresidudrempelwaarden, vermeld in paragraaf 1. | ||
| 101 | De Vlaamse Regering kan hierbij een onderscheid maken tussen onder meer bepaalde teelten en bepaalde bodemtexturen. | ||
| 109 | §4. Voor het uitvoeren van een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau moeten er in een bepaald jaar op een minimaal aantal tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond nitraatresidubepalingen uitgevoerd worden. De resultaten van de in dat jaar uitgevoerde nitraatresidubepalingen worden vervolgens getoetst aan de gewogen gemiddelde drempelwaarden. | 102 | §4. Voor het uitvoeren van een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau moeten er in een bepaald jaar op een minimaal aantal tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond nitraatresidubepalingen uitgevoerd worden. De resultaten van de in dat jaar uitgevoerde nitraatresidubepalingen worden vervolgens getoetst aan de gewogen gemiddelde drempelwaarden. |
| 110 | De bepalingen van paragraaf 4 tot en met 14 zijn van toepassing op alle nitraatresiduevaluaties op bedrijfsniveau die uitgevoerd moeten worden in uitvoering van dit decreet. | 103 | De bepalingen van paragraaf 4 tot en met 15 zijn van toepassing op alle nitraatresiduevaluaties op bedrijfsniveau die uitgevoerd moeten worden in uitvoering van dit decreet. |
| 111 | §5. Een bedrijf dat in een bepaald jaar een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uitvoert, laat in dat jaar: | 104 | §5. Een bedrijf dat in een bepaald jaar een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uitvoert, laat in dat jaar: |
| 112 | 1° op minimaal drie tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond het nitraatresidu bepalen. Voor bedrijven met minder dan drie tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond volstaat het om het nitraatresidu te bepalen op alle tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond; | 105 | 1° op minimaal drie tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond het nitraatresidu bepalen. Voor bedrijven met minder dan drie tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond volstaat het om het nitraatresidu te bepalen op alle tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond; |
| 113 | 2° minimaal op één perceel het nitraatresidu bepalen per nitraatresidutype als vermeld in de tabel in paragraaf 1, tweede lid, dat op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing is. | 106 | 2° minimaal op één perceel het nitraatresidu bepalen per nitraatresidutype als vermeld in de tabel in paragraaf 1, tweede lid, dat op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing is. |
| 114 | Een bedrijf dat in een bepaald jaar een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uitvoert, laat in dat jaar een aantal nitraatresidubepalingen uitvoeren dat minimaal gelijk is aan de vierkantswortel van het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffend jaar tot het bedrijf behoren. Als het resultaat van de vierkantswortel geen geheel getal is, wordt er afgerond naar het lagere gehele getal. | 107 | Een bedrijf dat in een bepaald jaar een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uitvoert, laat in dat jaar een aantal nitraatresidubepalingen uitvoeren dat minimaal gelijk is aan de vierkantswortel van het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffend jaar tot het bedrijf behoren. Als het resultaat van de vierkantswortel geen geheel getal is, wordt er afgerond naar het lagere gehele getal. |
| 115 | §6. De Mestbank duidt de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond aan waarvan het nitraatresidu moet bepaald worden en brengt de landbouwer hiervan op de hoogte via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. | 108 | §6. De Mestbank duidt de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond aan waarvan het nitraatresidu moet bepaald worden en brengt de landbouwer hiervan op de hoogte via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. |
| 116 | Voor het beoordelen van de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau wordt enkel rekening gehouden met de resultaten van de door de Mestbank aangeduide percelen en met de resultaten van de nitraatresidubepalingen die de Mestbank heeft laten uitvoeren op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond. Als bij een landbouwer het nitraatresidu is bepaald van al zijn tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond wordt in afwijking hiervan, voor het beoordelen van de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, rekening gehouden met de resultaten van al de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond. | 109 | Voor het beoordelen van de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau wordt enkel rekening gehouden met de resultaten van de door de Mestbank aangeduide percelen en met de resultaten van de nitraatresidubepalingen die de Mestbank heeft laten uitvoeren op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond. Als bij een landbouwer het nitraatresidu is bepaald van al zijn tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond wordt in afwijking hiervan, voor het beoordelen van de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, rekening gehouden met de resultaten van al de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond. |
| 117 | Als op een door de Mestbank aangeduid perceel meerdere nitraatresidubepalingen uitgevoerd worden, wordt met het gemiddelde resultaat van deze nitraat-residubepalingen rekening gehouden bij de evaluatie. | 110 | Als op een door de Mestbank aangeduid perceel meerdere nitraatresidubepalingen uitgevoerd worden, wordt met het gemiddelde resultaat van deze nitraat-residubepalingen rekening gehouden bij de evaluatie. |
| 118 | §7. Voor de beoordeling van de uitgevoerde nitraatresidubepalingen wordt het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen vergeleken met de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het betrokken bedrijf in het betreffende jaar en met de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het betrokken bedrijf in het betreffende jaar. | 111 | §7. Voor de beoordeling van de uitgevoerde nitraatresidubepalingen wordt het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen vergeleken met de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het betrokken bedrijf in het betreffende jaar en met de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het betrokken bedrijf in het betreffende jaar. |
| 119 | Voor elk nitraatresidutype, ongeacht het gebiedstype, dat op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing is, wordt het aantal hectares tot op twee cijfers na de komma bepaald waarop dat nitraatresidutype, ongeacht het gebiedstype, van toepassing is. Dit getal wordt vermenigvuldigd met het resultaat van de nitraatresidubepaling uitgevoerd op een perceel waarop dit nitraatresidutype, ongeacht het gebiedstype, van toepassing is. Als voor één nitraatresidutype er nitraatresidubepalingen zijn uitgevoerd op meerdere percelen waarop dit nitraatresidutype, ongeacht het gebiedstype, van toepassing is, wordt eerst het gemiddelde bepaald van de nitraatresidumetingen van de verschillende percelen, alvorens dit te vermenigvuldigen met het aantal betrokken hectares. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, de vermenigvuldiging is gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen als vermeld in het eerste lid. | 112 | Voor elk nitraatresidutype, ongeacht het gebiedstype, dat op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing is, wordt het aantal hectares tot op twee cijfers na de komma bepaald waarop dat nitraatresidutype, ongeacht het gebiedstype, van toepassing is. Dit getal wordt vermenigvuldigd met het resultaat van de nitraatresidubepaling uitgevoerd op een perceel waarop dit nitraatresidutype, ongeacht het gebiedstype, van toepassing is. Als voor één nitraatresidutype er nitraatresidubepalingen zijn uitgevoerd op meerdere percelen waarop dit nitraatresidutype, ongeacht het gebiedstype, van toepassing is, wordt eerst het gemiddelde bepaald van de nitraatresidumetingen van de verschillende percelen, alvorens dit te vermenigvuldigen met het aantal betrokken hectares. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, de vermenigvuldiging is gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen als vermeld in het eerste lid. |
| 120 | Voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, wordt het aantal hectares tot op twee cijfers na de komma bepaald, van enerzijds de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, gelegen in gebiedstype 0 of gebiedstype 1, waarop dat nitraatresidutype van toepassing is en van anderzijds de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3, waarop dat nitraatresidutype van toepassing is. Elk van beide getallen wordt vermenigvuldigd met de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken nitraatresidutype en voor de betrokken gebiedstypes. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn de beide vermenigvuldigingen zijn gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het betrokken bedrijf in het betreffende jaar als vermeld in het eerste lid. | 113 | Voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, wordt het aantal hectares tot op twee cijfers na de komma bepaald, van enerzijds de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, gelegen in gebiedstype 0 of gebiedstype 1, waarop dat nitraatresidutype van toepassing is en van anderzijds de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3, waarop dat nitraatresidutype van toepassing is. Elk van beide getallen wordt vermenigvuldigd met de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken nitraatresidutype en voor de betrokken gebiedstypes. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn de beide vermenigvuldigingen zijn gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het betrokken bedrijf in het betreffende jaar als vermeld in het eerste lid. |
| 121 | Voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, wordt het aantal hectares tot op twee cijfers na de komma bepaald van enerzijds de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, gelegen in gebiedstype 0 of gebiedstype 1, waarop dat nitraatresidutype van toepassing is en van anderzijds de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3, waarop dat nitraatresidutype van toepassing is. Elk van beide getallen wordt vermenigvuldigd met de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken nitraatresidutype en voor de betrokken gebiedstypes. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, de beide vermenig-vuldigingen zijn gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het betrokken bedrijf in het betreffende jaar als vermeld in het eerste lid. | 114 | Voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, wordt het aantal hectares tot op twee cijfers na de komma bepaald van enerzijds de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, gelegen in gebiedstype 0 of gebiedstype 1, waarop dat nitraatresidutype van toepassing is en van anderzijds de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3, waarop dat nitraatresidutype van toepassing is. Elk van beide getallen wordt vermenigvuldigd met de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken nitraatresidutype en voor de betrokken gebiedstypes. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, de beide vermenig-vuldigingen zijn gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het betrokken bedrijf in het betreffende jaar als vermeld in het eerste lid. |
| 122 | Als er voor een nitraatresidutype, ongeacht het gebiedstype, dat op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing is, geen resultaat van een nitraatresidubepaling uitgevoerd op een perceel waarop dit nitraatresidutype, ongeacht het gebiedstype, van toepassing is, beschikbaar is, wordt voor het bepalen van het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen en van de gewogen gemiddelde eerste en tweede nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken bedrijf, geen rekening gehouden met het aantal hectares tot op twee cijfers na de komma waarop dat nitraatresidutype van toepassing is. | 115 | Als er voor een nitraatresidutype, ongeacht het gebiedstype, dat op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing is, geen resultaat van een nitraatresidubepaling uitgevoerd op een perceel waarop dit nitraatresidutype, ongeacht het gebiedstype, van toepassing is, beschikbaar is, wordt voor het bepalen van het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen en van de gewogen gemiddelde eerste en tweede nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken bedrijf, geen rekening gehouden met het aantal hectares tot op twee cijfers na de komma waarop dat nitraatresidutype van toepassing is. |
| 123 | § 8. Een landbouwer die, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, het nitraatresidu moest bepalen op één door de Mestbank aangeduid perceel en dit niet heeft laten uitvoeren of die de uitvoering van een nitraatresidubepaling die niet kadert in een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, heeft gehinderd, moet het volgende kalenderjaar een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau laten uitvoeren. | ||
| 124 | Een landbouwer die, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau moest laten uitvoeren en dit niet heeft laten uitvoeren, of die de uitvoering van een nitraatresidubepaling die kadert in een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, heeft gehinderd, wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld met een landbouwer waarbij uit het resultaat van de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau blijkt dat het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen groter is dan de gewogen gemiddelde tweede nitraat-residu-drempelwaarde van het bedrijf . | 116 | §8. Een landbouwer die, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moest laten uitvoeren en die niet heeft laten uitvoeren of die de uitvoering van een nitraatresidubepaling die kadert in een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau heeft gehinderd, wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld met een landbouwer waarbij uit het resultaat van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau blijkt dat het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen groter is dan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf of, in geval er in het betreffende kalenderjaar sprake was van weersomstandigheden als vermeld in artikel 64, §7, dat de overschrijding groter was dan de, overeenkomstig artikel 64, §7, verhoogde overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaardes. |
| 125 | §9. Het resultaat van de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, uitgevoerd in een bepaald jaar, is positief als het gewogen gemiddelde van de in dat jaar bepaalde nitraatresidu's kleiner dan of gelijk is aan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, bepaald op basis van de nitraatresidudrempelwaardes in gebiedstype 3 als vermeld in paragraaf 1, tweede lid. | 117 | §9. Het resultaat van de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, uitgevoerd in een bepaald jaar, is positief als het gewogen gemiddelde van de in dat jaar bepaalde nitraatresidu's kleiner dan of gelijk is aan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, bepaald op basis van de nitraatresidudrempelwaardes in gebiedstype 3 als vermeld in paragraaf 1, tweede lid. |
| 126 | Voor het bepalen van de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, bepaald op basis van de nitraatresidudrempelwaardes in gebiedstype 3 als vermeld in het eerste lid wordt, voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, het aantal hectares tot op twee cijfers na de komma bepaald waarop dat nitraatresidutype, ongeacht het gebiedstype, van toepassing is. Dit getal wordt vermenigvuldigd met de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken nitraatresidutype voor percelen gelegen in gebiedstype 3. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, de vermenigvuldiging is gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, bepaald op basis van de nitraatresidudrempelwaardes in gebiedstype 3 als vermeld in het eerste lid. | 118 | Voor het bepalen van de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, bepaald op basis van de nitraatresidudrempelwaardes in gebiedstype 3 als vermeld in het eerste lid wordt, voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, het aantal hectares tot op twee cijfers na de komma bepaald waarop dat nitraatresidutype, ongeacht het gebiedstype, van toepassing is. Dit getal wordt vermenigvuldigd met de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken nitraatresidutype voor percelen gelegen in gebiedstype 3. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, de vermenigvuldiging is gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, bepaald op basis van de nitraatresidudrempelwaardes in gebiedstype 3 als vermeld in het eerste lid. |
| 127 | §10. Als uit het resultaat van de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, uitgevoerd in het jaar X, blijkt dat het gewogen gemiddelde van de nitraatresidu-bepalingen groter is dan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempel-waarde van het bedrijf en kleiner dan of gelijk aan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, moet het betreffende bedrijf in het jaar X+1 de volgende maatregelen naleven: | 119 | §10. Als uit het resultaat van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau, uitgevoerd in het jaar X, blijkt dat het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen groter is dan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf en kleiner dan of gelijk aan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, moet het betreffende bedrijf, vanaf het jaar X+1 de volgende maatregelen naleven: |
| 128 | 1° een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau laten uitvoeren; | ||
| 129 | 2° een bemestingsplan bijhouden voor al de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond; | 120 | 1° een bemestingsplan bijhouden voor al de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond; |
| 130 | 3° teeltfiches bijhouden voor alle teelten die in het jaar X+1 op het bedrijf verbouwd worden. | 121 | 2° teeltfiches bijhouden voor alle teelten die in het betrokken jaar op het bedrijf verbouwd worden. |
| 122 | De maatregelen, vermeld in het eerste lid, vervallen op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de landbouwer een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau liet uitvoeren waarvan het resultaat positief is als vermeld in paragraaf 9 en uiterlijk op 1 januari van het vijfde jaar volgend op het laatste jaar waarin, voor het bedrijf in kwestie, opgelegd was een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren. | ||
| 123 | §11. Er worden vanaf het jaar X+1 maatregelen opgelegd aan een bedrijf waarvoor: | ||
| 124 | 1° hetzij uit het resultaat van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau, uitgevoerd in het jaar X, blijkt dat het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen groter is dan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf; | ||
| 125 | 2° hetzij voldaan is aan de twee volgende voorwaarden: | ||
| 126 | a) uit het resultaat van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau, uitgevoerd in het jaar X, blijkt dat het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen groter is dan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf; | ||
| 131 | § 11. Als uit het resultaat van de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, uitgevoerd in het jaar X, blijkt dat het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen groter is dan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, of als blijkt dat het resultaat van de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, uitgevoerd in het jaar X en in het jaar X-1, telkens groter is dan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, dan moet het betreffende bedrijf in het jaar X+1 de volgende maatregelen naleven: | 127 | b) uit het resultaat van een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau, uitgevoerd in het jaar X-1, het jaar X-2, het jaar X-3 of het jaar X-4, blijkt dat het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen groter is dan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf. |
| 132 | 1° een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau laten uitvoeren; | ||
| 128 | De bedrijven, vermeld in het eerste lid, moeten vanaf het jaar X+1 de volgende maatregelen naleven: | ||
| 133 | 2° een bemestingsplan bijhouden voor al de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond; | 129 | 1° een bemestingsplan bijhouden voor al de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond; |
| 134 | 3° teeltfiches bijhouden voor alle teelten die in het jaar X+1 op het bedrijf verbouwd worden; | 130 | 2° teeltfiches bijhouden voor alle teelten die op het bedrijf verbouwd worden; |
| 135 | 4° geen derogatie mogelijk in het jaar X+1; | ||
| 136 | 5° de landbouwer laat zich begeleiden door een gecertificeerde adviesinstantie en volgt de adviezen van de gecertificeerde adviesinstantie op, met dien verstande dat de adviezen en de opvolging van deze adviezen niet mogen afwijken van de bepalingen van dit decreet. | 131 | 3° zich laten begeleiden door een gekwalificeerde adviesinstantie. Het bedrijf volgt de adviezen van de gekwalificeerde adviesinstantie op, met dien verstande dat de adviezen en de opvolging van deze adviezen niet mogen afwijken van de bepalingen van dit decreet; |
| 132 | 4° het betreffende bedrijf kan geen gebruik maken van de mogelijkheid, vermeld in artikel 14bis om een verlaging te krijgen van de bemestingsvermindering, vermeld in artikel 14, §4, eerste lid, 1°. | ||
| 133 | De maatregel, vermeld in het tweede lid, 4°, wordt enkel opgelegd aan bedrijven als vermeld in het eerste lid, 1°, en op voorwaarde dat, als in het kalenderjaar X er sprake was van weersomstandigheden als vermeld in artikel 64, §7, de overschrijding groter was dan de, overeenkomstig artikel 64, §7, verhoogde overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaardes. | ||
| 134 | De maatregelen, vermeld in het tweede lid, vervallen op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de landbouwer een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau liet uitvoeren waarvan het resultaat positief is als vermeld in paragraaf 9 en uiterlijk op 1 januari van het vijfde jaar volgend op het laatste jaar waarin voor het bedrijf in kwestie opgelegd was een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren. | ||
| 137 | §12. De beoordeling van de resultaten van de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau en het opleggen van de gevolgen, vermeld in paragraaf 10 en paragraaf 11, gebeurt van rechtswege. De Mestbank vermeldt de beoordeling van de resultaten en de opgelegde gevolgen op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De landbouwer kan tegen deze beoordeling en de opgelegde gevolgen bezwaar indienen uiterlijk op 15 maart van het betrokken jaar. In afwijking hiervan wordt, als voor een bepaald bedrijf op 15 februari van een bepaald jaar de beoordeling en de gevolgen nog niet vermeld worden op het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket, voor de betrokken landbouwer de termijn om bezwaar in te dienen verlengd tot de dertigste dag nadat de beoordeling en de gevolgen voor zijn bedrijf op het internetloket vermeld werden. | 135 | §12. De beoordeling van de resultaten van de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau en het opleggen van de gevolgen, vermeld in paragraaf 10 en paragraaf 11, gebeurt van rechtswege. De Mestbank vermeldt de beoordeling van de resultaten en de opgelegde gevolgen op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De landbouwer kan tegen deze beoordeling en de opgelegde gevolgen bezwaar indienen uiterlijk op 15 maart van het betrokken jaar. In afwijking hiervan wordt, als voor een bepaald bedrijf op 15 februari van een bepaald jaar de beoordeling en de gevolgen nog niet vermeld worden op het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket, voor de betrokken landbouwer de termijn om bezwaar in te dienen verlengd tot de dertigste dag nadat de beoordeling en de gevolgen voor zijn bedrijf op het internetloket vermeld werden. |
| 138 | Het bezwaar moet per beveiligde zending gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank. | 136 | Het bezwaar moet per beveiligde zending gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank. |
| 139 | Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de verzending van de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet. | 137 | Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de verzending van de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet. |
| 140 | §13. Voor de toepassing van dit artikel wordt rekening gehouden met alle nitraatresidubepalingen die, in uitvoering van dit decreet of een andere wetgeving, uitgevoerd zijn op een perceel of op percelen waarop in toepassing van de artikelen 14 en 15 een nitraatresidubepaling wordt genomen of moet worden genomen. | 138 | §13. Voor de toepassing van dit artikel wordt rekening gehouden met alle nitraatresidubepalingen die, in uitvoering van dit decreet of een andere wetgeving, uitgevoerd zijn op een perceel of op percelen waarop in toepassing van de artikelen 14 en 15 een nitraatresidubepaling wordt genomen of moet worden genomen. |
| 141 | Het erkend laboratorium dat een nitraatresidubepaling uitvoert in toepassing van dit artikel stelt de Mestbank, uiterlijk de werkdag voor de bemonstering, hiervan in kennis, via de door de Mestbank ter beschikking gestelde webapplicatie. | 139 | Het erkend laboratorium dat een nitraatresidubepaling uitvoert in toepassing van dit artikel stelt de Mestbank, uiterlijk de werkdag voor de bemonstering, hiervan in kennis, via de door de Mestbank ter beschikking gestelde webapplicatie. |
| 142 | §14. De Vlaamse Regering kan nadere regels voor de toepassing van dit artikel stellen, onder meer met betrekking tot de wijze waarop de resultaten van de nitraatresidubepalingen aan de Mestbank overgemaakt moeten worden. | 140 | §14. De Vlaamse Regering kan nadere regels voor de toepassing van dit artikel stellen, onder meer met betrekking tot de wijze waarop de resultaten van de nitraatresidubepalingen aan de Mestbank overgemaakt moeten worden. |
| 143 | De Vlaamse Regering kan bepalen dat bij een overdracht, een overname, een opsplitsing of een wijziging van de bedrijfsstructuur van een bedrijf de gevolgen, vermeld in paragraaf 10 en paragraaf 11, aan beide bedrijven of aan één van beide bedrijven opgelegd worden. | 141 | De Vlaamse Regering kan bepalen dat bij een overdracht, een overname, een opsplitsing of een wijziging van de bedrijfsstructuur van een bedrijf de gevolgen, vermeld in paragraaf 10 en paragraaf 11, aan beide bedrijven of aan één van beide bedrijven opgelegd worden. |
| 144 | Voor de toepassing van dit artikel kan de Vlaamse Regering een afwijkende regeling uitwerken voor landbouwers die laattijdig nog bepaalde aanpassingen doorvoeren in de verzamelaanvraag die betrekking heeft op het betreffende kalenderjaar. | 142 | Voor de toepassing van dit artikel kan de Vlaamse Regering een afwijkende regeling uitwerken voor landbouwers die laattijdig nog bepaalde aanpassingen doorvoeren in de verzamelaanvraag die betrekking heeft op het betreffende kalenderjaar. |
| 145 | In het kader van de omvorming van een landbouwer met meerdere exploitanten naar een of meer nieuwe landbouwers met één exploitant, waarbij de exploitant van elke nieuwe landbouwer deel uitmaakt van de landbouwer met meerdere exploitanten, bevindt elke nieuwe landbouwer zich in het jaar X van de omvorming, voor de toepassing van dit artikel, in dezelfde rechtstoestand als de rechtstoestand waarin de landbouwer met meerdere exploitanten zich zou bevinden als die niet zou zijn omgevormd. Het bepalen van de betreffende rechtstoestand van de nieuwe landbouwer voor het jaar X+1 en de daaropvolgende jaren gebeurt conform dit artikel. | 143 | In het kader van de omvorming van een landbouwer met meerdere exploitanten naar een of meer nieuwe landbouwers met één exploitant, waarbij de exploitant van elke nieuwe landbouwer deel uitmaakt van de landbouwer met meerdere exploitanten, bevindt elke nieuwe landbouwer zich in het jaar X van de omvorming, voor de toepassing van dit artikel, in dezelfde rechtstoestand als de rechtstoestand waarin de landbouwer met meerdere exploitanten zich zou bevinden als die niet zou zijn omgevormd. Het bepalen van de betreffende rechtstoestand van de nieuwe landbouwer voor het jaar X+1 en de daaropvolgende jaren gebeurt conform dit artikel. |
| 144 | §15. De Vlaamse Regering kan voor percelen waarop gelijktijdig meerdere teelten verbouwd worden nader bepalen aan welk teelttype als vermeld in de tabel, vermeld in paragraaf 1, dergelijke percelen toegewezen moeten worden. | ||
| 145 | In afwijking van dit artikel kan de Vlaamse Regering voor biologische bedrijven en zelfplukbedrijven waarvan de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond minder dan 5 hectare bedraagt en waar meer dan drie nitraatresidutypes van toepassing zijn, de bepalingen aangaande het uitvoeren en beoordelen van een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau wijzigen. | ||
| 2 | Op landbouwgronden die voor een deel gelegen zijn in meerdere gebieden die, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, verschillend behandeld dienen te worden, onder meer op het gebied van de van toepassing zijnde bemestings-regels, bemestingsnormen, toegestane bemestingsperiode, nitraatresiduwaarden en maatregelen, worden voor de van toepassing zijnde bemestingsregels, voor de beperkingen voor difosforpentoxide, stikstof, stikstof uit dierlijke mest, stikstof uit andere meststoffen en stikstof uit kunstmest, voor de toegestane bemestingsperiode en voor de van toepassing zijnde nitraatresiduwaarden en maatregelen en voor het bepalen van de afzetmogelijkheid op de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond de bepalingen die van toepassing zijn op het grootste gedeelte van het perceel van toepassing op het volledige perceel. | 2 | Op landbouwgronden die voor een deel gelegen zijn in meerdere gebieden die, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, verschillend behandeld dienen te worden, onder meer op het gebied van de van toepassing zijnde bemestings-regels, bemestingsnormen, toegestane bemestingsperiode, nitraatresiduwaarden en maatregelen, worden voor de van toepassing zijnde bemestingsregels, voor de beperkingen voor difosforpentoxide, stikstof, stikstof uit dierlijke mest, stikstof uit andere meststoffen en stikstof uit kunstmest, voor de toegestane bemestingsperiode en voor de van toepassing zijnde nitraatresiduwaarden en maatregelen en voor het bepalen van de afzetmogelijkheid op de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond de bepalingen die van toepassing zijn op het grootste gedeelte van het perceel van toepassing op het volledige perceel. |
| 3 | Voor de toepassing van dit decreet, onder meer voor wat betreft de van toepassing zijnde bemestingsregels, bemestingsnormen, toegestane bemestingsperiode, nitraatresiduwaarden en maatregelen, en het bepalen van de afzetmogelijkheid op de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, wordt geen rekening gehouden met wijzigingen die de landbouwer na 30 juni van een bepaald kalenderjaar aanbrengt aan de verzamelaanvraag die betrekking heeft op dat kalenderjaar. In afwijking hiervan wordt met wijzigingen van de nateelt rekening gehouden met wijzigingen die de landbouwer tot en met 31 oktober van een bepaald kalenderjaar aanbrengt aan de verzamelaanvraag die betrekking heeft op dat kalenderjaar. | 3 | Voor de toepassing van dit decreet, onder meer voor wat betreft de van toepassing zijnde bemestingsregels, bemestingsnormen, toegestane bemestingsperiode, nitraatresiduwaarden en maatregelen, en het bepalen van de afzetmogelijkheid op de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, wordt geen rekening gehouden met wijzigingen die de landbouwer na 30 juni van een bepaald kalenderjaar aanbrengt aan de verzamelaanvraag die betrekking heeft op dat kalenderjaar. In afwijking hiervan wordt met wijzigingen van de nateelt rekening gehouden met wijzigingen die de landbouwer tot en met 31 oktober van een bepaald kalenderjaar aanbrengt aan de verzamelaanvraag die betrekking heeft op dat kalenderjaar. |
| 4 | De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.. | ||
| 4 | De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van het derde lid, voor alle of bepaalde aspecten in toepassing van dit decreet, de datum van 30 juni verlaten, en kan hieraan bepaalde voorwaarden koppelen. | ||
| 5 | § 2. Bij nieuwe afbakeningen van fosfaatverzadigde gebieden, vermeld in artikel 17, gelden de overeenkomstige bemestingsnormen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de datum van inwerkingtreding van de nieuwe afbakening. | 5 | § 2. Bij nieuwe afbakeningen van fosfaatverzadigde gebieden, vermeld in artikel 17, gelden de overeenkomstige bemestingsnormen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de datum van inwerkingtreding van de nieuwe afbakening. |
| 1 | Het is verboden meststoffen op of in de bodem te brengen, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing : | 1 | Het op of in de bodem brengen van meststoffen in de nabijheid van waterlopen: |
| 2 | 1° tot 5 m landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop; | ||
| 3 | 2° tot 10 m landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop die gelegen is in het Vlaams Ecologisch Netwerk; | ||
| 4 | 3° tot 10 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop, als een steile helling grenst aan een waterloop. | ||
| 5 | De waterlopen, vermeld in het eerste lid, zijn de bevaarbare waterlopen en de onbevaarbare waterlopen van eerste, tweede en derde categorie, ingedeeld op grond van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen. | ||
| 2 | 1° is verboden binnen de gebieden, vermeld in artikel 1.3.2.2, §1, 1°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018; | ||
| 3 | 2° is verboden op de beschermingsstroken, vermeld in artikel 1.3.2.2 van voormeld decreet; | ||
| 4 | 3° gebeurt, in het geval van een oeverzone, vastgelegd in een goedgekeurd oeverzoneproject als vermeld in artikel 1.3.2.1 van voormeld decreet, overeenkomstig de bepalingen die in het oeverzoneproject in kwestie bepaald zijn. |