Decreet houdende diverse bepalingen over omgeving, leefmilieu en natuur en ruimtelijke ordening
103 artikels gewijzigd
| 49 | d) het herkenbare onderdeel van een projectbesluit dat geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan; | 49 | d) het herkenbare onderdeel van een projectbesluit dat geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan; |
| 50 | 14° strategische adviesraad : de strategische adviesraad, opgericht bij het decreet van 10 maart 2006 houdende de oprichting van de strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed; | 50 | 14° strategische adviesraad : de strategische adviesraad, opgericht bij het decreet van 10 maart 2006 houdende de oprichting van de strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed; |
| 51 | 15° (sub)categorie van gebiedsaanduiding : een generieke gebiedsbestemming, vermeld in artikel 2.2.3, § 2; | 51 | 15° (sub)categorie van gebiedsaanduiding : een generieke gebiedsbestemming, vermeld in artikel 2.2.6, § 2; |
| 52 | 16° Vlaamse Belastingdienst : de gewestelijke administratie, bevoegd voor de inning en invordering van de Vlaamse belastingen; | 52 | 16° Vlaamse Belastingdienst : de gewestelijke administratie, bevoegd voor de inning en invordering van de Vlaamse belastingen; |
| 53 | 17° Vlaamse Grondenbank : afdeling van de Vlaamse Landmaatschappij, opgericht volgens het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen. | 53 | 17° Vlaamse Grondenbank : afdeling van de Vlaamse Landmaatschappij, opgericht volgens het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen. |
| 1 | De bij het Vlaams Parlement in te dienen beleidsbrieven over het beleidsveld ruimtelijke ordening omvatten onder andere : | 1 | De bij het Vlaams Parlement in te dienen beleids- en begrotingstoelichtingen over het beleidsveld ruimtelijke ordening omvatten onder andere : |
| 2 | 1° objectieven betreffende de opstart en behandeling van gewestelijke planningsprocessen in het betrokken kalenderjaar; | 2 | 1° objectieven betreffende de opstart en behandeling van gewestelijke planningsprocessen in het betrokken kalenderjaar; |
| 3 | 2° globale objectieven betreffende de opstart en behandeling van provinciale en gemeentelijke planningsprocessen in het betrokken kalenderjaar; | 3 | 2° globale objectieven betreffende de opstart en behandeling van provinciale en gemeentelijke planningsprocessen in het betrokken kalenderjaar; |
| 7 | De procesnota en de aangevulde procesnota worden op dezelfde wijze gepubliceerd. | 7 | De procesnota en de aangevulde procesnota worden op dezelfde wijze gepubliceerd. |
| 8 | § 2. De Vlaamse Regering stelt een handleiding ter beschikking die de procesaanpak van het geïntegreerde planningsproces verduidelijkt. | 8 | § 2. De Vlaamse Regering stelt een handleiding ter beschikking die de procesaanpak van het geïntegreerde planningsproces verduidelijkt. |
| 9 | De Vlaamse Regering stelt een digitaal platform ter beschikking voor de elektronische uitwisseling en terbeschikkingstelling van alle documenten en adviezen in het kader van de opmaak van het ruimtelijk uitvoeringsplan. | ||
| 10 | De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de opname, uitwisseling en terbeschikkingstelling van gegevens via het digitaal platform, vermeld in het tweede lid. | ||
| 8 | § 2. De startnota bevat : | 8 | § 2. De startnota bevat : |
| 9 | 1° een beschrijving en verduidelijking van de doelstellingen van het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan; | 9 | 1° een beschrijving en verduidelijking van de doelstellingen van het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan; |
| 10 | 2° een afbakening van het gebied of de gebieden waarop het plan betrekking heeft; | ||
| 10 | 2° een aanduiding van het studiegebied voor de uitwerking van de doelstellingen van het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan; | ||
| 11 | 3° een beknopte beschrijving van de alternatieven voor het ontwerpplan of voor onderdelen ervan, die de initiatiefnemer heeft overwogen, en een beknopte beschrijving van de voor- en nadelen van de verschillende alternatieven; | 11 | 3° een beknopte beschrijving van de alternatieven voor het ontwerpplan of voor onderdelen ervan, die de initiatiefnemer heeft overwogen, en een beknopte beschrijving van de voor- en nadelen van de verschillende alternatieven; |
| 12 | 4° een beschrijving van de reikwijdte en het detailleringsniveau van het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan en daaraan gekoppeld de reikwijdte en het detailleringsniveau van de te voeren effectonderzoeken zoals in die fase gekend; | 12 | 4° een beschrijving van de reikwijdte en het detailleringsniveau van het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan en daaraan gekoppeld de reikwijdte en het detailleringsniveau van de te voeren effectonderzoeken zoals in die fase gekend; |
| 7 | 6° de relatie met het ruimtelijk structuurplan of ruimtelijk beleidsplan of de ruimtelijke structuurplannen of ruimtelijke beleidsplannen waarvan het een uitvoering is en, in voorkomend geval, een omschrijving van andere relevante beleidsplannen; | 7 | 6° de relatie met het ruimtelijk structuurplan of ruimtelijk beleidsplan of de ruimtelijke structuurplannen of ruimtelijke beleidsplannen waarvan het een uitvoering is en, in voorkomend geval, een omschrijving van andere relevante beleidsplannen; |
| 8 | 7° in voorkomend geval, een zo mogelijk limitatieve opgave van de voorschriften die strijdig zijn met het ruimtelijk uitvoeringsplan en die opgeheven worden; | 8 | 7° in voorkomend geval, een zo mogelijk limitatieve opgave van de voorschriften die strijdig zijn met het ruimtelijk uitvoeringsplan en die opgeheven worden; |
| 9 | 7°/1 in voorkomend geval, een toelichting van de wijze waarop aan de bepalingen van artikel 2.2.6/1 wordt voldaan; | ||
| 9 | 8° de kwaliteitsbeoordeling en, in voorkomend geval, de verklaring, vermeld in artikel 4.2.11, § 7, eerste lid, 2°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en, in voorkomend geval, een overzicht van de conclusies van de volgende effectbeoordelingen waarbij aangegeven wordt hoe die geïntegreerd zijn in het plan : | 10 | 8° de kwaliteitsbeoordeling en, in voorkomend geval, de verklaring, vermeld in artikel 4.2.11, § 7, eerste lid, 2°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en, in voorkomend geval, een overzicht van de conclusies van de volgende effectbeoordelingen waarbij aangegeven wordt hoe die geïntegreerd zijn in het plan : |
| 10 | a) het planmilieueffectrapport; | 11 | a) het planmilieueffectrapport; |
| 26 | De stedenbouwkundige verordening, bedoeld in het eerste lid, wordt samen met het ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig en definitief vastgesteld en wordt onderworpen aan hetzelfde openbaar onderzoek. Als de stedenbouwkundige verordening niet samen met het ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig wordt vastgesteld en onderworpen aan een openbaar onderzoek maar gebaseerd is op of voortvloeit uit de adviezen, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek geformuleerd zijn, dan wordt deze stedenbouwkundige verordening door de bevoegde overheid na het openbaar onderzoek over het ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig vastgesteld en onderworpen aan een afzonderlijk openbaar onderzoek. Ze wordt dan samen met het ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vastgesteld. De termijn voor definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan wordt in dit geval opgeschort met de termijn die nodig is om de stedenbouwkundige verordening en het ruimtelijk uitvoeringsplan op dezelfde datum definitief te kunnen vaststellen waarbij de vervaltermijn voor de stedenbouwkundige verordening in dit geval de bepalende termijn is voor de duur van opschorting. De termijnen uit artikel 2.2.10, 2.2.15 en 2.2.21 van deze codex zijn van toepassing. | 27 | De stedenbouwkundige verordening, bedoeld in het eerste lid, wordt samen met het ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig en definitief vastgesteld en wordt onderworpen aan hetzelfde openbaar onderzoek. Als de stedenbouwkundige verordening niet samen met het ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig wordt vastgesteld en onderworpen aan een openbaar onderzoek maar gebaseerd is op of voortvloeit uit de adviezen, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek geformuleerd zijn, dan wordt deze stedenbouwkundige verordening door de bevoegde overheid na het openbaar onderzoek over het ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig vastgesteld en onderworpen aan een afzonderlijk openbaar onderzoek. Ze wordt dan samen met het ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vastgesteld. De termijn voor definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan wordt in dit geval opgeschort met de termijn die nodig is om de stedenbouwkundige verordening en het ruimtelijk uitvoeringsplan op dezelfde datum definitief te kunnen vaststellen waarbij de vervaltermijn voor de stedenbouwkundige verordening in dit geval de bepalende termijn is voor de duur van opschorting. De termijnen uit artikel 2.2.10, 2.2.15 en 2.2.21 van deze codex zijn van toepassing. |
| 27 | Een stedenbouwkundige verordening die vastgesteld wordt met het ruimtelijk uitvoeringsplan of een overeenkomst die afgesloten wordt voor of samen met de vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan, kan worden gewijzigd op voorwaarde dat daarbij steeds de doelstelling van de stedenbouwkundige verordening of overeenkomst gerespecteerd blijft. De wijziging van een stedenbouwkundige verordening volgt dezelfde procedure als vermeld in artikel 2.3.1, 2.3.2 en 2.3.3 van deze codex. | 28 | Een stedenbouwkundige verordening die vastgesteld wordt met het ruimtelijk uitvoeringsplan of een overeenkomst die afgesloten wordt voor of samen met de vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan, kan worden gewijzigd op voorwaarde dat daarbij steeds de doelstelling van de stedenbouwkundige verordening of overeenkomst gerespecteerd blijft. De wijziging van een stedenbouwkundige verordening volgt dezelfde procedure als vermeld in artikel 2.3.1, 2.3.2 en 2.3.3 van deze codex. |
| 28 | Alle aangelegenheden die krachtens artikel 2.3.1 geregeld kunnen worden in stedenbouwkundige verordeningen, met uitsluiting van artikel 2.3.1, eerste lid, 11°, kunnen het voorwerp uitmaken van een stedenbouwkundig voorschrift van een ruimtelijk uitvoeringsplan. | 29 | Alle aangelegenheden die krachtens artikel 2.3.1 geregeld kunnen worden in stedenbouwkundige verordeningen, met uitsluiting van artikel 2.3.1, §1, eerste lid, 11°, kunnen het voorwerp uitmaken van een stedenbouwkundig voorschrift van een ruimtelijk uitvoeringsplan. |
| 29 | § 3. Ruimtelijke uitvoeringsplannen blijven gelden tot ze worden vervangen. Ze kunnen op elk moment geheel of gedeeltelijk worden vervangen. | 30 | § 3. Ruimtelijke uitvoeringsplannen blijven gelden tot ze worden vervangen. Ze kunnen op elk moment geheel of gedeeltelijk worden vervangen. |
| 30 | De regels voor de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen zijn ook van toepassing op de vervanging ervan. | 31 | De regels voor de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen zijn ook van toepassing op de vervanging ervan. |
| 31 | De Vlaamse Regering kan bijkomende subcategorieën van gebiedsaanduiding bepalen. | 31 | De Vlaamse Regering kan bijkomende subcategorieën van gebiedsaanduiding bepalen. |
| 32 | § 3. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen. | 32 | § 3. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen. |
| 33 | § 4. Binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering (ook financiële) ondersteuning verlenen aan de provincies en gemeenten voor het vervullen van hun taken met betrekking tot de ruimtelijke uitvoeringsplannen en de bijzondere plannen van aanleg. | 33 | § 4. Binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering (ook financiële) ondersteuning verlenen aan de provincies en gemeenten voor het vervullen van hun taken met betrekking tot de ruimtelijke uitvoeringsplannen. |
| 34 | De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en nadere regels hiertoe. | 34 | De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en nadere regels hiertoe. |
| 1 | §1. Voor de toepassing van dit artikel, dat een verplichting tot plano logische compensatie instelt, worden twee groepen bestemmingen onderscheiden: | ||
| 2 | 1° bestemmingen die ressorteren onder de categorie of subcategorie van gebiedsaanduiding “wonen”, “bedrijvigheid”, “recreatie” of “gemeenschaps- en nutsvoorzieningen”; | ||
| 3 | 2° bestemmingen die ressorteren onder de categorie van gebiedsaanduiding “landbouw”, “bos”, “overig groen” of “reservaat en natuur”. | ||
| 4 | Als een ruimtelijk uitvoeringsplan een wijziging doorvoert van een bestemming of nabestemming uit de tweede groep als vermeld in het eerste lid naar een bestemming of nabestemming uit de eerste groep als vermeld in het eerste lid gaat die bestemmingswijziging gepaard met een gelijktijdige en in oppervlakte minstens gelijke wijziging van bestemmingen uit de eerste groep naar bestemmingen uit de tweede groep. Die laatste bestemmingswijziging wordt de compensatie genoemd. | ||
| 5 | De compensatie gebeurt op gronden waarvan de realisatie van de tot dan toe geldende bestemming door de plannende overheid beleidsmatig niet langer gewenst is. | ||
| 6 | De verplichting tot compensatie, vermeld in het tweede lid, geldt niet in de volgende gevallen: | ||
| 7 | 1° de wijziging naar een bestemming uit de eerste groep als vermeld in het eerste lid beslaat een in omvang beperkte oppervlakte; | ||
| 8 | 2° op het grondgebied van de plannende overheid zijn geen gronden meer aanwezig die een bestemming uit de eerste groep als vermeld in het eerste lid hebben, waarvan de ontwikkeling beleidsmatig niet langer gewenst is; | ||
| 9 | 3° de bestemmingswijziging is gericht op het zone-eigen maken van bestaande hoofdzakelijk vergunde constructies; wordt in het betrokken ruimtelijk uitvoeringsplan echter ook in ruimtelijke uitbreiding voorzien dan geldt de verplichting tot compensatie voor de oppervlakte van de mogelijke uitbreiding. | ||
| 10 | Aan de verplichting tot compensatie, vermeld in het tweede lid, wordt geacht te zijn voldaan in de volgende gevallen: | ||
| 11 | 1° de plannende overheid voert een ander lopend planningsproces, waarbij in oppervlakte minstens gelijke wijzigingen van bestemmingen of nabestemmingen uit de eerste groep als vermeld in het eerste lid naar bestemmingen of nabestemmingen uit de tweede groep als vermeld in het eerste lid begrepen zijn; | ||
| 12 | 2° de plannende overheid voerde in recent vastgestelde ruimtelijke uitvoeringsplannen in oppervlakte minstens gelijke wijzigingen door van bestemmingen of nabestemmingen uit de eerste groep als vermeld in het eerste lid naar bestemmingen of nabestemmingen uit de tweede groep als vermeld in het eerste lid; | ||
| 13 | 3° er wordt toepassing gemaakt van de herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil als vermeld in artikel 2.1.61 en volgende van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting. | ||
| 14 | De verplichting tot planologische compensatie is van overeenkomstige toepassing voor het herkenbare onderdeel van een projectbesluit dat geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan. | ||
| 15 | §2. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de verplichting tot planologische compensatie, vermeld in paragraaf 1, inzonderheid met betrekking tot de toepassing van het vierde en vijfde lid van paragraaf 1, en met betrekking tot compensatie buiten het grondgebied van de plannende overheid. |
| 1 | § 1. De Vlaamse Regering is belast met de opmaak van gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en neemt de nodige maatregelen voor de samenstelling van het planteam en voor het voeren van het geïntegreerde planningsproces, vermeld in artikel 2.2.1. | 1 | § 1. De Vlaamse Regering is belast met de opmaak van gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en neemt de nodige maatregelen voor de samenstelling van het planteam en voor het voeren van het geïntegreerde planningsproces, vermeld in artikel 2.2.1. |
| 2 | Gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. | 2 | Gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. |
| 3 | § 2. De Vlaamse Regering vraagt advies over de startnota aan : | 3 | § 2. De Vlaamse Regering keurt de startnota en de procesnota goed met de informatie die op dat ogenblik bekend is, en vraagt advies over de startnota aan : |
| 4 | 1° de strategische adviesraad en de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen; | 4 | 1° de strategische adviesraad en de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen; |
| 5 | 2° de deputaties van de betrokken provincies; | 5 | 2° de deputaties van de betrokken provincies; |
| 2 | § 2. De Vlaamse Regering onderwerpt het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan samen met het ontwerp van de effectbeoordelingsrapporten aan een openbaar onderzoek dat binnen dertig dagen na de voorlopige vaststelling, vermeld in paragraaf 1, minstens wordt aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad. Die termijn is een termijn van orde. | 2 | § 2. De Vlaamse Regering onderwerpt het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan samen met het ontwerp van de effectbeoordelingsrapporten aan een openbaar onderzoek dat binnen dertig dagen na de voorlopige vaststelling, vermeld in paragraaf 1, minstens wordt aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad. Die termijn is een termijn van orde. |
| 3 | De Vlaamse Regering stelt nadere regels voor het openbaar onderzoek vast. | 3 | De Vlaamse Regering stelt nadere regels voor het openbaar onderzoek vast. |
| 4 | De Vlaamse Regering stuurt een individuele kennisgeving met een beveiligde zending naar de eigenaar, de blote eigenaar, de erfpachthouder, de opstalhouder of de leasinggever van de betrokken beschermde onroerende goederen als in het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een erkennings-, rangschikkings- of beschermingsbesluit inzake onroerend erfgoed geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd of opgeheven. Die personen brengen de gebruikers en eigenaars van de cultuurgoederen met een beveiligde zending op de hoogte van het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving. Ze brengen het departement met een beveiligde zending op de hoogte van de eventuele verkoop of overdracht van het eigendomsrecht of van de overdracht van een ander zakelijk recht, met de bijbehorende stavingsdocumenten, binnen een termijn van tien dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving. Die verplichting wordt in de kennisgeving van de Vlaamse Regering vermeld. De nieuwe eigenaars of de nieuwe houders van het zakelijk recht worden op hun beurt door de Vlaamse Regering met een beveiligde zending van het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan op de hoogte gebracht. | 4 | De Vlaamse Regering stuurt een individuele kennisgeving met een beveiligde zending naar de eigenaar, de blote eigenaar, de erfpachthouder, de opstalhouder of de leasinggever van de betrokken beschermde onroerende goederen als in het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een erkennings-, rangschikkings- of beschermingsbesluit inzake onroerend erfgoed geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd of opgeheven. Die personen brengen de gebruikers van het onroerend goed en de zakelijkrechthouders van de cultuurgoederen met een beveiligde zending op de hoogte van het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving. Ze brengen het departement met een beveiligde zending op de hoogte van de eventuele verkoop of overdracht van het eigendomsrecht of van de overdracht van een ander zakelijk recht, met de bijbehorende stavingsdocumenten, binnen een termijn van tien dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving. Die verplichting wordt in de kennisgeving van de Vlaamse Regering vermeld. De nieuwe eigenaars of de nieuwe houders van het zakelijk recht worden op hun beurt door de Vlaamse Regering met een beveiligde zending van het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan op de hoogte gebracht. |
| 5 | § 3. Na de aankondiging worden het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en het ontwerp van de effectbeoordelingsrapporten gedurende zestig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van elke gemeente waarvan het grondgebied door het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of effectbeoordelingsrapporten geheel of gedeeltelijk wordt bestreken, en worden de ontwerpen gepubliceerd op de website, zoals gespecificeerd door de Vlaamse Regering. | 5 | § 3. Na de aankondiging worden het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en het ontwerp van de effectbeoordelingsrapporten gedurende zestig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van elke gemeente waarvan het grondgebied door het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of effectbeoordelingsrapporten geheel of gedeeltelijk wordt bestreken, en worden de ontwerpen gepubliceerd op de website, zoals gespecificeerd door de Vlaamse Regering. |
| 6 | Het openbaar onderzoek start uiterlijk op de dertigste dag nadat de aankondiging ervan in het Belgisch Staatsblad verschenen is. Die termijn is een termijn van orde. | 6 | Het openbaar onderzoek start uiterlijk op de dertigste dag nadat de aankondiging ervan in het Belgisch Staatsblad verschenen is. Die termijn is een termijn van orde. |
| 3 | De voorschriften van de provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen kunnen niet afwijken van de voorschriften van de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, tenzij de Vlaamse Regering daarvoor haar toestemming verleent. In dat geval vervangen de voorschriften van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, voor het grondgebied waarop ze betrekking hebben, de voorschriften van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, tenzij het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan het uitdrukkelijk anders bepaalt. | 3 | De voorschriften van de provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen kunnen niet afwijken van de voorschriften van de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, tenzij de Vlaamse Regering daarvoor haar toestemming verleent. In dat geval vervangen de voorschriften van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, voor het grondgebied waarop ze betrekking hebben, de voorschriften van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, tenzij het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan het uitdrukkelijk anders bepaalt. |
| 4 | De instemming, vermeld in het derde lid, wordt schriftelijk gegeven, uiterlijk op of naar aanleiding van de plenaire vergadering of de adviesvraag over het voorontwerp van plan waarvoor de instemming vereist is. Het besluit waarbij de instemming wordt verleend, bevat een omschrijving van het te plannen onderwerp en van het gebied waarop het plan of planonderdeel betrekking heeft, en vermeldt de voorschriften van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan die zullen worden opgeheven. | 4 | De instemming, vermeld in het derde lid, wordt schriftelijk gegeven, uiterlijk op of naar aanleiding van de plenaire vergadering of de adviesvraag over het voorontwerp van plan waarvoor de instemming vereist is. Het besluit waarbij de instemming wordt verleend, bevat een omschrijving van het te plannen onderwerp en van het gebied waarop het plan of planonderdeel betrekking heeft, en vermeldt de voorschriften van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan die zullen worden opgeheven. |
| 5 | § 2. De deputatie vraagt advies over de startnota aan : | 5 | § 2. De deputatie keurt de startnota en de procesnota goed met de informatie die op dat ogenblik bekend is, en vraagt advies over de startnota aan : |
| 6 | 1° het departement; | 6 | 1° het departement; |
| 7 | 2° de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening; | 7 | 2° de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening; |
| 1 | § 1. Het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan wordt samen met het besluit van de provincieraad en het volledige advies van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan het departement. | 1 | § 1. Het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan wordt samen met het besluit van de provincieraad en het volledige advies van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan het departement, via een afzonderlijke actie in het digitaal platform, vermeld in artikel 2.2.1, §2. |
| 2 | § 2. De Vlaamse Regering beschikt over een termijn van vijfenveertig dagen die ingaat op de dag na de betekening, vermeld in paragraaf 1 of in paragraaf 4, tweede lid, om de uitvoering van het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan te schorsen of te vernietigen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. Een afschrift van de beslissing tot schorsing of vernietiging wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie. | 2 | § 2. De Vlaamse Regering beschikt over een termijn van vijfenveertig dagen die ingaat op de dag na de betekening, vermeld in paragraaf 1 of in paragraaf 4, tweede lid, om de uitvoering van het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan te schorsen of te vernietigen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. Een afschrift van de beslissing tot schorsing of vernietiging wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie. |
| 3 | § 3. Het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan kan alleen worden geschorst of vernietigd: | 3 | § 3. Het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan kan alleen worden geschorst of vernietigd: |
| 7 | 2° als het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan strijdig is met een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of, in voorkomend geval, met een ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, tenzij de Vlaamse Regering daarmee haar instemming heeft verleend met toepassing van artikel 2.2.12, § 1, derde en vierde lid; | 7 | 2° als het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan strijdig is met een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of, in voorkomend geval, met een ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, tenzij de Vlaamse Regering daarmee haar instemming heeft verleend met toepassing van artikel 2.2.12, § 1, derde en vierde lid; |
| 8 | 3° als het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan strijdig is met direct werkende normen binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening of met de bindende delen van door de Vlaamse Regering vastgestelde beleidsplannen binnen andere beleidsdomeinen; | 8 | 3° als het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan strijdig is met direct werkende normen binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening of met de bindende delen van door de Vlaamse Regering vastgestelde beleidsplannen binnen andere beleidsdomeinen; |
| 9 | 4° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste. | 9 | 4° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste; |
| 10 | 5° wegens strijdigheid met de bepalingen inzake compensatie als vermeld in artikel 2.2.6/1. | ||
| 10 | De Vlaamse Regering gaat alleen over tot vernietiging als ze van oordeel is dat de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in het eerste lid, niet kan worden hersteld, weggewerkt of opgelost door het volgen van de procedure, vermeld in paragraaf 4. | 11 | De Vlaamse Regering gaat alleen over tot vernietiging als ze van oordeel is dat de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in het eerste lid, niet kan worden hersteld, weggewerkt of opgelost door het volgen van de procedure, vermeld in paragraaf 4. |
| 11 | § 4. In geval van schorsing beschikt de provincieraad over een termijn van negentig dagen, die ingaat de dag na de verzending van het schorsingsbesluit aan de deputatie, om het ruimtelijk uitvoeringsplan opnieuw definitief vast te stellen. Onverminderd artikel 2.2.15, § 6, derde lid, kunnen bij de definitieve vaststelling van het plan ten opzichte van het geschorste plan alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit het schorsingsbesluit. | 12 | § 4. In geval van schorsing beschikt de provincieraad over een termijn van negentig dagen, die ingaat de dag na de verzending van het schorsingsbesluit aan de deputatie, om het ruimtelijk uitvoeringsplan opnieuw definitief vast te stellen. Onverminderd artikel 2.2.15, § 6, derde lid, kunnen bij de definitieve vaststelling van het plan ten opzichte van het geschorste plan alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit het schorsingsbesluit. |
| 12 | Het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan wordt samen met het nieuwe besluit van de provincieraad onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan het departement. | 13 | Het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan wordt samen met het nieuwe besluit van de provincieraad onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan het departement, via een afzonderlijke actie in het digitaal platform, vermeld in artikel 2.2.1, |
| 14 | §2. | ||
| 13 | Als de provincieraad binnen de termijn van negentig dagen, vermeld in het eerste lid, geen nieuw besluit tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan neemt, vervalt het geschorste provincieraadsbesluit en het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan. | 15 | Als de provincieraad binnen de termijn van negentig dagen, vermeld in het eerste lid, geen nieuw besluit tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan neemt, vervalt het geschorste provincieraadsbesluit en het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan. |
| 1 | Als het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan niet tijdig is geschorst of vernietigd, wordt de provincieraadsbeslissing houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan binnen zestig dagen na de definitieve vaststelling bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en wordt binnen dezelfde termijn volledig bekendgemaakt op de website, vermeld in het Belgisch Staatsblad. | 1 | Als het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan niet tijdig is geschorst of vernietigd, wordt de provincieraadsbeslissing houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan binnen negentig dagen na de definitieve vaststelling bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en wordt binnen dezelfde termijn volledig bekendgemaakt op de website, vermeld in het Belgisch Staatsblad. |
| 2 | Het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking van de provincieraadsbeslissing houdende definitieve vaststelling van het plan bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad. | 2 | Het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking van de provincieraadsbeslissing houdende definitieve vaststelling van het plan bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad. |
| 3 | De deputatie stuurt een afschrift van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, van het advies van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening en van het vaststellingsbesluit naar elke gemeente waarvan het grondgebied door het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan geheel of gedeeltelijk wordt bestreken, waar die documenten kunnen worden ingezien. De deputatie stuurt een afschrift van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan en van het vaststellingsbesluit naar het agentschap van het beleidsdomein Omgeving dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed, voor zover in het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan een erfgoedlandschap afgebakend of gewijzigd wordt. | 3 | De deputatie stuurt een afschrift van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, van het advies van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening en van het vaststellingsbesluit naar elke gemeente waarvan het grondgebied door het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan geheel of gedeeltelijk wordt bestreken, waar die documenten kunnen worden ingezien. De deputatie stuurt een afschrift van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan en van het vaststellingsbesluit naar het agentschap van het beleidsdomein Omgeving dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed, voor zover in het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan een erfgoedlandschap afgebakend of gewijzigd wordt. |
| 3 | De voorschriften van de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen kunnen niet afwijken van de voorschriften van de provinciale en de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, tenzij de provincieraad, respectievelijk de Vlaamse Regering instemming daarmee verleent. In dat geval vervangen de voorschriften van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, voor het grondgebied waarop ze betrekking hebben, de voorschriften van het provinciaal of gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, tenzij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan het uitdrukkelijk anders bepaalt. | 3 | De voorschriften van de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen kunnen niet afwijken van de voorschriften van de provinciale en de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, tenzij de provincieraad, respectievelijk de Vlaamse Regering instemming daarmee verleent. In dat geval vervangen de voorschriften van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, voor het grondgebied waarop ze betrekking hebben, de voorschriften van het provinciaal of gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, tenzij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan het uitdrukkelijk anders bepaalt. |
| 4 | De instemming, vermeld in het derde lid, wordt schriftelijk gegeven, uiterlijk op of naar aanleiding van de plenaire vergadering of de adviesvraag over het voorontwerp van plan waarvoor de instemming vereist is. Het besluit waarbij de instemming wordt verleend, bevat een omschrijving van het te plannen onderwerp en van het gebied waarop het plan of planonderdeel betrekking heeft, en vermeldt de voorschriften van het provinciaal of gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan die zullen worden opgeheven. | 4 | De instemming, vermeld in het derde lid, wordt schriftelijk gegeven, uiterlijk op of naar aanleiding van de plenaire vergadering of de adviesvraag over het voorontwerp van plan waarvoor de instemming vereist is. Het besluit waarbij de instemming wordt verleend, bevat een omschrijving van het te plannen onderwerp en van het gebied waarop het plan of planonderdeel betrekking heeft, en vermeldt de voorschriften van het provinciaal of gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan die zullen worden opgeheven. |
| 5 | § 2. Het college van burgemeester en schepenen vraagt advies over de startnota aan : | 5 | § 2. Het college van burgemeester en schepenen keurt de startnota en de procesnota goed met de informatie die op dat ogenblik bekend is, en vraagt advies over de startnota aan : |
| 6 | 1° het departement; | 6 | 1° het departement; |
| 7 | 2° de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening; | 7 | 2° de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening; |
| 1 | Het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt samen met het besluit van de gemeenteraad en het volledige advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie van de provincie waarin de gemeente ligt, en aan het departement. | 1 | Het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt samen met het besluit van de gemeenteraad en het volledige advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie van de provincie waarin de gemeente ligt, en aan het departement, via een afzonderlijke actie in het digitaal platform, vermeld in artikel 2.2.1, §2. |
| 1 | §1. De Vlaamse Regering en de deputatie beschikken over een termijn van vijfenveertig dagen die ingaat op de dag na de betekening, vermeld in artikel 2.2.22 of in paragraaf 3, tweede lid, om de uitvoering van het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan te schorsen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. De Vlaamse Regering kan binnen de voormelde termijn een definitief vastgesteld gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ook geheel of gedeeltelijk vernietigen. Een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen. | 1 | §1. De Vlaamse Regering en de deputatie beschikken over een termijn van vijfenveertig dagen die ingaat op de dag na de betekening, vermeld in artikel 2.2.22 of in paragraaf 3, tweede lid, om de uitvoering van het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan te schorsen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. De Vlaamse Regering kan binnen de voormelde termijn een definitief vastgesteld gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ook geheel of gedeeltelijk vernietigen. Een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen. |
| 2 | Binnen de ordetermijn, vermeld in het eerste lid, bezorgt de Vlaamse Regering een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit aan de deputatie. Als de deputatie een schorsingsbesluit neemt, bezorgt ze daarvan binnen de voormelde ordetermijn een afschrift aan het departement. | 2 | Binnen de ordetermijn, vermeld in het eerste lid, bezorgt de Vlaamse Regering een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit aan de deputatie. Als de deputatie een schorsingsbesluit neemt, bezorgt ze daarvan binnen de voormelde ordetermijn een afschrift aan het departement. |
| 3 | §2. Het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kan alleen worden geschorst of vernietigd: | 3 | §2. Het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kan alleen worden geschorst of vernietigd: |
| 4 | 1° als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan uitvoering geeft aan een optie uit het gemeentelijk beleidsplan ruimte waarbij de Vlaamse Regering of de deputatie voorbehoud heeft gemaakt conform artikel 2.1.11, § 2, tweede lid; | 4 | 1° als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan uitvoering geeft aan een optie uit het gemeentelijk beleidsplan ruimte waarbij de Vlaamse Regering of de deputatie voorbehoud heeft gemaakt conform artikel 2.1.11, § 2, tweede lid; |
| 5 | 1°/1 als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan uitvoering geeft aan een beleidskader van het gemeentelijk beleidsplan ruimte dat de Vlaamse Regering niet meer geldig heeft verklaard conform artikel 2.1.5, § 2, tweede lid, of dat de provincieraad niet meer geldig heeft verklaard conform artikel 2.1.8, § 2, tweede lid; | 5 | 1°/1 als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan uitvoering geeft aan een beleidskader van het gemeentelijk beleidsplan ruimte dat de Vlaamse Regering niet meer geldig heeft verklaard conform artikel 2.1.5, § 2, tweede lid, of dat de provincieraad niet meer geldig heeft verklaard conform artikel 2.1.8, § 2, tweede lid; |
| 7 | 2° als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan strijdig is met een gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan of, in voorkomend geval, met een ontwerp van gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, tenzij de Vlaamse Regering, respectievelijk de provincieraad daarmee haar instemming conform artikel 2.2.18, § 1, derde lid, heeft verleend; | 7 | 2° als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan strijdig is met een gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan of, in voorkomend geval, met een ontwerp van gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, tenzij de Vlaamse Regering, respectievelijk de provincieraad daarmee haar instemming conform artikel 2.2.18, § 1, derde lid, heeft verleend; |
| 8 | 3° als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan strijdig is met direct werkende normen binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening of met bindende delen van een door de Vlaamse Regering vastgesteld beleidsplan; | 8 | 3° als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan strijdig is met direct werkende normen binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening of met bindende delen van een door de Vlaamse Regering vastgesteld beleidsplan; |
| 9 | 4° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste. | 9 | 4° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste; |
| 10 | 5° wegens strijdigheid met de bepalingen inzake compensatie als vermeld in artikel 2.2.6/1. | ||
| 10 | De Vlaamse Regering gaat alleen over tot vernietiging als ze van oordeel is dat de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in het eerste lid, niet kan worden hersteld, weggewerkt of opgelost door het volgen van de procedure, vermeld in paragraaf 3. | 11 | De Vlaamse Regering gaat alleen over tot vernietiging als ze van oordeel is dat de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in het eerste lid, niet kan worden hersteld, weggewerkt of opgelost door het volgen van de procedure, vermeld in paragraaf 3. |
| 11 | §3. In geval van schorsing beschikt de gemeenteraad over een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag na de verzending van het schorsingsbesluit aan de gemeente, om het ruimtelijk uitvoeringsplan opnieuw definitief vast te stellen. Onverminderd artikel 2.2.21, § 6, derde lid, kunnen bij de definitieve vaststelling van het plan ten opzichte van het geschorste plan alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit het schorsingsbesluit. | 12 | §3. In geval van schorsing beschikt de gemeenteraad over een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag na de verzending van het schorsingsbesluit aan de gemeente, om het ruimtelijk uitvoeringsplan opnieuw definitief vast te stellen. Onverminderd artikel 2.2.21, § 6, derde lid, kunnen bij de definitieve vaststelling van het plan ten opzichte van het geschorste plan alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit het schorsingsbesluit. |
| 12 | Het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt samen met het nieuwe besluit van de gemeenteraad onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie van de provincie waarin de gemeente ligt, en aan het departement. | 13 | Het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt samen met het nieuwe besluit van de gemeenteraad onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie van de provincie waarin de gemeente ligt, en aan het departement, via een afzonderlijke actie in het digitaal platform, vermeld in artikel 2.2.1, §2. |
| 13 | Als de gemeenteraad binnen de voormelde termijn van negentig dagen geen nieuw besluit tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan neemt, vervallen het geschorste gemeenteraadsbesluit en het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. | 14 | Als de gemeenteraad binnen de voormelde termijn van negentig dagen geen nieuw besluit tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan neemt, vervallen het geschorste gemeenteraadsbesluit en het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. |
| 1 | Als het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan niet tijdig is geschorst of vernietigd, wordt de gemeenteraadsbeslissing houdende definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan binnen zestig dagen na de definitieve vaststelling bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en wordt ze binnen dezelfde termijn volledig bekendgemaakt op de website, vermeld in het Belgisch Staatsblad. | 1 | Als het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan niet tijdig is geschorst of vernietigd, wordt de gemeenteraadsbeslissing houdende definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan binnen negentig dagen na de definitieve vaststelling bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en wordt ze binnen dezelfde termijn volledig bekendgemaakt op de website, vermeld in het Belgisch Staatsblad. |
| 1 | De Vlaamse Regering kan gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen vaststellen voor een deel van of voor het hele gewest. Die verordeningen bevatten de nodige stedenbouwkundige voorschriften om te zorgen voor : | 1 | §1. De Vlaamse Regering kan gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen vaststellen voor een deel van of voor het hele gewest. Die verordeningen bevatten de nodige stedenbouwkundige voorschriften om te zorgen voor : |
| 2 | 1° de gezondheid, de instandhouding, de stevigheid, de fraaiheid en de esthetische waarde van de bouwwerken, de installaties en hun omgeving, en ook hun veiligheid, met name de beveiliging tegen brand en overstroming; | 2 | 1° de gezondheid, de instandhouding, de stevigheid, de fraaiheid en de esthetische waarde van de bouwwerken, de installaties en hun omgeving, en ook hun veiligheid, met name de beveiliging tegen brand en overstroming; |
| 3 | 2° de thermische en akoestische kwaliteit van de bouwwerken, de energiebesparingen en de energieterugwinning, de uitbouw van collectieve energievoorzieningen waarop desgevallend verplicht moet worden aangesloten; | 3 | 2° de thermische en akoestische kwaliteit van de bouwwerken, de energiebesparingen en de energieterugwinning, de uitbouw van collectieve energievoorzieningen waarop desgevallend verplicht moet worden aangesloten; |
| 20 | Stedenbouwkundige verordeningen kunnen aan de aanvrager van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden technische en financiële lasten opleggen. Alle lasten die in artikel 75, § 3, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vermeld worden, kunnen door middel van een gemeentelijke, provinciale of gewestelijke stedenbouwkundige verordening op algemene wijze opgelegd worden. | 20 | Stedenbouwkundige verordeningen kunnen aan de aanvrager van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden technische en financiële lasten opleggen. Alle lasten die in artikel 75, § 3, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vermeld worden, kunnen door middel van een gemeentelijke, provinciale of gewestelijke stedenbouwkundige verordening op algemene wijze opgelegd worden. |
| 21 | De stedenbouwkundige verordeningen moeten in overeenstemming zijn met de bestaande regelgeving voor de materie in kwestie. | 21 | De stedenbouwkundige verordeningen moeten in overeenstemming zijn met de bestaande regelgeving voor de materie in kwestie. |
| 22 | Het ontwerp van stedenbouwkundige verordening wordt voor advies voorgelegd aan de strategische adviesraad. Wanneer er geen advies is verleend binnen een termijn van dertig dagen, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. | 22 | §2. Het ontwerp van stedenbouwkundige verordening wordt voor advies voorgelegd aan de strategische adviesraad. Wanneer er geen advies is verleend binnen een termijn van dertig dagen, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. |
| 23 | De Vlaamse Regering organiseert omtrent een ontwerp van gewestelijke stedenbouwkundige verordening een overlegvergadering met behoorlijk gemandateerde vertegenwoordigers van de Vereniging van de Vlaamse Provincies en van de Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten. | 23 | De Vlaamse Regering organiseert omtrent een ontwerp van gewestelijke stedenbouwkundige verordening een overlegvergadering met behoorlijk gemandateerde vertegenwoordigers van de Vereniging van de Vlaamse Provincies en van de Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten. |
| 24 | De Vlaamse Regering onderwerpt het ontwerp van gewestelijke stedenbouwkundige verordening aan een openbaar onderzoek. Het openbaar onderzoek duurt dertig dagen en wordt minstens aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad. De Vlaamse Regering stelt nadere regels voor het openbaar onderzoek vast. | 24 | De Vlaamse Regering onderwerpt het ontwerp van gewestelijke stedenbouwkundige verordening aan een openbaar onderzoek. Het openbaar onderzoek duurt dertig dagen en wordt minstens aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad. De Vlaamse Regering stelt nadere regels voor het openbaar onderzoek vast. |
| 25 | De gewestelijke, provinciale en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen die werden vastgesteld vóór 1 september 2009 en die op grond van de mogelijkheden, voorzien in de vroegere regelgeving, andere aangelegenheden regelen dan deze, vermeld in het eerste lid, of andere constructies of handelingen betreffen dan deze, vermeld in het tweede lid, blijven geldig tot ze worden opgeheven. De verordenende overheid kan na 1 september 2009 wijzigingen aan deze stedenbouwkundige verordeningen aanbrengen binnen de marges, vermeld in het eerste en tweede lid. | ||
| 25 | §3. De Vlaamse Regering kan gewestelijke bouwverordeningen of gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen wijzigen binnen de marges, vermeld in paragraaf 1 en 2. | ||
| 26 | §4. De Vlaamse Regering kan gewestelijke bouwverordeningen of stedenbouwkundige verordeningen geheel of gedeeltelijk opheffen, overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2. In geval van een loutere opheffing van een verordening, vastgesteld voor 1 september 2009, zijn de bepalingen van paragraaf 2 echter niet van toepassing en kan de Vlaamse Regering onmiddellijk tot opheffing overgaan. | ||
| 27 | Deze paragraaf verleent nimmer vrijstelling van de toepassing van de bepalingen inzake de milieueffectrapportage over plannen en programma’s, opgenomen in hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. | ||
| 1 | §1. De provincieraad kan stedenbouwkundige verordeningen vaststellen voor de materie omschreven in artikel 2.3.1 en in artikel 4.2.5, voor het gehele grondgebied van de provincie of voor een deel waarvan hij de grenzen bepaalt met naleving van de door de Vlaamse Regering vastgestelde stedenbouwkundige verordeningen. | 1 | §1. De provincieraad kan stedenbouwkundige verordeningen vaststellen voor de materie omschreven in artikel 2.3.1, §1, voor het gehele grondgebied van de provincie of voor een deel waarvan hij de grenzen bepaalt met naleving van de door de Vlaamse Regering vastgestelde stedenbouwkundige verordeningen. |
| 2 | Indien de Vlaamse Regering een gewestelijke stedenbouwkundige verordening vaststelt, brengt de provincieraad uit eigen beweging of binnen de termijn die door de Vlaamse Regering wordt opgelegd, de bestaande provinciale stedenbouwkundige verordening(en) in overeenstemming met de voorschriften van de door de Vlaamse Regering vastgestelde stedenbouwkundige verordening(en). Een gewestelijke stedenbouwkundige verordening kan worden aangevuld en verder worden uitgevoerd middels provinciale stedenbouwkundige verordeningen, tenzij de gewestelijke stedenbouwkundige verordening uitdrukkelijk anders bepaalt. In dat laatste geval kan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening tevens bepalen dat bestaande provinciale stedenbouwkundige verordeningen met betrekking tot de geregelde aangelegenheid op een bepaalde datum ophouden uitwerking te hebben. | 2 | Indien de Vlaamse Regering een gewestelijke stedenbouwkundige verordening vaststelt, brengt de provincieraad uit eigen beweging of binnen de termijn die door de Vlaamse Regering wordt opgelegd, de bestaande provinciale stedenbouwkundige verordening(en) in overeenstemming met de voorschriften van de door de Vlaamse Regering vastgestelde stedenbouwkundige verordening(en). Een gewestelijke stedenbouwkundige verordening kan worden aangevuld en verder worden uitgevoerd middels provinciale stedenbouwkundige verordeningen, tenzij de gewestelijke stedenbouwkundige verordening uitdrukkelijk anders bepaalt. In dat laatste geval kan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening tevens bepalen dat bestaande provinciale stedenbouwkundige verordeningen met betrekking tot de geregelde aangelegenheid op een bepaalde datum ophouden uitwerking te hebben. |
| 3 | De deputatie is belast met het opmaken van provinciale stedenbouwkundige verordeningen en neemt de nodige maatregelen tot opmaak. | 3 | De deputatie is belast met het opmaken van provinciale stedenbouwkundige verordeningen en neemt de nodige maatregelen tot opmaak. |
| 5 | De deputatie onderwerpt het ontwerp van provinciale stedenbouwkundige verordening aan een openbaar onderzoek. Het openbaar onderzoek duurt dertig dagen en wordt minstens aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad. De Vlaamse Regering stelt nadere regels voor het openbaar onderzoek vast. | 5 | De deputatie onderwerpt het ontwerp van provinciale stedenbouwkundige verordening aan een openbaar onderzoek. Het openbaar onderzoek duurt dertig dagen en wordt minstens aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad. De Vlaamse Regering stelt nadere regels voor het openbaar onderzoek vast. |
| 6 | De provinciale stedenbouwkundige verordening wordt samen met het besluit van de provincieraad en het volledige advies van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening binnen tien dagen na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan het departement. | 6 | De provinciale stedenbouwkundige verordening wordt samen met het besluit van de provincieraad en het volledige advies van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening binnen tien dagen na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan het departement. |
| 7 | §1/1. De Vlaamse Regering beschikt over een termijn van vijfenveertig dagen die ingaat op de dag na de betekening, vermeld in paragraaf 1, zesde lid, om de uitvoering van het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening te schorsen of te vernietigen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. Een afschrift van de beslissing tot schorsing of vernietiging wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie. | 7 | §1/1. De Vlaamse Regering beschikt over een termijn van vijfenveertig dagen die ingaat op de dag na de betekening, vermeld in paragraaf 1, zesde lid, om de uitvoering van het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening te schorsen of te vernietigen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. Een afschrift van de beslissing tot schorsing of vernietiging wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie. |
| 8 | Het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening kan alleen worden geschorst of vernietigd: | 8 | Het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening kan alleen worden geschorst of vernietigd: |
| 9 | 1° als de provinciale stedenbouwkundige verordening uitvoering geeft aan een optie uit het provinciaal beleidsplan ruimte waarbij de Vlaamse Regering voorbehoud heeft gemaakt overeenkomstig artikel 2.1.8, § 2, derde lid; | 9 | 1° als de provinciale stedenbouwkundige verordening uitvoering geeft aan een optie uit het provinciaal beleidsplan ruimte waarbij de Vlaamse Regering voorbehoud heeft gemaakt overeenkomstig artikel 2.1.8, § 2, derde lid; |
| 15 | 7° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste. | 15 | 7° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste. |
| 16 | De Vlaamse Regering gaat alleen over tot vernietiging als ze van oordeel is dat de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in het tweede lid, niet kan worden hersteld, weggewerkt of opgelost door het volgen van de procedure, vermeld in paragraaf 1/2. | 16 | De Vlaamse Regering gaat alleen over tot vernietiging als ze van oordeel is dat de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in het tweede lid, niet kan worden hersteld, weggewerkt of opgelost door het volgen van de procedure, vermeld in paragraaf 1/2. |
| 17 | §1/2. In geval van schorsing beschikt de provincieraad over een termijn van negentig dagen die ingaat op de dag na de verzending van het schorsingsbesluit aan de deputatie, om de provinciale stedenbouwkundige verordening opnieuw definitief vast te stellen. Bij de definitieve vaststelling van de verordening kunnen ten opzichte van de geschorste verordening alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit het schorsingsbesluit. | 17 | §1/2. In geval van schorsing beschikt de provincieraad over een termijn van negentig dagen die ingaat op de dag na de verzending van het schorsingsbesluit aan de deputatie, om de provinciale stedenbouwkundige verordening opnieuw definitief vast te stellen. Bij de definitieve vaststelling van de verordening kunnen ten opzichte van de geschorste verordening alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit het schorsingsbesluit. |
| 18 | De provinciale stedenbouwkundige verordening wordt samen met het nieuwe besluit van de provincieraad onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan het departement. | 18 | De provinciale stedenbouwkundige verordening wordt samen met het nieuwe besluit van de provincieraad onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan het departement. |
| 19 | Als de provincieraad binnen de voormelde termijn van negentig dagen geen nieuw besluit tot definitieve vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening neemt, vervallen het geschorste provincieraadsbesluit en de provinciale stedenbouwkundige verordening. | 19 | Als de provincieraad binnen de voormelde termijn van negentig dagen geen nieuw besluit tot definitieve vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening neemt, vervallen het geschorste provincieraadsbesluit en de provinciale stedenbouwkundige verordening. |
| 20 | Als het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening niet tijdig is geschorst of vernietigd, wordt de provincieraadsbeslissing houdende definitieve vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. | 20 | Als het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening niet tijdig is geschorst of vernietigd, wordt de provincieraadsbeslissing houdende definitieve vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. |
| 21 | §1/3. De provincieraad kan provinciale stedenbouwkundige verordeningen wijzigen binnen de marges, vermeld in paragraaf 1. | ||
| 22 | §1/4. De provincieraad kan provinciale stedenbouwkundige verordeningen, geheel of gedeeltelijk opheffen bij besluit van de provincieraad, overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 1. | ||
| 23 | De deputatie neemt de nodige maatregelen tot opheffing. | ||
| 24 | In geval van een loutere opheffing van een verordening vastgesteld voor 1 september 2009, zijn de bepalingen van paragraaf 1, vierde tot en met zesde lid, echter niet van toepassing en kan de provincieraad onmiddellijk tot opheffing overgaan. | ||
| 25 | Deze paragraaf verleent nimmer vrijstelling van de toepassing van de bepalingen inzake de milieueffectrapportage over plannen en programma’s, opgenomen in hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. | ||
| 26 | Het besluit van de provincieraad wordt bezorgd aan het departement en bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. | ||
| 21 | §2. De gemeenteraad kan stedenbouwkundige verordeningen vaststellen voor de materie omschreven in artikel 2.3.1, in artikel 4.2.5 en in artikel 4.4.1, § 3, tweede lid, voor het gehele grondgebied van de gemeente of voor een deel waarvan hij de grenzen bepaalt met naleving van de door de Vlaamse Regering en de provincieraad vastgestelde stedenbouwkundige verordeningen. | 27 | §2. De gemeenteraad kan stedenbouwkundige verordeningen vaststellen voor de materie omschreven in artikel 2.3.1, §1, in artikel 4.2.5 en in artikel 4.4.1, § 3, tweede lid, voor het gehele grondgebied van de gemeente of voor een deel waarvan hij de grenzen bepaalt met naleving van de door de Vlaamse Regering en de provincieraad vastgestelde stedenbouwkundige verordeningen. |
| 22 | Indien de Vlaamse Regering een gewestelijke stedenbouwkundige verordening vaststelt, brengt de gemeenteraad uit eigen beweging of binnen de termijn die door de Vlaamse Regering wordt opgelegd, de bestaande gemeentelijke stedenbouwkundige verordening(en) in overeenstemming met de voorschriften van de door de Vlaamse Regering vastgestelde stedenbouwkundige verordening(en). Een gewestelijke stedenbouwkundige verordening kan worden aangevuld en verder worden uitgevoerd middels gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen, tenzij de gewestelijke stedenbouwkundige verordening uitdrukkelijk anders bepaalt. In dat laatste geval kan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening tevens bepalen dat bestaande gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen met betrekking tot de geregelde aangelegenheid op een bepaalde datum ophouden uitwerking te hebben. | 28 | Indien de Vlaamse Regering een gewestelijke stedenbouwkundige verordening vaststelt, brengt de gemeenteraad uit eigen beweging of binnen de termijn die door de Vlaamse Regering wordt opgelegd, de bestaande gemeentelijke stedenbouwkundige verordening(en) in overeenstemming met de voorschriften van de door de Vlaamse Regering vastgestelde stedenbouwkundige verordening(en). Een gewestelijke stedenbouwkundige verordening kan worden aangevuld en verder worden uitgevoerd middels gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen, tenzij de gewestelijke stedenbouwkundige verordening uitdrukkelijk anders bepaalt. In dat laatste geval kan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening tevens bepalen dat bestaande gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen met betrekking tot de geregelde aangelegenheid op een bepaalde datum ophouden uitwerking te hebben. |
| 23 | Indien de provincieraad een provinciale stedenbouwkundige verordening vaststelt, brengt de gemeenteraad uit eigen beweging of binnen de termijn die door de provincieraad wordt opgelegd, de bestaande gemeentelijke stedenbouwkundige verordening(en) in overeenstemming met de voorschriften van de door de provincieraad vastgestelde stedenbouwkundige verordening(en). Een provinciale stedenbouwkundige verordening kan worden aangevuld en verder worden uitgevoerd middels gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen, tenzij de provinciale stedenbouwkundige verordening uitdrukkelijk anders bepaalt. In dat laatste geval kan de provinciale stedenbouwkundige verordening tevens bepalen dat bestaande gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen met betrekking tot de geregelde aangelegenheid op een bepaalde datum ophouden uitwerking te hebben. | 29 | Indien de provincieraad een provinciale stedenbouwkundige verordening vaststelt, brengt de gemeenteraad uit eigen beweging of binnen de termijn die door de provincieraad wordt opgelegd, de bestaande gemeentelijke stedenbouwkundige verordening(en) in overeenstemming met de voorschriften van de door de provincieraad vastgestelde stedenbouwkundige verordening(en). Een provinciale stedenbouwkundige verordening kan worden aangevuld en verder worden uitgevoerd middels gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen, tenzij de provinciale stedenbouwkundige verordening uitdrukkelijk anders bepaalt. In dat laatste geval kan de provinciale stedenbouwkundige verordening tevens bepalen dat bestaande gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen met betrekking tot de geregelde aangelegenheid op een bepaalde datum ophouden uitwerking te hebben. |
| 26 | Het college van burgemeester en schepenen onderwerpt het ontwerp van gemeentelijke stedenbouwkundige verordening aan een openbaar onderzoek. Het openbaar onderzoek duurt dertig dagen en wordt minstens aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad. De Vlaamse Regering stelt nadere regels voor het openbaar onderzoek vast. | 32 | Het college van burgemeester en schepenen onderwerpt het ontwerp van gemeentelijke stedenbouwkundige verordening aan een openbaar onderzoek. Het openbaar onderzoek duurt dertig dagen en wordt minstens aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad. De Vlaamse Regering stelt nadere regels voor het openbaar onderzoek vast. |
| 27 | De gemeentelijke stedenbouwkundige verordening wordt samen met het besluit van de gemeenteraad en het volledige advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening binnen tien dagen na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie en het departement. | 33 | De gemeentelijke stedenbouwkundige verordening wordt samen met het besluit van de gemeenteraad en het volledige advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening binnen tien dagen na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie en het departement. |
| 28 | §2/1. De deputatie en de Vlaamse Regering beschikken over een termijn van vijfenveertig dagen, die ingaat de dag na de betekening, vermeld in paragraaf 2, achtste lid, om de uitvoering van het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening te schorsen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. De Vlaamse Regering kan binnen de voormelde termijn een definitief vastgestelde gemeentelijke stedenbouwkundige verordening ook geheel of gedeeltelijk vernietigen. Een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen. | 34 | §2/1. De deputatie en de Vlaamse Regering beschikken over een termijn van vijfenveertig dagen, die ingaat de dag na de betekening, vermeld in paragraaf 2, achtste lid, om de uitvoering van het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening te schorsen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. De Vlaamse Regering kan binnen de voormelde termijn een definitief vastgestelde gemeentelijke stedenbouwkundige verordening ook geheel of gedeeltelijk vernietigen. Een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen. |
| 29 | Binnen de ordetermijn, vermeld in het eerste lid, bezorgt de Vlaamse Regering een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit aan de deputatie. Als de deputatie een schorsingsbesluit neemt, bezorgt ze daarvan binnen de voormelde ordetermijn een afschrift aan het departement. | 35 | Binnen de ordetermijn, vermeld in het eerste lid, bezorgt de Vlaamse Regering een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit aan de deputatie. Als de deputatie een schorsingsbesluit neemt, bezorgt ze daarvan binnen de voormelde ordetermijn een afschrift aan het departement. |
| 30 | Het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening kan alleen worden geschorst: | 36 | Het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening kan alleen worden geschorst: |
| 37 | 7° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste. | 43 | 7° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste. |
| 38 | De Vlaamse Regering gaat alleen over tot vernietiging als ze van oordeel is dat de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in het derde lid, niet kan worden hersteld, weggewerkt of opgelost door het volgen van de procedure, vermeld in paragraaf 2/2. | 44 | De Vlaamse Regering gaat alleen over tot vernietiging als ze van oordeel is dat de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in het derde lid, niet kan worden hersteld, weggewerkt of opgelost door het volgen van de procedure, vermeld in paragraaf 2/2. |
| 39 | §2/2. In geval van schorsing beschikt de gemeenteraad over een termijn van negentig dagen die ingaat de dag na de verzending van het schorsingsbesluit aan het college van burgemeester en schepenen, om de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening opnieuw definitief vast te stellen. Bij de definitieve vaststelling van de verordening kunnen ten opzichte van de geschorste verordening alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit het schorsingsbesluit. | 45 | §2/2. In geval van schorsing beschikt de gemeenteraad over een termijn van negentig dagen die ingaat de dag na de verzending van het schorsingsbesluit aan het college van burgemeester en schepenen, om de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening opnieuw definitief vast te stellen. Bij de definitieve vaststelling van de verordening kunnen ten opzichte van de geschorste verordening alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit het schorsingsbesluit. |
| 40 | De gemeentelijke stedenbouwkundige verordening wordt samen met het nieuwe besluit van de gemeenteraad onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie en het departement. | 46 | De gemeentelijke stedenbouwkundige verordening wordt samen met het nieuwe besluit van de gemeenteraad onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie en het departement. |
| 41 | Als de gemeenteraad binnen de voormelde termijn van negentig dagen geen nieuw besluit tot definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening neemt, vervallen het geschorste gemeenteraadsbesluit en het ontwerp van gemeentelijke stedenbouwkundige verordening. | 47 | Als de gemeenteraad binnen de voormelde termijn van negentig dagen geen nieuw besluit tot definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening neemt, vervallen het geschorste gemeenteraadsbesluit en het ontwerp van gemeentelijke stedenbouwkundige verordening. |
| 42 | Als het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening niet tijdig is geschorst of vernietigd, wordt de gemeenteraadsbeslissing houdende definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. | 48 | Als het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening niet tijdig is geschorst of vernietigd, wordt de gemeenteraadsbeslissing houdende definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. |
| 49 | §2/3. De gemeenteraad kan gemeentelijke bouwverordeningen of gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen wijzigen binnen de marges, vermeld in paragraaf 2. | ||
| 50 | §2/4. De gemeenteraad kan gemeentelijke bouwverordeningen of gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen geheel of gedeeltelijk opheffen bij gemeenteraadsbesluit overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2. | ||
| 51 | Het college van burgemeester en schepenen neemt de nodige maatregelen tot opheffing. | ||
| 52 | In geval van een loutere opheffing van een verordening, vastgesteld voor 1 september 2009, zijn de bepalingen van paragraaf 2, zesde tot en met achtste lid, niet van toepassing en kan de gemeenteraad onmiddellijk tot opheffing overgaan. | ||
| 53 | Deze paragraaf verleent nimmer vrijstelling van de toepassing van de bepalingen inzake de milieueffectrapportage over plannen en programma’s, opgenomen in hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. | ||
| 54 | Het gemeenteraadsbesluit wordt bezorgd aan het departement en bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. | ||
| 1 | Op verzoek van de onteigenende instantie worden de aankoopcomités van onroerende goederen belast met alle aankopen en onteigeningen van percelen ter uitvoering van de ruimtelijke uitvoeringsplannen. | 1 | Op verzoek van de onteigenende instantie wordt de afdeling Vastgoedtransacties bij de Vlaamse Belastingdienst belast met alle aankopen en onteigeningen van percelen ter uitvoering van de ruimtelijke uitvoeringsplannen. |
| 16 | 8° ...; | 16 | 8° ...; |
| 17 | 9° onderhoudswerken : werken, andere dan stabiliteitswerken, die het gebruik van een constructie voor de toekomst ongewijzigd veilig stellen door het bijwerken, herstellen of vervangen van geërodeerde of versleten materialen of onderdelen; | 17 | 9° onderhoudswerken : werken, andere dan stabiliteitswerken, die het gebruik van een constructie voor de toekomst ongewijzigd veilig stellen door het bijwerken, herstellen of vervangen van geërodeerde of versleten materialen of onderdelen; |
| 18 | 9°/1 publiciteitsinrichting: elk visueel middel en elke constructie, met inbegrip van alle onderdelen ervan en ongeacht het verplaatsbare of tijdelijke karakter ervan, met als doel publiciteitsboodschappen op een vaste plaats kenbaar te maken aan het publiek; | ||
| 18 | 10° rechtens toegelaten bewijsmiddelen : de bewijsmiddelen, vermeld in boek III, titel III, hoofdstuk VI van het Burgerlijk Wetboek; | 19 | 10° rechtens toegelaten bewijsmiddelen : de bewijsmiddelen, vermeld in boek 8, hoofdstuk 3, van het Burgerlijk Wetboek; |
| 19 | 11° stabiliteitswerken : werken die betrekking hebben op de constructieve elementen van een constructie, zoals : | 20 | 11° stabiliteitswerken : werken die betrekking hebben op de constructieve elementen van een constructie, zoals : |
| 20 | a) het vervangen van dakgebintes of dragende balken van het dak, met uitzondering van plaatselijke herstellingen, | 21 | a) het vervangen van dakgebintes of dragende balken van het dak, met uitzondering van plaatselijke herstellingen, |
| 1 | § 1. De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen vervangen wordt door een verplichte melding van de handelingen. De meldingsplicht betreft gevallen waarin de beoordelingsruimte van het bestuur minimaal is vanwege het eenvoudige en gangbare karakter van de handelingen in kwestie, of de onderworpenheid van de handelingen aan nauwkeurige stedenbouwkundige voorschriften, verkavelingsvoorschriften of integrale ruimtelijke voorwaarden als vermeld in artikel 4.3.1, § 2, tweede lid. | 1 | § 1. De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen vervangen wordt door een verplichte melding van de handelingen. De meldingsplicht kan alleen ingevoerd worden voor vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen met een tijdelijk karakter. |
| 2 | De Vlaamse Regering kan de werken die vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht, vermeld in artikel 4.2.1, 5°, c), ook aan de meldingsplicht onderwerpen. | ||
| 3 | De meldingsplichten, vermeld in het eerste en het tweede lid, kunnen nooit worden ingevoerd voor handelingen die in een ruimtelijk kwetsbaar gebied liggen. | 2 | De meldingsplicht, vermeld in het eerste lid, kan nooit worden ingevoerd voor handelingen in ruimtelijk kwetsbaar gebied, met uitzondering van parkgebied. |
| 4 | § 2. Een meldingsakte wordt als een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen beschouwd voor de toepassing van regelgeving binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening. Een meldingsakte wordt ook gelijkgesteld met een voorafgaande toelating om te bouwen wat betreft de toepassing van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, tenzij de meldingsakte alleen betrekking heeft op handelingen die niet gebouwd worden. | 3 | § 2. Een meldingsakte wordt als een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen beschouwd voor de toepassing van regelgeving binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening. Een meldingsakte wordt ook gelijkgesteld met een voorafgaande toelating om te bouwen wat betreft de toepassing van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, tenzij de meldingsakte alleen betrekking heeft op handelingen die niet gebouwd worden. |
| 5 | § 3. Regulariserende meldingen kunnen worden verricht onverminderd de strafbaarstelling van inbreuken op de meldingsplicht. | 4 | § 3. Regulariserende meldingen kunnen worden verricht onverminderd de strafbaarstelling van inbreuken op de meldingsplicht. |
| 1 | De Vlaamse Regering bepaalt de lijst van de handelingen waarvoor in afwijking van artikel 4.2.1 geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist is. Ze houdt hierbij rekening met: | 1 | De Vlaamse Regering bepaalt de lijst van de handelingen waarvoor in afwijking van artikel 4.2.1 geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist is. Ze houdt hierbij rekening met: |
| 2 | 1° het tijdelijk of occasioneel karakter van de handelingen, of; | 2 | 1° het occasioneel karakter van de handelingen, of; |
| 3 | 2° de ruimtelijke impact van de handelingen omwille van hun omvang, aard of ligging. | 3 | 2° de ruimtelijke impact van de handelingen omwille van hun omvang, aard of ligging. |
| 4 | Handelingen waarvoor een milieueffectenrapport, een passende beoordeling of een mobiliteitsstudie moet worden opgemaakt, worden uitgesloten van de lijst van handelingen waarvoor in afwijking van artikel 4.2.1 geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist is. | 4 | Handelingen waarvoor een milieueffectenrapport, een passende beoordeling of een mobiliteitsstudie moet worden opgemaakt, worden uitgesloten van de lijst van handelingen waarvoor in afwijking van artikel 4.2.1 geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist is. |
| 1 | Provinciale en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen kunnen : | ||
| 2 | 1° ...; | ||
| 3 | 2° voor meldingsplichtige handelingen een vergunningsplicht invoeren; | ||
| 4 | 3° voor vrijgestelde handelingen een meldingsplicht invoeren. | ||
| 5 | Provinciale en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen kunnen de vergunningsplicht niet vervangen door een meldingsplicht. Zij kunnen vergunnings- of meldingsplichtige handelingen niet vrijstellen van de vergunnings- of meldingsplicht. | ||
| 1 | Een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening kan voor het gehele grondgebied van de gemeente of voor een deel ervan, alleen een vergunningsplicht invoeren voor vrijgestelde of niet-vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen die voorkomen op een door de Vlaamse Regering vast te stellen limitatieve lijst van mogelijke vergunningsplichtige handelingen op gemeentelijk niveau. | ||
| 2 | Een verordening kan de vergunningsplicht niet vervangen door een meldingsplicht of vrijstelling. Een verordening kan een meldingsplicht niet vervangen door een vergunningsplicht of vrijstelling. |
| 1 | De provinciale en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen die werden vastgesteld vóór 1 september 2009 en die op grond van de mogelijkheden, voorzien in de vroegere regelgeving, een vergunningsplicht hebben ingevoerd voor van vergunning vrijgestelde stedenbouwkundige handelingen, blijven geldig tot ze worden opgeheven. De verordenende overheid kan na 1 september 2009 wijzigingen aan deze stedenbouwkundige verordeningen aanbrengen binnen de marges, vermeld in artikel 4.2.5. | ||
| 1 | De gemeenteraden en provincieraden brengen eventueel bestaande bouwverordeningen of stedenbouwkundige verordeningen waarin bijkomende vergunningsplichten of meldingsplichten zijn opgenomen die niet zijn voorzien in artikel 4.2.5, in overeenstemming met de bepalingen van deze codex binnen een termijn van twee jaar na datum waarop de Vlaamse Regering de limitatieve lijst, vermeld in artikel 4.2.5, eerste lid, heeft vastgesteld. | ||
| 2 | Bepalingen in bestaande gemeentelijke of provinciale stedenbouwkundige verordeningen die bijkomende vergunningsplichten ingevoerd hebben, die niet zijn voorzien in artikel 4.2.5, worden van rechtswege opgeheven twee jaar na de datum waarop de Vlaamse Regering de limitatieve lijst, vermeld in artikel 4.2.5, eerste lid, heeft vastgesteld. | ||
| 3 | Bepalingen in bestaande gemeentelijke of provinciale stedenbouwkundige verordeningen die bijkomende meldingsplichten regelen, worden van rechtswege opgeheven twee jaar na de datum waarop de Vlaamse Regering de limitatieve lijst, vermeld in artikel 4.2.5, eerste lid, heeft vastgesteld. |
| 4 | 3° handelingen die zijn onderworpen aan de meldingsplicht in toepassing van artikel 4.2.2, voor zover deze handelingen beperkt blijven tot handelingen binnen in gebouwen. | 4 | 3° handelingen die zijn onderworpen aan de meldingsplicht in toepassing van artikel 4.2.2, voor zover deze handelingen beperkt blijven tot handelingen binnen in gebouwen. |
| 5 | Het eerste lid is slechts van toepassing voor zover de handelingen, opgesomd in het eerste lid, niet uitdrukkelijk verboden of beperkt zijn in de vergunning. | 5 | Het eerste lid is slechts van toepassing voor zover de handelingen, opgesomd in het eerste lid, niet uitdrukkelijk verboden of beperkt zijn in de vergunning. |
| 6 | In afwijking van het eerste lid kunnen handelingen die het voorwerp uitmaken van provinciale of gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen, opgemaakt met toepassing van artikel 4.2.5 of 4.2.6, niet gecombineerd worden met de uitvoering van vergunde stedenbouwkundige handelingen betreffende een constructie. | 6 | In afwijking van het eerste lid kunnen handelingen die het voorwerp uitmaken van gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen, opgemaakt met toepassing van artikel 4.2.5 of 4.2.6, niet gecombineerd worden met de uitvoering van vergunde stedenbouwkundige handelingen betreffende een constructie. |
| 7 | De handelingen, vermeld in het eerste lid, worden niet beschouwd als strijdig met de verleende stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen. | 7 | De handelingen, vermeld in het eerste lid, worden niet beschouwd als strijdig met de verleende stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen. |
| 12 | Een aanpassing van de plannen, zoals vermeld in het tweede lid, is slechts mogelijk overeenkomstig artikel 30 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. | 12 | Een aanpassing van de plannen, zoals vermeld in het tweede lid, is slechts mogelijk overeenkomstig artikel 30 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. |
| 13 | De gemeenteraad kan gemotiveerd beslissen dat de voorschriften van een verkaveling in afwijking op het eerste lid, 1°, c), behouden blijven als weigeringsgrond voor zover van die verkavelingsvoorschriften niet op geldige wijze is afgeweken. Deze gemeenteraadsbeslissing wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking ervan en is van toepassing op vergunningsaanvragen die worden ingediend vanaf de inwerkingtreding ervan. | 13 | De gemeenteraad kan gemotiveerd beslissen dat de voorschriften van een verkaveling in afwijking op het eerste lid, 1°, c), behouden blijven als weigeringsgrond voor zover van die verkavelingsvoorschriften niet op geldige wijze is afgeweken. Deze gemeenteraadsbeslissing wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking ervan en is van toepassing op vergunningsaanvragen die worden ingediend vanaf de inwerkingtreding ervan. |
| 14 | De termijn van vijftien jaar, vermeld in het eerste lid, 1°, b) en c), wordt berekend vanaf de datum van afgifte van de oorspronkelijke vergunning in laatste administratieve aanleg. Als de vergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het verkavelingsproject, wordt de termijn gerekend per fase. Voor de tweede fase en volgende fasen wordt de termijn dientengevolge gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie. | 14 | De termijn van vijftien jaar, vermeld in het eerste lid, 1°, c), wordt berekend vanaf de datum van afgifte van de oorspronkelijke vergunning in laatste administratieve aanleg. Als de vergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het verkavelingsproject, wordt de termijn gerekend per fase. Voor de tweede fase en volgende fasen wordt de termijn dientengevolge gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie. |
| 15 | § 2. De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van volgende beginselen : | 15 | § 2. De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van volgende beginselen : |
| 16 | 1° het aangevraagde wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4; | 16 | 1° het aangevraagde wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4; |
| 2 | § 2. Een voldoende uitgeruste weg is ten minste met duurzame materialen verhard en voorzien van een elektriciteitsnet. De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen, en onder welke voorwaarden, gelet op de plaatselijke toestand, van deze minimale uitrusting kan worden afgeweken. | 2 | § 2. Een voldoende uitgeruste weg is ten minste met duurzame materialen verhard en voorzien van een elektriciteitsnet. De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen, en onder welke voorwaarden, gelet op de plaatselijke toestand, van deze minimale uitrusting kan worden afgeweken. |
| 3 | Een voldoende uitgeruste weg voldoet voorts aan de uitrustingsvoorwaarden die worden gesteld in stedenbouwkundige voorschriften of vereist worden door de plaatselijke toestand, daaronder begrepen de voorzieningen die in de gemeente voorhanden zijn en het ruimtelijk beleid van de gemeente. | 3 | Een voldoende uitgeruste weg voldoet voorts aan de uitrustingsvoorwaarden die worden gesteld in stedenbouwkundige voorschriften of vereist worden door de plaatselijke toestand, daaronder begrepen de voorzieningen die in de gemeente voorhanden zijn en het ruimtelijk beleid van de gemeente. |
| 4 | § 3. In het geval de opdrachtgever instaat voor zowel het bouwen van de gebouwen als de verwezenlijking van de voor het project noodzakelijke wegeniswerken, of in het geval de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen of een overheid de wegenis aanbesteedt , kan de omgevingsvergunning voor de gebouwen worden afgeleverd zodra de omgevingsvergunning voor de wegeniswerken is verleend . | 4 | § 3. In het geval de opdrachtgever instaat voor zowel het bouwen van de gebouwen als de verwezenlijking van de voor het project noodzakelijke wegeniswerken, of in het geval de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen de wegenis aanbesteedt of de wegenis aangelegd wordt door of in opdracht van de overheid, kan de omgevingsvergunning voor de gebouwen worden afgeleverd zodra de omgevingsvergunning voor de wegeniswerken is verleend en de nodige financiële waarborgen voorzien zijn. |
| 5 | Het vergunningverlenende bestuursorgaan kan in dat geval een afdoende financiële waarborg voor de uitvoering van de wegeniswerken eisen. | 5 | Het vergunningverlenende bestuursorgaan kan in dat geval een afdoende financiële waarborg voor de uitvoering van de wegeniswerken eisen. |
| 6 | § 4. De voorwaarde, vermeld in § 1, is niet van toepassing : | 6 | § 4. De voorwaarde, vermeld in § 1, is niet van toepassing : |
| 1 | Voor het bouwen of uitbreiden van een bedrijfswoning bij een bedrijf in een daartoe geschikt bestemmingsgebied, kan een omgevingsvergunning worden verleend voor een volume van ten hoogste 1 000 m3, of 1 250 m3 in geval van bewoning door meer dan één met het bedrijf verbonden gezin. | 1 | Voor het bouwen of uitbreiden van een bedrijfswoning bij een bedrijf in een daartoe geschikt bestemmingsgebied, kan een omgevingsvergunning worden verleend voor een bouwvolume van ten hoogste 1000 m³. |
| 2 | In geval van bewoning door meer dan één gezin dat aan het bedrijf verbonden is, kan een omgevingsvergunning worden verleend voor een bouwvolume van ten hoogste 1250 m³. Voor de berekening van dat maximale bouwvolume wordt uitgegaan van het gezamenlijke bouwvolume van alle bedrijfswoningen bij hetzelfde bedrijf. | ||
| 2 | Een vergunning wordt geweigerd als de aanvraag betrekking heeft op het oprichten van een tweede of een bijkomende, vrijstaande bedrijfswoning bij eenzelfde bedrijf. | 3 | Een vergunning wordt geweigerd als de aanvraag betrekking heeft op het oprichten van een tweede of een bijkomende, vrijstaande bedrijfswoning bij eenzelfde bedrijf. |
| 1 | Er kan slechts toepassing gemaakt worden van de afwijkingen, vermeld in dit hoofdstuk, op gemotiveerd verzoek van de vergunningsaanvrager. |
| 7 | 1° de plaatsing van fotovoltaïsche zonnepanelen of zonneboilers geïntegreerd in het dakvlak; | 7 | 1° de plaatsing van fotovoltaïsche zonnepanelen of zonneboilers geïntegreerd in het dakvlak; |
| 8 | 2° de creatie van een zorgwoning in de zin van artikel 4.2.4; | 8 | 2° de creatie van een zorgwoning in de zin van artikel 4.2.4; |
| 9 | 2°/1 handelingen die zijn onderworpen aan de meldingsplicht in toepassing van artikel 4.2.2, §1, op voorwaarde dat de op het perceel aanwezige gebouwen of constructies hoofdzakelijk vergund zijn; | ||
| 9 | 3° het aanbrengen van isolatie aan de buitenzijde van een woning met een dikte van ten hoogste 26 centimeter. | 10 | 3° het aanbrengen van isolatie aan de buitenzijde van een woning met een dikte van ten hoogste 26 centimeter |
| 10 | § 3. De volgende zaken worden niet beschouwd als strijdig met voorschriften van het gewestplan, algemene plannen van aanleg, gewestelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen en meer dan vijftien jaar oude verkavelingen: | 11 | § 3. De volgende zaken worden niet beschouwd als strijdig met voorschriften van het gewestplan, algemene plannen van aanleg, gewestelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen en meer dan vijftien jaar oude verkavelingen: |
| 11 | 1° onderhoudswerken aan een hoofdzakelijk vergunde constructie; | 12 | 1° onderhoudswerken aan een hoofdzakelijk vergunde constructie; |
| 1 | Voor een perceel dat niet voor woningbouw bestemd is, kan desalniettemin een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden voor het bouwen van een eengezinswoning worden afgegeven, indien voldaan is aan alle hiernavolgende voorwaarden : | 1 | Voor een perceel dat in een woonreservegebied ligt, kan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een eengezinswoning worden afgegeven, indien voldaan is aan alle hiernavolgende voorwaarden : |
| 2 | 1° de nieuwe woning is van : | 2 | 1° de nieuwe woning is van : |
| 3 | a) hetzij het driegeveltype, in welk geval zij aangebouwd wordt bij een wachtmuur van een bestaande woning op een belendend perceel, | 3 | a) hetzij het driegeveltype, in welk geval zij aangebouwd wordt bij een wachtmuur van een bestaande woning op een belendend perceel, |
| 4 | b) hetzij het gesloten bouwtype, in welk geval zij gebouwd wordt op een perceel dat gelegen is tussen twee wachtmuren; | 4 | b) hetzij het gesloten bouwtype, in welk geval zij gebouwd wordt op een perceel dat gelegen is tussen twee wachtmuren; |
| 5 | 2° het perceel waarop de nieuwe woning opgericht wordt, heeft een oppervlakte van ten hoogste 650 m2; | ||
| 5 | 2° ...; | ||
| 6 | 3° het bouwvolume van de nieuwe woning bedraagt ten hoogste 1 000 m3; | 6 | 3° het bouwvolume van de nieuwe woning bedraagt ten hoogste 1 000 m3; |
| 7 | 4° de aanpalende bestaande woning of woningen is of zijn per 1 september 2009 op het ogenblik van de vergunningsaanvraag voor de nieuwe woning hoofdzakelijk vergund en niet verkrot. | 7 | 4° de aanpalende bestaande woning of woningen is of zijn per 1 september 2009 op het ogenblik van de vergunningsaanvraag voor de nieuwe woning hoofdzakelijk vergund en niet verkrot. |
| 8 | De mogelijkheden, vermeld in het eerste lid, gelden niet in ruimtelijk kwetsbare gebieden. Zij gelden evenmin in het geval waarin een aanbouw bij de bestaande woning of woningen uitdrukkelijk verboden wordt door een specifiek ruimtelijk uitvoeringsplan of bijzonder plan van aanleg betreffende zonevreemde constructies. | 8 | De mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt niet als een aanbouw bij de bestaande woning of woningen uitdrukkelijk verboden wordt door een bijzonder plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan. |
| 9 | Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, wordt onder « wachtmuur » verstaan : | 9 | Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, wordt onder « wachtmuur » verstaan : |
| 10 | 1° een wand die op 1 september 2009 deel uitmaakt van een dubbele wand, opgetrokken op de perceelsgrens; | 10 | 1° een wand die op 1 september 2009 deel uitmaakt van een dubbele wand, opgetrokken op de perceelsgrens; |
| 1 | § 1. Deze afdeling is van toepassing op vergunningsaanvragen die betrekking hebben op hoofdzakelijk vergunde en niet verkrotte zonevreemde constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen of uithangborden. | 1 | § 1. Deze afdeling is van toepassing op vergunningsaanvragen die betrekking hebben op hoofdzakelijk vergunde en niet verkrotte zonevreemde constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen. |
| 2 | Het voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt beoordeeld op het ogenblik van de eerste vergunningsaanvraag tot verbouwen, herbouwen of uitbreiden, of, in de gevallen, vermeld in onderafdeling 3 en 4, op de vooravond van de afbraak, de vernietiging of de beschadiging. | 2 | Het voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt beoordeeld op het ogenblik van de eerste vergunningsaanvraag tot verbouwen, herbouwen of uitbreiden, of, in de gevallen, vermeld in onderafdeling 3 en 4, op de vooravond van de afbraak, de vernietiging of de beschadiging. |
| 3 | § 2. De basisrechten van deze afdeling zijn van toepassing in gebieden, geordend door een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg. | 3 | § 2. De basisrechten van deze afdeling zijn van toepassing in gebieden, geordend door een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg. |
| 1 | Het vergunningverlenende bestuursorgaan mag bij het verlenen van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een vergunningsplichtige functiewijziging van een gebouw of een gebouwencomplex, afwijken van de bestemmingsvoorschriften, voor zover voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden : | 1 | Het vergunningverlenende bestuursorgaan mag bij het verlenen van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een vergunningsplichtige functiewijziging van een gebouw of een gebouwencomplex, afwijken van de bestemmingsvoorschriften, voor zover voldaan is aan alle hiernavolgende voorwaarden : |
| 2 | 1° het gebouw of het gebouwencomplex beantwoordt op het ogenblik van de aanvraag aan alle hiernavolgende vereisten : | 2 | 1° het gebouw of het gebouwencomplex beantwoordt op het ogenblik van de aanvraag aan alle hiernavolgende vereisten : |
| 3 | a) het gebouw of het gebouwencomplex bestaat, | 3 | a) het gebouw of het gebouwencomplex bestaat, |
| 7 | 1) ruimtelijk kwetsbare gebieden, met uitzondering van parkgebieden en agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde, | 7 | 1) ruimtelijk kwetsbare gebieden, met uitzondering van parkgebieden en agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde, |
| 8 | 2) recreatiegebieden, zijnde de als dusdanig door een plan van aanleg aangewezen gebieden, en de gebieden, geordend door een ruimtelijk uitvoeringsplan, die onder de categorie van gebiedsaanduiding « recreatie » sorteren; | 8 | 2) recreatiegebieden, zijnde de als dusdanig door een plan van aanleg aangewezen gebieden, en de gebieden, geordend door een ruimtelijk uitvoeringsplan, die onder de categorie van gebiedsaanduiding « recreatie » sorteren; |
| 9 | 2° de functiewijziging komt voor op een door de Vlaamse Regering vast te stellen lijst, waarin nadere regelen en bijkomende voorwaarden voor de betrokken wijzigingen van gebruik kunnen worden bepaald. | 9 | 2° de functiewijziging komt voor op een door de Vlaamse Regering vast te stellen lijst, waarin nadere regelen en bijkomende voorwaarden voor de betrokken wijzigingen van gebruik kunnen worden bepaald; |
| 10 | 3° de functiewijziging mag de normale bedrijfsvoering van vergunde of vergund geachte bedrijven in de omgeving niet in het gedrang brengen. | ||
| 10 | De weigering om een afwijking, vermeld in het eerste lid, te verlenen, geeft nimmer aanleiding tot een planschadevergoeding. | 11 | De weigering om een afwijking, vermeld in het eerste lid, te verlenen, geeft nimmer aanleiding tot een planschadevergoeding. |
| 12 | Bij de beoordeling van de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, c), wordt, voor wat de functie betreft, de laatst vergunde of vergund geachte functie als uitgangspunt genomen. | ||
| 1 | Een planologisch attest vermeldt of een bestaand, hoofdzakelijk vergund en niet-verkrot bedrijf al dan niet behouden kan worden op de plaats waar het gevestigd is. Bij behoud vermeldt het planologisch attest welke ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden er op korte en op lange termijn mogelijk zijn. Zowel aan het behoud als aan de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden kunnen voorwaarden worden verbonden. | 1 | Een planologisch attest vermeldt of een bestaand, hoofdzakelijk vergund en niet-verkrot bedrijf al dan niet behouden kan worden op de plaats waar het gevestigd is. Bij behoud vermeldt het planologisch attest welke ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden er op korte en op lange termijn mogelijk zijn. Zowel aan het behoud als aan de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden kunnen voorwaarden worden verbonden. |
| 2 | Het planologisch attest vermeldt, rekening gehouden met de uitspraak over het behoud en de ontwikkelingsmogelijkheden, of een procedure tot opmaak of tot wijziging van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg zal worden opgestart. | 2 | Het planologisch attest vermeldt, rekening gehouden met de uitspraak over het behoud en de ontwikkelingsmogelijkheden, of een procedure tot opmaak of tot wijziging van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg zal worden opgestart. Als het attest de opmaak of wijziging van een ruimtelijk uitvoeringsplan vooropstelt om in ontwikkelingsmogelijkheden te voorzien, vermeldt het attest ook op welke wijze daarbij voldaan zou kunnen worden aan de bepalingen van artikel 2.2.6/1. |
| 3 | In het planologisch attest worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Daarenboven houdt het planologisch attest rekening met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu, en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. | 3 | In het planologisch attest worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Daarenboven houdt het planologisch attest rekening met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu, en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. |
| 4 | Het planologisch attest kan worden aangevraagd door en voor een bedrijf dat voldoet aan een van de volgende voorwaarden: | 4 | Het planologisch attest kan worden aangevraagd door en voor een bedrijf dat voldoet aan een van de volgende voorwaarden: |
| 1 | Een planologisch attest dat het betrokken bestuursorgaan conform artikel 4.4.26, § 1, verplicht tot de opmaak of de wijziging van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg, blijft gelden tot het ruimtelijk uitvoeringsplan definitief wordt vastgesteld. | 1 | Een planologisch attest dat het betrokken bestuursorgaan conform artikel 4.4.26, § 1, verplicht tot de opmaak of de wijziging van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg, blijft gelden tot het ruimtelijk uitvoeringsplan definitief wordt vastgesteld. |
| 2 | Dergelijk planologisch attest vervalt evenwel : | 2 | Dergelijk planologisch attest vervalt evenwel : |
| 3 | 1° als binnen het jaar na afgifte van het planologisch attest geen aanvraag werd ingediend voor een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen in geval het gaat om een attest dat met toepassing van artikel 4.4.26, § 2, het mogelijk maakt een vergunning af te geven waarbij afgeweken wordt van de vigerende stedenbouwkundige voorschriften; | 3 | 1° als binnen het jaar na betekening van het planologisch attest geen aanvraag werd ingediend voor een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen in geval het gaat om een attest dat met toepassing van artikel 4.4.26, § 2, het mogelijk maakt een vergunning af te geven waarbij afgeweken wordt van de vigerende stedenbouwkundige voorschriften; |
| 4 | 2° als deze omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is vervallen; | 4 | 2° als deze omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is vervallen; |
| 5 | 3° als het bedrijf zijn activiteit stopzet; | 5 | 3° als het bedrijf zijn activiteit stopzet; |
| 1 | §1. Een plannenregister is een gemeentelijk gegevensbestand, waarin voor het grondgebied van de gemeente ten minste volgende gegevens zijn opgenomen : | 1 | §1. Een plannenregister bevat ten minste de volgende informatie over het grondgebied van de gemeente: |
| 2 | 1° de grafische plannen en de daarbij horende stedenbouwkundige voorschriften van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, voorkeursbesluiten, projectbesluiten en de plannen van aanleg, evenals van de niet-vervallen ontwerpen van dergelijke plannen of besluiten; | 2 | 1° de grafische plannen en de daarbij horende stedenbouwkundige voorschriften van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, voorkeursbesluiten, projectbesluiten en de plannen van aanleg, evenals van de niet-vervallen ontwerpen van dergelijke plannen of besluiten; |
| 3 | 2° de aanduiding van de delen van de vigerende plannen waarop een voorkooprecht, vermeld in artikel 2.4.1 of artikel 34 van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, geldt; | 3 | 2° de aanduiding van de delen van de vigerende plannen waarop een voorkooprecht, vermeld in artikel 2.4.1 of artikel 34 van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, geldt; |
| 4 | 3° de aanduiding van de percelen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een planologische bestemmingswijziging die aanleiding kan geven tot een planschadevergoeding, vermeld in artikel 2.6.1, een planbatenheffing, vermeld in artikel 2.6.4, of een bestemmingswijzigingscompensatie, vermeld in boek 6, titel 2, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid; | 4 | 3° de aanduiding van de percelen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een planologische bestemmingswijziging die aanleiding kan geven tot een planschadevergoeding, vermeld in artikel 2.6.1, een planbatenheffing, vermeld in artikel 2.6.4, of een bestemmingswijzigingscompensatie, vermeld in boek 6, titel 2, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid; |
| 5 | 4° de rooilijnplannen; | ||
| 6 | 5° de onteigeningsplannen; | ||
| 5 | 4° de rooilijnplannen voor zover de opmaak van deze plannen geïntegreerd wordt in de procedure voor de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen, voorkeursbesluiten, projectbesluiten en plannen van aanleg; | ||
| 6 | 5° de onteigeningsplannen voor zover de opmaak van deze plannen geïntegreerd wordt in de procedure voor de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen, voorkeursbesluiten, projectbesluiten en plannen van aanleg; | ||
| 7 | 6° de aanduiding van de gronden die conform artikel 5.6.8, § 1, van deze codex beschouwd worden als `watergevoelig openruimtegebied'; | 7 | 6° de aanduiding van de gronden die conform artikel 5.6.8, § 1, van deze codex beschouwd worden als `watergevoelig openruimtegebied'; |
| 8 | 7° de aanduiding van de gronden waarvoor de reservatiestrook is opgeheven conform artikel 7.4.2/3 van deze codex; | 8 | 7° de aanduiding van de gronden waarvoor de reservatiestrook is opgeheven conform artikel 7.4.2/3 van deze codex; |
| 10 | 9° de aanduiding van de gronden in woonreservegebied die overeenkomstig arti- kel 5.6.11 en 5.6.12 bij gemeenteraadsbesluit zijn vrijgegeven, en de voorwaarden en eventuele lasten van het vrijgavebesluit. | 10 | 9° de aanduiding van de gronden in woonreservegebied die overeenkomstig arti- kel 5.6.11 en 5.6.12 bij gemeenteraadsbesluit zijn vrijgegeven, en de voorwaarden en eventuele lasten van het vrijgavebesluit. |
| 11 | De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop in het plannenregister ruimtelijk relevante beschermingsvoorschriften opgenomen worden ten gevolge van regelgeving binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening. | 11 | De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop in het plannenregister ruimtelijk relevante beschermingsvoorschriften opgenomen worden ten gevolge van regelgeving binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening. |
| 12 | §2. Elke gemeente is verplicht om een plannenregister op te maken, te actualiseren, ter inzage te leggen en er uittreksels uit af te leveren volgens de bepalingen van deze codex. | 12 | §2. Elke gemeente is verplicht om een plannenregister op te maken, te actualiseren, ter inzage te leggen en er uittreksels uit af te leveren volgens de bepalingen van deze codex. |
| 13 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de opmaak en de actualisering van het plannenregister. Zij kan de specifieke wijze bepalen waarop artikel 335 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur geoperationaliseerd wordt indien de gemeente zich niet gedraagt naar de bij of krachtens deze afdeling voorgeschreven regelen. | 13 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de opmaak en de actualisering van het plannenregister. Zij kan de specifieke wijze bepalen waarop artikel 335 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur geoperationaliseerd wordt indien de gemeente zich niet gedraagt naar de bij of krachtens deze afdeling voorgeschreven regelen. |
| 14 | §3. De overheden die belast zijn met het opmaken van stedenbouwkundige voorschriften, sturen ambtshalve een afschrift van het deel dat betrekking heeft op het grondgebied van de gemeente, naar het college van burgemeester en schepenen, uiterlijk binnen vijfenveertig dagen na de voorlopige vaststelling, de definitieve vaststelling, respectievelijk de goedkeuring. De betrokken overheden zijn verantwoordelijk voor de overeenstemming van het meegedeelde afschrift met de stukken die zij in hun bezit hebben. | 14 | §3. De overheden die belast zijn met het opmaken van de gegevens en documenten, vermeld in paragraaf 1, laden de gegevens en de documenten daarover op in het digitaal platform, vermeld in artikel 2.2.1, §2, onmiddellijk na de voorlopige vaststelling, de definitieve vaststelling, respectievelijk de goedkeuring. Elke overheid is verantwoordelijk voor de overeenstemming van de opgeladen gegevens en documenten met de stukken die ze in haar bezit heeft. |
| 15 | De gegevens , vermeld in § 1, worden geregistreerd binnen een termijn van veertien dagen, hetzij na de beslissing van de gemeenteraad, hetzij na de ontvangst van de betrokken informatie.Het college van burgemeester en schepenen is verantwoordelijk voor de overeenstemming van het plannenregister met de stukken die erin moeten worden opgenomen. | 15 | Het college van burgemeester en schepenen neemt de gegevens en de documenten, vermeld in het eerste lid, op in het plannenregister binnen een termijn van veertien dagen, hetzij na de beslissing van de gemeenteraad, hetzij nadat de gegevens en documenten opgeladen zijn in het digitaal platform, vermeld in artikel 2.2.1, §2. Het college van burgemeester en schepenen is verantwoordelijk voor de overeenstemming van het plannenregister met de stukken die erin moeten worden opgenomen. |
| 16 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de informatieplichten, vermeld in het eerste lid. | ||
| 1 | § 1. Bestaande constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen of uithangborden, waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel in de zin van boek III, titel III, hoofdstuk VI van het Burgerlijk Wetboek is aangetoond dat ze gebouwd werden vóór 22 april 1962, worden in het vergunningenregister opgenomen als « vergund geacht », onverminderd artikel 4.2.14, § 3 en § 4. Op de gemeentelijke overheid rust ter zake een actieve onderzoeksplicht. | 1 | § 1. Bestaande constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen, waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel in de zin van boek 8, hoofdstuk 3, van het Burgerlijk Wetboek is aangetoond dat ze gebouwd werden vóór 22 april 1962, worden in het vergunningenregister opgenomen als « vergund geacht », onverminderd artikel 4.2.14, § 3 en § 4. Op de gemeentelijke overheid rust ter zake een actieve onderzoeksplicht. |
| 2 | De vaststelling van de aanwezigheid van een geldig bewijs dat de bestaande constructie vóór 22 april 1962 gebouwd werd, en de omschrijving van de aard van dat bewijs, geldt als motivering voor de beslissing tot opname als « vergund geacht ». | 2 | De vaststelling van de aanwezigheid van een geldig bewijs dat de bestaande constructie vóór 22 april 1962 gebouwd werd, en de omschrijving van de aard van dat bewijs, geldt als motivering voor de beslissing tot opname als « vergund geacht ». |
| 3 | De vaststelling van het feit dat de constructie niet meer bestaat, van de afwezigheid van enig bewijsmiddel, of van het feit dat het voorhanden zijnde bewijsmiddel aangetast is door uitdrukkelijk aangegeven onregelmatigheden, geldt als motivering voor de weigering tot opname als « vergund geacht ». | 3 | De vaststelling van het feit dat de constructie niet meer bestaat, van de afwezigheid van enig bewijsmiddel, of van het feit dat het voorhanden zijnde bewijsmiddel aangetast is door uitdrukkelijk aangegeven onregelmatigheden, geldt als motivering voor de weigering tot opname als « vergund geacht ». |
| 4 | Een weigering tot opname als « vergund geacht », wordt per beveiligde zending aan de eigenaar betekend. | 4 | Een weigering tot opname als « vergund geacht », wordt per beveiligde zending aan de eigenaar betekend. |
| 5 | § 2. Bestaande constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen of uithangborden, waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel in de zin van boek III, titel III, hoofdstuk VI van het Burgerlijk Wetboek is aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, en waarvan het vergund karakter door de overheid niet is tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie, worden in het vergunningenregister opgenomen als « vergund geacht », onverminderd artikel 4.2.14, § 3 en § 4. Op de gemeentelijke overheid rust ter zake een actieve onderzoeksplicht. Het vergunningenregister vermeldt de datum van opname van de constructie als « vergund geacht ». | 5 | § 2. Bestaande constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen, waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel in de zin van boek 8, hoofdstuk 3, van het Burgerlijk Wetboek is aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, en waarvan het vergund karakter door de overheid niet is tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie, worden in het vergunningenregister opgenomen als « vergund geacht », onverminderd artikel 4.2.14, § 3 en § 4. Op de gemeentelijke overheid rust ter zake een actieve onderzoeksplicht. Het vergunningenregister vermeldt de datum van opname van de constructie als « vergund geacht ». |
| 6 | De vaststelling van het feit dat bij de overheid geen geldig tegenbewijs bekend is, geldt als motivering voor een opname als « vergund geacht ». | 6 | De vaststelling van het feit dat bij de overheid geen geldig tegenbewijs bekend is, geldt als motivering voor een opname als « vergund geacht ». |
| 7 | De vaststelling dat bij de overheid een geldig tegenbewijs bekend is, en de omschrijving van de aard daarvan, geldt als motivering voor de weigering tot opname als « vergund geacht ». | 7 | De vaststelling dat bij de overheid een geldig tegenbewijs bekend is, en de omschrijving van de aard daarvan, geldt als motivering voor de weigering tot opname als « vergund geacht ». |
| 1 | Bij verdeling van een onroerend goed zonder dat een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden is afgegeven, stuurt de instrumenterende ambtenaar bij aangetekende brief, twintig dagen vóór de datum die voor de openbare verkoping of voor de ondertekening van de akte is vastgesteld, het plan van de verdeling en een attest waarin de aard van de akte en de in de akte te vermelden bestemming van de kavels nader worden aangegeven, naar het college van burgemeester en schepenen. De opmerkingen die het college van burgemeester en schepenen eventueel en bij wijze van inlichting maakt, moeten in de akte worden vermeld, evenals de vermelding dat voor de verdeling geen omgevingsvergunning werd afgegeven en dat er geen zekerheid is wat betreft de mogelijkheid om op het goed te bouwen of daarop enige vaste of verplaatsbare inrichting op te stellen die voor bewoning kan worden gebruikt. | 1 | Bij verdeling van een onroerend goed zonder dat een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden is afgegeven, stuurt de instrumenterende ambtenaar met een beveiligde zending, twintig dagen vóór de datum die voor de openbare verkoping of voor de ondertekening van de akte is vastgesteld, het plan van de verdeling en een attest waarin de aard van de akte en de in de akte te vermelden bestemming van de kavels nader worden aangegeven, naar het college van burgemeester en schepenen. De opmerkingen die het college van burgemeester en schepenen eventueel en bij wijze van inlichting maakt, moeten in de akte worden vermeld, evenals de vermelding dat voor de verdeling geen omgevingsvergunning werd afgegeven en dat er geen zekerheid is wat betreft de mogelijkheid om op het goed te bouwen of daarop enige vaste of verplaatsbare inrichting op te stellen die voor bewoning kan worden gebruikt. |
| 2 | De instrumenterende ambtenaar neemt bovendien een verwijzing naar artikel 4.2.1 van deze codex op in de akte. | 2 | De instrumenterende ambtenaar neemt bovendien een verwijzing naar artikel 4.2.1 van deze codex op in de akte. |
| 3 | De onderhandse akten waarin die verrichtingen worden vastgelegd, bevatten dezelfde vermeldingen. | 3 | De onderhandse akten waarin die verrichtingen worden vastgelegd, bevatten dezelfde vermeldingen. |
| 1 | § 1. Vóór de vervreemding, verhuring voor meer dan negen jaar of vestiging van een zakelijk recht, met inbegrip van bezwaren met hypotheek, maar met uitzondering van erfdienstbaarheden, betreffende een kavel gelegen in een verkaveling waarvoor een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden is verkregen, moet, op verzoek van de eigenaar of eigenaars van de stukken grond, voor een instrumenterende ambtenaar een akte worden verleden van de verdeling van die stukken grond en van de aan de verkaveling verbonden lasten. De akte moet de kadastrale omschrijving van de goederen vermelden, de eigenaars identificeren en hun titel van eigendom aangeven. De omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden en het verkavelingsplan worden als bijlagen bij die akte gevoegd en worden, samen met de akte, op verzoek van de instrumenterende ambtenaar die de akte heeft verleden, binnen twee maanden na het verlijden ervan, overgeschreven op het hypotheekkantoor van het arrondissement waar de goederen zijn gelegen. De overschrijving van het verkavelingsplan mag worden vervangen door de neerlegging op het hypotheekkantoor van een door de instrumenterende ambtenaar gewaarmerkte afdruk van dat plan. | 1 | § 1. Vóór de vervreemding, verhuring voor meer dan negen jaar of vestiging van een zakelijk recht, met inbegrip van bezwaren met hypotheek, maar met uitzondering van erfdienstbaarheden, betreffende een kavel gelegen in een verkaveling waarvoor een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden is verkregen, moet, op verzoek van de eigenaar of eigenaars van de stukken grond, voor een instrumenterende ambtenaar een akte worden verleden van de verdeling van die stukken grond en van de aan de verkaveling verbonden lasten. De akte moet de kadastrale omschrijving van de goederen vermelden, de eigenaars identificeren en hun titel van eigendom aangeven. De omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden en het verkavelingsplan worden als bijlagen bij die akte gevoegd en worden, samen met de akte, op verzoek van de instrumenterende ambtenaar die de akte heeft verleden, binnen twee maanden na het verlijden ervan, overgeschreven op het bevoegde kantoor van de Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie van het arrondissement waar de goederen liggen. De overschrijving van het verkavelingsplan mag worden vervangen door de neerlegging op het kantoor van de Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie van een door de instrumenterende ambtenaar gewaarmerkte afdruk van dat plan. |
| 2 | § 2. Heeft een eigenaar van een kavel een bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden verkregen, dan moet ook, op zijn verzoek, en in zoverre de bijstelling van de omgevingsvergunning een wijziging van de perceelsconfiguratie, opgelegde lasten of de zakelijke rechten tot gevolg heeft, voor een instrumenterende ambtenaar een akte worden verleden van de wijzigingen die werden aangebracht in de verkaveling van de stukken grond of in de lasten van de verkaveling. De akte moet de kadastrale omschrijving van de goederen op het tijdstip van het verlijden vermelden, alle eigenaars van de in de verkavelingswijziging begrepen percelen identificeren en hun titel van eigendom aangeven. De akte moet eveneens een nauwkeurige opgave van de overschrijving van de verdelingsakte van de stukken grond bevatten. De beslissing tot bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden en, in voorkomend geval, het nieuwe verdelingsplan worden als bijlage bij die akte gevoegd, om samen met die akte te worden overgeschreven zoals in § 1 is bepaald. | 2 | § 2. Heeft een eigenaar van een kavel een bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden verkregen, dan moet ook, op zijn verzoek, en in zoverre de bijstelling van de omgevingsvergunning een wijziging van de perceelsconfiguratie, opgelegde lasten of de zakelijke rechten tot gevolg heeft, voor een instrumenterende ambtenaar een akte worden verleden van de wijzigingen die werden aangebracht in de verkaveling van de stukken grond of in de lasten van de verkaveling. De akte moet de kadastrale omschrijving van de goederen op het tijdstip van het verlijden vermelden, alle eigenaars van de in de verkavelingswijziging begrepen percelen identificeren en hun titel van eigendom aangeven. De akte moet eveneens een nauwkeurige opgave van de overschrijving van de verdelingsakte van de stukken grond bevatten. De beslissing tot bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden en, in voorkomend geval, het nieuwe verdelingsplan worden als bijlage bij die akte gevoegd, om samen met die akte te worden overgeschreven zoals in § 1 is bepaald. |
| 3 | § 3. In de publiciteit voor een verkaveling moet de gemeente, waar de verkaveling gelegen is, vermeld worden, en ook de datum en het nummer van de vergunning. | 3 | § 3. In de publiciteit voor een verkaveling moet de gemeente, waar de verkaveling gelegen is, vermeld worden, en ook de datum en het nummer van de vergunning. |
| 1 | De Vlaamse Regering bepaalt binnen de beschikbare begrotingskredieten de wijze waarop de provincies en gemeenten door middel van de toekenning van financiële, personele of materiële middelen ondersteund worden bij de implementatie van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid. |
| 2 | 1° de instandhouding van de illegale gevolgen van de misdrijven, vermeld in artikel 6.2.1, eerste lid, voor zover die gevolgen zich situeren in kwetsbaar gebied; | 2 | 1° de instandhouding van de illegale gevolgen van de misdrijven, vermeld in artikel 6.2.1, eerste lid, voor zover die gevolgen zich situeren in kwetsbaar gebied; |
| 3 | 2° het schenden van de verplichtingen, vermeld in artikel 6.3.6, § 2, tweede en vierde lid, en artikel 6.4.9, § 2, tweede en vierde lid; | 3 | 2° het schenden van de verplichtingen, vermeld in artikel 6.3.6, § 2, tweede en vierde lid, en artikel 6.4.9, § 2, tweede en vierde lid; |
| 4 | 3° het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.2 en 4.2.5, eerste lid, 3°, die voorafgaan aan de voorafgaande uitdrukkelijke of stilzwijgende aktename, vermeld in artikel 6, tweede lid van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning; | 4 | 3° het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.2 en 4.2.5, die voorafgaan aan de voorafgaande uitdrukkelijke of stilzwijgende aktename, vermeld in artikel 6, tweede lid van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning; |
| 5 | 4° het schenden van de informatieplicht, vermeld in artikel 5.2.1 tot en met 5.2.6; | 5 | 4° het schenden van de informatieplicht, vermeld in artikel 5.2.1 tot en met 5.2.6; |
| 6 | 5° het uitvoeren van handelingen zonder de controle van een architect als die controle verplicht is met toepassing van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van den titel en van het beroep van architect en de uitvoeringsbesluiten ervan; | 6 | 5° het uitvoeren van handelingen zonder de controle van een architect als die controle verplicht is met toepassing van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van den titel en van het beroep van architect en de uitvoeringsbesluiten ervan; |
| 5 | Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Het Vlaamse Gewest kan de rechter verzoeken om de schorsing van de tenuitvoerlegging op te heffen. | 5 | Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Het Vlaamse Gewest kan de rechter verzoeken om de schorsing van de tenuitvoerlegging op te heffen. |
| 6 | § 4. Op grond van het uitvoerbaar verklaard dwangbevel en tot zekerheid van de voldoening van de opgelegde bestuurlijke geldboeten, heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de schuldenaar en kan het een wettelijke hypotheek nemen op alle daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van de schuldenaar. | 6 | § 4. Op grond van het uitvoerbaar verklaard dwangbevel en tot zekerheid van de voldoening van de opgelegde bestuurlijke geldboeten, heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de schuldenaar en kan het een wettelijke hypotheek nemen op alle daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van de schuldenaar. |
| 7 | Het voorrecht, vermeld in paragraaf 1, neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten, vermeld in artikel 19 en 20 van de Hypotheekwet van 16 december 1851, en in artikel 23 van boek II van het Wetboek van Koophandel. | 7 | Het voorrecht, vermeld in paragraaf 1, neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten, vermeld in artikel 19 en 20 van de Hypotheekwet van 16 december 1851, en in artikel 23 van het Wetboek van bepaalde voorrechten op zeeschepen en diverse bepalingen. |
| 8 | De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitvoerbaar verklaarde en betekende dwangbevel. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar, vermeld in paragraaf 2. De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en dat melding maakt van de betekening ervan. | 8 | De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitvoerbaar verklaarde en betekende dwangbevel. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar, vermeld in paragraaf 2. De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en dat melding maakt van de betekening ervan. |
| 9 | Artikel 17 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de opgelegde bestuurlijke geldboeten en, in voorkomend geval, de bijbehorende expertisekosten en de opgelegde voordeelontnemingen waarvoor een dwangbevel werd uitgevaardigd en waarvan betekening aan de schuldenaar is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring. | 9 | Artikel XX.113, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de opgelegde bestuurlijke geldboeten en, in voorkomend geval, de bijbehorende expertisekosten en de opgelegde voordeelontnemingen waarvoor een dwangbevel werd uitgevaardigd en waarvan betekening aan de schuldenaar is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring. |
| 10 | § 5. De vordering tot betaling van de bestuurlijke geldboete verjaart na verloop van driehonderdvijfenzestig dagen. Die termijn gaat in op de dag die volgt op de dag waarop de bestuurlijke geldboete moest worden betaald. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. | 10 | § 5. De vordering tot betaling van de bestuurlijke geldboete verjaart na verloop van driehonderdvijfenzestig dagen. Die termijn gaat in op de dag die volgt op de dag waarop de bestuurlijke geldboete moest worden betaald. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. |
| 11 | § 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de uitvoering van dit artikel. | 11 | § 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de uitvoering van dit artikel. |
| 12 | Bij een veroordeling tot de betaling van een meerwaarde kan de veroordeelde zich op een geldige wijze kwijten door binnen de termijn, vermeld paragraaf 4, de legaliteit te herstellen door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand, het staken van het strijdige gebruik of het verkrijgen van een regularisatievergunning en uitvoering van de daarin begrepen voorwaarden. | 12 | Bij een veroordeling tot de betaling van een meerwaarde kan de veroordeelde zich op een geldige wijze kwijten door binnen de termijn, vermeld paragraaf 4, de legaliteit te herstellen door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand, het staken van het strijdige gebruik of het verkrijgen van een regularisatievergunning en uitvoering van de daarin begrepen voorwaarden. |
| 13 | De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de betaling van de meerwaarde. | 13 | De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de betaling van de meerwaarde. |
| 14 | § 6. De dagvaarding is maar ontvankelijk na overschrijving van de gedinginleidende akte in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen liggen. Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven gedinginleidende akte ingeschreven op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851. Bij gebrek aan een overschrijving wordt de eindbeslissing ingeschreven op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging. | 14 | § 6. De dagvaarding is maar ontvankelijk na overschrijving van de gedinginleidende akte in het bevoegde kantoor van de Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie van het gebied waar de goederen liggen. Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven gedinginleidende akte ingeschreven op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851. Bij gebrek aan een overschrijving wordt de eindbeslissing ingeschreven op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging. |
| 2 | De herstelvordering wordt met naleving van artikel 6.3.10 bij de burgerlijke rechtbank ingeleid door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of van de gemeente. | 2 | De herstelvordering wordt met naleving van artikel 6.3.10 bij de burgerlijke rechtbank ingeleid door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of van de gemeente. |
| 3 | De Vlaamse Regering kan nadere formele voorwaarden vastleggen waaraan de herstelvordering op straffe van onontvankelijkheid moet voldoen. | 3 | De Vlaamse Regering kan nadere formele voorwaarden vastleggen waaraan de herstelvordering op straffe van onontvankelijkheid moet voldoen. |
| 4 | § 2. De dagvaarding is maar ontvankelijk na de overschrijving van de gedinginleidende akte in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen liggen. Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven gedinginleidende akte ingeschreven op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851. Bij gebrek aan een overschrijving wordt de eindbeslissing ingeschreven op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging. | 4 | § 2. De dagvaarding is maar ontvankelijk na de overschrijving van de gedinginleidende akte in het bevoegde kantoor van de Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie van het gebied waar de goederen liggen. Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven gedinginleidende akte ingeschreven op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851. Bij gebrek aan een overschrijving wordt de eindbeslissing ingeschreven op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging. |
| 5 | § 3. Het vorderingsrecht van de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester verjaart als volgt: | 5 | § 3. Het vorderingsrecht van de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester verjaart als volgt: |
| 6 | 1° in ruimtelijk kwetsbaar gebied: na verloop van tien jaar; | 6 | 1° in ruimtelijk kwetsbaar gebied: na verloop van tien jaar; |
| 14 | Voor wat de betaling van de meerwaarde betreft, kan de overtreder zich ook op een geldige wijze kwijten door binnen de uitvoeringstermijn de legaliteit te herstellen door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand, het staken van het strijdige gebruik of het verkrijgen van een regularisatievergunning en de uitvoering van de daarin begrepen voorwaarden. | 14 | Voor wat de betaling van de meerwaarde betreft, kan de overtreder zich ook op een geldige wijze kwijten door binnen de uitvoeringstermijn de legaliteit te herstellen door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand, het staken van het strijdige gebruik of het verkrijgen van een regularisatievergunning en de uitvoering van de daarin begrepen voorwaarden. |
| 15 | De uitvoeringstermijn neemt een aanvang de dag na de betekening. | 15 | De uitvoeringstermijn neemt een aanvang de dag na de betekening. |
| 16 | § 5. Het besluit wordt binnen een termijn van twee maanden overgeschreven in het hypotheekkantoor van het gebied waar het onroerend goed ligt. De beslissing, vermeld in artikel 6.4.8, § 2, tweede lid, wordt binnen een termijn van twee maanden nadat ze is gewezen, ingeschreven op de kant van die overschrijving, op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851. Hetzelfde geldt voor elke rechterlijke beslissing over de schorsing of vernietiging van het besluit of de beslissing, vermeld in artikel 6.4.8, § 2, tweede lid. | 16 | § 5. Het besluit wordt binnen een termijn van twee maanden overgeschreven in het bevoegde kantoor van de Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie van het gebied waar het onroerend goed ligt. De beslissing, vermeld in artikel 6.4.8, § 2, tweede lid, wordt binnen een termijn van twee maanden nadat ze is gewezen, ingeschreven op de kant van die overschrijving, op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851. Hetzelfde geldt voor elke rechterlijke beslissing over de schorsing of vernietiging van het besluit of de beslissing, vermeld in artikel 6.4.8, § 2, tweede lid. |
| 17 | § 6. De beslissing tot toepassing van bestuursdwang en elke volgende beslissing die in de zaak gewezen is, zijn tegenwerpelijk aan alle belanghebbenden, die de gevolgen ervan moeten dragen. | 17 | § 6. De beslissing tot toepassing van bestuursdwang en elke volgende beslissing die in de zaak gewezen is, zijn tegenwerpelijk aan alle belanghebbenden, die de gevolgen ervan moeten dragen. |
| 1 | De minnelijke schikking wordt op schrift gesteld. De minnelijke schikking wordt ondertekend door de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, en door de overtreder of overtreders of andere belanghebbenden met wie de minnelijke schikking wordt aangegaan. De minnelijke schikking wordt binnen een termijn van twee maanden overgeschreven in het hypotheekkantoor van het gebied waarin het onroerend goed gelegen is. Een afschrift van de minnelijke schikking wordt verzonden aan de bevoegde overheden, bedoeld in artikel 6.3.1, § 2. | 1 | De minnelijke schikking wordt op schrift gesteld. De minnelijke schikking wordt ondertekend door de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, en door de overtreder of overtreders of andere belanghebbenden met wie de minnelijke schikking wordt aangegaan. De minnelijke schikking wordt binnen een termijn van twee maanden overgeschreven in het bevoegde kantoor van de Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie waar het onroerend goed ligt. Een afschrift van de minnelijke schikking wordt verzonden aan de bevoegde overheden, bedoeld in artikel 6.3.1, § 2. |
| 1 | Behoudens andersluidende bepalingen, hebben de regelingen van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid onmiddellijke werking. Dat houdt in het bijzonder in dat zij vanaf hun datum van inwerkingtreding van toepassing zijn op de plannings-, vergunningen- en handhavingsprocedures als vastgelegd bij voorliggende codex, in de stand waarin zij zich bevinden. |
| 1 | § 1. Tijdens de gemeentelijke legislatuur 2006-2012 geldt dat het enkele feit dat niet voldaan is aan de regelingen inzake evenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen en mannen, vermeld in artikel 200, § 2, van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, de rechtsgeldigheid van de door een gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening uitgebrachte adviezen niet in het gedrang brengt. | ||
| 2 | § 2. Vanaf 1 september 2009 tot en met het einde van de gemeentelijke legislatuur 2006-2012 geldt een overgangsregime waarbij, indien in een gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening méér dan twee derden van de leden van hetzelfde geslacht is, bij elke nieuwe benoeming een lid van het ondervertegenwoordigde geslacht wordt benoemd. | ||
| 3 | Lopende het overgangsregime kan de gemeenteraad ook beslissen om van effectieve leden van het oververtegenwoordigde geslacht plaatsvervangende leden maken, en om van plaatsvervangende leden van het ondervertegenwoordigde geslacht effectieve leden maken, opdat de evenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen en mannen ten minste bij de effectieve leden verwezenlijkt of benaderd zou worden. De verschuiving van effectief lid naar plaatsvervangend lid, en van plaatsvervangend lid naar effectief lid, wordt niet beschouwd als een nieuwe benoeming die noopt tot een goedkeuring door de deputatie. |
| 1 | Nadat een eerste gemeentelijk ruimtelijk structuurplan definitief is vastgesteld en door de deputatie of de Vlaamse Regering is goedgekeurd, kunnen voor die gemeente geen procedures tot opmaak of herziening van algemene plannen van aanleg en bijzondere plannen van aanleg en daarmee samenhangende onteigeningsplannen overeenkomstig de artikelen 12 tot en met 34 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, meer aangevat worden. | ||
| 2 | Vanaf datzelfde ogenblik zijn artikel 2.2.1 tot en met 2.2.6 en artikel 2.2.12 tot en met 2.2.25 van toepassing voor die gemeente. | ||
| 3 | Procedures tot opmaak of herziening van algemene plannen van aanleg en bijzondere plannen van aanleg en daarmee samenhangende onteigeningsplannen die lopen op het moment van de goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, worden voortgezet overeenkomstig de in het eerste lid vermelde artikelen. Hetzelfde geldt voor procedures tot opmaak of herziening van algemene plannen van aanleg en bijzondere plannen van aanleg en daarmee samenhangende onteigeningsplannen die lopen op 1 mei 2000 in gemeenten die op dat moment beschikken over een goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Er is een lopende procedure in de zin van deze bepaling indien het plan van aanleg of het plan tot herziening van een bestaand plan van aanleg voorlopig is aangenomen door de gemeenteraad. |
| 1 | § 1. De voorschriften van de plannen van aanleg behouden hun verordenende kracht tot zij worden vervangen. De grafische en tekstuele voorschriften van de plannen van aanleg hebben dezelfde waarde. Van deze voorschriften kan enkel worden afgeweken overeenkomstig de daartoe in deze codex vastgestelde afwijkingsmogelijkheden. | 1 | § 1. De voorschriften van de plannen van aanleg behouden hun verordenende kracht tot zij worden vervangen. De grafische en tekstuele voorschriften van de plannen van aanleg hebben dezelfde waarde. Van deze voorschriften kan enkel worden afgeweken overeenkomstig de daartoe in deze codex vastgestelde afwijkingsmogelijkheden. |
| 2 | § 2. Gemeenten kunnen tot 31 december 2011 overgaan tot de definitieve aanname van bijzondere plannen van aanleg en daarmee samenhangende onteigeningsplannen overeenkomstig de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals dat gold op 31 augustus 2009, met dien verstande dat deze plannen niet kunnen afwijken van de voorschriften van het gewestplan, respectievelijk van het decreet van 27 maart 2009 houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut. | ||
| 3 | In voorkomend geval omvat dergelijk bijzonder plan van aanleg een register, al dan niet grafisch, van de percelen waarop een bestemmingswijziging wordt doorgevoerd die aanleiding kan geven tot een planschadevergoeding, vermeld in artikel 2.6.1, een planbatenheffing, vermeld in artikel 2.6.4, of een compensatie, vermeld in boek 6, titel 2 of titel 3, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid. | ||
| 2 | § 2. ... |
| 1 | Vanaf het moment dat het eerste provinciaal ruimtelijk structuurplan door de Vlaamse Regering is goedgekeurd, zijn de artikel 2.2.1 tot en met 2.2.6 en artikel 2.2.12 tot en met 2.2.17 van toepassing voor die provincie. |
| 1 | In afwijking van artikel 2.1.2, § 1, kan een gemeenteraad beslissen om een ruimtelijk structuurplan vast te stellen waarin geen bindend gedeelte is opgenomen. Dergelijk ruimtelijk structuurplan wordt overeenkomstig deze codex uitgevoerd middels ruimtelijke uitvoeringsplannen. |
| 1 | De verlenging, ingevolge artikel 26 van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid, van de termijn waarbinnen het voorkooprecht, vermeld in artikel 2.4.1, moet worden uitgeoefend, is eerst van toepassing op de ruimtelijke uitvoeringsplannen die voorlopig worden vastgesteld vanaf 1 september 2009. | ||
| 2 | Deze verlenging is niet van toepassing op ruimtelijke uitvoeringsplannen die eerder voorlopig of definitief werden vastgesteld, en doet vervallen voorkooprechten niet herleven. | ||
| 3 | De regeling waarbij in het ruimtelijk uitvoeringsplan de geldigheidsduur van het voorkooprecht wordt bepaald, ingevoegd bij het decreet van 16 juli 2010 houdende aanpassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en van het decreet van 10 maart 2006 houdende decretale aanpassingen inzake ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed als gevolg van het bestuurlijk beleid, is eerst van toepassing op de ruimtelijke uitvoeringsplannen die voorlopig worden vastgesteld vanaf de datum van inwerkingtreding van dat wijzigend decreet. |
| 1 | De aanvragen voor een planologisch attest die bij de bevoegde overheid zijn betekend vóór 1 september 2009, worden afgehandeld overeenkomstig de regelen die golden voorafgaand aan die datum. |
| 1 | § 1. Beslissingen van het college van burgemeester en schepenen tot toekenning of weigering van een vergunning, genomen vóór 1 september 2009, worden bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regelen die golden voorafgaand aan die datum. | ||
| 2 | Vergunningsaanvragen die bij het college van burgemeester en schepenen werden betekend vóór 1 september 2009, doch waarover het college op die datum nog niet heeft beslist, worden behandeld overeenkomstig de procedureregelen die golden voorafgaand aan die datum. De bekendmaking en de uitvoerbaarheid van de genomen beslissingen worden echter geregeld overeenkomstig artikel 4.7.19. Die genomen beslissingen kunnen worden bestreden bij de deputatie op grond van de regelingen, vastgelegd bij of krachtens artikel 4.7.21 tot en met 4.7.25. | ||
| 3 | Vergunningsaanvragen die bij het college van burgemeester en schepenen worden betekend vanaf 1 september 2009, worden volledig behandeld overeenkomstig de regelingen, vastgelegd bij of krachtens artikel 4.7.12 tot en met 4.7.19. De genomen beslissingen kunnen worden bestreden bij de deputatie op grond van de regelingen, vastgelegd bij of krachtens artikel 4.7.21 tot en met 4.7.25. | ||
| 4 | § 2. Beslissingen van de deputatie tot toekenning of weigering van een vergunning, genomen vóór 1 september 2009, worden bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regelen die golden voorafgaand aan die datum. | ||
| 5 | Beroepsdossiers die bij de deputatie werden betekend vóór 1 september 2009, doch waarover de deputatie op die datum nog niet heeft beslist, worden behandeld overeenkomstig de procedureregelen die golden voorafgaand aan die datum. De bekendmaking en de uitvoerbaarheid van de genomen beslissingen worden echter geregeld overeenkomstig artikel 4.7.23, § 3 tot en met § 5. Die genomen beslissingen kunnen worden bestreden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. | ||
| 6 | De regelen van het tweede lid gelden eveneens ten aanzien van beroepsdossiers die bij de deputatie worden betekend vanaf 1 september 2009, op grond van de overgangsregeling, vermeld in § 1, eerste lid. | ||
| 7 | Beroepsdossiers die bij de deputatie worden betekend vanaf 1 september 2009, worden volledig behandeld overeenkomstig de regelingen, vastgelegd bij of krachtens artikelen 4.7.21 tot en met 4.7.25. De genomen beslissingen kunnen worden bestreden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. | ||
| 8 | § 3. Beslissingen van de Vlaamse Regering, de gedelegeerde stedenbouwkundige ambtenaar of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar tot toekenning of weigering van een vergunning in eerste administratieve aanleg, genomen vóór 1 september 2009, worden bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regelen die golden voorafgaand aan die datum. | ||
| 9 | Vergunningsaanvragen die bij de Vlaamse Regering, de gedelegeerde stedenbouwkundige ambtenaar of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar werden betekend vóór 1 september 2009, doch waarover het vergunningverlenend bestuursorgaan op die datum nog niet heeft beslist, worden behandeld overeenkomstig de procedureregelen die golden voorafgaand aan die datum. De bekendmaking en de uitvoerbaarheid van de genomen beslissingen worden echter geregeld overeenkomstig artikel 4.7.26, § 4, eerste lid, 5°, 6° en 7°, en tweede lid. Die genomen beslissingen kunnen worden bestreden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. | ||
| 10 | Vergunningsaanvragen die bij de Vlaamse Regering, de gedelegeerde stedenbouwkundige ambtenaar of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar worden betekend vanaf 1 september 2009, worden volledig behandeld overeenkomstig de regelingen, vastgelegd bij of krachtens artikel 4.7.26. De genomen beslissingen kunnen worden bestreden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. | ||
| 11 | § 4. Beslissingen van de Vlaamse Regering over administratieve beroepen betreffende de afgifte of de weigering van een vergunning, genomen vóór 1 september 2009, worden bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regelen die golden voorafgaand aan die datum. | ||
| 12 | Beroepsdossiers die bij de Vlaamse Regering werden betekend vóór 1 september 2009, doch waarover de Vlaamse Regering op die datum nog niet heeft beslist, worden behandeld, bekendgemaakt, uitgevoerd en desgevallend bestreden overeenkomstig de procedureregelen die golden voorafgaand aan die datum. | ||
| 13 | De regelen van het tweede lid gelden eveneens ten aanzien van beroepsdossiers die bij de Vlaamse Regering worden betekend vanaf 1 september 2009, op grond van de overgangsregeling, vermeld in § 1, eerste lid, of § 2, eerste lid en tweede lid. | ||
| 14 | § 5. ... | ||
| 15 | § 6. De Raad van State blijft bevoegd om zich uit te spreken over de beroepen tot nietigverklaring en tot schorsing, gericht tegen de vergunningsbeslissingen, vermeldin artikel 4.8.2, eerste lid, 1°, die niet kunnen worden bestreden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen ingevolge § 1 tot en met § 4. |
| 1 | Het plannenregister moet door elke gemeente opgemaakt worden en door de gemeenteraad vastgesteld worden binnen een jaar na 1 mei 2000. Een afschrift van dat plannenregister wordt gezonden naar het departement . Binnen het daaropvolgend jaar neemt het departement een gemotiveerde beslissing inzake de conformverklaring van het plannenregister en stuurt die beslissing naar het college van burgemeester en schepenen, de deputatie en de Vlaamse Regering binnen tien dagen na de beslissing. | 1 | Een afschrift van het eerste plannenregister wordt naar het departement gestuurd. Binnen het daaropvolgend jaar neemt het departement een gemotiveerde beslissing inzake de conformverklaring van het plannenregister en stuurt die beslissing naar het college van burgemeester en schepenen, de deputatie en de Vlaamse Regering binnen tien dagen na de beslissing. |
| 2 | In afwijking van het eerste lid, samengelezen met artikel 5.1.1, kan de gemeente een ontwerp van plannenregister opmaken en naar het departement sturen, waarin de in artikel 5.1.1, § 1, eerste lid, 3°, vermelde gegevens nog niet zijn opgenomen. De gemeente geeft dan aan binnen welke tijdsspanne deze gegeven aangevuld zullen worden. | 2 | In afwijking van het eerste lid, samengelezen met artikel 5.1.1, kan de gemeente een ontwerp van plannenregister opmaken en naar het departement sturen, waarin de in artikel 5.1.1, § 1, eerste lid, 3°, vermelde gegevens nog niet zijn opgenomen. De gemeente geeft dan aan binnen welke tijdsspanne deze gegeven aangevuld zullen worden. |
| 1 | § 1. Het ontwerp van vergunningenregister moet door elke gemeente opgemaakt worden binnen een jaar na 1 mei 2000. Dat ontwerp wordt bezorgd aan het departement. | 1 | § 1. Elke gemeente bezorgt een ontwerp van vergunningenregister aan het departement. |
| 2 | De Vlaamse Regering kan op gemotiveerd verzoek van de gemeente de termijn van een jaar eenmalig verlengen met een jaar. | ||
| 3 | Het ontwerp van vergunningsregister bevat volgende gegevens, zoveel mogelijk per kadastraal perceel en voor zover beschikbaar : | 2 | Het ontwerp van vergunningsregister bevat volgende gegevens, zoveel mogelijk per kadastraal perceel en voor zover beschikbaar : |
| 4 | 1° het kadastraal nummer, het huisnummer en de straatnaam; | 3 | 1° het kadastraal nummer, het huisnummer en de straatnaam; |
| 15 | 1° het gebruik, als dat afwijkt van de bestemming; | 14 | 1° het gebruik, als dat afwijkt van de bestemming; |
| 16 | 2° de identiteit van de eigenaar of van de titularis van een ander zakelijk recht, als de eigenaar of de titularis van een ander zakelijk recht een overheid of een openbare instelling is. | 15 | 2° de identiteit van de eigenaar of van de titularis van een ander zakelijk recht, als de eigenaar of de titularis van een ander zakelijk recht een overheid of een openbare instelling is. |
| 17 | Bestaande constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen en uithangborden, waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel in de zin van boek III, titel III, hoofdstuk VI van het Burgerlijk Wetboek is aangetoond dat ze gebouwd werden vóór 22 april 1962, worden in het ontwerp van vergunningenregister opgenomen als « vergund geacht », onverminderd artikel 4.2.14, § 3 en § 4. Op de gemeentelijke overheid rust ter zake een actieve onderzoeksplicht. De vaststelling van de aanwezigheid van een geldig bewijs dat de bestaande constructie vóór 22 april 1962 gebouwd werd, en de omschrijving van de aard van dat bewijs, geldt als motivering voor de beslissing tot opname als « vergund geacht ». De vaststelling van het feit dat de constructie niet meer bestaat, van de afwezigheid van enig bewijsmiddel, of van het feit dat het voorhanden zijnde bewijsmiddel aangetast is door uitdrukkelijk aangegeven onregelmatigheden, geldt als motivering voor de weigering tot opname als « vergund geacht ». Een weigering tot opname als « vergund geacht », wordt bij gewone brief aan de eigenaar betekend. | 16 | Bestaande constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen, waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel in de zin van boek 8, hoofdstuk 3, van het Burgerlijk Wetboek is aangetoond dat ze gebouwd werden vóór 22 april 1962, worden in het ontwerp van vergunningenregister opgenomen als « vergund geacht », onverminderd artikel 4.2.14, § 3 en § 4. Op de gemeentelijke overheid rust ter zake een actieve onderzoeksplicht. De vaststelling van de aanwezigheid van een geldig bewijs dat de bestaande constructie vóór 22 april 1962 gebouwd werd, en de omschrijving van de aard van dat bewijs, geldt als motivering voor de beslissing tot opname als « vergund geacht ». De vaststelling van het feit dat de constructie niet meer bestaat, van de afwezigheid van enig bewijsmiddel, of van het feit dat het voorhanden zijnde bewijsmiddel aangetast is door uitdrukkelijk aangegeven onregelmatigheden, geldt als motivering voor de weigering tot opname als « vergund geacht ». Een weigering tot opname als « vergund geacht », wordt bij gewone brief aan de eigenaar betekend. |
| 18 | Bestaande constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen en uithangborden, waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel in de zin van boek III, titel III, hoofdstuk VI van het Burgerlijk Wetboek is aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, en waarvan het vergund karakter door de overheid niet is tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie, worden in het vergunningenregister opgenomen als « vergund geacht », onverminderd artikel 4.2.14, § 3 en § 4. Op de gemeentelijke overheid rust ter zake een actieve onderzoeksplicht. Het vergunningenregister vermeldt de datum van opname van de constructie als « vergund geacht ». De vaststelling van het feit dat bij de overheid geen geldig tegenbewijs bekend is, geldt als motivering voor een opname als « vergund geacht ». De vaststelling dat bij de overheid een geldig tegenbewijs bekend is, en de omschrijving van de aard daarvan, geldt als motivering voor de weigering tot opname als « vergund geacht ». Een weigering tot opname als « vergund geacht », wordt bij gewone brief aan de eigenaar betekend. Deze mededelingsplicht geldt niet ten aanzien van die constructies waarvoor reeds een gemotiveerde mededeling werd verricht bij de opmaak van het ontwerp van vergunningenregister. | 17 | Bestaande constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen, waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel in de zin van boek 8, hoofdstuk 3, van het Burgerlijk Wetboek is aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, en waarvan het vergund karakter door de overheid niet is tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie, worden in het vergunningenregister opgenomen als « vergund geacht », onverminderd artikel 4.2.14, § 3 en § 4. Op de gemeentelijke overheid rust ter zake een actieve onderzoeksplicht. Het vergunningenregister vermeldt de datum van opname van de constructie als « vergund geacht ». De vaststelling van het feit dat bij de overheid geen geldig tegenbewijs bekend is, geldt als motivering voor een opname als « vergund geacht ». De vaststelling dat bij de overheid een geldig tegenbewijs bekend is, en de omschrijving van de aard daarvan, geldt als motivering voor de weigering tot opname als « vergund geacht ». Een weigering tot opname als « vergund geacht », wordt bij gewone brief aan de eigenaar betekend. Deze mededelingsplicht geldt niet ten aanzien van die constructies waarvoor reeds een gemotiveerde mededeling werd verricht bij de opmaak van het ontwerp van vergunningenregister. |
| 19 | Binnen honderdtachtig dagen na ontvangst van het ontwerp van vergunningenregister formuleert het departement een verslag dat opgenomen moet worden in het vergunningenregister. Het departement kan foutieve gegevens schrappen uit het vergunningenregister en meldt dit in zijn verslag. | 18 | Binnen honderdtachtig dagen na ontvangst van het ontwerp van vergunningenregister formuleert het departement een verslag dat opgenomen moet worden in het vergunningenregister. Het departement kan foutieve gegevens schrappen uit het vergunningenregister en meldt dit in zijn verslag. |
| 20 | Het college van burgemeester en schepenen stelt, vijfenzeventig dagen na ontvangst van het verslag van het departement, het vergunningenregister vast en maakt het toegankelijk voor het publiek. | 19 | Het college van burgemeester en schepenen stelt, vijfenzeventig dagen na ontvangst van het verslag van het departement, het vergunningenregister vast en maakt het toegankelijk voor het publiek. |
| 1 | Binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering (ook financiële) ondersteuning verlenen aan de gemeenten voor de opmaak van het eerste vergunningenregister en het eerste plannenregister. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en nadere regels hiertoe. | ||
| 2 | De gemeenten kunnen bij de opmaak van het plannenregister en het vergunningenregister begeleiding vragen van de bevoegde diensten van het Vlaamse Gewest. | 1 | De gemeenten kunnen bij de opmaak van het plannenregister en het vergunningenregister begeleiding vragen van de bevoegde diensten van het Vlaamse Gewest. |
| 1 | De aanvragen voor een stedenbouwkundig attest die bij de bevoegde overheid zijn betekend vóór 1 september 2009, worden afgehandeld overeenkomstig de regelen die golden voorafgaand aan die datum. |
| 5 | De OVAM kan de termijn bepalen waarin het beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd en het bodemsaneringsproject wordt opgesteld, en waarin het verslag van het beschrijvend bodemonderzoek en het bodemsaneringsproject aan haar wordt bezorgd. | 5 | De OVAM kan de termijn bepalen waarin het beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd en het bodemsaneringsproject wordt opgesteld, en waarin het verslag van het beschrijvend bodemonderzoek en het bodemsaneringsproject aan haar wordt bezorgd. |
| 6 | Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van de OVAM, vermeld in het eerste en tweede lid, beroep indienen bij de Vlaamse Regering conform artikel 153 tot en met 155. | 6 | Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van de OVAM, vermeld in het eerste en tweede lid, beroep indienen bij de Vlaamse Regering conform artikel 153 tot en met 155. |
| 7 | In afwijking van het eerste lid rust de verplichting tot bodemsanering van rechtswege op de persoon die door de OVAM is aangemaand om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren als dat bodemonderzoek een ernstige historische bodemverontreiniging tot stand gekomen op de betreffende grond aantoont, met behoud van de toepassing van de vrijstellingsregeling, vermeld in artikel 23. | 7 | In afwijking van het eerste lid rust de verplichting tot bodemsanering van rechtswege op de persoon die door de OVAM is aangemaand om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren als dat bodemonderzoek een ernstige historische bodemverontreiniging tot stand gekomen op de betreffende grond aantoont, met behoud van de toepassing van de vrijstellingsregeling, vermeld in artikel 23. Als de aangemaande persoon conform artikel 23 na het beschrijvend bodemonderzoek vrijstelling van de verplichting tot bodemsanering verkrijgt die van rechtswege op hem rust, herneemt de OVAM haar bevoegdheid, vermeld in het eerste en tweede lid. Dat is ook het geval als de aangemaande persoon voor een deel van de verontreiniging een vrijstelling verkrijgt. |
| 1 | §1. In het kader van de samenvoeging van gemeenten, ter uitvoering van deel 2, titel 8, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, kunnen risicogronden overgedragen worden zonder dat voorafgaandelijk aan de verplichtingen, vermeld in artikel 102 tot en met 115, moet worden voldaan. | ||
| 2 | De nieuwe gemeente voert de volgende verplichtingen uit na de samenvoeging van de gemeenten: | ||
| 3 | 1° de uitvoering van een oriënterend bodemonderzoek op de overgedragen risicogronden en de indiening van het verslag ervan bij de OVAM. Het oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd en het verslag ervan wordt bij de OVAM ingediend binnen drie jaar na de datum van de samenvoeging van de gemeenten; | ||
| 4 | 2° als conform artikel 104, §1, of artikel 109, §1, een beschrijvend bodemonderzoek noodzakelijk is: de uitvoering van het beschrijvend bodemonderzoek en de indiening van het verslag ervan bij de OVAM binnen de termijn die de OVAM bepaalt; | ||
| 5 | 3° als conform artikel 104, §2, of artikel 109, §2, bodemsanering noodzakelijk is: de uitvoering van de bodemsanering binnen de termijn die de OVAM bepaalt. | ||
| 6 | Binnen één jaar na de samenvoeging van de gemeenten maakt de nieuwe gemeente een inventaris op van al haar risicogronden die vallen onder de respectieve verplichtingen, vermeld in het tweede lid, en bezorgt ze de inventaris aan de OVAM. | ||
| 7 | §2. Paragraaf 1 is van overeenkomstige toepassing op de overdracht van risicogronden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de samengevoegde gemeenten aan het nieuwe openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de nieuwe gemeente. |
| 1 | § 1. De overdrager of, in voorkomend geval, de gemandateerde is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of de vereisten, vermeld in artikel 104, § 2, na te leven, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of op basis van het gemotiveerd standpunt van de overdrager of, in voorkomend geval, de gemandateerde van oordeel is dat aan een van de volgende elementen voldaan is: | 1 | § 1. De overdrager of, in voorkomend geval, de gemandateerde is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of de vereisten, vermeld in artikel 104, § 2, na te leven, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of op basis van het gemotiveerd standpunt van de overdrager of, in voorkomend geval, de gemandateerde van oordeel is dat aan een van de volgende elementen voldaan is: |
| 2 | 1° de bodemverontreiniging is niet op de over te dragen grond tot stand gekomen; | 2 | 1° de bodemverontreiniging is niet op de over te dragen grond tot stand gekomen; |
| 3 | 2° de overdrager voldoet cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, § 1, eerste lid, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van gebruiker. Als de gebruiker voor een deel van de verontreiniging cumulatief aan die voorwaarden voldoet, is hij in het kader van de overdracht vrijgesteld van de saneringsplicht voor dat deel van de bodemverontreiniging; | 3 | 2° de overdrager voldoet cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, § 1, eerste lid, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van gebruiker. Als de gebruiker voor een deel van de verontreiniging cumulatief aan die voorwaarden voldoet, is hij in het kader van de overdracht vrijgesteld van de saneringsplicht voor dat deel van de bodemverontreiniging. De gebruiker is ook vrijgesteld van de saneringsplicht voor de bodemverontreiniging of het deel van de bodemverontreiniging waarvoor de exploitant die op de over te dragen grond aanwezig is, niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, §1; |
| 4 | 3° de overdrager voldoet cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, § 2, eerste lid, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van eigenaar. Als de eigenaar voor een deel van de verontreiniging cumulatief aan die voorwaarden voldoet, is hij in het kader van de overdracht vrijgesteld van de saneringsplicht voor dat deel van de bodemverontreiniging. De eigenaar is ook vrijgesteld van de saneringsplicht voor de bodemverontreiniging of het deel van de bodemverontreiniging waarvoor de exploitant of de gebruiker die op de over te dragen grond aanwezig is, niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, § 1. | 4 | 3° de overdrager voldoet cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, § 2, eerste lid, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van eigenaar. Als de eigenaar voor een deel van de verontreiniging cumulatief aan die voorwaarden voldoet, is hij in het kader van de overdracht vrijgesteld van de saneringsplicht voor dat deel van de bodemverontreiniging. De eigenaar is ook vrijgesteld van de saneringsplicht voor de bodemverontreiniging of het deel van de bodemverontreiniging waarvoor de exploitant of de gebruiker die op de over te dragen grond aanwezig is, niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, § 1. |
| 5 | § 2. In afwijking van de bepalingen van § 1 is de overdrager alsnog verplicht het beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of de verplichtingen, vermeld in artikel 104, § 2, na te leven als de OVAM een van de volgende elementen aantoont : | 5 | § 2. In afwijking van de bepalingen van § 1 is de overdrager alsnog verplicht het beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of de verplichtingen, vermeld in artikel 104, § 2, na te leven als de OVAM een van de volgende elementen aantoont : |
| 1 | § 1. De overdrager of, in voorkomend geval, de gemandateerde is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of de vereisten, vermeld in artikel 109, § 2, na te leven, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of op basis van het gemotiveerd standpunt van de overdrager of, in voorkomend geval, de gemandateerde van oordeel is dat aan een van de volgende elementen voldaan is: | 1 | § 1. De overdrager of, in voorkomend geval, de gemandateerde is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of de vereisten, vermeld in artikel 109, § 2, na te leven, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of op basis van het gemotiveerd standpunt van de overdrager of, in voorkomend geval, de gemandateerde van oordeel is dat aan een van de volgende elementen voldaan is: |
| 2 | 1° de bodemverontreiniging is niet tot stand gekomen op de over te dragen grond; | 2 | 1° de bodemverontreiniging is niet tot stand gekomen op de over te dragen grond; |
| 3 | 2° de overdrager voldoet cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van gebruiker. Als de gebruiker voor een deel van de verontreiniging cumulatief voldoet aan die voorwaarden, is hij in het kader van de overdracht vrijgesteld van de saneringsplicht voor dat deel van de bodemverontreiniging; | 3 | 2° de overdrager voldoet cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van gebruiker. Als de gebruiker voor een deel van de verontreiniging cumulatief voldoet aan die voorwaarden, is hij in het kader van de overdracht vrijgesteld van de saneringsplicht voor dat deel van de bodemverontreiniging. De gebruiker is ook vrijgesteld van de saneringsplicht voor de bodemverontreiniging of het deel van de bodemverontreiniging waarvoor de exploitant die op de over te dragen grond aanwezig is, niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, §1; |
| 4 | 3° de overdrager voldoet cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, § 2, eerste lid, of cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van eigenaar. Als de betrokkene voor een deel van de verontreiniging cumulatief voldoet aan die voorwaarden, is hij in het kader van de overdracht vrijgesteld van de saneringsplicht voor dat deel van de bodemverontreiniging. De eigenaar is ook vrijgesteld van de saneringsplicht voor de bodemverontreiniging of het deel van de bodemverontreiniging waarvoor de exploitant of de gebruiker die op de over te dragen grond aanwezig is, niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, § 1. | 4 | 3° de overdrager voldoet cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, § 2, eerste lid, of cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van eigenaar. Als de betrokkene voor een deel van de verontreiniging cumulatief voldoet aan die voorwaarden, is hij in het kader van de overdracht vrijgesteld van de saneringsplicht voor dat deel van de bodemverontreiniging. De eigenaar is ook vrijgesteld van de saneringsplicht voor de bodemverontreiniging of het deel van de bodemverontreiniging waarvoor de exploitant of de gebruiker die op de over te dragen grond aanwezig is, niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, § 1. |
| 5 | § 2. In afwijking van de bepalingen van § 1 is de overdrager alsnog verplicht het beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of de vereisten, vermeld in artikel 109, § 2, na te leven, als de OVAM een van de volgende elementen aantoont : | 5 | § 2. In afwijking van de bepalingen van § 1 is de overdrager alsnog verplicht het beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of de vereisten, vermeld in artikel 109, § 2, na te leven, als de OVAM een van de volgende elementen aantoont : |
| 1 | § 1. Op grond van de beslissing van de OVAM tot ambtshalve uitvoering krachtens de bepalingen van dit decreet, heeft de OVAM tot zekerheid van de voldoening van de kosten van de ambtshalve uitvoering ervan een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de personen, vermeld in artikel 160, en kan ze een wettelijke hypotheek nemen op al de daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van deze personen. Hetzelfde geldt als de OVAM van rechtswege een siteonderzoek uitvoert met toepassing van artikel 141. | 1 | § 1. Op grond van de beslissing van de OVAM tot ambtshalve uitvoering krachtens de bepalingen van dit decreet, heeft de OVAM tot zekerheid van de voldoening van de kosten van de ambtshalve uitvoering ervan een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de personen, vermeld in artikel 160, en kan ze een wettelijke hypotheek nemen op al de daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van deze personen. Hetzelfde geldt als de OVAM van rechtswege een siteonderzoek uitvoert met toepassing van artikel 141. |
| 2 | § 2. Het voorrecht neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851 en in artikel 23 van boek II van het Wetboek van Koophandel. | 2 | § 2. Het voorrecht neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851 en in artikel 23 van het Wetboek van bepaalde voorrechten op zeeschepen en diverse bepalingen. |
| 3 | § 3. De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens de betekende beslissing van de OVAM tot ambtshalve uitvoering krachtens de bepalingen van dit decreet. | 3 | § 3. De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens de betekende beslissing van de OVAM tot ambtshalve uitvoering krachtens de bepalingen van dit decreet. |
| 4 | § 4. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar daartoe aangewezen door de Vlaamse Regering. | 4 | § 4. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar daartoe aangewezen door de Vlaamse Regering. |
| 5 | De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande beroep, op voorlegging van een afschrift van de beslissing van de OVAM tot ambtshalve uitvoering krachtens de bepalingen van dit decreet, die eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en die melding maakt van de betekening ervan. | 5 | De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande beroep, op voorlegging van een afschrift van de beslissing van de OVAM tot ambtshalve uitvoering krachtens de bepalingen van dit decreet, die eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en die melding maakt van de betekening ervan. |
| 6 | § 5. Artikel 19, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de verschuldigde kosten van de ambtshalve uitvoering krachtens de bepalingen van dit decreet, waarvoor een beslissing door de OVAM genomen werd en waarvan de betekening aan de personen, vermeld in artikel 160, is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring. | 6 | § 5. Artikel XX.113, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de verschuldigde kosten van de ambtshalve uitvoering krachtens de bepalingen van dit decreet, waarvoor een beslissing door de OVAM genomen werd en waarvan de betekening aan de personen, vermeld in artikel 160, is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring. |
| 3 | a) gasvormige effluenten die in de atmosfeer worden uitgestoten, en koolstofdioxide dat wordt afgevangen en getransporteerd met het oog op geologische opslag, en dat geologisch is opgeslagen overeenkomstig het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond, dan wel op grond van artikel 37, tweede lid, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond buiten het toepassingsgebied van dit laatstgenoemde decreet valt; | 3 | a) gasvormige effluenten die in de atmosfeer worden uitgestoten, en koolstofdioxide dat wordt afgevangen en getransporteerd met het oog op geologische opslag, en dat geologisch is opgeslagen overeenkomstig het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond, dan wel op grond van artikel 37, tweede lid, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond buiten het toepassingsgebied van dit laatstgenoemde decreet valt; |
| 4 | b) dierlijke mest als vermeld in het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen; | 4 | b) dierlijke mest als vermeld in het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen; |
| 5 | c) het al dan niet verontreinigde water dat wordt geloosd in een oppervlaktewater of in de openbare waterzuiveringsinfrastructuur; in deze context wordt de in-situbehandeling, met inbegrip van de ontwatering van het ter plaatse geproduceerde slib, die bedoeld is om dat water in overeenstemming te brengen met de milieuvoorwaarden die gelden voor de lozing, niet als een afvalstoffenverwerking aanzien; | ||
| 5 | c) afvalwater dat voldoet aan de geldende lozingsvoorwaarden zoals opgenomen in, hetzij de omgevingsvergunning van de producent van het afvalwater, hetzij in de van toepassing zijnde algemene of sectorale voorwaarden inzake lozing van dat afvalwater in oppervlaktewater, zoals vermeld in het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, en dat nuttig wordt gebruikt in een productieproces; | ||
| 6 | d) huishoudelijk en bedrijfsafvalwater dat overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 24 januari 1984 inzake het grondwaterbeheer en van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning indirect wordt geloosd in het grondwater; | 6 | d) huishoudelijk en bedrijfsafvalwater dat overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 24 januari 1984 inzake het grondwaterbeheer en van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning indirect wordt geloosd in het grondwater; |
| 7 | e) onuitgegraven bodem, met inbegrip van duurzaam met de bodem verbonden gebouwen; | 7 | e) onuitgegraven bodem, met inbegrip van duurzaam met de bodem verbonden gebouwen; |
| 8 | f) radioactieve afvalstoffen, voor zover ze niet als vrijgegeven afvalstoffen worden beschouwd als vermeld in het samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat en de Gewesten van 17 oktober 2002 met betrekking tot het beheer van vrijgegeven afvalstoffen; | 8 | f) radioactieve afvalstoffen, voor zover ze niet als vrijgegeven afvalstoffen worden beschouwd als vermeld in het samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat en de Gewesten van 17 oktober 2002 met betrekking tot het beheer van vrijgegeven afvalstoffen; |
| 9 | g) stoffen die bestemd zijn voor gebruik als voedermiddelen als vermeld in artikel 3, lid 2, g), van verordening (EG) nr. 767/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 79/373/EEG van de Raad, Richtlijn 80/511/EEG van de Commissie, Richtlijnen 82/471/EEG, 83/228/EEG, 93/74/EEG, 93/113/EG en 96/25/EG van de Raad en Beschikking 2004/217/EG van de Commissie, en die geen dierlijke bijproducten bevatten of daaruit bestaan; | 9 | g) stoffen die bestemd zijn voor gebruik als voedermiddelen als vermeld in artikel 3, lid 2, g), van verordening (EG) nr. 767/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 79/373/EEG van de Raad, Richtlijn 80/511/EEG van de Commissie, Richtlijnen 82/471/EEG, 83/228/EEG, 93/74/EEG, 93/113/EG en 96/25/EG van de Raad en Beschikking 2004/217/EG van de Commissie, en die geen dierlijke bijproducten bevatten of daaruit bestaan; |
| 10 | h) het gebruik van teruggewonnen water waarvoor een toelating voor gebruik werd afgeleverd of waarvoor een melding met aktename gebeurde overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 2023 houdende reglementering inzake de kwaliteit en de productie, de levering en het gebruik van teruggewonnen water; | ||
| 11 | i) ongezuiverd afwater, uitgezonderd afvalwater van afvalverwerkende activiteiten, dat met het oog op de zuivering en lozing ervan, vervoerd wordt tussen twee bedrijven die behoren tot dezelfde vennootschapsgroep; | ||
| 10 | 2° afvalstoffenhandelaar : iedere onderneming die als verantwoordelijke optreedt bij het aankopen en vervolgens verkopen van afval, met inbegrip van handelaars die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben; | 12 | 2° afvalstoffenhandelaar : iedere onderneming die als verantwoordelijke optreedt bij het aankopen en vervolgens verkopen van afval, met inbegrip van handelaars die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben; |
| 11 | 3° afvalstoffenmakelaar : iedere onderneming die ten behoeve van anderen de verwijdering of de nuttige toepassing van afvalstoffen organiseert, met inbegrip van makelaars die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben; | 13 | 3° afvalstoffenmakelaar : iedere onderneming die ten behoeve van anderen de verwijdering of de nuttige toepassing van afvalstoffen organiseert, met inbegrip van makelaars die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben; |
| 55 | 3) alle dak- en gevelbekledingen, dakgoten, rookgaskanalen en hemelwaterafvoerkanalen bestaande uit asbestcement als ze zich aan de buitenzijde bevinden; | 57 | 3) alle dak- en gevelbekledingen, dakgoten, rookgaskanalen en hemelwaterafvoerkanalen bestaande uit asbestcement als ze zich aan de buitenzijde bevinden; |
| 56 | 4) alle eenvoudig bereikbare asbesthoudende materialen die een afvalstof zijn, met uitzondering van uitgegraven of onuitgegraven steenslag, bodemen puinlagen; | 58 | 4) alle eenvoudig bereikbare asbesthoudende materialen die een afvalstof zijn, met uitzondering van uitgegraven of onuitgegraven steenslag, bodemen puinlagen; |
| 57 | 5) alle asbesthoudende materialen, met uitzondering van asbesthoudende wandpleister, die werden ingesloten of bedekt als risicobeheersmaatregel als vermeld in artikel 33/1, § 2; | 59 | 5) alle eenvoudig bereikbare asbesthoudende materialen, met uitzondering van asbesthoudende wandpleister, die werden ingesloten of bedekt als risicobeheersmaatregel als vermeld in artikel 33/1, § 2; |
| 58 | b) de resterende asbesthoudende materialen veilig worden beheerd; | 60 | b) de resterende asbesthoudende materialen veilig worden beheerd; |
| 61 | 1°/3 asbestinventarisattest: attest afgeleverd door de OVAM voor een toegankelijke constructie met risicobouwjaar na het uitvoeren van de asbestinventaris, vermeld in artikel 33/10; | ||
| 62 | 1°/4 asbestinventarisattest gemene delen: afzonderlijk asbestinventarisattest voor de gemene delen bij mede-eigendom van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar; | ||
| 63 | 1°/5 asbestinventarisattest gemeenschappelijk gebruikte delen: afzonderlijk asbestinventarisattest bij splitsing van het attest van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar die toebehoort aan één eigenaar voor de delen, die gemeenschappelijk gebruikt worden door verschillende gebruikers in de constructie; | ||
| 59 | 2° constructie met risicobouwjaar: de constructie met inbegrip van al wat onroerend is geworden door bestemming of incorporatie, met bouwjaar 2000 of ouder, met uitsluiting van de openbare ondergrondse infrastructuur die bestemd is voor de transit, het transport, de transmissie of de distributie van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, energie of informatie. Een constructie is een gebouw, een bouwwerk, een vaste inrichting, een verharding met uitzondering van steenslag, al dan niet bestaande uit duurzame materialen, in de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabiliteit, en bestemd om ter plaatse te blijven staan of liggen, ook al kan het goed uit elkaar genomen worden, verplaatst worden, of is het goed volledig ondergronds; | 64 | 2° constructie met risicobouwjaar: de constructie met inbegrip van al wat onroerend is geworden door bestemming of incorporatie, met bouwjaar 2000 of ouder, met uitsluiting van de openbare ondergrondse infrastructuur die bestemd is voor de transit, het transport, de transmissie of de distributie van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, energie of informatie. Een constructie is een gebouw, een bouwwerk, een vaste inrichting, een verharding met uitzondering van steenslag, al dan niet bestaande uit duurzame materialen, in de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabiliteit, en bestemd om ter plaatse te blijven staan of liggen, ook al kan het goed uit elkaar genomen worden, verplaatst worden, of is het goed volledig ondergronds; |
| 60 | 3° eenvoudig bereikbare asbesthoudende materialen: de asbesthoudende materialen die waar te nemen en weg te nemen zijn zonder de bouwkundige integriteit van een constructie of erfgoedkenmerken van een beschermd onroerend erfgoed aan te tasten binnen de normale beheers- en onderhoudscycli of een vergelijkbare stilstand bij industriële installaties. Asbesthoudende materialen die bedekt zijn door een ander materiaal, met uitzondering van een laag verf, coating, behang, kunststof of textiel, zijn niet eenvoudig bereikbaar, tenzij het bedekkend materiaal kan worden weggenomen zonder het bedekkende materiaal te beschadigen; | 65 | 3° eenvoudig bereikbare asbesthoudende materialen: de asbesthoudende materialen die waar te nemen en weg te nemen zijn zonder de bouwkundige integriteit van een constructie of erfgoedkenmerken van een beschermd onroerend erfgoed aan te tasten binnen de normale beheers- en onderhoudscycli of een vergelijkbare stilstand bij industriële installaties. Asbesthoudende materialen die bedekt zijn door een ander materiaal, met uitzondering van een laag verf, coating, behang, kunststof of textiel, zijn niet eenvoudig bereikbaar, tenzij het bedekkend materiaal kan worden weggenomen zonder het bedekkende materiaal te beschadigen; |
| 69 | 9° toegankelijke constructie met risicobouwjaar: elke constructie met risicobouwjaar die mensen binnen kunnen betreden. Een constructie kan binnen betreden worden als ze minstens bestaat uit een dak dat gedragen wordt door constructie-elementen, en als een mens er normaal in kan staan of lopen; | 74 | 9° toegankelijke constructie met risicobouwjaar: elke constructie met risicobouwjaar die mensen binnen kunnen betreden. Een constructie kan binnen betreden worden als ze minstens bestaat uit een dak dat gedragen wordt door constructie-elementen, en als een mens er normaal in kan staan of lopen; |
| 70 | 10° publieke constructie met risicobouwjaar: elke constructie met risicobouwjaar die een publieke organisatie huisvest die aan een groot aantal personen overheidsdiensten verstrekken. Een publieke organisatie is een overheid, een parastatale, of een organisatie die publieke diensten aanbiedt die door een overheid worden verzorgd, uitbesteed of gesubsidieerd; | 75 | 10° publieke constructie met risicobouwjaar: elke constructie met risicobouwjaar die een publieke organisatie huisvest die aan een groot aantal personen overheidsdiensten verstrekken. Een publieke organisatie is een overheid, een parastatale, of een organisatie die publieke diensten aanbiedt die door een overheid worden verzorgd, uitbesteed of gesubsidieerd; |
| 71 | 10°/1 veilig beheer: voor laag risico asbesthoudende materialen maatregelen nemen zodat ze deze status behouden, voor niet eenvoudig bereikbare niet-laag risico asbesthoudende materialen risicobeheersmaatregelen nemen en voor niet eenvoudig bereikbare materialen die een afvalstof zijn alle maatregelen nemen die redelijkerwijs kunnen worden genomen om het gevaar voor de gezondheid van de mens of voor het milieu, meer bepaald het risico voor water, lucht en bodem te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken; | 76 | 10°/1 veilig beheer: voor laag risico asbesthoudende materialen maatregelen nemen zodat ze deze status behouden en voor niet eenvoudig bereikbare materialen die een afvalstof zijn alle maatregelen nemen die redelijkerwijs kunnen worden genomen om het gevaar voor de gezondheid van de mens of voor het milieu, meer bepaald het risico voor water, lucht en bodem te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken; |
| 72 | 11° wooneenheid: een gebouweenheid die over de nodige woonvoorzieningen beschikt om autonoom te kunnen functioneren. | 77 | 11° wooneenheid: een gebouweenheid die over de nodige woonvoorzieningen beschikt om autonoom te kunnen functioneren. |
| 2 | 1° asbesthoudende dak- en gevelbekleding; | 2 | 1° asbesthoudende dak- en gevelbekleding; |
| 3 | 2° niet-asbesthoudende dak- en gevelbekleding als daarbij onderliggende asbesthoudende materialen beschadigd worden. | 3 | 2° niet-asbesthoudende dak- en gevelbekleding als daarbij onderliggende asbesthoudende materialen beschadigd worden. |
| 4 | § 2. Het insluiten of bedekken van asbesthoudende materialen die weggenomen moeten worden om een asbestveilige toestand te verkrijgen, is alleen toegestaan als risicobeheersmaatregel of maatregel voor een veilig beheer. | 4 | § 2. Het insluiten of bedekken van asbesthoudende materialen is alleen toegestaan als risicobeheersmaatregel of maatregel voor een veilig beheer. Het insluiten of bedekken is enkel toegelaten indien: |
| 5 | 1° dit het risico bij de verwijdering van het asbesthoudende materiaal niet vergroot; | ||
| 6 | 2° dit de verwijdering technisch niet bemoeilijkt; | ||
| 7 | 3° het volume asbesthoudende afval bij verwijdering niet vergroot wordt, met uitzondering van een dunne laag aangebracht om het vrijkomen van asbestvezels uit het asbesthoudende materiaal te verhinderen. | ||
| 5 | In afwijking van het eerste lid is het verboden asbesthoudende dak- en gevelbekleding in te sluiten of te bedekken met andere materialen. | 8 | In afwijking van het eerste lid is het verboden asbesthoudende dak- en gevelbekleding in te sluiten of te bedekken met andere materialen. |
| 1 | §1. Met behoud van de toepassing van artikel 33/14 beschikt de eigenaar van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar uiterlijk op 31 december 2031 over een asbestinventarisattest . | 1 | §1. Met behoud van de toepassing van artikel 33/14 beschikt de eigenaar van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar uiterlijk op 31 december 2031 over een asbestinventarisattest en indien van toepassing een asbestinventarisattest gemeenschappelijk gebruikte delen. |
| 2 | Als de toegankelijke constructie met risicobouwjaar onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom, vermeld in artikel 3.84 van het Burgerlijk Wetboek, of onder de toepassing van artikel 3.78 tot en met 3.83 van het Burgerlijk Wetboek valt, wordt zowel voor de gemeenschappelijke delen als voor elk privédeel een afzonderlijk asbestinventarisattest uitgereikt. | ||
| 3 | Als de toegankelijke constructie met risicobouwjaar onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom, vermeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek, valt, of onder de toepassing van artikel 577-2 van het Burgerlijk Wetboek, beschikt de eigenaar over een afzonderlijk asbestinventarisattest voor zowel de gemeenschappelijke delen als voor het privédeel. Voor de toegankelijke constructies met risicobouwjaar die niet vallen onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom, vermeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek, of onder de toepassing van artikel 577-2 van het Burgerlijk Wetboek, kan de Vlaamse Regering de regels bepalen voor de opmaak van een asbestinventaris voor de gemeenschappelijke delen. | ||
| 2 | In afwijking van het eerste lid, beschikt de vereniging van mede-eigenaars van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar onder het stelsel van mede-eigendom over een afzonderlijk asbestinventarisattest voor de gemene delen uiterlijk op 31 december 2026. | ||
| 4 | Met het oog op de realisatie van de beleidsdoelstelling `Asbestveilig Vlaanderen 2040' kan de Vlaamse Regering bepaalde categorieën van toegankelijke constructies met risicobouwjaar uitsluiten van de verplichting, vermeld in het eerste lid, als het op basis van hun bouwtechnische karakteristieken niet redelijk of proportioneel is om onder de verplichting te vallen. De Vlaamse Regering kan een uitstel voor een duur van maximaal vier jaar verlenen voor de verplichting, vermeld in het eerste lid, voor bepaalde categorieën van toegankelijke constructies met risicobouwjaar na 1980. De Vlaamse Regering kan de verplichting tot het opstellen van een asbestinventaris per wooneenheid, vermeld in het tweede lid, en het opmaken van een afzonderlijke asbestinventaris voor de gemeenschappelijke delen als voor de privatieve delen, vermeld in het derde lid, verder uitwerken. De Vlaamse Regering kan richtlijnen bepalen voor gebouwen en gebouweenheden bij de opmaak van een asbestinventaris. | 3 | Met het oog op de realisatie van de beleidsdoelstelling ‘Asbestveilig Vlaanderen 2040’ kan de Vlaamse Regering bepaalde categorieën of onderdelen van toegankelijke constructies met risicobouwjaar uitsluiten van de verplichting, vermeld in het eerste en het tweede lid, als het op basis van hun bouwtechnische karakteristieken niet redelijk of proportioneel is om onder de verplichting te vallen. De Vlaamse Regering kan een uitstel voor een duur van maximaal vier jaar verlenen voor de verplichting, vermeld in het eerste lid, voor bepaalde categorieën van toegankelijke constructies met risicobouwjaar na 1980. De Vlaamse Regering kan de verplichting tot het opstellen en de opmaak van een asbestinventaris om een asbestinventarisattest te bekomen, vermeld in het eerste en tweede lid verder uitwerken. De Vlaamse Regering kan richtlijnen bepalen voor gebouwen en gebouweenheden bij de opmaak van een asbestinventaris. De Vlaamse Regering kan een uitstel verlenen voor een duur van maximaal twee jaar voor de verplichting, vermeld in het tweede lid, voor toegankelijke constructies met risicobouwjaar waar minder dan vijftien woon- eenheden aanwezig zijn. |
| 5 | §2. Elke verhuurder van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar die over een geldig asbestinventarisattest beschikt, overhandigt een kopie aan de huurder bij het aangaan van de huur of binnen een termijn van één maand na de datum vermeld op het asbestinventarisattest als dit afgeleverd werd tijdens een lopende huurperiode. | 4 | §2. Elke verhuurder van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar die over een asbestinventarisattest en indien van toepassing een asbestinventarisattest gemene delen of asbestinventarisattest gemeenschappelijk gebruikte delen beschikt, overhandigt een kopie aan de huurder bij het aangaan van de huur of binnen een termijn van één maand na de datum vermeld op het asbestinventarisattest en indien van toepassing, het asbestinventarisattest gemene delen of het asbestinventarisattest gemeenschappelijk gebruikte delen als dit afgeleverd werd tijdens een lopende huurperiode. |
| 1 | § 1. Een asbestinventarisattest wordt verkregen nadat een asbestinventaris is opgemaakt. | 1 | § 1. Een asbestinventarisattest en indien van toepassing, het asbestinventarisattest gemene delen of het asbestinventarisattest gemeenschappelijk gebruikte delen wordt verkregen nadat een asbestinventaris is opgemaakt. |
| 2 | § 2. De asbestinventaris bevat minstens: | 2 | § 2. De asbestinventaris bevat minstens: |
| 3 | 1° de identificatie van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar; | 3 | 1° de identificatie van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar; |
| 8 | § 3. Een asbestinventaris wordt opgemaakt door een asbestdeskundige inventarisatie als vermeld in artikel 33/16, conform een inspectieprotocol asbestinventarisatie. | 8 | § 3. Een asbestinventaris wordt opgemaakt door een asbestdeskundige inventarisatie als vermeld in artikel 33/16, conform een inspectieprotocol asbestinventarisatie. |
| 9 | Als de eigenaar op de hoogte is of behoort te zijn over de aanwezigheid van ingesloten of bedekte asbesthoudende materialen, meldt de eigenaar dat aan de asbestdeskundige inventarisatie bij de opmaak van de asbestinventaris. De eigenaar bezorgt de asbestdeskundige inventarisatie een verklaring op eer niet op de hoogte te zijn of behoort te zijn van ingesloten of bedekte asbesthoudende materialen die niet gemeld werden. | 9 | Als de eigenaar op de hoogte is of behoort te zijn over de aanwezigheid van ingesloten of bedekte asbesthoudende materialen, meldt de eigenaar dat aan de asbestdeskundige inventarisatie bij de opmaak van de asbestinventaris. De eigenaar bezorgt de asbestdeskundige inventarisatie een verklaring op eer niet op de hoogte te zijn of behoort te zijn van ingesloten of bedekte asbesthoudende materialen die niet gemeld werden. |
| 10 | De Vlaamse Regering bepaalt hoe het inspectieprotocol asbestinventarisatie wordt vastgesteld. De Vlaamse Regering kan de verdere inhoud van het inspectieprotocol asbestinventarisatie bepalen. Het inspectieprotocol asbestinventarisatie kan bepalen welke constructies met risicobouwjaar bijkomend deel moeten uitmaken van de asbestinventaris, kan bepaalde constructies met risicobouwjaar of bepaalde materialen uitsluiten van de asbestinventaris en kan de modaliteiten bepalen voor het opmaken van een asbestinventaris per gebouw, gebouweenheid, wooneenheiden gemeenschappelijk deel, kan regels vaststellen over de risico-evaluatie en het veilig beheer van asbesthoudende materialen en de modaliteiten voor het bezorgen van informatie over ingesloten of bedekte asbesthoudende materialen aan de asbestdeskundige inventarisatie. | 10 | De Vlaamse Regering bepaalt hoe het inspectieprotocol asbestinventarisatie wordt vastgesteld. De Vlaamse Regering kan de verdere inhoud van het inspectieprotocol asbestinventarisatie bepalen. Het inspectieprotocol asbestinventarisatie kan bepalen welke constructies met risicobouwjaar bijkomend deel moeten uitmaken van de asbestinventaris, kan bepaalde constructies met risicobouwjaar of bepaalde materialen uitsluiten van de asbestinventaris en kan de modaliteiten bepalen voor het opmaken van een asbestinventaris per gebouw, gebouweenheid, wooneenheid, gemene delen en gemeenschappelijk gebruikte delen, kan regels vaststellen over de risico-evaluatie en het veilig beheer van asbesthoudende materialen en de modaliteiten voor het bezorgen van informatie over ingesloten of bedekte asbesthoudende materialen aan de asbestdeskundige inventarisatie. |
| 11 | De eigenaar van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar stelt zijn eigendom open en toegankelijk opdat de asbestdeskundige inventarisatie veilig een volledige asbestinventaris kan opmaken. Dit recht van toegang moet uitgeoefend worden op een redelijke en proportionele wijze. De Vlaamse Regering kan hiervoor nadere regels bepalen. | 11 | De eigenaar van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar stelt zijn eigendom open en toegankelijk opdat de asbestdeskundige inventarisatie veilig een volledige asbestinventaris kan opmaken. Dit recht van toegang moet uitgeoefend worden op een redelijke en proportionele wijze. De Vlaamse Regering kan hiervoor nadere regels bepalen. |
| 12 | De Vlaamse Regering kan bepalen onder welke voorwaarden een interne preventieadviseur of interne milieucoördinator die de werkgever heeft aangesteld, de taken van de asbestdeskundige inventarisatie, vermeld in artikel 33/16, kan vervullen om een asbestinventaris op te maken voor de toegankelijke constructie met risicobouwjaar waar de werkgever werknemers tewerkstelt. | 12 | De Vlaamse Regering kan bepalen onder welke voorwaarden een interne preventieadviseur of interne milieucoördinator die de werkgever heeft aangesteld, de taken van de asbestdeskundige inventarisatie, vermeld in artikel 33/16, kan vervullen om een asbestinventaris op te maken voor de toegankelijke constructie met risicobouwjaar waar de werkgever werknemers tewerkstelt. |
| 1 | Nadat een asbestinventaris als vermeld in artikel 33/10 correct is ingegeven in de databank, levert de OVAM een asbestinventarisattestaf. | 1 | Nadat een asbestinventaris als vermeld in artikel 33/10 correct is ingegeven in de databank, levert de OVAM een asbestinventarisattest, asbestinventarisattest gemene delen of asbestinventarisattest gemeenschappelijk gebruikte delen af. |
| 2 | Het asbestinventarisattestbevat minstens de geldigheidsduur, de datum, de samenvattende conclusie, de unieke code en de gegevens, vermeld in artikel 33/10, § 2. | 2 | Het asbestinventarisattest, asbestinventarisattest gemene delen of asbestinventarisattest gemeenschappelijk gebruikte delen bevat minstens de geldigheidsduur, de datum, de samenvattende conclusie, de unieke code en de gegevens, vermeld in artikel 33/10, § 2. |
| 3 | De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de verdere inhoud, de aflevering en de geldigheidsduur van het asbestinventarisattest. | 3 | De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de verdere inhoud, de aflevering en de geldigheidsduur van het asbestinventarisattest, asbestinventarisattest gemene delen of asbestinventarisattest gemeenschappelijk gebruikte delen. |
| 1 | §1. Bij het sluiten van een overeenkomst, die de modaliteiten van de overdracht vastlegt, moet de overdrager beschikken over een geldig asbestinventarisattest en indien van toepassing een geldig asbestinventarisattest gemeenschappelijk gebruikte delen bij het sluiten van de overeenkomst. | ||
| 1 | § 1. De eigenaar deelt de inhoud van een geldig asbestinventarisattest mee aan de kandidaat-verwerver bij het sluiten van een onderhandse akte of overeenkomst voor de overdracht van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar. | 2 | Voor 1 mei 2025 moet de overdrager van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar, waarvoor een afzonderlijk asbestinventarisattest gemeenschappelijk gebruikte delen bestaat, de inhoud hiervan meedelen aan de kandidaat-verwerver bij het sluiten van de overeenkomst. |
| 2 | Als de toegankelijke constructie met risicobouwjaar onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom, vermeld in artikel 3.84 van het Burgerlijk Wetboek, of onder de toepassing van artikel 3.78 tot en met 3.83 van het Burgerlijk Wetboek valt, wordt zowel voor de gemeenschappelijke delen als voor elk privédeel dat deel uitmaakt van de overdracht, een afzonderlijk asbestinventarisattest uitgereikt. | ||
| 3 | Voor het verstrijken van de datum, vermeld in artikel 33/9, §1, tweede lid, moet de overdrager van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar die valt onder mede-eigendom, waarvoor een afzonderlijk asbestinventarisattest voor de gemene delen bestaat, de inhoud hiervan meedelen aan de kandidaat- verwerver bij het sluiten van de overeenkomst. | ||
| 4 | Vanaf het verstrijken van de datum, vermeld in artikel 33/9, §1, tweede lid, moet de overdrager van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar die valt onder mede-eigendom, beschikken over een geldig afzonderlijk asbestinventarisattest voor de gemene delen bij het sluiten van de overeenkomst. | ||
| 3 | § 2. De onderhandse akte of de overeenkomst die de modaliteiten van de overdracht van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar vastlegt, vermeldt of de inhoud van het geldige asbestinventarisattest voorafgaandelijk is meegedeeld aan de verwerver, alsook de datum, samenvattende conclusie en de unieke code van het attest. | 5 | § 2. De overeenkomst die de modaliteiten van de overdracht van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar vastlegt, vermeldt of de inhoud van het geldige asbestinventarisattest en indien van toepassing een geldig asbestinventarisattest gemene delen of geldig asbestinventarisattest gemeenschappelijk gebruikte delen, voorafgaandelijk is meegedeeld aan de verwerver, alsook de datum, samenvattende conclusie en de unieke code van het attest. |
| 4 | § 3. In alle authentieke akten voor de overdracht van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar vermeldt de instrumenterend ambtenaar of een geldig asbestinventarisattest is overhandigd aan de verwerver. Hij neemt ook de datum, samenvattende conclusie en unieke code van dat attest op in de akte. | 6 | § 3. In alle authentieke akten voor de overdracht van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar vermeldt de instrumenterend ambtenaar of een geldig asbestinventarisattest en indien van toepassing een geldig asbestinventarisattest gemene delen of geldig asbestinventarisattest gemeenschappelijk gebruikte delen, is overhandigd aan de verwerver. Hij neemt ook de datum, samenvattende conclusie en unieke code van dat attest op in de akte. |
| 5 | § 4. Het asbestinventarisattest, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, heeft enkel betrekking op de constructies met risicobouwjaar die het voorwerp uitmaken van de overdracht. Het asbestinventarisattest kan maar betrekking hebben op één wooneenheid. | 7 | § 4. Het asbestinventarisattest, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, heeft enkel betrekking op de constructies met risicobouwjaar die het voorwerp uitmaken van de overdracht. Het asbestinventarisattest kan maar betrekking hebben op één wooneenheid. |
| 6 | § 5. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1, 2 en 3, en kan voorzien in een afwijking voor bepaalde categorieën van toegankelijke constructies met risicobouwjaar. | ||
| 8 | § 5. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1, 2, 3 en 4, en kan voorzien in een afwijking voor bepaalde categorieën van toegankelijke constructies met risicobouwjaar. Met het oog op de realisatie van de beleidsdoelstelling ‘Asbestveilig Vlaanderen 2040’ kan de Vlaamse Regering bepaalde categorieën of onderdelen van toegankelijke constructies met risicobouwjaar uitsluiten van de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1, als het op basis van hun bouwtechnische karakteristieken niet redelijk of proportioneel is om onder de verplichting te vallen. De Vlaamse Regering kan de verplichting tot het opstellen en de opmaak van een asbestinventaris om een asbestinventaris- attest gemeenschappelijk gebruikte delen te bekomen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid verder uitwerken. | ||
| 7 | § 6. De verwerver kan de nietigheid vorderen van de overdracht die heeft plaatsgevonden in strijd met de bepalingen van dit artikel. | 9 | § 6. De verwerver kan de nietigheid vorderen van de overdracht die heeft plaatsgevonden in strijd met de bepalingen van dit artikel. |
| 8 | De nietigheid kan niet meer worden ingeroepen als de verwerver zijn verzaking van de nietigheidsvordering uitdrukkelijk in de authentieke akte heeft laten opnemen en hij een geldig asbestinventarisattest heeft gekregen. | 10 | De nietigheid kan niet meer worden ingeroepen als de verwerver zijn verzaking van de nietigheidsvordering uitdrukkelijk in de authentieke akte heeft laten opnemen en hij een geldig asbestinventarisattest heeft gekregen. |
| 72 | 66° matrix: een compartiment van het aquatische milieu, dat wil zeggen water, sediment of biota; | 72 | 66° matrix: een compartiment van het aquatische milieu, dat wil zeggen water, sediment of biota; |
| 73 | 67° biotataxon of taxon: een specifiek aquatisch taxon met een taxonomische rang van “subphylum”, “klasse” of een daaraan gelijkwaardige rang; | 73 | 67° biotataxon of taxon: een specifiek aquatisch taxon met een taxonomische rang van “subphylum”, “klasse” of een daaraan gelijkwaardige rang; |
| 74 | 68° achteruitgang van de toestand van een oppervlaktewaterlichaam: als de toestand van ten minste één van de kwaliteitselementen, bedoeld in bijlage V bij de kaderrichtlijn Water, een klasse achteruitgaat, zelfs als die achteruitgang niet tot gevolg heeft dat het oppervlaktewaterlichaam in het algemeen wordt ingedeeld in een lagere klasse. Indien het betreffende kwaliteitselement uit bijlage V bij de kaderrichtlijn Water zich reeds in de laagste klasse bevindt, vormt iedere achteruitgang van dat element een achteruitgang van de toestand; | ||
| 75 | 69° achteruitgang van de chemische toestand van een grondwaterlichaam: als ten minste één van de kwaliteitsnormen of drempelwaarden in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand, overschreden wordt, of als er een voorzienbare verhoging van de concentratie van een verontreinigende stof is terwijl de daarvoor vastgestelde drempel reeds is overschreden. Hiervoor moeten de op elk monitoringspunt gemeten waarden ieder afzonderlijk in aanmerking worden genomen. | ||
| 74 | 68° ...; | ||
| 75 | 69° ... | ||
| 15 | 3° voor zover als relevant, gelet op het voorwerp van de vergunningsaanvraag, de milieuvergunning als vermeld in artikel 4, §1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning; | 15 | 3° voor zover als relevant, gelet op het voorwerp van de vergunningsaanvraag, de milieuvergunning als vermeld in artikel 4, §1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning; |
| 16 | 4° de vergunning voor een watervang als vermeld in artikel 80 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991; | 16 | 4° de vergunning voor een watervang als vermeld in artikel 80 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991; |
| 17 | 5° de machtiging voor het uitvoeren van buitengewone werken van verbetering en wijziging, vermeld in de artikelen 12 en 14 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen; | 17 | 5° de machtiging voor het uitvoeren van inrichtingswerken, vermeld in artikel 12 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen; |
| 18 | 6° de vergunning, vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. | 18 | 6° de vergunning, vermeld in het artikel 13, §4, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. |
| 19 | De volgende plannen en programma's worden in ieder geval onderworpen aan de watertoets: | 19 | De volgende plannen en programma's worden in ieder geval onderworpen aan de watertoets: |
| 20 | 1° een ruimtelijk uitvoeringsplan en een algemeen en bijzonder plan van aanleg als vermeld in artikel 1.1.2, 9°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009; | 20 | 1° een ruimtelijk uitvoeringsplan en een algemeen en bijzonder plan van aanleg als vermeld in artikel 1.1.2, 9°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009; |
| 1 | Met het oog op het vaststellen van de milieudoelstellingen kan de Vlaamse Regering oppervlaktewaterlichamen als kunstmatig of sterk veranderd aanduiden als: | 1 | Met het oog op het vaststellen van de milieudoelstellingen kan de Vlaamse Regering oppervlaktewaterlichamen als kunstmatig of sterk veranderd aanduiden als: |
| 2 | 1° de voor het bereiken van de goede ecologische toestand noodzakelijke wijzigingen van de hydromorfologische kenmerken een betekenisvol nadelig effect zouden hebben op: | 2 | 1° de voor het bereiken van de goede ecologische toestand noodzakelijke wijzigingen van de hydromorfologische kenmerken een betekenisvol nadelig effect zouden hebben op: |
| 3 | a) het milieu ; | 3 | a) het milieu in bredere zin; |
| 4 | b) activiteiten van groot maatschappelijk belang met betrekking tot de scheepvaart, havenfaciliteiten, openbare voorzieningen voor water bestemd voor menselijke consumptie of hernieuwbare energieopwekking; | ||
| 5 | c) overstromingsrisicobeheerdoelstellingen irrigatie, waterhuishouding of afwatering. | ||
| 4 | b) scheepvaart, met inbegrip van havenfaciliteiten, of recreatie; | ||
| 5 | c) activiteiten waarvoor water wordt opgeslagen, zoals drinkwatervoorziening, energieopwekking of irrigatie; | ||
| 6 | d) waterhuishouding, bescherming tegen overstromingen, afwatering, of andere even belangrijke duurzame activiteiten voor menselijke ontwikkeling; of | ||
| 7 | e) andere even belangrijke duurzame activiteiten voor menselijke ontwikkeling. | ||
| 6 | 2° het doel dat door de kunstmatige of veranderde aard van het oppervlaktewaterlichaam wordt gediend, niet kan worden bereikt met andere voor het milieu aanmerkelijk gunstigere middelen, omdat dit technisch niet haalbaar is of onevenredig hoge kosten zou meebrengen. | 8 | 2° het doel dat door de kunstmatige of veranderde aard van het oppervlaktewaterlichaam wordt gediend, niet kan worden bereikt met andere voor het milieu aanmerkelijk gunstigere middelen, omdat dit technisch niet haalbaar is of onevenredig hoge kosten zou meebrengen. |
| 7 | De aanduiding wordt overeenkomstig artikel 1.7.3.2 om de zes jaar getoetst en zonodig herzien. | 9 | De aanduiding wordt overeenkomstig artikel 1.7.3.2 om de zes jaar getoetst en zonodig herzien. |
| 1 | §1. Het niet bereiken van de goede toestand van een grondwaterlichaam, de goede ecologische toestand van een oppervlaktewaterlichaam, het goede ecologisch potentieel van een kunstmatig of sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam of het niet voorkomen van achteruitgang van de toestand van een grondwaterlichaam of oppervlaktewaterlichaam houdt geen schending in van de vastgestelde milieudoelstellingen als dat het gevolg is van nieuwe veranderingen in de fysische kenmerken van een oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de grondwaterstand, wegens: | 1 | §1. Het niet bereiken van de goede toestand van een grondwaterlichaam, de goede ecologische toestand van een oppervlaktewaterlichaam, het goede ecologisch potentieel van een kunstmatig of sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam of het niet voorkomen van achteruitgang van de toestand van een grondwaterlichaam of oppervlaktewaterlichaam houdt geen schending in van de vastgestelde milieudoelstellingen als dat het gevolg is van nieuwe veranderingen in de fysische kenmerken van een oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de grondwaterstand, en daarbij aan de volgende voorwaarden is voldaan: |
| 2 | 1° activiteiten van groot maatschappelijk belang met betrekking tot de scheepvaart, havenfaciliteiten, openbare voorzieningen voor water, bestemd voor menselijke consumptie, of hernieuwbare energieopwekking; | ||
| 3 | 2° de bescherming tegen overstroming van vergunde of vergund geachte gebouwen en infrastructuur, gelegen buiten afgebakende overstromingsgebieden; | ||
| 4 | 3° relevante activiteiten voor het bereiken van de overstromingsrisicobeheerdoelstellingen. | ||
| 5 | Daarbij worden de volgende voorwaarden in acht genomen: | ||
| 2 | 1° de redenen voor die veranderingen of wijzigingen uit het eerste lid zijn | ||
| 6 | 1° de redenen voor die veranderingen of wijzigingen uit het eerste lid zijn van hoger openbaar belang en/of het nut van het bereiken van de in het eerste lid vermelde doelstellingen voor milieu en samenleving wordt overtroffen door het nut van de nieuwe veranderingen en wijzigingen voor de gezondheid van de mens, de handhaving van de veiligheid van de mens of duurzame ontwikkeling; | 3 | van hoger openbaar belang en/of het nut van het bereiken van de in het eerste lid vermelde doelstellingen voor milieu en samenleving wordt overtroffen door het nut van de nieuwe veranderingen en wijzigingen voor de gezondheid van de mens, de handhaving van de veiligheid van de mens of duurzame ontwikkeling; |
| 7 | 2° alle haalbare stappen en maatregelen worden genomen om de negatieve effecten op de toestand van het oppervlaktewaterlichaam of het grondwaterlichaam tegen te gaan; | 4 | 2° alle haalbare stappen en maatregelen worden genomen om de negatieve effecten op de toestand van het oppervlaktewaterlichaam of het grondwaterlichaam tegen te gaan; |
| 8 | 3° het doel dat met die veranderingen of wijzigingen van het oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam wordt gediend, kan niet worden bereikt met andere voor het milieu aanmerkelijk gunstigere middelen, omdat dit technisch niet haalbaar is of onevenredig hoge kosten zou meebrengen. | 5 | 3° het doel dat met die veranderingen of wijzigingen van het oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam wordt gediend, kan niet worden bereikt met andere voor het milieu aanmerkelijk gunstigere middelen, omdat dit technisch niet haalbaar is of onevenredig hoge kosten zou meebrengen. |
| 9 | De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen om te beoordelen of de voorwaarden uit het eerste en tweede lid vervuld zijn. | 6 | De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen om te beoordelen of de voorwaarden uit het eerste lid vervuld zijn. |
| 10 | § 2. De overheid die over een vergunningsaanvraag beslist die tot gevolg kan hebben dat de toestand van een grondwaterlichaamof oppervlaktewaterlichaam achteruitgaat, kan de aanvraag slechts goedkeuren als de voorwaarden uit paragraaf 1, eerste en tweede lid, vervuld zijn. | 7 | § 2. De overheid die over een vergunningsaanvraag beslist die tot gevolg kan hebben dat de goede toestand van een grondwaterlichaam, de goede ecologische toestand van een oppervlaktewaterlichaam, het goede ecologisch potentieel van een kunstmatig of sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam niet bereikt wordt of dat de toestand van een grondwaterlichaam of oppervlaktewaterlichaam achteruitgaat, kan de aanvraag slechts goedkeuren als de voorwaarden uit paragraaf 1, eerste en tweede lid, vervuld zijn. |
| 11 | De overheid die over een plan of programma beslist dat tot gevolg kan hebben dat de toestand van een grondwaterlichaam of oppervlaktewaterlichaam achteruitgaat, kan het plan of programma slechts goedkeuren als de voorwaarden uit paragraaf 1, eerste en tweede lid, vervuld zijn. | 8 | De overheid die over een plan of programma beslist dat tot gevolg kan hebben dat de toestand van een grondwaterlichaam of oppervlaktewaterlichaam achteruitgaat, kan het plan of programma slechts goedkeuren als de voorwaarden uit paragraaf 1, eerste en tweede lid, vervuld zijn. |
| 12 | Alvorens de beslissingen te nemen, vermeld in het eerste en tweede lid, vraagt de betrokken overheid advies aan de CIW. Die brengt een gemotiveerd advies uit binnen dertig dagen als het een vergunningsprocedure betreft en binnen zestig dagen als het een goedkeuringsprocedure voor een plan of programma betreft. Wordt er al op basis van andere regelgeving advies gevraagd in de loop van de procedure, dan beschikt de CIW over dezelfde termijn als de andere adviesverleners. Als het advies niet binnen deze termijnen verleend wordt, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. | 9 | Alvorens de beslissingen te nemen, vermeld in het eerste en tweede lid, vraagt de betrokken overheid advies aan de CIW. Die brengt een gemotiveerd advies uit binnen dertig dagen als het een vergunningsprocedure betreft en binnen zestig dagen als het een goedkeuringsprocedure voor een plan of programma betreft. Wordt er al op basis van andere regelgeving advies gevraagd in de loop van de procedure, dan beschikt de CIW over dezelfde termijn als de andere adviesverleners. Als het advies niet binnen deze termijnen verleend wordt, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. |
| 5 | Onverminderd hun verhaal op de werkelijke verbruiker van het grondwater wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk onweerlegbaar vermoed de heffingsplichtige grondwater te zijn inzake de in vorig lid vermelde exploitatie: | 5 | Onverminderd hun verhaal op de werkelijke verbruiker van het grondwater wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk onweerlegbaar vermoed de heffingsplichtige grondwater te zijn inzake de in vorig lid vermelde exploitatie: |
| 6 | 1° a) de vergunninghouder aan wie overeenkomstig het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning de vergunning is verleend; | 6 | 1° a) de vergunninghouder aan wie overeenkomstig het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning de vergunning is verleend; |
| 7 | b) de natuurlijke of rechtspersoon die conform het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning melding heeft gedaan van een grondwaterwinning als vermeld in lid 1; | 7 | b) de natuurlijke of rechtspersoon die conform het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning een meldingsakte heeft verkregen wat betreft een grondwaterwinning als vermeld in lid 1; |
| 8 | 2° elke andere natuurlijke of rechtspersoon die op enig ogenblik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest heeft beschikt over de grondwaterwinning. | 8 | 2° elke andere natuurlijke of rechtspersoon die op enig ogenblik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest heeft beschikt over de grondwaterwinning. |
| 9 | Voor wat de heffing op het winnen van grondwater betreft wordt ook als grondwater beschouwd elk water dat zonder exploitatie in open verbinding staat met de waterverzadigde zone onder het bodemoppervlak en ermee in statisch evenwicht is. Water dat op natuurlijke wijze opborrelt of welwater wordt niet meer als grondwater beschouwd vanaf het ogenblik dat het langs natuurlijke weg in het openbaar hydrografisch net stroomt. | 9 | Voor wat de heffing op het winnen van grondwater betreft wordt ook als grondwater beschouwd elk water dat zonder exploitatie in open verbinding staat met de waterverzadigde zone onder het bodemoppervlak en ermee in statisch evenwicht is. Water dat op natuurlijke wijze opborrelt of welwater wordt niet meer als grondwater beschouwd vanaf het ogenblik dat het langs natuurlijke weg in het openbaar hydrografisch net stroomt. |
| 11 | De vrijstelling geldt niet voor individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater die werden aangelegd nadat de woongelegenheid reeds aansluitbaar was op een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) . De vrijstelling geldt maximaal vijf jaar nadat de woning aansluitbaar is op de riolering. | 11 | De vrijstelling geldt niet voor individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater die werden aangelegd nadat de woongelegenheid reeds aansluitbaar was op een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) . De vrijstelling geldt maximaal vijf jaar nadat de woning aansluitbaar is op de riolering. |
| 12 | § 4. De heffingsplichtige die het huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van zijn woongelegenheid, heeft gezuiverd in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater als vermeld in paragraaf 1 en 2, en die de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1 en 2 wil krijgen, moet, op straffe van verval van het recht op vrijstelling, uiterlijk binnen drie maanden vanaf de derde werkdag die volgt op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd is, een schriftelijke aanvraag indienen bij het college van burgemeester en schepenen van het ambtsgebied waar de installatie ligt. | 12 | § 4. De heffingsplichtige die het huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van zijn woongelegenheid, heeft gezuiverd in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater als vermeld in paragraaf 1 en 2, en die de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1 en 2 wil krijgen, moet, op straffe van verval van het recht op vrijstelling, uiterlijk binnen drie maanden vanaf de derde werkdag die volgt op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd is, een schriftelijke aanvraag indienen bij het college van burgemeester en schepenen van het ambtsgebied waar de installatie ligt. |
| 13 | Als het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt bij die aanvraag een afschrift gevoegd van de melding of de lopende vergunning voor de exploitatie van de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater. | 13 | Als het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt bij die aanvraag een afschrift gevoegd van de meldingsakte of de lopende vergunning voor de exploitatie van de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater. |
| 14 | De burgemeester onderzoekt de aanvraag en reikt een attest uit als de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is gebouwd en wordt geëxploiteerd conform een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het VLAREM. | 14 | De burgemeester onderzoekt de aanvraag en reikt een attest uit als de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is gebouwd en wordt geëxploiteerd conform een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het VLAREM. |
| 15 | Binnen drie maanden vanaf de dag na de ontvangst van de aanvraag bezorgt de burgemeester de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk van zijn ambtsgebied de aanvraag en het attest of de beslissing waarbij de aflevering van een attest wordt geweigerd. Hij stuurt een kopie van de aanvraag en het attest of de weigeringsbeslissing naar de heffingsplichtige. | 15 | Binnen drie maanden vanaf de dag na de ontvangst van de aanvraag bezorgt de burgemeester de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk van zijn ambtsgebied de aanvraag en het attest of de beslissing waarbij de aflevering van een attest wordt geweigerd. Hij stuurt een kopie van de aanvraag en het attest of de weigeringsbeslissing naar de heffingsplichtige. |
| 5 | De vrijstelling geldt niet voor individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater die werden aangelegd nadat de instelling reeds aansluitbaar was op een RWZI. | 5 | De vrijstelling geldt niet voor individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater die werden aangelegd nadat de instelling reeds aansluitbaar was op een RWZI. |
| 6 | §2. De heffingsplichtige die van de vrijstelling uit paragraaf 1 wenst te genieten, dient daarvoor, op straffe van verval van het recht van vrijstelling, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd werd, of ingeval de heffingsplichtige een aangifte indient samen met de aangifte, een schriftelijke aanvraag in bij de Vlaamse Milieumaatschappij met de volgende bijlagen: | 6 | §2. De heffingsplichtige die van de vrijstelling uit paragraaf 1 wenst te genieten, dient daarvoor, op straffe van verval van het recht van vrijstelling, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd werd, of ingeval de heffingsplichtige een aangifte indient samen met de aangifte, een schriftelijke aanvraag in bij de Vlaamse Milieumaatschappij met de volgende bijlagen: |
| 7 | 1° in zoverre het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, een afschrift van de melding of lopende vergunning voor de exploitatie van de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater; | 7 | 1° in zoverre het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, een afschrift van de meldingsakte of lopende vergunning voor de exploitatie van de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater; |
| 8 | 2° een attest afgeleverd door de burgemeester, waaruit blijkt dat de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is gebouwd en wordt geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem. | 8 | 2° een attest afgeleverd door de burgemeester, waaruit blijkt dat de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is gebouwd en wordt geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem. |
| 9 | Het vermelde attest heeft een maximale geldigheidsduur van 5 jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de burgemeester het attest heeft uitgereikt, tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de zuiveringsinfrastructuur tijdens deze periode niet wordt uitgebaat volgens de code van goede praktijk of gewijzigd werd. | 9 | Het vermelde attest heeft een maximale geldigheidsduur van 5 jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de burgemeester het attest heeft uitgereikt, tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de zuiveringsinfrastructuur tijdens deze periode niet wordt uitgebaat volgens de code van goede praktijk of gewijzigd werd. |
| 15 | Als de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, of de gemeente of een gemeentelijke rioolbeheerder, instaat voor de bouw of exploitatie van de individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater, kent de exploitant automatisch de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, of de compensatie, vermeld in het eerste lid, toe als de installatie voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid. | 15 | Als de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, of de gemeente of een gemeentelijke rioolbeheerder, instaat voor de bouw of exploitatie van de individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater, kent de exploitant automatisch de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, of de compensatie, vermeld in het eerste lid, toe als de installatie voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid. |
| 16 | § 3. In alle overige gevallen dient de vrijstellingsgerechtigde respectievelijk de compensatiegerechtigde die de vrijstelling, respectievelijk de compensatie, vermeld in dit artikel wil krijgen, op straffe van verval van het recht op die vrijstelling of die compensatie, binnen twaalf maanden na de aanrekening van de bovengemeentelijke bijdrage of de vergoeding door de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk een schriftelijke aanvraag in bij het college van burgemeester en schepenen van het ambtsgebied waar de installatie ligt. | 16 | § 3. In alle overige gevallen dient de vrijstellingsgerechtigde respectievelijk de compensatiegerechtigde die de vrijstelling, respectievelijk de compensatie, vermeld in dit artikel wil krijgen, op straffe van verval van het recht op die vrijstelling of die compensatie, binnen twaalf maanden na de aanrekening van de bovengemeentelijke bijdrage of de vergoeding door de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk een schriftelijke aanvraag in bij het college van burgemeester en schepenen van het ambtsgebied waar de installatie ligt. |
| 17 | Als het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt bij de aanvraag, vermeld in het achtste lid, een afschrift gevoegd van de melding of de lopende vergunning voor de exploitatie van de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater. De burgemeester onderzoekt de aanvraag en reikt een attest uit als de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is gebouwd en wordt geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het VLAREM. Binnen drie maanden vanaf de dag na de ontvangst van de aanvraag bezorgt de burgemeester de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk van zijn ambtsgebied de aanvraag en het attest of de beslissing waarbij de aflevering van een attest wordt geweigerd. Hij zendt een kopie van de aanvraag en het attest of van de beslissing waarbij het attest wordt geweigerd aan de vrijstellingsgerechtigde of de compensatiegerechtigde. | 17 | Als het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt bij de aanvraag, vermeld in het achtste lid, een afschrift gevoegd van de meldingsakte of de lopende vergunning voor de exploitatie van de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater. De burgemeester onderzoekt de aanvraag en reikt een attest uit als de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is gebouwd en wordt geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het VLAREM. Binnen drie maanden vanaf de dag na de ontvangst van de aanvraag bezorgt de burgemeester de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk van zijn ambtsgebied de aanvraag en het attest of de beslissing waarbij de aflevering van een attest wordt geweigerd. Hij zendt een kopie van de aanvraag en het attest of van de beslissing waarbij het attest wordt geweigerd aan de vrijstellingsgerechtigde of de compensatiegerechtigde. |
| 18 | Als de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk niet bevoegd is voor de beslissing over die aanvraag, worden de stukken onmiddellijk doorgestuurd naar de Vlaamse Milieumaatschappij. | 18 | Als de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk niet bevoegd is voor de beslissing over die aanvraag, worden de stukken onmiddellijk doorgestuurd naar de Vlaamse Milieumaatschappij. |
| 19 | Het attest, vermeld in het tweede lid, heeft in ieder geval een maximale geldigheidsduur van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de burgemeester het attest heeft uitgereikt, tenzij de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de waterzuiveringsinstallatie tijdens die periode niet wordt uitgebaat conform een code van goede praktijk, conform de voorschriften, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, of substantieel is gewijzigd. | 19 | Het attest, vermeld in het tweede lid, heeft in ieder geval een maximale geldigheidsduur van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de burgemeester het attest heeft uitgereikt, tenzij de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de waterzuiveringsinstallatie tijdens die periode niet wordt uitgebaat conform een code van goede praktijk, conform de voorschriften, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, of substantieel is gewijzigd. |
| 1 | Voor de artikelen 1.3.1.1, 1.3.2.2 tot en met 3.3.3.1, 1.7.3.3 en 1.7.5.4, van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten bij deze artikelen gebeurt het toezicht op en de handhaving van milieu-inbreuken en milieumisdrijven, en het opleggen van veiligheidsmaatregelen volgens de regels bepaald in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. | 1 | Titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid is van toepassing op de handhaving van artikel 1.3.1.1, 1.3.2.2 tot en met 1.3.3.3.1, 1.7.3.3 en 1.7.5.4 van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten bij deze artikelen, met inbegrip van de verplichtingen die op grond van deze artikelen of hun uitvoeringsbesluiten worden opgelegd. |
| 1 | §1. Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot vernietiging, bedraagt 200 euro. | 1 | §1. Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot vernietiging, bedraagt 200 euro. |
| 2 | Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 of § 2, bedraagt 100 euro. | 2 | Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 of § 2, bedraagt 100 euro. |
| 3 | Het rolrecht dat verschuldigd is per tussenkomende partij, bedraagt 100 euro per vordering waarin ze tussenkomt, ongeacht of de tussenkomst geldt voor een vordering tot vernietiging of voor een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 en § 2. | 3 | Het rolrecht dat verschuldigd is per tussenkomende partij, bedraagt 100 euro per vordering waarin ze tussenkomt, ongeacht of de tussenkomst geldt voor een vordering tot vernietiging of voor een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 en § 2. |
| 4 | §1/1. De tussenkomende partij, vermeld in artikel 20, derde lid, is vrijgesteld van de betaling van het rolrecht. | 4 | §1/1. De tussenkomende partij, vermeld in artikel 20, derde lid, is vrijgesteld van de betaling van het rolrecht. |
| 5 | §2. De leidend ambtenaar van het Departement Omgeving of het Agentschap Innoveren en Ondernemen, of bij hun afwezigheidhun gemachtigden die optreden met toepassing van artikel 105, §2, respectievelijk 5° tot en met 7°, van het -decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, zijn vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht. | 5 | §2. De leidende ambtenaren of, bij hun afwezigheid, hun gemachtigden die optreden met toepassing van artikel 105, §2, respectievelijk punt 6° tot en met punt 8°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, zijn vrijgesteld van de betaling van rolrecht. |
| 6 | §3. De verzoekende partij of tussenkomende partij die aantoont dat haar inkomsten ontoereikend zijn, is vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht. | 6 | §3. De verzoekende partij of tussenkomende partij die aantoont dat haar inkomsten ontoereikend zijn, is vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht. |
| 7 | De verzoekende partij richt daarvoor een verzoek aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen, gelijktijdig met het indienen van haar verzoekschrift. | 7 | De verzoekende partij richt daarvoor een verzoek aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen, gelijktijdig met het indienen van haar verzoekschrift. |
| 8 | De tussenkomende partij richt daarvoor een verzoek aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen, gelijktijdig met haar tussenkomst in een vordering. | 8 | De tussenkomende partij richt daarvoor een verzoek aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen, gelijktijdig met haar tussenkomst in een vordering. |
| 11 | Bij het niet-tijdig bezorgen van de bewijsstukken, vermeld in het vijfde lid, wordt de verzoekende of tussenkomende partij geacht afstand te doen van haar vraag tot vrijstelling van het rolrecht. | 11 | Bij het niet-tijdig bezorgen van de bewijsstukken, vermeld in het vijfde lid, wordt de verzoekende of tussenkomende partij geacht afstand te doen van haar vraag tot vrijstelling van het rolrecht. |
| 12 | De ontoereikendheid van de inkomsten wordt beoordeeld conform artikel 508/13/1 tot en met 508/13/4 van het Gerechtelijk Wetboek. | 12 | De ontoereikendheid van de inkomsten wordt beoordeeld conform artikel 508/13/1 tot en met 508/13/4 van het Gerechtelijk Wetboek. |
| 13 | §4. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er verzoekende partijen zijn. | 13 | §4. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er verzoekende partijen zijn. |
| 14 | Collectieve tussenkomsten geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er tussenkomende partijen zijn. | 14 | Collectieve tussenkomsten geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er tussenkomende partijen zijn. |
| 15 | §5. Gelijktijdig met de indiening van het verzoekschrift houdende een vordering tot vernietiging of een vordering tot schorsing, dat ingediend is conform artikel 40, § 1, of gelijktijdig met haar tussenkomst in de voormelde vorderingen, bezorgt de verzoekende of tussenkomende partij het bewijs dat een overschrijvingsopdracht is gegeven of dat een storting is uitgevoerd tot betaling van het rolrecht. | 15 | §5. Gelijktijdig met de indiening van het verzoekschrift houdende een vordering tot vernietiging of een vordering tot schorsing, dat ingediend is conform artikel 40, § 1, of gelijktijdig met haar tussenkomst in de voormelde vorderingen, bezorgt de verzoekende of tussenkomende partij het bewijs dat een overschrijvingsopdracht is gegeven of dat een storting is uitgevoerd tot betaling van het rolrecht. |
| 16 | Als het rolrecht, vermeld in het eerste lid, niet op tijd is gestort, nodigt de griffier de verzoekende of de tussenkomende partij met een beveiligde zending uit om het rolrecht alsnog te betalen. De griffier vermeldt daarbij de sanctie, vermeld in het derde lid. In dit geval wordt het rolrecht gestort binnen acht dagen na de dag van de betekening van de voormelde beveiligde zending. | 16 | Als het rolrecht, vermeld in het eerste lid, niet op tijd is gestort, nodigt de griffier de verzoekende of de tussenkomende partij met een beveiligde zending uit om het rolrecht alsnog te betalen. De griffier vermeldt daarbij de sanctie, vermeld in het derde lid. In dit geval wordt het rolrecht gestort binnen acht dagen na de dag van de betekening van de voormelde beveiligde zending. |
| 17 | Als het bedrag van het rolrecht niet op tijd is gestort door de verzoekende of tussenkomende partij, is het beroep of de tussenkomst van die partij onontvankelijk. | 17 | Als het bedrag van het rolrecht niet op tijd is gestort door de verzoekende of tussenkomende partij, is het beroep of de tussenkomst van die partij onontvankelijk. |
| 18 | §6. Bij een vordering tot schorsing, ingesteld conform artikel 40, § 2, wordt het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, opgevraagd in de beschikking of het arrest tot bepaling van de rechtsdag. | 18 | §6. Bij een vordering tot schorsing, ingesteld conform artikel 40, § 2, wordt het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, opgevraagd in de beschikking of het arrest tot bepaling van de rechtsdag. |
| 19 | Het bewijs dat een overschrijvingsopdracht is gegeven of dat een storting is uitgevoerd tot betaling van het rolrecht, vermeld in het eerste lid, wordt overgelegd op de zitting waarop de vordering, ingesteld conform artikel 40, § 2, wordt behandeld. | 19 | Het bewijs dat een overschrijvingsopdracht is gegeven of dat een storting is uitgevoerd tot betaling van het rolrecht, vermeld in het eerste lid, wordt overgelegd op de zitting waarop de vordering, ingesteld conform artikel 40, § 2, wordt behandeld. |
| 20 | Als het rolrecht niet binnen een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de dag na de betekening van de beschikking of het arrest tot bepaling van de rechtsdag is betaald, is de proceshandeling waarop de kwijting betrekking heeft, niet ontvankelijk. | 20 | Als het rolrecht niet binnen een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de dag na de betekening van de beschikking of het arrest tot bepaling van de rechtsdag is betaald, is de proceshandeling waarop de kwijting betrekking heeft, niet ontvankelijk. |
| 22 | Als de tussenkomende partij het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, niet tijdig heeft betaald, kan ze geen voortzetting vragen van de rechtspleging. | 22 | Als de tussenkomende partij het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, niet tijdig heeft betaald, kan ze geen voortzetting vragen van de rechtspleging. |
| 23 | De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd. | 23 | De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd. |
| 24 | §7. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan, op verzoek van een partij, een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de partij die in het gelijk wordt gesteld. | 24 | §7. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan, op verzoek van een partij, een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de partij die in het gelijk wordt gesteld. |
| 25 | De Vlaamse Regering bepaalt de basisbedragen en de minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding. | 25 | De Vlaamse Regering bepaalt de basisbedragen en de minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding. |
| 26 | De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan, op gemotiveerde wijze, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Vlaamse Regering bepaalde minimum- en maximumbedragen te overschrijden. In zijn beoordeling houdt hij rekening met: | 26 | De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan, op gemotiveerde wijze, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Vlaamse Regering bepaalde minimum- en maximumbedragen te overschrijden. In zijn beoordeling houdt hij rekening met: |
| 1 | §1. De Vlaamse Regering wijst de overheden en organisaties aan die optreden als verwerkingsverantwoordelijken als vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG of als ontvanger voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit hoofdstuk en de toezichtopdrachten, vermeld in titel XVI van dit decreet met betrekking tot erkenningen. | ||
| 2 | De overheden en organisaties, vermeld in het eerste lid, verwerken persoonsgegevens voor de uitvoering van de taken, vermeld in dit hoofdstuk, en de toezichtopdrachten, vermeld in titel XVI van dit decreet, met betrekking tot erkenningen. De verwerking van persoonsgegevens is noodzakelijk voor en in uitvoering van de vervulling van een taak van algemeen belang die aan de verwerkingsverantwoordelijken is opgedragen. | ||
| 3 | §2. De verwerking van persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1, heeft betrekking op de volgende categorieën van persoonsgegevens: | ||
| 4 | 1° de naam; | ||
| 5 | 2° het rijksregisternummer of het BIS-nummer als men niet over een rijksregisternummer beschikt; | ||
| 6 | 3° adresgegevens; | ||
| 7 | 4° contactgegevens; | ||
| 8 | 5° gegevens over opleiding en ervaring; 6° beroepsgegevens; | ||
| 9 | 7° het certificaatnummer; | ||
| 10 | 8° het erkenningsnummer; | ||
| 11 | 9° gegevens over strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten als vermeld in artikel 10 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG voor overtredingen van de milieuwetgeving die verband houden met het gebruik van een erkenning; | ||
| 12 | 10° gegevens met betrekking tot de geschorste en opgeheven erkenningen; | ||
| 13 | 11° gegevens met betrekking tot de uitgevoerde milieuhandhavingscontroles; | ||
| 14 | 12° de gegevens met betrekking tot overtredingen van de milieuwetgeving. | ||
| 15 | De verwerkingsverantwoordelijken nemen passende maatregelen om de juistheid van de persoonsgegevens te verzekeren. Alleen de personen die de specifieke behoefte hebben door hun functie, rol of verantwoordelijkheid om deze persoonsgegevens te verwerken, hebben toegang tot die gegevens. | ||
| 16 | §3. De verwerking van persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1, heeft betrekking op de volgende categorieën van betrokkenen: | ||
| 17 | 1° personen die over een titel als vermeld in artikel 5.6.2, derde lid, beschikken, die uitgereikt is door een rechtspersoon die erkend is volgens artikel 5.6.3; | ||
| 18 | 2° erkende personen; | ||
| 19 | 3° personen die vermeld worden in een erkenningsaanvraag; | ||
| 20 | 4° personen die in het kader van een erkenning aan een controle onderworpen worden; | ||
| 21 | 5° dienstverrichters voor de tijdelijke en incidentele uitoefening van erkennings- plichtige handelingen als vermeld in artikel 5.6.2; | ||
| 22 | 6° belanghebbenden in het kader van een controle van de erkende persoon. | ||
| 23 | Voor de categorieën van betrokkenen, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 5°, kunnen persoonsgegevens rond strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten zoals overtredingen van de milieuwetgeving, gegevens over geschorste en opgeheven erkenningen en gegevens rond uitgevoerde milieuhandhavingscontroles verwerkt worden. | ||
| 24 | De verwerkingsverantwoordelijken nemen maatregelen om de informatie uit artikel 13 en 14 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) en de communicatie uit artikel 15 tot en met 22 en artikel 34 van voormelde verordening (EU) 2016/679 rond de verwerking van persoonsgegevens op een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm aan te bieden aan de betrokkenen. | ||
| 25 | §4. De maximale bewaartermijnen voor persoonsgegevens die op basis van dit hoofdstuk met betrekking tot erkenningen worden verwerkt, bedraagt tot twintig jaar na verval van rechtswege van de erkenning. | ||
| 26 | De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de verwerking van de persoonsgegevens, de beveiliging van die gegevens en de passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen. |
| 20 | b) het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort wordt niet kleiner of lijkt binnen afzienbare tijd niet kleiner te zullen worden; | 20 | b) het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort wordt niet kleiner of lijkt binnen afzienbare tijd niet kleiner te zullen worden; |
| 21 | c) er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden; | 21 | c) er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden; |
| 22 | 12° decreet Integraal Waterbeleid : decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid; | 22 | 12° decreet Integraal Waterbeleid : decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018; |
| 23 | 13° schade aan water : elke vorm van schade die een aanmerkelijke negatieve invloed heeft op de ecologische toestand, het ecologisch potentieel of de chemische toestand van het oppervlaktewater of de chemische of kwantitatieve toestand van het grondwater als vermeld in het decreet Integraal Waterbeleid, met uitzondering van de negatieve effecten waarop artikel 1.7.2.5.4. van het decreet Integraal Waterbeleid van toepassing is; | 23 | 13° schade aan water : elke vorm van schade die een aanmerkelijke negatieve invloed heeft op de ecologische toestand, het ecologisch potentieel of de chemische toestand van het oppervlaktewater of de chemische of kwantitatieve toestand van het grondwater als vermeld in het decreet Integraal Waterbeleid, met uitzondering van de negatieve effecten waarop artikel 1.7.2.5.4. van het decreet Integraal Waterbeleid van toepassing is; |
| 24 | 14° water : alle oppervlaktewater en grondwater waarop het decreet Integraal Waterbeleid van toepassing is; | 24 | 14° water : alle oppervlaktewater en grondwater waarop het decreet Integraal Waterbeleid van toepassing is; |
| 2 | 1° natuurlijke personen en rechtspersonen die milieuschade lijden of dreigen te lijden; | 2 | 1° natuurlijke personen en rechtspersonen die milieuschade lijden of dreigen te lijden; |
| 3 | 2° natuurlijke personen en rechtspersonen die een belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade; | 3 | 2° natuurlijke personen en rechtspersonen die een belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade; |
| 4 | 2°/1 natuurlijke personen en rechtspersonen die stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht dat als voorwaarde stelt; | ||
| 4 | 3° rechtspersonen als vermeld in artikel 2 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu. | 5 | 3° rechtspersonen als vermeld in artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu. |
| 1 | Het Vlaamse Gewest verhaalt de kosten onder andere door middel van een zakelijke zekerheid of andere geschikte waarborgen. | 1 | Het Vlaamse Gewest verhaalt de kosten onder andere door middel van een zakelijke zekerheid of andere geschikte waarborgen. |
| 2 | Op grond van het uitvoerbaar verklaard dwangbevel en tot zekerheid van het verhaal van de kosten, heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de exploitant en kan het een wettelijke hypotheek nemen op al de daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van de exploitant. | 2 | Op grond van het uitvoerbaar verklaard dwangbevel en tot zekerheid van het verhaal van de kosten, heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de exploitant en kan het een wettelijke hypotheek nemen op al de daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van de exploitant. |
| 3 | Dit voorrecht neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851 en in artikel 23 van boek II van het Wetboek van koophandel. | 3 | Dit voorrecht neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851 en in artikel 23 vanhet Wetboek van bepaalde voorrechten op zeeschepen en diverse bepalingen. |
| 4 | De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitvoerbaar verklaarde en betekende dwangbevel. | 4 | De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitvoerbaar verklaarde en betekende dwangbevel. |
| 5 | De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de bevoegde instantie. De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en dat melding maakt van de betekening ervan. | 5 | De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de bevoegde instantie. De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en dat melding maakt van de betekening ervan. |
| 6 | Artikel 447, tweede lid, van boek III van het Wetboek van koophandel met betrekking tot het faillissement, de bankbreuk en het uitstel van betaling, is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de kosten van de maatregelen. | 6 | Artikel XX.113, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de kosten van de maatregelen. |
| 7 | De Vlaamse Regering kan andere vormen van financiële zekerheid aanvaarden. | 7 | De Vlaamse Regering kan andere vormen van financiële zekerheid aanvaarden. |
| 6 | Een beroep tegen een dwangbevel kan alleen worden ingesteld met betrekking tot geschillen die in verband met de tenuitvoerlegging van het dwangbevel rijzen. Die geschillen worden voor de beslagrechter gebracht. | 6 | Een beroep tegen een dwangbevel kan alleen worden ingesteld met betrekking tot geschillen die in verband met de tenuitvoerlegging van het dwangbevel rijzen. Die geschillen worden voor de beslagrechter gebracht. |
| 7 | § 3. Op grond van het uitvoerbaar verklaard dwangbevel en tot zekerheid van voldoening van de bedragen en kosten, vermeld in artikel 16.5.1, hebben het Vlaamse Gewest en de OVAM een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de schuldenaar en kunnen ze een wettelijke hypotheek nemen als daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van de schuldenaar. | 7 | § 3. Op grond van het uitvoerbaar verklaard dwangbevel en tot zekerheid van voldoening van de bedragen en kosten, vermeld in artikel 16.5.1, hebben het Vlaamse Gewest en de OVAM een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de schuldenaar en kunnen ze een wettelijke hypotheek nemen als daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van de schuldenaar. |
| 8 | Het voorrecht vermeld in § 1 neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851 en in artikel 23 van boek II van het Wetboek van Koophandel. | 8 | Het voorrecht vermeld in § 1 neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851 en in artikel 23 van het Wetboek van bepaalde voorrechten op zeeschepen en diverse bepalingen. |
| 9 | De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitvoerbaar verklaarde en betekende dwangbevel. | 9 | De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitvoerbaar verklaarde en betekende dwangbevel. |
| 10 | De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar, vermeld in § 1. De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en dat melding maakt van de betekening ervan. | 10 | De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar, vermeld in § 1. De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en dat melding maakt van de betekening ervan. |
| 11 | Artikel 17 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de opgelegde bestuurlijke geldboeten en, in voorkomend geval, de bijbehorende expertisekosten en de opgelegde voordeelontnemingen waarvoor een dwangbevel werd uitgevaardigd en waarvan betekening aan de schuldenaar is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring. | 11 | Artikel XX.113, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de opgelegde bestuurlijke geldboeten en, in voorkomend geval, de bijbehorende expertisekosten en de opgelegde voordeelontnemingen waarvoor een dwangbevel werd uitgevaardigd en waarvan betekening aan de schuldenaar is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring. |
| 1 | § 1. Een Vlaamse Landmaatschappij, afgekort: "VLM" en hierna het agentschap te noemen, wordt opgericht als een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap als vermeld in artikel III.7 van het Bestuursdecreet. | 1 | § 1. Een Vlaamse Landmaatschappij, afgekort: "VLM" en hierna het agentschap te noemen, is opgericht als een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap als vermeld in artikel III.7 van het Bestuursdecreet. |
| 2 | Op alle akten, facturen, aankondigingen, bekendmakingen, brieven, orders, websites en andere stukken, al dan niet in elektronische vorm, uitgaande van het agentschap, dient de benaming “Vlaamse Landmaatschappij” of de afkorting “VLM” steeds te worden voorafgegaan of gevolgd door de vermelding “publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht” of “EVA in de vorm van een NV van publiek recht”. | ||
| 2 | § 2. Het agentschap zal, zonder zijn burgerlijk karakter te verliezen, in de vorm van een naamloze vennootschap worden opgericht. | 3 | § 2. Het agentschap is opgericht in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht. |
| 3 | Het agentschap heeft rechtspersoonlijkheid. De rechtspositie van het agentschap wordt geregeld in die volgorde door het Bestuursdecreet, dit decreet en door zijn statuten. Zonder aan het voorafgaande afbreuk te doen, zijn de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen met betrekking tot de naamloze vennootschap op het agentschap toepasselijk voor alles wat niet door het Bestuursdecreet, dit decreet, de wetten en decreten die voor de Vlaamse Gemeenschap en de eronder ressorterende instellingen een regeling inzake begroting, boekhouding, organisatie van de controle, en controle op subsidies invoeren, en door de statuten van het agentschap is bepaald en slechts in die mate dat het Wetboek van vennootschappen niet in strijd is met deze bepalingen. | 4 | Het agentschap heeft rechtspersoonlijkheid. De rechtspositie van het agentschap wordt geregeld in die volgorde door het Bestuursdecreet, dit decreet en door zijn statuten. Zonder aan het voorafgaande afbreuk te doen, zijn de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen met betrekking tot de naamloze vennootschap op het agentschap toepasselijk voor alles wat niet door het Bestuursdecreet, dit decreet, de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, en door de statuten van het agentschap is bepaald en slechts in die mate dat het Wetboek van vennootschappen en verenigingen niet in strijd is met deze bepalingen. |
| 4 | De bepalingen van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord en de faillissementswet van 8 augustus 1997 zijn evenwel niet op het agentschap toepasselijk, evenmin als de rechtsregels die betrekking hebben op een toestand van algemene samenloop van schuldeisers en de rechtsregels in het Wetboek van vennootschappen die verplichten de rechtsvorm uitdrukkelijk te vermelden in alle stukken die uitgaan van het agentschap. | 5 | De bepalingen van Boek XX van het Wetboek van economisch recht zijn evenwel niet op het agentschap toepasselijk, evenmin als de rechtsregels die betrekking hebben op een toestand van algemene samenloop van schuldeisers. |
| 5 | Het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten, gelegen in het Vlaamse Gewest kunnen inschrijven op het kapitaal van de Maatschappij door ondeelbare aandelen in geld. | 6 | Het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten, gelegen in het Vlaamse Gewest kunnen inschrijven op het kapitaal van de Maatschappij door ondeelbare aandelen in geld. |
| 6 | Alle aandelen zijn en blijven op naam. | 7 | Alle aandelen zijn en blijven op naam. Eén aandeel geeft recht op één stem. |
| 7 | Het rechtstreekse belang van het Vlaamse Gewest als aandeelhouder in het maatschappelijk kapitaal van het agentschap moet in totaal steeds meer dan 50 % bedragen. De aandelen waarop het Vlaamse Gewest inschrijft en die waarop het later mocht inschrijven, zijn onvervreemdbaar, met uitzondering van het gedeelte van de aandelen dat vier vijfde van het totale kapitaal overschrijdt. | 8 | Het rechtstreekse belang van het Vlaamse Gewest als aandeelhouder in het maatschappelijk kapitaal van het agentschap moet in totaal steeds meer dan 50 % bedragen. De aandelen waarop het Vlaamse Gewest inschrijft en die waarop het later mocht inschrijven, zijn onvervreemdbaar, met uitzondering van het gedeelte van de aandelen dat vier vijfde van het totale kapitaal overschrijdt. |
| 8 | De aandelen waarop de provincies en de gemeenten inschrijven, kunnen, zelfs als ze slechts ten bedrage van 25 % werden afbetaald, alleen afgestaan worden aan provincies en gemeenten en na machtiging van de raad van bestuur van het agentschap en van de Vlaamse regering. | 9 | De aandelen waarop de provincies en de gemeenten inschrijven, kunnen, zelfs als ze slechts ten bedrage van 25 % werden afbetaald, alleen afgestaan worden aan provincies en gemeenten en na machtiging van de raad van bestuur van het agentschap en van de Vlaamse regering. Een overdracht in strijd met deze bepalingen, kan aan de vennootschap of derden niet worden tegengeworpen, ongeacht de goede of kwade trouw van de overnemer. |
| 9 | Het maatschappelijk kapitaal kan bij beslissing van de algemene vergadering worden verhoogd door inschrijvingen van ondeelbare aandelen in geld. Alleen het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten, gelegen in het Vlaamse Gewest, mogen op deze kapitaalsverhoging inschrijven. In geen geval kan een kapitaalsverhoging ertoe leiden dat het Vlaamse Gewest als aandeelhouder niet langer, rechtstreeks, meer dan 50 % van het kapitaal van het agentschap bezit. | 10 | Het maatschappelijk kapitaal kan bij beslissing van de algemene vergadering worden verhoogd door inschrijvingen van ondeelbare aandelen in geld. Alleen het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten, gelegen in het Vlaamse Gewest, mogen op deze kapitaalsverhoging inschrijven. In geen geval kan een kapitaalsverhoging ertoe leiden dat het Vlaamse Gewest als aandeelhouder niet langer, rechtstreeks, meer dan 50 % van het kapitaal van het agentschap bezit. |
| 10 | Elke nieuwe inschrijving moet telkens vastgesteld worden door een authentieke akte, die gepaard gaat met een storting in speciën van ten minste één vierde op ieder aandeel. | 11 | Elke nieuwe inschrijving moet telkens vastgesteld worden door een authentieke akte, die gepaard gaat met een storting in speciën van ten minste één vierde op ieder aandeel. |
| 1 | De administratieve overheden stellen aan de VLM op eenvoudig verzoek of uit eigen beweging alle informatie, met inbegrip van persoonsgegevens, ter beschikking die nodig is voor de uitoefening van de volgende taken waarmee de VLM is belast: | 1 | De administratieve overheden stellen aan de VLM op eenvoudig verzoek of uit eigen beweging alle informatie, met inbegrip van persoonsgegevens, ter beschikking die nodig is voor de uitoefening van de volgende taken waarmee de VLM is belast: |
| 2 | 1° ter uitvoering van het decreet van 27 maart 2009 houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut: de berekening van de gebruikerscompensatie; | 2 | 1° ter uitvoering van het decreet van 27 maart 2009 houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut: de berekening van de gebruikerscompensatie; |
| 3 | 2° ter uitvoering van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid: de uitoefening van de aankoopplicht en de vergoedingsplicht; | 3 | 2° ter uitvoering van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018: de uitoefening van de aankoopplicht en de vergoedingsplicht; |
| 4 | 3° ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu: | 4 | 3° ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu: |
| 5 | a) de opmaak van rapporten, plannen en lijsten in het kader van natuurinrichting en de berekening van vergoedingen in het kader van natuurinrichting; | 5 | a) de opmaak van rapporten, plannen en lijsten in het kader van natuurinrichting en de berekening van vergoedingen in het kader van natuurinrichting; |
| 4 | 3° de gedelegeerd bestuurder van het agentschap, belast met het dagelijks bestuur; | 4 | 3° de gedelegeerd bestuurder van het agentschap, belast met het dagelijks bestuur; |
| 5 | 4° de algemeen directeur die de gedelegeerd bestuurder van het agentschap bijstaat bij de uitoefening van het dagelijks bestuur. | 5 | 4° de algemeen directeur die de gedelegeerd bestuurder van het agentschap bijstaat bij de uitoefening van het dagelijks bestuur. |
| 6 | Onverminderd de bepalingen van het Bestuursdecreet, dit decreet, de wetten en decreten die voor de Vlaamse Gemeenschap en de eronder ressorterende instellingen een regeling inzake begroting, boekhouding, organisatie van de controle, en controle op subsidies invoeren en van de statuten, wordt de werking van deze organenaanvullend door het Wetboek van vennootschappen geregeld. | 6 | Onverminderd de bepalingen van het Bestuursdecreet, dit decreet, de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 en van de statuten, wordt de werking van de organen, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 4°, aanvullend door het Wetboek van vennootschappen en verenigingen geregeld. |
| 1 | § 1. Onverminderd artikel III.8 van het Bestuursdecreet wordt het agentschap bestuurd door een raad van bestuur . De gedelegeerd bestuurder van het agentschap en de algemeen directeur wonen de vergadering van de raad van bestuur bij met raadgevende stem . | 1 | § 1. Met behoud van artikel III.8 van het Bestuursdecreet wordt het agentschap bestuurd door een raad van bestuur in de zin van artikel 7:85 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. De gedelegeerd bestuurder, de algemeen directeur en de regeringscommissarissen of hun plaatsvervangers wonen de raad van bestuur met raadgevende stem bij. |
| 2 | De raad van bestuur is, voor het bestuur van het agentschap, met de meest uitvoerige macht bekleed. Zo regelt hij onder meer wat volgt : | ||
| 2 | De raad van bestuur is bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van het voorwerp van het agentschap, behalve die waarvoor volgens de wet of het decreet de algemene vergadering of een ander orgaan van het agentschap uitsluitend bevoegd is. Zo regelt hij onder meer wat volgt : | ||
| 3 | 1° ... | 3 | 1° ... |
| 4 | 2° hij beslist over de leningen, geeft de waarborgen voor de verplichtingen die door het agentschap worden aangegaan en aanvaardt de aangeboden waarborg voor de tegenover hem genomen verbintenissen; | 4 | 2° hij beslist over de leningen, geeft de waarborgen voor de verplichtingen die door het agentschap worden aangegaan en aanvaardt de aangeboden waarborg voor de tegenover hem genomen verbintenissen; |
| 11 | 9° hij behandelt alle zaken die met de belangen van het agentschap verband houden, en treft daaromtrent dadingen en compromissen; | 11 | 9° hij behandelt alle zaken die met de belangen van het agentschap verband houden, en treft daaromtrent dadingen en compromissen; |
| 12 | 10° hij geeft machtiging tot het aangaan van alle rechtsvorderingen; | 12 | 10° hij geeft machtiging tot het aangaan van alle rechtsvorderingen; |
| 13 | 11° hij ziet af van alle zakelijke rechten, voorrechten en eisen tot ontbinding en verleent machtiging tot de opheffing van alle bevoorrechte of hypothecaire inschrijvingen, overschrijvingen, inbeslagname, verzet en alle andere verhindering, zonder de uitputting van de maatschappelijke schuldvorderingen of betalingen te hoeven rechtvaardigen. Hij mag dienaangaande zijn bevoegdheden overdragen aan de gedelegeerd bestuurder van het agentschap of aan een door deze laatste -aangewezen ambtenaar; | 13 | 11° hij ziet af van alle zakelijke rechten, voorrechten en eisen tot ontbinding en verleent machtiging tot de opheffing van alle bevoorrechte of hypothecaire inschrijvingen, overschrijvingen, inbeslagname, verzet en alle andere verhindering, zonder de uitputting van de maatschappelijke schuldvorderingen of betalingen te hoeven rechtvaardigen. Hij mag dienaangaande zijn bevoegdheden overdragen aan de gedelegeerd bestuurder van het agentschap of aan een door deze laatste -aangewezen personeelslid; |
| 14 | 12° hij wijst de secretaris aan van elke coördinatiecommissie, van elk ruilverkavelingscomité en van elk ander orgaan, belast met de ruilverkaveling van landeigendommen en de landinrichting, en hij verstrekt, binnen de perken van de beschikbare gelden van het agentschap, voor elk voornoemd orgaan de nodige kredieten voor de uitvoering van de werken en voor alle andere nodige uitgaven voor de uitvoering ervan; | 14 | 12° hij wijst de secretaris aan van elke coördinatiecommissie, van elk ruilverkavelingscomité en van elk ander orgaan, belast met de ruilverkaveling van landeigendommen en de landinrichting, en hij verstrekt, binnen de perken van de beschikbare gelden van het agentschap, voor elk voornoemd orgaan de nodige kredieten voor de uitvoering van de werken en voor alle andere nodige uitgaven voor de uitvoering ervan; |
| 15 | 13° hij wijst de secretaris aan van elk projectcomité en elke projectcommissie, opgericht voor elk natuurinrichtingsproject; | 15 | 13° hij wijst de secretaris aan van elk projectcomité en elke projectcommissie, opgericht voor elk natuurinrichtingsproject; |
| 16 | 14° binnen de perken van de wet, het decreet of het reglement, beschikt hij over de fondsen die zich in bewaring, of op rekening-courant bevinden. | 16 | 14° binnen de perken van de wet, het decreet of het reglement, beschikt hij over de fondsen die zich in bewaring, of op rekening-courant bevinden. |
| 17 | § 2. De raad van bestuur kan de volgende bevoegdheden in geen geval delegeren : | 17 | § 2. De raad van bestuur kan de volgende bevoegdheden in geen geval delegeren : |
| 18 | 1° ...; | ||
| 18 | 1° bevoegdheden die bij wet of decreet uitdrukkelijk aan de raad van bestuur zijn voorbehouden; | ||
| 19 | 2° het vaststellen van het ondernemingsplan overeenkomstig artikel III.61, § 1, tweede lid, van het Bestuursdecreet; | 19 | 2° het vaststellen van het ondernemingsplan overeenkomstig artikel III.61, § 1, tweede lid, van het Bestuursdecreet; |
| 20 | 3° het vaststellen van het jaarrapport over de uitvoering van het ondernemingsplan overeenkomstig artikel III.62 van het Bestuursdecreet; | 20 | 3° het vaststellen van het jaarrapport over de uitvoering van het ondernemingsplan overeenkomstig artikel III.62 van het Bestuursdecreet; |
| 24 | 7° de rapportering over de uitvoering van de begroting; | 24 | 7° de rapportering over de uitvoering van de begroting; |
| 25 | 8° de opmaak van de verantwoordende ramingsstaten en de memorie van toelichting. | 25 | 8° de opmaak van de verantwoordende ramingsstaten en de memorie van toelichting. |
| 26 | § 3. De raad van bestuur mag, onder zijn verantwoordelijkheid, een gedeelte van de bevoegdheden waarmee hij bekleed is, overdragen aan één of meer van zijn leden of aan de gedelegeerd bestuurder, met uitzondering van de bevoegdheden, bedoeld in § 2. | 26 | § 3. De raad van bestuur mag, onder zijn verantwoordelijkheid, een gedeelte van de bevoegdheden waarmee hij bekleed is, overdragen aan één of meer van zijn leden of aan de gedelegeerd bestuurder, met uitzondering van de bevoegdheden, bedoeld in § 2. Zulke delegatie laat de eigen beslissingsbevoegdheid van de raad van bestuur onverlet. Zij kan te allen tijde worden herroepen. |
| 27 | De gedelegeerd bestuurder kan, mits de raad van bestuur goedkeuring verleent, bepaalde van deze bevoegdheden overdragen aan de door hem aangewezen ambtenaren van het agentschap, met uitzondering van de bevoegdheden, bedoeld in § 2. Deze delegatie geldt ad nutum. | 27 | De gedelegeerd bestuurder kan, mits de raad van bestuur goedkeuring verleent, bepaalde van deze bevoegdheden overdragen aan de door hem aangewezen personeelsleden van het agentschap, met uitzondering van de bevoegdheden, bedoeld in § 2. Deze delegatie geldt ad nutum. |
| 28 | § 4. De raad van bestuur kan in zijn midden een bestuurscomité instellen dat belast is met de beslissingen over de verwerving van het eigendoms- of gebruiksrecht van eigendommen ter uitvoering van de missie en taken, bedoeld in artikelen 5, 6 en 6bis, die aan het agentschap zijn opgedragen. | 28 | § 4. De raad van bestuur kan in zijn midden en onder zijn verantwoordelijkheid een bestuurscomité instellen dat belast is met de beslissingen over de verwerving van het eigendoms- of gebruiksrecht van eigendommen ter uitvoering van de missie en taken, bedoeld in artikelen 5, 6 en 6bis, die aan het agentschap zijn opgedragen. |
| 29 | De statuten van het agentschap bepalen de nadere regels inzake werking en samenstelling van het bestuurscomité. | 29 | De statuten van het agentschap bepalen de nadere regels inzake werking en samenstelling van het bestuurscomité. |
| 1 | § 1. De raad van bestuur bestaat uit minimum 13 en maximum 17 leden, waaronder een voorzitter en een vice-voorzitter. De Vlaamse regering bepaalt het aantal leden, benoemt en ontslaat de voorzitter, de vice-voorzitter en de overige leden van de raad. Zij bepaalt tevens de werking van de raad. | 1 | § 1. De raad van bestuur bestaat uit maximum 17 leden, waaronder een voorzitter en een vice-voorzitter. De Vlaamse regering bepaalt het aantal leden, benoemt en ontslaat de voorzitter, de vice-voorzitter en de overige leden van de raad. Zij bepaalt tevens de werking van de raad. |
| 2 | Alleen de bestuurders die beschikken over de voor het agentschap relevante deskundigheid en ervaring ten aanzien van de missie, de taken en bevoegdheden, bedoeld in artikelen 5, 6, 6bis en 10, van het agentschap, kunnen tot lid van de raad van bestuur van het agentschap worden aangesteld. | ||
| 2 | Alle bestuurders van het agentschap worden benoemd op grond van hun complementaire deskundigheid inzake het algemeen bestuur van het agentschap, hun specifieke deskundigheid inzake de inhoudelijke materie en het beleidsveld waarin het agentschap actief is. | ||
| 3 | § 2. Onder de leden van de raad van bestuur van het agentschap worden zoveel bestuurders benoemd als er provincies vertegenwoordigd zijn in de vergadering van aandeelhouders, op basis van een door deze provincies voorgedragen dubbele lijst waarbij elke provincie een mannelijke en een vrouwelijke kandidaat voordraagt. | 3 | § 2. Onder de leden van de raad van bestuur van het agentschap worden zoveel bestuurders benoemd als er provincies vertegenwoordigd zijn in de vergadering van aandeelhouders, op basis van een door deze provincies voorgedragen dubbele lijst waarbij elke provincie een mannelijke en een vrouwelijke kandidaat voordraagt. |
| 4 | Een aantal onafhankelijke bestuurders wordt benoemd overeenkomstig artikel III.40 tot en met III.43 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. In afwijking van §1, eerste lid, kan de Vlaamse Regering de onafhankelijke bestuurders slechts in geval van ernstige redenen ontslaan en dit op voordracht van de raad van bestuur, overeenkomstig artikel III.43, eerste lid, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. | ||
| 5 | De overige bestuurders, andere dan deze vermeld in het eerste en tweede lid, worden benoemd op voordracht van de Vlaamse Regering. | ||
| 4 | § 3. Voor zover dit niet is geregeld in het besluit van de Vlaamse regering, bedoeld in § 1, bepalen de statuten van het agentschap de nadere regels inzake het statuut en de werking van de raad van bestuur. | 6 | § 3. Voor zover dit niet is geregeld in het besluit van de Vlaamse regering, bedoeld in § 1, bepalen de statuten van het agentschap de nadere regels inzake het statuut en de werking van de raad van bestuur. |
| 5 | 2° de gedelegeerd bestuurder woont de vergaderingen van de raad van bestuur bij en vervult er het ambt van verslaggever. De gedelegeerd bestuurder heeft er raadgevende stem; | 5 | 2° de gedelegeerd bestuurder woont de vergaderingen van de raad van bestuur bij en vervult er het ambt van verslaggever. De gedelegeerd bestuurder heeft er raadgevende stem; |
| 6 | 3° de gedelegeerd bestuurder is belast met de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur en de algemene vergadering; | 6 | 3° de gedelegeerd bestuurder is belast met de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur en de algemene vergadering; |
| 7 | 4° het dagelijks bestuur van maatschappelijke zaken wordt toevertrouwd aan de gedelegeerd bestuurder mits die hierover verslag uitbrengt aan de raad van bestuur. De gedelegeerd bestuurder mag onder zijn verantwoordelijkheid zekere bevoegdheden betreffende dat dagelijks bestuur aan de door hem aangewezen ambtenaren van het agentschap overdragen; | 7 | 4° het dagelijks bestuur van maatschappelijke zaken wordt toevertrouwd aan de gedelegeerd bestuurder mits die hierover verslag uitbrengt aan de raad van bestuur. De gedelegeerd bestuurder mag onder zijn verantwoordelijkheid zekere bevoegdheden betreffende dat dagelijks bestuur aan de door hem aangewezen personeelsleden van het agentschap overdragen; |
| 8 | 5° de gedelegeerd bestuurder vertegenwoordigt het agentschap ten overstaan van derden in de verrichtingen die op dit dagelijks bestuur betrekking hebben en hij ondertekent de overeenkomsten die door het agentschap worden aangegaan. De gedelegeerd bestuurder levert afschriften en uittreksels uit de verslagen van de raad van bestuur en de algemene vergadering af. De gedelegeerd bestuurder mag onder zijn verantwoordelijkheid deze bevoegdheden aan de door hem aangewezen ambtenaren van het agentschap overdragen; | 8 | 5° de gedelegeerd bestuurder vertegenwoordigt het agentschap ten overstaan van derden in de verrichtingen die op dit dagelijks bestuur betrekking hebben en hij ondertekent de overeenkomsten die door het agentschap worden aangegaan. De gedelegeerd bestuurder levert afschriften en uittreksels uit de verslagen van de raad van bestuur en de algemene vergadering af. De gedelegeerd bestuurder mag onder zijn verantwoordelijkheid deze bevoegdheden aan de door hem aangewezen personeelsleden van het agentschap overdragen; |
| 9 | 6° de rechtsvorderingen worden op verzoek van de gedelegeerd bestuurder ingesteld; | 9 | 6° de rechtsvorderingen worden op verzoek van de gedelegeerd bestuurder ingesteld; |
| 10 | 7° de gedelegeerd bestuurder wijst de ambtenaren aan die hij belast met het ondertekenen, in naam van het agentschap, van de ruilverkavelingsakten, de aanvullende akten van ruilverkaveling en de natuurinrichtingsakten; | 10 | 7° de gedelegeerd bestuurder wijst de personeelsleden aan die hij belast met het ondertekenen, in naam van het agentschap, van de ruilverkavelingsakten, de aanvullende akten van ruilverkaveling en de natuurinrichtingsakten; |
| 11 | 8° de gedelegeerd bestuurder geeft handlichting van alle bevoorrechte en hypothecaire inschrijvingen, als de kwijtschelding van de schuld uit de akte blijkt. De gedelegeerd bestuurder mag zijn bevoegdheden terzake overdragen aan de door hem aangewezen ambtenaren; | 11 | 8° de gedelegeerd bestuurder geeft handlichting van alle bevoorrechte en hypothecaire inschrijvingen. De gedelegeerd bestuurder mag zijn bevoegdheden terzake overdragen aan de door hem aangewezen personeelsleden; |
| 12 | 9° de gedelegeerd bestuurder leidt het werk van de personeelsleden van het agentschap en oefent er toezicht op uit; | 12 | 9° de gedelegeerd bestuurder leidt het werk van de personeelsleden van het agentschap en oefent er toezicht op uit; |
| 13 | 10° het agentschap wordt in alle gevallen ten opzichte van derden vertegenwoordigd door de gedelegeerd bestuurder, zonder dat die een bewijs van zijn mandaat of van de door de raad van bestuur of door de algemene vergadering genomen beslissing hoeft voor te leggen. | 13 | 10° het agentschap wordt in alle gevallen ten opzichte van derden vertegenwoordigd door de gedelegeerd bestuurder, zonder dat die een bewijs van zijn mandaat of van de door de raad van bestuur of door de algemene vergadering genomen beslissing hoeft voor te leggen. |
| 1 | § 1. Het agentschap kan beschikken over de volgende ontvangsten : | 1 | § 1. Het agentschap kan beschikken over de volgende ontvangsten : |
| 2 | 1° dotaties; | 2 | 1° toelagen; |
| 3 | 2° leningen; | 3 | 2° leningen; |
| 4 | 3° fiscale heffingen voorzover ze bij decreet toegewezen zijn aan het agentschap; | 4 | 3° fiscale heffingen voorzover ze bij decreet toegewezen zijn aan het agentschap; |
| 1 | Met behoud van de toepassing van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, wordt de controle op de financiële toestand, op de jaarrekening en op de regelmatigheid, ten aanzien van de wetten, decreten en de statuten van de vennootschap, van de in de jaarrekening weergegeven verrichtingen opgedragen aan een commissaris, natuurlijke of rechtspersoon, ingeschreven in het openbaar register van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren. | 1 | Met behoud van de toepassing van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, wordt de controle op de financiële toestand, op de jaarrekening en op de regelmatigheid, ten aanzien van de wetten, decreten en de statuten van de vennootschap, van de in de jaarrekening weergegeven verrichtingen opgedragen aan een commissaris, natuurlijke of rechtspersoon, ingeschreven in het openbaar register van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren. |
| 2 | Met behoud van de toepassing van het decreet, vermeld in het eerste lid, heeft de commissaris de rechten, verplichtingen, taken en bevoegdheden die in het Wetboek van Vennootschappen zijn bepaald. | 2 | Met behoud van de toepassing van het decreet, vermeld in het eerste lid, heeft de commissaris de rechten, verplichtingen, taken en bevoegdheden die in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 zijn bepaald. |
| 3 | Als de publiekrechtelijke aard van de VLM dat vereist, kan de Vlaamse Regering de opdracht en de actiemiddelen van de commissaris uitbreiden. | 3 | Als de publiekrechtelijke aard van de VLM dat vereist, kan de Vlaamse Regering de opdracht en de actiemiddelen van de commissaris uitbreiden. |
| 4 | Met behoud van de toepassing van het decreet, vermeld in het eerste lid, wordt de commissaris benoemd voor een hernieuwbare termijn van drie jaar door de algemene vergadering die ook de bezoldiging van de commissaris bepaalt. Deze bezoldiging is ten laste van de vennootschap. | 4 | De algemene vergadering duidt de commissaris voor een hernieuwbare termijn van drie jaar aan onder de leden van het Instituut der Bedrijfsrevisoren. De algemene vergadering bepaalt de bezoldiging van de commissaris. |
| 5 | Met behoud van de toepassing van andere onverenigbaarheden die op de functie van commissaris toepassing vinden, gelden voor de commissaris dezelfde onverenigbaarheden als voor het mandaat van regeringsafgevaardigde bij het agentschap. Daarenboven is de functie van commissaris onverenigbaar met het mandaat van regeringsafgevaardigde bij het agentschap. | 5 | Zonder afbreuk te doen aan andere onverenigbaarheidsbepalingen, gelden voor de commissaris dezelfde onverenigbaarheden als voor het mandaat van regeringscommissaris bij het agentschap. Daarenboven is de functie van commissaris onverenigbaar met het mandaat van regeringscommissaris bij het agentschap. |
| 6 | De boekhouding van het agentschap wordt gevoerd volgens de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen. Het agentschap voert een economische boekhouding met een analytische component. | 6 | Overeenkomstig artikel 28 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 voert het agentschap een bedrijfseconomische boekhouding met een analytische component conform de regels van het dubbel boekhouden. De boekhouding van het agentschap wordt gevoerd volgens de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen. |
| 1 | Uiterlijk vijf jaar na de ontginning moeten de vergunninghouders de eindafwerking van de percelen realiseren. Als de vergunde oppervlakte in zones wordt ingedeeld en gefaseerd wordt ontgonnen, geldt die verplichting per zone. De verplichting blijft ook gelden nadat de vergunningstermijn verstreken is, of als een vergunning vervallen, ingetrokken of geschorst is. Deze verplichting geldt niet voor niet-ontgonnen zones. | 1 | Voor zover de vergunning geen bepaalde duur vooropstelt voor de eindafwerking van de ontginning, realiseren de vergunninghouders de eindafwerking van de percelen uiterlijk vijf jaar na de beëindiging van de ontginning. Als de vergunde oppervlakte in zones wordt ingedeeld en gefaseerd wordt ontgonnen, geldt die verplichting per zone. De verplichting blijft ook gelden nadat de vergunningstermijn verstreken is, of als een vergunning vervallen, ingetrokken of geschorst is. Deze verplichting geldt niet voor niet-ontgonnen zones. |
| 2 | De vergunninghouder meldt jaarlijks aan het departement de percelen of delen van percelen waarvan de eindafwerking is gerealiseerd. In voorkomend geval maakt de melding deel uit van het ingediend jaarlijks voortgangsrapport of het geactualiseerd basisvoortgangsrapport, vermeld in artikel 24 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 houdende regels tot uitvoering van het oppervlaktedelfstoffendecreet. | 2 | De vergunninghouder meldt jaarlijks aan het departement de percelen of delen van percelen waarvan de eindafwerking is gerealiseerd. In voorkomend geval maakt de melding deel uit van het ingediend jaarlijks voortgangsrapport of het geactualiseerd basisvoortgangsrapport, vermeld in artikel 24 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 houdende regels tot uitvoering van het oppervlaktedelfstoffendecreet. |
| 3 | 2° het recht van voorkoop zoals bepaald in de wet van 12 juli 1976 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken; | 3 | 2° het recht van voorkoop zoals bepaald in de wet van 12 juli 1976 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken; |
| 4 | 3° het recht van voorkoop zoals bepaald in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; | 4 | 3° het recht van voorkoop zoals bepaald in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; |
| 5 | 4° het recht van voorkoop zoals bepaald in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, voor aanbiedingen van goederen die gelegen zijn in overstromingsgebieden en oeverzones die niet samenhangen met de bevaarbare waterlopen; | 5 | 4° het recht van voorkoop zoals bepaald in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, voor aanbiedingen van goederen die gelegen zijn in overstromingsgebieden en oeverzones die niet samenhangen met de bevaarbare waterlopen; |
| 6 | 5° het recht van voorkoop, vermeld in het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, voor aanbiedingen van goederen die gelegen zijn binnen de in het landinrichtingsplan aangeduide zone waar het recht van voorkoop geldt conform het voormelde decreet betreffende de landinrichting; | 6 | 5° het recht van voorkoop, vermeld in het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, voor aanbiedingen van goederen die gelegen zijn binnen de in het landinrichtingsplan aangeduide zone waar het recht van voorkoop geldt conform het voormelde decreet betreffende de landinrichting; |
| 7 | § 2. Onderstaande rechten van voorkoop kunnen uitgeoefend worden door de begunstigden van deze rechten van voorkoop. De Vlaamse Regering kan de Vlaamse Grondenbank de opdracht geven om de beslissing om het voorkooprecht uit te oefenen, uit te voeren. Deze opdracht wordt uitgevoerd in naam en voor rekening van de begunstigde entiteit en volgens de door hen gestelde voorwaarden. In geval van miskenning van deze rechten van voorkoop kan de Vlaamse Grondenbank door de Vlaamse Regering verzocht worden om de indeplaatsstelling of een schadeloosstelling te vorderen, in naam en voor rekening van de begunstigde administratieve overheid van het Vlaamse Gewest : | 7 | § 2. Onderstaande rechten van voorkoop kunnen uitgeoefend worden door de begunstigden van deze rechten van voorkoop. De Vlaamse Regering kan de Vlaamse Grondenbank de opdracht geven om de beslissing om het voorkooprecht uit te oefenen, uit te voeren. Deze opdracht wordt uitgevoerd in naam en voor rekening van de begunstigde entiteit en volgens de door hen gestelde voorwaarden. In geval van miskenning van deze rechten van voorkoop kan de Vlaamse Grondenbank door de Vlaamse Regering verzocht worden om de indeplaatsstelling of een schadeloosstelling te vorderen, in naam en voor rekening van de begunstigde administratieve overheid van het Vlaamse Gewest : |
| 11 | 4° het recht van voorkoop zoals bepaald in het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehaven; | 11 | 4° het recht van voorkoop zoals bepaald in het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehaven; |
| 12 | 5° het recht van voorkoop zoals bepaald in het decreet van 13 december 2002 houdende de oprichting van de naamloze vennootschap van publiek recht Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel; | 12 | 5° het recht van voorkoop zoals bepaald in het decreet van 13 december 2002 houdende de oprichting van de naamloze vennootschap van publiek recht Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel; |
| 13 | 6° het recht van voorkoop zoals bepaald in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, voor aanbiedingen van goederen die gelegen zijn in overstromingsgebieden en oeverzones die samenhangen met de bevaarbare waterlopen; | 13 | 6° het recht van voorkoop zoals bepaald in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, voor aanbiedingen van goederen die gelegen zijn in overstromingsgebieden en oeverzones die samenhangen met de bevaarbare waterlopen; |
| 14 | 7° het recht van voorkoop zoals bepaald in het decreet van 4 mei 1994 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap Waterwegen en Zeekanaal, naamloze vennootschap van publiek recht; | 14 | 7° het recht van voorkoop zoals bepaald in het decreet van 4 mei 1994 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap Waterwegen en Zeekanaal, naamloze vennootschap van publiek recht; |
| 15 | 8° het recht van voorkoop zoals bepaald in het decreet van 2 april 2004 betreffende de omzetting van de Dienst voor de Scheepvaart in het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap De Scheepvaart; | 15 | 8° het recht van voorkoop zoals bepaald in het decreet van 2 april 2004 betreffende de omzetting van de Dienst voor de Scheepvaart in het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap De Scheepvaart; |
| 1 | In dit decreet wordt verstaan onder pesticide : | 1 | In dit decreet wordt verstaan onder pesticide : |
| 2 | a) een gewasbeschermingsmiddel : een gewasbeschermingsmiddel als vermeld in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad; | 2 | a) een gewasbeschermingsmiddel : een gewasbeschermingsmiddel als vermeld in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad; |
| 3 | b) een biocide: een biocide als vermeld in artikel 1, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden. | 3 | b) een biocide: een biocide als vermeld in artikel 2, 2°, van het koninklijk besluit van 4 april 2019 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruiken van biociden. |
| 1 | Dit decreet is enkel van toepassing op het gebruik van pesticiden in de open lucht : | 1 | Dit decreet is enkel van toepassing op het gebruik van pesticiden in de open lucht : |
| 2 | 1° in gebieden die door het brede publiek, door kwetsbare groepen of door particulieren worden gebruikt; | 2 | 1° in gebieden die door het brede publiek, door kwetsbare groepen of door particulieren worden gebruikt; |
| 3 | 2° in de beschermde gebieden als bedoeld in artikel 71 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleiden andere gebieden die ten behoeve van de uitvoering van de noodzakelijke natuurbehoudsmaatregelen zijn aangewezen overeenkomstig de bepalingen van artikel 36bis van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; | 3 | 2° in de beschermde gebieden als bedoeld in artikel 1.7.6.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, en andere gebieden die ten behoeve van de uitvoering van de noodzakelijke natuurbehoudsmaatregelen zijn aangewezen overeenkomstig de bepalingen van artikel 36bis van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; |
| 4 | 3° in gebieden die bescherming vergen voor het aquatisch milieu en het drinkwater. | 4 | 3° in gebieden die bescherming vergen voor het aquatisch milieu en het drinkwater. |
| 5 | Met behoud van de toepassing van dit decreet wordt : | 5 | Met behoud van de toepassing van dit decreet wordt : |
| 6 | 1° het gebruik van pesticiden op en naast de oeverzone geregeld in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid; | 6 | 1° het gebruik van pesticiden op en naast de oeverzone geregeld in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018,; |
| 7 | 2° de bescherming van grondwater tegen de verontreiniging met pesticiden geregeld in het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake grondwaterbeheer en de uitvoeringsbesluiten ervan; | 7 | 2° de bescherming van grondwater tegen de verontreiniging met pesticiden geregeld in het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake grondwaterbeheer en de uitvoeringsbesluiten ervan; |
| 8 | 3° de bescherming van de natuur en het natuurlijk milieu tegen de verontreiniging met pesticiden geregeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en de uitvoeringsbesluiten ervan; | 8 | 3° de bescherming van de natuur en het natuurlijk milieu tegen de verontreiniging met pesticiden geregeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en de uitvoeringsbesluiten ervan; |
| 23 | b) een afgifte tegen ontvangstbewijs; | 23 | b) een afgifte tegen ontvangstbewijs; |
| 24 | c) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze, waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld; | 24 | c) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze, waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld; |
| 25 | 20°/1 bufferzone: de zone, vastgelegd door het werelderfgoedcomité, rond of naast het werelderfgoed; | ||
| 25 | 21° code van goede praktijk : geschreven en publiek toegankelijke regels met betrekking tot de uitvoering van en de rapportering over archeologisch vooronderzoek en archeologische opgravingen en met betrekking tot het gebruik van detectoren en de bij de betrokken beroepscategorieën algemeen aanvaarde regels van goed vakmanschap; | 26 | 21° code van goede praktijk : geschreven en publiek toegankelijke regels met betrekking tot de uitvoering van en de rapportering over archeologisch vooronderzoek en archeologische opgravingen en met betrekking tot het gebruik van detectoren en de bij de betrokken beroepscategorieën algemeen aanvaarde regels van goed vakmanschap; |
| 26 | 21°/1 cultuurgoederen: roerende goederen die omwille van hun erfgoedwaarde van algemeen belang zijn, waarvan het samen voorkomen met het gebouw een bijzondere waarde heeft en die ofwel ontworpen zijn voor of vervaardigd met het beschermd goed ofwel gerelateerd zijn aan de functie van het beschermd goed en waarvoor historische verbondenheid met het beschermd goed aangetoond kan worden. Voor beschermde onroerende goederen in eigendom van privépersonen of -rechtspersonen moeten de cultuurgoederen opgenomen zijn in een beschermingsbesluit of een goedgekeurd beheersplan, of er moet voorheen voor het beheer ervan een premie verleend zijn, opdat ze als cultuurgoederen beschouwd kunnen worden; | 27 | 21°/1 cultuurgoederen: roerende goederen die omwille van hun erfgoedwaarde van algemeen belang zijn, waarvan het samen voorkomen met het gebouw een bijzondere waarde heeft en die ofwel ontworpen zijn voor of vervaardigd met het beschermd goed ofwel gerelateerd zijn aan de functie van het beschermd goed en waarvoor historische verbondenheid met het beschermd goed aangetoond kan worden. Voor beschermde onroerende goederen in eigendom van privépersonen of -rechtspersonen moeten de cultuurgoederen opgenomen zijn in een beschermingsbesluit of een goedgekeurd beheersplan, of er moet voorheen voor het beheer ervan een premie verleend zijn, opdat ze als cultuurgoederen beschouwd kunnen worden; |
| 58 | 45° stads- of dorpsgezicht : een geheel van een of meer monumenten of onroerende goederen met omgevende bestanddelen zoals beplantingen, omheiningen, waterlopen, bruggen, wegen, straten en pleinen, van algemeen belang wegens de erfgoedwaarde; | 59 | 45° stads- of dorpsgezicht : een geheel van een of meer monumenten of onroerende goederen met omgevende bestanddelen zoals beplantingen, omheiningen, waterlopen, bruggen, wegen, straten en pleinen, van algemeen belang wegens de erfgoedwaarde; |
| 59 | 46° VCRO : Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; | 60 | 46° VCRO : Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; |
| 61 | 46°/1 werelderfgoed: een onroerend goed dat is ingeschreven op de Lijst van het Werelderfgoed, conform artikel 11 van de overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld, opgemaakt in Parijs op 16 november 1972; | ||
| 60 | 47° zakelijkrechthouder : de eigenaar, blote eigenaar, erfpachthouder, opstalhouder of leasinggever. | 62 | 47° zakelijkrechthouder : de eigenaar, blote eigenaar, erfpachthouder, opstalhouder of leasinggever. |
| 1 | §1. Bepaalde handelingen aan of in werelderfgoederen of onroerende goederen geheel of gedeeltelijk in de bufferzone ervan waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, kunnen niet worden aangevat zonder een voorafgaande toelating van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het werelderfgoed of het onroerend goed in de bufferzone ervan ligt tenzij zij zijn vrijgesteld in een beheersplan dat overeenkomstig artikel 8.1.1 is goedgekeurd. | ||
| 2 | Het college van burgemeester en schepenen gaat in voorkomend geval na of de aangevraagde handelingen rekening houden met de uitzonderlijke universele waarde van het werelderfgoed in kwestie. | ||
| 3 | De Vlaamse Regering bepaalt de toelatingsplichtige handelingen en de nadere regels voor het aanvragen en afleveren van de toelating. | ||
| 4 | §2. Als voor de in paragraaf 1 vermelde toelatingsplichtige handelingen aan of in werelderfgoederen of onroerende goederen in de bufferzone ervan ook een omgevingsvergunning, een vergunning, een toelating, een machtiging, een ontheffing of een afwijking is vereist overeenkomstig het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, gaat de vergunningverlenende overheid na of de aangevraagde handelingen rekening houden met de uitzonderlijke universele waarde van het werelderfgoed in kwestie. | ||
| 5 | De Vlaamse Regering kan de nadere regels over de betrokkenheid van de gemeente als die niet de vergunningverlenende overheid, vermeld in het eerste lid, is, bepalen. | ||
| 6 | §3. Als voor handelingen aan of in werelderfgoederen of onroerende goederen in de bufferzone ervan ook een toelatings- of meldingsplicht als vermeld in artikel 6.4.4, §1, of een adviesplicht als vermeld in artikel 6.4.4, §2 en §3, geldt omwille van een bescherming als monument, cultuurhistorisch landschap, archeologische site of stads- en dorpsgezicht, gelden voor wat betreft de afbakening van het beschermde goed voor die handelingen alleen de toelatings- of meldingsplichten of de adviesplicht die voortvloeien uit de bescherming. | ||
| 7 | Als voor de in paragraaf 1 vermelde toelatingsplichtige handelingen aan of in werelderfgoederen of onroerende goederen in de bufferzone ervan die niet beschermd zijn, ook een toelatingsplicht als vermeld in artikel 4.1.1, derde lid, geldt omwille van een opname van het goed in een vastgestelde inventaris, gelden voor wat betreft de afbakening van het vastgestelde goed voor die handelingen alleen de toelatingsplichten die voortvloeien uit de vaststelling. |
| 1 | Het jachtrecht blijft ter plaatse en gaat bij herverkaveling niet over op het nieuwe perceel. De nieuwe eigenaar van een perceel treedt in de rechten en verplichtingen van de oude eigenaar. | 1 | Het jachtrecht blijft ter plaatse en gaat bij herverkaveling niet over op het nieuwe perceel. De nieuwe eigenaar van een perceel treedt in de rechten en verplichtingen van de oude eigenaar. |
| 2 | Als het jachtrecht door de eigenaar zelf werd uitgeoefend en als die per beveiligde zending aan de landcommissie de wens heeft geuit om verder op het perceel te blijven jagen, worden de voorwaarden van de jacht vastgesteld als vermeld in artikel 2.1.32 betreffende de wijzingen aan de pacht, zonder dat de duur van de jachtovereenkomst langer dan negen jaar kan zijn. | 2 | Als het jachtrecht door de eigenaar zelf werd uitgeoefend en als die per beveiligde zending aan de landcommissie de wens heeft geuit om verder op het perceel te blijven jagen, worden de voorwaarden van de jacht vastgesteld als vermeld in artikel 2.1.32 betreffende de wijzingen aan de pacht, zonder dat de duur van de jachtovereenkomst langer dan negen jaar kan zijn. |
| 3 | De duur van de jachtovereenkomsten die gesloten zijn vanaf de vaststelling van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota, wordt van rechtswege beperkt tot de overschrijving van de herverkavelingsakte op het hypotheekkantoor. | 3 | De duur van de jachtovereenkomsten die gesloten zijn vanaf de vaststelling van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota, wordt van rechtswege beperkt tot de overschrijving van de herverkavelingsakte op het bevoegd kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie. |
| 1 | §1. De gemeenteraad kan administratieve geldboeten bepalen voor de inbreuken op zijn reglementen die in toepassing van huidig decreet werden vastgesteld. Deze administratieve geldboete komt voor rekening van de overtreder. | 1 | §1. De gemeenteraad kan administratieve geldboeten bepalen voor de inbreuken op zijn reglementen die in toepassing van huidig decreet werden vastgesteld. Deze administratieve geldboete komt voor rekening van de overtreder. |
| 2 | Het bedrag van de administratieve geldboete, vermeld in het eerste lid, bedraagt minimaal 15 euro en maximaal 60 euro. Het voormelde bedrag wordt vermeerderd met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten. | 2 | Het bedrag van de administratieve geldboete, vermeld in het eerste lid, bedraagt minimaal 15 euro en maximaal 60 euro. Het voormelde bedrag wordt vermeerderd met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten. |
| 3 | §2. De administratieve geldboete, vermeld in paragraaf 1, wordt opgelegd door de beboetingsambtenaar. | 3 | §2. De administratieve geldboete, vermeld in paragraaf 1, wordt opgelegd door de beboetingsambtenaar. |
| 4 | De beboetingsambtenaar, vermeld in het eerste lid, wordt door de gemeenteraad aangewezen en kan niet tegelijkertijd de persoon zijn die, met toepassing van artikel 8, de inbreuken vaststelt. | 4 | De beboetingsambtenaar, vermeld in het eerste lid, wordt door de gemeenteraad aangewezen en kan niet tegelijkertijd de persoon zijn die, met toepassing van artikel 8, de inbreuken vaststelt. |
| 5 | §3. Binnen de vijftien dagen na ontvangst van het verslag van vaststelling bedoeld in artikel 8/1, §3, tweede lid, deelt de beboetingsambtenaar met een beveiligde zending aan de overtreder de gegevens over de vastgestelde feiten en de begane inbreuk mee, alsook het bedrag van de administratieve geldboete. | 5 | §3. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verslag van vaststelling, vermeld in artikel 8/1, §3, tweede lid, deelt de beboetingsambtenaar met een beveiligde zending of met een gewone brief aan de overtreder de gegevens mee van de vastgestelde feiten en de begane inbreuk, alsook het bedrag van de administratieve geldboete. |
| 6 | De administratieve geldboete moet betaald worden binnen dertig dagen na de kennisgeving ervan, tenzij de overtreder binnen deze termijn schriftelijk met een beveiligde zending zijn verweermiddelenin voorkomend geval met inbegrip van de bewijsstukken heeft bezorgd aan de beboetingsambtenaar. | 6 | De administratieve geldboete moet betaald worden binnen dertig dagen na de kennisgeving ervan, tenzij de overtreder binnen die termijn schriftelijk met een beveiligde zending zijn verweermiddelen, in voorkomend geval met inbegrip van de bewijsstukken heeft bezorgd aan de beboetingsambtenaar. |
| 7 | §4. Als de titularis van de nummerplaat in zijn verweermiddelen het vermoeden, vermeld in artikel 8/1, §1, heeft weerlegd en de beboetingsambtenaar de verweermiddelen ontvankelijk en gegrond verklaart, brengt hij de titularis van de nummerplaat op de hoogte van zijn beslissing. | 7 | §4. Als de titularis van de nummerplaat in zijn verweermiddelen het vermoeden, vermeld in artikel 8/1, §1, heeft weerlegd en de beboetingsambtenaar de verweermiddelen ontvankelijk en gegrond verklaart, brengt hij de titularis van de nummerplaat op de hoogte van zijn beslissing. |
| 8 | Als de titularis van de nummerplaat conform artikel 8/1, §2, de identiteit van de bestuurder kenbaar heeft gemaakt, deelt de beboetingsambtenaar met een beveiligde zending, binnen vijftien dagen na de gegrondverklaring van de verweermiddelen, vermeld in het eerste lid, aan de aangewezen overtreder de gegevens over de vastgestelde feiten en de begane inbreuk mee, alsook het bedrag van de administratieve geldboete. De administratieve geldboete wordt binnen dertig dagen na de kennisgeving ervan betaald, tenzij de aangewezen overtreder binnen die termijn schriftelijk met een beveiligde zending zijn verweermiddelen, in voorkomend geval met inbegrip van de bewijsstukken, heeft bezorgd aan de beboetingsambtenaar. | 8 | Als de titularis van de nummerplaat conform artikel 8/1, §2, de identiteit van de bestuurder kenbaar heeft gemaakt, deelt de beboetingsambtenaar met een beveiligde zending of met een gewone brief binnen vijftien dagen na de gegrondverklaring van de verweermiddelen, vermeld in het eerste lid, aan de aangewezen overtreder de gegevens van de vastgestelde feiten en de begane inbreuk mee, alsook het bedrag van de administratieve geldboete. De administratieve geldboete wordt binnen dertig dagen na de kennisgeving ervan betaald, tenzij de aangewezen overtreder binnen die termijn schriftelijk met een beveiligde zending zijn verweermiddelen, in voorkomend geval met inbegrip van de bewijsstukken, heeft bezorgd aan de beboetingsambtenaar. |
| 9 | Als de beboetingsambtenaar de verweermiddelen niet ontvankelijk of niet gegrond verklaart, brengt hij de overtreder met een beveiligde zending op de hoogte van zijn beslissing, met vermelding van de te betalen administratieve geldboete die binnen dertig dagen na de kennisgeving van die beslissing wordt betaald. Als de beboetingsambtenaar de onontvankelijkheidsverklaring of de ongegrondverklaring van de verweermiddelen niet verzendt binnen negentig dagen nadat hij het verweerschrift heeft ontvangen, vervalt de betwiste boetebeslissing. Als de beboetingsambtenaar de verweermiddelen ontvankelijk en gegrond verklaart, brengt hij de overtreder op de hoogte van zijn beslissing. | 9 | Als de beboetingsambtenaar de verweermiddelen niet ontvankelijk of niet gegrond verklaart, brengt hij de overtreder met een beveiligde zending of met een gewone brief op de hoogte van zijn beslissing, met vermelding van de te betalen administratieve geldboete die binnen dertig dagen na de kennisgeving van die beslissing wordt betaald. Als de beboetingsambtenaar de onontvankelijkheidsverklaring of de ongegrondverklaring van de verweermiddelen niet verstuurt binnen negentig dagen nadat hij het verweerschrift heeft ontvangen, vervalt de betwiste boetebeslissing. Als de beboetingsambtenaar de verweermiddelen ontvankelijk en gegrond verklaart, brengt hij de overtreder op de hoogte van zijn beslissing. |
| 10 | §5. De overtreder kan tegen de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete, vermeld in paragraaf 4, een beroep instellen door middel van een geschreven verzoekschrift bij de politierechtbank, volgens de burgerlijke procedure, binnen dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing, vermeld in paragraaf 4. | 10 | §5. De overtreder kan tegen de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete, vermeld in paragraaf 4, een beroep instellen door middel van een geschreven verzoekschrift bij de politierechtbank, volgens de burgerlijke procedure, binnen dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing, vermeld in paragraaf 4. |
| 11 | §6. De beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete heeft uitvoerbare kracht als ze definitief geworden is; dit is ofwel na het verstrijken van dertig dagen na de kennisgeving van de administratieve geldboete, vermeld in paragraaf 3 en paragraaf 4, tweede lid, zonder dat er verweermiddelen zijn ingediend, ofwel na het verstrijken van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing, vermeld in paragraaf 5, zonder dat er beroep werd aangetekend. | 11 | §6. De beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete heeft uitvoerbare kracht als ze definitief geworden is; dit is ofwel na het verstrijken van dertig dagen na de kennisgeving van de administratieve geldboete, vermeld in paragraaf 3 en paragraaf 4, tweede lid, zonder dat er verweermiddelen zijn ingediend, ofwel na het verstrijken van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing, vermeld in paragraaf 5, zonder dat er beroep werd aangetekend. |
| 12 | §7. De administratieve geldboete wordt geïnd ten voordele van de gemeente, tenzij de gemeente beslist dat de administratieve geldboete ten voordele van de instanties, vermeld in artikel 11, wordt geïnd. | 12 | §7. De administratieve geldboete wordt geïnd ten voordele van de gemeente, tenzij de gemeente beslist dat de administratieve geldboete ten voordele van de instanties, vermeld in artikel 11, wordt geïnd. |
| 13 | §8. De vordering tot voldoening van de administratieve geldboete verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 tot en met artikel 2250, van het Burgerlijk Wetboek. | 13 | §8. De vordering tot voldoening van de administratieve geldboete verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 tot en met artikel 2250, van het Burgerlijk Wetboek. |
| 14 | §9. Wanneer de overtreding begaan werd door een persoon zonder een vaste woonplaats of vaste verblijfplaats in België kunnen de LEZ-toezichthouders, vermeld in artikel 8, § 1, overgaan tot onmiddellijke inning. | 14 | §9. Wanneer de overtreding begaan werd door een persoon zonder een vaste woonplaats of vaste verblijfplaats in België kunnen de LEZ-toezichthouders, vermeld in artikel 8, § 1, overgaan tot onmiddellijke inning. |
| 15 | De administratieve geldboete kan alleen onmiddellijk worden geïnd mits akkoordbevinding van de overtreder. | 15 | De administratieve geldboete kan alleen onmiddellijk worden geïnd mits akkoordbevinding van de overtreder. |
| 16 | Ingeval van onmiddellijke inning bedraagt de administratieve geldboete 15 euro, vermeerderd met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten. | 16 | Ingeval van onmiddellijke inning bedraagt de administratieve geldboete 15 euro, vermeerderd met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten. |
| 17 | De onmiddellijke inning doet de mogelijkheid vervallen om aan de overtreder een administratieve geldboete op te leggen conform de procedure bedoeld in paragraaf 2 tot en met paragraaf 6. | 17 | De onmiddellijke inning doet de mogelijkheid vervallen om aan de overtreder een administratieve geldboete op te leggen conform de procedure bedoeld in paragraaf 2 tot en met paragraaf 6. |
| 18 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de toepassing van de onmiddellijke inning en kan de gemeente machtigen om de concrete uitvoering van de onmiddellijke inning nader te regelen. | 18 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de toepassing van de onmiddellijke inning en kan de gemeente machtigen om de concrete uitvoering van de onmiddellijke inning nader te regelen. |
| 19 | §10. Als de overtreder niet instemt met de onmiddellijke inning, vermeld in paragraaf 9, kan de LEZ-toezichthouder eisen dat een bedrag ter hoogte van de administratieve geldboete die de gemeenteraad heeft vastgelegd, met toepassing van paragraaf 1 verplicht in consignatie gegeven wordt. | 19 | §10. Als de overtreder niet instemt met de onmiddellijke inning, vermeld in paragraaf 9, kan de LEZ-toezichthouder eisen dat een bedrag ter hoogte van de administratieve geldboete die de gemeenteraad heeft vastgelegd, met toepassing van paragraaf 1 verplicht in consignatie gegeven wordt. |
| 20 | Als de consignatie om welke reden ook niet mogelijk is, kan het voertuig op kosten en risico van de overtreder worden aangehaald door de LEZ-toezichthouder, al dan niet met bijstand van de politie, tot het bedrag van de administratieve geldboete in consignatie is gegeven. In het kader van die aanhaling kunnen een of meer van de volgende maatregelen worden genomen: | 20 | Als de consignatie om welke reden ook niet mogelijk is, kan het voertuig op kosten en risico van de overtreder worden aangehaald door de LEZ-toezichthouder, al dan niet met bijstand van de politie, tot het bedrag van de administratieve geldboete in consignatie is gegeven. In het kader van die aanhaling kunnen een of meer van de volgende maatregelen worden genomen: |
| 21 | 1° inhouding van de boorddocumenten; | 21 | 1° inhouding van de boorddocumenten; |
| 1 | Elke houder van een zakelijk recht heeft toegang tot de gebouw-, grond- en omgevingsgebonden informatie die over zijn gebouw of grond, en zijn omgeving in de gebouwenpas wordt weergegeven. | 1 | Elke houder van een zakelijk recht heeft toegang tot de gebouw-, grond- en omgevingsgebonden informatie die over zijn gebouw of grond, en zijn omgeving in de gebouwenpas wordt weergegeven. |
| 2 | Elke houder van een zakelijk recht kan een derde machtigen om de gegevens in de gebouwenpas te raadplegen. | 2 | Elke houder van een zakelijk recht kan een derde machtigen om de gegevens in de gebouwenpas te raadplegen. |
| 3 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden waaronder de gegevens in de gebouwenpas in functie van verkoop en verhuur en de publiciteit daaromtrent geheel of gedeeltelijk raadpleegbaar worden gemaakt voor derden. Deze voorwaarden hebben minstens betrekking op: | ||
| 4 | 1° welke gegevens raadpleegbaar worden gemaakt; | ||
| 5 | 2° wie de gegevens kan raadplegen; | ||
| 6 | 3° de periode van raadpleegbaarheid. | ||
| 7 | Hierbij voorziet de Vlaamse Regering ook in algemene organisatorische en technische maatregelen die genomen worden om de kwaliteit, de vertrouwelijkheid en de veiligheid van de gegevens te garanderen. |
| 1 | De bepalingen van dit decreet zijn van toepassing op de hiernavolgende wetten en decreten, met inbegrip van de uitvoeringsbesluiten ervan en de daarin opgelegde verplichtingen: | 1 | De bepalingen van dit decreet zijn van toepassing op de hiernavolgende wetten en decreten, met inbegrip van de uitvoeringsbesluiten ervan en de daarin opgelegde verplichtingen: |
| 2 | 1° het Boswetboek van 19 december 1854; | ||
| 2 | 1° ...; | ||
| 3 | 2° de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging; | 3 | 2° de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging; |
| 4 | 3° de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen; | 4 | 3° de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen; |
| 5 | 4° de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet; | 5 | 4° de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet; |
| 6 | 5° de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging; | ||
| 6 | 5° ...; | ||
| 7 | 6° de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud; | 7 | 6° de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud; |
| 8 | 7° de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder; | 8 | 7° de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder; |
| 9 | 8° de wet van 12 juli 1976 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken; | 9 | 8° de wet van 12 juli 1976 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken; |
| 10 | 9° de wet van 10 januari 1977 houdende regeling van de schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door het winnen en het pompen van grondwater; | 10 | 9° de wet van 10 januari 1977 houdende regeling van de schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door het winnen en het pompen van grondwater; |
| 11 | 10° de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, en van de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de Wijziging van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979; | ||
| 11 | 10° ...; | ||
| 12 | 11° het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer; | 12 | 11° het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer; |
| 13 | 12° de wet van 12 juli 1985 betreffende de bescherming van de mens en van het leefmilieu tegen de schadelijke effecten en de hinder van niet-ioniserende stralingen, infrasonen en ultrasonen; | 13 | 12° de wet van 12 juli 1985 betreffende de bescherming van de mens en van het leefmilieu tegen de schadelijke effecten en de hinder van niet-ioniserende stralingen, infrasonen en ultrasonen; |
| 17 | 16° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; | 17 | 16° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; |
| 18 | 17° het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen; | 18 | 17° het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen; |
| 19 | 18° het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid; | 19 | 18° het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018; |
| 20 | 19° het Bodemdecreet van 27 oktober 2006; | 20 | 19° het Bodemdecreet van 27 oktober 2006; |
| 21 | 20° het Mestdecreet van 22 december 2006; | 21 | 20° het Mestdecreet van 22 december 2006; |