Bij de aanpassing van de begroting 2023 #1699
Gemerged Vlaamse Regering voegde 18 artikels samen in decreet-2022-02-11decreet-2019-03-29codex-wonen · 12 mei 2023 Alle checks geslaagd
20 artikels gewijzigd
| 17 | De financiële vraag geldt voor de volledige beleidsperiode van vier jaar. Een tussentijdse bijsturing van de beleidsnota is alleen mogelijk bij een grondige wijziging van de werking of substantiële verhoging van de overnachtingscapaciteit van het jeugdverblijf of hostel. | 17 | De financiële vraag geldt voor de volledige beleidsperiode van vier jaar. Een tussentijdse bijsturing van de beleidsnota is alleen mogelijk bij een grondige wijziging van de werking of substantiële verhoging van de overnachtingscapaciteit van het jeugdverblijf of hostel. |
| 18 | De werkings- en personeelssubsidies, vermeld in dit hoofdstuk, worden jaarlijks gekoppeld aan de gezondheidsindex. | 18 | De werkings- en personeelssubsidies, vermeld in dit hoofdstuk, worden jaarlijks gekoppeld aan de gezondheidsindex. |
| 19 | De werkings- en personeelssubsidies aan hostels kunnen pas worden toegekend na definitieve goedkeuring van dit steunregime door de Europese Commissie. | ||
| 20 | De Vlaamse Regering kan de nadere voorwaarden en de procedure bepalen voor: | 19 | De Vlaamse Regering kan de nadere voorwaarden en de procedure bepalen voor: |
| 21 | 1° de indiening van de aanvraag; | 20 | 1° de indiening van de aanvraag; |
| 1 | Het Eigen Vermogen van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen, opgericht bij het koninklijk besluit van 22 september 1931 betreffende het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen - rechtspersoonlijkheid, dat rechtspersoonlijkheid geniet bij wet van 27 juni 1930, wordt geregeld overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. |
| 1 | Het koninklijk besluit van 22 september 1931 Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen - rechtspersoonlijkheid, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011 en 4 juli 2014, wordt opgeheven, met uitzondering van artikel 1. |
| 4 | 3° wooninfrastructuur aanleggen als vermeld in artikel 5.23; | 4 | 3° wooninfrastructuur aanleggen als vermeld in artikel 5.23; |
| 5 | 4° zelf woonprojecten realiseren die ofwel vernieuwend of experimenteel zijn, ofwel noodzakelijk zijn ter uitvoering van het investeringsprogramma, vermeld in artikel 2.22, § 1, bij gebrek aan initiatieven van actoren als vermeld in artikel 4.13, of van initiatiefnemers als vermeld in artikel 5.29; | 5 | 4° zelf woonprojecten realiseren die ofwel vernieuwend of experimenteel zijn, ofwel noodzakelijk zijn ter uitvoering van het investeringsprogramma, vermeld in artikel 2.22, § 1, bij gebrek aan initiatieven van actoren als vermeld in artikel 4.13, of van initiatiefnemers als vermeld in artikel 5.29; |
| 6 | 5° grondbeleidsmaatregelen uitvoeren die noodzakelijk worden geacht om in de door de Vlaamse Regering te bepalen gebieden een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen. | 6 | 5° grondbeleidsmaatregelen uitvoeren die noodzakelijk worden geacht om in de door de Vlaamse Regering te bepalen gebieden een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen; |
| 7 | 6° de subsidies, vermeld in artikel 4.42, §4, en in artikel 5.52/1, tweede lid, uitbetalen. | ||
| 7 | De Vlaamse Regering legt een nadere omschrijving vast van het begrip "grondbeleidsmaatregelen die noodzakelijk worden geacht om een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen", vermeld in het eerste lid, 5°. | 8 | De Vlaamse Regering legt een nadere omschrijving vast van het begrip "grondbeleidsmaatregelen die noodzakelijk worden geacht om een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen", vermeld in het eerste lid, 5°. |
| 77 | 6° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | 77 | 6° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; |
| 78 | 7° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | 78 | 7° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; |
| 79 | 8° in de heffingsjaren 2020, 2021 en 2022 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | 79 | 8° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2024 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; |
| 80 | 9° in het heffingsjaar 2023 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | 80 | 9° in het heffingsjaar 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; |
| 81 | 10° in het heffingsjaar 2024 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | 81 | 10° in het heffingsjaar 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; |
| 82 | 11° in het heffingsjaar 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd. | 82 | 11° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd. |
| 83 | Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2. | 83 | Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2. |
| 84 | Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° : | 84 | Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° : |
| 30 | Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale volume aan werkingsmiddelen verminderd met 6 %. | 30 | Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale volume aan werkingsmiddelen verminderd met 6 %. |
| 31 | Vanaf het schooljaar 2023-2024 wordt het totaal volume aan werkingsmiddelen vermeerderd met 1.953.622,94 euro. | 31 | Vanaf het schooljaar 2023-2024 wordt het totaal volume aan werkingsmiddelen vermeerderd met 1.953.622,94 euro. |
| 32 | § 5. Een centrum voor volwassenenonderwijs dat in uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3, tweede lid, als erkend EVC-centrum in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 evaluaties voor een EVC-traject heeft afgenomen en daarvoor een financiële bijdrage van minder dan 96 euro heeft ontvangen, heeft recht op een aanvullende werkingstoelage voor het schooljaar n/n +1. | 32 | § 5. Een centrum voor volwassenenonderwijs dat in uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3, tweede lid, als erkend EVC-centrum in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 evaluaties voor een EVC-traject heeft afgenomen bij een specifieke doelgroep die recht heeft op een verminderde financiële bijdrage als vermeld in artikel 8 van het decreet van 26 april 2019 betreffende een geïntegreerd beleid voor de erkenning van verworven competenties, heeft recht op een aanvullende werkingstoelage voor het schooljaar n/n +1. |
| 33 | De aanvullende werkingstoelage bedraagt: | ||
| 34 | 1° 60 euro per geteste kandidaat die de verminderde financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een beroepskwalificatie heeft betaald; | ||
| 35 | 2° 48 euro per geteste kandidaat die de verminderde financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een deelkwalificatie heeft betaald. | ||
| 33 | De aanvullende werkingstoelage bedraagt de helft van de volledige financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een beroepskwalificatie of een deelkwalificatie als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2019 betreffende de uitvoering van het decreet van 26 april 2019 betreffende een geïntegreerd beleid voor de erkenning van verworven competenties, zoals van kracht op de datum van de inwerkingtreding van artikel 11 van het programmadecreet van 30 juni 2023 houdende bepalingen tot begeleiding van de begrotingsaanpassing 2023. | ||
| 36 | Voor de berekening van de aanvullende werkingstoelage komen enkel geteste kandidaten in aanmerking die voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht en die het bewijs geleverd hebben te beschikken over de Belgische nationaliteit of te voldoen aan de bepalingen van het wettig verblijf zoals bedoeld in artikel 1, 48°. | 34 | Voor de berekening van de aanvullende werkingstoelage komen enkel geteste kandidaten in aanmerking die voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht en die het bewijs geleverd hebben te beschikken over de Belgische nationaliteit of te voldoen aan de bepalingen van het wettig verblijf zoals bedoeld in artikel 1, 48°. |
| 37 | De bedragen, vermeld in het tweede lid, worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2019. Het bedrag wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal. | ||
| 6 | Ten laste van het begrotingsjaar 2021 worden 32.955,75 aanvullende leraars- uren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | 6 | Ten laste van het begrotingsjaar 2021 worden 32.955,75 aanvullende leraars- uren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. |
| 7 | Ten laste van het begrotingsjaar 2022 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkings- middelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | 7 | Ten laste van het begrotingsjaar 2022 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkings- middelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. |
| 8 | Ten laste van het begrotingsjaar 2023 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | ||
| 9 | De centra voor volwassenenonderwijs kunnen na een voorafgaand akkoord in het bevoegde lokale comité de toegekende leraarsuren ten laste van het begrotingsjaar 2023 omzetten in werkingsmiddelen voor contractuele aanwervingen ten belope van de lesopdracht tijdens de maanden juli en augustus. Voor de omzetting geldt één leraarsuur voor 63,64 euro. Uiterlijk twee maanden na de melding aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen van de om te zetten leraarsuren voor de aanwerving van contractuele personeelsleden worden 80% van deze omgezette werkingsmiddelen als voorschot aan de centra uitbetaald. Het resterende saldo van 20% wordt uitbetaald uiterlijk in de loop van de maand december van het kalenderjaar 2023. Het centrum moet alle aangewende middelen bewijzen met facturen of betalingen die werden gedaan in het kader van deze contractuele aanstellingen. Niet-aangewende middelen worden na het einde van het kalenderjaar 2023 teruggestort. Daarvoor deelt het centrum het niet-aangewende bedrag mee aan de bevoegde administratie | ||
| 8 | § 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject. | 10 | § 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject. |
| 9 | § 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt. | 11 | § 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt. |
| 1 | § 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren. | 1 | § 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren. |
| 2 | § 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015: | ||
| 3 | 1° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro; | ||
| 4 | 2° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro; | ||
| 2 | § 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld: | ||
| 3 | 1° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024; | ||
| 4 | 2° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024; | ||
| 5 | 3° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro; | 5 | 3° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro; |
| 6 | 4° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro; | 6 | 4° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro; |
| 7 | 5° voor de CLB's: 178.000 euro; | 7 | 5° voor de CLB's: 178.000 euro; |
| 8 | 6° voor de basiseducatie: 77.500 euro. | 8 | 6° voor de basiseducatie: 77.500 euro; |
| 9 | 7° voor de leersteuncentra: 167.000 euro. | ||
| 9 | Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.. | 10 | Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.. |
| 10 | § 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn. | 11 | § 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn. |
| 1 | §1. AGION wordt er toe gemachtigd om in het kader van het projectspecifiek DBFM-programma gedurende de dertigjarige beschikbaarheidsperiode verbintenissen aan te gaan ten belope van maximaal 36,5 miljoen euro per jaar. Die verbintenissen mogen voorzien in een indexering conform paragraaf 2. | 1 | §1. AGION wordt er toe gemachtigd om in het kader van het projectspecifiek DBFM-programma gedurende de dertigjarige beschikbaarheidsperiode verbintenissen aan te gaan ten belope van maximaal 36,5 miljoen euro per jaar. Die verbintenissen mogen voorzien in een indexering conform paragraaf 2. |
| 2 | §2. Vanaf het tweede jaar en tot en met het dertigste jaar van de dertigjarige beschikbaarheidstermijn mag de beschikbaarheidsvergoeding voor elk project jaarlijks geïndexeerd worden onder de volgende voorwaarden: | 2 | §2. Vanaf het tweede jaar en tot en met het dertigste jaar van de dertigjarige beschikbaarheidstermijn mag de beschikbaarheidsvergoeding voor elk project jaarlijks geïndexeerd worden onder de volgende voorwaarden: |
| 3 | 1° slechts het gedeelte van de beschikbaarheidsvergoeding dat betrekking heeft op de eigen werkingskosten van de projectvennootschap, het onderhoud en de verzekeringen, komt in aanmerking voor indexering op basis van parameters die de reële kosten vertegenwoordigen; | 3 | 1° slechts het gedeelte van de beschikbaarheidsvergoeding dat betrekking heeft op de eigen werkingskosten van de projectvennootschap, het onderhoud en de verzekeringen, komt in aanmerking voor indexering op basis van parameters die de reële kosten vertegenwoordigen; |
| 4 | 2° het indexeerbaar gedeelte van de beschikbaarheidsvergoeding bedraagt maximaal 35%; | 4 | 2° het indexeerbaar gedeelte van de beschikbaarheidsvergoeding bedraagt maximaal 35%; |
| 5 | 3° in geen geval mag de jaarlijkse indexatie ertoe leiden dat in enige periode de beschikbaarheidsvergoeding meer bedraagt dan wanneer de oorspronkelijke beschikbaarheidsvergoeding jaarlijks zou aangepast worden aan de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen. | 5 | 3° in geen geval mag de jaarlijkse indexatie ertoe leiden dat in enige periode de beschikbaarheidsvergoeding meer bedraagt dan wanneer de oorspronkelijke beschikbaarheidsvergoeding jaarlijks zou aangepast worden aan de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen. |
| 6 | §3. AGION is er toe gemachtigd om verbintenissen aan te gaan die meebrengen dat het maximum zoals bedoeld in paragraaf 1 wordt overschreden, in dit geval wordt de reguliere begrotingsmachtiging van AGION of het Gemeenschapsonderwijs, naargelang het geval, geblokkeerd ten belope van het bedrag van de overschrijding. |
| 4 | 2° het indexeerbare gedeelte van de beschikbaarheidsvergoeding bedraagt maximaal 35%; | 4 | 2° het indexeerbare gedeelte van de beschikbaarheidsvergoeding bedraagt maximaal 35%; |
| 5 | 3° de jaarlijkse indexatie leidt er in geen geval toe dat in een bepaalde periode de beschikbaarheidsvergoeding meer bedraagt dan als de oorspronkelijke beschikbaarheidsvergoeding jaarlijks aangepast zou worden aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen. | 5 | 3° de jaarlijkse indexatie leidt er in geen geval toe dat in een bepaalde periode de beschikbaarheidsvergoeding meer bedraagt dan als de oorspronkelijke beschikbaarheidsvergoeding jaarlijks aangepast zou worden aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen. |
| 6 | AGION is er toe gemachtigd om verbintenissen aan te gaan die meebrengen dat het maximum zoals bedoeld in het eerste lid wordt overschreden, in dit geval wordt de reguliere begrotingsmachtiging van AGION of het Gemeenschapsonderwijs, naargelang het geval, geblokkeerd ten belope van het bedrag van de overschrijding | ||
| 9 | 3° DBFM-programma Scholen van Vlaanderen: één van de eenmalige programma's waarmee de Vlaamse overheid de schoolinfrastructuur in Vlaanderen wil verbeteren door een DBFM-vennootschap te laten instaan voor het ontwerp (Design), de bouw (Build), financiering (Finance) en onderhoud (Maintain); | 9 | 3° DBFM-programma Scholen van Vlaanderen: één van de eenmalige programma's waarmee de Vlaamse overheid de schoolinfrastructuur in Vlaanderen wil verbeteren door een DBFM-vennootschap te laten instaan voor het ontwerp (Design), de bouw (Build), financiering (Finance) en onderhoud (Maintain); |
| 10 | 4° DBFM-toelage: de financiële bijdrage aan de beschikbaarheidsvergoeding, vermeld in hoofdstuk 4; | 10 | 4° DBFM-toelage: de financiële bijdrage aan de beschikbaarheidsvergoeding, vermeld in hoofdstuk 4; |
| 11 | 5° DBFM-vennootschap: een private vennootschap die instaat voor de uitvoering van een DBFM-programma Scholen van Vlaanderen. De inrichtende machten kunnen rechtstreeks noch onrechtstreeks belangen nemen in de vennootschap. De inrichtende machten en de Vlaamse Gemeenschap kunnen de financiële verbintenissen van de vennootschap niet waarborgen; | 11 | 5° DBFM-vennootschap: een private vennootschap die instaat voor de uitvoering van een DBFM-programma Scholen van Vlaanderen. De inrichtende machten kunnen rechtstreeks noch onrechtstreeks belangen nemen in de vennootschap. De inrichtende machten en de Vlaamse Gemeenschap kunnen de financiële verbintenissen van de vennootschap niet waarborgen. School Invest nv kan maximaal 10% van de aandelen van de DBFM-vennootschap aanhouden, mits akkoord van de Vlaamse Regering; |
| 12 | 6° kaderovereenkomst: de kaderovereenkomst die met een DBFM-vennootschap gesloten is en die de modaliteiten en ook de wederzijdse rechten en verplichtingen van de betrokken partijen bevat bij de uitvoering van een DBFM-programma Scholen van Vlaanderen; | 12 | 6° kaderovereenkomst: de kaderovereenkomst die met een DBFM-vennootschap gesloten is en die de modaliteiten en ook de wederzijdse rechten en verplichtingen van de betrokken partijen bevat bij de uitvoering van een DBFM-programma Scholen van Vlaanderen; |
| 13 | 7° reguliere subsidiëring of reguliere financiering: | 13 | 7° reguliere subsidiëring of reguliere financiering: |
| 1 | Op basis van de selectiecriteria, vermeld in artikel 9, geeft AGION in een schriftelijk verslag zijn advies over de selectie en rangschikking van de aanvragen van het gesubsidieerd onderwijs. Het bezorgt dat verslag aan de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming. | 1 | Op basis van de selectiecriteria, vermeld in artikel 9, geeft AGION in een schriftelijk verslag zijn advies over de selectie en rangschikking van de aanvragen van het gesubsidieerd onderwijs. Het bezorgt dat verslag aan de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming. |
| 2 | Het GO! dient een aanvraag in bij de Vlaamse minister van Onderwijs, met inachtneming van de selectiecriteria, vermeld in artikel 9. | 2 | Het GO! dient een aanvraag in bij de Vlaamse minister van Onderwijs, met inachtneming van de selectiecriteria, vermeld in artikel 9. |
| 3 | De verdeling van de totale budgettaire investeringsruimte tussen de onderwijsnetten met het oog op de realisatie van de DBFM-programma's Scholen van Vlaanderen gebeurt op basis van de toepassing van artikel IX.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs. | 3 | De verdeling van de totale budgettaire investeringsruimte tussen de onderwijsnetten met het oog op de realisatie van de DBFM-programma's Scholen van Vlaanderen gebeurt in principe op basis van de toepassing van artikel IX.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, voor zover de ingediende en geselecteerde scholenbouwprojecten per onderwijsnet voormelde verdeling mogelijk maken. |