programmadecreet bij de aanpassing van de begroting 2025
20 artikels gewijzigd
| 3 | 3 | § 3. Het fonds wordt gespijsd door de volgende ontvangsten : | |
| 4 | 4 | 1° de bijdragen van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen zoals opgenomen in artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, in de mate dat deze jaarlijkse ontvangsten het bedrag van 5.539.000 euro overschrijden; | |
| 5 | − | 2° de jaarlijkse ontvangsten vanaf 1 januari 2018 uit de onmiddellijke inningen, de minnelijke schikkingen en de strafrechtelijke boeten die verband houden met de inbreuken op de reglementering inzake verkeersveiligheid, die krachtens artikel 6, § 1, XII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest behoort, enerzijds tot en met het bedrag van 17.386.000 euro en anderzijds alle jaarlijkse ontvangsten in de mate dat die het bedrag van 161.243.000 overschrijden; | |
| 5 | + | 2° de jaarlijkse ontvangsten vanaf 1 januari 2018 uit de onmiddellijke inningen, de minnelijke schikkingen en de strafrechtelijke boeten die verband houden met de inbreuken op de reglementering inzake verkeersveiligheid, die krachtens artikel 6, § 1, XII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest behoort, enerzijds tot en met het bedrag van 17.051.300 euro en anderzijds alle jaarlijkse ontvangsten in de mate dat die het bedrag van 161.243.000 overschrijden; | |
| 6 | 6 | 3° de bijdrage en overschotten bedoeld in artikel 8 en 9 van het decreet van 8 juli 2016 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2016 | |
| 7 | 7 | 4° de middelen voortvloeiend uit de activa van het Fonds voor Voorziening en van Openbaar Nut voor de Inspectie van Automobielen, afgekort FIA, vereniging zonder winstoogmerk, opgericht op 7 juli 1970. | |
| 34 | 34 | 2° 1,10 voor lesplaatsen die buiten een penitentiaire inrichting gelegen zijn in een vestigingsplaats met 300 of minder inwoners per km². | |
| 35 | 35 | De coëfficiënt voor het maatschappelijk belang van de opleidingen is 1,30 voor de studiegebieden aanvullende algemene vorming, algemene vorming, Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. | |
| 36 | − | De coëfficiënt voor de studiegebieden met een structureel knelpuntkarakter is 1,05 voor de studiegebieden algemene personenzorg, schrijnwerkerij, groot transport, mechanica-elektriciteit en koeling en warmte . De Vlaamse Regering kan die studiegebieden aanpassen en ook op lokaal niveau vastleggen. | |
| 36 | + | De coëfficiënt voor de studiegebieden met een structureel knelpuntkarakter is 1,05 voor de studiegebieden algemene personenzorg, schrijnwerkerij, groot transport, mechanica-elektriciteit, koeling en warmte en specifieke personenzorg. De Vlaamse Regering kan die studiegebieden aanpassen en ook op lokaal niveau vastleggen. | |
| 37 | 37 | De coëfficiënten voor het aantal deelgemeenten van gemeenten die op 1 januari 2016 meer dan 100.000 inwoners telden of het aantal gemeenten waar het centrum lesplaatsen heeft, zijn : | |
| 38 | 38 | 1° 1,000 voor één gemeente of deelgemeente; | |
| 39 | 39 | 2° 1,10 voor lesplaatsen die buiten een penitentiaire inrichting gelegen zijn in een vestigingsplaats met 300 of minder inwoners per km². | |
| 40 | 40 | De coëfficiënt voor het maatschappelijk belang van de opleidingen is 1,30 voor de studiegebieden aanvullende algemene vorming, algemene vorming, Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. | |
| 41 | − | De coëfficiënt voor de studiegebieden met een structureel knelpuntkarakter is 1,05 voor de studiegebieden algemene personenzorg, schrijnwerkerij, groot transport, mechanica-elektriciteit en koeling en warmte . De Vlaamse Regering kan die studiegebieden aanpassen en ook op lokaal niveau vastleggen. | |
| 41 | + | De coëfficiënt voor de studiegebieden met een structureel knelpuntkarakter is 1,05 voor de studiegebieden algemene personenzorg, schrijnwerkerij, groot transport, mechanica-elektriciteit, koeling en warmte en specifieke personenzorg. De Vlaamse Regering kan die studiegebieden aanpassen en ook op lokaal niveau vastleggen. | |
| 42 | 42 | De coëfficiënten voor het aantal deelgemeenten van gemeenten die op 1 januari 2016 meer dan 100.000 inwoners telden of het aantal gemeenten waar het centrum lesplaatsen heeft, zijn : | |
| 43 | 43 | 1° 1,000 voor één gemeente of deelgemeente; | |
| 1 | − | §1. Het inschrijvingsgeld dat de cursist verschuldigd is, wordt berekend door het aantal lestijden van een module te vermenigvuldigen met 1,50 euro. Het inschrijvingsgeld voor het gecombineerd onderwijs wordt berekend, alsof het volledig in contactonderwijs is verstrekt. | |
| 1 | + | §1. Het inschrijvingsgeld dat de cursist verschuldigd is, wordt berekend door het aantal lestijden van een module te vermenigvuldigen met 1,50 euro. Het inschrijvingsgeld voor het gecombineerd onderwijs wordt berekend, alsof het volledig in contactonderwijs is verstrekt. | |
| 2 | 2 | Indien de in artikel 24, § 2, bedoelde afwijking voor bijzondere doelgroepen het minimale aantal lestijden van een opleiding overschrijdt, dan wordt het inschrijvingsgeld berekend op basis van het aantal lestijden bedoeld in hetzelfde artikel 24, § 1, 3°. | |
| 3 | − | §2. Als de cursist zich binnen een periode van zes schooljaren drie keer voor dezelfde module heeft ingeschreven, wordt het verschuldigde inschrijvingsgeld bij een volgende inschrijving in dezelfde module berekend door het aantal lestijden van die module te vermenigvuldigen met 3 euro. Indien de cursist een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld geniet zoals bepaald in paragraaf 4, dan wordt het aantal lestijden vermenigvuldigd met 1,5 euro. | |
| 3 | + | §2. Als de cursist zich binnen een periode van zes schooljaren drie keer voor dezelfde module heeft ingeschreven, wordt het verschuldigde inschrijvingsgeld bij een volgende inschrijving in dezelfde module berekend door het aantal lestijden van die module te vermenigvuldigen met 3 euro. Indien de cursist een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld geniet zoals bepaald in paragraaf 4, dan wordt het aantal lestijden vermenigvuldigd met 1,5 euro. | |
| 4 | 4 | In afwijking van het eerste lid geldt de vermenigvuldiging met 3 of 1,5 euro niet voor een inschrijving in een open module die voldoet aan de bepalingen van artikel 25bis. | |
| 5 | − | §2bis. In afwijking van paragraaf 2 blijft het verschuldigde inschrijvingsgeld ongewijzigd, ongeacht het aantal inschrijvingen in een van de volgende opleidingen: | |
| 5 | + | §2bis. In afwijking van paragraaf 2 blijft het verschuldigde inschrijvingsgeld ongewijzigd, ongeacht het aantal inschrijvingen in een van de volgende opleidingen: | |
| 6 | 6 | 1° de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 of de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 - schriftelijk richtgraad 1.1 of de opleiding Latijns Schrift - Basiseducatie van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie; | |
| 7 | 7 | 2° de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie of de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 of de opleiding Lezen en Schrijven voor Anders- gealfabetiseerden van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs. | |
| 8 | − | §3. In afwijking van paragraaf 1 wordt het inschrijvingsgeld begrensd op 300 euro per opleiding per semester. Een semester is een periode van 1 september tot en met 31 december of een periode van 1 januari tot en met 31 augustus. Het inschrijvingsgeld, vermeld in paragraaf 2, wordt niet meegerekend in de begrenzing van het inschrijvingsgeld. | |
| 8 | + | §3. In afwijking van paragraaf 1 wordt het inschrijvingsgeld begrensd op 300 euro per opleiding per semester. Een semester is een periode van 1 september tot en met 31 december of een periode van 1 januari tot en met 31 augustus. Het inschrijvingsgeld, vermeld in paragraaf 2, wordt niet meegerekend in de begrenzing van het inschrijvingsgeld. | |
| 9 | − | §3bis. In afwijking van paragraaf 3 is het verschuldigde inschrijvingsgeld begrensd tot 180 euro voor een cursist die ingeschreven is in een van de volgende opleidingen: | |
| 9 | + | §3bis. In afwijking van paragraaf 3 is het verschuldigde inschrijvingsgeld begrensd tot 180 euro voor een cursist die ingeschreven is in een van de volgende opleidingen: | |
| 10 | 10 | 1° de opleiding Nederlands Tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 of de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 - schriftelijk richtgraad 1.1 van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie; | |
| 11 | 11 | 2° de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie of de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs. | |
| 13 | 13 | 1° de opleiding Latijns Schrift - Basiseducatie of de opleiding Lezen en Schrijven voor Andersgealfabetiseerden; | |
| 14 | 14 | 2° een in het eerste lid vermelde opleiding waarvoor de cursist niet bij aanvang van zijn opleiding ingeschreven was maar waarnaar hij in de loop van zijn opleiding geheroriënteerd wordt. | |
| 15 | − | § 4. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een volledige vrijstelling van het inschrijvingsgeld voor cursisten die : | |
| 15 | + | §4. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een volledige vrijstelling van het inschrijvingsgeld voor cursisten die ingeschreven zijn in een opleiding van de basiseducatie of een opleiding van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 of Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 van het secundair volwassenenonderwijs en die: | |
| 16 | − | 1° geen houder zijn van een diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4 en ingeschreven zijn voor geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren of Regie over het Eigen Leren, een opleiding in de leergebieden van de basiseducatie of een opleiding in de studiegebieden aanvullende algemene vorming of algemene vorming; | |
| 16 | + | 1° geen houder zijn van een diploma van het secundair onderwijs of een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatieniveau 4, voor zover het een inschrijving betreft voor een opleiding van de basiseducatie; | |
| 17 | − | 2° ingeschreven zijn voor de opleiding ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting; | |
| 17 | + | 2° ...; | |
| 18 | 18 | 3° op het moment van hun inschrijving materiële hulp genieten zoals bedoeld in de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen; | |
| 19 | 19 | 3° bis op het moment van inschrijving tijdelijke bescherming genieten ter uitvoering van richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen; | |
| 38 | 38 | 9° niet-werkende, verplicht ingeschreven werkzoekenden zijn die op het moment van hun inschrijving nog geen recht op een inschakelingsuitkering hebben verworven; | |
| 39 | 39 | 10° ingeschreven zijn voor een opleiding zoals bedoeld in artikel 64bis; | |
| 40 | − | 11° ingeschreven zijn voor de opleiding Ondernemerschap en tegelijk ingeschreven zijn als leerling in de derde graad van het secundair onderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, een centrum voor deeltijdse vorming, of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen. | |
| 40 | + | 11° ... | |
| 41 | − | §4bis. [... (vernietigd bij arrest Grondwettelijk Hof 2023/115 van 20 juli 2023)] | |
| 41 | + | §4bis. [... (vernietigd bij arrest Grondwettelijk Hof 2023/115 van 20 juli 2023)] | |
| 42 | − | §5. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,60 euro voor cursisten die ingeschreven zijn in een van de volgende opleidingen: | |
| 42 | + | §5. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,60 euro voor cursisten die ingeschreven zijn in een van de volgende opleidingen: | |
| 43 | 43 | 1° een opleiding van het niveau richtgraad 2 in de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal of in het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2; | |
| 44 | 44 | 2° een opleiding in het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. | |
| 45 | − | §6. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,30 euro voor cursisten die op het moment van hun inschrijving : | |
| 45 | + | §6. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,30 euro voor cursisten die op het moment van hun inschrijving in een opleiding van een leergebied van de basiseducatie of van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2, of Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 van het secundair volwassenenonderwijs en die: | |
| 46 | 46 | 1° een inkomen verwerven via een inschakelingsuitkering of een werkloosheidsuitkering en ingeschreven zijn voor een opleiding die niet op basis van § 4, 8°, recht geeft op een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld, of ten laste zijn van voormelde categorieën; | |
| 47 | 47 | 2° in het bezit zijn van een van de volgende attesten of die ten laste zijn van een persoon die in het bezit is van een van de volgende attesten : | |
| 51 | 51 | d) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van het verdienvermogen tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen; | |
| 52 | 52 | e) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van de zelfredzaamheid van ten minste zeven punten. | |
| 53 | − | §6bis. [... (vernietigd bij arrest Grondwettelijk Hof 2023/115 van 20 juli 2023)] | |
| 53 | + | §6bis. [... (vernietigd bij arrest Grondwettelijk Hof 2023/115 van 20 juli 2023)] | |
| 54 | − | §6ter. De verschuldigde bijdrage voor de eerste deelname aan de NT2-test, vermeld in artikel 40, § 1bis, eerste lid, is inbegrepen in het inschrijvingsgeld zoals bepaald in paragraaf 3bis. | |
| 54 | + | §6ter. De verschuldigde bijdrage voor de eerste deelname aan de NT2-test, vermeld in artikel 40, § 1bis, eerste lid, is inbegrepen in het inschrijvingsgeld zoals bepaald in paragraaf 3bis. | |
| 55 | 55 | De cursist die niet geslaagd is voor één of meerdere onderdelen van de NT2-test betaalt geen inschrijvingsgeld voor het opnieuw volgen van één van deze opleidingen in functie van een herkansing. Voor een nieuwe deelname aan de NT2-test betaalt de cursist 22,50 euro per onderdeel. Indien de cursist een gedeeltelijke of volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld geniet op basis van paragraaf 4 of 6 betaalt hij niet opnieuw voor een nieuwe deelname aan de NT2-test. | |
| 56 | + | §6quater. In afwijking van paragraaf 1 geldt een standaardtarief van 2,25 euro per lestijd van een module voor cursisten die zich inschrijven voor een opleiding van een studiegebied als vermeld in artikel 7, 2°, 3°, 7° tot en met 12°, 14°, 20°, 23°, 24°, 27°, 28°, 30° tot en met 34°, 36°, 42°, 43°, 46° en 50°, en voor een experimenteel studiegebied als vermeld in artikel 10. | |
| 57 | + | In afwijking van paragraaf 3 wordt het inschrijvingsgeld begrensd op 450 euro per opleiding per semester voor cursisten die ingeschreven zijn in een opleiding als vermeld in het eerste lid. | |
| 58 | + | §6quinquies. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld voor cursisten die op het moment van hun inschrijving gedetineerd zijn, zoals bepaald in artikel 2, 16°bis. | |
| 59 | + | In afwijking van paragraaf 1 geldt er een volledige vrijstelling van in-schrijvingsgeld voor cursisten die ingeschreven zijn voor de opleiding Onder-nemerschap en tegelijk ingeschreven zijn als leerling in de derde graad van het secundair onderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair on-derwijs, een centrum voor deeltijdse vorming of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen. | |
| 60 | + | §6sexies. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvings-geld van 0,03 euro per lestijd van een module voor cursisten die ingeschre-ven zijn in: | |
| 61 | + | 1° de geletterdheidsmodules Nederlands en Leren Leren of Regie over het eigen leren van het secundair volwassenenonderwijs; | |
| 62 | + | 2° een opleiding van de studiegebieden aanvullende algemene vorming of algemene vorming van het secundair volwassenenonderwijs; | |
| 63 | + | 3° een opleiding van het studiegebied bijzondere educatieve noden van het secundair volwassenenonderwijs. | |
| 64 | + | In afwijking van paragraaf 3 wordt het inschrijvingsgeld begrensd op 180 euro per opleiding voor cursisten die ingeschreven zijn in een opleiding als vermeld in het eerste lid. | |
| 65 | + | §6septies. In afwijking van paragraaf 4 en 6 geldt er een verminderd inschrij-vingsgeld van 1 euro per lestijd van een module voor cursisten die ingeschre-ven zijn in een opleiding als vermeld in paragraaf 6quater, eerste lid, en: | |
| 66 | + | 1° op het moment van hun inschrijving een inkomen verwerven via een inschakelingsuitkering of een werkloosheidsuitkering of ten laste zijn van voormelde categorieën; | |
| 67 | + | 2° op het moment van hun inschrijving in het bezit zijn van een van de volgende attesten of ten laste zijn van een persoon die in het bezit is van een van de volgende attesten: | |
| 68 | + | a) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een ar-beidsongeschiktheid van ten minste 66 procent blijkt; | |
| 69 | + | b) een attest waaruit het recht blijkt op een integratietegemoetkoming aan gehandicapten; | |
| 70 | + | c) een attest waaruit de inschrijving bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap blijkt; | |
| 71 | + | d) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een ver-mindering blijkt van het verdienvermogen tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen; | |
| 72 | + | e) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een ver-mindering blijkt van de zelfredzaamheid van ten minste zeven pun-ten; | |
| 73 | + | 3° op het moment van hun inschrijving materiële hulp krijgen als vermeld in de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen; | |
| 74 | + | 4° op het moment van hun inschrijving tijdelijke bescherming krijgen ter uitvoering van richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betref-fende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen; | |
| 75 | + | 5° op het moment van hun inschrijving een inkomen verwerven via maat-schappelijke dienstverlening of een leefloon of ten laste zijn van de voormelde categorieën; | |
| 76 | + | 6° op het moment van hun inschrijving niet voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht; | |
| 77 | + | 7° op het moment van hun inschrijving werkzoekend zijn als vermeld in artikel 2, 47° bis; | |
| 78 | + | 8° op het moment van hun inschrijving niet-werkende, verplicht ingeschre-ven werkzoekenden zijn die op het moment van hun inschrijving nog geen recht op een inschakelingsuitkering hebben verworven. | |
| 79 | + | §6octies. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvings-geld van 1 euro per lestijd van een module voor cursisten die ingeschreven zijn in een opleiding die behoort tot een studiegebied met structureel knel-puntkarakter als vermeld in artikel 98, §2, zesde lid. | |
| 80 | + | In afwijking van het eerste lid geldt er een volledige vrijstelling voor cur-sisten die ingeschreven zijn in een opleiding als vermeld in het eerste lid, en die op het moment van hun inschrijving voldoen aan een categorie als ver-meld in paragraaf 6septies, 1° tot en met 8°. | |
| 81 | + | In afwijking van paragraaf 3 wordt het inschrijvingsgeld begrensd op 200 euro per opleiding per semester voor cursisten die ingeschreven zijn in een opleiding als vermeld in het eerste lid. | |
| 82 | + | §6novies. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verhoogd inschrijvings-geld van 4 euro per lestijd van een module voor cursisten die ingeschreven zijn in een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs die behoort tot de studiegebieden ambachtelijke accessoires, drankenkennis, Europese hoofdtalen richtgraad 1 en 2, Europese neventalen richtgraad 1 en 2, Europe-se talen richtgraad 3 en 4, fotografie, Hebreeuws, huishoudelijk koken, huishoudelijke decoratie- en naaitechnieken, mode maatwerk, mode realisa-ties, Oosterse talen, Scandinavische talen, Slavische talen en textiel. | |
| 83 | + | De begrenzing van het inschrijvingsgeld, vermeld in paragraaf 3, wordt niet toegepast op de opleidingen, vermeld in het eerste lid. | |
| 84 | + | De volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld, vermeld in paragraaf 6quinquies, en het verminderde inschrijvingsgeld, vermeld in paragraaf 6septies, worden niet toegepast op de opleidingen, vermeld in het eerste lid. | |
| 85 | + | §6decies. De bepalingen, vermeld in paragraaf 2, zijn niet van toepassing op de cursisten die voldoen aan de bepalingen, vermeld in paragraaf 6quater tot en met 6novies. | |
| 56 | − | §7. Centra die de studiegebieden aanvullende algemene vorming en algemene vorming organiseren en evaluaties afnemen van personen die geen lessen gevolgd hebben in het centrum voor volwassenenonderwijs in kwestie, vragen hiervoor een tegemoetkoming aan de cursist van 15 euro per evaluatieperiode. | |
| 86 | + | §7. Centra die de studiegebieden aanvullende algemene vorming en algemene vorming organiseren en evaluaties afnemen van personen die geen lessen gevolgd hebben in het centrum voor volwassenenonderwijs in kwestie, vragen hiervoor een tegemoetkoming aan de cursist van 15 euro per evaluatieperiode. | |
| 57 | − | §8. Het centrum voor volwassenenonderwijs dat een examencommissie organiseert, vraagt hiervoor een tegemoetkoming van 15 euro per persoon en per evaluatieperiode. | |
| 87 | + | §8. Het centrum voor volwassenenonderwijs dat een examencommissie organiseert, vraagt hiervoor een tegemoetkoming van 15 euro per persoon en per evaluatieperiode. | |
| 2 | 2 | § 2. Het fonds is een begrotingsfonds zoals vermeld in artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof. | |
| 3 | 3 | § 3. Het fonds wordt gespijsd door: | |
| 4 | − | 1° alle ontvangsten die voortvloeien uit de inschrijvingsgelden van het volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 113novies. Elk centrumbestuur betaalt daartoe in het jaar n aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen voor elk van zijn gesubsidieerde of gefinancierde centra in twee schijven een bedrag dat berekend wordt tegen 100 % van de inschrijvingsgelden van de cursisten die ingeschreven waren in het schooljaar n-2/n-1. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het centrumbestuur de inschrijvingsgelden overmaakt aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen; | |
| 4 | + | 1° alle ontvangsten die voortvloeien uit de inschrijvingsgelden van het volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 113novies. Elk centrumbestuur betaalt daartoe in het jaar n aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen voor elk van zijn gesubsidieerde of gefinancierde centra in twee schijven een bedrag dat berekend wordt tegen 100 % van de inschrijvingsgelden van de cursisten die ingeschreven waren in het schooljaar n-1/n. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het centrumbestuur de inschrijvingsgelden overmaakt aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen; | |
| 5 | 5 | 2° andere ontvangsten ten behoeve van het volwassenenonderwijs. | |
| 6 | 6 | § 4. Het fonds wordt aangewend ter financiering van: | |
| 7 | 7 | 1° de werkingstoelagen en de werkingsmiddelen in het volwassenenonderwijs; | |
| 8 | − | 2° de premie aan cursisten die een diploma van het secundair onderwijs behaald hebben als vermeld in artikel 41, §4, 2° en 2° bis. De Vlaamse Regering bepaalt de opleidingen, bekrachtigd met een diploma van het secundair onderwijs, die in aanmerking komen voor het verkrijgen van een premie, het bedrag dat wordt toegekend en de procedure voor de toekenning van de premie; | |
| 8 | + | 2° de premie aan cursisten die een diploma van het secundair onderwijs behaald hebben als vermeld in artikel 41, §4, 1° tot en met 2°quater. De Vlaamse Regering bepaalt de opleidingen, bekrachtigd met een diploma van het secundair onderwijs, die in aanmerking komen voor het verkrijgen van een premie, het bedrag dat wordt toegekend en de procedure voor de toekenning van de premie; | |
| 9 | 9 | 3° de betaling van andere uitgaven ten voordele van het volwassenenonderwijs. | |
| 10 | 10 | § 5. Het saldo en de vastgestelde rechten vastgesteld op 31 december 2019 op het Fonds Inschrijvingsgelden Centra voor Volwassenenonderwijs zoals bepaald in artikel 110 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, wordt overgedragen naar het fonds, zoals bepaald in het vorige artikel. | |
| 9 | 9 | De centra voor volwassenenonderwijs kunnen na een voorafgaand akkoord in het bevoegde lokale comité de toegekende leraarsuren ten laste van het begrotingsjaar 2023 omzetten in werkingsmiddelen voor contractuele aanwervingen ten belope van de lesopdracht tijdens de maanden juli en augustus. Voor de omzetting geldt één leraarsuur voor 63,64 euro. Uiterlijk twee maanden na de melding aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen van de om te zetten leraarsuren voor de aanwerving van contractuele personeelsleden worden 80% van deze omgezette werkingsmiddelen als voorschot aan de centra uitbetaald. Het resterende saldo van 20% wordt uitbetaald uiterlijk in de loop van de maand december van het kalenderjaar 2023. Het centrum moet alle aangewende middelen bewijzen met facturen of betalingen die werden gedaan in het kader van deze contractuele aanstellingen. Niet-aangewende middelen worden na het einde van het kalenderjaar 2023 teruggestort. Daarvoor deelt het centrum het niet-aangewende bedrag mee aan de bevoegde administratie. | |
| 10 | 10 | Ten laste van het begrotingsjaar 2024 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | |
| 11 | + | Ten laste van het begrotingsjaar 2025 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmid-delen toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs, en worden 90,66 aanvullende voltijdsequivalenten, 1494,70 aanvullende punten en een bedrag van 1.109.830,06 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor basiseducatie. | |
| 11 | 12 | § 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject. | |
| 12 | 13 | § 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt. | |
| 1 | + | In afwijking van artikel 113novies, §6novies, geldt tot en met het schooljaar 2027-2028 het inschrijvingsgeld van 2,25 euro per lestijd van een module in een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs die behoort tot de studiegebie-den ambachtelijke accessoires, drankenkennis, fotografie en mode: maatwerk voor cursisten die in het schooljaar 2024-2025 ingeschreven zijn in de opleiding aanvullende algemene vorming in combinatie met een diplomagerichte beroepsopleiding uit bovenvermelde studiegebieden. |
| 1 | + | In afwijking van artikel 113decies, §3, 1°, betaalt elk centrumbestuur in de tweede schijf van het jaar 2025 aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen voor elk van zijn gesubsidieerde of gefinancierde centra een bedrag dat berekend wordt tegen 100 procent van de inschrijvingsgelden van de cursisten die ingeschreven waren in de periode van januari 2024 tot en met augustus 2024. |
| 3 | 3 | waarbij: | |
| 4 | 4 | 1° Bg = de bijdrage respectievelijk de vergoeding, aangerekend aan de abonnee of titularis van een private waterwinning; | |
| 5 | − | 2° Tgvg = het gemeentelijke tarief en is begrensd op 1,4 keer het eenheidstarief van de heffing voor alle andere heffingsplichtigen, vermeld in artikel 4.2.2.1.1., §2, tweede lid, met betrekking tot het lozingsjaar en vermenigvuldigd met 0,025 VE per m3; | |
| 5 | + | 2° Tgvg = het gemeentelijke tarief en is maximaal 1,15 keer het eenheidstarief van de heffing voor alle andere heffingsplichtigen, vermeld in artikel 4.2.2.1.1., §2, tweede lid, met betrekking tot het lozingsjaar en vermenigvuldigd met 0,025 VE per m3; | |
| 6 | 6 | 3° Q = in geval van: | |
| 7 | 7 | a) de bijdrage: het te factureren of indien van toepassing, het geloosde waterverbruik, uitgedrukt in m³; | |
| 1 | 1 | Vanaf 2020 wordt op de begroting een algemene werkingssubsidie voor de gemeenten van het Vlaamse Gewest ingeschreven, als gedeeltelijke compensatie van de kosten en minderontvangsten door de vrijwaring van de open ruimte en om het behoud en de inrichting van de open ruimte te stimuleren. | |
| 2 | − | In 2020, 2021, 2022, 2023 en 2024 bedraagt de werkingssubsidie respectievelijk 20 %, 40 %, 60 %, 80 % en 100 % van het bedrag voor open ruimte in het Gemeentefonds van het voorgaande jaar, exclusief het aandeel van de steden, vermeld in artikel 6, § 1, 1°, a), b), c) en d), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, en aangevuld met een jaarlijkse groeivoet van 3,5 %. Vanaf 2025 wordt enkel nog de jaarlijkse groeivoet van 3,5 % toegepast. | |
| 2 | + | In 2020, 2021, 2022, 2023 en 2024 bedraagt de werkingssubsidie respectievelijk 20 %, 40 %, 60 %, 80 % en 100 % van het bedrag voor open ruimte in het Gemeentefonds van het voorgaande jaar, exclusief het aandeel van de steden, vermeld in artikel 6, § 1, 1°, a), b), c) en d), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, en aangevuld met een jaarlijkse groeivoet van 3,5 %. | |
| 3 | + | In 2025 bedraagt de werkingssubsidie 100% van het bedrag voor open ruimte in het Gemeentefonds van het voorgaande jaar, exclusief het aandeel van de steden, vermeld in artikel 6, §1, 1°, a), b), c) en d), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, aangevuld met een groeivoet van 3,5%. |
| 1 | − | Bij een samenvoeging van gemeenten mogen de nieuwe gemeenten niet minder ontvangen dan de som van de aandelen van de samen te voegen gemeenten of delen van gemeenten in het jaar dat voorafgaat aan de samenvoeging. Als de samenvoeging gepaard gaat met de opsplitsing van een of meer gemeenten wordt om de gewaarborgde ontvangst van de nieuwe gemeenten te berekenen, het aandeel van de op te splitsen gemeenten in het jaar dat voorafgaat aan de samenvoeging, ook opgesplitst, in dezelfde verhouding als de inwonersaantallen van de opgesplitste delen. | |
| 2 | − | De gewaarborgde ontvangst voor de nieuwe gemeenten, vermeld in het eerste lid, wordt, met ingang van het jaar van de samenvoeging, elk jaar geïndexeerd met 3,5%. De indexatie is cumulatief. | |
| 3 | − | In afwijking van artikel 23, tweede lid, zijn de bepalingen, vermeld in het eerste en tweede lid, ook van toepassing in geval van een samenvoeging met een stad zoals vermeld in artikel 6, § 1, 1°, a), b), c) of d), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds. |
| 1 | + | De algemene werkingssubsidie wordt gebruikt voor de algemene financiering van de gemeenten van het Vlaamse Gewest en is volledig vrij van verantwoordings- en rapporteringsverplichtingen. |
| 1 | 1 | Vanaf 2020 kent de Vlaamse Regering aan de Vlaamse gemeenten, OCMW's, autonome gemeentebedrijven, havenbedrijven, hulpverleningszones, politiezones, ziekenhuizen en welzijnsverenigingen een dotatie toe ten belope van de helft van de door hen verschuldigde responsabiliseringsbijdragen, vermeld in artikel 19 van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen. | |
| 2 | − | De dotatie houdt geen rekening met de korting die de besturen kunnen krijgen op de responsabiliseringsbijdrage door de verschuldigde premie voor een aanvullende pensioenregeling voor hun contractueel personeel in mindering te brengen. | |
| 2 | + | De dotatie houdt geen rekening met de korting die de besturen kunnen krijgen op de responsabiliseringsbijdrage door de verschuldigde premie voor een aanvullende pensioenregeling voor hun contractueel personeel in mindering te brengen. De dotatie houdt ook geen rekening met de verhoging die de besturen kunnen krijgen op de responsabiliseringsbijdrage doordat een aanvullende pensioenregeling voor hun contractueel personeel ontbreekt. | |
| 3 | − | Voor de percentages van de wettelijke basisbijdrage en voor de responsabiliseringscoëfficiënt wordt uitgegaan van de percentages waarop de ramingen van de responsabiliseringsbijdragen door de Federale Pensioendienst van mei 2019 gebaseerd zijn. Wijzigingen aan die percentages worden enkel in rekening gebracht als ze een daling van de responsabiliseringsbijdrage van dat bestuur tot gevolg hebben. | |
| 3 | + | Voor de wettelijke basisbijdrage wordt uitgegaan van een percentage van 43% en voor de responsabiliseringscoëfficiënt wordt uitgegaan van een percentage van 75%. Met die percentages wordt alleen rekening gehouden als ze een daling van de responsabiliseringsbijdrage tot gevolg hebben. |
| 1 | − | De vastgestelde bedragen worden aan de besturen volledig betaald op de eerste werkdag van de maand december van elk jaar. | |
| 1 | + | De vastgestelde bedragen worden aan de besturen jaarlijks uiterlijk op 23 december volledig betaald. | |
| 2 | − | Als het begrotingskrediet voor een bepaald jaar ontoereikend is, worden de dotaties aan de besturen pro rata het beschikbare begrotingskrediet betaald op de eerste werkdag van de maand december van dat jaar. Het nog te betalen saldo voor dat jaar wordt toegevoegd aan het begrotingskrediet van het volgende jaar en betaald binnen de twee maanden nadat daarvoor het nodige krediet op de begroting werd ingeschreven. | |
| 2 | + | Als het begrotingskrediet voor een bepaald jaar ontoereikend is, worden de dotaties aan de besturen pro rata het beschikbare begrotingskrediet uiterlijk betaald op 23 december van dat jaar. Het nog te betalen saldo voor dat jaar wordt toegevoegd aan het begrotingskrediet van het volgende jaar en betaald binnen de twee maanden nadat daarvoor het nodige krediet op de begroting werd ingeschreven. |
| 1 | + | De dotatie, vermeld in artikel 26, wordt gebruikt voor de algemene financiering van de besturen, vermeld in artikel 26, en is volledig vrij van verantwoordings- en rapporteringsverplichtingen. |
| 1 | − | §1. Elke gemeente kan vragen een deel van het aandeel rechtstreeks te storten op de rekening van het OCMW. De beslissing moet uitgaan van de OCMW-raad en de gemeenteraad en moet uiterlijk op 30 juni van het jaar dat de verdeling voorafgaat, toekomen op de administratie Binnenlandse Aangelegenheden. Het OCMW-aandeel wordt uitgedrukt in hele procenten van het totale aandeel of in een bedrag, afgerond op duizend euro. | |
| 1 | + | §1. Elke gemeente kan vragen een deel van het aandeel rechtstreeks te storten op de rekening van het OCMW. De beslissing moet uitgaan van de OCMW-raad en de gemeenteraad en moet uiterlijk op 30 juni van het jaar dat de verdeling voorafgaat, toekomen op de administratie Binnenlandse Aangelegenheden. Het OCMW-aandeel wordt uitgedrukt in hele procenten van het totale aandeel of in een bedrag, afgerond op duizend euro. | |
| 2 | − | §2. Een meegedeeld percentage of bedrag wordt het daaropvolgende jaar behouden, tenzij de beslissing vóór de in § 1 bedoelde datum door de gemeenteraad en de OCMW-raad wordt gewijzigd. | |
| 2 | + | §2. Een meegedeeld percentage of bedrag wordt het daaropvolgende jaar behouden, tenzij de beslissing vóór de in § 1 bedoelde datum door de gemeenteraad en de OCMW-raad wordt gewijzigd. | |
| 3 | − | §3. Bij ontstentenis van een dergelijke beslissing of als die beslissing te laat aankomt, wordt 8 % van het gemeentelijk aandeel binnen het Vlaams Gemeentefonds rechtstreeks op de rekening van het OCMW gestort. | |
| 3 | + | §3. Bij ontstentenis van een dergelijke beslissing of als die beslissing te laat aankomt, wordt 8 % van het gemeentelijk aandeel binnen het Vlaams Gemeentefonds rechtstreeks op de rekening van het OCMW gestort. | |
| 4 | + | §4. Als gemeenten worden samengevoegd, ontvangt het nieuwe OCMW automatisch voor het jaar van de samenvoeging een deel van het definitieve aandeel van de nieuwe gemeente dat overeenkomt met het procentuele aandeel van de gezamenlijke laatste definitieve aandelen van de oude OCMW’s in de gezamenlijke laatste definitieve aandelen van de oude gemeenten. |
| 1 | 1 | Op het einde van de maanden januari tot en met oktober van elk jaar worden, onverminderd de bepalingen van artikel 21, aan elke gemeente en aan elk OCMW een voorschot uitbetaald dat gelijk is aan één tiende van hun aandeel, volgens de verhouding bepaald in artikel 12, en zonder de jaarlijkse inhouding bepaald in artikel 19sexies, § 1, en de vermindering bepaald in artikel 19septies van het laatste jaar waarvoor de Vlaamse regering de definitieve verdeling heeft bepaald. | |
| 2 | + | Als gemeenten worden samengevoegd, bestaat in het eerste jaar van de samenvoeging elk voorschot aan de nieuwe gemeente en elk voorschot aan het nieuwe OCMW uit de som van de voorschotten aan respectievelijk de oude gemeenten en de oude OCMW’s, die volgens het eerste lid zijn berekend. |
| 2 | 2 | Die bedragen zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,04 (basis 2013 = 100). | |
| 3 | 3 | De koppeling aan de afgevlakte gezondheidsindex uit het eerste lid wordt beëindigd vanaf 1 januari 2020. | |
| 4 | − | De bedragen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, en in voorkomend geval, de inkomensgrenzen, vermeld in delen 1 en 3 van boek 2 en deel 2 van boek 5, die ingevolge de koppeling uit het eerste lid en de toepassing van het tweede lid, werden bekomen op 31 december 2019, worden vanaf 1 januari 2020 jaarlijks op 1 september verhoogd met een index van 2 %. | |
| 4 | + | De bedragen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, en in voorkomend geval, de inkomensgrenzen, vermeld in delen 1 en 3 van boek 2 en deel 2 van boek 5, die ingevolge de koppeling uit het eerste lid en de toepassing van het tweede lid, werden bekomen op 31 december 2019, worden vanaf 1 januari 2020 tot en met 31 december 2024 jaarlijks op 1 september verhoogd met een index van 2 %. | |
| 5 | − | In afwijking van het voorgaande lid start de jaarlijkse verhoging met een index van 2 %, zoals opgenomen in het vorige lid, voor het bedrag voor het derde jongste kind en oudere kinderen, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, en het bedrag van de leeftijdsbijslagen, vermeld in artikel 212, § 1 en § 2, en artikel 213, zoals die voor deze bedragen ingevolge de koppeling uit het eerste lid werden bekomen op 31 december 2019, vanaf 1 september 2025. | |
| 5 | + | In afwijking van het voorgaande lid wordt het bedrag voor het derde jongste kind en oudere kinderen, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, en het bedrag van de leeftijdsbijslagen, vermeld in artikel 212, § 1 en § 2, en artikel 213, zoals die voor deze bedragen ingevolge de koppeling uit het eerste lid werden bekomen op 31 december 2019, tot en met 31 december 2024 niet jaarlijks verhoogd met een index van 2%. | |
| 6 | 6 | In afwijking van het vierde lid wordt het basisbedrag, vermeld in artikel 13, en het bedrag voor het jongste kind en het tweede jongste kind, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, waar de evolutie gekoppeld is aan de jaarlijkse verhoging met een index van 2%, zoals bepaald in het vierde lid,op 1 september 2022 en op 1 december 2022 verhoogd met een index van 1%. | |
| 7 | 7 | In afwijking van het vierde lid worden de inkomensgrenzen, vermeld in deel 1 van boek 2 en deel 2 van boek 5, die ingevolge de verhoging uit het vierde lid werden bekomen op 30 september 2022, vanaf 1 september 2023 jaarlijks geïndexeerd op 1 september. De indexering is gelijk aan de procentuele stijging van de gezondheidsindex, voor de maand december van het tweede kalenderjaar dat het jaar van de indexering voorafgaat, ten opzichte van de gezondheidsindex voor de maand december van het derde kalenderjaar dat het jaar van de indexering voorafgaat. | |
| 8 | + | De bedragen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, vermeld in deel 1 en 3 van boek 2 en deel 2 van boek 5, die ingevolge de toepassing van het vierde tot en met zesde lid werden bekomen op 31 december 2024, wor-den vanaf 1 januari 2025 jaarlijks op 1 september aangepast overeenkomstig de procentuele stijging van de afgevlakte gezondheidsindex voor de maand juli van het jaar van de indexering, ten opzichte van de afgevlakte gezond-heidsindex voor de maand juli van het jaar dat het jaar van de indexering voorafgaat, met een jaarlijkse minimale procentuele stijging van 2 procent. | |
| 8 | 9 | § 2. Als ingevolge de toepassing van paragraaf 1 de bedragen van de toelagen eindigen op een gedeelte van een cent, wordt het uit te betalen bedrag vastgesteld zonder rekening te houden met het gedeelte van een cent als dat minder dan 0,5 cent bedraagt. Als het gedeelte 0,5 cent of meer bedraagt, wordt het voor een cent gerekend. | |
| 9 | 10 | De afronding op een cent naar boven of naar beneden wordt gedaan op het totaal uit te betalen bedrag voor het rechtgevende kind, het rechthebbende kind of de rechthebbende leerling. | |
| 1 | + | §1. Voor de werkingsmiddelen binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap die geen loongebonden uitgaven uitmaken en waarvan de evolutie gekoppeld is aan de schommelingen van een prijsindexcijfer, wordt de indexaanpassing in het begrotingsjaar 2025, 2028 en 2029 voor 50 procent verrekend. In de begrotingsjaren 2026 en 2027 wordt geen indexaanpassing verrekend. De voorgaande bepalingen doen geen afbreuk aan de gedeeltelijke verrekening of de niet-verrekening van indexaanpassingen in voorafgaande jaren. De in voorgaande bepaling bedoelde 50 procent geldt enkel voor de indexstijging ten opzichte van het voorgaande jaar. | |
| 2 | + | Het eerste lid is niet van toepassing op: | |
| 3 | + | 1° de forfaitaire kostenvergoedingen, vermeld in artikel 16 van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg; | |
| 4 | + | 2° de kostenvergoeding, vermeld in artikel 65, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 november 2013 houdende de subsidies en de eraan gekoppelde voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstver-lening door gezinsopvang en groepsopvang van baby’s en peuters; | |
| 5 | + | 3° het zakgeld, vermeld in artikel 42 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp; | |
| 6 | + | 4° de tarieven voor zakgeld als vermeld in bijlage 3 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp; | |
| 7 | + | 5° het vrij besteedbaar bedrag, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 tot bepaling van het bedrag, de voorwaarden voor de toekenning en de wijze van vereffening van een vrij besteedbaar bedrag voor minderjarigen aan wie residentiële jeugdhulpverlening wordt geboden in voorzieningen die erkend zijn en gesubsidieerd worden door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap; | |
| 8 | + | 6° de tegemoetkoming in de installatiekost en de huurprijs voor woonbehoeftige huurders, vermeld in artikel 5.73. van de Vlaamse Codex Wonen van 17 juli 2020; | |
| 9 | + | 7° de tegemoetkoming in de huurprijs voor kandidaat-huurders, vermeld in artikel 5.74. van de Vlaamse Codex Wonen van 17 juli 2020; | |
| 10 | + | 8° de werkondersteunende maatregelen, vermeld in artikel 9 en de forfaitaire subsidie voor organisatieondersteunende maatregelen, vermeld in artikel 19 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling; | |
| 11 | + | 9° de premie, vermeld in artikel 94, §1, van de programmawet van 30 december 1988; | |
| 12 | + | 10° de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen, vermeld in artikel 105 van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming; | |
| 13 | + | 11° de studietoelagen, vermeld in artikel 4 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap; | |
| 14 | + | 12° het instandhoudingsforfait, vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de subsidiëring van infrastructuur van ziekenhuizen. | |
| 15 | + | §2. Voor de werkingsmiddelen binnen de begroting onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap die geen loongebonden uitgaven uitmaken en waarvan de evolutie gekoppeld is aan de schommelingen van een prijsindexcijfer wordt de indexaanpassing in het begrotingsjaar 2025, 2028 en 2029 voor 50 procent verrekend. In de begrotingsjaren 2026 en 2027 wordt geen indexaanpassing verrekend. De voorgaande bepalingen doen geen afbreuk aan de gedeeltelijke verrekening of de niet-verrekening van indexaanpassingen in voorafgaande jaren. De in voorgaande bepaling bedoelde 50 procent geldt enkel voor de indexstijging ten opzichte van het voorgaande jaar. | |
| 16 | + | Toepassing van het eerste lid houdt de niet-verrekening in van de index-aanpassing op: | |
| 17 | + | 1° 40 procent van de aanpassingscoëfficiënt A2 van de werkingsmiddelen van het gewoon en het buitengewoon secundair onderwijs, vermeld in artikel 243, §3, en artikel 324, §3, van de Codex Secundair Onderwijs; | |
| 18 | + | 2° 40 procent van de aanpassingscoëfficiënt A van de werkingsmiddelen van het deeltijds kunstonderwijs, vermeld in artikel 83 en 84 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs en in artikel 8 van het besluit van 4 mei 2018 van de Vlaamse Regering betreffende het opleidingsaanbod, de structuur, organisatie en financiering van de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen. | |
| 19 | + | In afwijking van het eerste lid is de niet-verrekening van de indexaanpassing niet van toepassing op de werkingsmiddelen van het gewoon en het buitengewoon basisonderwijs. |
| 1 | + | Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2025, met uitzondering van: | |
| 2 | + | 1° artikel 7 en 8, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2023; | |
| 3 | + | 2° artikel 15, 2°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2024; | |
| 4 | + | 2°/1 artikel 28, dat van toepassing is vanaf het heffingsjaar 2026; | |
| 5 | + | 3° artikel 31 en 32, die in werking treden op 1 januari 2025 en van toepas-sing zijn op de kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025; | |
| 6 | + | 4° artikel 33, dat in werking treedt op 1 januari 2025 en van toepassing is op de akten van eigendom die ten bate van de erflater of op zijn verzoek zijn verleden vanaf 1 januari 2025; | |
| 7 | + | 5° artikel 50 tot en met 53, die van toepassing zijn op de belastbare tijdper-ken en die aanvangen na 31 december 2024; | |
| 8 | + | 6° artikel 54, dat in werking treedt op 1 juli 2025; | |
| 9 | + | 7° artikel 58 en 59, die in werking treden op de tiende dag na de bekendma-king ervan in het Belgisch Staatsblad; | |
| 10 | + | 8° artikel 60 en 61, die in werking treden op 1 juli 2025; | |
| 11 | + | 9° artikel 62 tot en met 64 en 68 tot en met 72, die in werking treden op 1 september 2025; | |
| 12 | + | 10° artikel 65, 1°, 3° en 5°, 67, 74 en 78, die in werking treden op 1 januari 2026; | |
| 13 | + | 11° artikel 65, 2° en 4°, 73, 76 en 77, die in werking treden op 1 augustus 2025, en die van toepassing zijn vanaf het academiejaar 2025-2026. |