Programmadecreet bij de begroting 2025
57 artikels gewijzigd
| 41 | 41 | 26° kavels: de in een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van een niet vervallen verkaveling afgebakende percelen; | |
| 42 | 42 | 27° landmeter-expert: de landmeter-expert, ingeschreven op het tableau van de beoefenaars van het beroep als bedoeld in de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert en op wie het koninklijk besluit van 15 december 2005 tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de landmeter-expert van toepassing is; | |
| 43 | + | 27°/1 mobiele woonunit: woonvorm die gekenmerkt wordt door flexibiliteit en verplaatsbaarheid, bestemd voor tijdelijke bewoning; | |
| 43 | 44 | 28° NBN EN 14604: Belgische norm inzake rookmelders, waarvan de registratie door het Belgisch Instituut voor Normalisatie werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 februari 2006, en de later bekendgemaakte wijzigingen ervan. Het is de omzetting van de Europese geharmoniseerde norm CE EN 14604; | |
| 44 | 45 | 29° niet-residentiële ruimte: elk onroerend goed of deel ervan dat niet bestemd is voor de huisvesting van een gezin of een alleenstaande en dat geen gemeenschapsvoorziening is noch een specifieke voorziening zoals bedoeld in artikel 5.40; | |
| 1 | 1 | Om het recht op wonen te bevorderen, kan de Vlaamse Regering, afhankelijk van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, subsidie verlenen voor een aantal verrichtingen die betrekking hebben op sociale huurwoningen en die passen in de aanleg of de aanpassing van wooninfrastructuur. | |
| 2 | 2 | De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, een subsidie verlenen voor de aanleg of de aanpassing van wooninfrastructuur die nodig is voor de realisatie van een gemengd sociaal woonproject als vermeld in artikel 1.3, §1, eerste lid, 70°, a). De Vlaamse Regering bepaalt het minimum aandeel sociale huurwoningen dat binnen het voornoemde gemengd sociaal woonproject moet worden gerealiseerd om in aanmerking te komen voor een subsidie voor de aanleg of de aanpassing van wooninfrastructuur. | |
| 3 | + | De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de kredieten die daartoe op de begro-ting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, een subsidie verlenen voor stockage, transport en installatie van mobiele woonunits die dienen voor de tijde-lijke huisvesting van huurders van sociale huurwoningen en voor de daarvoor noodzakelijke infrastructuurwerken. | |
| 3 | 4 | Rekening houdend met de bepalingen van dit hoofdstuk stelt de Vlaamse Regering de bijzondere voorwaarden vast waaronder ze subsidie verleent. |
| 1 | 1 | De Vlaamse Regering kan subsidie verlenen om initiatiefnemers in staat te stellen: | |
| 2 | 2 | 1° gronden bouwrijp te maken, in voorkomend geval door sloping van de aanwezige constructies; | |
| 3 | − | 2° infrastructuurwerken uit te voeren of aan te passen, namelijk de wegenuitrusting, de omgevingswerken, de openbare verlichting, het openbare watervoorzieningsnet en de inrichtingen voor afvoer en zuivering van afvalwater die voor de woningen in kwestie noodzakelijk zijn; | |
| 3 | + | 2° infrastructuurwerken uit te voeren of aan te passen, namelijk de wegenuitrusting, de omgevingswerken, de openbare verlichting, het openbare watervoorzieningsnet en de inrichtingen voor afvoer en zuivering van afvalwater die voor de woningen of de mobiele woonunits in kwestie noodzakelijk zijn; | |
| 4 | − | 3° gemeenschapsvoorzieningen op te richten. | |
| 4 | + | 3° gemeenschapsvoorzieningen op te richten; | |
| 5 | + | 4° mobiele woonunits als vermeld in artikel 5.22, derde lid, te stocke-ren, te transporteren, te installeren en het perceel waarop de mobiele woonunits geplaatst worden, aan te leggen. |
| 1 | − | De infrastructuurwerken, vermeld in artikel 5.23, 2°, kunnen alleen gesubsidieerd worden als ze samen met de grond waarin of waarop ze worden uitgevoerd, binnen de termijn die door de Vlaams Regering wordt bepaald, overgedragen worden aan de gemeente om in het gemeentelijk openbaar domein te worden opgenomen, of aan een door de gemeente aangewezen rioolbeheerder die instaat voor het beheer en onderhoud van de rioleringen in de gemeente. De initiatiefnemer voegt de overeenkomst of het akkoord tussen de gemeente en rioolbeheerder bij de subsidieaanvraag. De gemeente en initiatiefnemer verklaren zich uiterlijk bij de indiening van de subsidieaanvraag principieel bereid tot die overdracht. | |
| 1 | + | De infrastructuurwerken, vermeld in artikel 5.23, 2°, met uitzondering van de infrastructuurwerken die betrekking hebben op tijdelijke voorzieningen voor mobiele woonunits kunnen alleen gesubsidieerd worden als ze samen met de grond waarin of waarop ze worden uitgevoerd, binnen de termijn die door de Vlaams Regering wordt bepaald, overgedragen worden aan de gemeente om in het gemeentelijk openbaar domein te worden opgenomen, of aan een door de gemeente aangewezen rioolbeheerder die instaat voor het beheer en onderhoud van de rioleringen in de gemeente. De initiatiefnemer voegt de overeenkomst of het akkoord tussen de gemeente en rioolbeheerder bij de subsidieaanvraag. De gemeente en initiatiefnemer verklaren zich uiterlijk bij de indiening van de subsidieaanvraag principieel bereid tot die overdracht. | |
| 2 | 2 | De initiatiefnemer kan de gemeenschapsvoorzieningen die niet uitsluitend bedoeld zijn voor de bewoners van de woningen van het sociaal woonproject, aan de gemeente overdragen om in het gemeentelijke openbare domein te worden opgenomen. | |
| 3 | 3 | De initiatiefnemer mag voor de overdracht aan de gemeente, bedoeld in dit artikel, een vergoeding vragen die niet meer mag bedragen dan het niet-gesubsidieerde deel van de kostprijs van de werkzaamheden, verrichtingen en voorzieningen. | |
| 64 | 64 | E10 | |
| 65 | 65 | E60 | |
| 66 | − | vanaf 1 januari 2023 | |
| 66 | + | vanaf 1 januari 2023 tot en met 30 september 2025 | |
| 67 | 67 | / | |
| 68 | 68 | E60 | |
| 69 | − | 6° 50% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen na 31 december 2022 is ingediend en die na herbouw of gedeeltelijke herbouw op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E20; | |
| 69 | + | 6° 50% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vanaf 1 januari 2023 tot en met 30 september 2025 is ingediend en die na herbouw of gedeeltelijke herbouw op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E20; | |
| 70 | − | 7° 100% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen na 31 december 2022 is ingediend en die na herbouw of gedeeltelijke herbouw op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E10. | |
| 70 | + | 7° 100% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vanaf 1 januari 2023 tot en met 30 september 2025 is ingediend en die na herbouw of gedeeltelijke herbouw op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E10. | |
| 71 | 71 | Het E-peil, vermeld in het eerste lid, is het peil van primair energieverbruik, zoals berekend ter uitvoering van titel XI van het Energiedecreet van 8 mei 2009. | |
| 72 | 72 | De grens van het E-peil waaraan het gebouwde onroerend goed moet voldoen voor de vermindering, wordt vastgesteld rekening houdend met het ogenblik waarop de volledige aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend. | |
| 3 | 3 | waarbij : | |
| 4 | 4 | 1° F = factor, die 1 is voor de wegen of wegsegmenten, vermeld in punt 3°, die limitatief opgesomd zijn in bijlage 2, en 0 voor alle andere wegen of wegsegmenten; | |
| 5 | − | 2° Bt = basistarief van de heffing, met waarde 13eurocent; | |
| 5 | + | 2° Bt = basistarief van de heffing, met waarde 13,5 eurocent; | |
| 6 | 6 | 3° A = variatie in functie van wegtype W met een tarief dat hoger is dan nul eurocent, gedifferentieerd volgens de volgende tabel : | |
| 7 | 7 | wegtype (W) | |
| 18 | 18 | G | |
| 19 | 19 | maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan 3,5 ton en lager dan 12 ton | |
| 20 | − | -9,8 | |
| 20 | + | -10,1 | |
| 21 | 21 | maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan of gelijk aan 12 ton en niet hoger dan of gelijk aan 32 ton | |
| 22 | 22 | -1,7 | |
| 23 | 23 | maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan 32 ton | |
| 24 | − | 0,7 | |
| 24 | + | 0,8 | |
| 25 | 25 | 5° En = variatie in functie van de hoogte van de EURO-emissieklasse, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vijfde lid, 1; | |
| 26 | 26 | 6° Et = variatie in functie van de tijd; | |
| 30 | 30 | Ex | |
| 31 | 31 | EURO 6 of hoger | |
| 32 | − | 1,1 | |
| 32 | + | 1,2 | |
| 33 | 33 | EURO 5 of EEV | |
| 34 | − | 2,1 | |
| 34 | + | 2,2 | |
| 35 | 35 | EURO 4 | |
| 36 | − | 3.2 | |
| 36 | + | 3,4 | |
| 37 | 37 | EURO 3 | |
| 38 | − | 6,3 | |
| 38 | + | 6,6 | |
| 39 | 39 | overige EURO-emissieklassen | |
| 40 | − | 8,3 | |
| 40 | + | 8 | |
| 41 | 41 | 9° a, b, c, d, e, en f = factoren die een invloed uitoefenen op het gewicht van respectievelijk A, G, En, Et, Ep en Ex, waarbij a = 1, b = 1, c = 0, d = 0, e = 0, en f = 1. | |
| 42 | 42 | De Vlaamse Regering wordt ertoe gemachtigd om de wegenlijst in bijlage 2, vermeld in het eerste lid, 1°, aan te passen aan : | |
| 1 | − | § 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de drie jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn. | |
| 1 | + | § 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn. | |
| 2 | 2 | Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd. | |
| 3 | 3 | Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen. | |
| 4 | − | § 2. De termijn van drie jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3. | |
| 4 | + | § 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3. | |
| 5 | 5 | De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012. |
| 1 | 1 | § 1. De sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater of door een derde in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon. | |
| 2 | − | Ook de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon zijn toegekomen, binnen drie jaar vóór het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon. | |
| 2 | + | Ook de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon zijn toegekomen, binnen vijf jaar vóór het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon. | |
| 3 | 3 | Als de erflater een contract had afgesloten op grond waarvan er pas een uitkering kan gebeuren na het overlijden van de erflater, worden de sommen, renten of waarden geacht kosteloos te worden verkregen, en geacht als legaat te zijn verkregen, naar gelang van het geval: | |
| 4 | 4 | 1° door de persoon die het levensverzekeringscontract afkoopt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip van de afkoop; | |
| 1 | 1 | Voor de heffing van de erfbelasting, alsook van de belastingverhoging wegens het gebrek aan aangifte of het verzuim bepaalde goederen aan te geven, is het bestaan van een roerend of onroerend goed, tot bewijs van het tegendeel, voldoende vastgesteld bij de akten van eigendom die ten bate van de erflater of op zijn verzoek zijn verleden. | |
| 2 | − | Voor lichamelijke roerende goederen, contant geld en effecten aan toonder bestaat het wettelijk vermoeden, vermeld in het eerste lid, alleen op voorwaarde dat de akten niet sinds meer dan drie jaar vóór het overlijden bestaan. Als dat wel het geval is, kan het bestaan van die akten door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie alleen ingeroepen worden als een element van vermoeden als vermeld in artikel 3.17.0.0.1. | |
| 2 | + | Voor lichamelijke roerende goederen, contant geld en effecten aan toonder bestaat het wettelijk vermoeden, vermeld in het eerste lid, alleen op voorwaarde dat de akten niet sinds meer dan vijf jaar vóór het overlijden bestaan. Als dat wel het geval is, kan het bestaan van die akten door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie alleen ingeroepen worden als een element van vermoeden als vermeld in artikel 3.17.0.0.1. |
| 1 | − | § 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 1, wordt de schenkbelasting voor schenkingen van onroerende goederen gelegen in het Vlaamse Gewest en gedaan met ingang van 1 juli 2015 , berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen, op voorwaarde dat : | |
| 1 | + | § 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 1, wordt de schenkbelasting voor schenkingen van onroerende goederen gelegen in het Vlaamse Gewest en gedaan met ingang van 1 juli 2015 en voor 1 januari 2025, berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen, op voorwaarde dat : | |
| 2 | 2 | 1° de begiftigden, een van hen of de schenker die zich het vruchtgebruik heeft voorbehouden, binnen vijf jaar vanaf de datum van de akte van schenking renovatiewerken laten uitvoeren aan het geschonken onroerend goed voor een totaalbedrag van minstens 10.000 euro, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, zoals blijkt uit facturen die uitgereikt zijn door aannemers van werken; | |
| 3 | 3 | 2° de aannemer, vermeld in punt 1°, attesteert dat de facturen voor de renovatiewerken, vermeld in punt 1°, betrekking hebben op werken vermeld in de artikelen 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 of 6.4.1/5, § 1, van het Energiebesluit van 19 november 2010. | |
| 1 | − | § 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 1, wordt de schenkbelasting voor schenkingen van de geheelheid eigendom van onroerende goederen in het Vlaamse Gewestberekend volgens het tarief, vermeld in de tabellen, vermeld in artikel 2.8.4.3.1, § 1, eerste lid, op voorwaarde dat: | |
| 1 | + | § 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 1, wordt de schenkbelasting voor schenkingen van de geheelheid eigendom van onroerende goederen in het Vlaamse Gewest, gedaan voor 1 januari 2025, berekend volgens het tarief, vermeld in de tabellen, vermeld in artikel 2.8.4.3.1, § 1, eerste lid, op voorwaarde dat: | |
| 2 | 2 | 1° binnen vijf jaar vanaf de datum van de schenkingsakte het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de schenkbelasting, geheven conform artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, verschuldigd bij gebrek aan toepassing van hetzelfde artikel, geïnvesteerd wordt in beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten die noodzakelijk zijn voor het behoud of de herwaardering van de erfgoedkenmerken en -elementen van het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. De voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten dienen opgenomen te zijn in een goedgekeurd beheersplan als vermeld in punt 2°, dat geldig is bij de aanvang van de voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten; | |
| 3 | 3 | 2° voor het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, een beheersplan is opgemaakt conform hoofdstuk 8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en hoofdstuk 8 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014. Het beheersplan is goedgekeurd door het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. | |
| 1 | − | § 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 wordt het tarief van het verkooprecht verlaagd tot 4% voor overeenkomsten houdende overdrachten ten bezwarende titel, uit de hand en bij authentieke akte, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, waarbij de verkrijger een persoon is die zijn beroep maakt van het kopen en verkopen van onroerende goederen. | |
| 1 | + | § 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 wordt het tarief van het verkooprecht verlaagd tot 6% voor overeenkomsten houdende overdrachten ten bezwarende titel, uit de hand en bij authentieke akte, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, waarbij de verkrijger een persoon is die zijn beroep maakt van het kopen en verkopen van onroerende goederen. | |
| 2 | 2 | § 2. Voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn : | |
| 3 | 3 | 1° de verkrijger ondertekent een beroepsverklaring en dient die in; | |
| 1 | − | § 1. Het tarief, vermeld in artikel 2.9.4.1.1, wordt gehalveerd voor verkrijgingen onder bezwarende titel bij authentieke akte van de geheelheid eigendom van een beschermd monument als vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met uitzondering van ruilovereenkomsten die onder de toepassing vallen van artikel 2.9.7.0.2. | |
| 1 | + | § 1. Het tarief, vermeld in artikel 2.9.4.1.1, wordt voor overeenkomsten gesloten voor 1 januari 2025 gehalveerd voor verkrijgingen onder bezwarende titel bij authentieke akte van de geheelheid eigendom van een beschermd monument als vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met uitzondering van ruilovereenkomsten die onder de toepassing vallen van artikel 2.9.7.0.2. | |
| 2 | 2 | § 2. Voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn: | |
| 3 | 3 | 1° de verkrijgers verbinden zich ertoe dat minstens het bedrag dat overeenkomt met het verschil tussen het verkooprecht, geheven met toepassing van paragraaf 1, en het verkooprecht, verschuldigd bij gebrek aan toepassing van hetzelfde artikel, binnen vijf jaar vanaf de datum van de authentieke akte van verkrijging geïnvesteerd wordt in beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten die noodzakelijk zijn voor het behoud of de herwaardering van erfgoedkenmerken en -elementen van het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. De voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten dienen opgenomen te zijn in een goedgekeurd beheersplan als vermeld in punt 2°, dat geldig is bij de aanvang van de voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten; | |
| 1 | − | § 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 3 % voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop, waarbij door een of meer natuurlijke personen samen en gelijktijdig de geheelheid volle eigendom van een woning wordt verkregen om er hun hoofdverblijfplaats te vestigen. | |
| 1 | + | § 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 2 % voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop, waarbij door een of meer natuurlijke personen samen en gelijktijdig de geheelheid volle eigendom van een woning wordt verkregen om er hun hoofdverblijfplaats te vestigen. | |
| 2 | 2 | In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief 6% voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop waarvan de authentieke akte uiterlijk op 31 december 2023 is verleden, als de verkrijger opteert voor de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3. | |
| 3 | 3 | § 2. Om het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, te kunnen toepassen, moeten alle volgende voorwaarden vervuld zijn: | |
| 1 | − | § 1. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, wordt verminderd tot 1% als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: | |
| 1 | + | § 1. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, wordt verminderd tot 1% voor verkoopovereenkomsten gesloten voor 1 januari 2025, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: | |
| 2 | 2 | 1° de verkrijger verbindt zich ertoe aan de aangekochte woning een ingrijpende energetische renovatie uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 50°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, een gedeeltelijke herbouw uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 46/2°, of een herbouw uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 47/2°, van het voormelde besluit; | |
| 3 | 3 | 2° de verkrijger heeft binnen een termijn van zes jaar vanaf de datum van de authentieke aankoopakte een EPB-aangifte als vermeld in artikel 1.1.3, 47°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, laten indienen waaruit blijkt dat de werken die aan de aangekochte woning uitgevoerd zijn, betrekking hebben op werken als vermeld in punt 1° en dat is voldaan aan alle EPB-eisen, vermeld in titel IX, hoofdstuk I, van het Energiebesluit van 19 november 2010, die op de omgevingsvergunning(en) voor stedenbouwkundige handelingen van het specifieke bouwproject van toepassing zijn; | |
| 1 | − | §1. Als er voor alle verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, §1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt er een rechtenvermindering toegestaan van respectievelijk 2800 euro of 960 euro op het totaal van de op de aankoop berekende rechten. Als het verschuldigde verkooprecht lager is dan, naargelang het geval, hetzij 2800 euro, hetzij 960 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van dit verkooprecht. | |
| 1 | + | §1. Als er voor alle verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde ta-rief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, §1, eerste lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt er een rechtenvermindering toegestaan van 1867 euro op het totaal van de op de aan-koop berekende rechten. Als het verschuldigde verkooprecht lager is dan 1867 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van dit verkoop-recht. | |
| 2 | − | Als er slechts voor sommige verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, §1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 2800 euro of 960 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aandeel van de betrokken verkrijgers in de totale aankoop. Als het door deze verkrijgers verschuldigde verkooprecht lager is dan het overeenkomstige breukdeel van, naargelang het geval, hetzij 2800 euro, hetzij 960 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van het wettelijk aandeel van deze verkrijgers in het totale verschuldigde verkooprecht. | |
| 2 | + | Als er slechts voor sommige verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, §1, eerste lid, en als de totale be-lastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 1867 euro herleid tot het breukdeel van deze bedra-gen dat overeenstemt met het aandeel van de betrokken verkrijgers in de totale aankoop. Als het door deze verkrijgers verschuldigde verkooprecht lager is dan het overeenkomstige breukdeel van 1867 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van het wettelijk aandeel van deze verkrijgers in het tota-le verschuldigde verkooprecht. | |
| 3 | − | Als er slechts voor een deel van de verkrijging toepassing wordt gemaakt van het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, §1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 2800 euro of 960 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aandeel van de verkrijging waarvoor het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, §1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, wordt toegepast. | |
| 3 | + | Als er slechts voor een deel van de verkrijging toepassing wordt gemaakt van het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, §1, eerste lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 1867 euro herleid tot het breukdeel van dat bedrag dat overeenstemt met het aandeel van de verkrijging waarvoor het ver-laagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, §1, eerste lid, wordt toegepast. | |
| 4 | 4 | Voor de onroerende goederen gelegen op het grondgebied van de kernsteden en de gemeenten van de Vlaamse Rand rond Brussel zoals bepaald in artikel 1.1.0.0.2, twaalfde lid, 8° en 9°, wordt de rechtenvermindering, vermeld in het eerste lid, toegestaan als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 240.000 euro. | |
| 5 | 5 | § 2. Als er voor alle verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt er een rechtenvermindering toegestaan van respectievelijk 5600 euro of 4800 euro op het totaal van de op de aankoop berekende rechten. Als het verschuldigde verkooprecht lager is dan, naargelang het geval, hetzij 5600 euro, hetzij 4800 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van dit verkooprecht. | |
| 3 | 3 | tarief in euro | |
| 4 | 4 | 1 | |
| 5 | − | 4000 | |
| 5 | + | 4600 | |
| 6 | 6 | 2 | |
| 7 | 7 | 500 | |
| 15 | 15 | Aan de instellingen, vermeld in het tweede lid, kunnen alleen inlichtingen gevraagd worden door een personeelslid met minstens de graad van directeur, als die daartoe gemachtigd is door een personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd. | |
| 16 | 16 | Met betrekking tot de registratiebelasting moet de machtiging een nauwkeurige aanduiding bevatten van het rechtsfeit waarvoor het onderzoek noodzakelijk wordt geacht. | |
| 17 | − | Met betrekking tot de erfbelasting moet de machtiging de aanduiding van de overleden persoon bevatten en, als het onderzoek betrekking heeft op feiten die meer dan drie jaar voor het openvallen van de nalatenschap hebben plaatsgevonden, of op verrichtingen die gedaan zijn door een andere persoon dan de overledene of zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende, de nauwkeurige aanduiding van de feiten die het voorwerp van de opzoeking uitmaken. | |
| 17 | + | Met betrekking tot de erfbelasting moet de machtiging de aanduiding van de overleden persoon bevatten en, als het onderzoek betrekking heeft op feiten die meer dan vijf jaar voor het openvallen van de nalatenschap hebben plaatsgevonden, of op verrichtingen die gedaan zijn door een andere persoon dan de overledene of zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende, de nauwkeurige aanduiding van de feiten die het voorwerp van de opzoeking uitmaken. | |
| 18 | 18 | Als voor de registratiebelasting of de erfbelasting blijkt dat er een of meer aanwijzingen zijn van belastingontduiking, kan het bevoegde personeelslid met minstens de graad van directeur de beschikbare gegevens over die belastingplichtige of de erflater, in geval van erfbelasting, opvragen bij het centrale aanspreekpunt, vermeld in de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest. | |
| 19 | 19 | § 7. De inlichtingen, vermeld in dit artikel, moeten worden verschaft binnen drie maanden na de datum waarop ze zijn gevraagd. Die termijn kan worden verlengd door het bevoegde personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd. | |
| 1 | + | Artikel 2.9.4.2.11, §1, eerste lid, en artikel 2.9.5.0.5, §1, zijn van toepassing op overeenkomsten houdende zuivere aankoop gesloten vanaf 1 januari 2025, of, in afwijking daarvan, op authentieke akten verleden vanaf 1 januari 2025, wanneer de overeenkomsten houdende zuivere aankoop waarop de akten betrekking heb-ben, gesloten zijn voor 1 januari 2025. |
| 77 | 77 | 6° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | |
| 78 | 78 | 7° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | |
| 79 | − | 8° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2024 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | |
| 79 | + | 8° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | |
| 80 | − | 9° in het heffingsjaar 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | |
| 80 | + | 9° in het heffingsjaar 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | |
| 81 | − | 10° in het heffingsjaar 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | |
| 81 | + | 10° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | |
| 82 | − | 11° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd. | |
| 82 | + | 11° in het heffingsjaar 2028 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd. | |
| 83 | 83 | Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2. | |
| 84 | 84 | Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° : | |
| 130 | 130 | 4° het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting, met recuperatie van energie, van recyclageresidu's van selectief ingezameld gebruikt textiel, zoals kledij, huishoudlinnen en schoenen, en van recyclageresidu's van bedrijven die glasafval, afkomstig van selectieve inzamelingen, gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuw glas; | |
| 131 | 131 | 5° het inzetten in een meeverbrandingsinstallatie van niet-gevaarlijke afvalstoffen waarvan de onderste verbrandingswaarde, berekend op de droogrest, kleiner is dan 8 MJ/kg, en waarvan de minerale fractie, inclusief carbonaten, uitgedrukt als gewichtpercent asrest op de droogrest, groter is dan 50 %, en die ingezet worden omwille van hun minerale fractie, met uitzondering van afvalstoffen die ingezet worden als afvalwater; | |
| 132 | − | 6° vanaf 1 juli 2016 voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van de hierna vermelde afvalstoffen geproduceerd in een ander land dan België en die worden overgebracht onder toepassing van de bepalingen van de Verordening (EG) Nr 1013/2006 van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen : | |
| 132 | + | 6° vanaf 1 juli 2016 voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van gevaarlijke afvalstoffen geproduceerd in een ander land dan België en die worden overgebracht onder toepassing van de bepalingen van de verordening (EG) nr. 1013/2006 van 14 juni 2006 betref-fende de overbrenging van afvalstoffen. | |
| 133 | − | a) gevaarlijke afvalstoffen; | |
| 134 | − | b) ongevaarlijke slibs, behorende tot de hoofdstukken 04, 05, 06, 07, 08, 12, 16 en 19 van de lijst, bedoeld in artikel 35. | |
| 135 | − | Het nultarief geldt zowel voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen en ongevaarlijke slibs die rechtstreeks naar de verbrandings- of meeverbrandingseenheid worden overgebracht als voor de afvalstoffen en slibs die na een nuttige voorbehandeling in een daartoe vergunde inrichting, al of niet samen met Vlaamse afvalstoffen, worden verbrand of meeverbrand. | |
| 133 | + | Het nultarief geldt zowel voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen die rechtstreeks naar de verbrandings- of meeverbrandingseenheid worden over-gebracht als voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen die na een nuttige voorbehandeling in een daartoe vergunde inrichting, al of niet samen met Vlaamse afvalstoffen, worden verbrand of meeverbrand. | |
| 136 | 134 | Onverminderd de bepalingen hierboven geldt het nultarief slechts voor die hoeveelheden die overeenkomstig de goedkeuring van OVAM aan de gestelde voorwaarden voldoen en volledig traceerbaar zijn; | |
| 137 | 135 | 7° voor wat betreft het buiten het Vlaamse Gewest ingezameld en in het Vlaamse Gewest gesorteerd papier- en kartonafval dat wordt overgebracht naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen voor nuttige toepassing met EU-code R3 of wordt opgeslagen in afwachting van de overbrenging naar een dergelijke vergunde inrichting met het oog op de onderwerping aan handelingen met EU-code R3: de recyclageresidu's afkomstig van dit papier- en kartonafval. | |
| 77 | 77 | 6° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | |
| 78 | 78 | 7° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | |
| 79 | − | 8° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2024 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | |
| 79 | + | 8° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | |
| 80 | − | 9° in het heffingsjaar 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | |
| 80 | + | 9° in het heffingsjaar 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | |
| 81 | − | 10° in het heffingsjaar 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | |
| 81 | + | 10° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | |
| 82 | − | 11° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd. | |
| 82 | + | 11° in het heffingsjaar 2028 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd. | |
| 83 | 83 | Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2. | |
| 84 | 84 | Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° : | |
| 130 | 130 | 4° het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting, met recuperatie van energie, van recyclageresidu's van selectief ingezameld gebruikt textiel, zoals kledij, huishoudlinnen en schoenen, en van recyclageresidu's van bedrijven die glasafval, afkomstig van selectieve inzamelingen, gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuw glas; | |
| 131 | 131 | 5° het inzetten in een meeverbrandingsinstallatie van niet-gevaarlijke afvalstoffen waarvan de onderste verbrandingswaarde, berekend op de droogrest, kleiner is dan 8 MJ/kg, en waarvan de minerale fractie, inclusief carbonaten, uitgedrukt als gewichtpercent asrest op de droogrest, groter is dan 50 %, en die ingezet worden omwille van hun minerale fractie, met uitzondering van afvalstoffen die ingezet worden als afvalwater; | |
| 132 | − | 6° vanaf 1 juli 2016 voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van de hierna vermelde afvalstoffen geproduceerd in een ander land dan België en die worden overgebracht onder toepassing van de bepalingen van de Verordening (EG) Nr 1013/2006 van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen : | |
| 132 | + | 6° vanaf 1 juli 2016 voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van gevaarlijke afvalstoffen geproduceerd in een ander land dan België en die worden overgebracht onder toepassing van de bepalingen van de verordening (EG) nr. 1013/2006 van 14 juni 2006 betref-fende de overbrenging van afvalstoffen. | |
| 133 | − | a) gevaarlijke afvalstoffen; | |
| 134 | − | b) ongevaarlijke slibs, behorende tot de hoofdstukken 04, 05, 06, 07, 08, 12, 16 en 19 van de lijst, bedoeld in artikel 35. | |
| 135 | − | Het nultarief geldt zowel voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen en ongevaarlijke slibs die rechtstreeks naar de verbrandings- of meeverbrandingseenheid worden overgebracht als voor de afvalstoffen en slibs die na een nuttige voorbehandeling in een daartoe vergunde inrichting, al of niet samen met Vlaamse afvalstoffen, worden verbrand of meeverbrand. | |
| 133 | + | Het nultarief geldt zowel voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen die rechtstreeks naar de verbrandings- of meeverbrandingseenheid worden over-gebracht als voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen die na een nuttige voorbehandeling in een daartoe vergunde inrichting, al of niet samen met Vlaamse afvalstoffen, worden verbrand of meeverbrand. | |
| 136 | 134 | Onverminderd de bepalingen hierboven geldt het nultarief slechts voor die hoeveelheden die overeenkomstig de goedkeuring van OVAM aan de gestelde voorwaarden voldoen en volledig traceerbaar zijn; | |
| 137 | 135 | 7° voor wat betreft het buiten het Vlaamse Gewest ingezameld en in het Vlaamse Gewest gesorteerd papier- en kartonafval dat wordt overgebracht naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen voor nuttige toepassing met EU-code R3 of wordt opgeslagen in afwachting van de overbrenging naar een dergelijke vergunde inrichting met het oog op de onderwerping aan handelingen met EU-code R3: de recyclageresidu's afkomstig van dit papier- en kartonafval. | |
| 1 | − | §1. Naast de werkingsuitkering ontvangt de Hogere Zeevaartschool vanaf het begrotingsjaar 2009 een bedrag van 169.183 euro voor investeringsmiddelen en een bedrag van 18.839 euro voor eigenaarsonderhoud. | |
| 1 | + | §1. Naast de werkingsuitkering ontvangt de Hogere Zeevaartschool een bedrag van 194.000 euro voor investeringsmiddelen (prijsniveau 2024). | |
| 2 | − | § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2011 wordt het bedrag van de investeringsmiddelen geïndexeerd volgens de evolutie van de gezondheidsindex. | |
| 2 | + | §2. Vanaf het begrotingsjaar 2025 wordt het bedrag van de investeringsmiddelen, vermeld in paragraaf 1, geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule, vermeld in artikel III.46, §5, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013. | |
| 3 | 3 | § 3. De investeringsmiddelen dragen uitsluitend bij tot de dekking van de uitgaven voor de aankoop van gebouwen, voor gehele of gedeeltelijke nieuwbouw of verbouwing, voor de voorafgaande afbraakwerken, voor de omgevingswerken, voor de eerste uitrusting, voor de aankoop van gronden, voor de aankoop van didactische en wetenschappelijke apparatuur die bestemd is voor het onderwijs, en voor de onroerende investeringen voor de sociale voorzieningen, en tot dekking van de kapitaal- en intrestlasten die voortvloeien uit leningen voor de investeringsuitgaven. | |
| 4 | 4 | § 4. Als aanvulling op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, ontvangt de Hogere Zeevaartschool in begrotingsjaar 2018 een eenmalige bijkomende investeringsdotatie van 10.000.000 euro. | |
| 5 | 5 | § 5. Als aanvulling op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, ontvangt de Hogere Zeevaartschool in het begrotingsjaar 2021 eenmalige bijkomende investeringsmiddelen ten bedrage van 100.000 euro. | |
| 6 | + | §6. Als aanvulling op het bedrag, vermeld in paragraaf 1, kan de Vlaamse Rege-ring in begrotingsjaar 2025 een eenmalige bijkomende investeringstoelage van 20.000.000 euro toekennen aan de Hogere Zeevaartschool in het kader van het renovatie- en nieuwbouwproject. De daaraan gekoppelde betaalkredieten worden over vijf jaar gespreid: 10 procent wordt uitbetaald in 2025, 20 procent in 2026, 30 procent in 2027, 20 procent in 2028 en 20 procent in 2029. | |
| 7 | + | De Hogere Zeevaartschool dient voor de toekenning een inhoudelijk dossier in bij de Vlaamse Regering dat minstens bestaat uit de volgende elementen: | |
| 8 | + | 1° een actuele en realistische bouwprijs met inbegrip van ecologische technieken; | |
| 9 | + | 2° een degelijke projectmatige opvolging van het bouwproces; | |
| 10 | + | 3° een regelmatige rapportering aan de regeringscommissaris; | |
| 11 | + | 4° een engagementsverklaring van externe partijen. | |
| 12 | + | De Vlaamse Regering is gemachtigd om het betalingsritme te koppelen aan eventueel bijkomende voorwaarden omtrent cofinanciering. |
| 1 | − | §1. Naast de werkingsuitkering ontvangt de Hogere Zeevaartschool vanaf het begrotingsjaar 2009 een bedrag van 169.183 euro voor investeringsmiddelen en een bedrag van 18.839 euro voor eigenaarsonderhoud. | |
| 1 | + | §1. Naast de werkingsuitkering ontvangt de Hogere Zeevaartschool een bedrag van 194.000 euro voor investeringsmiddelen (prijsniveau 2024). | |
| 2 | − | § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2011 wordt het bedrag van de investeringsmiddelen geïndexeerd volgens de evolutie van de gezondheidsindex. | |
| 2 | + | §2. Vanaf het begrotingsjaar 2025 wordt het bedrag van de investeringsmiddelen, vermeld in paragraaf 1, geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule, vermeld in artikel III.46, §5, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013. | |
| 3 | 3 | § 3. De investeringsmiddelen dragen uitsluitend bij tot de dekking van de uitgaven voor de aankoop van gebouwen, voor gehele of gedeeltelijke nieuwbouw of verbouwing, voor de voorafgaande afbraakwerken, voor de omgevingswerken, voor de eerste uitrusting, voor de aankoop van gronden, voor de aankoop van didactische en wetenschappelijke apparatuur die bestemd is voor het onderwijs, en voor de onroerende investeringen voor de sociale voorzieningen, en tot dekking van de kapitaal- en intrestlasten die voortvloeien uit leningen voor de investeringsuitgaven. | |
| 4 | 4 | § 4. Als aanvulling op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, ontvangt de Hogere Zeevaartschool in begrotingsjaar 2018 een eenmalige bijkomende investeringsdotatie van 10.000.000 euro. | |
| 5 | 5 | § 5. Als aanvulling op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, ontvangt de Hogere Zeevaartschool in het begrotingsjaar 2021 eenmalige bijkomende investeringsmiddelen ten bedrage van 100.000 euro. | |
| 6 | + | §6. Als aanvulling op het bedrag, vermeld in paragraaf 1, kan de Vlaamse Rege-ring in begrotingsjaar 2025 een eenmalige bijkomende investeringstoelage van 20.000.000 euro toekennen aan de Hogere Zeevaartschool in het kader van het renovatie- en nieuwbouwproject. De daaraan gekoppelde betaalkredieten worden over vijf jaar gespreid: 10 procent wordt uitbetaald in 2025, 20 procent in 2026, 30 procent in 2027, 20 procent in 2028 en 20 procent in 2029. | |
| 7 | + | De Hogere Zeevaartschool dient voor de toekenning een inhoudelijk dossier in bij de Vlaamse Regering dat minstens bestaat uit de volgende elementen: | |
| 8 | + | 1° een actuele en realistische bouwprijs met inbegrip van ecologische technieken; | |
| 9 | + | 2° een degelijke projectmatige opvolging van het bouwproces; | |
| 10 | + | 3° een regelmatige rapportering aan de regeringscommissaris; | |
| 11 | + | 4° een engagementsverklaring van externe partijen. | |
| 12 | + | De Vlaamse Regering is gemachtigd om het betalingsritme te koppelen aan eventueel bijkomende voorwaarden omtrent cofinanciering. |
| 9 | 9 | De centra voor volwassenenonderwijs kunnen na een voorafgaand akkoord in het bevoegde lokale comité de toegekende leraarsuren ten laste van het begrotingsjaar 2023 omzetten in werkingsmiddelen voor contractuele aanwervingen ten belope van de lesopdracht tijdens de maanden juli en augustus. Voor de omzetting geldt één leraarsuur voor 63,64 euro. Uiterlijk twee maanden na de melding aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen van de om te zetten leraarsuren voor de aanwerving van contractuele personeelsleden worden 80% van deze omgezette werkingsmiddelen als voorschot aan de centra uitbetaald. Het resterende saldo van 20% wordt uitbetaald uiterlijk in de loop van de maand december van het kalenderjaar 2023. Het centrum moet alle aangewende middelen bewijzen met facturen of betalingen die werden gedaan in het kader van deze contractuele aanstellingen. Niet-aangewende middelen worden na het einde van het kalenderjaar 2023 teruggestort. Daarvoor deelt het centrum het niet-aangewende bedrag mee aan de bevoegde administratie. | |
| 10 | 10 | Ten laste van het begrotingsjaar 2024 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | |
| 11 | + | Ten laste van het begrotingsjaar 2025 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmid-delen toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs, en worden 90,66 aanvullende voltijdsequivalenten, 1494,70 aanvullende punten en een bedrag van 1.109.830,06 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor basiseducatie. | |
| 11 | 12 | § 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject. | |
| 12 | 13 | § 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt. | |
| 15 | 15 | 13° sanering: het ondernemen van alle acties nodig voor de organisatie en de uitvoering van het opvangen, transporteren, collecteren en zuiveren van het afvalwater; | |
| 16 | 16 | 14° titel II van het Vlarem: besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne; | |
| 17 | − | 15° toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving: Voor de toepassing van dit decreet wordt onder de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving verstaan: de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, vermeld in artikel 12, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. | |
| 17 | + | 15° toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving: de gewestelijke toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving vermeld in artikel 12, 1°, en artikel 12, 9° tot en met 9°/3, van het besluit van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en de provinciale en lokale toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, zoals bedoeld in artikel 13 van hetzelfde besluit; | |
| 18 | 18 | 16° Vlaamse Milieumaatschappij: intern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Milieumaatschappij opgericht bij decreet van 7 mei 2004 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, tot aanvulling ervan met een titel Agentschappen en tot wijziging van diverse andere wetten en decreten; | |
| 19 | 19 | 17° water bestemd voor menselijke consumptie: al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding, vaat of persoonlijke hygiëne, ongeacht de herkomst en ongeacht of het water wordt geleverd via een waterdistributienetwerk of via een private waterwinning, uit een tankschip of tankauto, of in flessen of verpakkingen, met uitzondering van: | |
| 16 | 16 | a) in het individueel of collectief te optimaliseren buitengebied; | |
| 17 | 17 | b) in het centraal, collectief geoptimaliseerd of collectief te optimaliseren buitengebied, waarbij conform artikel 6.2.2.1.2, §1, van titel II van het VLAREM wordt afgeweken van de aansluitplicht op openbare riolering. | |
| 18 | − | Voor alle andere heffingsplichtigen wordt het eenheidstarief van de heffing vastgesteld op 33,38 euro. | |
| 18 | + | Voor alle andere heffingsplichtigen wordt het eenheidstarief van de heffing vastgesteld op 45,53 euro. | |
| 19 | 19 | De eenheidstarieven van de heffing worden jaarlijks gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen voor de maand november van het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het heffingsjaar wordt genoemd met als basisindex het indexcijfer der consumptieprijzen van november 1992, basis 1988, met name 113,77. | |
| 20 | 20 | De indexering wordt ieder jaar ambtshalve toegepast op 1 januari. Het aangepaste bedrag wordt afgerond op de hogere eurocent. | |
| 1 | − | Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel artikel 4.2.2.2.1 §1en §3, wordt geen heffing gevestigd op het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de openbare drinkwatervoorzieningsmaatschappij gefactureerd waterverbruik voor zover op dit waterverbruik een bijdrage, zoals bedoeld in artikel 4.3.1.1.1., aangerekend werd voor de bovengemeentelijke sanering. | |
| 1 | + | Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel 4.2.2.2.1, eerste lid, 1° en 3°, wordt geen heffing gevestigd op het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de openbare drinkwatervoorzieningsmaatschappij gefactureerd waterverbruik voor zover op dit waterverbruik een bijdrage, zoals bedoeld in artikel 4.3.1.1.1., aangerekend werd voor de bovengemeentelijke sanering. | |
| 2 | 2 | Vanaf heffingsjaar 2024 worden de heffingsplichtigen, vermeld in het eerste lid, bij wijze van overgangsmaatregel vrijgesteld van heffing voor het door Brabant Water N.V. gefactureerd waterverbruik dat vóór 1 januari 2024 ver-bruikt werd. |
| 1 | 1 | Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel artikel 4.2.2.2.1 §1 en §3, wordt geen heffing gevestigd op het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de openbare drinkwatervoorzieningsmaatschappij gefactureerd waterverbruik voor zover op dit waterverbruik een bijdrage, zoals bedoeld in artikel 4.3.1.1.1., aangerekend werd voor de bovengemeentelijke sanering. | |
| 2 | + | Vanaf heffingsjaar 2024 worden de heffingsplichtigen, vermeld in het eerste lid, bij wijze van overgangsmaatregel vrijgesteld van heffing voor het door Brabant Water N.V. gefactureerd waterverbruik dat vóór 1 januari 2024 ver-bruikt werd. |
| 3 | 3 | B = de som van de bovengemeentelijke bijdrage en vergoeding, vermeld in artikel 4.3.2.1 en 4.3.2.2, exclusief btw. De Vlaamse Milieumaatschappij kan vermelde som voorafgaand aan de aanrekening door de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk in mindering brengen. De heffing kan in geen geval negatief worden. | |
| 4 | 4 | Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging bedoeld in artikel 4.2.2.3.1 en 4.2.2.5.1 wordt geen heffing gevestigd op het waterverbruik waarop de Vennootschap vermeld in artikel 2.6.1.1.1, de vergoeding, vermeld in artikel 2.6.2.1, aanrekent voor de bovengemeentelijke sanering van het afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, exclusief btw, op voorwaarde dat de heffingsplichtige waterverontreiniging deze vergoeding heeft betaald." | |
| 5 | − | §2. Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel 4.2.2.2.1. §2en 3, wordt geen heffing gevestigd op het waterverbruik QP respectievelijk Qg voor zover door de openbare watervoorzieningsmaatschappij op dit waterverbruik een vergoeding, zoals bedoeld in artikel 4.3.1.2.1, werd aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering. | |
| 5 | + | §2. Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel 4.2.2.2.1, eerste lid, 2° en 3°, wordt geen heffing gevestigd op het waterverbruik QP respectievelijk Qg voor zover door de openbare watervoorzieningsmaatschappij op dit waterverbruik een vergoeding, zoals bedoeld in artikel 4.3.1.2.1, werd aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering. | |
| 14 | 14 | 3° een attest, uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige vermeld op het heffingsbiljet of een gezinslid de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft; | |
| 15 | 15 | 4° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, eerste lid, 47°, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige, vermeld op het heffingsbiljet, of een gezinslid het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood genoten heeft; | |
| 16 | − | 5° de afscheurstrook van het overeenkomstige heffingsbiljet. | |
| 16 | + | 5° .... | |
| 17 | 17 | Mits op 1 januari van het heffingsjaar of op datum van overlijden voldaan is aan de bovenvermelde voorwaarden, is het vermeld sociaal tarief van rechtswege verworven. | |
| 18 | 18 | §3. Als de heffing betrekking heeft op het waterverbruik van een of meer gezinnen die gedomicilieerd zijn op het adres van de heffingsplichtige en waarvan de heffingsplichtige geen deel uitmaakt, geldt in afwijking van paragraaf 1 de volgende regeling: de in dat gebouw gedomicilieerde gezinnen, waarvan een gezinslid op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden tot een van de categorieën vermeld in paragraaf 1, eerste lid, behoort, komen in aanmerking voor een compensatie in hun aandeel in de heffing van hetzelfde heffingsjaar vermeld in paragraaf 1, overeenkomstig de voorwaarden en de procedure/regeling vermeld in artikel 4.2.2.1.6. | |
| 25 | 25 | waarin: | |
| 26 | 26 | Nk: de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van koelwater; | |
| 27 | − | k: het thermisch belast koelwater zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.; | |
| 27 | + | K: het thermisch belast koelwater zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1; | |
| 28 | 28 | ak: deze term is gelijk aan 0,550. | |
| 29 | 29 | Nv = (Q - K) x Cv | |
| 6 | 6 | §3. De heffingsplichtige, vermeld in artikel 4.2.2.2.1.§1, 2°, die in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, gedeeltelijk overschakelt op water, afgenomen van een openbaar waterdistributienet, meldt dat aan de Vlaamse Milieumaatschappij binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum dat hij over een aansluiting bij de openbare watervoorzieningsmaatschappij beschikt. | |
| 7 | 7 | De heffingsplichtige, vermeld in artikel 4.2.2.2.1, §1, 3°, die in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, volledig overschakelt op water opgenomen uit een eigen waterwinning, meldt dat aan de Vlaamse Milieumaatschappij binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum dat hij uitsluitend gebruik maakt van een eigen waterwinning. | |
| 8 | + | §4. Correcte en volledige meldingen of aanvragen gedaan via de daarvoor be-stemde digitale loketten ingericht in het kader van hoofdstuk 5 van titel 2 van het Scheepvaartdecreet van 21 januari 2022 en artikel 30 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 tot uitvoering van diverse bepalingen uit de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft het toezicht op de naleving van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen, volstaan als melding zoals bedoeld in de eerste paragraaf. | |
| 8 | 8 | Voor klanten waarvan het betreffende onroerend goed geen wooneenheden heeft, past de exploitant een vlakke tariefstructuur toe om de variabele prijs te bepalen. Voor klanten waarvan het betreffende onroerend goed één of meerdere wooneenheden heeft, past de exploitant een progressieve tariefstructuur met twee schijven om de variabele prijs te bepalen. De schijfgrens ligt op een verbruik van 30 m³ per wooneenheid per jaar, vermeerderd met 30 m³ per gedomicilieerde per wooneenheid per jaar. Van deze indeling kan afgeweken worden. | |
| 9 | 9 | De Vlaamse Regering kan hiertoe de verdere modaliteiten bepalen. Criteria die meegenomen moeten worden in deze nadere regels zijn het stimuleren van duurzaam watergebruik bij de abonnee en een eenduidige en transparante aanrekening door de exploitant. | |
| 10 | − | §2. Het gemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs voor de collectieve sanering mag ten opzichte van het bovengemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs maximaal 1,4 keer hoger zijn. | |
| 10 | + | §2. Het gemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs voor de collectieve sanering mag ten opzichte van het bovengemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs maximaal 1,15 keer hoger zijn. | |
| 11 | − | Het gemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs voor de individuele sanering mag ten opzichte van het bovengemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs maximaal 2,4 keer hoger zijn. | |
| 11 | + | Het gemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs voor de individuele sanering mag ten opzichte van het bovengemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs maximaal 2,15 keer hoger zijn. | |
| 12 | 12 | De Vlaamse Regering kan hiertoe de verdere modaliteiten bepalen. | |
| 13 | 13 | De Vlaamse Milieumaatschappij legt de verdere voorwaarden met betrekking tot de aanrekening van de gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage vast in een protocol met de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op een uniforme omzetting van de aanrekeningregels in Vlaanderen, de data-uitwisseling tussen de exploitant en de Vlaamse Milieumaatschappij en de toe te passen afrondingsregels. | |
| 1 | − | §1. In dit artikel wordt verstaan onder gebruiker van een private waterwinning: onder voorbehoud van de toepassing van artikel 4.2.2.2.2 en 4.2.2.2.3. een klant is een heffingsplichtige als vermeld in artikel 4.2.2.2.1., §1en §3. | |
| 1 | + | §1. In dit artikel wordt verstaan onder gebruiker van een private waterwinning: onder voorbehoud van de toepassing van artikel 4.2.2.2.2 en 4.2.2.2.3. een klant is een heffingsplichtige als vermeld in artikel 4.2.2.2.1, eerste lid, 1° en 3°. | |
| 2 | 2 | De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk kan een vergoeding aanrekenen aan de gebruiker van een private waterwinning als bijdrage in de kosten voor de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning. | |
| 3 | 3 | De vergoedingen in de kostprijs voor de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning, bestaan op gemeentelijk vlak uit een vastrecht en een variabele prijs. Het vastrecht van de vergoeding mag niet aangerekend worden voor de gebruiker van een private waterwinning die ook abonnee is. | |
| 5 | 5 | De vergoeding voor de sanering op bovengemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de bovengemeentelijke saneringsverplichting. | |
| 6 | 6 | De bepalingen van artikel 4.3.1.1.2, §3 en §4, artikel 4.3.1.1.3 en artikel 4.3.1.1.4 zijn van overeenkomstige toepassing op de vergoeding, vermeld in het tweede lid. | |
| 7 | − | §2. Als een vergoeding als vermeld in paragraaf 1, wordt aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering, wordt het bedrag ervan bepaald conform artikel 4.3.1.1.3 en artikel 4.3.1.1.4, met dien verstande dat Q in dat geval gelijk is aan het aantal m³ water, opgenomen via de private waterwinning. Het water, opgenomen via de private waterwinning, wordt bepaald conform artikel 4.2.2.2.1, §2en §3. | |
| 7 | + | §2. Als een vergoeding als vermeld in paragraaf 1, wordt aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering, wordt het bedrag ervan bepaald conform artikel 4.3.1.1.3 en artikel 4.3.1.1.4, met dien verstande dat Q in dat geval gelijk is aan het aantal m³ water, opgenomen via de private waterwinning. Het water, opgenomen via de private waterwinning, wordt bepaald conform artikel 4.2.2.2.1, eerste lid, 2° en 3°. | |
| 8 | 8 | §3. De gemeentelijke tarieven voor de berekening van de variabele prijs en de economische, ecologische en sociale beperkingen, vermeld in artikel 4.3.1.1.2, §3, maken deel uit van de overeenkomsten, vermeld in artikel 2.6.1.3.3. | |
| 9 | 9 | §4. Wooninrichtingen worden onweerlegbaar vermoed te zijn aangesloten op de bovengemeentelijke saneringsinfrastructuur als ze gelegen zijn in een zone van vijftig meter rond het stelsel van de openbare riolering en collectoren dat: | |
| 1 | 1 | § 1. Het berekende gemeentelijk aandeel, na de toepassing van de waarborgregeling, bedoeld in artikel 10 van dit decreet, wordt verminderd als de aanslagvoeten voor de aanvullende personenbelasting of de opcentiemen op de onroerende voorheffing van die gemeente, in het jaar dat aan de berekening voorafgaat, lager zijn dan de respectieve drempelwaarden van 5 % en 441 opcentiemen. Die vermindering bedraagt respectievelijk 0,5 % voor elk tiende van een procent en vijfentwintig vierhonderdeenenveertigste procent voor elke opcentiem onder de drempelwaarde. | |
| 2 | 2 | Als de gemeente gedifferentieerde tarieven voor de opcentiemen op de onroerende voorheffing heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 41 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wordt het eerste lid van toepassing als het gewogen gemiddelde van alle tarieven lager ligt dan de drempelwaarde van 441 opcentiemen. Voor de berekening van het gewogen gemiddelde wordt aan de verschillende tarieven een wegingsfactor toegekend die overeenstemt met het aandeel van het belastbaar kadastraal inkomen waarop elk tarief van toepassing is, in verhouding tot het totale belastbare kadastrale inkomen van de gemeente. | |
| 3 | + | In het geval van een samenvoeging van gemeenten wordt het eerste lid van toe-passing als het gewogen gemiddelde van de aanslagvoeten voor de aanvullende personenbelasting of van de opcentiemen op de onroerende voorheffing van de samen te voegen gemeenten, in het jaar dat aan de berekening voorafgaat, lager ligt dan de drempelwaarden van 5 procent of 441 opcentiemen. Voor de bereke-ning van het gewogen gemiddelde wordt aan de verschillende aanslagvoeten voor de aanvullende personenbelasting een wegingsfactor toegekend die overeenstemt met de opbrengst aan personenbelasting waarop elke aanslagvoet van toepassing is, in verhouding tot de totale opbrengst aan personenbelasting voor de samen te voegen gemeenten. Voor de berekening van het gewogen gemiddelde van de op-centiemen op de onroerende voorheffing wordt aan de verschillende tarieven een wegingsfactor toegekend die overeenstemt met het aandeel van het belastbaar kadastraal inkomen waarop elk tarief van toepassing is, in verhouding tot het to-tale belastbare kadastrale inkomen van de samen te voegen gemeenten. | |
| 3 | 4 | § 2. De som van de bedragen die in mindering wordt gebracht van de gemeenten bedoeld in § 1, wordt evenredig verdeeld onder de overige gemeenten, behalve onder de gemeenten van wie de aandelen overeenkomstig de bepalingen in artikel 10, verhoogd werden tot de gewaarborgde ontvangst. | |
| 4 | 5 | § 3. De vermindering van de aandelen op basis van de fiscale aanslagvoeten wordt gradueel ingevoerd vanaf het jaar 2004. Voor 2004 wordt slechts een derde van de berekende vermindering afgehouden van het gemeentelijk aandeel. Voor 2005 is dat twee derden, voor 2006 en volgende jaren 100 %. |
| 48 | 48 | 33° private uitbetalingsactor: een private rechtspersoon, vergund met het oog op de uitbetaling van toelagen in het kader van het gezinsbeleid, vermeld in het decreet van 7 juli 2017; | |
| 49 | 49 | 34° rechtgevend kind: een kind dat een recht op gezinsbijslagen doet ontstaan; | |
| 50 | − | 35° rechthebbend kind, rechthebbende leerling of student: een kind, leerling of student aan wie de kinderopvangtoeslag, de kleutertoeslag of de selectieve participatietoeslag wordt toegekend; | |
| 50 | + | 35° rechthebbend kind of rechthebbende leerling: een kind of leerling aan wie de kinderopvangtoeslag, de kleutertoeslag of de selectieve par-ticipatietoeslag wordt toegekend; | |
| 51 | 51 | 36° schooljaar: schooljaar als vermeld in artikel 2, 19°, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding; | |
| 52 | 52 | 37° secundair onderwijs: het onderwijs zoals bedoeld in artikel 3, 37°, van het -besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 houdende de codificatie betreffende het secundair onderwijs; | |
| 53 | − | 38° selectieve participatietoeslagen: toeslagen die tot doel hebben een bijdrage te leveren aan de democratisering van het onderwijs, en die worden toegekend aan de leerling ter ondersteuning van zijn deelname aan het onderwijs of aan de student bovenop de studietoelage ter ondersteuning van zijn deelname aan hoger onderwijs; | |
| 53 | + | 38° selectieve participatietoeslagen: toeslagen die tot doel hebben een bijdrage te leveren aan de democratisering van het onderwijs, en die worden toegekend aan de leerling ter ondersteuning van zijn deelname aan het onderwijs; | |
| 54 | 54 | 39° specifieke ondersteuningsbehoefte: de mate waarin een kind behoefte heeft aan specifieke ondersteuning ten gevolge van een aandoening die een beperking met zich meebrengt voor het kind en zijn omgeving; | |
| 55 | 55 | 40° startbedrag adoptie: een eenmalige toelage die uitbetaald wordt naar aanleiding van de adoptie van een rechtgevend kind; | |
| 34 | 34 | e) de leerling die gedurende het schooljaar in kwestie minstens 149 dagen residentieel verblijft in een door de Vlaamse overheid erkend multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap; | |
| 35 | 35 | 22° kleuteronderwijs: het kleuteronderwijs, vermeld in het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997; | |
| 36 | − | 23° kleutertoeslagen: toeslagen om de deelname aan het kleuteronderwijs te stimuleren; | |
| 36 | + | 23° ...; | |
| 37 | 37 | 24° ... | |
| 38 | 38 | 25° kinderbijslag: de maandelijkse kinderbijslag, vermeld in artikel 40 van de Algemene kinderbijslagwet; | |
| 48 | 48 | 33° private uitbetalingsactor: een private rechtspersoon, vergund met het oog op de uitbetaling van toelagen in het kader van het gezinsbeleid, vermeld in het decreet van 7 juli 2017; | |
| 49 | 49 | 34° rechtgevend kind: een kind dat een recht op gezinsbijslagen doet ontstaan; | |
| 50 | − | 35° rechthebbend kind of rechthebbende leerling: een kind of leerling aan wie de kinderopvangtoeslag, de kleutertoeslag of de selectieve par-ticipatietoeslag wordt toegekend; | |
| 50 | + | 35° rechthebbend kind of rechthebbende leerling: een kind of leerling aan wie de kinderopvangtoeslag of de selectieve par-ticipatietoeslag wordt toegekend; | |
| 51 | 51 | 36° schooljaar: schooljaar als vermeld in artikel 2, 19°, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding; | |
| 52 | 52 | 37° secundair onderwijs: het onderwijs zoals bedoeld in artikel 3, 37°, van het -besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 houdende de codificatie betreffende het secundair onderwijs; | |
| 60 | 60 | a) de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 5, § 1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980; | |
| 61 | 61 | b) de selectieve participatietoeslagen; | |
| 62 | − | c) de andere toelagen die de overheid toekent in het kader van het gezinsbeleid, vermeld in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, namelijk de kinderopvangtoeslag, de kleutertoeslagen en de ondersteuningstoeslag; | |
| 62 | + | c) de andere toelagen die de overheid toekent in het kader van het gezinsbeleid, vermeld in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, namelijk de kinderopvangtoeslag en de ondersteuningstoeslag; | |
| 63 | 63 | 45° uitbetalingsactoren: het agentschap en de private uitbetalingsactoren; | |
| 64 | 64 | 46° universele participatietoeslagen: toeslagen om bij te dragen in de onderhouds- en opvoedingskosten, en, in voorkomend geval, om bij te dragen in de bijkomende kosten die gepaard gaan met de deelname van de kinderen aan het onderwijs; | |
| 2 | 2 | Die bedragen zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,04 (basis 2013 = 100). | |
| 3 | 3 | De koppeling aan de afgevlakte gezondheidsindex uit het eerste lid wordt beëindigd vanaf 1 januari 2020. | |
| 4 | − | De bedragen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, en in voorkomend geval, de inkomensgrenzen, vermeld in delen 1 en 3 van boek 2 en deel 2 van boek 5, die ingevolge de koppeling uit het eerste lid en de toepassing van het tweede lid, werden bekomen op 31 december 2019, worden vanaf 1 januari 2020 jaarlijks op 1 september verhoogd met een index van 2 %. | |
| 4 | + | De bedragen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, en in voorkomend geval, de inkomensgrenzen, vermeld in delen 1 en 3 van boek 2 en deel 2 van boek 5, die ingevolge de koppeling uit het eerste lid en de toepassing van het tweede lid, werden bekomen op 31 december 2019, worden vanaf 1 januari 2020 tot en met 31 december 2024 jaarlijks op 1 september verhoogd met een index van 2 %. | |
| 5 | − | In afwijking van het voorgaande lid start de jaarlijkse verhoging met een index van 2 %, zoals opgenomen in het vorige lid, voor het bedrag voor het derde jongste kind en oudere kinderen, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, en het bedrag van de leeftijdsbijslagen, vermeld in artikel 212, § 1 en § 2, en artikel 213, zoals die voor deze bedragen ingevolge de koppeling uit het eerste lid werden bekomen op 31 december 2019, vanaf 1 september 2025. | |
| 5 | + | In afwijking van het voorgaande lid wordt het bedrag voor het derde jongste kind en oudere kinderen, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, en het bedrag van de leeftijdsbijslagen, vermeld in artikel 212, § 1 en § 2, en artikel 213, zoals die voor deze bedragen ingevolge de koppeling uit het eerste lid werden bekomen op 31 december 2019, tot en met 31 december 2024 niet jaarlijks verhoogd met een index van 2%. | |
| 6 | 6 | In afwijking van het vierde lid wordt het basisbedrag, vermeld in artikel 13, en het bedrag voor het jongste kind en het tweede jongste kind, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, waar de evolutie gekoppeld is aan de jaarlijkse verhoging met een index van 2%, zoals bepaald in het vierde lid,op 1 september 2022 en op 1 december 2022 verhoogd met een index van 1%. | |
| 7 | 7 | In afwijking van het vierde lid worden de inkomensgrenzen, vermeld in deel 1 van boek 2 en deel 2 van boek 5, die ingevolge de verhoging uit het vierde lid werden bekomen op 30 september 2022, vanaf 1 september 2023 jaarlijks geïndexeerd op 1 september. De indexering is gelijk aan de procentuele stijging van de gezondheidsindex, voor de maand december van het tweede kalenderjaar dat het jaar van de indexering voorafgaat, ten opzichte van de gezondheidsindex voor de maand december van het derde kalenderjaar dat het jaar van de indexering voorafgaat. | |
| 8 | + | De bedragen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, vermeld in deel 1 en 3 van boek 2 en deel 2 van boek 5, die ingevolge de toepassing van het vierde tot en met zesde lid werden bekomen op 31 december 2024, wor-den vanaf 1 januari 2025 jaarlijks op 1 september aangepast overeenkomstig de procentuele stijging van de afgevlakte gezondheidsindex voor de maand juli van het jaar van de indexering, ten opzichte van de afgevlakte gezond-heidsindex voor de maand juli van het jaar dat het jaar van de indexering voorafgaat, met een jaarlijkse minimale procentuele stijging van 2 procent. | |
| 8 | 9 | § 2. Als ingevolge de toepassing van paragraaf 1 de bedragen van de toelagen eindigen op een gedeelte van een cent, wordt het uit te betalen bedrag vastgesteld zonder rekening te houden met het gedeelte van een cent als dat minder dan 0,5 cent bedraagt. Als het gedeelte 0,5 cent of meer bedraagt, wordt het voor een cent gerekend. | |
| 9 | 10 | De afronding op een cent naar boven of naar beneden wordt gedaan op het totaal uit te betalen bedrag voor het rechtgevende kind, het rechthebbende kind of de rechthebbende leerling. | |
| 1 | − | § 1. Als een toelage in het kader van het gezinsbeleid, met uitzondering van de selectieve participatietoeslagen en de kleutertoeslagen, ontstaat of het bedrag ervan wijzigt, ten gevolge van een indexering of ten gevolge van een wijziging bij of krachtens een decreet, geeft het kind recht op het gewijzigde bedrag vanaf de eerste dag van de maand waarin het recht ontstaat, de indexering plaatsvindt of de wijziging in werking treedt. | |
| 1 | + | § 1. Als een toelage in het kader van het gezinsbeleid, met uitzondering van de selectieve participatietoeslagen ontstaat of het bedrag ervan wijzigt, ten gevolge van een indexering of ten gevolge van een wijziging bij of krachtens een decreet, geeft het kind recht op het gewijzigde bedrag vanaf de eerste dag van de maand waarin het recht ontstaat, de indexering plaatsvindt of de wijziging in werking treedt. | |
| 2 | − | Als een toelage in het kader van het gezinsbeleid, met uitzondering van de selectieve participatietoeslagen en de kleutertoeslagen, ontstaat of het bedrag ervan wijzigt ten gevolge van een gebeurtenis, geeft het kind recht op de toelage of het gewijzigde bedrag ervan vanaf de eerste dag van de maand waarin de gebeurtenis zich voordoet. Als het kind evenwel stopt recht te geven op een toelage, stopt het kind recht te geven op de toelage op het einde van de maand. | |
| 2 | + | Als een toelage in het kader van het gezinsbeleid, met uitzondering van de selectieve participatietoeslagen ontstaat of het bedrag ervan wijzigt ten gevolge van een gebeurtenis, geeft het kind recht op de toelage of het gewijzigde bedrag ervan vanaf de eerste dag van de maand waarin de gebeurtenis zich voordoet. Als het kind evenwel stopt recht te geven op een toelage, stopt het kind recht te geven op de toelage op het einde van de maand. | |
| 3 | 3 | § 2. De bedragen en de inkomensgrenzen van de selectieve participatietoeslagen gelden voor een volledig school- of academiejaar. | |
| 4 | − | § 3. De bedragen van de kleutertoeslagen gelden voor een volledig kalenderjaar. Als het bedrag van een kleutertoeslag wijzigt ten gevolge van een indexering, heeft het kind recht op het gewijzigde bedrag vanaf het begin van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de indexering plaatsvindt. | |
| 4 | + | § 3. ... |
| 1 | 1 | § 1. Aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, wordt geen selectieve participatietoeslag kleuteronderwijs toegekend in een van de volgende gevallen: | |
| 2 | 2 | 1° in het schooljaar in kwestie is hij niet ingeschreven in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 26; | |
| 3 | − | 2° gedurende het schooljaar in kwestie en het daaraan voorafgaande schooljaar is hij niet voldoende aanwezig geweest. | |
| 3 | + | 2° gedurende het schooljaar in kwestie is hij niet voldoende aanwezig geweest. | |
| 4 | 4 | § 2. Een leerling wordt tijdens een schooljaar geacht voldoende aanwezig te zijn als: | |
| 5 | 5 | 1° hij 150 halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 3 jaar bereikt. In afwijking hiervan moet de leerling die pas na 31 december van hetzelfde schooljaar de leeftijd van 3 jaar bereikt, 100 halve schooldagen aanwezig zijn op school; | |
| 1 | 1 | § 1. Om het recht op een selectieve participatietoeslag kleuteronderwijs vast te stellen, meldt het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming aan het agentschap Opgroeien regie: | |
| 2 | 2 | 1° welke leerlingen op de laatste schooldag van juni in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 26, zijn ingeschreven; | |
| 3 | − | 2° welke leerlingen in het kleuteronderwijs gedurende het schooljaar in kwestie en het daaraan voorafgaande schooljaar niet voldoende aanwezig zijn geweest als vermeld in artikel 27, § 2 tot en met § 6. | |
| 3 | + | 2° welke leerlingen in het kleuteronderwijs gedurende het schooljaar in kwestie niet voldoende aanwezig zijn geweest als vermeld in artikel 27, § 2 tot en met § 6. | |
| 4 | 4 | § 2. Het agentschap Opgroeien regie meldt aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming het aantal kinderen dat selectieve participatietoeslagen kleuteronderwijs ontvangt. | |
| 5 | 5 | § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens, vermeld in paragraaf 1 en 2, moeten worden meegedeeld. |
| 3 | 3 | 2° hij is ongewettigd afwezig geweest of niet voldoende aanwezig geweest; | |
| 4 | 4 | 3° tijdens het schooljaar uiterlijk 21 kalenderdagen na de datum van uitschrijving in het lager onderwijs is hij niet opnieuw in het lager onderwijs ingeschreven. | |
| 5 | − | § 2. Een leerling wordt tijdens een schooljaar geacht niet voldoende aanwezig te zijn als de leerling gedurende het schooljaar in kwestie 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest en het daaraan voorafgaande schooljaar hetzij eveneens 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest, hetzij minder dan 290 halve schooldagen aanwezig is geweest indien de leerling toen onderworpen was aan de leerplicht en gedurende dat schooljaar ingeschreven was in een kleuterschool, met uitzondering van de leerlingen bedoeld onder 27, § 2, 4° van dit decreet. | |
| 5 | + | § 2. Een leerling wordt tijdens een schooljaar geacht niet voldoende aanwezig te zijn als de leerling gedurende het schooljaar in kwestie 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest. | |
| 6 | 6 | § 3. Een leerling in het lager onderwijs wordt geacht aanwezig te zijn als hij niet als ongewettigd afwezig is geregistreerd in het aanwezigheidsregister van de school. | |
| 7 | 7 | Een leerling is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van de leerlingen in het basisonderwijs. | |
| 4 | 4 | 3° tijdens het schooljaar uiterlijk 21 kalenderdagen na de datum van uitschrijving uit een instelling voor secundair onderwijs of uit de leertijd in een centrum zoals bedoeld in artikel 32 is hij niet opnieuw ingeschreven in een instelling voor secundair onderwijs of in de leertijd in een centrum zoals bedoeld in artikel 32. | |
| 5 | 5 | In afwijking van het eerste lid, 3°, behoudt de rechthebbende leerling in het secundair onderwijs die op 30 juni van het schooljaar in kwestie niet langer ingeschreven is in een instelling voor secundair onderwijs of een centrum zoals bedoeld in artikel 32, zijn toelage, op voorwaarde dat hij in de loop van dat schooljaar zijn kwalificatie behaalde. | |
| 6 | + | §1/1. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, wordt aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24 die ingeschreven is in het zevende leerjaar, vermeld in artikel 133/7, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, van wie de aan het begin van het schooljaar bepaalde duurtijd eindigt op de laatste schooldag van het eerste semester van het schooljaar in kwestie, wordt geen selectieve participatietoeslag secundair onderwijs toegekend in een van de volgende gevallen: | |
| 7 | + | 1° hij is op de laatste schooldag van het eerste semester van het schooljaar in kwestie niet ingeschreven in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 32; | |
| 8 | + | 2° hij is ongewettigd afwezig geweest; | |
| 9 | + | 3° hij is tijdens het eerste semester van het schooljaar in kwestie uiterlijk 21 kalenderdagen na de datum van uitschrijving uit een instelling voor secundair onderwijs als vermeld in artikel 32 niet opnieuw ingeschreven in een instelling voor secundair onderwijs als vermeld in artikel 32. | |
| 6 | − | § 2. Een leerling wordt tijdens een schooljaar geacht niet voldoende aanwezig te zijn als de leerling gedurende het schooljaar in kwestie 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest tijdens de lessen in de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor voltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, en/of het werkplekleren dat deel uitmaakt van de opleiding in de periode van 1 september tot en met 30 juni, en als hij gedurende het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar in kwestie 30, al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest tijdens de lessen in de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor voltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs, en/of het werkplekleren dat deel uitmaakt van de opleiding in de periode van 1 september tot en met 30 juni. | |
| 10 | + | § 2. Een leerling wordt tijdens een schooljaar geacht niet voldoende aanwezig te zijn als de leerling gedurende het schooljaar in kwestie 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest tijdens de lessen in de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor voltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, en/of het werkplekleren dat deel uitmaakt van de opleiding in de periode van 1 september tot en met 30 juni. | |
| 7 | 11 | § 3. Een leerling in het secundair onderwijs en het deeltijds leerplichtonderwijs wordt geacht aanwezig te zijn wanneer deze tijdens de lessen of het werkplekleren daadwerkelijk aanwezig is of niet ongewettigd afwezig is. | |
| 8 | 12 | Een leerling is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van leerlingen in het secundair onderwijs of in het stelsel van leren en werken. | |
| 1 | − | §1. Een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, heeft recht op een volledige selectieve participatietoeslag als de gezinsinkomsten gelijk zijn aan of lager zijn dan de voor het gezin in aanmerking te nemen minimuminkomensgrens, vermeld in artikel 43. | |
| 1 | + | §1. Een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, heeft recht op een volledige selectieve participatietoeslag als de gezinsinkomsten gelijk zijn aan of lager zijn dan de voor het gezin in aanmerking te nemen minimuminkomensgrens, vermeld in artikel 43. | |
| 2 | − | §2. Een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, heeft geen recht op een selectieve participatietoeslag als de gezinsinkomsten hoger zijn dan de voor het gezin in aanmerking te nemen maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43. | |
| 2 | + | §2. Een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, heeft geen recht op een selectieve participatietoeslag als de gezinsinkomsten hoger zijn dan de voor het gezin in aanmerking te nemen maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43. | |
| 3 | − | §3. Als de in aanmerking te nemen gezinsinkomsten hoger zijn dan de minimuminkomensgrens, vermeld in artikel 43, maar lager zijn dan de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43, wordt een selectieve participatietoeslag verleend waarvan het bedrag gelijk is aan het bedrag van de volledige selectieve participatietoeslag, vermeld in artikel 47, eerste lid, of artikel 48, vermenigvuldigd met de coëfficiënt van de formule (maximuminkomensgrens min gezinsinkomsten) / (maximuminkomensgrens min minimuminkomensgrens). | |
| 3 | + | §3. Als de in aanmerking te nemen gezinsinkomsten hoger zijn dan de minimuminkomensgrens, vermeld in artikel 43, maar lager zijn dan de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43, wordt een selectieve participatietoeslag verleend waarvan het bedrag gelijk is aan het bedrag van de volledige selectieve participatietoeslag, vermeld in artikel 47, eerste lid, of artikel 48, vermenigvuldigd met de coëfficiënt van de formule (maximuminkomensgrens min gezinsinkomsten) / (maximuminkomensgrens min minimuminkomensgrens). | |
| 4 | − | §4. Een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, ontvangt in afwijking van de eerste paragraaf een uitzonderlijke selectieve participatietoeslag als de in aanmerking te nemen gezinsinkomsten gelijk zijn aan of lager zijn dan een tiende van de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43, en als hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden: | |
| 4 | + | §4. Een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, ontvangt in afwijking van de eerste paragraaf een uitzonderlijke selectieve participatietoeslag als de in aanmerking te nemen gezinsinkomsten gelijk zijn aan of lager zijn dan een tiende van de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43, en als hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden: | |
| 5 | 5 | 1° de in aanmerking te nemen gezinsinkomsten bestaan voor minstens zeventig procent uit vervangingsinkomsten; | |
| 6 | 6 | 2° de in aanmerking te nemen gezinsinkomsten bestaan voor minstens zeventig procent uit alimentatiegeld; | |
| 11 | 11 | 1° de leerling is een interne leerling; | |
| 12 | 12 | 2° de leerling behoort tot een gezin als vermeld in artikel 38, § 1, 3°, 4° en 5°. | |
| 13 | − | §5. Een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, heeft recht op de minimale selectieve participatietoeslag als de gezinsinkomsten gelijk zijn aan de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43. | |
| 13 | + | §5. Een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, heeft recht op de minimale selectieve participatietoeslag als de gezinsinkomsten gelijk zijn aan de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43. | |
| 14 | + | §6. In afwijking van dit artikel heeft een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, geen recht op een selectieve participatietoeslag als welbepaalde inkomsten, overeenkomstig artikel 38, §3, door weging een bepaald bedrag overschrij-den. De Vlaamse Regering bepaalt de inkomsten die daarvoor in aanmerking komen, de modaliteiten van de weging, en de Vlaamse Regering stelt het bedrag vast dat niet mag worden overschreden. | |
| 1 | − | Een selectieve participatietoeslag student wordt toegekend aan de student aan wie, overeenkomstig het decreet van 8 juni 2007, een studietoelage voor hoger onderwijs wordt toegekend. | |
| 2 | − | De Vlaamse Regering kan ook nadere regels met betrekking tot de selectieve participatietoeslagen student nader bepalen. |
| 1 | − | Een student als vermeld in artikel 49, eerste lid, heeft recht op een jaarlijkse selectieve participatietoeslag van 50 euro. |
| 1 | − | Een kleutertoeslag wordt toegekend aan de leerling die aan al de volgende voorwaarden voldoet: | |
| 2 | − | 1° de leerling heeft de Belgische nationaliteit, of de leerling van wie het bewijs niet geleverd wordt dat hij de Belgische nationaliteit bezit, toegelaten of gemachtigd is om in het Rijk te verblijven of er zich te vestigen overeenkomstig de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; | |
| 3 | − | 2° de leerling is ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon kleuteronderwijs, als de leerling gerechtigd is dat onderwijs te volgen overeenkomstig het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997. | |
| 4 | − | De Vlaamse Regering kan algemene vrijstellingen van het eerste lid, 1°, bepalen. | |
| 5 | − | De Vlaamse Regering bepaalt de verdere voorwaarden waaronder de kleutertoeslagen worden toegekend, inclusief het uitbetalingstijdstip, en bepaalt de nadere regels met betrekking tot deze toeslagen. |
| 1 | − | Een kleutertoeslag van 130 euro wordt toegekend aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 53, die twee jaar is op 31 december van het kalenderjaar vóór het jaar waarin de toeslag verschuldigd is, als de leerling, uiterlijk twee maanden nadat hij de leeftijd van drie jaar heeft bereikt, ingeschreven is bij een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor kleuteronderwijs. |
| 1 | − | § 1. Een kleutertoeslag van 130 euro wordt toegekend aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 53, die drie jaar is op 31 december van het kalenderjaar vóór het jaar waarin de toeslag verschuldigd is, op voorwaarde dat de inschrijving, vermeld in artikel 54, behouden blijft voor de leerling, en op voorwaarde dat het bewijs van voldoende aanwezigheid in een betrokken schooljaar geleverd wordt, zoals nader bepaald in artikel 27, § 2, 1°, 2°, en § 3, § 4, § 5 en § 6. | |
| 2 | − | De inschrijving, vermeld in het eerste lid, wordt gecontroleerd op de dag dat de leerling vier jaar wordt. Als de leerling op dat moment niet ingeschreven is in het kleuteronderwijs, wordt de leerling geacht aan de voorwaarden te voldoen als de leerling uiterlijk 21 kalenderdagen na de uitschrijving die op dat ogenblik geldt, opnieuw ingeschreven is in het kleuteronderwijs. | |
| 3 | − | § 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 53, die drie jaar is op 31 december 2018, een kleutertoeslag van 130 euro toegekend, op voorwaarde dat hij in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor kleuteronderwijs is ingeschreven. |
| 1 | − | § 1. Om het recht op een kleutertoeslag als vermeld in artikel 54 en 55, vast te stellen, meldt het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming aan het agentschap Opgroeien regie: | |
| 2 | − | 1° welke leerlingen zijn ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor kleuteronderwijs; | |
| 3 | − | 2° de datum van de inschrijving; | |
| 4 | − | 3° welke leerlingen zijn ingeschreven op de laatste schooldag van juni; | |
| 5 | − | 4° of het bewijs van voldoende aanwezigheid in het betrokken schooljaar geleverd is, zoals nader bepaald in artikel 27, § 2, 1°, 2°, en § 3, § 4, § 5 en § 6. | |
| 6 | − | § 2. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens, vermeld in paragraaf 1, moeten worden meegedeeld. |
| 1 | 1 | De selectieve participatietoeslagen leerling, vermeld in boek 2, deel 2, titel 1, worden toegekend aan de rechthebbende leerling. | |
| 2 | − | De selectieve participatietoeslagen student, vermeld in boek 2, deel 2, titel 2, worden toegekend aan de rechthebbende student. |
| 1 | − | § 1. De selectieve participatietoeslagen student, vermeld in boek 2, deel 2, titel 2, worden uitbetaald door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, op basis van dezelfde regels en termijnen als bepaald in het decreet van 8 juni 2007, op dezelfde bankrekening van de student als de bankrekening die gebruikt wordt voor de uitbetaling van de studietoelage. | |
| 2 | − | De student kan voorafgaand aan de uitbetaling in zijn eigen belang het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming verzoeken om de selectieve participatietoeslagen student uit te betalen op een andere bankrekening. | |
| 3 | − | § 2. De Vlaamse Regering kan de uitvoeringsregels van de uitbetaling selectieve participatietoeslag student nader bepalen. De Vlaamse Regering bepaalt het tijdstip waarop de selectieve participatietoeslagen student worden uitbetaald. |
| 4 | 4 | Voor het startbedrag geboorte neemt de termijn van vijf jaar een aanvang de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de geboorte plaatsvond. Voor het startbedrag adoptie neemt de termijn van vijf jaar een aanvang de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het verzoekschrift tot adoptie is ingediend bij de bevoegde rechtbank of, bij gebrek daaraan, de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de adoptieakte is ondertekend. Als het kind op die datum nog geen deel uitmaakt van het gezin van de adoptant, vangt de voormelde termijn aan op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het kind werkelijk deel uitmaakt van dit gezin. | |
| 5 | 5 | Voor de selectieve participatietoeslagen, vermeld in boek 2, deel 2, begint de termijn van vijf jaar op 1 september van het schooljaar waarop de selectieve participatietoeslagen betrekking zouden hebben. | |
| 6 | − | Voor de kleutertoeslagen, vermeld in boek 2, deel 3, titel 2, begint de termijn van vijf jaar op: | |
| 7 | − | 1° de eerste dag van de maand na de derde verjaardag van de leerling voor de kleutertoeslag, vermeld in artikel 54; | |
| 8 | − | 2° de eerste dag van de maand na de vierde verjaardag van de leerling voor de kleutertoeslag, vermeld in artikel 55. | |
| 9 | 6 | Buiten de oorzaken, vermeld in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring geschorst tijdens de procedure voor de geschillencommissie en voor de bevoegde rechtbank. De Vlaamse Regering bepaalt de regels met betrekking tot de begin- en einddatum van de schorsing. | |
| 10 | 7 | De uitbetalingsactoren zullen in geen geval afzien van het voordeel van de verjaring, zoals ze bij dit artikel is vastgesteld. | |
| 1 | + | De Vlaamse Regering treft maatregelen om honden en katten te identificeren en te registreren, en om overpopulatie van die diersoorten te vermijden. | |
| 2 | + | De Vlaamse Regering bepaalt het tarief van de retributies voor de identificatie en registratie van honden en katten, vermeld in het eerste lid, die ten laste komen van de verantwoordelijke van het dier. De retributie voor de initiële registratie bij honden respectievelijk katten wordt verhoogd met een bijdrage van acht euro respectievelijk twee euro, die ook ten laste komt van de verantwoordelijke van de dieren. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de retributies en de bijdrage geïnd worden. | |
| 3 | + | De dierenasielen die zijn erkend als vermeld in artikel 17, §1, worden van de betaling van de bijdrage, vermeld in het tweede lid, vrijgesteld. |
| 1 | + | §1. Het Vlaams Dierenwelzijnsfonds is een begrotingsfonds als vermeld in artikel 15, §2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019. | |
| 2 | + | §2. Het Vlaams Dierenwelzijnsfonds wordt gespijsd met: | |
| 3 | + | 1° de volgende opbrengsten: | |
| 4 | + | a) de retributie voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 8, §2, tweede lid; | |
| 5 | + | b) de bijdrage voor de identificatie en registratie van honden en katten, vermeld in artikel 14; | |
| 6 | + | c) de retributie voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 17, §3; | |
| 7 | + | d) de retributie voor het toekennen van het certificaat van goedkeuring van het wegvervoermiddel, vermeld in artikel 33, §2; | |
| 8 | + | e) de retributie voor het toekennen van de vergunning, vermeld in artikel 33, §3; | |
| 9 | + | f) de retributie voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 33, §4; | |
| 10 | + | g) de retributie voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 49, §1, tweede lid; | |
| 11 | + | h) de retributie voor de opdrachten die zijn uitgevoerd door de dierenart-sen die door het departement zijn aangesteld, vermeld in artikel 65, §2, tweede lid; | |
| 12 | + | i) de administratieve geldboetes, vermeld in artikel 70, §1; | |
| 13 | + | j) de administratieve boetes bedoeld in artikel 41bis van de wet van 14 au-gustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren. | |
| 14 | + | 2° schenkingen, legaten en sponsoring; | |
| 15 | + | 3° vrijwillige bijdragen van de proefdiergebruikers voor onderzoek naar en promotie van alternatieven voor dierproeven; | |
| 16 | + | 4° rechtsplegingsvergoedingen die in het kader van rechtszaken opgelegd kunnen worden; | |
| 17 | + | 5° de inning van onkosten die bij verantwoordelijken worden teruggevorderd en die voortvloeien uit de inbeslagname van hun verwaarloosde dieren; | |
| 18 | + | 6° de inning van onkosten die bij verantwoordelijken worden teruggevorderd en die voortvloeien uit het uitvoeren van maatregelen met toepassing van artikel 64, §2, zevende lid. | |
| 19 | + | §3. De inkomsten van het Vlaams Dierenwelzijnsfonds kunnen aangewend worden voor de financiering van: | |
| 20 | + | 1° administratie- en werkingskosten met inbegrip van de personeelskosten van de entiteit die bevoegd is voor dierenwelzijn en van de kosten voor juridische bijstand; | |
| 21 | + | 2° kosten voor sensibilisering; | |
| 22 | + | 3° kosten voor studies en wetenschappelijk onderzoek; | |
| 23 | + | 4° de Vlaamse dierenwelzijnsprijzen; | |
| 24 | + | 5° investeringen; | |
| 25 | + | 6° het toezicht op en de toepassing en controle van de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan en de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake, waaronder ook de kosten die gepaard gaan met de inbeslagname van verwaarloosde dieren; | |
| 26 | + | 7° het verlenen van subsidies voor het dekken van de kosten die voortvloeien uit het gesubsidieerd wetenschappelijk onderzoek in het kader van dieren-welzijn; | |
| 27 | + | 8° het verlenen van subsidies die bestemd zijn voor de uitvoering van maatregelen met een gunstig effect op het dierenwelzijn; | |
| 28 | + | 9° het verlenen van subsidies die bestemd zijn om projecten in het kader van het klimaatbeleid uit te voeren. | |
| 29 | + | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de toekenning van de dierenwelzijnsprijzen, vermeld in het eerste lid, 4°, met inbegrip van het bepalen van de voorwaarden en het bedrag ervan, alsook de procedure voor het verlenen van de dierenwelzijnsprijzen. | |
| 30 | + | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor het verlenen van de subsidies, vermeld in het eerste lid, 7° tot en met 9°, met inbegrip van het bepalen van de subsidievoorwaarden, het bedrag van de subsidies, alsook de procedure voor het aanvragen en verlenen van de subsidies, de uitbetaling, de verantwoording en het toezicht. |
| 1 | + | De wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 april 2022, wordt opgeheven op datum van 1 januari 2025 met uitzondering van artikel 34, §4 en §5, derde lid, c), artikel 41bis en artikel 42quater die opgeheven worden op 1 januari 2026.. |
| 1 | + | Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2025, met uitzondering van: | |
| 2 | + | 1° artikel 3, 15°, 20° en 21°, artikel 8, §1, artikel 9, §2, eerste lid, 4°, artikel 38, eerste lid, 2°, en artikel 40, 78, 79 en 80, die in werking treden op een datum die de Vlaamse Regering bepaalt; | |
| 3 | + | 2° artikel 10, §3, dat in werking treedt op 1 januari 2029; | |
| 4 | + | 3° artikel 11, dat in werking treedt op 1 januari 2027; | |
| 5 | + | 4° artikel 22, dat in werking treedt op 1 januari 2036. In afwijking hierop, treedt het artikel in werking op 1 januari 2025 voor die houderijen die voor 1 januari 2036 hun bestaande kooisystemen willen vervangen dan wel voor de eerste maal kooisystemen in gebruik willen nemen en waarvan tegelij-kertijd de omgevingsvergunningaanvraag hiervoor niet ingediend werd voor 14 juli 2023, behoudens voor aanpassingen die het dierenwelzijn ten goede komen; | |
| 6 | + | 5° artikel 27, dat in werking treedt op 1 januari 2026. Tot aan die datum blijft het verbod, vermeld in artikel 12, eerste lid, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, van toepas-sing; | |
| 7 | + | 6° artikel 39, §3, dat in werking treedt op 1 januari 2025, met uitzondering van diegenen die zich beroepen op de uitzondering, vermeld in artikel 39, §3, tweede lid, 2°, die de tijd krijgen tot 1 januari 2026 om het getuig-schrift van vakbekwaamheid te behalen; | |
| 8 | + | 7° artikel 63, §2, 1°, i), artikel 64, §5, artikel 70 en artikel 71, die in werking treden op 1 januari 2026. |