Decreet over de onderwijsinternaten
69 artikels gewijzigd
| 1 | Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : | 1 | Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : |
| 2 | 1° basisonderwijs : het gewoon en buitengewoon basisonderwijs; | 2 | 1° basisonderwijs : het gewoon en buitengewoon basisonderwijs; |
| 3 | 2° bestuur : het orgaan dat voor de onderwijsinstelling of het CLB de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden; | 3 | 2° bestuur : het orgaan dat voor de onderwijsinstelling , het CLB of het leersteuncentrum de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden; |
| 4 | 3° CLB : een centrum voor leerlingenbegeleiding als vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding; | 4 | 3° CLB : een centrum voor leerlingenbegeleiding als vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding; |
| 5 | 4° consortium : het consortium zoals vermeld in artikel 2, 8°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenonderwijs; | 5 | 4° consortium : het consortium zoals vermeld in artikel 2, 8°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenonderwijs; |
| 6 | 5° competenties : de kennis, vaardigheden en attitudes die het personeelslid nodig heeft om zijn taken naar behoren te kunnen uitoefenen; | 6 | 5° competenties : de kennis, vaardigheden en attitudes die het personeelslid nodig heeft om zijn taken naar behoren te kunnen uitoefenen; |
| 7 | 6° decretale en reglementaire bepalingen inzake minimumdoelen : de specifieke reglementering per onderwijsniveau inzake ontwikkelingsdoelen, eindtermen, basiscompetenties, leerplannen, handelingsplannen, minimumleerplannen en minimumlessenroosters; | 7 | 6° decretale en reglementaire bepalingen inzake minimumdoelen : de specifieke reglementering per onderwijsniveau inzake ontwikkelingsdoelen, eindtermen, basiscompetenties, leerplannen, individueel aangepaste curricula, minimumleerplannen en minimumlessenroosters; |
| 8 | 7° deeltijds kunstonderwijs : het deeltijds kunstonderwijs; | 8 | 7° deeltijds kunstonderwijs : het deeltijds kunstonderwijs; |
| 9 | 7°/1 doorlichting : elke vorm van kwaliteitstoezicht door de onderwijsinspectie die resulteert in een verslag en in een advies aan de Vlaamse Regering over de voorlopige erkenning of erkenning van de instelling of van afzonderlijke structuuronderdelen; | 9 | 7°/1 doorlichting : elke vorm van kwaliteitstoezicht door de onderwijsinspectie die resulteert in een verslag en in een advies aan de Vlaamse Regering over de voorlopige erkenning of erkenning van de instelling of van afzonderlijke structuuronderdelen; |
| 10 | 8° erkenningsvoorwaarden : de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een onderwijsinstelling moet voldoen om aan haar leerlingen of cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen ; | 10 | 8° erkenningsvoorwaarden : de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een onderwijsinstelling moet voldoen om aan haar leerlingen of cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen of de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een CLB of een leersteuncentrum moet voldoen; |
| 11 | 9° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen; | 11 | 9° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen; |
| 12 | 10° hoger beroepsonderwijs : het onderwijs zoals vermeld in de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013; | 12 | 10° hoger beroepsonderwijs : het onderwijs zoals vermeld in de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013; |
| 13 | 11° instelling : onderwijsinstelling of CLB ; | 13 | 11° instelling : onderwijsinstelling, onderwijsinternaat, CLB of leersteuncentrum; |
| 14 | 11°/1 leersteuncentrum: een centrum als vermeld in artikel 5, 10°, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun; | ||
| 14 | 12° nascholing : het geheel van vormingsactiviteiten die tot doel hebben de kennis, vaardigheden en attitudes die personeelsleden tijdens hun opleiding of tijdens hun werkervaring hebben verworven, te verbreden en te verdiepen met het oog op hun verdere professionalisering; | 15 | 12° nascholing : het geheel van vormingsactiviteiten die tot doel hebben de kennis, vaardigheden en attitudes die personeelsleden tijdens hun opleiding of tijdens hun werkervaring hebben verworven, te verbreden en te verdiepen met het oog op hun verdere professionalisering; |
| 15 | 13° onderwijsinstelling : een pedagogisch geheel waar onderwijs georganiseerd wordt en waaraan een uniek instellingsnummer toegekend is; | 16 | 13° onderwijsinstelling : een pedagogisch geheel waar onderwijs georganiseerd wordt en waaraan een uniek instellingsnummer toegekend is; |
| 17 | 13°/1 onderwijsinternaat: een onderwijsinternaat dat erkend is overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten; | ||
| 16 | 14° onderwijskoepels : een van volgende representatieve groeperingen van inrichtende machten van gesubsidieerde instellingen : | 18 | 14° onderwijskoepels : een van volgende representatieve groeperingen van inrichtende machten van gesubsidieerde instellingen : |
| 17 | a) Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten; | 19 | a) Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten; |
| 25 | a) artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het personeel van de pedagogische begeleidingsdienst en het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel; | 27 | a) artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het personeel van de pedagogische begeleidingsdienst en het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel; |
| 26 | b) artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding; | 28 | b) artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding; |
| 27 | 16° pedagogische begeleiding: de externe professionele ondersteuning van onderwijsinstellingen en CLB's in hun zorg voor kwaliteitsonderwijs en kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding ingebed in een duurzame instellingsnabije relatie; | 29 | 16° pedagogische begeleiding: de externe professionele ondersteuning van onderwijsinstellingen, CLB’s en leersteuncentra in hun zorg voor kwaliteitsonderwijs, kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding en kwaliteitsvolle leersteun ingebed in een duurzame instellingsnabije relatie; |
| 28 | 16°/1 referentiekader onderwijskwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvol onderwijs door onderwijsinstellingen uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van de onderwijsinstelling; | 30 | 16°/1 referentiekader onderwijskwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvol onderwijs door onderwijsinstellingen uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van de onderwijsinstelling; |
| 29 | 16°/2 referentiekader CLB-kwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding door de CLB's uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het CLB; | 31 | 16°/2 referentiekader CLB-kwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding door de CLB's uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het CLB; |
| 32 | 16°/3 referentiekader kwaliteitsvolle leersteun: het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leersteun door de leersteuncentra uitzet; het kader is opgebouwd rond de drie rubrieken: resultaten en effecten, ontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het leersteuncentrum; | ||
| 33 | 16°/4 referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit: het kader dat de ver- wachtingen voor kwaliteitsvol verblijf en kwaliteitsvolle begeleiding uitzet. Het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken: resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, beleid en kwaliteitsontwikkeling en het houdt rekening met context en input van het onderwijsinternaat; | ||
| 30 | 17° representatieve vakorganisatie : personeelsvereniging die aangesloten is bij een syndicale organisatie die vertegenwoordigd is in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en die een werking ontplooit ten behoeve van de inspectie; | 34 | 17° representatieve vakorganisatie : personeelsvereniging die aangesloten is bij een syndicale organisatie die vertegenwoordigd is in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en die een werking ontplooit ten behoeve van de inspectie; |
| 31 | 18° scholengemeenschap : de scholengemeenschap zoals bedoeld in artikel 3, 39°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs en de scholengemeenschap basisonderwijs zoals bedoeld in artikel 3, 52bis, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs; | 35 | 18° scholengemeenschap : de scholengemeenschap zoals bedoeld in artikel 3, 39°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs en de scholengemeenschap basisonderwijs zoals bedoeld in artikel 3, 52bis, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs; |
| 32 | 19° secundair onderwijs : het gewoon voltijds secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs; | 36 | 19° secundair onderwijs : het gewoon voltijds secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs; |
| 33 | 20° structuuronderdeel : onderverdeling in het onderwijsaanbod die afzonderlijk erkend kan worden; | 37 | 20° structuuronderdeel : onderverdeling in het onderwijsaanbod die afzonderlijk erkend kan worden; |
| 34 | 20°/1 toezichtkader : kader dat de onderwijsinspectie gebruikt om haar doorlichtingsinstrumenten te ontwikkelen, gebaseerd op de referentiekaders zoals bedoeld in punt 16°/1 en 16°/2. Het toezichtkader heeft betrekking op de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling, en beleid en houdt rekening met context en input van de instelling; | 38 | 20°/1 toezichtkader : kader dat de onderwijsinspectie gebruikt om haar doorlichtingsinstrumenten te ontwikkelen, gebaseerd op de referentiekaders zoals bedoeld in punt 16°/1, 16°/2, 16°/3 en 16°/4. Het toezichtkader heeft betrekking op de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling, en beleid en houdt rekening met context en input van de instelling; |
| 35 | 21° volwassenenonderwijs : onderwijs dat erkend en gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door de erkende centra voor volwassenenonderwijs en de erkende centra voor basiseducatie, vermeld in het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. | 39 | 21° volwassenenonderwijs : onderwijs dat erkend en gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door de erkende centra voor volwassenenonderwijs en de erkende centra voor basiseducatie, vermeld in het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. |
| 36 | 22° leeftijdsgrens : na het einde van het jaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 heeft bereikt. | 40 | 22° leeftijdsgrens : na het einde van het jaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 heeft bereikt. |
| 1 | Dit deel is, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstellingen van het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs en op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleidingen op de pedagogische begeleidingsdiensten. | 1 | Dit deel is, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstellingen van het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs, op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde leersteuncentra, op de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinternaten en op de pedagogische begeleidingsdiensten. |
| 1 | § 1. Elke onderwijsinstelling is, rekening houdend met haar pedagogisch of agogisch project, ervoor verantwoordelijk kwaliteitsonderwijs te verstrekken en het geboden onderwijs kwaliteitsvol te ondersteunen. | 1 | § 1. Elke onderwijsinstelling is, rekening houdend met haar pedagogisch of agogisch project, ervoor verantwoordelijk kwaliteitsonderwijs te verstrekken en het geboden onderwijs kwaliteitsvol te ondersteunen. |
| 2 | Elk CLB is, rekening houdend met de eigen missie en het eigen begeleidingsproject, ervoor verantwoordelijk een kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding te verstrekken en de schoolinterne leerlingenbegeleiding te ondersteunen en te helpen optimaliseren. | 2 | Elk CLB is, rekening houdend met de eigen missie en het eigen begeleidingsproject, ervoor verantwoordelijk een kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding te verstrekken en de schoolinterne leerlingenbegeleiding te ondersteunen en te helpen optimaliseren. |
| 3 | Elk leersteuncentrum is, rekening houdend met de eigen visie en het eigen beleid, ervoor verantwoordelijk kwaliteitsvolle leersteun te verstrekken aan de scholen voor gewoon onderwijs. | ||
| 4 | Elk onderwijsinternaat zorgt, rekening houdend met de eigen missie en visie, voor kwaliteitsvol verblijf voor en begeleiding van internen, gericht op hun ontwikkeling en de realisatie van hun schoolloopbaan. | ||
| 3 | § 2. Het verstrekken van kwaliteitsonderwijs, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, houdt minimaal in dat de onderwijsinstelling : | 5 | § 2. Het verstrekken van kwaliteitsonderwijs, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, houdt minimaal in dat de onderwijsinstelling : |
| 4 | 1° de onderwijsreglementering respecteert; | 6 | 1° de onderwijsreglementering respecteert; |
| 7 | 1° de CLB-reglementering respecteert; | 9 | 1° de CLB-reglementering respecteert; |
| 8 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader CLB-kwaliteit, vastgelegd door de Vlaamse Regering, tegemoetkomt. | 10 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader CLB-kwaliteit, vastgelegd door de Vlaamse Regering, tegemoetkomt. |
| 11 | Het verstrekken van kwaliteitsvolle leersteun, vermeld in paragraaf 1, derde lid, houdt minimaal in dat het leersteuncentrum: | ||
| 12 | 1° de reglementering die van toepassing is op de leersteuncentra, respecteert; | ||
| 13 | 2° tegemoetkomt aan de kwaliteitsverwachtingen die opgenomen zijn in het referentiekader kwaliteitsvolle leersteun, dat is vastgelegd door de Vlaamse Regering. | ||
| 14 | Het verstrekken van een kwaliteitsvolle onderwijsinternaatswerking als vermeld in paragraaf 1, vierde lid, houdt minimaal in dat het onderwijsinternaat: | ||
| 15 | 1° de onderwijsinternaatsreglementering respecteert; | ||
| 16 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen tegemoetkomt die opgenomen zijn in het referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit, vastgelegd door de Vlaamse Regering. | ||
| 1 | § 1. De Vlaamse Regering stelt voor scholen, centra, internaten en instellingen beleidsprioriteiten vast voor de nascholingsinitiatieven die noodzakelijk zijn om de implementatie van onderwijshervormingen te ondersteunen. Ze bepaalt eveneens de doelgroepen die kunnen deelnemen aan deze nascholingsinitiatieven. | 1 | § 1. De Vlaamse Regering stelt voor scholen, centra, onderwijsinternaten en instellingen beleidsprioriteiten vast voor de nascholingsinitiatieven die noodzakelijk zijn om de implementatie van onderwijshervormingen te ondersteunen. Ze bepaalt eveneens de doelgroepen die kunnen deelnemen aan deze nascholingsinitiatieven. |
| 2 | Ze bepaalt de wijze waarop die beleidsprioriteiten worden vastgesteld. Deze beleidsprioriteiten worden meegedeeld aan het Vlaams Parlement. | 2 | Ze bepaalt de wijze waarop die beleidsprioriteiten worden vastgesteld. Deze beleidsprioriteiten worden meegedeeld aan het Vlaams Parlement. |
| 3 | § 2. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar een bedrag ter beschikking voor deze nascholingsinitiatieven. | 3 | § 2. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar een bedrag ter beschikking voor deze nascholingsinitiatieven. |
| 1 | Deze titel, met uitzondering van artikel 14, § 3, eerste lid, van dit decreet, is niet van toepassing op de basiseducatie en de Centra voor Volwassenenonderwijs, die niet in rekening worden gebracht voor het vaststellen van de personeelsformatie van de pedagogische begeleidingsdiensten, vermeld in artikel 16. | 1 | Deze titel, met uitzondering van artikel 14, § 3, eerste lid, van dit decreet, is niet van toepassing op de basiseducatie, de centra voor volwassenenonderwijs en de onderwijsinternaten, die niet in rekening worden gebracht voor het vaststellen van de personeelsformatie van de pedagogische begeleidingsdiensten, vermeld in artikel 16. |
| 1 | § 1. Bij iedere aanvraag tot voorlopige erkenning van een nieuwe instelling onderzoekt de onderwijsinspectie of de decretaal vastgelegde voorwaarden voor een voorlopige erkenning, vervuld zijn. | 1 | § 1. Bij iedere aanvraag tot voorlopige erkenning van een nieuwe instelling onderzoekt de onderwijsinspectie of de decretaal vastgelegde voorwaarden voor een voorlopige erkenning, vervuld zijn. |
| 2 | De inspecteur-generaal kan de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken belasten met een specifieke opdracht als vermeld in artikel 8 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. De betrokken inspecteurs-adviseurs van de levensbeschouwelijke vakken maken een verslag op over die specifieke opdracht. | 2 | Voor scholen kan de inspecteur-generaal de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken belasten met een specifieke opdracht als vermeld in artikel 8 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. De betrokken inspecteurs-adviseurs van de levensbeschouwelijke vakken maken een verslag op over die specifieke opdracht. |
| 3 | Na het onderzoek bezorgt de onderwijsinspectie een rapport met een advies over de voorlopige erkenning aan de Vlaamse Regering. | 3 | Na het onderzoek bezorgt de onderwijsinspectie een rapport met een advies over de voorlopige erkenning aan de Vlaamse Regering. |
| 4 | De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 augustus volgend op de aanvraag van de voorlopige erkenning. Dit is een termijn van orde. | 4 | De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 augustus volgend op de aanvraag van de voorlopige erkenning. Dit is een termijn van orde. Voor onderwijsinternaten geldt de termijn, vermeld in artikel 7 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten. |
| 5 | § 2. Uiterlijk zes maanden na de start van het schooljaar onderzoekt de onderwijsinspectie, via een doorlichting, of de school voldoet aan de decretaal vastgelegde voorwaarden voor een erkenning. | 5 | § 2. Uiterlijk zes maanden na de start van het schooljaar onderzoekt de onderwijsinspectie, via een doorlichting, of de school voldoet aan de decretaal vastgelegde voorwaarden voor een erkenning. |
| 6 | De inspecteur-generaal kan de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken belasten met een specifieke opdracht als vermeld in artikel 8 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. De betrokken inspecteurs-adviseurs van de levensbeschouwelijke vakken maken een verslag op over die specifieke opdracht. | 6 | De inspecteur-generaal kan de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken belasten met een specifieke opdracht als vermeld in artikel 8 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. De betrokken inspecteurs-adviseurs van de levensbeschouwelijke vakken maken een verslag op over die specifieke opdracht. |
| 7 | Na de doorlichting bezorgt de onderwijsinspectie een rapport met een advies als vermeld in artikel 39, § 4, aan de Vlaamse Regering. | 7 | Na de doorlichting bezorgt de onderwijsinspectie een rapport met een advies als vermeld in artikel 39, § 4, aan de Vlaamse Regering. |
| 8 | De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 maart van het schooljaar van voorlopige erkenning over de erkenning. Dit is een termijn van orde. | 8 | De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 maart van het schooljaar van voorlopige erkenning over de erkenning. Dit is een termijn van orde. |
| 9 | §3. In afwijking van paragraaf 1 wordt de voorlopige erkenning van de leersteuncentra geregeld in artikel 29 en 30 van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun. |
| 3 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader onderwijskwaliteit, vermeld in artikel 4, § 2, eerste lid, tegemoetkomt. | 3 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader onderwijskwaliteit, vermeld in artikel 4, § 2, eerste lid, tegemoetkomt. |
| 4 | In het basis- en het secundair onderwijs, met uitzondering voor de nieuwe onderwijsinstellingen, spreekt de onderwijsinspectie ook een evaluatie uit over het gelijke onderwijskansenbeleid. | 4 | In het basis- en het secundair onderwijs, met uitzondering voor de nieuwe onderwijsinstellingen, spreekt de onderwijsinspectie ook een evaluatie uit over het gelijke onderwijskansenbeleid. |
| 5 | 3° in het basis- en het secundair onderwijs een kwaliteitsvol beleid op leerlingenbegeleiding ontwikkelt, implementeert en evalueert, in toepassing van de reglementaire verplichtingen van instellingen op het vlak van leerlingenbegeleiding. | 5 | 3° in het basis- en het secundair onderwijs een kwaliteitsvol beleid op leerlingenbegeleiding ontwikkelt, implementeert en evalueert, in toepassing van de reglementaire verplichtingen van instellingen op het vlak van leerlingenbegeleiding; |
| 6 | 4° in het basis- en het secundair onderwijs voor leerlingen met een IAC-verslag kwaliteitsvolle individueel aangepaste curricula realiseert, waarbij er in het buitengewoon onderwijs bijkomende aandacht is voor de mogelijkheid tot terugkeer naar het gewoon onderwijs en er in het gewoon onderwijs bijkomende aandacht is voor de afweging van redelijke aanpassingen; | ||
| 7 | 5° in het secundair onderwijs voor leerlingen met een OV4-verslag kwaliteitsvolle onderwijstrajecten realiseert, waarbij er in het buitengewoon onderwijs bijkomende aandacht is voor de mogelijkheid tot terugkeer naar het gewoon onderwijs en er in het gewoon onderwijs bijkomende aandacht is voor de afweging van redelijke aanpassingen. | ||
| 6 | Tijdens een doorlichting van een CLB gaat de onderwijsinspectie na of het CLB : | 8 | Tijdens een doorlichting van een CLB gaat de onderwijsinspectie na of het CLB : |
| 7 | 1° de CLB-reglementering respecteert; | 9 | 1° de CLB-reglementering respecteert; |
| 8 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader CLB-kwaliteit, vermeld in artikel 4, § 2, tweede lid, tegemoetkomt. | 10 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader CLB-kwaliteit, vermeld in artikel 4, § 2, tweede lid, tegemoetkomt. |
| 9 | 3° de kernactiviteiten signaalfunctie en consultatieve leerlingenbegeleiding kwaliteitsvol uitvoert. | 11 | 3° de kernactiviteiten signaalfunctie en consultatieve leerlingenbegeleiding kwaliteitsvol uitvoert. |
| 12 | Tijdens een doorlichting van een onderwijsinternaat gaat de onderwijsinspectie na of het internaat: | ||
| 13 | 1° de onderwijsinternaatsreglementering respecteert; | ||
| 14 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen die opgenomen zijn in het referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit, vermeld in artikel 4, §2, vierde lid, tegemoetkomt. | ||
| 15 | Tijdens een doorlichting van een leersteuncentrum gaat de onderwijsinspectie na of het leersteuncentrum: | ||
| 16 | 1° de reglementering die van toepassing is op de leersteuncentra respecteert; | ||
| 17 | 2° tegemoetkomt aan de kwaliteitsverwachtingen die opgenomen zijn in het referentiekader kwaliteitsvolle leersteun, vermeld in artikel 4, §2, tweede | ||
| 18 | lid. | ||
| 10 | De inspectie onderzoekt daarbij ook de opdrachten die de instelling eventueel heeft toegewezen aan de scholengemeenschap of de scholengroep waartoe zij behoort. De scholengemeenschappen of de scholengroepen zijn ertoe gehouden de inspectie alle informatie hierover te verstrekken. | 19 | De inspectie onderzoekt daarbij ook de opdrachten die de instelling eventueel heeft toegewezen aan de scholengemeenschap of de scholengroep waartoe zij behoort. De scholengemeenschappen of de scholengroepen zijn ertoe gehouden de inspectie alle informatie hierover te verstrekken. |
| 11 | Als de inspectie tijdens een doorlichting tekorten vaststelt, onderzoekt ze of de instelling deze tekorten al dan niet zelfstandig en zonder externe ondersteuning weg kan werken. | 20 | Als de inspectie tijdens een doorlichting tekorten vaststelt, onderzoekt ze of de instelling deze tekorten al dan niet zelfstandig en zonder externe ondersteuning weg kan werken. |
| 12 | § 2. ... | 21 | § 2. ... |
| 22 | §3. De onderwijsinspectie stelt op basis van het referentiekader onderwijskwaliteit, op basis van het referentiekader CLB-kwaliteit, op basis van het referentiekader kwaliteitsvolle leersteun en op basis van het referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit, vermeld in artikel 4, §2, eerste tot en met vierde lid, het toezichtkader en de doorlichtingsinstrumenten op en maakt die bekend. | ||
| 13 | § 3. De onderwijsinspectie stelt op basis van het referentiekader onderwijskwaliteit en op basis van het referentiekader CLB-kwaliteit, vermeld in artikel 4, § 2, eerste en tweede lid, het toezichtkader en de doorlichtingsinstrumenten op en maakt die bekend. Het toezichtkader peilt in ieder geval vanuit het referentiekader onderwijskwaliteit naar de reglementaire verplichtingen van instellingen inzake de minimumdoelen, de erkenningsvoorwaarden en de financierings- en subsidiëringsvoorwaarden en naar de reglementaire verplichtingen van instellingen op het vlak van: | 23 | Voor scholen peilt het toezichtkader in ieder geval vanuit het referentiekader onderwijskwaliteit naar de reglementaire verplichtingen van instellingen inzake de minimumdoelen, de erkenningsvoorwaarden en de financierings- en subsidiëringsvoorwaarden en naar de reglementaire verplichtingen van instellingen op het vlak van: |
| 14 | 1° het beleid inzake gelijke onderwijskansen; | 24 | 1° het beleid inzake gelijke onderwijskansen; |
| 15 | 2° het zorgbeleid en de leerlingenbegeleiding, met inbegrip van de ondersteuning van leerlingen met bijzondere noden vanuit de ondersteuningsnetwerken; | 25 | 2° het zorgbeleid, de leerlingenbegeleiding en de leersteun; |
| 16 | 3° het talenbeleid; | 26 | 3° het talenbeleid; |
| 17 | 4° het beleid inzake de oriëntering van leerlingen; | 27 | 4° het beleid inzake de oriëntering van leerlingen; |
| 21 | 8° het beleid inzake participatie. | 31 | 8° het beleid inzake participatie. |
| 22 | § 4. De inspectie baseert zich voor de bepaling van de frequentie en de intensiteit van de doorlichting op het profiel van de instelling dat tot stand komt op basis van : | 32 | § 4. De inspectie baseert zich voor de bepaling van de frequentie en de intensiteit van de doorlichting op het profiel van de instelling dat tot stand komt op basis van : |
| 23 | 1° een reeks vooraf vastgestelde en meegedeelde gegevens met betrekking tot de instelling, waaronder de resultaten op de Vlaamse toetsen indien van toepassing. Die gegevens zijn te relateren aan elementen in het referentiekader onderwijskwaliteit of het referentiekader CLB-kwaliteit, vermeld in artikel 4, §2, eerste en tweede lid; | 33 | 1° een reeks vooraf vastgestelde en meegedeelde gegevens over de instelling. Die gegevens zijn te relateren aan elementen in het referentiekader onderwijskwaliteit, het referentiekader CLB-kwaliteit, het referentiekader kwaliteitsvolle leersteun of het referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit, vermeld in artikel 4, §2, eerste tot en met vierde lid; |
| 24 | 2° het vorige doorlichtingsverslag en, in voorkomend geval, de opvolgingsverslagen. | 34 | 2° het vorige doorlichtingsverslag en, in voorkomend geval, de opvolgingsverslagen. |
| 25 | In afwijking van het eerste lid, kan de inspectie, naar aanleiding van ernstige klachten over een instelling, op vraag van de Vlaamse Regering een doorlichting uitvoeren. | 35 | In afwijking van het eerste lid, kan de inspectie, naar aanleiding van ernstige klachten over een instelling, op vraag van de Vlaamse Regering een doorlichting uitvoeren. |
| 1 | § 1. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere procedureregels voor de organisatie van de doorlichtingen. Daarbij wordt onder meer aandacht besteed aan : | 1 | § 1. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere procedureregels voor de organisatie van de doorlichtingen. Daarbij wordt onder meer aandacht besteed aan : |
| 2 | 1° de manier waarop personeelsleden van de instelling, ouders van leerlingen en leerlingenof cursisten worden gehoord bij de doorlichting; | 2 | 1° de manier waarop personeelsleden van de instelling, ouders van leerlingen en internen, en leerlingen, internen of cursisten worden gehoord bij de doorlichting; |
| 3 | 2° de manier waarop personeelsleden van de instelling, ouders van leerlingen en leerlingenof cursisten worden geïnformeerd over het resultaat van de doorlichting. | 3 | 2° de manier waarop personeelsleden van de instelling, ouders van leerlingen en internen, en leerlingen, internen of cursisten worden geïnformeerd over het resultaat van de doorlichting. |
| 4 | § 2. Het bestuur en de personeelsleden van de instelling, de ouders van leerlingen en leerlingenof cursisten worden als eersten geïnformeerd over het resultaat van de doorlichting, vóór de verslagen openbaar worden, zoals bepaald door artikel 44 van dit decreet. | 4 | § 2. Het bestuur en de personeelsleden van de instelling, de ouders van leerlingen en internen, en leerlingen, internen of cursisten worden als eersten geïnformeerd over het resultaat van de doorlichting, vóór de verslagen openbaar worden, zoals bepaald door artikel 44 van dit decreet. |
| 5 | § 3. Bij het bepalen van de verdere procedureregels, vermeld in paragraaf 1, draagt de Vlaamse Regering er zorg voor dat de start van de doorlichting tijdig aangekondigd wordt door de onderwijsinspectie. In afwijking hiervan, kan de doorlichting of opvolgingsdoorlichting slechts zeven kalenderdagen op voorhand worden aangekondigd, indien de doorlichting beperkt is tot een controle van de bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne. | 5 | § 3. Bij het bepalen van de verdere procedureregels, vermeld in paragraaf 1, draagt de Vlaamse Regering er zorg voor dat de start van de doorlichting tijdig aangekondigd wordt door de onderwijsinspectie. In afwijking hiervan, kan de doorlichting of opvolgingsdoorlichting slechts zeven kalenderdagen op voorhand worden aangekondigd, indien de doorlichting beperkt is tot een controle van de bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne. |
| 1 | §1. De inspecteurs hebben het recht om voor de uitoefening van hun opdracht inzage te krijgen in of kopie te krijgen van persoonsgegevens. De persoonsgegevens hebben betrekking op leerlingen verbonden aan de onderwijsinstellingof begeleid door het centrum voor leerlingenbegeleidingen betreffen de gegevens die de onderwijsinstelling of het centrum voor leerlingenbegeleidingkrachtens de onderwijsof CLB-reglementering in het dossier verwerken, zoals de administratieve gegevens, inschrijvingsgegevens, afwezigheden, studieresultaten en zorggegevens. De bevoegdheid heeft ook betrekking op gegevens die toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat. | 1 | §1. De inspecteurs hebben het recht om voor de uitoefening van hun opdracht inzage te krijgen in of kopie te krijgen van persoonsgegevens. De persoonsgegevens hebben betrekking op leerlingen die verbonden zijn aan de onderwijsinstelling, of begeleid worden door het centrum voor leerlingenbegeleiding, of ondersteund worden door een leersteuncentrum en op internen die ingeschreven zijn in een onderwijsinternaat. Het betreft de gegevens die de onderwijsinstelling, het centrum voor leerlingenbegeleiding, het leersteuncentrum of het onderwijsinternaat krachtens de onderwijs-, onderwijsinternaats- of CLB-reglementering of de reglementering over de leersteuncentra in het dossier verwerken, zoals de administratieve gegevens, inschrijvingsgegevens, afwezigheden, studieresultaten en zorggegevens. De bevoegdheid heeft ook betrekking op gegevens die toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat. |
| 2 | Als anonieme gegevens beschikbaar en actueel zijn, vragen de inspecteurs in eerste instantie inzage in die gegevens. Als dat nodig is in het licht van de opdracht, kunnen de inspecteurs inzage vragen in persoonsgegevens, als daarvoor de Europese, federale en Vlaamse regels over het verwerken van die gegevens worden gevolgd. Onder anonieme gegevens wordt verstaan: gegevens die geen betrekking hebben op een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon of op persoonsgegevens die zodanig anoniem zijn gemaakt dat de betrokkene niet of niet meer identificeerbaar is. | 2 | Als anonieme gegevens beschikbaar en actueel zijn, vragen de inspecteurs in eerste instantie inzage in die gegevens. Als dat nodig is in het licht van de opdracht, kunnen de inspecteurs inzage vragen in persoonsgegevens, als daarvoor de Europese, federale en Vlaamse regels over het verwerken van die gegevens worden gevolgd. Onder anonieme gegevens wordt verstaan: gegevens die geen betrekking hebben op een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon of op persoonsgegevens die zodanig anoniem zijn gemaakt dat de betrokkene niet of niet meer identificeerbaar is. |
| 3 | De Vlaamse Regering stelt voorwaarden vast om de transparantie en de uitoefening van de rechten van de betrokkenen te verzekeren. | 3 | De Vlaamse Regering stelt voorwaarden vast om de transparantie en de uitoefening van de rechten van de betrokkenen te verzekeren. |
| 7 | 4° minstens 2 % van de personeelsleden met relevante beroepservaring inzake de coördinatie van leerlingenbegeleiding of in de CLB's; | 7 | 4° minstens 2 % van de personeelsleden met relevante beroepservaring inzake de coördinatie van leerlingenbegeleiding of in de CLB's; |
| 8 | 5° minstens 2 % van de personeelsleden met relevante beroepservaring in het kunstonderwijs of in kunstvakken; | 8 | 5° minstens 2 % van de personeelsleden met relevante beroepservaring in het kunstonderwijs of in kunstvakken; |
| 9 | 6° minstens 7 % van de personeelsleden met relevante beroepservaring in het buitengewoon onderwijs. | 9 | 6° minstens 7 % van de personeelsleden met relevante beroepservaring in het buitengewoon onderwijs; |
| 10 | 7° minstens 3% uit personeelsleden met relevante beroepservaring in het onderwijsinternaatsgebeuren. | ||
| 10 | § 3. De Vlaamse Regering bepaalt wat moet verstaan worden onder relevante beroepservaring. | 11 | § 3. De Vlaamse Regering bepaalt wat moet verstaan worden onder relevante beroepservaring. |
| 11 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenstelling van de inspectie, rekening houdend met de bepalingen, vermeld in § 1 en § 2. | 12 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenstelling van de inspectie, rekening houdend met de bepalingen, vermeld in § 1 en § 2. |
| 10 | - het personeel van de pedagogische begeleidingsdienst; | 10 | - het personeel van de pedagogische begeleidingsdienst; |
| 11 | - het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel; | 11 | - het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel; |
| 12 | - het leerondersteunend personeel; | ||
| 12 | die in het gemeenschapsonderwijs worden tewerkgesteld bij de scholengroep of in de volgende instellingen: | 13 | die in het gemeenschapsonderwijs worden tewerkgesteld bij de scholengroep of in de volgende instellingen: |
| 13 | - de scholen van het basisonderwijs, de instellingen van het secundair onderwijs en de academies voor deeltijds kunstonderwijs, in welke vorm ook; | 14 | - de scholen van het basisonderwijs, de instellingen van het secundair onderwijs en de academies voor deeltijds kunstonderwijs, in welke vorm ook; |
| 15 | - de onderwijsinternaten; | ||
| 14 | - de autonome internaten en tehuizen; | 16 | - de semi-internaten; |
| 15 | - de semi-internaten en de internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien; | ||
| 16 | - de pedagogische begeleidingsdienst; | 17 | - de pedagogische begeleidingsdienst; |
| 18 | - de leersteuncentra; | ||
| 17 | - de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel, verder aangeduid als CLB; | 19 | - de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel, verder aangeduid als CLB; |
| 18 | - de centra voor volwassenenonderwijs; | 20 | - de centra voor volwassenenonderwijs; |
| 19 | - het vormingscentrum. | 21 | - het vormingscentrum. |
| 20 | § 2. Dit decreet is niet van toepassing op de voordrachtgevers zoals bedoeld in de artikelen 68 en 69 van het decreet van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs. | ||
| 22 | § 2. ... | ||
| 21 | § 3. De Vlaamse regering bepaalt de nadere omschrijving van de in § 1 genoemde categorieën. In afwachting hiervan blijven evenwel de bestaande wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen van kracht. | 23 | § 3. De Vlaamse regering bepaalt de nadere omschrijving van de in § 1 genoemde categorieën. In afwachting hiervan blijven evenwel de bestaande wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen van kracht. |
| 22 | De Vlaamse Regering kan in het basisonderwijs de ambten bepalen voor een personeelscategorie van het pedagogisch ondersteunend personeel. | 24 | De Vlaamse Regering kan in het basisonderwijs de ambten bepalen voor een personeelscategorie van het pedagogisch ondersteunend personeel. |
| 2 | 1° de ARGO: de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs bedoeld in het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs; | 2 | 1° de ARGO: de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs bedoeld in het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs; |
| 3 | 2° de centrale raad: de raad met die naam bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet van 19 december 1988; | 3 | 2° de centrale raad: de raad met die naam bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet van 19 december 1988; |
| 4 | 3° de instelling: de scholen van het basisonderwijs, de scholen en de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs van het secundair onderwijs, de scholengemeenschapsinstellingen de academies voor deeltijds kunstonderwijs, de centra voor volwassenenonderwijs, de autonome internaten en tehuizen, de semi-internaten, de internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien, de pedagogische begeleidingsdienst en de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel. Het internaat toegevoegd aan een school, maakt deel uit van die school. Voor de personeelsleden die op basis van artikel 32 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bij de scholengroep aangesteld zijn, en voor de vastbenoemde personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel die bij de scholengroep aangesteld zijn, wordt de scholengroep voor de toepassing van dit decreet beschouwd als een instelling; | 4 | 3° de instelling: de scholen van het basisonderwijs, de scholen en de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs van het secundair onderwijs, de scholengemeenschapsinstellingen de academies voor deeltijds kunstonderwijs, de centra voor volwassenenonderwijs, de leersteuncentra, de onderwijsinternaten, de semi-internaten, de pedagogische begeleidingsdienst en de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel. Voor de personeelsleden die op basis van artikel 32 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bij de scholengroep aangesteld zijn, en voor de vastbenoemde personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel die bij de scholengroep aangesteld zijn, wordt de scholengroep voor de toepassing van dit decreet beschouwd als een instelling; |
| 5 | 4° het schooljaar: de periode van 1 september tot 31 augustus van het daaropvolgend jaar voor het kleuter-, lager en secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en voor de CLB's; | 5 | 4° het schooljaar: de periode van 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende jaar; |
| 6 | 5° de titularis: het personeelslid dat in een vacante betrekking vast benoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt; | 6 | 5° de titularis: het personeelslid dat in een vacante betrekking vast benoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt; |
| 7 | 6° de bekwaamheidsbewijzen: de door de Vlaamse regering voor het ambt bepaalde bekwaamheidsbewijzen; | 7 | 6° de bekwaamheidsbewijzen: de door de Vlaamse regering voor het ambt bepaalde bekwaamheidsbewijzen; |
| 9 | 8° de godsdienstleerkracht: de godsdienstleraar en de leermeester godsdienst; | 9 | 8° de godsdienstleerkracht: de godsdienstleraar en de leermeester godsdienst; |
| 10 | 9° een ambt: een functie die in de onderwijssector wordt uitgeoefend en door de Gemeenschap wordt gefinancierd. De Vlaamse regering stelt de verschillende ambten vast en maakt een indeling in wervings-, selectie- en bevorderingsambten. Zolang de Vlaamse regering geen uitvoering heeft verleend aan deze bepaling blijft de bestaande reglementering van kracht; | 10 | 9° een ambt: een functie die in de onderwijssector wordt uitgeoefend en door de Gemeenschap wordt gefinancierd. De Vlaamse regering stelt de verschillende ambten vast en maakt een indeling in wervings-, selectie- en bevorderingsambten. Zolang de Vlaamse regering geen uitvoering heeft verleend aan deze bepaling blijft de bestaande reglementering van kracht; |
| 11 | 10° een betrekking: de concrete werkgelegenheid in een bepaald ambt in een instelling, uitgedrukt in een door de inrichtende macht bepaald aantal prestatie-eenheden per week. Als het gaat om een onderwijsopdracht vermeldt de inrichtende macht eveneens het onderwijsniveau, de opleiding, de module, het vak en de specialiteit ervan of de met het vak of specialiteit gelijkgestelde activiteit, de graad en voor het voor het voltijds secundair onderwijs eventueel het HBO5, de onderwijsvorm of de opleidingsvorm. Als het gaat om een opdracht in een ambt van het beleids- en ondersteunend personeelof in een ambt van het ondersteunend personeel dan vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste opleidingsniveau en - uitgezonderd voor de CLB's - de puntenwaarde. | 11 | 10° een betrekking: de concrete werkgelegenheid in een bepaald ambt in een instelling, uitgedrukt in een door de inrichtende macht bepaald aantal prestatie-eenheden per week. Als het gaat om een onderwijsopdracht vermeldt de inrichtende macht eveneens het onderwijsniveau, de opleiding, de module, het vak en de specialiteit ervan of de met het vak of specialiteit gelijkgestelde activiteit, de graad en voor het voor het voltijds secundair onderwijs eventueel het HBO5, de onderwijsvorm of de opleidingsvorm. Als het gaat om een opdracht in een ambt van het beleids- en ondersteunend personeel, van het leerondersteunend personeel of in een ambt van het ondersteunend personeel dan vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste opleidingsniveau en - uitgezonderd voor de CLB's - de puntenwaarde. |
| 12 | Een betrekking kan volledig of onvolledig zijn. Een volledige betrekking stemt overeen met het aantal prestatie-eenheden vereist voor een ambt met volledige prestaties. | 12 | Een betrekking kan volledig of onvolledig zijn. Een volledige betrekking stemt overeen met het aantal prestatie-eenheden vereist voor een ambt met volledige prestaties. |
| 13 | Een personeelslid dat deeltijds werkt, heeft het recht dat deze prestaties maximaal over een proportioneel aantal halve dagen per week worden gespreid; | 13 | Een personeelslid dat deeltijds werkt, heeft het recht dat deze prestaties maximaal over een proportioneel aantal halve dagen per week worden gespreid; |
| 25 | 22° scholengroep: de scholengroep zoals bedoeld in artikel 5, § 6, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; | 25 | 22° scholengroep: de scholengroep zoals bedoeld in artikel 5, § 6, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; |
| 26 | 23° raad van bestuur: de raad van bestuur van een scholengroep zoals bedoeld in artikel 5, § 5, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; | 26 | 23° raad van bestuur: de raad van bestuur van een scholengroep zoals bedoeld in artikel 5, § 5, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; |
| 27 | 24° directeur: de directeur van een school of een centrum voor leerlingenbegeleiding zoals bedoeld in artikel 5, § 2, en artikel 16 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; En voor de scholengemeenschapsinstellingen een directeur die de raad van bestuur heeft aangewezen als directeur van de scholengemeenschapsinstelling; | 27 | 24° directeur: de directeur van een school of een centrum voor leerlingenbegeleiding zoals bedoeld in artikel 5, § 2, en artikel 16 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, de directeur van een leersteuncentrum of van een onderwijsinternaat. En voor de scholengemeenschapsinstellingen een directeur die de raad van bestuur heeft aangewezen als directeur van de scholengemeenschapsinstelling; |
| 28 | 25° algemeen directeur: de algemeen directeur zoals bedoeld in artikel 5, § 3, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; | 28 | 25° algemeen directeur: de algemeen directeur zoals bedoeld in artikel 5, § 3, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; |
| 29 | 26° college van directeurs: het college van directeurs zoals bedoeld in artikel 5, § 3, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; | 29 | 26° college van directeurs: het college van directeurs zoals bedoeld in artikel 5, § 3, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; |
| 47 | 40° MEDEX: de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, Medische Expertise, cel Pensioenen; | 47 | 40° MEDEX: de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, Medische Expertise, cel Pensioenen; |
| 48 | 41° preventieadviseur-arbeidsgeneesheer: de preventieadviseur deskundig in arbeidsgeneeskunde verbonden aan de externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk zoals bepaald in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk. | 48 | 41° preventieadviseur-arbeidsgeneesheer: de preventieadviseur deskundig in arbeidsgeneeskunde verbonden aan de externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk zoals bepaald in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk. |
| 49 | 42° internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien: medisch-pedagogische instituten van het gemeenschapsonderwijs, instituten voor buitengewoon secundair onderwijs van het gemeenschapsonderwijs en autonome internaten buitengewoon onderwijs van het gemeenschapsonderwijs met openstelling tijdens schoolvrije dagen die verblijf en begeleiding voor hun internen tijdens de schoolvrije dagen organiseren als bedoeld in artikel III.38 en volgende van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs; | ||
| 49 | 42° onderwijsinternaten: de onderwijsinternaten die erkend zijn overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten; | ||
| 50 | 43° regionale ondersteuningscel: de netoverstijgende regionale ondersteuningscel of de regionale ondersteuningscel, vermeld in artikel 16 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding; | 50 | 43° regionale ondersteuningscel: de netoverstijgende regionale ondersteuningscel of de regionale ondersteuningscel, vermeld in artikel 16 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding; |
| 51 | 44° aanvangsbegeleiding: de structureel verankerde ondersteuning van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur. De aanvangsbegeleiding ondersteunt het tijdelijke personeelslid in het leren beheersen van zijn kerntaken, in het zichzelf verder leren ontwikkelen als persoon en professional en in het leren vinden van zijn weg in zijn instelling als werkplek en lerende organisatie. | 51 | 44° aanvangsbegeleiding: de structureel verankerde ondersteuning van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur. De aanvangsbegeleiding ondersteunt het tijdelijke personeelslid in het leren beheersen van zijn kerntaken, in het zichzelf verder leren ontwikkelen als persoon en professional en in het leren vinden van zijn weg in zijn instelling als werkplek en lerende organisatie; |
| 52 | 45° een leersteuncentrum: een centrum als vermeld in artikel 20, §1, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun. | ||
| 1 | §1. Voor het berekenen van de dienstanciënniteit in het [gemeenschapsonderwijs: | 1 | §1. Voor het berekenen van de dienstanciënniteit in het [gemeenschapsonderwijs: |
| 2 | a) bestaat het aantal dagen, gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen gerekend van het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden met uitzondering van de zomervakantie, als ze in die activiteitsperiode vallen. Dat aantal wordt vermenigvuldigd met 1,2. | 2 | a) bestaat het aantal dagen, gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen gerekend van het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden met uitzondering van de zomervakantie, als ze in die activiteitsperiode vallen. Dat aantal wordt vermenigvuldigd met 1,2. |
| 3 | In afwijking hiervan bestaat voor het administratief personeel, de administratief medewerker van het beleids- en ondersteunend personeel, de administratief medewerker van het ondersteunend personeel en voor de personeelsleden van de CLB's, de semi-internaten en de internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien, het aantal dagen gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen van het begin tot het einde van een ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden. Dit aantal wordt niet vermenigvuldigd met 1,2. | 3 | In afwijking hiervan bestaat voor het administratief personeel, de administratief medewerker van het beleids- en ondersteunend personeel, de administratief medewerker van het ondersteunend personeel en voor de personeelsleden van de CLB's en de semi-internaten het aantal dagen gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen van het begin tot het einde van een ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden. Dit aantal wordt niet vermenigvuldigd met 1,2. |
| 4 | De dagen, gepresteerd in een andere hoedanigheid dan die van tijdelijk personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, worden gerekend vanaf het begin tot het einde van een ononderbroken periode van dienstactiviteit, met inbegrip van alle vakantieperioden; | 4 | De dagen, gepresteerd in een andere hoedanigheid dan die van tijdelijk personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, worden gerekend vanaf het begin tot het einde van een ononderbroken periode van dienstactiviteit, met inbegrip van alle vakantieperioden; |
| 5 | b) worden de dagen gepresteerd in een betrekking met onvolledige dienstprestaties, die tenminste de helft bedraagt van het aantal uren vereist voor de betrekking met volledige dienstprestaties, op dezelfde grond in aanmerking genomen als de dagen gepresteerd in een betrekking met volledige dienstprestaties. Het aantal dagen gepresteerd in een betrekking die niet de helft bedraagt van het aantal uren, vereist voor een betrekking met volledige dienstprestaties wordt met de helft verminderd; | 5 | b) worden de dagen gepresteerd in een betrekking met onvolledige dienstprestaties, die tenminste de helft bedraagt van het aantal uren vereist voor de betrekking met volledige dienstprestaties, op dezelfde grond in aanmerking genomen als de dagen gepresteerd in een betrekking met volledige dienstprestaties. Het aantal dagen gepresteerd in een betrekking die niet de helft bedraagt van het aantal uren, vereist voor een betrekking met volledige dienstprestaties wordt met de helft verminderd; |
| 9 | Eveneens als diensten worden beschouwd de perioden tijdens welke het personeelslid zich in de administratieve stand van terbeschikkingstelling bevindt zoals bepaald in artikel 82, a) en b); | 9 | Eveneens als diensten worden beschouwd de perioden tijdens welke het personeelslid zich in de administratieve stand van terbeschikkingstelling bevindt zoals bepaald in artikel 82, a) en b); |
| 10 | f) komen de dagen gepresteerd in een ambt van godsdienstleerkracht slechts in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in datzelfde ambt. De diensten die - zowel in het gemeenschaps als in het gesubsidieerd onderwijs - gepresteerd werden tussen 1 september 1975 en 31 augustus 2001 in het ambt van godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst en die in aanmerking komen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in dat ambt; De diensten die - zowel in het gemeenschaps- als in het gesubsidieerd onderwijs - gepresteerd werden tot en met 31 augustus 2013 in het ambt van godsdienstleerkracht belast met anglicaanse godsdienst en die in aanmerking komen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in dat ambt. | 10 | f) komen de dagen gepresteerd in een ambt van godsdienstleerkracht slechts in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in datzelfde ambt. De diensten die - zowel in het gemeenschaps als in het gesubsidieerd onderwijs - gepresteerd werden tussen 1 september 1975 en 31 augustus 2001 in het ambt van godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst en die in aanmerking komen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in dat ambt; De diensten die - zowel in het gemeenschaps- als in het gesubsidieerd onderwijs - gepresteerd werden tot en met 31 augustus 2013 in het ambt van godsdienstleerkracht belast met anglicaanse godsdienst en die in aanmerking komen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in dat ambt. |
| 11 | g) kan gedurende een schooljaar een dienstanciënniteit van maximaal 360 dagen worden verworven. | 11 | g) kan gedurende een schooljaar een dienstanciënniteit van maximaal 360 dagen worden verworven; |
| 12 | h) tellen de kalenderdagen die gepresteerd zijn als tijdelijk personeelslid tussen 1 juli en 31 augustus in een betrekking van het zomeraanbod, vermeld in artikel 130quater van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, mee om de dienstanciënniteit te berekenen, vermeld in punt a), eerste lid. | ||
| 12 | §2. Voor de berekening van de dienstanciënniteit komen de hiervoor bedoelde diensten enkel in aanmerking indien ze gepresteerd werden in hoofdambt. | 13 | §2. Voor de berekening van de dienstanciënniteit komen de hiervoor bedoelde diensten enkel in aanmerking indien ze gepresteerd werden in hoofdambt. |
| 13 | §3. De regering bepaalt op welke wijze de volgende diensten mee in aanmerking worden genomen voor het berekenen van de dienstanciënniteit in de centra voor leerlingenbegeleiding in het gemeenschapsonderwijs: | 14 | §3. De regering bepaalt op welke wijze de volgende diensten mee in aanmerking worden genomen voor het berekenen van de dienstanciënniteit in de centra voor leerlingenbegeleiding in het gemeenschapsonderwijs: |
| 14 | 1° contractueel personeelslid bij een PMS-centrum van het gemeenschapsonderwijs; | 15 | 1° contractueel personeelslid bij een PMS-centrum van het gemeenschapsonderwijs; |
| 15 | 2° contractueel personeelslid bij een equipe voor medisch schooltoezicht; | 16 | 2° contractueel personeelslid bij een equipe voor medisch schooltoezicht; |
| 16 | 3° klerk, gepresteerd vóór de overdracht naar het gemeenschapsonderwijs en tijdens de wettelijke vooropzegperiode na de overdracht; | 17 | 3° klerk, gepresteerd vóór de overdracht naar het gemeenschapsonderwijs en tijdens de wettelijke vooropzegperiode na de overdracht; |
| 17 | 4° gesubsidieerd contractueel personeelslid. | 18 | 4° gesubsidieerd contractueel personeelslid. |
| 18 | §4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker. | 19 | §4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker. |
| 19 | Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de raad van bestuur de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De raad van bestuur kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1. | 20 | Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de raad van bestuur de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De raad van bestuur kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1. |
| 20 | §5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of artikel 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, §2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs en artikel III.36 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel. | 21 | §5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, §2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 52, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en artikel 43, §2, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel. |
| 1 | § 1. De tijdelijke aanstelling gebeurt door de directeur. | 1 | § 1. De tijdelijke aanstelling gebeurt door de directeur. |
| 2 | § 2. In afwijking van de bepaling van § 1 gebeurt de tijdelijke aanstelling in een autonoom internaat of bij de scholengroep door de raad van bestuur, op voorstel van het betrokken instellingshoofd. | 2 | § 2. In afwijking van de bepaling van § 1 gebeurt de tijdelijke aanstelling bij de scholengroep door de raad van bestuur, op voorstel van het betrokken instellingshoofd. |
| 3 | § 3. In afwijking van de bepaling van § 1 gebeurt de tijdelijke aanstelling in het vormingscentrum en de pedagogische begeleidingsdienst door de afgevaardigd bestuurder, op voorstel van het betrokken instellingshoofd. | 3 | § 3. In afwijking van de bepaling van § 1 gebeurt de tijdelijke aanstelling in het vormingscentrum en de pedagogische begeleidingsdienst door de afgevaardigd bestuurder, op voorstel van het betrokken instellingshoofd. |
| 4 | § 4. Een tijdelijke aanstelling gebeurt in een vacante betrekking of in een niet-vacante betrekking voor een bepaalde duur of voor een doorlopende duur. | 4 | § 4. Een tijdelijke aanstelling gebeurt in een vacante betrekking of in een niet-vacante betrekking voor een bepaalde duur of voor een doorlopende duur. |
| 3 | Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven bij een ter post aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter rechtvaardiging van het ontslag. Het ontslag om dringende redenen wordt gegeven : | 3 | Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven bij een ter post aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter rechtvaardiging van het ontslag. Het ontslag om dringende redenen wordt gegeven : |
| 4 | - door de directeur; | 4 | - door de directeur; |
| 5 | - door de raad van bestuur voor het personeelslid aangesteld bij de scholengroep of, op voorstel van het betrokken instellingshoofd door de raad van bestuur voor het personeelslid aangesteld in een autonoom internaat; | 5 | - door de raad van bestuur voor het personeelslid aangesteld bij de scholengroep; |
| 6 | - door de afgevaardigd bestuurder voor het personeelslid aangesteld in het vormingscentrum of de pedagogische begeleidingsdienst. | 6 | - door de afgevaardigd bestuurder voor het personeelslid aangesteld in het vormingscentrum of de pedagogische begeleidingsdienst. |
| 7 | Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen vanaf de dag nadat de post de schriftelijke mededeling van de motieven van het ontslag om dringende redenen, vermeld in het derde lid, voor het eerst heeft aangeboden, beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 71. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. Als het personeelslid de mededeling met de motieven van het ontslag ontvangt tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt de voormelde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode. De raad van bestuur - en voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - moet vanaf het moment waarop het ontslag gegeven wordt, het personeelslid met onmiddellijke ingang preventief schorsen bij hoogdringendheid conform artikel 59. Die preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd, waarbij die periode nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft. Als het personeelslid geen beroep aantekent, beslaat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is. | 7 | Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen vanaf de dag nadat de post de schriftelijke mededeling van de motieven van het ontslag om dringende redenen, vermeld in het derde lid, voor het eerst heeft aangeboden, beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 71. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. Als het personeelslid de mededeling met de motieven van het ontslag ontvangt tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt de voormelde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode. De raad van bestuur - en voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - moet vanaf het moment waarop het ontslag gegeven wordt, het personeelslid met onmiddellijke ingang preventief schorsen bij hoogdringendheid conform artikel 59. Die preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd, waarbij die periode nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft. Als het personeelslid geen beroep aantekent, beslaat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is. |
| 9 | § 4bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. | 9 | § 4bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. |
| 10 | In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. | 10 | In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. |
| 11 | § 5. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, behoudt het personeelslid voor het volume van de coördinatieopdracht waarvoor hij op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector. | ||
| 12 | In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, behoudt het personeelslid voor het volume van de coördinatieopdracht waarvoor hij op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector. | ||
| 13 | In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur op 1 september 2020 of op 1 september 2021 een personeelslid op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs als het personeelslid aan volgende voorwaarden voldoet : | ||
| 14 | 1° het personeelslid is op 1 september 2019 overgegaan naar een hogeschool overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013; | ||
| 15 | 2° het personeelslid was uiterlijk op 1 september 2017 vast benoemd in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en was op diezelfde datum belast met een coördinatieopdracht; | ||
| 16 | 3° het personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs. | ||
| 17 | Als het personeelslid deze mutatie opneemt, heeft het personeelslid voor het volume van de coördinatieopdracht waarvoor hij op 1 september 2017 vast benoemd was in het ambt van lector in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs recht op de salarisschaal die verbonden was aan het ambt van lector. | ||
| 18 | § 6. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van stafmedewerker, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. | ||
| 19 | In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van stafmedewerker, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. | ||
| 20 | § 7. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt. | ||
| 21 | In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs voor een opdracht van maximum 10 procent van een voltijdse betrekking, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, behoudt het personeelslid voor het volume van de opdracht waarvoor hij op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector. | ||
| 22 | In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt. | ||
| 23 | In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs voor een opdracht van maximum 10 procent van een voltijdse betrekking, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, behoudt het personeelslid voor het volume van de opdracht waarvoor hij op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector. | ||
| 11 | § 5. ... | ||
| 12 | § 6. ... | ||
| 13 | § 7. ... | ||
| 24 | § 8. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat buitengewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, of een internaat met permanente openstelling als vermeld in deel III, hoofdstuk 6, van dezelfde codificatie, of een tehuis als vermeld in artikel III.37 van dezelfde codificatie, mits zijn akkoord, op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt. | 14 | § 8. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat buitengewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, of een internaat met permanente openstelling als vermeld in deel III, hoofdstuk 6, van dezelfde codificatie, of een tehuis als vermeld in artikel III.37 van dezelfde codificatie, mits zijn akkoord, op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt. |
| 25 | In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat buiten- gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, of een internaat met permanente openstelling als vermeld in deel III, hoofdstuk 6, van dezelfde codificatie, of een tehuis als vermeld in artikel III.37 van dezelfde codificatie, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt. | 15 | In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat buiten- gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, of een internaat met permanente openstelling als vermeld in deel III, hoofdstuk 6, van dezelfde codificatie, of een tehuis als vermeld in artikel III.37 van dezelfde codificatie, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt. |
| 26 | Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste hso) wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van administratief medewerker in het basisonderwijs of het secundair onderwijs. Voor het personeelslid blijft de salarisschaal gelden die hem op grond van de reglementering die gold op 31 augustus 2023 werd verleend voor het ambt waarin hij was aangesteld. | 16 | Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste hso) wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van administratief medewerker in het basisonderwijs of het secundair onderwijs. Voor het personeelslid blijft de salarisschaal gelden die hem op grond van de reglementering die gold op 31 augustus 2023 werd verleend voor het ambt waarin hij was aangesteld. |
| 27 | De betrekking in een school voor buitengewoon basis- of secundair onderwijs die tot en met 31 augustus 2023 werd ingericht overeenkomstig artikel III.29 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 en vanaf 1 september 2023 overeenkomstig artikel 17 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het buitengewoon basisonderwijs en betreffende coördinatieopdrachten door ondersteuningsnetwerken in het basis- en secundair onderwijs, of artikel 311 van de Codex Secundair Onderwijs wordt ingericht, is in het schooljaar 2023-2024 niet onderworpen aan de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. | 17 | De betrekking in een school voor buitengewoon basis- of secundair onderwijs die tot en met 31 augustus 2023 werd ingericht overeenkomstig artikel III.29 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 en vanaf 1 september 2023 overeenkomstig artikel 17 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het buitengewoon basisonderwijs en betreffende coördinatieopdrachten door ondersteuningsnetwerken in het basis- en secundair onderwijs, of artikel 311 van de Codex Secundair Onderwijs wordt ingericht, is in het schooljaar 2023-2024 niet onderworpen aan de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. |
| 18 | §9. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een tehuis als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, mits zijn akkoord op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een onderwijsinternaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt. | ||
| 19 | In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een tehuis als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een onderwijsinternaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt. | ||
| 1 | Deze onderafdeling is van toepassing op het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de internaten. | 1 | Deze onderafdeling is van toepassing op het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. |
| 1 | Met behoud van de toepassing van de principes dat een personeelslid wordt aangesteld of geaffecteerd aan het onderwijsinternaat waar zijn betrekking reglementair wordt opgericht, kan een personeelslid van het ondersteunend personeel ingezet worden in het onderwijsinternaat en in alle vestigingsplaatsen van dit onderwijsinternaat. | ||
| 2 | Bij de toepassing van het eerste lid moeten alleszins de volgende principes worden gehanteerd: | ||
| 3 | 1° de inzetbaarheid van een personeelslid wordt steeds bepaald vanuit de standplaats van het personeelslid; | ||
| 4 | 2° de standplaats van een personeelslid wordt bepaald in onderling overleg tussen het personeelslid en de directeur. De standplaats kan enkel worden gewijzigd na een nieuw overleg; | ||
| 5 | 3° de afstand over de openbare weg tussen de standplaats van het personeelslid en de vestigingsplaats waar het personeelslid bij een wijziging van zijn opdracht wordt ingezet, mag nooit meer dan 25 km bedragen. Dit geldt niet als het personeelslid instemt om over een grotere afstand ingezet te worden of als het personeelslid al een opdracht uitoefent in de vestigingsplaats waar de wijziging plaatsvindt. | ||
| 6 | De bepalingen over de inzetbaarheid en de standplaats, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden, met behoud van de toepassing van artikel 18 en 31, opgenomen in het geschrift waarin de aanstelling wordt vastgesteld, alsook in de functiebeschrijving, vermeld in hoofdstuk VIIIbis van dit decreet. |
| 1 | §1. Een volledige betrekking in een selectie- of bevorderingsambt wordt steeds toegekend hetzij aan één personeelslid, hetzij aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden belast. | 1 | §1. Een volledige betrekking in een selectie- of bevorderingsambt wordt steeds toegekend hetzij aan één personeelslid, hetzij aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden belast. |
| 2 | §2. In afwijking van § 1 kan in het volwassenenonderwijs en in het deeltijds kunstonderwijs een betrekking in een selectieambt worden toegekend aan één of meerdere personeelsleden en een betrekking in een bevorderingsambt aan één of twee personeelsleden. | 2 | §2. In afwijking van § 1 kan in het volwassenenonderwijs en in het deeltijds kunstonderwijs een betrekking in een selectieambt worden toegekend aan één of meerdere personeelsleden en een betrekking in een bevorderingsambt aan één of twee personeelsleden. |
| 3 | §3. Een halftijdse betrekking in een bevorderingsambt in een leersteuncentrum wordt steeds toegekend aan één personeelslid. | ||
| 4 | In afwijking van paragraaf 1 kan in een leersteuncentrum of een leersteuncentrum als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun een betrekking in een selectieambt worden toegekend aan een of meerdere personeelsleden. | ||
| 5 | §4. Een halftijdse betrekking in een bevorderingsambt in een onderwijsinternaat wordt steeds toegekend aan één personeelslid. | ||
| 6 | §5. In afwijking van paragraaf 1 kan in het basisonderwijs een betrekking in een selectieambt worden toegekend aan een of meer personeelsleden. |
| 2 | 1° overheveling van een vestigingsplaats : | 2 | 1° overheveling van een vestigingsplaats : |
| 3 | a) in het basisonderwijs : een herstructurering zoals vermeld in artikel 3, 22°, van het decreet van 25 februari 1997 basisonderwijs, waarbij een school een vestigingsplaats, zijnde een gedeelte van een school, zoals vermeld in artikel 3, 56°, van hetzelfde decreet, afschaft en een andere school tegelijkertijd op dezelfde locatie een vestigingsplaats opricht; | 3 | a) in het basisonderwijs : een herstructurering zoals vermeld in artikel 3, 22°, van het decreet van 25 februari 1997 basisonderwijs, waarbij een school een vestigingsplaats, zijnde een gedeelte van een school, zoals vermeld in artikel 3, 56°, van hetzelfde decreet, afschaft en een andere school tegelijkertijd op dezelfde locatie een vestigingsplaats opricht; |
| 4 | b) ...; | ||
| 4 | b) bij de onderwijsinternaten: een overheveling als vermeld in artikel 46 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten, waarbij een onderwijsinternaat een vestigingsplaats, namelijk een gedeelte van een onderwijsinternaat, afschaft en een ander onderwijsinternaat tegelijkertijd op dezelfde locatie een vestigingsplaats opricht; | ||
| 5 | c) in het volwassenenonderwijs : de overheveling van het geheel van het onderwijsaanbod georganiseerd in een vestigingsplaats zoals vermeld in artikel 2, 33°, 40° en 44°, en artikel 65 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs; | 5 | c) in het volwassenenonderwijs : de overheveling van het geheel van het onderwijsaanbod georganiseerd in een vestigingsplaats zoals vermeld in artikel 2, 33°, 40° en 44°, en artikel 65 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs; |
| 6 | d) in het deeltijds kunstonderwijs: de overheveling van een of meer structuuronderdelen in een bepaalde vestigingsplaats als vermeld in artikel 131 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs; | 6 | d) in het deeltijds kunstonderwijs: de overheveling van een of meer structuuronderdelen in een bepaalde vestigingsplaats als vermeld in artikel 131 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs; |
| 4 | § 3. De raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - of de scholengemeenschap, indien de instelling tot een scholengemeenschap behoort, onderhandelt de algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen in het lokaal comité, met dien verstande dat rekening moet worden gehouden met de principes vermeld in dit hoofdstuk. De kerntaken die moeten worden opgenomen in de functiebeschrijvingen kunnen op deze manier per ambt, en desgevallend binnen het ambt per functie, worden vastgelegd. | 4 | § 3. De raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - of de scholengemeenschap, indien de instelling tot een scholengemeenschap behoort, onderhandelt de algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen in het lokaal comité, met dien verstande dat rekening moet worden gehouden met de principes vermeld in dit hoofdstuk. De kerntaken die moeten worden opgenomen in de functiebeschrijvingen kunnen op deze manier per ambt, en desgevallend binnen het ambt per functie, worden vastgelegd. |
| 5 | De raden van bestuur van de CLB's die een regionale ondersteuningscel vormen, maken algemene afspraken over de functiebeschrijvingen, waarbij ze rekening houden met de principes, vermeld in dit hoofdstuk. Over deze afspraken wordt onderhandeld in de respectieve lokale comités van de betrokken CLB's of desgevallend in het lokaal onderhandelingscomité van de netoverstijgende regionale ondersteuningscel als vermeld in artikel 50 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. De kerntaken die moeten worden opgenomen in de functiebeschrijvingen kunnen op deze manier per ambt, en desgevallend binnen het ambt per functie worden vastgelegd. | 5 | De raden van bestuur van de CLB's die een regionale ondersteuningscel vormen, maken algemene afspraken over de functiebeschrijvingen, waarbij ze rekening houden met de principes, vermeld in dit hoofdstuk. Over deze afspraken wordt onderhandeld in de respectieve lokale comités van de betrokken CLB's of desgevallend in het lokaal onderhandelingscomité van de netoverstijgende regionale ondersteuningscel als vermeld in artikel 50 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. De kerntaken die moeten worden opgenomen in de functiebeschrijvingen kunnen op deze manier per ambt, en desgevallend binnen het ambt per functie worden vastgelegd. |
| 6 | § 4. De directeur wijst voor ieder personeelslid van zijn instelling twee evaluatoren aan. De raad van bestuur wijst voor elk van de personeelsleden van een autonoom internaat en voor elk personeelslid waarvoor de scholengroep als instelling wordt beschouwd, twee evaluatoren aan. Hierbij wordt rekening gehouden met volgende principes : | 6 | § 4. De directeur wijst voor ieder personeelslid van zijn instelling twee evaluatoren aan. De raad van bestuur wijst voor elk personeelslid waarvoor de scholengroep als instelling wordt beschouwd, twee evaluatoren aan. Hierbij wordt rekening gehouden met volgende principes : |
| 7 | 1° voor personeelsleden tewerkgesteld in wervingsambten moet één van beide evaluatoren steeds de directeur, de adjunct-directeur of - voor het CLB - de coördinator zijn. Wordt het wervingsambt evenwel uitgeoefend in een autonoom internaat, dan moet één van beide evaluatoren steeds de beheerder van dat internaat zijn; | 7 | 1° voor personeelsleden tewerkgesteld in wervingsambten moet één van beide evaluatoren steeds de directeur, de adjunct-directeur of - voor het CLB, het leersteuncentrum of het leersteuncentrum, vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, - de coördinator zijn; |
| 8 | 2° voor de eerste evaluator gelden volgende bepalingen : | 8 | 2° voor de eerste evaluator gelden volgende bepalingen : |
| 9 | - de eerste evaluator moet een personeelslid zijn van de instelling waar het betrokken personeelslid is tewerkgesteld. | 9 | - de eerste evaluator moet een personeelslid zijn van de instelling waar het betrokken personeelslid is tewerkgesteld. |
| 18 | - de adviseur-coördinator is de eerste evaluator. Hij heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De adviseur-coördinator moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen; | 18 | - de adviseur-coördinator is de eerste evaluator. Hij heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De adviseur-coördinator moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen; |
| 19 | - de afgevaardigd bestuurder is de tweede evaluator. Zijn rol wordt bepaald binnen de algemene afspraken bedoeld in § 3 en in artikel 73novies, maar deze afspraken mogen geen afbreuk doen aan de rol en de taken van de eerste evaluator zoals vastgelegd in dit artikel en in artikel 73decies. Deze afspraken moeten minstens inhouden dat het personeelslid en de eerste evaluator op hun verzoek tijdens de in hoofdstuk VIIIbis en VIIIter bedoelde procedure steeds een beroep kunnen doen op de tweede evaluator. | 19 | - de afgevaardigd bestuurder is de tweede evaluator. Zijn rol wordt bepaald binnen de algemene afspraken bedoeld in § 3 en in artikel 73novies, maar deze afspraken mogen geen afbreuk doen aan de rol en de taken van de eerste evaluator zoals vastgelegd in dit artikel en in artikel 73decies. Deze afspraken moeten minstens inhouden dat het personeelslid en de eerste evaluator op hun verzoek tijdens de in hoofdstuk VIIIbis en VIIIter bedoelde procedure steeds een beroep kunnen doen op de tweede evaluator. |
| 20 | § 5.In afwijking van § 4 worden de beheerder van een autonoom internaat en de directeur geëva-lueerd door de raad van bestuur. De directeur van het vormingscentrum en de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst worden geëvalueerd door de afgevaardigd bestuurder. De directeur, belast met de functie directeur coördinatie-scholengemeenschap, wordt geëvalueerd door de evaluator die in overleg wordt aangeduid door de scholengemeenschap. Deze personeelsleden hebben geen tweede evaluator. | 20 | § 5.In afwijking van paragraaf 4 wordt de directeur geëvalueerd door de raad van bestuur. De directeur van het vormingscentrum en de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst worden geëvalueerd door de afgevaardigd bestuurder. De directeur, belast met de functie directeur coördinatie-scholengemeenschap, wordt geëvalueerd door de evaluator die in overleg wordt aangeduid door de scholengemeenschap. Deze personeelsleden hebben geen tweede evaluator. |
| 21 | Als een raad van bestuur in een onderwijsinternaat slechts een halftijdse betrekking in het ambt van directeur opricht, en het betrokken personeelslid deze betrekking van directeur combineert met een betrekking in een wervings- of selectieambt in dezelfde instelling, dan wordt het personeelslid in afwijking van paragraaf 4 voor beide ambten geëvalueerd door de raad van bestuur. Het personeelslid heeft geen tweede evaluator. | ||
| 22 | Als een raad van bestuur in een leersteuncentrum slechts een halftijdse betrekking in het ambt van directeur opricht, en het betrokken personeelslid deze betrekking van directeur combineert met een betrekking in een wervings- of selectieambt in dezelfde instelling, wordt het personeelslid in afwijking van paragraaf 4 voor beide ambten geëvalueerd door de raad van bestuur. Het personeelslid heeft geen tweede evaluator. | ||
| 21 | Voor de toepassing van hoofdstuk VIIIbis en van hoofdstuk VIIIter wordt deze evaluator steeds beschouwd als eerste evaluator. | 23 | Voor de toepassing van hoofdstuk VIIIbis en van hoofdstuk VIIIter wordt deze evaluator steeds beschouwd als eerste evaluator. |
| 22 | De eerste evaluator heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. | 24 | De eerste evaluator heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. |
| 25 | Wie na deze termijn niet aan deze voorwaarde voldoet kan niet evalueren. | 27 | Wie na deze termijn niet aan deze voorwaarde voldoet kan niet evalueren. |
| 26 | : | 28 | : |
| 27 | § 7. De functiebeschrijving, die moet vastgelegd worden per ambt en per instelling, bevat de kerntaken van het personeelslid. De kerntaken omvatten de taken eigen aan de functie, de professionalisering, en het overleg en de samenwerking met directie, collega's en desgevallend CLB en ouders . Wanneer zijn kerntaken wijzigen, krijgt het personeelslid een nieuwe functiebeschrijving. Daarbij wordt rekening gehouden met de algemene afspraken die in uitvoering van paragraaf 3 zijn vastgelegd en met de bepalingen van het arbeidsreglement. | 29 | § 7. De functiebeschrijving, die moet vastgelegd worden per ambt en per instelling, bevat de kerntaken van het personeelslid. De kerntaken omvatten de taken eigen aan de functie, de professionalisering, en het overleg en de samenwerking met directie, collega's en desgevallend CLB, ouders en leersteuncentra of leersteuncentra als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun. Wanneer zijn kerntaken wijzigen, krijgt het personeelslid een nieuwe functiebeschrijving. Daarbij wordt rekening gehouden met de algemene afspraken die in uitvoering van paragraaf 3 zijn vastgelegd en met de bepalingen van het arbeidsreglement. |
| 28 | § 8. De functiebeschrijving van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken functiebeschrijving door een afgevaardigde van de bevoegde instantie. | 30 | § 8. De functiebeschrijving van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken functiebeschrijving door een afgevaardigde van de bevoegde instantie. |
| 18 | § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het secretariaat en de werkingskosten van het college van beroep. | 18 | § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het secretariaat en de werkingskosten van het college van beroep. |
| 19 | § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende de beroepsprocedure en betreffende de werking van de kamers van het college van beroep, in het procedurereglement, met dien verstande dat : | 19 | § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende de beroepsprocedure en betreffende de werking van de kamers van het college van beroep, in het procedurereglement, met dien verstande dat : |
| 20 | 1° op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen volgend op de overhandiging van de kopie van het evaluatieverslag met de eindconclusie 'onvoldoende' door de eerste evaluator, de raad van bestuur voor de beheerder van een autonoom internaat en de directeur of de afgevaardigd bestuurder voor de directeur van het vormingscentrum. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. De voormelde termijn van twintig kalenderdagen kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode. Indien de beroepsmogelijkheden in strijd met artikel 73decies, § 2, niet vermeld zijn in het evaluatieverslag, dan neemt de termijn van twintig kalenderdagen een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende" werd overhandigd; | 20 | 1° op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen volgend op de overhandiging van de kopie van het evaluatieverslag met de eindconclusie 'onvoldoende' door de eerste evaluator, de raad van bestuur voor de directeur of de afgevaardigd bestuurder voor de directeur van het vormingscentrum. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. De voormelde termijn van twintig kalenderdagen kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode. Indien de beroepsmogelijkheden in strijd met artikel 73decies, § 2, niet vermeld zijn in het evaluatieverslag, dan neemt de termijn van twintig kalenderdagen een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende" werd overhandigd; |
| 21 | 2° het beroep de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' opschort; | 21 | 2° het beroep de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' opschort; |
| 22 | 3° voor het vaststellen van de redenen tot wraking van de voorzitter en de leden zal worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek; | 22 | 3° voor het vaststellen van de redenen tot wraking van de voorzitter en de leden zal worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek; |
| 23 | 4° de rechten van verdediging tijdens de procedure worden gewaarborgd. | 23 | 4° de rechten van verdediging tijdens de procedure worden gewaarborgd; |
| 24 | 5° een beroep kan worden behandeld volgens de vereenvoudigde procedure als het beroep zonder voorwerp of klaarblijkelijk onontvankelijk is, of als het college van beroep klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen. | ||
| 1 | In afwijking van artikel 21, § 3, en artikel 21bis, § 3, kan een personeelslid zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur doen gelden in een internaat dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen, zoals bedoeld in artikel III.38 en volgende van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, van een andere scholengroep die voor 1 september 2015 geen internaat had dat de opvang verzekerde van leerlingen tijdens de schoolvrije dagen, op voorwaarde dat dit personeelslid: | ||
| 2 | - uiterlijk op 1 september 2015 het recht zou hebben verworven op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een internaat dat de opvang verzekert van leerlingen tijdens de schoolvrije dagen | ||
| 3 | en | ||
| 4 | - geen personeelslid is bedoeld in artikel 9, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 november 2014 betreffende verblijf en begeleiding tijdens de schoolvrije dagen in de internaten van het gemeenschapsonderwijs tijdens de transitiefase. | ||
| 5 | Vanaf het ogenblik dat het personeelslid effectief een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur toegewezen krijgt in toepassing van de bepalingen van het eerste lid, kan hij deze bepalingen niet meer inroepen in een andere scholengroep. | ||
| 6 | Een personeelslid kan gedurende een periode van maximum vijf opeenvolgende schooljaren beroep doen op dit artikel. Deze periode vangt aan met ingang van 1 september 2015. |
| 1 | §1. Voor de personeelsleden die in het schooljaar 2022-2023 in dienst zijn als contractueel personeelslid in een functie van opvoeder en aangesteld worden in een onderwijsinternaat binnen de omkadering, vermeld in artikel 25 tot en met 28 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten, worden de diensten die gepresteerd zijn als contractueel personeelslid in een functie van opvoeder, beschouwd als dienstanciënniteit als vermeld in artikel 4, 21 en 36. De diensten worden beschouwd alsof ze gepresteerd zijn in het ambt van internaats- medewerker in de personeelscategorie van het ondersteunend personeel in een onderwijsinternaat. | ||
| 2 | In afwijking van het eerste lid komen de volgende periodes niet in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit: | ||
| 3 | 1° politiek verlof of politiek mandaat; | ||
| 4 | 2° onbezoldigde ziektedagen; | ||
| 5 | 3° verlof zonder wedde. | ||
| 6 | §2. In afwijking van de bepalingen van artikel 21, §3 en §4, heeft het personeels lid, vermeld in paragraaf 1, op 1 september 2023 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als het personeelslid voldoet aan de volgende voorwaarden: | ||
| 7 | 1° het personeelslid wordt op 1 september 2023 aangesteld in een onderwijs- internaat binnen de omkadering, vermeld in artikel 25 tot en met 28 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten; | ||
| 8 | 2° het personeelslid heeft op 1 september 2023 een dienstanciënniteit verworven van 290 dagen; | ||
| 9 | 3° het personeelslid stelt zich, om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 augustus 2023 kandidaat bij de raad van bestuur. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een aangetekende brief of op een wijze die door het college van directeurs, na onderhandeling in het bevoegde lokaal comité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een aangetekende brief. De raad van bestuur deelt de mogelijkheden van mededeling van kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt die ook openbaar. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, vermeld in dit artikel, geldt die vanaf dat ogenblik als een kandidatuur voor dat ambt die over de schooljaren doorloopt. | ||
| 10 | Voor het bepalen van de dienstanciënniteit, bedoeld in punt 2°, wordt, in afwijking van artikel 4, §1, a), het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd. | ||
| 11 | §3. In afwijking van artikel 36, eerste lid, 1°, wordt voor het personeelslid, vermeld in paragraaf 1, voor een vaste benoeming op 1 januari 2024 de dienstanciënniteit in het ambt van internaatsmedewerker vastgesteld op 1 september 2023. | ||
| 12 | §4. Voor de personeelsleden die in het schooljaar 2022-2023 in dienst zijn als contractueel personeelslid en aangesteld worden in een onderwijsinternaat binnen de omkadering, vermeld in artikel 25 tot en met 28 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten wordt de geldelijke anciënniteit die uiterlijk op 31 augustus 2023 door de raad van bestuur was toegekend aan hen als contractueel personeelslid meegenomen. |
| 1 | §1. De vastbenoemde en tot de proeftijd toegelaten beheerders die op 31 augustus 2023 titularis zijn van een betrekking en die op 1 september 2023 niet als directeur in een onderwijsinternaat worden aangesteld, worden, voor het volume van de opdracht waarvan ze op 31 augustus 2023 titularis zijn, aangesteld in het ambt van internaatsmedewerker in de personeelscategorie van het ondersteunend personeel binnen de omkadering, vermeld in artikel 25 tot en met 28 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten. Ze behouden de salarisschaal die ze hebben op 31 augustus 2023, tenzij ze door het besluit van de Vlaamse Regering dat de salarisschalen regelt, recht hebben op een gunstiger salaris. | ||
| 2 | §2. Een personeelslid dat op 31 augustus 2023 tot de proeftijd is toegelaten in het ambt van beheerder, wordt, na twaalf maanden effectieve prestaties vanaf zijn toelating tot de proeftijd in het ambt van beheerder, vastbenoemd in het ambt van directeur, als hij op 1 september 2023 het ambt van directeur heeft toegewezen gekregen. |
| 9 | - het beleids- en ondersteunend personeel; | 9 | - het beleids- en ondersteunend personeel; |
| 10 | - het administratief personeel; | 10 | - het administratief personeel; |
| 11 | - het leerondersteunend personeel; | ||
| 11 | tewerkgesteld in de gesubsidieerde | 12 | tewerkgesteld in de volgende gesubsidieerde instellingen: |
| 12 | - scholen van het basisonderwijs, instellingen voor secundair onderwijs, academies voor deeltijds kunstonderwijs en centra voor volwassenenonderwijs; | 13 | - scholen van het basisonderwijs, instellingen voor secundair onderwijs, academies voor deeltijds kunstonderwijs en centra voor volwassenenonderwijs; |
| 13 | - tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben; | ||
| 14 | - internaten; | ||
| 14 | - ...; | ||
| 15 | - onderwijsinternaten; | ||
| 16 | - de leersteuncentra; | ||
| 15 | - de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscellen, verder CLB's genoemd. | 17 | - de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscellen, verder CLB's genoemd. |
| 16 | Deze titel is eveneens van toepassing op de gesubsidieerde personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdiensten zoals bedoeld in artikel 14 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. | 18 | Deze titel is eveneens van toepassing op de gesubsidieerde personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdiensten zoals bedoeld in artikel 14 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. |
| 1 | Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder: | 1 | Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder: |
| 2 | 1° de instelling: de scholen van het basisonderwijs, de scholen en de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs van het secundair onderwijs, de scholengemeenschapsinstellingen, de academies voor deeltijds kunstonderwijs, de centra voor volwassenenonderwijs, de tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben en de internaten. Het internaat toegevoegd aan een school maakt deel uit van die school; | 2 | 1° de instelling: de scholen van het basisonderwijs, de scholen en de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs van het secundair onderwijs, de scholengemeenschapsinstellingen, de academies voor deeltijds kunstonderwijs, de centra voor volwassenenonderwijs, de leersteuncentra en de onderwijsinternaten; |
| 3 | 2° de centra: de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscellen en pedagogische begeleidingsdiensten; | 3 | 2° de centra: de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscellen en pedagogische begeleidingsdiensten; |
| 4 | 3° het net : | 4 | 3° het net : |
| 8 | 4° de aanvullende regels van het bevoegd paritair comité: de regels die door de in titel I bedoelde paritaire comités met betrekking tot de rechtspositie van de aan dit decreet onderworpen personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs zijn vastgesteld en waaraan bij besluit van de Vlaamse regering algemeen verbindende kracht is gegeven; | 8 | 4° de aanvullende regels van het bevoegd paritair comité: de regels die door de in titel I bedoelde paritaire comités met betrekking tot de rechtspositie van de aan dit decreet onderworpen personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs zijn vastgesteld en waaraan bij besluit van de Vlaamse regering algemeen verbindende kracht is gegeven; |
| 9 | 5° de vacante betrekking: betrekking die niet is toegewezen aan een in de zin van dit decreet vastbenoemd personeelslid. Met het oog op een vaste benoeming is dit ook een betrekking die vacant wordt verklaard volgens artikel 33, § 1, 4°, 5° en 6°, artikel 84undevicies of artikel 84vicies sexies, § 1, 4°, 5° en 6; | 9 | 5° de vacante betrekking: betrekking die niet is toegewezen aan een in de zin van dit decreet vastbenoemd personeelslid. Met het oog op een vaste benoeming is dit ook een betrekking die vacant wordt verklaard volgens artikel 33, § 1, 4°, 5° en 6°, artikel 84undevicies of artikel 84vicies sexies, § 1, 4°, 5° en 6; |
| 10 | 6° het schooljaar: de periode van 1 september tot 31 augustus van het daaropvolgend jaar voor het voorschools, lager en secundair onderwijs; het academiejaar voor het hoger kunstonderwijs en het hoger onderwijs van het korte type en het dienstjaar voor de CLB's; | 10 | 6° het schooljaar: de periode van 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende jaar; |
| 11 | 7° de titularis: het personeelslid dat in een vacante betrekking vastbenoemd of tijdelijk aangesteld is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt; | 11 | 7° de titularis: het personeelslid dat in een vacante betrekking vastbenoemd of tijdelijk aangesteld is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt; |
| 12 | 8° de bekwaamheidsbewijzen: de door de Vlaamse regering voor het ambt bepaalde bekwaamheidsbewijzen; | 12 | 8° de bekwaamheidsbewijzen: de door de Vlaamse regering voor het ambt bepaalde bekwaamheidsbewijzen; |
| 15 | 11° een ambt: een functie die in de onderwijssector wordt uitgeoefend en door de Gemeenschap wordt gefinancierd. | 15 | 11° een ambt: een functie die in de onderwijssector wordt uitgeoefend en door de Gemeenschap wordt gefinancierd. |
| 16 | De Vlaamse regering stelt de verschillende ambten vast en maakt een indeling in wervings-, selectie- en bevorderingsambten. Zolang de Vlaamse regering geen uitvoering heeft verleend aan deze bepaling blijft de bestaande reglementering van kracht; | 16 | De Vlaamse regering stelt de verschillende ambten vast en maakt een indeling in wervings-, selectie- en bevorderingsambten. Zolang de Vlaamse regering geen uitvoering heeft verleend aan deze bepaling blijft de bestaande reglementering van kracht; |
| 17 | 12° een betrekking: de concrete werkgelegenheid in een bepaald ambt in een instelling of centrum, uitgedrukt in een door de inrichtende macht bepaald aantal prestatie-eenheden per week. Als het gaat om een onderwijsopdracht vermeldt de inrichtende macht eveneens het onderwijsniveau, de opleiding, de module, het vak en de specialiteit ervan of de met het vak of specialiteit gelijkgestelde activiteit, de graad en voor het voor het voltijds secundair onderwijs eventueel het HBO5, de onderwijsvorm of de opleidingsvorm. Als het gaat om een opdracht in een ambt van het beleids- en ondersteunend personeelof in een ambt van het ondersteunend personeel dan vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste opleidingsniveau en - uitgezonderd voor de CLB's - de puntenwaarde. | 17 | 12° een betrekking: de concrete werkgelegenheid in een bepaald ambt in een instelling of centrum, uitgedrukt in een door de inrichtende macht bepaald aantal prestatie-eenheden per week. Als het gaat om een onderwijsopdracht vermeldt de inrichtende macht eveneens het onderwijsniveau, de opleiding, de module, het vak en de specialiteit ervan of de met het vak of specialiteit gelijkgestelde activiteit, de graad en voor het voor het voltijds secundair onderwijs eventueel het HBO5, de onderwijsvorm of de opleidingsvorm. Als het gaat om een opdracht in een ambt van het beleids- en ondersteunend personeel, van het leerondersteunend personeel of in een ambt van het ondersteunend personeel dan vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste opleidingsniveau en - uitgezonderd voor de CLB's - de puntenwaarde. |
| 18 | Een betrekking kan volledig of onvolledig zijn. Een volledige betrekking stemt overeen met het aantal prestatie-eenheden vereist voor een ambt met volledige prestaties. | 18 | Een betrekking kan volledig of onvolledig zijn. Een volledige betrekking stemt overeen met het aantal prestatie-eenheden vereist voor een ambt met volledige prestaties. |
| 19 | Een personeelslid dat deeltijds werkt, heeft het recht dat deze prestaties maximaal over een proportioneel aantal halve dagen per week worden gespreid; | 19 | Een personeelslid dat deeltijds werkt, heeft het recht dat deze prestaties maximaal over een proportioneel aantal halve dagen per week worden gespreid; |
| 33 | 26° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs. | 33 | 26° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs. |
| 34 | 27° leeftijdsgrens : het einde van het schooljaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. | 34 | 27° leeftijdsgrens : het einde van het schooljaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. |
| 35 | 28° de inrichtende macht : de schoolbesturen van het basisonderwijs en van het voltijds secundair onderwijs, de centrumbesturen van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, de rechtspersonen die bevoegdheid dragen voor de scholengemeenschapsinstellingen, de centrumbesturen van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, de schoolbesturen van het deeltijds kunstonderwijs, van de internaten en de besturen van tehuizen voor kinderen met ouders die geen vaste verblijfplaats hebben, van de autonome internaten en van de pedagogische begeleidingsdiensten; | 35 | 28° de inrichtende macht : de schoolbesturen van het basisonderwijs en van het voltijds secundair onderwijs, de besturen van de leersteuncentra, de centrumbesturen van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, de rechtspersonen die bevoegdheid dragen voor de scholengemeenschapsinstellingen, de centrumbesturen van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, de schoolbesturen van het deeltijds kunstonderwijs, de besturen van de pedagogische begeleidingsdiensten en de onderwijsinternaatsbesturen van de onderwijsinternaten; |
| 36 | 29° leerkracht levensbeschouwelijk onderricht: de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer en de leraar niet-confessionele zedenleer; | 36 | 29° leerkracht levensbeschouwelijk onderricht: de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer en de leraar niet-confessionele zedenleer; |
| 37 | 30° MEDEX: de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, Medische Expertise, cel Pensioenen; | 37 | 30° MEDEX: de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, Medische Expertise, cel Pensioenen; |
| 38 | 31° preventieadviseur-arbeidsgeneesheer: de preventieadviseur deskundig in arbeidsgeneeskunde verbonden aan de externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk zoals bepaald in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk; | 38 | 31° preventieadviseur-arbeidsgeneesheer: de preventieadviseur deskundig in arbeidsgeneeskunde verbonden aan de externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk zoals bepaald in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk; |
| 39 | 32° regionale ondersteuningscel: de netoverstijgende regionale ondersteuningscel of de regionale ondersteuningscel, vermeld in artikel 16 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding; | 39 | 32° regionale ondersteuningscel: de netoverstijgende regionale ondersteuningscel of de regionale ondersteuningscel, vermeld in artikel 16 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding; |
| 40 | 33° aanvangsbegeleiding: de structureel verankerde ondersteuning van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur. De aanvangsbegeleiding ondersteunt het tijdelijke personeelslid in het leren beheersen van zijn kerntaken, in het zichzelf verder leren ontwikkelen als persoon en professional en in het leren vinden van zijn weg in zijn instelling als werkplek en lerende organisatie. | 40 | 33° aanvangsbegeleiding: de structureel verankerde ondersteuning van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur. De aanvangsbegeleiding ondersteunt het tijdelijke personeelslid in het leren beheersen van zijn kerntaken, in het zichzelf verder leren ontwikkelen als persoon en professional en in het leren vinden van zijn weg in zijn instelling als werkplek en lerende organisatie; |
| 41 | 34° een leersteuncentrum: een centrum als vermeld in artikel 20, §1, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun; | ||
| 42 | 35° onderwijsinternaten: de onderwijsinternaten die erkend zijn overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten; | ||
| 1 | §1. Voor het berekenen van de dienstanciënniteit: | 1 | §1. Voor het berekenen van de dienstanciënniteit: |
| 2 | a) bestaat het aantal dagen, gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen gerekend van het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden met uitzondering van de zomervakantie, als ze in die activiteitsperiode vallen. Dat aantal wordt vermenigvuldigd met 1,2. In afwijking hiervan bestaat voor het administratief personeel, de administratief medewerker van het beleids- en ondersteunend personeel, de administratief medewerker van het ondersteunend personeel en voor de personeelsleden van de CLB's, de semi-internaten en de opvangcentra, het aantal dagen gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen van het begin tot het einde van een ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden. Dit aantal wordt niet vermenigvuldigd met 1,2. | 2 | a) bestaat het aantal dagen, gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen gerekend van het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden met uitzondering van de zomervakantie, als ze in die activiteitsperiode vallen. Dat aantal wordt vermenigvuldigd met 1,2. In afwijking hiervan bestaat voor het administratief personeel, de administratief medewerker van het beleids- en ondersteunend personeel, de administratief medewerker van het ondersteunend personeel en voor de personeelsleden van de CLB's het aantal dagen gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen van het begin tot het einde van een ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden. Dit aantal wordt niet vermenigvuldigd met 1,2. |
| 3 | De dagen, gepresteerd in een andere hoedanigheid dan die van tijdelijk personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, worden gerekend vanaf het begin tot het einde van een ononderbroken periode van dienstactiviteit, met inbegrip van alle vakantieperioden; | 3 | De dagen, gepresteerd in een andere hoedanigheid dan die van tijdelijk personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, worden gerekend vanaf het begin tot het einde van een ononderbroken periode van dienstactiviteit, met inbegrip van alle vakantieperioden; |
| 4 | b) worden de dagen gepresteerd in een betrekking met onvolledige dienstprestaties, die tenminste de helft bedragen van het aantal uren vereist voor het ambt met volledige dienstprestaties, op dezelfde grond in acht genomen als de dagen gepresteerd in een ambt met volledige dienstprestaties. Het aantal dagen gepresteerd in een betrekking die niet de helft bedraagt van het aantal uren, vereist voor een betrekking met volledige dienstprestaties, wordt met de helft verminderd; | 4 | b) worden de dagen gepresteerd in een betrekking met onvolledige dienstprestaties, die tenminste de helft bedragen van het aantal uren vereist voor het ambt met volledige dienstprestaties, op dezelfde grond in acht genomen als de dagen gepresteerd in een ambt met volledige dienstprestaties. Het aantal dagen gepresteerd in een betrekking die niet de helft bedraagt van het aantal uren, vereist voor een betrekking met volledige dienstprestaties, wordt met de helft verminderd; |
| 10 | f) worden als diensten in het gesubsidieerd onderwijs en de centra beschouwd, de gesubsidieerde diensten door het personeelslid gepresteerd in de stand dienstactiviteit, als ook het verlof dat hem is toegekend overeenkomstig artikel 51 | 10 | f) worden als diensten in het gesubsidieerd onderwijs en de centra beschouwd, de gesubsidieerde diensten door het personeelslid gepresteerd in de stand dienstactiviteit, als ook het verlof dat hem is toegekend overeenkomstig artikel 51 |
| 11 | Als diensten worden eveneens beschouwd, de perioden tijdens dewelke het personeelslid zich in de administratieve stand van terbeschikkingstelling bevindt zoals bepaald in artikel 56, a en b; | 11 | Als diensten worden eveneens beschouwd, de perioden tijdens dewelke het personeelslid zich in de administratieve stand van terbeschikkingstelling bevindt zoals bepaald in artikel 56, a en b; |
| 12 | g) kan gedurende een schooljaar een dienstanciënniteit van maximaal 360 dagen worden verworven. | 12 | g) kan gedurende een schooljaar een dienstanciënniteit van maximaal 360 dagen worden verworven; |
| 13 | h) tellen de kalenderdagen die gepresteerd zijn als tijdelijk personeelslid tussen 1 juli en 31 augustus in een betrekking van het zomeraanbod, vermeld in artikel 130quater van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, mee om de dienstanciënniteit te berekenen, vermeld in punt a), eerste lid. | ||
| 13 | §2. Voor de berekening van de dienstanciënniteit komen de hiervoor bedoelde diensten enkel in aanmerking indien ze gepresteerd werden in hoofdambt. | 14 | §2. Voor de berekening van de dienstanciënniteit komen de hiervoor bedoelde diensten enkel in aanmerking indien ze gepresteerd werden in hoofdambt. |
| 14 | §3. De regering bepaalt op welke wijze de volgende diensten mee in aanmerking worden genomen voor het berekenen van de dienstanciënniteit in de CLB's in het gesubsidieerd onderwijs: | 15 | §3. De regering bepaalt op welke wijze de volgende diensten mee in aanmerking worden genomen voor het berekenen van de dienstanciënniteit in de CLB's in het gesubsidieerd onderwijs: |
| 15 | 1° contractueel personeelslid bij een PMS-centrum; | 16 | 1° contractueel personeelslid bij een PMS-centrum; |
| 16 | 2° contractueel personeelslid bij een equipe voor medisch schooltoezicht; | 17 | 2° contractueel personeelslid bij een equipe voor medisch schooltoezicht; |
| 17 | 3° gesubsidieerde contractueel; | 18 | 3° gesubsidieerde contractueel; |
| 18 | 4° personeelslid bij een consultatiebureau voor gehandicapten. | 19 | 4° personeelslid bij een consultatiebureau voor gehandicapten. |
| 19 | §4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker. | 20 | §4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker. |
| 20 | Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de inrichtende macht de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De inrichtende macht kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1. | 21 | Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de inrichtende macht de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De inrichtende macht kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1. |
| 21 | §5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of artikel 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, §2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs en artikel III.36 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel. | 22 | §5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, §2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 52, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en artikel 43, §2, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel. |
| 1 | De inrichtende macht stelt aan haar personeelsleden de middelen ter beschikking die zij nodig hebben om hun opdracht uit te voeren. | 1 | De inrichtende macht stelt aan haar personeelsleden de middelen ter beschikking die zij nodig hebben om hun opdracht uit te voeren. |
| 2 | Als een personeelslid in het kader van zijn opdracht bovenop deze middelen extra onkosten maakt, moet de inrichtende macht deze onkosten vergoeden op voorwaarde dat de directeur of de beheerder van de instelling waar het personeelslid zijn opdracht uitoefent aan het personeelslid vooraf toestemming heeft gegeven om die onkosten te maken. | 2 | Als een personeelslid in het kader van zijn opdracht bovenop deze middelen extra onkosten maakt, moet de inrichtende macht deze onkosten vergoeden op voorwaarde dat de directeur van de instelling waar het personeelslid zijn opdracht uitoefent aan het personeelslid vooraf toestemming heeft gegeven om die onkosten te maken. |
| 3 | De middelen waarvoor de kosten gedragen worden door de inrichtende macht, blijven eigendom van de inrichtende macht. | 3 | De middelen waarvoor de kosten gedragen worden door de inrichtende macht, blijven eigendom van de inrichtende macht. |
| 1 | § 1. Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld, als hij op het ogenblik van de aanstelling niet voldoet aan de voorwaarden van artikel V.46, §1, 1°, 2° en 4°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs en artikel 18, §1, 1°, 2°, 4°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs, artikel 73, §1, 1°, 2° en 6°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, artikel 66, 1°, 2° en 6°, van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 24 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding of van artikel 106, §1, 1°, a), b) en d), van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en daarenboven : | 1 | § 1. Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld, als hij op het ogenblik van de aanstelling niet voldoet aan de voorwaarden van artikel V.45, 1° en 2°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, artikel 18, §1, 1° en 2°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, artikel 73, §1, 1° en 2°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, artikel 35, §1, 1° en 2°, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten, artikel 66, 1°, 2° en 6°, van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 33, eerste lid, 1°, a) en b), van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, artikel 24 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding of van artikel 106, §1, 1°, a) en b), van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en daarenboven : |
| 2 | 1° houder is van een bekwaamheidsbewijs voor het ambt, zoals bedoeld in artikel 5, 8°; | 2 | 1° houder is van een bekwaamheidsbewijs voor het ambt, zoals bedoeld in artikel 5, 8°; |
| 3 | 2° voldoet aan de taalvereisten zoals bepaald in artikel 19bis tot en met 19quinquies; | 3 | 2° voldoet aan de taalvereisten zoals bepaald in artikel 19bis tot en met 19quinquies; |
| 1 | § 1. De inrichtende macht kan een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor bepaalde duur met een opzeggingstermijn van dertig kalenderdagen ontslaan. De redenen van dit ontslag kunnen enkel en alleen verband houden met een tekortkoming aan zijn plichten. | 1 | § 1. De inrichtende macht kan een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor bepaalde duur met een opzeggingstermijn van dertig kalenderdagen ontslaan. De redenen van dit ontslag kunnen enkel en alleen verband houden met een tekortkoming aan zijn plichten. |
| 2 | Het ontslag bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk gemotiveerd en aan het personeelslid betekend conform artikel 27. | 2 | Het ontslag bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk gemotiveerd en aan het personeelslid betekend conform artikel 27. |
| 3 | § 1bis. Onverminderd § 1 en tot en met 31 augustus 2009 kan een inrichtende macht in het basisonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs, de tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben en de internaten een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor bepaalde duur met een opzeggingstermijn van dertig kalenderdagen ontslaan om redenen die verband houden met zijn geschiktheid. | ||
| 3 | § 1bis. ... | ||
| 4 | Het ontslag bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk gemotiveerd en aan het personeelslid betekend conform artikel 27. | 4 | Het ontslag bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk gemotiveerd en aan het personeelslid betekend conform artikel 27. |
| 5 | § 2. Wanneer het personeelslid wiens aanstelling met toepassing van § 1 en § 1bis wordt beëindigd, reeds eerder bij tuchtmaatregel was teruggezet tot de tijdelijke aanstelling, wordt, zo nodig, de duur van de opzeggingstermijn verlengd afhankelijk van het aantal arbeidsdagen die nodig zijn om aanspraak te hebben op de uitkeringen van de werkloosheids- en de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. Tijdens deze opzeggingstermijn is artikel 21, § 1, b en f, niet van toepassing. | 5 | § 2. Wanneer het personeelslid wiens aanstelling met toepassing van § 1 en § 1bis wordt beëindigd, reeds eerder bij tuchtmaatregel was teruggezet tot de tijdelijke aanstelling, wordt, zo nodig, de duur van de opzeggingstermijn verlengd afhankelijk van het aantal arbeidsdagen die nodig zijn om aanspraak te hebben op de uitkeringen van de werkloosheids- en de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. Tijdens deze opzeggingstermijn is artikel 21, § 1, b en f, niet van toepassing. |
| 1 | Deze onderafdeling geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de internaten. | 1 | Deze onderafdeling geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. |
| 1 | Met behoud van de toepassing van de principes dat een personeelslid wordt aangesteld of geaffecteerd aan het onderwijsinternaat waar zijn betrekking reglementair wordt opgericht, kan een personeelslid van het ondersteunend personeel ingezet worden in het onderwijsinternaat en in alle vestigingsplaat- sen van dit onderwijsinternaat. | ||
| 2 | Bij de toepassing van het eerste lid moeten alleszins de volgende principes worden gehanteerd: | ||
| 3 | 1° de inzetbaarheid van een personeelslid wordt steeds bepaald vanuit de standplaats van het personeelslid; | ||
| 4 | 2° de standplaats van een personeelslid wordt bepaald in onderling overleg tussen het personeelslid en de inrichtende macht. De standplaats kan enkel worden gewijzigd na een nieuw overleg; | ||
| 5 | 3° de afstand over de openbare weg tussen de standplaats van het personeelslid en de vestigingsplaats waar het personeelslid bij een wijziging van zijn opdracht wordt ingezet, mag nooit meer dan 25 km bedragen. Dit geldt niet als het personeelslid instemt om over een grotere afstand ingezet te worden of als het personeelslid al een opdracht uitoefent in de vestigingsplaats waar de wijziging plaatsvindt. | ||
| 6 | De bepalingen over de inzetbaarheid en de standplaats, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden, met behoud van de toepassing van artikel 20 en 45, opgenomen in de overeenkomst of het besluit waarin de aanstelling wordt vastgesteld, alsook in de functiebeschrijving, vermeld in titel II, hoofdstuk Vbis, van dit decreet. |
| 1 | §1. Een volledige betrekking in een selectie- of bevorderingsambt wordt steeds toegekend hetzij aan één personeelslid, hetzij aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden belast. | 1 | §1. Een volledige betrekking in een selectie- of bevorderingsambt wordt steeds toegekend hetzij aan één personeelslid, hetzij aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden belast. |
| 2 | §2. In afwijking van § 1 kan in het volwassenenonderwijs en in het deeltijds kunstonderwijs een betrekking in een selectieambt worden toegekend aan één of meerdere personeelsleden en een betrekking in een bevorderingsambt aan één of twee personeelsleden. | 2 | §2. In afwijking van § 1 kan in het volwassenenonderwijs en in het deeltijds kunstonderwijs een betrekking in een selectieambt worden toegekend aan één of meerdere personeelsleden en een betrekking in een bevorderingsambt aan één of twee personeelsleden. |
| 3 | §3. Een halftijdse betrekking in een bevorderingsambt in een leersteuncentrum wordt steeds toegekend aan één personeelslid. | ||
| 4 | In afwijking van paragraaf 1 kan in een leersteuncentrum of een leersteun- centrum als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun een betrekking in een selectieambt worden toegekend aan een of meerdere personeelsleden. | ||
| 5 | §4. Een halftijdse betrekking in een bevorderingsambt in een onderwijsinternaat wordt steeds toegekend aan één personeelslid. | ||
| 6 | §5. In afwijking van paragraaf 1 kan in het basisonderwijs een betrekking in een selectieambt worden toegekend aan een of meer personeelsleden. |
| 6 | De termijn van twee volledige schooljaren kan worden verlengd wanneer het gaat om : | 6 | De termijn van twee volledige schooljaren kan worden verlengd wanneer het gaat om : |
| 7 | 1° de bevorderingsambten in éénklassige kleuter-, lagere en bassisscholen, voor zover personeelsleden van de inrichtende macht die aan de benoemingsvoorwaarden voldoen, hiervoor niet hebben gekandideerd; | 7 | 1° de bevorderingsambten in éénklassige kleuter-, lagere en bassisscholen, voor zover personeelsleden van de inrichtende macht die aan de benoemingsvoorwaarden voldoen, hiervoor niet hebben gekandideerd; |
| 8 | 2° de bevorderingsambten van beheerder-internaat, voor zover de titularis van dit ambt niet aan de voorwaarden voor benoeming voldoet. | ||
| 9 | In afwachting van de vaste benoeming blijft het personeelslid in voorkomend geval titularis van het ambt waarin het vast benoemd is; | ||
| 8 | 2° ...; | ||
| 10 | d) in een vacante betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst. | 9 | d) in een vacante betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst. |
| 11 | § 1bis. Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt, kan de inrichtende macht een definitief gepensioneerde na de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 21, § 1, g), tijdelijk aanstellen in een betrekking in een selectie- of bevorderingsambt bedoeld in § 1, a), b) en d). Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid kan niet vast benoemd worden in deze betrekking. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden. | 10 | § 1bis. Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt, kan de inrichtende macht een definitief gepensioneerde na de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 21, § 1, g), tijdelijk aanstellen in een betrekking in een selectie- of bevorderingsambt bedoeld in § 1, a), b) en d). Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid kan niet vast benoemd worden in deze betrekking. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden. |
| 1 | § 1. De mutatie bestaat in het toewijzen bij een andere inrichtende macht van een andere betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is. Een mutatie geschiedt niet dan op verzoek van een personeelslid. | 1 | § 1. De mutatie bestaat in het toewijzen bij een andere inrichtende macht van een andere betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is. Een mutatie geschiedt niet dan op verzoek van een personeelslid. |
| 2 | § 2. De nieuwe affectatie bestaat in het toewijzen van een personeelslid aan een instelling of centrum ingericht door dezelfde inrichtende macht in een betrekking van het ambt waarin het personeelslid | ||
| 3 | vastbenoemd is. In de instellingen en centra van het gesubsidieerd vrij onderwijs geschiedt de nieuwe affectatie niet dan met akkoord van het personeelslid. Dit akkoord is niet vereist wanneer de nieuwe affectatie geschiedt binnen een pedagogische entiteit die bestaat uit enerzijds één instelling met een eerste graad en anderzijds één instelling met een tweede, en derde graad en eventueel het HBO5 van het secundair onderwijs, die behoort tot dezelfde inrichtende macht en die in hetzelfde gebouwencomplex is gelegen. De criteria en modaliteiten van deze affectatie worden onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité. | 2 | § 2. De nieuwe affectatie bestaat in het toewijzen van een personeelslid aan een instelling of centrum ingericht door dezelfde inrichtende macht in een betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is. In de instellingen en centra van het gesubsidieerd vrij onderwijs geschiedt de nieuwe affectatie niet dan met akkoord van het personeelslid. Dit akkoord is niet vereist wanneer de nieuwe affectatie geschiedt binnen een pedagogische entiteit die bestaat uit enerzijds één instelling met een eerste graad en anderzijds één instelling met een tweede, en derde graad en eventueel het HBO5 van het secundair onderwijs, die behoort tot dezelfde inrichtende macht en die in hetzelfde gebouwencomplex is gelegen. De criteria en modaliteiten van deze affectatie worden onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité. |
| 4 | § 3. In afwijking van paragraaf 1 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer. | 3 | § 3. In afwijking van paragraaf 1 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer. |
| 5 | In afwijking van paragraaf 1 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer. | 4 | In afwijking van paragraaf 1 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer. |
| 8 | § 4bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. | 7 | § 4bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. |
| 9 | In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. | 8 | In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. |
| 10 | § 5. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, behoudt het personeelslid voor het volume van de coördinatieopdracht waarvoor hij op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector. | ||
| 11 | In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, behoudt het personeelslid voor het volume van de coördinatieopdracht waarvoor hij op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector. | ||
| 12 | In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht op 1 september 2020 of op 1 september 2021 een personeelslid op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs als het personeelslid aan volgende voorwaarden voldoet : | ||
| 13 | 1° het personeelslid is op 1 september 2019 overgegaan naar een hogeschool overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013; | ||
| 14 | 2° het personeelslid was uiterlijk op 1 september 2017 vast benoemd in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en was op diezelfde datum belast met een coördinatieopdracht; | ||
| 15 | 3° het personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs. | ||
| 16 | Als het personeelslid deze mutatie opneemt, heeft het personeelslid voor het volume van de coördinatieopdracht waarvoor hij op 1 september 2017 vast benoemd was in het ambt van lector in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs recht op de salarisschaal die verbonden was aan het ambt van lector. | ||
| 17 | § 6. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van stafmedewerker, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. | ||
| 18 | In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van stafmedewerker, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. | ||
| 19 | § 7. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt. | ||
| 20 | In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs voor een opdracht van maximum 10 procent van een voltijdse betrekking, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, behoudt het personeelslid voor het volume van de opdracht waarvoor hij op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector. | ||
| 21 | In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt. | ||
| 22 | In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs voor een opdracht van maximum 10 procent van een voltijdse betrekking, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, behoudt het personeelslid voor het volume van de opdracht waarvoor hij op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector. | ||
| 9 | § 5. ... | ||
| 10 | § 6. ... | ||
| 11 | § 7. ... | ||
| 23 | § 8. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.20 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onder- wijs van 28 oktober 2016 of een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 2, van de voormelde codificatie, mits zijn akkoord op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt. | 12 | § 8. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.20 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onder- wijs van 28 oktober 2016 of een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 2, van de voormelde codificatie, mits zijn akkoord op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt. |
| 24 | In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.20 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 2, van de voormelde codificatie, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervings- ambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitenge- woon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt. | 13 | In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.20 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 2, van de voormelde codificatie, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervings- ambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitenge- woon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt. |
| 25 | Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste hso) wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van administratief medewerker in het basisonderwijs of het secundair onderwijs. Voor het personeelslid blijft de salarisschaal gelden die hem op grond van de reglementering die gold op 31 augustus 2023 werd verleend voor het ambt waarin hij was aangesteld. | 14 | Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste hso) wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van administratief medewerker in het basisonderwijs of het secundair onderwijs. Voor het personeelslid blijft de salarisschaal gelden die hem op grond van de reglementering die gold op 31 augustus 2023 werd verleend voor het ambt waarin hij was aangesteld. |
| 15 | §9. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.35 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, mits zijn akkoord op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een onderwijsinternaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt. | ||
| 16 | In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.35 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een onderwijsinternaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt. | ||
| 1 | § 1. Voor de personeelsleden vermeld in artikel 47bis worden, in het kader van hun begeleiding, functiebeschrijvingen opgesteld. | 1 | § 1. Voor de personeelsleden vermeld in artikel 47bis worden, in het kader van hun begeleiding, functiebeschrijvingen opgesteld. |
| 2 | Een functiebeschrijving moet gezien worden als een constructief en positief beleidsinstrument dat het mogelijk maakt een autonoom personeelsbeleid te voeren gericht op het verstrekken van kwaliteitsvol onderwijs. | 2 | Een functiebeschrijving moet gezien worden als een constructief en positief beleidsinstrument dat het mogelijk maakt een autonoom personeelsbeleid te voeren gericht op het verstrekken van kwaliteitsvol onderwijs. |
| 3 | § 2. Een functiebeschrijving is verplicht voor elk personeelslid en wordt door de eerste evaluator ondertekend. Voor de beheerder van een internaat, de directeur, de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en in voorkomend geval de adjunct-directeur of - voor het CLB- de coördinator wordt de functiebeschrijving ondertekend door de inrichtende macht. Voor de directeur, belast met de functie directeur coördinatie-scholengemeenschap, wordt de functiebeschrijving ondertekend door de evaluator aangeduid door de scholengemeenschap. De functiebeschrijving wordt bij de aanstelling overhandigd. Het betrokken personeelslid ondertekent de functiebeschrijving voor kennisname. | 3 | § 2. Een functiebeschrijving is verplicht voor elk personeelslid en wordt door de eerste evaluator ondertekend. Voor de directeur, de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en in voorkomend geval de adjunct-directeur of - voor het CLB, het leersteuncentrum of het leersteuncentrum, vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, - de coördinator wordt de functiebeschrijving ondertekend door de inrichtende macht. Voor de directeur, belast met de functie directeur coördinatie-scholengemeenschap, wordt de functiebeschrijving ondertekend door de evaluator aangeduid door de scholengemeenschap. De functiebeschrijving wordt bij de aanstelling overhandigd. Het betrokken personeelslid ondertekent de functiebeschrijving voor kennisname. |
| 4 | § 3. De inrichtende macht of de scholengemeenschap, indien de instelling tot een scholengemeenschap behoort, onderhandelt de algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen in het lokaal comité, met dien verstande dat rekening moet worden gehouden met de principes vermeld in dit hoofdstuk. De kerntaken die moeten worden opgenomen in de functiebeschrijvingen kunnen op deze manier per ambt, en desgevallend binnen het ambt per functie, worden vastgelegd. | 4 | § 3. De inrichtende macht of de scholengemeenschap, indien de instelling tot een scholengemeenschap behoort, onderhandelt de algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen in het lokaal comité, met dien verstande dat rekening moet worden gehouden met de principes vermeld in dit hoofdstuk. De kerntaken die moeten worden opgenomen in de functiebeschrijvingen kunnen op deze manier per ambt, en desgevallend binnen het ambt per functie, worden vastgelegd. |
| 5 | De inrichtende machten van de CLB's die een regionale ondersteuningscel vormen, maken algemene afspraken over de functiebeschrijvingen, waarbij ze rekening houden met de principes, vermeld in dit hoofdstuk. Over deze afspraken wordt onderhandeld in de respectieve lokale comités van de betrokken CLB's of desgevallend in het lokaal onderhandelingscomité van de netoverstijgende regionale ondersteuningscel als vermeld in artikel 50 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. De kerntaken die moeten worden opgenomen in de functiebeschrijvingen kunnen op deze manier per ambt, en desgevallend binnen het ambt per functie worden vastgelegd. | 5 | De inrichtende machten van de CLB's die een regionale ondersteuningscel vormen, maken algemene afspraken over de functiebeschrijvingen, waarbij ze rekening houden met de principes, vermeld in dit hoofdstuk. Over deze afspraken wordt onderhandeld in de respectieve lokale comités van de betrokken CLB's of desgevallend in het lokaal onderhandelingscomité van de netoverstijgende regionale ondersteuningscel als vermeld in artikel 50 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. De kerntaken die moeten worden opgenomen in de functiebeschrijvingen kunnen op deze manier per ambt, en desgevallend binnen het ambt per functie worden vastgelegd. |
| 6 | § 4. De inrichtende macht duidt voor ieder personeelslid twee evaluatoren aan en houdt daarbij rekening met volgende principes : | 6 | § 4. De inrichtende macht duidt voor ieder personeelslid twee evaluatoren aan en houdt daarbij rekening met volgende principes : |
| 7 | 1° voor personeelsleden tewerkgesteld in wervingsambten moet één van beide evaluatoren steeds een directeur, een adjunct-directeur of - voor het CLB - een coördinator zijn. Wordt het wervingsambt evenwel uitgeoefend in een internaat, dan moet één van beide evaluatoren steeds de beheerder van dat internaat zijn; | 7 | 1° voor personeelsleden tewerkgesteld in wervingsambten moet één van beide evaluatoren steeds een directeur, een adjunct-directeur of - voor het CLB - een coördinator zijn; |
| 8 | 2° voor de eerste evaluator gelden volgende bepalingen : | 8 | 2° voor de eerste evaluator gelden volgende bepalingen : |
| 9 | - de eerste evaluator moet een personeelslid zijn van de inrichtende macht waarbij het betrokken personeelslid is tewerkgesteld. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing voor personeelsleden die tewerkgesteld zijn in een scholengemeenschapsinstelling of ter ondersteuning van of op het niveau van de scholengemeenschap. In dat geval kan de eerste evaluator wel een personeelslid zijn van een andere inrichtende macht van de scholengemeenschap. Deze bepaling is eveneens niet van toepassing voor personeelsleden die tewerkgesteld zijn ter ondersteuning van of op het niveau van de regionale ondersteuningscel. In dat geval kan de eerste evaluator een personeelslid zijn van een andere inrichtende macht van de regionale ondersteuningscel; | 9 | - de eerste evaluator moet een personeelslid zijn van de inrichtende macht waarbij het betrokken personeelslid is tewerkgesteld. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing voor personeelsleden die tewerkgesteld zijn in een scholengemeenschapsinstelling of ter ondersteuning van of op het niveau van de scholengemeenschap. In dat geval kan de eerste evaluator wel een personeelslid zijn van een andere inrichtende macht van de scholengemeenschap. Deze bepaling is eveneens niet van toepassing voor personeelsleden die tewerkgesteld zijn ter ondersteuning van of op het niveau van de regionale ondersteuningscel. In dat geval kan de eerste evaluator een personeelslid zijn van een andere inrichtende macht van de regionale ondersteuningscel; |
| 15 | - voor een personeelslid dat aangesteld is in het ambt van pedagogisch adviseur is de tweede evaluator een lid van de inrichtende macht; | 15 | - voor een personeelslid dat aangesteld is in het ambt van pedagogisch adviseur is de tweede evaluator een lid van de inrichtende macht; |
| 16 | - de rol van de tweede evaluator wordt bepaald binnen de algemene afspraken bedoeld in § 3 en in artikel 47novies, maar deze afspraken mogen geen afbreuk doen aan de rol en de taken van de eerste evaluator zoals vastgelegd in dit artikel en in artikel 47decies. Deze afspraken moeten minstens inhouden dat het personeelslid en de eerste evaluator op hun verzoek tijdens de in hoofdstuk Vbis en Vter bedoelde procedure steeds een beroep kunnen doen op de tweede evaluator; | 16 | - de rol van de tweede evaluator wordt bepaald binnen de algemene afspraken bedoeld in § 3 en in artikel 47novies, maar deze afspraken mogen geen afbreuk doen aan de rol en de taken van de eerste evaluator zoals vastgelegd in dit artikel en in artikel 47decies. Deze afspraken moeten minstens inhouden dat het personeelslid en de eerste evaluator op hun verzoek tijdens de in hoofdstuk Vbis en Vter bedoelde procedure steeds een beroep kunnen doen op de tweede evaluator; |
| 17 | § 5. In afwijking van paragraaf 4 worden de beheerder van een internaat, de directeur en de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst geëvalueerd door de inrichtende macht. De inrichtende macht heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De inrichtende macht moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen. | 17 | § 5. In afwijking van paragraaf 4 worden de directeur en de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst geëvalueerd door de inrichtende macht. De inrichtende macht heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De inrichtende macht moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen. |
| 18 | Als een inrichtende macht in een onderwijsinternaat slechts een halftijdse betrekking in het ambt van directeur opricht, en het betrokken personeelslid deze betrekking van directeur combineert met een betrekking in een wervings- of selectieambt in dezelfde instelling, dan wordt het personeelslid in afwijking van paragraaf 4 voor beide ambten geëvalueerd door de inrichtende macht. Het personeelslid heeft geen tweede evaluator. | ||
| 19 | Als een inrichtende macht in een leersteuncentrum slechts een halftijdse betrekking van directeur opricht, en het betrokken personeelslid deze betrekking van directeur combineert met een betrekking in een wervings- of selectieambt in dezelfde instelling, wordt het personeelslid in afwijking van paragraaf 4 voor beide ambten geëvalueerd door de inrichtende macht. Het personeelslid heeft geen tweede evaluator. | ||
| 18 | In afwijking van het eerste lid wordt de directeur, belast met de functie directeur coördinatie-scholengemeenschap, geëvalueerd door de evaluator die in overleg wordt aangeduid door de scholengemeenschap. Hij heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De evaluator moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen. | 20 | In afwijking van het eerste lid wordt de directeur, belast met de functie directeur coördinatie-scholengemeenschap, geëvalueerd door de evaluator die in overleg wordt aangeduid door de scholengemeenschap. Hij heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De evaluator moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen. |
| 19 | In afwijking van paragraaf 4 wordt het personeelslid dat belast is met het mandaat van coördinerend directeur geëvalueerd door de instantie die hem met het mandaat belast heeft. De instantie die de evaluatie op zich neemt, heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De instantie die de evaluatie op zich neemt moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen. | 21 | In afwijking van paragraaf 4 wordt het personeelslid dat belast is met het mandaat van coördinerend directeur geëvalueerd door de instantie die hem met het mandaat belast heeft. De instantie die de evaluatie op zich neemt, heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De instantie die de evaluatie op zich neemt moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen. |
| 22 | § 7. Een opleiding tot evaluator is verplicht voor wie als evaluator wordt aangesteld. Evaluatoren moeten binnen de twee jaar na hun aanduiding als evaluator een opleiding tot evaluator succesvol afgerond hebben. Evaluatoren die al voor 1 september 2021 als evaluator aangeduid waren en nog geen opleiding hadden gevolgd, krijgen daarvoor de tijd tot 1 september 2023. | 24 | § 7. Een opleiding tot evaluator is verplicht voor wie als evaluator wordt aangesteld. Evaluatoren moeten binnen de twee jaar na hun aanduiding als evaluator een opleiding tot evaluator succesvol afgerond hebben. Evaluatoren die al voor 1 september 2021 als evaluator aangeduid waren en nog geen opleiding hadden gevolgd, krijgen daarvoor de tijd tot 1 september 2023. |
| 23 | Wie na deze termijn niet aan deze voorwaarde voldoet kan niet evalueren. | 25 | Wie na deze termijn niet aan deze voorwaarde voldoet kan niet evalueren. |
| 24 | § 8. De functiebeschrijving, die moet vastgelegd worden per ambt en per instelling, bevat de kerntaken van het personeelslid. De kerntaken omvatten de taken eigen aan de functie, de professionalisering, en het overleg en de samenwerking met directie, collega's en desgevallend CLB en ouders . Wanneer zijn kerntaken wijzigen, krijgt het personeelslid een nieuwe functiebeschrijving. Daarbij wordt rekening gehouden met de algemene afspraken die in uitvoering van paragraaf 3 zijn vastgelegd met de bepalingen van het arbeidsreglement en, in het gesubsidieerd vrij onderwijs, met de bepalingen van de arbeidsovereenkomst. | 26 | § 8. De functiebeschrijving, die moet vastgelegd worden per ambt en per instelling, bevat de kerntaken van het personeelslid. De kerntaken omvatten de taken eigen aan de functie, de professionalisering, en het overleg en de samenwerking met directie, collega's en desgevallend CLB, ouders en leersteuncentra of leersteuncentra als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun. Wanneer zijn kerntaken wijzigen, krijgt het personeelslid een nieuwe functiebeschrijving. Daarbij wordt rekening gehouden met de algemene afspraken die in uitvoering van paragraaf 3 zijn vastgelegd met de bepalingen van het arbeidsreglement en, in het gesubsidieerd vrij onderwijs, met de bepalingen van de arbeidsovereenkomst. |
| 25 | § 9. De functiebeschrijving van de de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken functiebeschrijving door een afgevaardigde van de bevoegde instantie. | 27 | § 9. De functiebeschrijving van de de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken functiebeschrijving door een afgevaardigde van de bevoegde instantie. |
| 1 | § 1. Met het oog op de evaluatie, zoals bedoeld in artikel 47octies, wordt er een evaluatiegesprek gehouden tussen de eerste evaluator, of de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur, de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en in voorkomend geval de adjunct-directeur of - voor het CLB - de coördinator, en het betrokken personeelslid. | 1 | § 1. Met het oog op de evaluatie, zoals bedoeld in artikel 47octies, wordt er een evaluatiegesprek gehouden tussen de eerste evaluator, of de inrichtende macht voor de directeur, de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en in voorkomend geval de adjunct-directeur of - voor het CLB - de coördinator, en het betrokken personeelslid. |
| 2 | Het evaluatiegesprek heeft als eerste doel het functioneren van het personeelslid te verbeteren daar waar dit nodig is en het te ondersteunen. Het is niet louter op het verleden gericht. Na het gesprek moeten niet enkel de goede en sterke punten, maar ook de eventueel te verbeteren punten van het personeelslid duidelijk zijn. Het evaluatiegesprek kan bijgevolg aanleiding geven tot het bijsturen naar de toekomst toe en het kan leiden tot nieuwe, duidelijke persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen. | 2 | Het evaluatiegesprek heeft als eerste doel het functioneren van het personeelslid te verbeteren daar waar dit nodig is en het te ondersteunen. Het is niet louter op het verleden gericht. Na het gesprek moeten niet enkel de goede en sterke punten, maar ook de eventueel te verbeteren punten van het personeelslid duidelijk zijn. Het evaluatiegesprek kan bijgevolg aanleiding geven tot het bijsturen naar de toekomst toe en het kan leiden tot nieuwe, duidelijke persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen. |
| 3 | § 2. Het evaluatiegesprek, vermeld in § 1, leidt steeds tot een evaluatieverslag. | 3 | § 2. Het evaluatiegesprek, vermeld in § 1, leidt steeds tot een evaluatieverslag. |
| 4 | Dit evaluatieverslag, opgesteld door de eerste evaluator of de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur , de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en in voorkomend geval de adjunct-directeur of - voor het CLB - de coördinator, door de evaluator aangeduid door de scholengemeenschap voor de directeur belast met de functie van directeur coördinatie-scholengemeenschap of door de instantie die met de evaluatie belast is voor het personeelslid belast met het mandaat van coördinerend directeur, beschrijft op zorgvuldige wijze het volledig functioneren van het personeelslid ten opzichte van de functiebeschrijving, met inbegrip van de voor de betrokken evaluatieperiode afgesproken persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen en bevat steeds een eindconclusie. | 4 | Dit evaluatieverslag, opgesteld door de eerste evaluator of de inrichtende macht voor de directeur , de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en in voorkomend geval de adjunct-directeur of - voor het CLB - de coördinator, door de evaluator aangeduid door de scholengemeenschap voor de directeur belast met de functie van directeur coördinatie-scholengemeenschap of door de instantie die met de evaluatie belast is voor het personeelslid belast met het mandaat van coördinerend directeur, beschrijft op zorgvuldige wijze het volledig functioneren van het personeelslid ten opzichte van de functiebeschrijving, met inbegrip van de voor de betrokken evaluatieperiode afgesproken persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen en bevat steeds een eindconclusie. |
| 5 | De eerste evaluator, of de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur , de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en in voorkomend geval de adjunct-directeur of - voor het CLB - de coördinator, ondertekent en dateert het evaluatieverslag en legt het voor aan het betrokken personeelslid. Het personeelslid ondertekent en dateert ter kennisneming en bezorgt het onmiddellijk terug aan de eerste evaluator of de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur, de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en in voorkomend geval de adjunct-directeur of - voor het CLB - de coördinator. De eerste evaluator bezorgt onmiddellijk een kopie van dit evaluatieverslag aan het personeelslid. De eerste evaluator bezorgt eveneens een kopie van het evaluatieverslag ter kennisneming aan de tweede evaluator en aan de inrichtende macht. | 5 | De eerste evaluator, of de inrichtende macht voor de directeur , de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en in voorkomend geval de adjunct-directeur of - voor het CLB - de coördinator, ondertekent en dateert het evaluatieverslag en legt het voor aan het betrokken personeelslid. Het personeelslid ondertekent en dateert ter kennisneming en bezorgt het onmiddellijk terug aan de eerste evaluator of de inrichtende macht voor de directeur, de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en in voorkomend geval de adjunct-directeur of - voor het CLB - de coördinator. De eerste evaluator bezorgt onmiddellijk een kopie van dit evaluatieverslag aan het personeelslid. De eerste evaluator bezorgt eveneens een kopie van het evaluatieverslag ter kennisneming aan de tweede evaluator en aan de inrichtende macht. |
| 6 | Als het evaluatieverslag de eindconclusie 'onvoldoende' bevat, moet het steeds de beroepsmogelijkheden bevatten. | 6 | Als het evaluatieverslag de eindconclusie 'onvoldoende' bevat, moet het steeds de beroepsmogelijkheden bevatten. |
| 7 | § 3. De de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht wordt voor de niet-vakinhoudelijke en niet-vaktechnische aspecten geëvalueerd door de eerste evaluator. Daartoe kan de eerste evaluator de les bijwonen. Voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten levert de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of van de niet-confessionele zedenleer een bijdrage tot deze evaluatie. | 7 | § 3. De de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht wordt voor de niet-vakinhoudelijke en niet-vaktechnische aspecten geëvalueerd door de eerste evaluator. Daartoe kan de eerste evaluator de les bijwonen. Voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten levert de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of van de niet-confessionele zedenleer een bijdrage tot deze evaluatie. |
| 20 | § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het secretariaat en de werkingskosten van het college van beroep. | 20 | § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het secretariaat en de werkingskosten van het college van beroep. |
| 21 | § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende beroepsprocedure en betreffende de werking van de kamers van het college van beroep in het procedurereglement, met dien verstande dat : | 21 | § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende beroepsprocedure en betreffende de werking van de kamers van het college van beroep in het procedurereglement, met dien verstande dat : |
| 22 | 1° op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen volgend op de overhandiging van de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie 'onvoldoende' door de eerste evaluator of door de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur, de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en desgevallend de adjunct-directeur of door de evaluator aangeduid door de scholengemeenschap voor de directeur belast met de functie van directeur coördinatie-scholengemeenschap. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. De voormelde termijn van twintig kalenderdagen kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode. Indien de beroepsmogelijkheden in strijd met artikel 47decies, § 2, niet vermeld zijn in het evaluatieverslag, dan neemt de termijn van twintig kalenderdagen een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende" werd overhandigd; | 22 | 1° op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen volgend op de overhandiging van de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie 'onvoldoende' door de eerste evaluator of door de inrichtende macht voor de directeur, de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en desgevallend de adjunct-directeur of door de evaluator aangeduid door de scholengemeenschap voor de directeur belast met de functie van directeur coördinatie-scholengemeenschap. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. De voormelde termijn van twintig kalenderdagen kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode. Indien de beroepsmogelijkheden in strijd met artikel 47decies, § 2, niet vermeld zijn in het evaluatieverslag, dan neemt de termijn van twintig kalenderdagen een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende" werd overhandigd; |
| 23 | 2° het beroep de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' opschort; | 23 | 2° het beroep de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' opschort; |
| 24 | 3° voor het vaststellen van de redenen tot wraking van de voorzitter en de leden zal worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek; | 24 | 3° voor het vaststellen van de redenen tot wraking van de voorzitter en de leden zal worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek; |
| 25 | 4° de rechten van de verdediging tijdens de procedure worden gewaarborgd. | 25 | 4° de rechten van de verdediging tijdens de procedure worden gewaarborgd; |
| 26 | 5° een beroep kan worden behandeld volgens de vereenvoudigde procedure als het beroep zonder voorwerp of klaarblijkelijk onontvankelijk is, of als het college van beroep klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen. | ||
| 2 | 1° overheveling van een vestigingsplaats : | 2 | 1° overheveling van een vestigingsplaats : |
| 3 | a) in het basisonderwijs : een herstructurering zoals vermeld in artikel 3, 22°, van het decreet van 25 februari 1997 basisonderwijs, waarbij een school een vestigingsplaats, zijnde een gedeelte van een school, zoals vermeld in artikel 3, 56°, van hetzelfde decreet, afschaft en een andere school tegelijkertijd op dezelfde locatie een vestigingsplaats opricht; | 3 | a) in het basisonderwijs : een herstructurering zoals vermeld in artikel 3, 22°, van het decreet van 25 februari 1997 basisonderwijs, waarbij een school een vestigingsplaats, zijnde een gedeelte van een school, zoals vermeld in artikel 3, 56°, van hetzelfde decreet, afschaft en een andere school tegelijkertijd op dezelfde locatie een vestigingsplaats opricht; |
| 4 | b)...; | ||
| 4 | b) bij de onderwijsinternaten: een overheveling als vermeld in artikel 46 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten, waarbij een onderwijsinternaat een vestigingsplaats, namelijk een gedeelte van een onderwijsinternaat, afschaft en een ander onderwijsinternaat tegelijkertijd op dezelfde locatie een vestigingsplaats opricht; | ||
| 5 | c) in het volwassenenonderwijs : de overheveling van het geheel van het onderwijsaanbod georganiseerd in een vestigingsplaats zoals vermeld in artikel 2, 33°, 40° en 44°, en artikel 65 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs; | 5 | c) in het volwassenenonderwijs : de overheveling van het geheel van het onderwijsaanbod georganiseerd in een vestigingsplaats zoals vermeld in artikel 2, 33°, 40° en 44°, en artikel 65 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs; |
| 6 | d) in het deeltijds kunstonderwijs: de overheveling van een of meer structuuronderdelen in een bepaalde vestigingsplaats als vermeld in artikel 131 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs; | 6 | d) in het deeltijds kunstonderwijs: de overheveling van een of meer structuuronderdelen in een bepaalde vestigingsplaats als vermeld in artikel 131 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs; |
| 1 | § 1. De bepalingen inzake functiebeschrijving gelden vanaf 1 september 2007. | ||
| 2 | § 2. De bepalingen inzake evaluatie gelden voor de personeelsleden van het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en de CLB's vanaf 1 september 2007. Voor de personeelsleden van het basisonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs, de tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben en de internaten gelden ze vanaf 1 september 2009. |
| 1 | In het buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de internaten, kunnen vanaf het schooljaar 2006-2007 geen personeelsleden meer tijdelijk worden aangesteld of worden vastbenoemd in betrekkingen in de categorie van het opvoedend hulppersoneel of het administratief personeel. |
| 1 | §1. Voor de personeelsleden die in het schooljaar 2022-2023 in dienst zijn als contractueel personeelslid in een functie van opvoeder en aangesteld worden in een onderwijsinternaat binnen de omkadering, vermeld in artikel 25 tot en met 28 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten, worden de diensten die ze gepresteerd hebben als contractueel personeelslid in een functie van opvoeder, beschouwd als dienstanciënniteit als vermeld in artikel 6, 23, 31 en | ||
| 2 | 35. De diensten worden beschouwd alsof ze gepresteerd werden in het ambt van internaatsmedewerker in de personeelscategorie van het ondersteunend personeel in een onderwijsinternaat. | ||
| 3 | In afwijking van het eerste lid, komen de volgende periodes niet in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit: | ||
| 4 | 1° politiek verlof of politiek mandaat; | ||
| 5 | 2° onbezoldigde ziektedagen; | ||
| 6 | 3° verlof zonder wedde. | ||
| 7 | §2. In afwijking van de bepalingen van artikel 23, §3 en §4, heeft het personeels- lid, vermeld in paragraaf 1, op 1 september 2023 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als het personeelslid voldoet aan de volgende voorwaarden: | ||
| 8 | 1° het personeelslid wordt op 1 september 2023 aangesteld in een onderwijs- internaat binnen de omkadering, vermeld in artikel 25 tot en met 28 van het | ||
| 9 | decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten; | ||
| 10 | 2° het personeelslid heeft op 1 september 2023 een dienstanciënniteit verworven van 290 dagen; | ||
| 11 | 3° het personeelslid stelt zich, om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 augustus 2023 kandidaat bij de inrichtende macht. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een aangetekende brief of op een wijze die door de inrichtende macht, na onderhandeling in het bevoegde lokaal comité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een aangetekende brief. De inrichtende macht deelt de mogelijkheden van mededeling van kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt die ook openbaar. De kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, vermeld in het eerste lid, geldt die vanaf dat ogenblik als een kandidatuur voor dat ambt die over de schooljaren doorloopt. | ||
| 12 | Voor het bepalen van de dienstanciënniteit, bedoeld in punt 2°, wordt, in afwijking van artikel 6, §1, a), het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd. | ||
| 13 | §3. In afwijking van artikel 31, §1, 1°, wordt voor het personeelslid, vermeld in paragraaf 1, voor een vaste benoeming op 1 januari 2024 de dienstanciënniteit in het ambt van internaatsmedewerker vastgesteld op 1 september 2023. | ||
| 14 | §4. Voor de personeelsleden die in het schooljaar 2022-2023 in dienst zijn als con- tractueel personeelslid en aangesteld worden in een onderwijsinternaat binnen de omkadering, vermeld in artikel 25 tot en met 28 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten wordt de geldelijke anciënniteit die uiterlijk op 31 augustus 2023 door de inrichtende macht was toegekend aan hen als contractueel personeelslid meegenomen. |
| 1 | De vastbenoemde beheerders die op 31 augustus 2023 titularis zijn van een betrekking en die op 1 september 2023 niet als directeur in een onderwijsinternaat worden aangesteld, worden, voor het volume van de opdracht waarvan ze op 31 augustus 2023 titularis zijn, aangesteld in het ambt van internaatsmedewerker in de personeelscategorie van het ondersteunend personeel binnen de omkadering, vermeld in artikel 25 tot en met 28 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten. Ze behouden de salarisschaal die ze hebben op 31 augustus 2023, tenzij ze door het besluit van de Vlaamse Regering dat de salarisschalen regelt, recht hebben op een gunstiger salaris. |
| 1 | § 1. De bepalingen van dit decreet zijn van toepassing op het gewoon en het buitengewoon, erkend, gefinancierd en gesubsidieerd basisonderwijs, tenzij het uitdrukkelijk anders vermeld wordt. Het decreet is niet van toepassing op de internaten, semi-internaten, opvangcentra en observatiecentra die verbonden zijn aan basisscholen. | 1 | § 1. De bepalingen van dit decreet zijn van toepassing op het gewoon en het buitengewoon, erkend, gefinancierd en gesubsidieerd basisonderwijs, tenzij het uitdrukkelijk anders vermeld wordt. Het decreet is niet van toepassing op de onderwijsinternaten, semi-internaten, opvangcentra en observatiecentra die verbonden zijn aan basisscholen. |
| 2 | § 2. In afwijking van § 1 is artikel 27quater, van toepassing op internaten. | ||
| 2 | § 2. ... |
| 1 | Het kostgeld van een leerplichtig kind wiens ouders geen vaste verblijfplaats hebben, en toevertrouwd is aan één van de erkende internaten of aan gelijk welk ander internaat toegevoegd aan een gesubsidieerde school, georganiseerd door een provincie, een gemeente, een vereniging van gemeenten, door een andere openbare of privépersoon, valt ten laste van zijn ouders. | ||
| 2 | De gemeenschap draagt bij in het kostgeld. Deze bijdrage wordt toegevoegd aan de werkingstoelagen toegekend aan het erkend internaat, aan het internaat toegevoegd aan een gesubsidieerde school of aan het autonoom internaat en wordt in mindering gebracht op het in het vierde lid bedoelde kostgeld. Deze bijdrage is gelijk aan de bijdrage, vermeld in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit, vermeld in het eerste lid. | ||
| 3 | De bijdrage wordt uitgekeerd aan het internaatsbestuur dat het kind huisvest op voorlegging van een staat ingediend door het internaatsbestuur en juist verklaard door de bevoegde diensten van Agodi. | ||
| 4 | Het internaatsbestuur bepaalt autonoom het kostgeld. |
| 17 | 2° voor de toelating van leerlingen die : | 17 | 2° voor de toelating van leerlingen die : |
| 18 | a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg; | 18 | a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg; |
| 19 | b) hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat verbonden aan de school; | 19 | b) hetzij als semi-internen verblijven in een semi-internaat dat verbonden is aan een school, of als internen verblijven in een onderwijsinternaat; |
| 20 | c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang; | 20 | c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang; |
| 21 | 3° ...; | 21 | 3° ...; |
| 1 | §1. In afwijking van artikel 37/20, § 4, kan een schoolbestuur volgende leerlingen toch inschrijven: | 1 | §1. In afwijking van artikel 37/20, § 4, kan een schoolbestuur volgende leerlingen toch inschrijven: |
| 2 | 1° leerlingen die voldoen aan de definitie van een anderstalige nieuwkomer in het gewoon onderwijs, vermeld in artikel 3, 4° quater, met uitzondering van de leeftijdsvereisten, vermeld in die definitie; | 2 | 1° leerlingen die voldoen aan de definitie van een anderstalige nieuwkomer in het gewoon onderwijs, vermeld in artikel 3, 4° quater, met uitzondering van de leeftijdsvereisten, vermeld in die definitie; |
| 3 | 2° leerlingen die: | 3 | 2° leerlingen die: |
| 4 | a) hetzij beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de functie verblijf, namelijk aangepaste woon- en leefomgeving onder toezicht en begeleiding, bij een jeugdhulpaanbieder op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank; | 4 | a) hetzij beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de functie verblijf, namelijk aangepaste woon- en leefomgeving onder toezicht en begeleiding, bij een jeugdhulpaanbieder op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank; |
| 5 | b) hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat verbonden aan de school; | 5 | b) hetzij als semi-internen verblijven in een semi-internaat dat verbonden is aan een school, of als internen verblijven in een onderwijsinternaat; |
| 6 | c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang; | 6 | c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang; |
| 7 | d) hetzij geadopteerd zijn in een gezin dat beschikt over een verzoekschrift tot binnen- of buitenlandse adoptie, dat ingediend is bij de bevoegde rechtbank, of, bij gebrek daaraan, een buitenlandse adoptiebeslissing of een buitenlandse beslissing tot plaatsing met het oog op adoptie; | 7 | d) hetzij geadopteerd zijn in een gezin dat beschikt over een verzoekschrift tot binnen- of buitenlandse adoptie, dat ingediend is bij de bevoegde rechtbank, of, bij gebrek daaraan, een buitenlandse adoptiebeslissing of een buitenlandse beslissing tot plaatsing met het oog op adoptie; |
| 8 | e) hetzij beschikken over een verslag als vermeld in artikel 15; | 8 | e) hetzij beschikken over een IAC-verslag; |
| 9 | 3° leerlingen die verblijven in een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning; | 9 | 3° leerlingen die verblijven in een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning; |
| 10 | 4° leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de ouders deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde geboortejaar of leerjaar, vermeld in artikel 37/20, § 1, en slechts één van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit; | 10 | 4° leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de ouders deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde geboortejaar of leerjaar, vermeld in artikel 37/20, § 1, en slechts één van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit; |
| 12 | 6° leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 37/16, § 2 tot en met § 4, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit; | 12 | 6° leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 37/16, § 2 tot en met § 4, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit; |
| 13 | 7° leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, verhuisd zijn vanuit een andere gemeente en nu gedomicilieerd zijn in de gemeente van de vestigingsplaats. | 13 | 7° leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, verhuisd zijn vanuit een andere gemeente en nu gedomicilieerd zijn in de gemeente van de vestigingsplaats. |
| 14 | §2. In afwijking van artikel 37/20, § 4, moet een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling die in het lopende, het voorafgaande of het daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven was, en die met toepassing van artikel 15 of 16 terugkeert uit het buitengewoon onderwijs, inschrijven. | 14 | §2. In afwijking van artikel 37/20, § 4, moet een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling die in het lopende, het voorafgaande of het daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven was, en die met toepassing van artikel 15 of 16 terugkeert uit het buitengewoon onderwijs, inschrijven. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 20, §4, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school. |
| 15 | §3. In afwijking van artikel 37/20, §4, schrijft een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling in die in het voorafgaande schooljaar ingeschreven was in de school voor het kleuteronderwijs en die terugkeert uit een school voor het lager onderwijs omdat de leerling niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het lager onderwijs met toepassing van artikel 13/1. | ||
| 1 | §1. In afwijking van artikel 37/55, § 4, kan een schoolbestuur volgende leerlingen toch inschrijven: | 1 | §1. In afwijking van artikel 37/55, § 4, kan een schoolbestuur volgende leerlingen toch inschrijven: |
| 2 | 1° leerlingen die voldoen aan de definitie van een anderstalige nieuwkomer in het gewoon onderwijs, vermeld in artikel 3, 4° quater, met uitzondering van de leeftijdsvereisten, vermeld in die definitie; | 2 | 1° leerlingen die voldoen aan de definitie van een anderstalige nieuwkomer in het gewoon onderwijs, vermeld in artikel 3, 4° quater, met uitzondering van de leeftijdsvereisten, vermeld in die definitie; |
| 3 | 2° leerlingen die: | 3 | 2° leerlingen die: |
| 4 | a) hetzij beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de functie verblijf, namelijk aangepaste woon- en leefomgeving onder toezicht en begeleiding, bij een jeugdhulpaanbieder op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank; | 4 | a) hetzij beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de functie verblijf, namelijk aangepaste woon- en leefomgeving onder toezicht en begeleiding, bij een jeugdhulpaanbieder op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank; |
| 5 | b) hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat verbonden aan de school; | 5 | b) hetzij als semi-internen verblijven in een semi-internaat dat verbonden is aan een school, of als internen verblijven in een onderwijsinternaat; |
| 6 | c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang; | 6 | c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang; |
| 7 | d) hetzij geadopteerd zijn in een gezin dat beschikt over een verzoekschrift tot binnen- of buitenlandse adoptie dat ingediend is bij de bevoegde rechtbank, of, bij gebrek daaraan, een buitenlandse adoptiebeslissing of een buitenlandse beslissing tot plaatsing met het oog op adoptie; | 7 | d) hetzij geadopteerd zijn in een gezin dat beschikt over een verzoekschrift tot binnen- of buitenlandse adoptie dat ingediend is bij de bevoegde rechtbank, of, bij gebrek daaraan, een buitenlandse adoptiebeslissing of een buitenlandse beslissing tot plaatsing met het oog op adoptie; |
| 8 | e) hetzij beschikken over een verslag, vermeld in artikel 15; | 8 | e) hetzij beschikken over een IAC-verslag; |
| 9 | 3° leerlingen die verblijven in een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning; | 9 | 3° leerlingen die verblijven in een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning; |
| 10 | 4° leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de ouders deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde geboortejaar of leerjaar, vermeld in artikel 37/55, § 1, en slechts één van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit; | 10 | 4° leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de ouders deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde geboortejaar of leerjaar, vermeld in artikel 37/55, § 1, en slechts één van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit; |
| 12 | 6° leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 37/51, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit; | 12 | 6° leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 37/51, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit; |
| 13 | 7° leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, verhuisd zijn vanuit een andere gemeente en nu gedomicilieerd zijn in de gemeente van de vestigingsplaats. | 13 | 7° leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, verhuisd zijn vanuit een andere gemeente en nu gedomicilieerd zijn in de gemeente van de vestigingsplaats. |
| 14 | §2. In afwijking van artikel 37/55, § 4, moet een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling die in het lopende, het voorafgaande of het daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven was, en die met toepassing van artikel 15 of 16 terugkeert uit het buitengewoon onderwijs, inschrijven. | 14 | §2. In afwijking van artikel 37/55, § 4, moet een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling die in het lopende, het voorafgaande of het daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven was, en die met toepassing van artikel 15 of 16 terugkeert uit het buitengewoon onderwijs, inschrijven. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 20, §4, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school. |
| 15 | §3. In afwijking van artikel 37/55, §4, schrijft een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling in die in het voorafgaande schooljaar ingeschreven was in de school voor het kleuteronderwijs en die terugkeert uit een school voor het lager onderwijs omdat de leerling niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het lager onderwijs met toepassing van artikel 13/1. | ||
| 11 | § 4. Binnen elke van de in § 1 opgesomde categorieën worden afzonderlijke rationalisatienormen vastgelegd per niveau en liggen de rationalisatienormen het laagst voor vestigingsplaatsen en scholen in gemeenten met een bevolkingsdichtheid van minder dan vijfenzeventig inwoners per km2 en het hoogst voor vestigingsplaatsen en scholen in gemeenten met meer dan vijfhonderd inwoners per km2. | 11 | § 4. Binnen elke van de in § 1 opgesomde categorieën worden afzonderlijke rationalisatienormen vastgelegd per niveau en liggen de rationalisatienormen het laagst voor vestigingsplaatsen en scholen in gemeenten met een bevolkingsdichtheid van minder dan vijfenzeventig inwoners per km2 en het hoogst voor vestigingsplaatsen en scholen in gemeenten met meer dan vijfhonderd inwoners per km2. |
| 12 | § 5. De programmatienormen en rationalisatienormen voor scholen en vestigingsplaatsen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad zijn die van de gesoleerde scholen en vestigingsplaatsen in gemeenten met minder dan vijfenze-ventig inwoners per km2. | 12 | § 5. De programmatienormen en rationalisatienormen voor scholen en vestigingsplaatsen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad zijn die van de gesoleerde scholen en vestigingsplaatsen in gemeenten met minder dan vijfenze-ventig inwoners per km2. |
| 13 | § 6. Voor de programmatienormen en rationalisatienormen worden alle scholen verbonden aan kinderopvangcentra georganiseerd of erkend door Kind en Gezin en alle scholen, rechtstreeks verbonden aan internaten voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben , geacht gelegen te zijn in een gemeente met minder dan vijfenzeventig inwoners per km2. | 13 | § 6. Voor de programmatienormen en rationalisatienormen worden alle scholen verbonden aan kinderopvangcentra georganiseerd of erkend door Kind en Gezin en alle scholen met leerlingen van wie de ouders geen vaste verblijfplaats hebben en die overeenkomstig artikel 27 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten bijkomende verblijfsdagen invullen, geacht gelegen te zijn in een gemeente met minder dan vijfenzeventig inwoners per km2. |
| 1 | Onverminderd de bepalingen in artikel 39, § 7, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs kunnen scholen jaarlijks aanvullende lestijden krijgen, voor zover ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen: | 1 | Onverminderd de bepalingen in artikel 39, § 7, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs kunnen scholen jaarlijks aanvullende lestijden krijgen, voor zover ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen: |
| 2 | 1° op 1 februari van het voorafgaande of daaraan voorafgaande schooljaar ten minste 40% regelmatige leerlingen type basisaanbod en type 3 tellen, die beantwoorden aan de in artikel 139undecies, § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator die niet: | 2 | 1° op 1 februari van het voorafgaande of daaraan voorafgaande schooljaar ten minste 40% regelmatige leerlingen type basisaanbod en type 3 tellen, die beantwoorden aan de in artikel 139undecies, § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator die niet: |
| 3 | a) binnen het niet rechtstreeks toegankelijke aanbod, als vermeld in artikel 2, § 1, 4°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp gebruik maken van de module verblijf in een multifunctioneel centrum, als vermeld in artikel 10van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap; | 3 | a) binnen het niet rechtstreeks toegankelijke aanbod, als vermeld in artikel 2, § 1, 40°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp gebruik maken van de module verblijf in een multifunctioneel centrum, als vermeld in artikel 10, §1, 1°, en §2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap; |
| 4 | b) in een internaat buitengewoon onderwijs vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 ingeschreven zijn; | ||
| 4 | b) ...; | ||
| 5 | 2° overeenkomstig de bepalingen van artikel 139ter decies batig gerangschikt zijn onder de in punt 1° bedoelde scholen en ten minste 6 aanvullende lestijden genereren. | 5 | 2° overeenkomstig de bepalingen van artikel 139ter decies batig gerangschikt zijn onder de in punt 1° bedoelde scholen en ten minste 6 aanvullende lestijden genereren. |
| 7 | 6° in afwijking van punt 5° wordt, voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, zoals bepaald in artikel 132, en voor de berekening van de aanvullende lestijden voor elke erkende godsdienst en voor de niet-confessionele zedenleer of voor cultuurbeschouwing, zoals bepaald in artikel 138, § 1, 1°, de coëfficiënt 1,5 toegepast op de leerlingen : | 7 | 6° in afwijking van punt 5° wordt, voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, zoals bepaald in artikel 132, en voor de berekening van de aanvullende lestijden voor elke erkende godsdienst en voor de niet-confessionele zedenleer of voor cultuurbeschouwing, zoals bepaald in artikel 138, § 1, 1°, de coëfficiënt 1,5 toegepast op de leerlingen : |
| 8 | a) die verblijven in een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning; | 8 | a) die verblijven in een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning; |
| 9 | b) die verblijven in tehuizen voor kinderen van wie de ouders geen vaste verblijfplaats hebben; | ||
| 9 | b) van wie de ouders geen vaste verblijfplaats hebben en die overeenkomstig artikel 27 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten bijkomende verblijfsdagen invullen; | ||
| 10 | c) die effectief gebruikmaken van een jeugdhulpverleningsbeslissing als vermeld in artikel 2, §1, 28°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp voor verblijf op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank; | 10 | c) die effectief gebruikmaken van een jeugdhulpverleningsbeslissing als vermeld in artikel 2, §1, 28°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp voor verblijf op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank; |
| 11 | d) van wie de ouders tot de trekkende bevolking behoren; | 11 | d) van wie de ouders tot de trekkende bevolking behoren; |
| 2 | In afwijking van het eerste lid: | 2 | In afwijking van het eerste lid: |
| 3 | 1° ... | 3 | 1° ... |
| 4 | 2° gelden artikel 96 tot en met 99, 115/1, en 116 tot en met 120 niet voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs; | 4 | 2° gelden artikel 96 tot en met 99, 115/1 en 116 tot en met 120 niet voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs; |
| 5 | 3° gelden artikel 110/1 tot en met 110/18, 111 en 112, 122/2 tot en met 122/6, 123/2 tot en met 123/4, 123/6 tot en met 123/25 ook voor de leertijd. | 5 | 3° gelden artikel 110/1 tot en met 110/18, 111 en 112, 122/2 tot en met 122/6, 123/2 tot en met 123/4, 123/6 tot en met 123/25 ook voor de leertijd. |
| 6 | § 2. De bepalingen van deel IV van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs. | 6 | § 2. De bepalingen van deel IV van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs. |
| 8 | De artikelen 253/1 tot en met 253/31 zijn enkel van toepassing op de scholen gelegen in het Nederlandse taalgebied. De artikelen 253/33 tot en met 253/63 zijn enkel van toepassing op de scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. | 8 | De artikelen 253/1 tot en met 253/31 zijn enkel van toepassing op de scholen gelegen in het Nederlandse taalgebied. De artikelen 253/33 tot en met 253/63 zijn enkel van toepassing op de scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. |
| 9 | Artikel 253/1 tot en met 253/6, artikel 253/21 tot en met 253/37, en artikel 253/52 tot en met 253/61 gelden ook voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd. | 9 | Artikel 253/1 tot en met 253/6, artikel 253/21 tot en met 253/37, en artikel 253/52 tot en met 253/61 gelden ook voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd. |
| 10 | Artikel 253/1 tot en met 253/61 zijn niet van toepassing op de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs die wordt georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs. | 10 | Artikel 253/1 tot en met 253/61 zijn niet van toepassing op de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die worden georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs. |
| 11 | § 2/1. De bepalingen van deel III en deel IV van de codificatie zijn ook van toepassing op de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs die wordt georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld en met behoud van toepassing van de bepalingen van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013. | 11 | § 2/1. De bepalingen van deel III en deel IV van de codificatie zijn ook van toepassing op de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die worden georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld en met behoud van toepassing van de bepalingen van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013. |
| 12 | § 3. De bepalingen van deel V van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van artikel 357, dat niet van toepassing is op het buitengewoon secundair onderwijs, maar enkel op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs. | 12 | § 3. De bepalingen van deel V van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van artikel 357, dat niet van toepassing is op het buitengewoon secundair onderwijs, maar enkel op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs. |
| 13 | De artikelen 295/1 tot en met 295/15 zijn niet van toepassing op de ziekenhuisscholen. | 13 | De artikelen 295/1 tot en met 295/15 zijn niet van toepassing op de ziekenhuisscholen. |
| 14 | De artikelen 351 tot en met 356 gelden ook voor het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs die wordt georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs. | 14 | De artikelen 351 tot en met 356 gelden ook voor het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die worden georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs. |
| 15 | § 3/1. De bepalingen van deel V/1 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen. | 15 | § 3/1. De bepalingen van deel V/1 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen. |
| 16 | De bepalingen van deel V/2 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen. | 16 | De bepalingen van deel V/2 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen. |
| 17 | § 3/2. De bepalingen van deel V/3 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor buitengewoon secundair onderwijs met opleidingsvorm 3 en 4 met duale structuuronderdelen.". | 17 | § 3/2. De bepalingen van deel V/3 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor buitengewoon secundair onderwijs met opleidingsvorm 3 en 4 met duale structuuronderdelen.". |
| 18 | § 4. Deel VI bevat een overzicht van de uitwerkingsdatum van de artikelen van de codificatie en deel VII wijzigt de verwijzingen naar artikelen die opgenomen zijn in de codificatie betreffende het secundair onderwijs. | 18 | § 4. Deel VI bevat een overzicht van de uitwerkingsdatum van de artikelen van de codificatie en deel VII wijzigt de verwijzingen naar artikelen die opgenomen zijn in de codificatie betreffende het secundair onderwijs. |
| 19 | § 5. De codificatie is niet van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde internaten en semi-internaten. (1) | 19 | § 5. De codificatie is niet van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde onderwijsinternaten en semi-internaten. (1) |
| 20 | § 6. Op duale structuuronderdelen en aanloopstructuuronderdelen, ingericht door een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, zijn de volgende artikelen van toepassing: artikel 4 tot en met 10, artikel 12, artikel 14, § 1 en § 3, artikel 15, uitgezonderd paragraaf 1, 16°, artikel 35 tot en met 38, artikel 41 tot en met 43, artikel 47, 48, artikel 70, artikel 100 tot en met 103, artikel 106 tot en met 108, artikel 110/1 tot en met 110/18, artikel 111, 112, artikel 115 tot en met 117/1, artikel 122 tot en met 123/19, artikel 136 tot en met 136/6, artikel 150, artikel 157/1, artikel 169 tot en met 173, artikel 252, 252/1, 253, artikel 253/1 tot en met 253/6, artikel 253/21 tot en met 253/37, artikel 253/54 tot en met 253/63, 256/11, 314/8 en 314/9. | 20 | § 6. Op duale structuuronderdelen en aanloopstructuuronderdelen, ingericht door een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, zijn de volgende artikelen van toepassing: artikel 4 tot en met 10, artikel 12, artikel 14, § 1 en § 3, artikel 15, uitgezonderd paragraaf 1, 16°, artikel 35 tot en met 38, artikel 41 tot en met 43, artikel 47, 48, artikel 70, artikel 100 tot en met 103, artikel 106 tot en met 108, artikel 110/1 tot en met 110/18, artikel 111, 112, artikel 115 tot en met 117/1, artikel 122 tot en met 123/19, artikel 136 tot en met 136/6, artikel 150, artikel 157/1, artikel 169 tot en met 173, artikel 252, 252/1, 253, artikel 253/1 tot en met 253/6, artikel 253/21 tot en met 253/37, artikel 253/54 tot en met 253/63 en 256/11. |
| 1 | Indien in een scholengemeenschap door een herstructurering van de school of van het onderwijsaanbod bepaalde infrastructuur niet langer gebruikt wordt voor het secundair onderwijs, dan kan het schoolbestuur deze gebouwen gebruiken voor het eigen niet-secundair onderwijs ofwel overdragen naar of ter beschikking stellen van een ander schoolbestuur van hetzelfde onderwijsnet die onderwijs van een ander niveau organiseert, een centrum voor leerlingenbegeleiding, of een internaat. | 1 | Indien in een scholengemeenschap door een herstructurering van de school of van het onderwijsaanbod bepaalde infrastructuur niet langer gebruikt wordt voor het secundair onderwijs, dan kan het schoolbestuur deze gebouwen gebruiken voor het eigen niet-secundair onderwijs ofwel overdragen naar of ter beschikking stellen van een ander schoolbestuur van hetzelfde onderwijsnet die onderwijs van een ander niveau organiseert, een centrum voor leerlingenbegeleiding, of een onderwijsinternaat. |
| 2 | Als hierbij de eigendom of het zakelijk recht dat noodzakelijk was om in aanmerking te komen voor een subsidie van het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (Agion) overgaat naar het verkrijgende schoolbestuur of deze een zakelijk recht verwerft op het gebouw met een duur gelijk aan de resterende termijn van het zakelijk recht dat het vroeger schoolbestuur bezit, treedt deze laatste in de rechten en verplichtingen ten opzichte van Agion. In dit geval is artikel 19, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, niet van toepassing. | 2 | Als hierbij de eigendom of het zakelijk recht dat noodzakelijk was om in aanmerking te komen voor een subsidie van het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (Agion) overgaat naar het verkrijgende schoolbestuur of deze een zakelijk recht verwerft op het gebouw met een duur gelijk aan de resterende termijn van het zakelijk recht dat het vroeger schoolbestuur bezit, treedt deze laatste in de rechten en verplichtingen ten opzichte van Agion. In dit geval is artikel 19, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, niet van toepassing. |
| 3 | Als de eigendom of het hiervoor vermelde zakelijk recht niet wordt overgedragen of gevestigd en het gebouw verder voor onderwijsdoeleinden wordt gebruikt, dan is artikel 19, § 2, van dezelfde wet, evenmin van toepassing. Het oorspronkelijke schoolbestuur blijft wel verantwoordelijk ten opzichte van Agion voor de naleving van de verplichtingen die werden aangegaan bij de toekenning van de subsidie. | 3 | Als de eigendom of het hiervoor vermelde zakelijk recht niet wordt overgedragen of gevestigd en het gebouw verder voor onderwijsdoeleinden wordt gebruikt, dan is artikel 19, § 2, van dezelfde wet, evenmin van toepassing. Het oorspronkelijke schoolbestuur blijft wel verantwoordelijk ten opzichte van Agion voor de naleving van de verplichtingen die werden aangegaan bij de toekenning van de subsidie. |
| 4 | Indien de infrastructuur waarvoor Agion subsidie heeft toegekend, afgebroken wordt, dan is artikel 19, § 2, van dezelfde wet, evenmin van toepassing. | 4 | Indien de infrastructuur waarvoor Agion subsidie heeft toegekend, afgebroken wordt, dan is artikel 19, § 2, van dezelfde wet, evenmin van toepassing. |
| 5 | Wordt de infrastructuur echter onttrokken aan één van de bestemmingen waarvoor een beroep kan worden gedaan op de tegemoetkoming van Agion zoals bepaald in artikel 13, § 1, van dezelfde wet, dan moet het schoolbestuur het gedeelte van de ontvangen subsidie, bedoeld in artikel 19, § 2, van dezelfde wet, terugbetalen. Een terugbetaling wordt evenwel niet opgelegd indien bij verkoop de opbrengst ten bedrage van de terug te betalen subsidie binnen een periode van twee jaar en met behoud van bestemming opnieuw wordt geïnvesteerd in subsidiabele infrastructuur voor het onderwijs, voor een centrum voor leerlingenbegeleiding, of een internaat. (65) | 5 | Wordt de infrastructuur echter onttrokken aan één van de bestemmingen waarvoor een beroep kan worden gedaan op de tegemoetkoming van Agion zoals bepaald in artikel 13, § 1, van dezelfde wet, dan moet het schoolbestuur het gedeelte van de ontvangen subsidie, bedoeld in artikel 19, § 2, van dezelfde wet, terugbetalen. Een terugbetaling wordt evenwel niet opgelegd indien bij verkoop de opbrengst ten bedrage van de terug te betalen subsidie binnen een periode van twee jaar en met behoud van bestemming opnieuw wordt geïnvesteerd in subsidiabele infrastructuur voor het onderwijs, voor een centrum voor leerlingenbegeleiding, of een onderwijsinternaat. (65) |
| 31 | 1° voor de toelating van leerlingen in het secundair onderwijs die: | 31 | 1° voor de toelating van leerlingen in het secundair onderwijs die: |
| 32 | a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg; | 32 | a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg; |
| 33 | b) hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat verbonden aan de school; | 33 | b) hetzij als semi-internen verblijven in een semi-internaat dat verbonden is aan een school, of als internen verblijven in een onderwijsinternaat; |
| 34 | c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang; | 34 | c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang; |
| 35 | 2° ...; | 35 | 2° ...; |
| 51 | 1° voor de toelating van leerlingen in het secundair onderwijs die: | 51 | 1° voor de toelating van leerlingen in het secundair onderwijs die: |
| 52 | a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg; | 52 | a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg; |
| 53 | b) hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat verbonden aan de school; | 53 | b) hetzij als semi-internen verblijven in een semi-internaat dat verbonden is aan een school, of als internen verblijven in een onderwijsinternaat; |
| 54 | c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang; | 54 | c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang; |
| 55 | 2° ...; | 55 | 2° ...; |
| 14 | 3° de splitsing kan slechts één van de volgende vormen aannemen : | 14 | 3° de splitsing kan slechts één van de volgende vormen aannemen : |
| 15 | a) hetzij een afsplitsing van de eerste graad; | 15 | a) hetzij een afsplitsing van de eerste graad; |
| 16 | b) hetzij een afsplitsing van een of meer studiegebieden ; | 16 | b) hetzij een afsplitsing van een of meer studiegebieden of studiedomeinen; |
| 17 | c) hetzij een combinatie van beide voorgaande; | 17 | c) hetzij een combinatie van beide voorgaande; |
| 18 | 4° de splitsing moet, voor een school die tot een scholengemeenschap behoort, in overeenstemming zijn met de afspraken die de scholengemeenschap maakt over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod. | 18 | 4° de splitsing moet, voor een school die tot een scholengemeenschap behoort, in overeenstemming zijn met de afspraken die de scholengemeenschap maakt over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod. |
| 19 | § 4. Onder toepasbare rationalisatienorm, vermeld in § 1, § 2 en § 3, wordt verstaan : | 19 | § 4. Onder toepasbare rationalisatienorm, vermeld in § 1, § 2 en § 3, wordt verstaan : |
| 20 | a) hetzij, afhankelijk van de door de school georganiseerde graden, de norm vermeld in artikel 191, 2° en 195 : voor de scholen gelegen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven; | 20 | a) hetzij, afhankelijk van de door de school georganiseerde graden, de norm vermeld in artikel 191, 2° en 195 : voor de scholen gelegen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een onderwijsinternaat verblijven; |
| 21 | b) hetzij, afhankelijk van de door de school georganiseerde graden, de norm vermeld in artikel 191,1° en 195 : voor de scholen die niet onder toepassing van a) vallen. | 21 | b) hetzij, afhankelijk van de door de school georganiseerde graden, de norm vermeld in artikel 191,1° en 195 : voor de scholen die niet onder toepassing van a) vallen. |
| 22 | § 5. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op scholen met uitsluitend de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs. | 22 | § 5. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op scholen met uitsluitend de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs. |
| 23 | § 6. De programmatie van een school door splitsing van een bestaande school wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk gemeld uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar. Indien niet het gevolg van splitsing van een bestaande school, dan zijn voor de programmatie van de school de bepalingen van artikel 15, § 2, van toepassing. | 23 | § 6. De programmatie van een school door splitsing van een bestaande school wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk gemeld uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar. Indien niet het gevolg van splitsing van een bestaande school, dan zijn voor de programmatie van de school de bepalingen van artikel 15, § 2, van toepassing. |
| 24 | Indien de school ontstaat door splitsing van een bestaande school, dan gaan bij die melding, per betrokken school, het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, in het geval de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt. | 24 | Indien de school ontstaat door splitsing van een bestaande school, dan gaan bij die melding, per betrokken school, het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, in het geval de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt. |
| 6 | c) met een tweede + derde graad : 150; | 6 | c) met een tweede + derde graad : 150; |
| 7 | d) met een eerste + tweede + derde graad : 261; | 7 | d) met een eerste + tweede + derde graad : 261; |
| 8 | 2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven : | 8 | 2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een onderwijsinternaat verblijven : |
| 9 | a) met enkel een eerste graad : 83; | 9 | a) met enkel een eerste graad : 83; |
| 10 | b) met een eerste + tweede graad : 150; | 10 | b) met een eerste + tweede graad : 150; |
| 5 | c) met een tweede + derde graad : 129; | 5 | c) met een tweede + derde graad : 129; |
| 6 | d) met een eerste + tweede + derde graad : 223; | 6 | d) met een eerste + tweede + derde graad : 223; |
| 7 | 2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven : | 7 | 2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een onderwijsinternaat verblijven : |
| 8 | a) met enkel een eerste graad : 71; | 8 | a) met enkel een eerste graad : 71; |
| 9 | b) met een eerste + tweede graad : 128; | 9 | b) met een eerste + tweede graad : 128; |
| 3 | a) met enkel een eerste graad : 74; | 3 | a) met enkel een eerste graad : 74; |
| 4 | b) met een eerste + tweede graad : 133; | 4 | b) met een eerste + tweede graad : 133; |
| 5 | 2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven : | 5 | 2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een onderwijsinternaat verblijven : |
| 6 | a) met enkel een eerste graad : 55; | 6 | a) met enkel een eerste graad : 55; |
| 7 | b) met een eerste + tweede graad : 99. | 7 | b) met een eerste + tweede graad : 99. |
| 10 | a) met een tweede + derde graad : 100; | 10 | a) met een tweede + derde graad : 100; |
| 11 | b) met een eerste + tweede + derde graad : 174; | 11 | b) met een eerste + tweede + derde graad : 174; |
| 12 | 2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven : | 12 | 2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een onderwijsinternaat verblijven : |
| 13 | a) met een tweede + derde graad : 75; | 13 | a) met een tweede + derde graad : 75; |
| 14 | b) met een eerste + tweede + derde graad : 130. | 14 | b) met een eerste + tweede + derde graad : 130. |
| 17 | a) uniek : per onderwijsnet slechts een keer georganiseerd per provincie dan wel in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad; | 17 | a) uniek : per onderwijsnet slechts een keer georganiseerd per provincie dan wel in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad; |
| 18 | b) structuuronderdeel : | 18 | b) structuuronderdeel: |
| 19 | - een basisoptie; | ||
| 20 | - een optie van de tweede, derde of vierde graad van een bepaalde onderwijsvorm; | ||
| 21 | - het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, al dan niet georganiseerd als een specialisatiejaar; | ||
| 19 | 1) alle structuuronderdelen van de eerste, tweede en derde graad, met uitzondering van het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B; | ||
| 22 | - een opleiding van het hoger beroepsonderwijs; | 20 | 2) het hoger beroepsonderwijs; |
| 23 | 2° een school van het gesubsidieerd vrij onderwijs : | 21 | 2° een school van het gesubsidieerd vrij onderwijs : |
| 24 | a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert; en | 22 | a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert; en |
| 4 | 3° bij de inwerkingtreding van titel VI van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs niet onder de toepassing vallen van artikel 50 van het voormelde decreet. | 4 | 3° bij de inwerkingtreding van titel VI van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs niet onder de toepassing vallen van artikel 50 van het voormelde decreet. |
| 5 | De rationalisatienorm, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald op de volgende wijze: | 5 | De rationalisatienorm, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald op de volgende wijze: |
| 6 | 1° voor een instelling in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor een instelling waarvan meer dan 75% van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijft: | 6 | 1° voor een instelling in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor een instelling waarvan meer dan 75% van de regelmatige leerlingen in een onderwijsinternaat verblijft: |
| 7 | a) met alleen een eerste graad: 55; | 7 | a) met alleen een eerste graad: 55; |
| 8 | b) met een eerste en tweede graad: 99; | 8 | b) met een eerste en tweede graad: 99; |
| 1 | In het voltijds gewoon secundair onderwijs wordt een voltijdse betrekking van directeur toegekend aan een school met ten minste 83 regelmatige leerlingen op de voorziene teldatum. | 1 | In het voltijds gewoon secundair onderwijs wordt een voltijdse betrekking van directeur toegekend aan een school met ten minste 83 regelmatige leerlingen op de voorziene teldatum. |
| 2 | In afwijking hierop wordt aan een school die enkel de eerste graad of de eerste en de tweede graad organiseert en die in de financierings- of subsidiëringsregeling werd opgenomen vanaf 1 september 1989, een voltijdse betrekking van directeur toegekend indien de school ten minste 120 regelmatige leerlingen telt op de voorziene teldatum. | 2 | In afwijking hierop wordt aan een school die enkel de eerste graad of de eerste en de tweede graad organiseert en die in de financierings- of subsidiëringsregeling werd opgenomen vanaf 1 september 1989, een voltijdse betrekking van directeur toegekend indien de school ten minste 120 regelmatige leerlingen telt op de voorziene teldatum. |
| 3 | Indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt, wordt de directeur belast met een onderwijsopdracht die gelijk is aan een halve onderwijsopdracht, verminderd met vier uren-leraar of met een halftijdse opdracht van beheerder van het internaat verbonden aan een school voor zeevisserijonderwijs. De uren-leraar vallen binnen het urenpakket. Hij behoudt echter het recht op de salarisschaal van directeur met een volledige opdracht of op de overeenstemmende salaristoelage. (206) | 3 | Indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt, wordt de directeur belast met een onderwijsopdracht die gelijk is aan een halve onderwijsopdracht, verminderd met vier uren-leraar. De uren-leraar vallen binnen het urenpakket. Hij behoudt echter het recht op de salarisschaal van directeur met een volledige opdracht of op de overeenstemmende salaristoelage. (206) |
| 2 | 1° voor de toelating van leerlingen die: | 2 | 1° voor de toelating van leerlingen die: |
| 3 | a) hetzij beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de functie verblijf, namelijk aangepaste woon- en leefomgeving onder toezicht en begeleiding, bij een jeugdhulpaanbieder op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank; | 3 | a) hetzij beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de functie verblijf, namelijk aangepaste woon- en leefomgeving onder toezicht en begeleiding, bij een jeugdhulpaanbieder op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank; |
| 4 | b) hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat verbonden aan de school; | 4 | b) hetzij als semi-internen verblijven in een semi-internaat dat verbonden is aan een school, of als internen verblijven in een onderwijsinternaat; |
| 5 | c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang; | 5 | c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang; |
| 6 | d) hetzij geadopteerd zijn in een gezin dat beschikt over een verzoekschrift tot binnen- of buitenlandse adoptie dat ingediend is bij de bevoegde rechtbank, of, bij gebrek daaraan, een buitenlandse adoptiebeslissing of een buitenlandse beslissing tot plaatsing met het oog op adoptie; | 6 | d) hetzij geadopteerd zijn in een gezin dat beschikt over een verzoekschrift tot binnen- of buitenlandse adoptie dat ingediend is bij de bevoegde rechtbank, of, bij gebrek daaraan, een buitenlandse adoptiebeslissing of een buitenlandse beslissing tot plaatsing met het oog op adoptie; |
| 7 | e) hetzij beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294; | 7 | e) hetzij beschikken over een IAC-verslag of OV4-verslag; |
| 8 | 2° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde niveau, vermeld in artikel 253/13, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit; | 8 | 2° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde niveau, vermeld in artikel 253/13, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit; |
| 9 | 3° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/11, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit; | 9 | 3° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/11, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit; |
| 10 | 4° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente. | 10 | 4° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente. |
| 11 | Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. | 11 | Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school. |
| 12 | In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/13. | 12 | In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/13. |
| 2 | 1° voor de toelating van leerlingen die: | 2 | 1° voor de toelating van leerlingen die: |
| 3 | a) hetzij beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de functie verblijf, namelijk aangepaste woon- en leefomgeving onder toezicht en begeleiding, bij een jeugdhulpaanbieder op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank; | 3 | a) hetzij beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de functie verblijf, namelijk aangepaste woon- en leefomgeving onder toezicht en begeleiding, bij een jeugdhulpaanbieder op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank; |
| 4 | b) hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat verbonden aan de school; | 4 | b) hetzij als semi-internen verblijven in een semi-internaat dat verbonden is aan een school, of als internen verblijven in een onderwijsinternaat; |
| 5 | c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang; | 5 | c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang; |
| 6 | 2° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de volzetverklaring; | 6 | 2° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de volzetverklaring; |
| 2 | 1° voor de toelating van leerlingen die: | 2 | 1° voor de toelating van leerlingen die: |
| 3 | a) hetzij beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de functie verblijf, namelijk aangepaste woonen leefomgeving onder toezicht en begeleiding, bij een jeugdhulpaanbieder op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank; | 3 | a) hetzij beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de functie verblijf, namelijk aangepaste woonen leefomgeving onder toezicht en begeleiding, bij een jeugdhulpaanbieder op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank; |
| 4 | b) hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat verbonden aan de school; | 4 | b) hetzij als semi-internen verblijven in een semi-internaat dat verbonden is aan een school, of als internen verblijven in een onderwijsinternaat; |
| 5 | c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang; | 5 | c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang; |
| 6 | d) hetzij geadopteerd zijn in een gezin dat beschikt over een verzoekschrift tot binnenof buitenlandse adoptie, dat ingediend is bij de bevoegde rechtbank, of, bij gebrek daaraan, een buitenlandse adoptiebeslissing of een buitenlandse beslissing tot plaatsing met het oog op adoptie; | 6 | d) hetzij geadopteerd zijn in een gezin dat beschikt over een verzoekschrift tot binnenof buitenlandse adoptie, dat ingediend is bij de bevoegde rechtbank, of, bij gebrek daaraan, een buitenlandse adoptiebeslissing of een buitenlandse beslissing tot plaatsing met het oog op adoptie; |
| 7 | e) hetzij beschikken over een verslag, vermeld in artikel 294; | 7 | e) hetzij beschikken over een IAC-verslag of OV4-verslag; |
| 8 | 2° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde niveau, vermeld in artikel 253/42, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit; | 8 | 2° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde niveau, vermeld in artikel 253/42, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit; |
| 9 | 3° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/40, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit; | 9 | 3° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/40, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit; |
| 10 | 4° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente. | 10 | 4° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente. |
| 11 | § 2. Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. | 11 | § 2. Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school. |
| 12 | § 3. In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/42. | 12 | § 3. In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/42. |
| 2 | 1° voor de toelating van leerlingen die: | 2 | 1° voor de toelating van leerlingen die: |
| 3 | a) hetzij beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de functie verblijf, namelijk aangepaste woonen leefomgeving onder toezicht en begeleiding, bij een jeugdhulpaanbieder op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank; | 3 | a) hetzij beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de functie verblijf, namelijk aangepaste woonen leefomgeving onder toezicht en begeleiding, bij een jeugdhulpaanbieder op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank; |
| 4 | b) hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat verbonden aan de school; | 4 | b) hetzij als semi-internen verblijven in een semi-internaat dat verbonden is aan een school, of als internen verblijven in een onderwijsinternaat; |
| 5 | c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang; | 5 | c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang; |
| 6 | d) hetzij geadopteerd zijn in een gezin dat beschikt over een verzoekschrift tot binnenof buitenlandse adoptie, dat ingediend is bij de bevoegde rechtbank, of, bij gebrek daaraan, een buitenlandse adoptiebeslissing of een buitenlandse beslissing tot plaatsing met het oog op adoptie; | 6 | d) hetzij geadopteerd zijn in een gezin dat beschikt over een verzoekschrift tot binnenof buitenlandse adoptie, dat ingediend is bij de bevoegde rechtbank, of, bij gebrek daaraan, een buitenlandse adoptiebeslissing of een buitenlandse beslissing tot plaatsing met het oog op adoptie; |
| 7 | e) hetzij beschikken over een verslag, vermeld in artikel 294; | 7 | e) hetzij beschikken over een IAC-verslag of OV4-verslag; |
| 8 | 2° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de bereikte capaciteit; | 8 | 2° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de bereikte capaciteit; |
| 9 | 3° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente. | 9 | 3° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente. |
| 1 | Scholen kunnen jaarlijks extra lesuren krijgen voor zover ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen: | 1 | Scholen kunnen jaarlijks extra lesuren krijgen voor zover ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen: |
| 2 | 1° op 1 februari van het voorafgaande of daaraan voorafgaande schooljaar ten minste 40% regelmatige leerlingen type basisaanbod en type 3 tellen, die beantwoorden aan de in artikel 317, §1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator en die niet: | 2 | 1° op 1 februari van het voorafgaande of daaraan voorafgaande schooljaar ten minste 40% regelmatige leerlingen type basisaanbod en type 3 tellen, die beantwoorden aan de in artikel 317, §1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator en die niet: |
| 3 | - binnen het niet rechtstreeks toegankelijke aanbod, als vermeld in artikel 2, §1, 40, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp gebruik maken van de module verblijf in een multifunctioneel centrum als vermeld in artikel 10van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap; | 3 | - binnen het niet rechtstreeks toegankelijke aanbod, als vermeld in artikel 2, §1, 40°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp gebruik maken van de module verblijf in een multifunctioneel centrum als vermeld in artikel 10, §1, 1°, en §2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap; |
| 4 | - in een internaat buitengewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 ingeschreven zijn; | ||
| 4 | - ...; | ||
| 5 | 2° overeenkomstig de bepalingen van artikel 319 batig gerangschikt zijn onder de in punt 1° bedoelde scholen en ten minste 6 extra lesuren genereren. | 5 | 2° overeenkomstig de bepalingen van artikel 319 batig gerangschikt zijn onder de in punt 1° bedoelde scholen en ten minste 6 extra lesuren genereren. |
| 1 | De bepalingen van dit decreet zijn van toepassing op: | ||
| 2 | 1° de vrije door de Vlaamse gemeenschap gesubsidieerde: | ||
| 3 | - instellingen van het kleuteronderwijs, lager onderwijs, basisonderwijs en secundair onderwijs; | ||
| 4 | - centra voor volwassenenonderwijs; | ||
| 5 | - instellingen van het deeltijds kunstonderwijs; | ||
| 6 | - onderwijsinternaten; | ||
| 7 | - centra voor leerlingenbegeleiding; | ||
| 8 | - leersteuncentra als vermeld in artikel 20, §1, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun; | ||
| 9 | 2° de personeelsleden tewerkgesteld in de instellingen bedoeld in 1°. |
| 1 | De LOC's hebben tenminste jaarlijks recht op inlichtingen in verband met het financieel beleid van de scho(o)l(en). | ||
| 2 | Deze inlichtingen betreffen: | ||
| 3 | 1° de ontvangen toelagen; | ||
| 4 | 2° de inkomsten voortvloeiend uit initiatieven voor steun aan de scholen; | ||
| 5 | 3° de persoonlijke bijdrage in onderwijsinternaten, maaltijdtickets, bij- en naschoolse activiteiten; | ||
| 6 | 4° alle andere inkomsten; | ||
| 7 | 5° de jaarrekeningen van het laatste kalenderjaar; | ||
| 8 | 6° de overeenkomsten en akkoorden die fundamentele en duurzame gevolgen hebben voor de toestand van de scho(o)l(en). |
| 2 | § 2. Het LOC stelt het arbeidsreglement op en brengt wijzingen aan in een bestaand arbeidsreglement. | 2 | § 2. Het LOC stelt het arbeidsreglement op en brengt wijzingen aan in een bestaand arbeidsreglement. |
| 3 | De leden van het (gemeenschappelijk) LOC hebben het recht om ontwerpen van arbeidsreglement of van wijziging in een bestaand arbeidsreglement voor te stellen aan het (gemeenschappelijk) LOC. | 3 | De leden van het (gemeenschappelijk) LOC hebben het recht om ontwerpen van arbeidsreglement of van wijziging in een bestaand arbeidsreglement voor te stellen aan het (gemeenschappelijk) LOC. |
| 4 | Deze ontwerpen of voorstellen van wijzigingen worden door de voorzitter van het (gemeenschappelijk) LOC aan elk lid van het (gemeenschappelijk) LOC medegedeeld. Zij worden bovendien tegelijk ter kennis van de personeelsleden gebracht door aanplakking op een zichtbare en toegankelijke plaats binnen de school, het centrum of het internaat. | 4 | Deze ontwerpen of voorstellen van wijzigingen worden door de voorzitter van het (gemeenschappelijk) LOC aan elk lid van het (gemeenschappelijk) LOC medegedeeld. Zij worden bovendien tegelijk ter kennis van de personeelsleden gebracht door aanplakking op een zichtbare en toegankelijke plaats binnen de school, het centrum of het onderwijsinternaat. |
| 5 | Deze ontwerpen of voorstellen van wijzigingen worden door de voorzitter van het (gemeenschappelijk) LOC op de agenda van het (gemeenschappelijk) LOC geplaatst. Het (gemeenschappelijk) LOC waarin de onderhandelingen over het arbeidsreglement plaatvinden wordt ten vroegste vijftien kalenderdagen en uiterlijk dertig kalenderdagen na de aanplakking bijeengeroepen. | 5 | Deze ontwerpen of voorstellen van wijzigingen worden door de voorzitter van het (gemeenschappelijk) LOC op de agenda van het (gemeenschappelijk) LOC geplaatst. Het (gemeenschappelijk) LOC waarin de onderhandelingen over het arbeidsreglement plaatvinden wordt ten vroegste vijftien kalenderdagen en uiterlijk dertig kalenderdagen na de aanplakking bijeengeroepen. |
| 6 | De onderhandelingen over het arbeidsreglement leiden tot een eenparig akkoord dat wordt afgesloten met een protocol van akkoord. Als de onderhandelingen niet leiden tot een eenparig akkoord worden de onderhandelingen afgesloten met een protocol dat de betwiste punten vermeldt. De voorzitter van het (gemeenschappelijk) LOC bezorgt dit protocol binnen de vijftien kalenderdagen aan de voorzitter van het Centraal Paritair Comité. | 6 | De onderhandelingen over het arbeidsreglement leiden tot een eenparig akkoord dat wordt afgesloten met een protocol van akkoord. Als de onderhandelingen niet leiden tot een eenparig akkoord worden de onderhandelingen afgesloten met een protocol dat de betwiste punten vermeldt. De voorzitter van het (gemeenschappelijk) LOC bezorgt dit protocol binnen de vijftien kalenderdagen aan de voorzitter van het Centraal Paritair Comité. |
| 11 | Het arbeidsreglement dat berust op een akkoord of dat eventueel ingevolge een beslissing van het Centraal Paritair Comité gewijzigd is, treedt vijftien kalenderdagen na de datum van het akkoord of van de beslissing in werking, tenzij een andere datum voor de inwerkingtreding is vastgesteld. | 11 | Het arbeidsreglement dat berust op een akkoord of dat eventueel ingevolge een beslissing van het Centraal Paritair Comité gewijzigd is, treedt vijftien kalenderdagen na de datum van het akkoord of van de beslissing in werking, tenzij een andere datum voor de inwerkingtreding is vastgesteld. |
| 12 | § 3. De procedure bepaald in paragraaf 2 is niet van toepassing indien gebruikgemaakt wordt van de bepalingen voor de wijzigingen opgenomen in van artikel 14 van de wet van 8 april 1965 en de wijziging van de namen van de leden van het lokaal onderhandelingscomité. | 12 | § 3. De procedure bepaald in paragraaf 2 is niet van toepassing indien gebruikgemaakt wordt van de bepalingen voor de wijzigingen opgenomen in van artikel 14 van de wet van 8 april 1965 en de wijziging van de namen van de leden van het lokaal onderhandelingscomité. |
| 13 | § 4. Afdeling 3 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen is niet van toepassing op scholen, centra en internaten waar een (gemeenschappelijk) LOC werd opgericht. | 13 | § 4. Afdeling 3 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen is niet van toepassing op scholen, centra en onderwijsinternaten waar een (gemeenschappelijk) LOC werd opgericht. |