§ flandrepo
19 regels · van kracht sinds 3 mei 2026

Artikel 3.13.1.3.1

§ 1. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie mag geschreven attesten inzamelen, derden horen, een onderzoek instellen, en binnen de door haar bepaalde termijn, die om wettige redenen kan worden verlengd, van natuurlijke personen of rechtspersonen, alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid en openbare of ministeriële ambtenaren en officieren alle inlichtingen vorderen die ze nodig acht om de juiste vestiging en inning van de belasting te verzekeren.

§ 2. Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bij het onderzoek over een of meer aanwijzingen van belastingontduiking beschikt, wordt een bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling als een derde beschouwd waarop de bepalingen van paragraaf 1 van toepassing zijn.

In voorkomend geval kan een personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd, een personeelslid met minstens de graad van directeur ermee belasten om bij een bank-, wissel-, krediet- en spaarinstelling elke inlichting op te vragen die nuttig kan zijn om het bedrag van de belastbare grondslag van de belastingplichtige te bepalen.

Het personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd mag de machtiging pas verlenen :

  1. 1°nadat het personeelslid dat het onderzoek voert, de inlichtingen en gegevens over de rekeningen tijdens het onderzoek met een verzoek om inlichtingen als vermeld in artikel 3.13.1.2.3, heeft gevraagd en bij die vraag duidelijk heeft aangegeven dat hij de toepassing van paragraaf 2 van dit artikel kan vragen als de belastingplichtige de gevraagde gegevens verborgen houdt of weigert te verschaffen. De opdracht, vermeld in het tweede lid, kan pas aanvangen als de termijn, vermeld in artikel 3.13.1.2.3, is verlopen;
  2. 2°nadat hij heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek een of meer aanwijzingen van belastingontduiking heeft opgeleverd en dat er vermoedens zijn dat de belastingplichtige gegevens daarover bij een instelling als vermeld in het tweede lid, verborgen houdt of dat de belastingplichtige weigert om die gegevens zelf te verschaffen.

§ 3. Als het personeelslid met minstens de graad van directeur heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek, vermeld in paragraaf 2, een of meer aanwijzingen van belastingontduiking heeft opgeleverd, kan hij de beschikbare gegevens over die belastingplichtige opvragen bij het centrale aanspreekpunt, vermeld in de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest.

§ 4. Paragraaf 2 en 3 zijn ook van toepassing als een inlichting wordt gevraagd door een buitenlandse staat in een van de volgende gevallen :

  1. 1°in het geval, vermeld in artikel 9 van het decreet van 21 juni 2013 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen;
  2. 2°overeenkomstig de bepalingen met betrekking tot de uitwisseling van inlichtingen in een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting die van toepassing is, of in een andere internationale overeenkomst in het kader waarvan de wederkerigheid is gewaarborgd.

De vraag van de buitenlandse staat wordt gelijkgesteld met een aanwijzing van belastingontduiking als vermeld in paragraaf 2. In dat geval verleent het personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd, in afwijking van paragraaf 2, de machtiging op basis van de vraag, gesteld door de buitenlandse staat.

§ 5. De inlichtingen waarover de administratie uit hoofde van dit artikel beschikt, vallen onder de geheimhoudingsplicht en genieten de bescherming met betrekking tot soortgelijke inlichtingen, vermeld in artikel 3.19.0.0.2.

§ 6. De bepalingen van paragraaf 2 en 3 zijn inzake de registratiebelasting en de erfbelasting niet van toepassing, behalve wat de toepassing van paragraaf 4 betreft.

Een bank-, wissel-, krediet-, en spaarinstelling wordt beschouwd als een derde waarop de bepalingen van paragraaf 1 van toepassing zijn.

Aan de instellingen, vermeld in het tweede lid, kunnen alleen inlichtingen gevraagd worden door een personeelslid met minstens de graad van directeur, als die daartoe gemachtigd is door een personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd.

Met betrekking tot de registratiebelasting moet de machtiging een nauwkeurige aanduiding bevatten van het rechtsfeit waarvoor het onderzoek noodzakelijk wordt geacht.

Met betrekking tot de erfbelasting moet de machtiging de aanduiding van de overleden persoon bevatten en, als het onderzoek betrekking heeft op feiten die meer dan vijf jaar voor het openvallen van de nalatenschap hebben plaatsgevonden, of op verrichtingen die gedaan zijn door een andere persoon dan de overledene of zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende, de nauwkeurige aanduiding van de feiten die het voorwerp van de opzoeking uitmaken.

Als voor de registratiebelasting of de erfbelasting blijkt dat er een of meer aanwijzingen zijn van belastingontduiking, kan het bevoegde personeelslid met minstens de graad van directeur de beschikbare gegevens over die belastingplichtige of de erflater, in geval van erfbelasting, opvragen bij het centrale aanspreekpunt, vermeld in de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest.

§ 7. De inlichtingen, vermeld in dit artikel, moeten worden verschaft binnen drie maanden na de datum waarop ze zijn gevraagd. Die termijn kan worden verlengd door het bevoegde personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd.

Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd