§ flandrepo

Programmadecreet bij de begroting 2023

Staatsblad 29 december 2022 NUMAC 2022043151
59 artikels gewijzigd
+1 −1 energiedecreet/art. 14.1.2
1Het tarief van de heffing bedraagt per afnamepunt per maand dat de afnemer in het heffingsjaar is aangesloten geweest op een van de netten, vermeld in artikel 14.1.1, § 1:1Het tarief van de heffing bedraagt per afnamepunt per maand dat de afnemer in het heffingsjaar is aangesloten geweest op een van de netten, vermeld in artikel 14.1.1, § 1:
21° voor de volgende afnemers die aangesloten zijn op laagspanning:21° voor de volgende afnemers die aangesloten zijn op laagspanning:
3a) voor residentiële afnemers: 42 eurocent per maand;3a) voor residentiële afnemers: 0 eurocent per maand;
4b) voor niet-residentiële afnemers: 7,87 euro per maand;4b) voor niet-residentiële afnemers: 7,87 euro per maand;
52° voor de afnemers die aangesloten zijn op middenspanning: 150,00 euro per maand;52° voor de afnemers die aangesloten zijn op middenspanning: 150,00 euro per maand;
+2 −2 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 1.1.0.0.2
441° stoom- of motorvoertuigen : de motorvoertuigen, omschreven in de reglementering voor de inschrijving van motorvoertuigen en de aanhangwagens, de stoom- of motorvaartuigen en -boten en, in het algemeen, alle stoom- of motorvervoermiddelen tot voortbeweging, alsook de aanhangwagens en opleggers ervan;441° stoom- of motorvoertuigen : de motorvoertuigen, omschreven in de reglementering voor de inschrijving van motorvoertuigen en de aanhangwagens, de stoom- of motorvaartuigen en -boten en, in het algemeen, alle stoom- of motorvervoermiddelen tot voortbeweging, alsook de aanhangwagens en opleggers ervan;
452° lichte vrachtauto : in afwijking van punt 1°, elke auto, opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht niet meer bedraagt dan 3500 kg en die :452° lichte vrachtauto : in afwijking van punt 1°, elke auto, opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht niet meer bedraagt dan 3500 kg en die :
46a) bestaat uit een volledig van de laadruimte afgesloten enkele cabine die ten hoogste twee plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak;
47b) bestaat uit een volledig van de laadruimte afgesloten dubbele cabine die ten hoogste zes plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak;
46a) bestaat uit een volledig van de laadruimte afgesloten enkele cabine die ten hoogste twee plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak. Als de auto is ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid na 31 december 2022, is de auto ingeschreven ofwel op naam van een rechtspersoon ofwel op naam van een natuurlijke persoon als vermeld in artikel I.1, eerste lid, 1°, (a), van het Wet- boek van economisch recht en ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen conform artikel III.17 van het voormelde wetboek. De voormelde voorwaarde dat het voertuig moet ingeschreven zijn ofwel op naam van een rechtspersoon ofwel op naam van een natuurlijke persoon met een ondernemingsnummer, is alleen van toepassing op auto’s van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten;
47b) bestaat uit een volledig van de laadruimte afgesloten dubbele cabine die ten hoogste zes plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak. Als de auto is ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid na 31 december 2022, is de auto ingeschreven ofwel op naam van een rechtspersoon ofwel op naam van een natuurlijke persoon als vermeld in artikel I.1, eerste lid, 1°, (a), van het Wet- boek van economisch recht en ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen conform artikel III.17 van het voormelde wetboek. De voormelde voorwaarde dat het voertuig moet ingeschreven zijn ofwel op naam van een rechtspersoon ofwel op naam van een natuurlijke persoon met een ondernemingsnummer, is alleen van toepassing op auto’s van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten;
48c) gelijktijdig bestaat uit een passagiersruimte die ten hoogste twee plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een daarvan afgesloten laadruimte waarvan de afstand tussen elk punt van de scheidingswand achter de zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, altijd minstens 50 % bedraagt van de lengte van de wielbasis. De laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor extra banken, zetels of veiligheidsgordels, die deel uitmaakt van het koetswerk;48c) gelijktijdig bestaat uit een passagiersruimte die ten hoogste twee plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een daarvan afgesloten laadruimte waarvan de afstand tussen elk punt van de scheidingswand achter de zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, altijd minstens 50 % bedraagt van de lengte van de wielbasis. De laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor extra banken, zetels of veiligheidsgordels, die deel uitmaakt van het koetswerk;
49d) gelijktijdig bestaat uit een passagiersruimte die ten hoogste zes plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een daarvan volledig afgesloten laadruimte waarvan de afstand tussen elk punt van de scheidingswand achter de laatste rij zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, altijd minstens 50 % bedraagt van de lengte van de wielbasis. De laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor extra banken, zetels of veiligheidsgordels, die deel uitmaakt van het koetswerk.49d) gelijktijdig bestaat uit een passagiersruimte die ten hoogste zes plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een daarvan volledig afgesloten laadruimte waarvan de afstand tussen elk punt van de scheidingswand achter de laatste rij zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, altijd minstens 50 % bedraagt van de lengte van de wielbasis. De laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor extra banken, zetels of veiligheidsgordels, die deel uitmaakt van het koetswerk.
+13 −22 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.1.5.0.1
1§ 1. Er wordt een vermindering verleend van :1§ 1. Er wordt een vermindering verleend van :
21° 25 % van de onroerende voorheffing voor de woning waar de belastingplichtige volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn hoofdverblijfplaats heeft, als het kadastraal inkomen van zijn gezamenlijke, in het Vlaamse Gewest gelegen, onroerende goederen niet meer bedraagt dan 745 euro;21° 25 % van de onroerende voorheffing voor de woning waar de belastingplichtige volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn hoofdverblijfplaats heeft, als het kadastraal inkomen van zijn gezamenlijke, in het Vlaamse Gewest gelegen, onroerende goederen niet meer bedraagt dan 745 euro;
32° de onroerende voorheffing berekend volgens de volgende tabel voor de kinderen die in aanmerking komen voor de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 5, §1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, voor de woning die op 1 januari van het aanslagjaar wordt betrokken door een gezin met ten minste twee kinderen die daar volgens het bevolkingsregister hun woonplaats hebben en die in aanmerking komen voor gezinsbijslag. Daarbij wordt een gehandicapt kind voor twee gerekend.32° de onroerende voorheffing voor de kinderen die in aanmerking komen voor de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 5, §1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, voor de woning die op 1 januari van het aanslagjaar wordt betrokken door een gezin met ten minste twee kinderen die daar volgens het bevolkingsregister hun woonplaats hebben en die in aanmerking komen voor gezinsbijslag. De vermindering bedraagt per kind 8 euro. Daarbij wordt een gehandicapt kind voor twee gerekend.
4"aantal kinderen dat in aanmerking komt
5totaalbedrag van de vermindering in euro
62
78,58
83
913,58
104
1119,01
125
1324,92
146
1531,25
167
1738,06
188
1945,35
209
2153,07
2210
2361,30
24Eenheden boven het tiende geven recht op een verhoging van de vermindering met 8,58 euro. De totale bedragen, vermeld in de tabel, en het bedrag van de voormelde verhoging van de vermindering met 8,58 euro worden jaarlijks aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. Die aanpassing gebeurt op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de inkomsten, te delen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar 1996. Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond door weglating van de centgedeelten na de tweede decimaal;4Het voormelde bedrag van 8 euro is gekoppeld aan de schommelingen van het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk en wordt jaarlijks aangepast op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de inkomsten, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2022. Het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt, en de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt. Na de toepassing van de coëfficiënt wordt het bedrag afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendste al of niet vijf bereikt;
253° de onroerende voorheffing per persoon met een handicap, met uitsluiting van de gehandicapte kinderen, vermeld in punt 2°, voor de woning waar de persoon met een handicap volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn woonplaats heeft. Deze vermindering wordt berekend alsof het een gehandicapt kind betreft.53° de onroerende voorheffing per persoon met een handicap, met uitsluiting van de gehandicapte kinderen, vermeld in punt 2°, voor de woning waar de persoon met een handicap volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn woonplaats heeft. Deze vermindering wordt berekend alsof het een gehandicapt kind betreft.
6§1/1. De vermindering, vermeld in paragraaf 1, 2°, wordt in geval van ouders die niet samenleven proportioneel toegekend, afhankelijk van de periode waarin die ouder het kind of de kinderen huisvest, als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld:
71° een van beide ouders dient uiterlijk op 31 maart van het aanslagjaar een aanvraag in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie;
82° de ouder waarbij het kind of de kinderen volgens het bevolkingsregister niet zijn of hun woonplaats hebben, zorgt voor de huisvesting in een woning die in het Vlaamse Gewest ligt waarin die ouder op 1 januari van het aanslagjaar volgens het bevolkingsregister zijn woonplaats heeft;
93° de gedeeltelijke huisvesting wordt op een van de volgende wijzen aangetoond:
10a) op grond van een overeenkomst die uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar geregistreerd of door een rechter gehomologeerd is;
11b) op grond van een rechterlijke beslissing die uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar is uitgesproken;
12c) op grond van een overeenkomst die uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar tot stand is gekomen ten gevolge van een vrijwillige gezinsbemiddeling door een bemiddelaar die erkend is door de commissie, vermeld in artikel 1727 van het Gerechtelijk Wetboek;
13d) op grond van een overeenkomst die de beide ouders uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar hebben ondertekend.
14De vermindering, vermeld in paragraaf 1, 2°, wordt proportioneel verdeeld tussen de woning, vermeld in paragraaf 1, 2°, en de woning, vermeld in het eerste lid, 2°.
15Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse Administratie geen andersluidende kennisgeving ontvangt en de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, 2°, en paragraaf 1/1, zijn vervuld, is de aanvraag die ingediend is voor een aanslag- jaar, geldig voor de volgende aanslagjaren.
16Als het bedrag, vermeld in paragraaf 1, 2°, overeenkomstig het eerste lid proportioneel wordt toegekend, worden de proportioneel verdeelde bedragen afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt.
26§ 2. Er wordt een vermindering verleend van :17§ 2. Er wordt een vermindering verleend van :
271° 20 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor woningen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E60;181° 20 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor woningen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E60;
+1 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.1.5.0.3
1De verminderingen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 1° tot en met 3°, artikel 2.1.5.0.1, §2, eerste lid, 1° tot en met 7°, en artikel 2.1.5.0.2, § 1, 1° en 2°, worden beoordeeld naar de toestand op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar van de onroerende voorheffing wordt genoemd. Die verminderingen kunnen worden samengevoegd, met uitzondering van de vermindering, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 2, eerste lid, 3°, die niet samengevoegd kan worden met de verminderingen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 2, eerste lid, 1° en 2°.1De verminderingen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 1° tot en met 3°, artikel 2.1.5.0.1, §1/1, artikel 2.1.5.0.1, § 2, eerste lid, 1° tot en met 7°, en artikel 2.1.5.0.2, § 1, 1° en 2°, worden beoordeeld naar de toestand op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar van de onroerende voorheffing wordt genoemd. Die verminderingen kunnen worden samengevoegd, met uitzondering van de vermindering, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 2, eerste lid, 3°, die niet samengevoegd kan worden met de verminderingen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 2, eerste lid, 1° en 2°.
+1 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.1.5.0.4
1De verminderingen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 2° en 3°, en artikel 2.1.5.0.2, § 1, 2°, zijn van de huur aftrekbaar, niettegenstaande elk beding dat strijdig is daarmee. De verminderingen zijn niet van toepassing op het gedeelte van de woning of van het onroerend goed dat wordt bewoond door personen die geen deel uitmaken van hetzelfde gezin of die niet tot het gezin van de betrokken oorlogsverminkte of van het gehandicapt kind of de persoon met een handicap behoren.1De verminderingen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 2° en 3°, artikel 2.1.5.0.1, §1/1 en artikel 2.1.5.0.2, § 1, 2°, zijn van de huur aftrekbaar, niettegenstaande elk beding dat strijdig is daarmee. De verminderingen zijn niet van toepassing op het gedeelte van de woning of van het onroerend goed dat wordt bewoond door personen die geen deel uitmaken van hetzelfde gezin of die niet tot het gezin van de betrokken oorlogsverminkte of van het gehandicapt kind of de persoon met een handicap behoren.
+3 −3 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.9.4.2.15
1§ 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 10% voor verkoopovereenkomsten van onbebouwde landgoederen en onbebouwde onroerende goederen waarvoor een natuurbeheerplan type twee of drie als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2° en 3°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet.1§ 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 10% voor verkoopovereenkomsten van onbebouwde onroerende goederen die stedenbouwkundig uitsluitend en volledig zijn bestemd voor landbouw of die uitsluitend en volledig liggen in de categorie gebiedsaanduiding landbouw of een subcategorie van de gebiedsaanduiding landbouw en onbebouwde onroerende goederen waarvoor een natuurbeheerplan type twee of drie als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2° en 3°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet.
2§ 2. Voor de toepassing van het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, moeten naargelang het geval de volgende voorwaarden vervuld zijn:2§ 2. Voor de toepassing van het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, moeten naargelang het geval de volgende voorwaarden vervuld zijn:
31° de verkrijgers van het onbebouwde landgoed voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, §1;31° de verkrijgers van het onbebouwde onroerend goed dat stedenbouwkundig uitsluitend en volledig is bestemd voor landbouw of dat uitsluitend en volledig ligt in de categorie gebiedsaanduiding landbouw of een subcategorie van de gebiedsaanduiding landbouw voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, §1;
42° de verkrijgers van het onbebouwd onroerend goed voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 3.
42° de verkrijgers van het onbebouwde onroerend goed waarvoor een natuurbeheerplan type twee of drie als vermeld in artikel 16ter, §1, 2° en 3°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet, van toepassing is, voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, §1 en §3.
+5 −0 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 5.0.0.0.19 nieuw
1De definitie van lichte vrachtauto, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, derde lid, 2°, a) en b), wordt op de voertuigen die na 31 december 2022 voor de eerste keer ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid toegepast zoals de voormelde definitie van toepassing was vóór 1 januari 2023, als voldaan is aan de volgende voorwaarden:
21° het voertuig is voor 1 januari 2023 besteld;
32° een kopie van de bestelbon is aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 februari 2023, samen met een formulier, dat de voormelde entiteit te beschikking stelt, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige en dat minstens al de volgende gegevens bevat:
4a) het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op de naam van wie het voertuig ingeschreven is of zal worden in het repertorium van het Directoraat- generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
5b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon op de naam van wie het voertuig ingeschreven is of zal worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.
+1 −1 decreet-1995-04-19/art. 2
15b) het recht van opstal of van erfpacht;15b) het recht van opstal of van erfpacht;
16c) het vruchtgebruik;16c) het vruchtgebruik;
1710° vernieuwingsfonds: fonds voor vernieuwing van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten;
1710° ...;
1811° basisstudie: de studie die een gedetailleerd voorstel van de uit te voeren saneringswerkzaamheden, de te realiseren herbestemming, een kostprijsraming en een tijdtabel voor de uitvoering bevat. De basisstudie vormt een wezenlijk onderdeel van de eigenlijke aanvraag om financiële ondersteuning, zoals bedoeld in artikel 43 van dit decreet;1811° basisstudie: de studie die een gedetailleerd voorstel van de uit te voeren saneringswerkzaamheden, de te realiseren herbestemming, een kostprijsraming en een tijdtabel voor de uitvoering bevat. De basisstudie vormt een wezenlijk onderdeel van de eigenlijke aanvraag om financiële ondersteuning, zoals bedoeld in artikel 43 van dit decreet;
1912° ...;1912° ...;
+0 −17 decreet-1995-04-19/art. 17 opgeheven
1§ 1. Er wordt een Vernieuwingsfonds opgericht. De Vlaamse regering beheert het Vernieuwings-fonds. Dit Vernieuwingsfonds neemt de vorm aan van een fonds zoals bedoeld in artikel 15, § 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019.
2§ 2. Het Vernieuwingsfonds heeft als doel bij te dragen in de verwezenlijking en inzonderheid in de financiële ondersteuning van de saneringswerkzaamheden in het kader van de vernieuwing van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten.
3Het Vernieuwingsfonds heeft verder als doel, met ingang van 1 juli 2002 en tot een nader door de Vlaamse regering te bepalen datum, de kosten te dragen verbonden aan de afhandeling van de bezwaarschriften tegen de heffingen, zoals bedoeld in titel 2, hoofdstuk 5, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, met betrekking tot de heffingsjaren 1997 tot en met 2004.
4Het Vernieuwingsfonds heeft verder als doel, met ingang van 1 juli 2008 en tot een nader door de Vlaamse Regering te bepalen datum, doch uiterlijk tot 1 juli 2013, alle kosten, met inbegrip van de desbetreffende personeels-, werkings- en informaticakosten te dragen die gepaard gaan met de inning en invordering en de bezwaar- en geschilafhandeling van de planbatenheffing, zoals bedoeld in titel II, hoofdstuk VIII, afdeling II, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals later gewijzigd, alsook aan de voorbereiding van deze inning.
5Het Vernieuwingsfonds heeft verder als doel :
61° in de begrotingsjaren 2009 en 2010 de kosten te dragen die voortvloeien uit de operationalisering, inning en invordering van de planbatenheffing, vermeld in het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening;
72° in het begrotingsjaar 2009 personeels- en werkingskosten te dekken van de gewestelijke administratie, belast met het toezicht en de handhaving inzake ruimtelijke ordening.
8§ 3. Het Vernieuwingsfonds wordt gestijfd door:
91° ...
102° de opbrengsten van de heffingen, vermeld in titel 2, hoofdstuk 6, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
113° alle andere middelen die nuttig zijn in het kader van de doelstelling van het Vernieuwingsfonds en die inzonderheid ingevolge wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen aan het Vernieuwingsfonds toekomen evenals de terugstortingen en toevallige ontvangsten;
124° de ontvangsten voortvloeiende uit en na de afwijzing van een bezwaar tegen de heffing zoals bedoeld in titel 2, hoofdstuk 5, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, en voortkomende uit inningen ingevolge, lastens het Vernieuwingsfonds betaalde, procedures;
13Eerder geboekte vastgestelde rechten ten gunste van Organisatieafdeling 24, Programma 10, artikel 36.01 (heffingen leegstand en verkrotting) van de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap, die hierop betrekking hebben, worden hiertoe overgedragen naar het Vernieuwingsfonds.
145° het eenmalig saldo aan respectievelijk vastleggingskrediet en ordonnanceringskrediet, zoals beschikbaar op 30 juni 2003 bij het Leegstandfonds, bedoeld in artikel 24 van het decreet van 20 december 1996 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1997.
15§ 4. De vastlegging en de ordonnancering der uitgaven ten laste van het Vernieuwingsfonds geschiedt door toedoen van de Vlaamse regering, onverminderd de regels inzake de administratieve en begrotingscontrole en onverminderd de regels inzake delegatie van bevoegdheden in de Vlaamse regering die op het Vernieuwingsfonds toepasselijk zijn. Het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap kan elk jaar het bedrag van de vastleggingsmachtiging gehecht aan het Vernieuwingsfonds bepalen. Het per 31 december van het lopende jaar beschikbare saldo van het Vernieuwingsfonds wordt overgedragen naar de middelenbegroting van het Vernieuwingsfonds van het volgende begrotingsjaar.
16§ 5. Het Vernieuwingsfonds neemt vanaf 1 juli 2003 alle rechten en verplichtingen, alsmede het op die datum beschikbaar saldo, over van het Leegstandfonds, bedoeld in artikel 24 van het decreet van 20 december 1996 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1997.
17§ 6. ...
+1 −0 decreet-1995-04-19/art. 45
1Werkzaamheden waarvoor reeds andere subsidies of tegemoetkomingen zijn toegekend, komen niet in aanmerking voor financiële steun in het kader van dit decreet, behoudens de subsidies die in mindering worden gebracht van het door het BRV-fonds, vermeld in artikel 1.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening te dragen aandeel.
+0 −0 decreet-1992-06-25/art. 49 opgeheven
+14 −5 decreet-2011-12-23-1021295/art. 46
1§ 1. Het bedrag van de milieuheffing wordt, afhankelijk van de soort afvalstof en de soort verwerkingswijze, als volgt vastgesteld :1§ 1. Het bedrag van de milieuheffing wordt, afhankelijk van de soort afvalstof en de soort verwerkingswijze, als volgt vastgesteld :
21° voor het verbranden van afvalstoffen als de afvalverbranding niet gedekt is door een omgevings- of exploitatievergunning overeenkomstig de geldende wetgeving : 150 euro per ton; Daarbij geldt een minimum van 250 euro.21° voor het verbranden van afvalstoffen als de afvalverbranding niet gedekt is door een omgevings- of exploitatievergunning overeenkomstig de geldende wetgeving : 150 euro per ton x K waarbij:
3K = 4 voor gevaarlijke afvalstoffen;
4K = 1 voor niet-gevaarlijke afvalstoffen; Daarbij geldt een minimum van 250 euro.
32° voor het achterlaten of het beheren van afvalstoffen in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan zoals bedoeld in artikel 12, § 1 : 150 euro per ton;52° voor het achterlaten van afvalstoffen in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan zoals bedoeld in artikel 12 paragraaf 1 of het opslaan van afvalstoffen als de opslag niet gedekt is door een omgevingsvergunning overeenkomstig de geldende wetgeving: 25 euro per ton per kwartaal x K x D1/D2 waarbij:
6K = 4 voor gevaarlijke afvalstoffen;
7K = 1 voor andere niet-gevaarlijke afvalstoffen; K = 0,5 voor inerte afvalstoffen;
8D1 = het aantal dagen dat het afval zonder vergunning wordt opgeslagen;
9D2 = het totaal aantal dagen in het betreffende kwartaal;
43° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van brandbare afvalstoffen : 75 euro per ton. Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 100 euro per ton;103° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van brandbare afvalstoffen : 75 euro per ton. Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 100 euro per ton;
54° voor het storten van huishoudelijke afvalstoffen die niet konden worden verwerkt in een inrichting vergund voor het verwerken van huishoudelijke afvalstoffen, aangezien de exploitant zijn inrichting op vrijwillige basis tijdelijk en buiten de normale onderhoudsperiodes buiten dienst heeft gesteld omdat hij niet kan voldoen aan de opgelegde vergunningsvoorwaarden : 20 euro per ton. Die afwijking geldt voor elke inrichting slechts gedurende een periode van achttien maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de inrichting op vrijwillige basis werd gesloten;114° voor het storten van huishoudelijke afvalstoffen die niet konden worden verwerkt in een inrichting vergund voor het verwerken van huishoudelijke afvalstoffen, aangezien de exploitant zijn inrichting op vrijwillige basis tijdelijk en buiten de normale onderhoudsperiodes buiten dienst heeft gesteld omdat hij niet kan voldoen aan de opgelegde vergunningsvoorwaarden : 20 euro per ton. Die afwijking geldt voor elke inrichting slechts gedurende een periode van achttien maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de inrichting op vrijwillige basis werd gesloten;
149° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van geïmmobiliseerde niet-brandbare afvalstoffen afkomstig van daartoe vergunde bedrijven, op voorwaarde dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van de stortplaats : 23 euro per ton. Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 30 euro per ton. Ook in geval van export naar een ander gewest of lidstaat geldt het tarief slechts voor niet-brandbare afvalstoffen waarvoor wordt aangetoond dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de in het Vlaamse Gewest geldende voorwaarden voor het storten van de betreffende afvalstoffen;209° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van geïmmobiliseerde niet-brandbare afvalstoffen afkomstig van daartoe vergunde bedrijven, op voorwaarde dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van de stortplaats : 23 euro per ton. Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 30 euro per ton. Ook in geval van export naar een ander gewest of lidstaat geldt het tarief slechts voor niet-brandbare afvalstoffen waarvoor wordt aangetoond dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de in het Vlaamse Gewest geldende voorwaarden voor het storten van de betreffende afvalstoffen;
1510° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ijzeroxide afvalstoffen van de zinkproductie bekend onder de naam jarosiet en goethiet : 5 euro per ton;2110° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ijzeroxide afvalstoffen van de zinkproductie bekend onder de naam jarosiet en goethiet : 5 euro per ton;
1611° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gips of calciumchloride afvalstoffen van de productie van fosforzuur en van metallurgische processen : 1 euro per ton; Vanaf 1 januari 2019 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gipshoudend slib van de productie van calciumchloride en van loodslakken van metallurgische processen. Voor de aanslagjaren 2013 en 2015 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten, dat overeenkomstig het advies van de OVAM niet gerecycleerd kan worden. Vanaf 1 juli 2016 tot en met 2022 geldt dit tarief ook voor niet-recycleerbare residu's van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten. Dit tarief geldt voor een hoeveelheid die voor 2016 15 % en voor vanaf 2017 tot en met 2022 10 % bedraagt van de hoeveelheid selectief ingezameld gipsafval dat bij betreffende bedrijven wordt aangevoerd;2211° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gips of calciumchloride afvalstoffen van de productie van fosforzuur en van metallurgische processen : 1 euro per ton; Vanaf 1 januari 2019 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gipshoudend slib van de productie van calciumchloride en van loodslakken van metallurgische processen. Voor de aanslagjaren 2013 en 2015 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten, dat overeenkomstig het advies van de OVAM niet gerecycleerd kan worden. Vanaf 1 juli 2016 tot en met 2027 geldt dit tarief ook voor niet-recycleerbare residu's van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten. Dit tarief geldt voor een hoeveelheid die voor 2016 15 % en voor vanaf 2017 tot en met 2022 10 % bedraagt van de hoeveelheid selectief ingezameld gipsafval dat bij betreffende bedrijven wordt aangevoerd;
1712° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ertsresten van de productie van titaandioxidepigmenten volgens het chloorproces : 5 euro per ton;2312° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ertsresten van de productie van titaandioxidepigmenten volgens het chloorproces : 5 euro per ton;
1813° voor het storten op een vergunde stortplaats van baggerspecie : 0,1 euro per ton;2413° voor het storten op een vergunde stortplaats van baggerspecie : 0,1 euro per ton;
2619° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid.3219° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid.
27In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert.33In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert.
34In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 2°, geldt de heffingsplicht voor de periode vanaf de dag van de vaststelling van de niet vergunde opslag tot en met de dag van de vaststelling van het beëindigen van de niet vergunde opslag en/of de afvoer van de afvalstoffen naar een daarvoor vergunde inrichting.
28In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %.35In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %.
29In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton.36In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton.
32In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie;39In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie;
33In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton.40In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton.
41In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16°/1, 17° en 17°/1, worden voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen in afwijking van de verbrandingsverboden zoals bepaald in afdeling 4.5 van het besluit van 17 februari 2012 van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaambeheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, de bedragen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16°/1, 17° en 17°/1, vermenigvuldigd met 2.
34In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen.42In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen.
35In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°.43In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°.
137In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996.145In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996.
138In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2022 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2021, basis 1996.146In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2022 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2021, basis 1996.
147In afwijking van het tweede lid wordt het vanaf 1 januari 2023 ingevoerde bedrag, vermeld in punt 2° van paragraaf 1, aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2022, basis 1996.
139§ 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting.148§ 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting.
140De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. Deze bepaling is niet van toepassing op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 16° /1 en 17° /1.149De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. Deze bepaling is niet van toepassing op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 16° /1 en 17° /1.
141§ 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. 150§ 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. Vanaf 1 januari 2023 wordt in dezelfde gevallen de heffing met 12 euro per ton verminderd. Het bedrag van 12 euro per ton word aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2022, basis 1996. Het bedrag wordt jaarlijks automatisch geïndexeerd op 1 januari van elk jaar.
142§ 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. 151§ 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. Vanaf 1 januari 2023 wordt in dezelfde gevallen de heffing met 12 euro per ton verminderd. Het bedrag van 12 euro per ton word aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2022, basis 1996. Het bedrag wordt jaarlijks automatisch geïndexeerd op 1 januari van elk jaar.
+4 −3 codex-hoger-onderwijs/art. III.5
240§ 18. In het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 4.000.000 euro.240§ 18. In het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 4.000.000 euro.
241§ 19. In het begrotingsjaar 2021 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 8.000.000 euro.241§ 19. In het begrotingsjaar 2021 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 8.000.000 euro.
242§20. Het bedrag VOWprof als vermeld in of berekend conform dit artikel, wordt vermeerderd met de volgende bedragen:242§20. Het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, wordt vermeerderd met de volgende bedragen:
2431° in het begrotingsjaar 2022 met 12.000.000 euro;2431° in het begrotingsjaar 2022 met 12.000.000 euro;
2442° in het begrotingsjaar 2023 met 16.000.000 euro;
2453° vanaf het begrotingsjaar 2024 met 20.000.000 euro.
2442° in het begrotingsjaar 2023 met 12.491.600 euro. Dit bedrag wordt geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9, en verhoogd met 4 miljoen euro;
2453° in het begrotingsjaar 2024 wordt het totale bedrag berekend overeenkomstig punt 2° geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9, en verhoogd met 4 miljoen euro;
2464° vanaf het begrotingsjaar 2025 wordt het totale bedrag berekend overeenkomstig punt 3° geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9..
246Bij de opmaak van de begroting 2023 wordt het groeipad, vermeld in paragraaf 18 tot en met 20, geëvalueerd.247Bij de opmaak van de begroting 2023 wordt het groeipad, vermeld in paragraaf 18 tot en met 20, geëvalueerd.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.5/1 nieuw
1In het begrotingsjaar 2023 worden de bedragen die in deze codex geïndexeerd worden aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9, bijkomend geïndexeerd met 0,93 procent.
2In het begrotingsjaar 2023 worden de bedragen die in deze codex geïndexeerd worden aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9, bijkomend geïndexeerd met 2,69 procent.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.6/1
1In afwijking van artikel III.6, § 1, § 2 en § 3, van deze codex, evolueren in de begrotingsjaren 2015 en 2016 de bedragen van de variabele onderwijsdelen niet als het aantal opgenomen studiepunten in het desbetreffende variabele onderwijsdeel berekend voor de begrotingsjaren 2015 en 2016 toeneemt met ten minste 2% ten opzichte van de referentiepunten. Er worden ook geen nieuwe referentiepunten vastgelegd bij een eventuele stijging van 2% of meer van het aantal opgenomen studiepunten voor het desbetreffende variabele onderwijsdeel.1In afwijking van artikel III.6, § 1, § 2 en § 3, van deze codex, evolueren in de begrotingsjaren 2015 en 2016 de bedragen van de variabele onderwijsdelen niet als het aantal opgenomen studiepunten in het desbetreffende variabele onderwijsdeel berekend voor de begrotingsjaren 2015 en 2016 toeneemt met ten minste 2% ten opzichte van de referentiepunten. Er worden ook geen nieuwe referentiepunten vastgelegd bij een eventuele stijging van 2% of meer van het aantal opgenomen studiepunten voor het desbetreffende variabele onderwijsdeel.
2In afwijking van artikel III.6, § 1, § 2 en § 3, van deze codex, evolueren in het begrotingsjaar 2021 de bedragen van de variabele onderwijsdelen VOWun en VOWac niet als het aantal opgenomen studiepunten in het desbetreffende variabele onderwijsdeel berekend voor het begrotingsjaar 2021 toeneemt met ten minste 2% ten opzichte van de referentiepunten. Er worden ook geen nieuwe referentiepunten vastgelegd bij een eventuele stijging van 2% of meer van het aantal opgenomen studiepunten voor het desbetreffende variabele onderwijsdeel.2In afwijking van artikel III.6, § 1, § 2 en § 3, van deze codex, evolueren in het begrotingsjaar 2021 de bedragen van de variabele onderwijsdelen VOWun en VOWac niet als het aantal opgenomen studiepunten in het desbetreffende variabele onderwijsdeel berekend voor het begrotingsjaar 2021 toeneemt met ten minste 2% ten opzichte van de referentiepunten. Er worden ook geen nieuwe referentiepunten vastgelegd bij een eventuele stijging van 2% of meer van het aantal opgenomen studiepunten voor het desbetreffende variabele onderwijsdeel.
3In afwijking van artikel III.6, §1, §2 en §3, van deze codex, evolueren in het begrotingsjaar 2023 de bedragen van de variabele onderwijsdelen VOWun en VOWac niet als het aantal opgenomen studiepunten in het desbetreffende variabele onderwijsdeel berekend voor het begrotingsjaar 2023 toeneemt met ten minste 2 procent ten opzichte van de referentiepunten. Er worden ook geen nieuwe referentiepunten vastgelegd bij een eventuele stijging van 2 procent of meer van het aantal opgenomen studiepunten voor het desbetreffende variabele onderwijsdeel.
3Onder VOWun, vermeld in het vorige lid, wordt begrepen VOWun vermeerderd met het bedrag uit de kolom VOWun2014ZAP, zoals vermeld in paragraaf 2 van artikel III.6. Onder VOWac, vermeld in het vorige lid, wordt begrepen VOWac ver- minderd met het bedrag van het variabele onderwijsdeel VOWhko en vermeerderd met het bedrag uit de kolom VOWun2014puntengewichten, vermeld in paragraaf 2 van artikel III.6.4Onder VOWun, vermeld in het vorige lid, wordt begrepen VOWun vermeerderd met het bedrag uit de kolom VOWun2014ZAP, zoals vermeld in paragraaf 2 van artikel III.6. Onder VOWac, vermeld in het vorige lid, wordt begrepen VOWac ver- minderd met het bedrag van het variabele onderwijsdeel VOWhko en vermeerderd met het bedrag uit de kolom VOWun2014puntengewichten, vermeld in paragraaf 2 van artikel III.6.
+13 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.24
93De bedragen voor het afschaffen van de baremieke leeftijd, de laagste lonen en voor 2021 het budget voor wendbaar en weerbaar personeelsbeleid worden verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool en universiteit in de totale werkingsmiddelen.93De bedragen voor het afschaffen van de baremieke leeftijd, de laagste lonen en voor 2021 het budget voor wendbaar en weerbaar personeelsbeleid worden verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool en universiteit in de totale werkingsmiddelen.
94Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de bedragen, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.94Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de bedragen, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
95§12. Vanaf het begrotingsjaar 2023 wordt de totale werkingsuitkering van de universiteiten met 15.000.000 euro verminderd. Dit bedrag wordt als volgt verdeeld over de universiteiten:
96Katholieke Universiteit Leuven
975.079.715 euro
98Universiteit Gent
994.336.989 euro
100Universiteit Antwerpen
1012.335.359 euro
102Vrije Universiteit Brussel
1032.097.957 euro
104Universiteit Hasselt
1051.149.980 euro
106§13. Vanaf het begrotingsjaar 2023 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) en de universiteiten met 7.941.650 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool en universiteit in de totale werkingsmiddelen.
107Vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt het bedrag, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.
+13 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.24
93De bedragen voor het afschaffen van de baremieke leeftijd, de laagste lonen en voor 2021 het budget voor wendbaar en weerbaar personeelsbeleid worden verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool en universiteit in de totale werkingsmiddelen.93De bedragen voor het afschaffen van de baremieke leeftijd, de laagste lonen en voor 2021 het budget voor wendbaar en weerbaar personeelsbeleid worden verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool en universiteit in de totale werkingsmiddelen.
94Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de bedragen, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.94Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de bedragen, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
95§12. Vanaf het begrotingsjaar 2023 wordt de totale werkingsuitkering van de universiteiten met 15.000.000 euro verminderd. Dit bedrag wordt als volgt verdeeld over de universiteiten:
96Katholieke Universiteit Leuven
975.079.715 euro
98Universiteit Gent
994.336.989 euro
100Universiteit Antwerpen
1012.335.359 euro
102Vrije Universiteit Brussel
1032.097.957 euro
104Universiteit Hasselt
1051.149.980 euro
106§13. Vanaf het begrotingsjaar 2023 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) en de universiteiten met 7.941.650 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool en universiteit in de totale werkingsmiddelen.
107Vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt het bedrag, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.25/2 nieuw
1In het kader van een verhoging van de quota, vermeld in artikel II.187, §4, kan de Vlaamse Regering vanaf het begrotingsjaar 2023 binnen de beschikbare budgettaire ruimte een bijkomende werkingstoelage toekennen voor de universiteiten die een bacheloropleiding aanbieden in het studiegebied Geneeskunde en/of Tandheelkunde.
2De universiteiten kunnen de bijkomende middelen, vermeld in het eerste lid, enkel aanwenden voor werking of infrastructuur investeringen. Deze bijkomende middelen voor het begrotingsjaar t worden verdeeld over de desbetreffende universiteiten op basis van het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde en/of Tandheelkunde.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.25/3 nieuw
1In het kader van de verplichte remediëring, vermeld in artikel II.188/1, kent de Vlaamse Regering vanaf het begrotingsjaar 2023 een bijkomende werkingstoelage van 1.100.567 euro toe aan de hogescholen en 1.034.927 euro aan de universiteiten. Deze toelage voor het begrotingsjaar t wordt over de instellingen verdeeld op basis van het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor de bacheloropleidingen waarvoor deelname aan een starttoets een voorwaarde voor inschrijving is in academiejaar t/t+1.
2De bedragen, vermeld in deze paragraaf, worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het begrotingsjaar 2023 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule, vermeld in artikel III.5, §9.
+12 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.54
24Onder unieke studenten wordt begrepen de studenten die zich in een bepaald academiejaar inschrijven aan een universiteit, ongeacht het aantal inschrijvingen van de student aan die universiteit.24Onder unieke studenten wordt begrepen de studenten die zich in een bepaald academiejaar inschrijven aan een universiteit, ongeacht het aantal inschrijvingen van de student aan die universiteit.
25De bedragen vermeld in deze paragraaf worden geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen vermeld in paragraaf 2.25De bedragen vermeld in deze paragraaf worden geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen vermeld in paragraaf 2.
26§4. Vanaf het begrotingsjaar 2023 wordt het basisbedrag van de investeringskredieten voor de universiteiten vermeerderd met 15.000.000 euro aan vastleggingskredieten. Dit bedrag wordt als volgt verdeeld over de universiteiten:
27Katholieke Universiteit Leuven
285.079.715 euro
29Universiteit Gent
304.336.989 euro
31Universiteit Antwerpen
322.335.359 euro
33Vrije Universiteit Brussel
342.097.957 euro
35Universiteit Hasselt
361.149.980 euro
37De gekoppelde betaalkredieten aan deze vastleggingskredieten worden over vijf jaar gespreid: 10 procent wordt uitbetaald in het eerste jaar van vastlegging, zijnde het jaar N, 20 procent in jaar N+1, 30 procent in jaar N+2, 20 procent in jaar N+3 en 20 procent in jaar N+4.
+4 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.118
12§ 10. Het bedrag voor de Vlerick Business School, berekend overeenkomstig dit artikel, wordt vanaf het begrotingsjaar 2020 met 121.000 euro verminderd.12§ 10. Het bedrag voor de Vlerick Business School, berekend overeenkomstig dit artikel, wordt vanaf het begrotingsjaar 2020 met 121.000 euro verminderd.
13Het bedrag voor de Antwerp Management School, berekend overeenkomstig dit artikel, wordt vanaf het begrotingsjaar 2020 met 63.000 euro verminderd.13Het bedrag voor de Antwerp Management School, berekend overeenkomstig dit artikel, wordt vanaf het begrotingsjaar 2020 met 63.000 euro verminderd.
14§11. Vanaf het begrotingsjaar 2023 wordt het bedrag voor de Vlerick Business School, berekend overeenkomstig dit artikel, vermeerderd met 7750 euro.
15Vanaf het begrotingsjaar 2023 wordt het bedrag voor de Antwerp Management School, berekend overeenkomstig dit artikel, vermeerderd met 4000 euro.
16Vanaf het begrotingsjaar 2023 wordt het bedrag voor het Instituut voor Tropische Geneeskunde, berekend overeenkomstig dit artikel, vermeerderd met 46.600 euro.
17Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de bedragen, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.
+2 −2 codex-hoger-onderwijs/art. III.119
3De toelage aan het Orpheus Instituut wordt vanaf het begrotingsjaar 2022 vastgesteld op 757.000 euro.3De toelage aan het Orpheus Instituut wordt vanaf het begrotingsjaar 2022 vastgesteld op 757.000 euro.
4De toelage aan de IOA (International Opera Academy) wordt vanaf het begrotingsjaar 2022 vastgesteld op 576.000 euro.4De toelage aan de IOA (International Opera Academy) wordt vanaf het begrotingsjaar 2022 vastgesteld op 576.000 euro.
5De toelage aan het HISK (Hoger Instituut voor Schone Kunsten) wordt voor het begrotingsjaar 2022 vastgesteld op 1.000.000 euro.5De toelage aan het HISK (Hoger Instituut voor Schone Kunsten) wordt voor de begrotingsjaren 2022 en 2023 vastgesteld op 1.000.000 euro.
6De toelage aan PoPoK (Posthogeschool voor Podiumkunsten) wordt voor het begrotingsjaar 2022 vastgesteld op 461.000 euro.6De toelage aan PoPoK (Posthogeschool voor Podiumkunsten) wordt voor de begrotingsjaren 2022 en 2023 vastgesteld op 461.000 euro.
7De bedragen, vermeld in deze paragraaf, worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het begrotingsjaar 2022 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule, vermeld in artikel III.5, § 9.7De bedragen, vermeld in deze paragraaf, worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het begrotingsjaar 2022 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
8§2. De in paragraaf 1 bedoelde hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht met als doel posthogeschoolvormingen te organiseren inzake de opleidingen van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. De posthogeschoolvorming wordt bekrachtigd met de titel van 'Laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten'. Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Deze instituten worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel die met betrekking tot de posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die een opleiding in de betrokken sectoren organiseren.8§2. De in paragraaf 1 bedoelde hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht met als doel posthogeschoolvormingen te organiseren inzake de opleidingen van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. De posthogeschoolvorming wordt bekrachtigd met de titel van 'Laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten'. Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Deze instituten worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel die met betrekking tot de posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die een opleiding in de betrokken sectoren organiseren.
+9 −0 decreet-2009-05-08/art. 6/1 nieuw
1Onder de in dit artikel vastgelegde voorwaarden verleent de Vlaamse Regering een subsidie aan één kenniscentrum voor onderwijs, Leerpunt.
2Het Leerpunt heeft de volgende doelstellingen:
31° het ontwikkelen van een onafhankelijke, toegankelijke en wetenschappelijk onderbouwde kennisbasis over wat werkt op het vlak van didactisch handelen rekening houdende met diverse contexten en leermiddelen;
42° het doorvertalen van deze kennisbasis naar de Vlaamse klas- en schoolpraktijk om leraren te ondersteunen in hun dagelijkse klaspraktijk;
53° het gericht en helder communiceren, verspreiden en valoriseren van de kennis;
64° het ondersteunen en stimuleren van het gebruik van deze kennis door lera ren(teams) in de dagelijkse klas- en schoolpraktijk, met respect voor de eigen pedagogische projecten. Hierbij is expliciet aandacht voor het versterken van het reflecterend en onderzoekend handelen van de leraren.
7De inhoudelijke focus van het Leerpunt ligt op het ondersteunen van het pedagogisch-didactisch handelen van leraren in het basis- en secundair onderwijs.
8Het Leerpunt werkt samen met onderwijsverstrekkers, pedagogische begeleidingsdiensten, lerarenopleidingen, onderzoekersinstellingen, andere actoren in het onderwijs en gelijkaardige instellingen in binnen- en buitenland.
9Binnen de beschikbare begrotingskredieten stelt de Vlaamse Regering aan het Leerpunt jaarlijks een subsidie ter beschikking als tegemoetkoming om de vooropgestelde doelstellingen van het Leerpunt te realiseren. Deze subsidies worden toegekend in de vorm van een vierjaarlijks financieringsbudget. De Vlaamse Regering kan een bijkomende subsidie verlenen voor de uitvoering van specifieke bijkomende opdrachten die passen binnen de vooropgestelde doelstellingen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden voor de uitbetaling van de middelen en de evaluatie van de werking van het Leerpunt. Deze voorwaarden waarborgen dat het Leerpunt samenwerkt met of beroep doet op bestaande initiatieven.
+2 −0 decreet-2009-02-20/art. 2
11§ 5. Het bedrag van de werkingsuitkering, berekend overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, wordt verhoogd overeenkomstig het procentueel aandeel van de Hogere Zeevaartschool conform de bepalingen in artikel III.24 van de Codex Hoger Onderwijs.11§ 5. Het bedrag van de werkingsuitkering, berekend overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, wordt verhoogd overeenkomstig het procentueel aandeel van de Hogere Zeevaartschool conform de bepalingen in artikel III.24 van de Codex Hoger Onderwijs.
12§ 6. Het bedrag van de werkingsuitkering, dat conform dit artikel wordt berekend, wordt verhoogd overeenkomstig het procentueel aandeel van de Hogere Zeevaartschool in de aanvullende uitkeringen, vermeld in artikel III.34/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.12§ 6. Het bedrag van de werkingsuitkering, dat conform dit artikel wordt berekend, wordt verhoogd overeenkomstig het procentueel aandeel van de Hogere Zeevaartschool in de aanvullende uitkeringen, vermeld in artikel III.34/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.
13§7. In het begrotingsjaar 2023 worden de bedragen die in dit decreet geïndexeerd worden aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, bijkomend geïndexeerd met 0,93 procent.
14In het begrotingsjaar 2023 worden de bedragen die in dit decreet geïndexeerd worden aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, bijkomend geïndexeerd met 2,69 procent.
+24 −12 decreet-2007-06-15/art. 72octies
1§1. De Vlaamse Regering stelt jaarlijks een globale subsidie van 995.086,73 euro ter beschikking van een organisatie of organisaties voor de volgende opdrachten in uitvoering van het Strategisch Plan Hulp- en Dienstverlening aan Gedetineerden:1§1. Binnen de beschikbare begrotingskredieten stelt de Vlaamse Regering op basis van de beheersovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, 2°, jaarlijks een subsidie ter beschikking aan Vocvo vzw voor de uitvoering van volgende opdrachten:
21° de coördinatie en ondersteuning van het geletterdheidsbeleid van de Vlaamse overheid;
32° de werking inzake duidelijke taal;
43° de opdrachten in uitvoering van het strategisch plan hulp- en dienstverlening aan gedetineerden:
21° de coördinatie en ondersteuning van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor basiseducatie bij de uitwerking van een onderwijs- en vormingsbeleid voor gedetineerden, de organisatie van het detecteren van de onderwijs- en vormingsbehoeften van gedetineerden en de begeleiding van het onderwijstraject van gedetineerden;5a) de coördinatie en ondersteuning van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor basiseducatie bij de uitwerking van een onderwijs- en vormingsbeleid voor gedetineerden, de organisatie van het detecteren van de onderwijs- en vormingsbehoeften van gedetineerden en de coördinatie van de begeleiding van het onderwijstraject van gedetineerden;
32° de ondersteuning van de onderwijscoördinatoren bij enerzijds de uitbouw van een behoeftedekkend en aangepast aanbod voor onderwijs aan gedetineerden en anderzijds de coördinatie van het onderwijsaanbod in de gevangenis.6b) de ondersteuning van de onderwijscoördinatoren bij enerzijds de uitbouw van een behoeftedekkend en aangepast aanbod voor onderwijs aan gedetineerden en anderzijds de coördinatie van het onderwijsaanbod in de gevangenis.
4Opdat een organisatie of organisaties hiervoor in aanmerking kan of kunnen komen, beantwoordt of beantwoorden zij ten minste aan volgende gezamenlijke voorwaarden:
7Voor de uitvoering van de opdracht, vermeld in het eerste lid, 3°, beantwoordt Vocvo vzw ten minste aan volgende voorwaarden:
51° de organisatie moet of de organisaties moeten aantonen dat zij in staat zijn om in elke penitentiaire inrichting gelegen in de werkingsgebieden van de centra voor basiseducatie en de centra voor volwassenenonderwijs de opdracht, bepaald in het eerste lid, op een efficiënte wijze uit te voeren;81° Vocvo vzw voert de opdracht in elke penitentiaire inrichting gelegen in de werkingsgebieden van de centra voor basiseducatie en de vestigingsplaatsen van de centra voor volwassenenonderwijs op een efficiënte wijze uit en toont dit aan op basis van de resultaatsverbintenissen uit de beheersovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, 2°;
62° de organisatie moet of de organisaties moeten aantonen dat zij een draagvlak vinden bij de centra voor basiseducatie en de centra voor volwassenenonderwijs;
73° een subsidieovereenkomst wordt gesloten met de Vlaamse Regering;
84° vijfjaarlijks legt de organisatie of leggen de organisaties een werkingsverslag voor, waaruit blijkt dat de bepalingen uit de subsidieovereenkomst werden gerealiseerd;
95° jaarlijks legt de organisatie of leggen de organisaties een jaarplan, een begroting, een jaarverslag en een jaarrekening voor.
92° Vocvo vzw vindt een draagvlak bij de centra voor basiseducatie en de centra voor volwassenenonderwijs en toont dit aan door middel van een stuurgroep samengesteld door vertegenwoordigers van de aanbodverstrekkers en andere stakeholders;
103° Vocvo vzw organiseert minstens tweemaal per jaar een gezamenlijk overleg van de stuurgroep onderwijs aan gedetineerden met de overheid.
11Voor de opdrachten, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zet Vocvo vzw in op de geletterdheid en duidelijke taal van de bevolking in Vlaanderen en toont dit aan op basis van de resultaatsverbintenissen uit de beheersovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, 2°.
12§2. Vocvo vzw kan enkel in aanmerking komen voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als:
131° in de algemene vergadering een afgevaardigde opgenomen wordt van de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten;
142° Vocvo vzw met de Vlaamse Regering een vierjaarlijkse beheersovereenkomst afsluit over de uitvoering van de opdrachten en de aanwending van de toegekende middelen, vermeld in paragraaf 1. Deze beheersovereenkomst bevat ten minste per opdracht, vermeld in paragraaf 1:
15a) het aandeel van de toegekende subsidie, vermeld in paragraaf 1;
16b) de doelstellingen en bijhorende resultaatsverbintenissen;
17c) de planning bestaande uit een vierjarig werkingsprogramma en een jaarlijks actieplan met telkens een overeenstemmende begroting. Het vierjarig werkingsprogramma is maximaal afgestemd op de strategische doelstellingen uit de beheersovereenkomst;
18d) rapportering en opvolging van de werkzaamheden bestaande uit een jaarlijks activiteitenverslag, een jaarlijks financieel rapport en, na de volledige periode van vier kalenderjaren, een afsluitend rapport over de activiteiten van de volledige periode. De rapportering motiveert telkens minstens welke doelstellingen en bijhorende resultaatsverbintenissen al dan niet behaald werden.
19§3. Voor de aanwending van de subsidie, vermeld in paragraaf 1, gelden volgende regels:
201° de subsidie kan enkel worden aangewend voor het dekken van werkingskosten en personeelskosten;
212° van de subsidie kunnen geen andere reserves worden aangelegd dan voor het sociaal passief ter bezoldiging van prestaties, gerelateerd aan deze subsidies, van personeelsleden;
10§ 2. De subsidie zoals bepaald in paragraaf 1 kan geheel of gedeeltelijk teruggevorderd worden, indien blijkt dat deze middelen niet worden aangewend voor de realisatie van de opdracht bepaald in paragraaf 1.223° de subsidies kunnen geheel of gedeeltelijk teruggevorderd worden, indien blijkt dat deze middelen niet worden aangewend voor de realisatie van de opdrachten bepaald in paragraaf 1;
11§ 3. De subsidie wordt vanaf het begrotingsjaar 2015 aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.
12§ 4. ...
234° de stukken ter verantwoording van de ingezette middelen worden op de zetel van Vocvo vzw bewaard, waar ze voor controle ter beschikking staan van de bevoegde administratie;
245° de voorziene subsidie volgt de gezondheidsindex.
+1 −1 decreet-2007-06-15/art. 89
1De centra voor basiseducatie ontvangen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n/n+1 een werkingstoelage per lesuurcursist, berekend op basis van het gemiddelde aantal gerealiseerde lesurencursist van de referteperiodes van 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2. Vanaf het begrotingsjaar 2020 bedraagt de werkingstoelage per lesuurcursist 1,8741 euro.1De centra voor basiseducatie ontvangen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n/n+1 een werkingstoelage per lesuurcursist, berekend op basis van het gemiddelde aantal gerealiseerde lesurencursist van de referteperiodes van 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2. Vanaf het schooljaar 2023- 2024 bedraagt de werkingstoelage per lesuurcursist 2,2403 euro.
2De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar n+1. De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n/n+1 recht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar n+1.2De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar n+1. De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n/n+1 recht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar n+1.
3Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.3Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.
+1 −0 decreet-2007-06-15/art. 108
29Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.29Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.
30Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale volume aan werkingsmiddelen verminderd met 6 %.30Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale volume aan werkingsmiddelen verminderd met 6 %.
31Vanaf het schooljaar 2023-2024 wordt het totaal volume aan werkingsmiddelen vermeerderd met 1.953.622,94 euro.
31§ 5. Een centrum voor volwassenenonderwijs dat in uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3, tweede lid, als erkend EVC-centrum in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 evaluaties voor een EVC-traject heeft afgenomen en daarvoor een financiële bijdrage van minder dan 96 euro heeft ontvangen, heeft recht op een aanvullende werkingstoelage voor het schooljaar n/n +1.32§ 5. Een centrum voor volwassenenonderwijs dat in uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3, tweede lid, als erkend EVC-centrum in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 evaluaties voor een EVC-traject heeft afgenomen en daarvoor een financiële bijdrage van minder dan 96 euro heeft ontvangen, heeft recht op een aanvullende werkingstoelage voor het schooljaar n/n +1.
32De aanvullende werkingstoelage bedraagt:33De aanvullende werkingstoelage bedraagt:
+2 −0 decreet-2007-06-15/art. 196sexies
6Ten laste van het begrotingsjaar 2021 worden 32.955,75 aanvullende leraars- uren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.6Ten laste van het begrotingsjaar 2021 worden 32.955,75 aanvullende leraars- uren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
7Ten laste van het begrotingsjaar 2022 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkings- middelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.7Ten laste van het begrotingsjaar 2022 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkings- middelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
8Ten laste van het begrotingsjaar 2023 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
9De centra voor volwassenenonderwijs kunnen na een voorafgaand akkoord in het bevoegde lokale comité de toegekende leraarsuren ten laste van het begrotingsjaar 2023 omzetten in werkingsmiddelen voor contractuele aanwervingen ten belope van de lesopdracht tijdens de maanden juli en augustus. Voor de omzetting geldt één leraarsuur voor 63,64 euro. Uiterlijk twee maanden na de melding aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen van de om te zetten leraarsuren voor de aanwerving van contractuele personeelsleden worden 80% van deze omgezette werkingsmiddelen als voorschot aan de centra uitbetaald. Het resterende saldo van 20% wordt uitbetaald uiterlijk in de loop van de maand december van het kalenderjaar 2023. Het centrum moet alle aangewende middelen bewijzen met facturen of betalingen die werden gedaan in het kader van deze contractuele aanstellingen. Niet-aangewende middelen worden na het einde van het kalenderjaar 2023 teruggestort. Daarvoor deelt het centrum het niet-aangewende bedrag mee aan de bevoegde administratie
8§ 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.10§ 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.
9§ 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.11§ 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.
+1 −1 decreet-2007-06-15/art. 196septies
63Voor het schooljaar 2023-2024 worden de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde leraarsuren, punten en werkingstoelagen als volgt toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs:63Voor het schooljaar 2023-2024 worden de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde leraarsuren, punten en werkingstoelagen als volgt toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs:
641° er worden twee volumes voor de studiegebieden, vermeld in artikel 107, § 1, en voor de studiegebieden, vermeld in artikel 107, § 2, berekend op basis van het aantal leraarsuren en punten toegekend volgens de berekening, vermeld in paragraaf 5, en waarvan de compensaties toegekend voor het schooljaar 2022-2023 op basis van het aandeel van het gemiddeld aantal gewogen financieringspunten van de respectievelijke studiegebieden, vermeld in artikel 107, § 1, en 107, § 2, voor de referteperiodes 2019 tot en met 2021 ten opzichte van het totaal gemiddeld aantal gewogen financieringspunten voor alle studiegebieden samen voor de referte periodes 2019 tot en met 2021 over deze twee volumes verdeeld worden;641° er worden twee volumes voor de studiegebieden, vermeld in artikel 107, § 1, en voor de studiegebieden, vermeld in artikel 107, § 2, berekend op basis van het aantal leraarsuren en punten toegekend volgens de berekening, vermeld in paragraaf 5, en waarvan de compensaties toegekend voor het schooljaar 2022-2023 op basis van het aandeel van het gemiddeld aantal gewogen financieringspunten van de respectievelijke studiegebieden, vermeld in artikel 107, § 1, en 107, § 2, voor de referteperiodes 2019 tot en met 2021 ten opzichte van het totaal gemiddeld aantal gewogen financieringspunten voor alle studiegebieden samen voor de referte periodes 2019 tot en met 2021 over deze twee volumes verdeeld worden;
652° de werkingstoelagenen de twee volumes met aantal leraarsuren en punten, vermeld in punt 1°, en vermeerderd met 0,8% worden verdeeld over alle centra voor volwassenenonderwijs, die niet in afbouw zijn, volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiodes 2020 tot en met 2022 volgens de respectievelijke berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 1 en § 2, 105, § 3 en § 3bis, en 108, § 2 en § 3, heeft bereikt;652° de werkingstoelagen, vermeld in artikel 108, §1 tot en met §4, en de twee volumes met aantal leraarsuren en punten, vermeld in punt 1°, en vermeerderd met 0,8% worden verdeeld over alle centra voor volwassenenonderwijs, die niet in afbouw zijn, volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiodes 2020 tot en met 2022 volgens de respectievelijke berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 1 en § 2, 105, § 3 en § 3bis, en 108, § 2 en § 3, heeft bereikt;
663° indien het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor een centrum, dat niet in afbouw is, na de berekening in punt 2° minder bedragen dan 100% van het toegekende aantal leraarsuren, punten en de wer kingstoelage voor het schooljaar 2021-2022, dan worden deze verliezen gecompenseerd a rato van 100%;663° indien het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor een centrum, dat niet in afbouw is, na de berekening in punt 2° minder bedragen dan 100% van het toegekende aantal leraarsuren, punten en de wer kingstoelage voor het schooljaar 2021-2022, dan worden deze verliezen gecompenseerd a rato van 100%;
674° het totaal aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen die na de berekening in punt 2° worden toegekend aan de centra met verlies, die niet in afbouw zijn, worden in mindering gebracht bij het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen voor de centra die geen verlies ten opzichte van het schooljaar 2020-2021 hebben geleden. Daartoe wordt eerst voor elk van deze centra het verschil berekend tussen het toegekende aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage die volgen uit de berekening in punt 2° en het toegekende aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2021-2022. Daarna wordt voor elk van deze centra het aandeel bepaald van het per centrum berekende verschil binnen het totale verschil van de centra zonder verlies. Dit aandeel wordt toegepast op het totaal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen die na de berekening in punt 3° worden toegekend aan de centra met verlies, en bepaalt zo voor elk van de centra die geen verlies hebben geleden ten opzichte van het schooljaar 2021-2022 het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen dat bij hen in mindering moet worden gebracht.674° het totaal aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen die na de berekening in punt 2° worden toegekend aan de centra met verlies, die niet in afbouw zijn, worden in mindering gebracht bij het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen voor de centra die geen verlies ten opzichte van het schooljaar 2020-2021 hebben geleden. Daartoe wordt eerst voor elk van deze centra het verschil berekend tussen het toegekende aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage die volgen uit de berekening in punt 2° en het toegekende aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2021-2022. Daarna wordt voor elk van deze centra het aandeel bepaald van het per centrum berekende verschil binnen het totale verschil van de centra zonder verlies. Dit aandeel wordt toegepast op het totaal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen die na de berekening in punt 3° worden toegekend aan de centra met verlies, en bepaalt zo voor elk van de centra die geen verlies hebben geleden ten opzichte van het schooljaar 2021-2022 het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen dat bij hen in mindering moet worden gebracht.
+4 −2 decreet-2007-06-15/art. 196septies
501° de werkingstoelagen worden toegekend volgens de berekening, vermeld in artikel 89, en 870,24 vte en 13.435 punten, vermeerderd met het reële groeipercentage, vermeld in artikel 90, worden verdeeld over alle centra voor basiseducatie volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten voor alle leergebieden dat het centrum gemiddeld in de referteperiodes 2019 tot en met 2021 volgens de respectievelijke berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, en artikel 87, § 2bis, heeft bereikt;501° de werkingstoelagen worden toegekend volgens de berekening, vermeld in artikel 89, en 870,24 vte en 13.435 punten, vermeerderd met het reële groeipercentage, vermeld in artikel 90, worden verdeeld over alle centra voor basiseducatie volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten voor alle leergebieden dat het centrum gemiddeld in de referteperiodes 2019 tot en met 2021 volgens de respectievelijke berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, en artikel 87, § 2bis, heeft bereikt;
512° indien het aantal vte, punten en de werkingstoelage voor een centrum na de berekening in punt 1° minder bedragen dan 100% van het aantal vte, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020, dan worden deze verliezen gecompenseerd a rato van 33%;512° indien het aantal vte, punten en de werkingstoelage voor een centrum na de berekening in punt 1° minder bedragen dan 100% van het aantal vte, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020, dan worden deze verliezen gecompenseerd a rato van 33%;
523° indien het aantal vte, punten en de werkingstoelage voor een centrum na de berekening in punt 1° of 2° minder bedragen dan 100% van het toegekende aantal vte, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2021-2022, dan worden deze verliezen gecompenseerd a rato van 100%.523° indien het aantal vte, punten en de werkingstoelage voor een centrum na de berekening in punt 1° of 2° minder bedragen dan 100% van het toegekende aantal vte, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2021-2022, dan worden deze verliezen gecompenseerd a rato van 100%;
534° na de berekening in punt 1° tot en met 3° wordt een aanvullend bedrag van 546.377,06 euro verdeeld over de centra voor basiseducatie volgens hetzelfde aandeel aan werkingsmiddelen als het aandeel aan werkingsmiddelen waarop het centrum volgens de berekening van artikel 89 en artikel 196septies, §5, eerste lid, 3°, voor schooljaar 2022-2023 recht heeft.
53Voor het schooljaar 2022-2023 worden de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde leraarsuren, punten en werkingstoelagen als volgt toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs:54Voor het schooljaar 2022-2023 worden de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde leraarsuren, punten en werkingstoelagen als volgt toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs:
541° 2.351.848,87 leraarsuren en 39.501 punten voor alle studiegebieden samen, vermeld in artikel 107, § 1, 1.242.514,62 leraarsuren en 17.836 punten voor alle studiegebieden samen, vermeld in artikel 107, § 2, en 31.116.754,27 werkingstoelagen worden verdeeld over alle centra voor volwassenenonderwijs volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiodes 2019 tot en met 2021 volgens de respectievelijke berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 1 en § 2, 105, § 3 en § 3bis, en 108, § 2 en § 3, heeft bereikt;551° 2.351.848,87 leraarsuren en 39.501 punten voor alle studiegebieden samen, vermeld in artikel 107, § 1, 1.242.514,62 leraarsuren en 17.836 punten voor alle studiegebieden samen, vermeld in artikel 107, § 2, en 31.116.754,27 werkingstoelagen worden verdeeld over alle centra voor volwassenenonderwijs volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiodes 2019 tot en met 2021 volgens de respectievelijke berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 1 en § 2, 105, § 3 en § 3bis, en 108, § 2 en § 3, heeft bereikt;
552° indien het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor een centrum, dat niet in afbouw is, na de berekening in punt 1° minder bedragen dan 100% van het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020, dan worden deze verliezen gecompenseerd a rato van 33%;562° indien het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor een centrum, dat niet in afbouw is, na de berekening in punt 1° minder bedragen dan 100% van het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020, dan worden deze verliezen gecompenseerd a rato van 33%;
563° indien het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor een centrum, dat niet in afbouw is, na de berekening in punt 1° of 2° minder bedragen dan 100% van het toegekende aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2021-2022, dan worden deze verlie zen gecompenseerd a rato van 100%;573° indien het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor een centrum, dat niet in afbouw is, na de berekening in punt 1° of 2° minder bedragen dan 100% van het toegekende aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2021-2022, dan worden deze verlie zen gecompenseerd a rato van 100%;
574° voor de centra, die niet in afbouw zijn, worden het totaal aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen die na de berekening in punt 3° worden toegekend aan de centra met verlies, in mindering gebracht bij het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen voor de centra die geen verlies ten opzichte van het schooljaar 2021-2022 hebben geleden. Daartoe wordt eerst voor elk van deze centra het verschil berekend tussen het toegekende aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage die volgen uit de berekening in punt 1° en 2° en het toegekende aan tal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2021-2022. Daarna wordt voor elk van deze centra het aandeel bepaald van het per centrum berekende verschil binnen het totale verschil van de centra zonder verlies. Dit aandeel wordt toegepast op het totaal aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen die na de berekening in punt 3° worden toegekend aan de centra met verlies, en bepaalt zo voor elk van de centra die geen verlies hebben geleden ten opzichte van het schooljaar 2021-2022 het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen dat bij hen in mindering moet worden gebracht.584° voor de centra, die niet in afbouw zijn, worden het totaal aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen die na de berekening in punt 3° worden toegekend aan de centra met verlies, in mindering gebracht bij het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen voor de centra die geen verlies ten opzichte van het schooljaar 2021-2022 hebben geleden. Daartoe wordt eerst voor elk van deze centra het verschil berekend tussen het toegekende aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage die volgen uit de berekening in punt 1° en 2° en het toegekende aan tal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2021-2022. Daarna wordt voor elk van deze centra het aandeel bepaald van het per centrum berekende verschil binnen het totale verschil van de centra zonder verlies. Dit aandeel wordt toegepast op het totaal aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen die na de berekening in punt 3° worden toegekend aan de centra met verlies, en bepaalt zo voor elk van de centra die geen verlies hebben geleden ten opzichte van het schooljaar 2021-2022 het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen dat bij hen in mindering moet worden gebracht;
595° na de berekening in punt 1° tot en met 4° wordt een aanvullend bedrag van 1.953.622,94 euro verdeeld over de centra voor volwassenenonderwijs volgens hetzelfde aandeel aan werkingsmiddelen als het aandeel aan werkingsmiddelen waarop het centrum volgens de berekening van artikel 196septies, §5, tweede lid, 4°, voor schooljaar 2022-2023 recht heeft.
58§ 6. Voor het schooljaar 2023-2024 worden de door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde vte, punten en werkingstoelagen als volgt toegekend aan de centra voor basiseducatie, die niet in afbouw zijn:60§ 6. Voor het schooljaar 2023-2024 worden de door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde vte, punten en werkingstoelagen als volgt toegekend aan de centra voor basiseducatie, die niet in afbouw zijn:
591° de werkingstoelagen worden toegekend volgens de berekening, vermeld in artikel 89 en het aantal vte en punten die worden toegekend op basis van de berekening, vermeld in paragraaf 5, en vermeerderd met het reële groeipercentage, vermeld in artikel 90, worden verdeeld over alle centra voor basiseducatie volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten voor alle leergebieden samen dat het centrum gemiddeld in de referteperiodes 2020 tot en met 2022 volgens de respectievelijke berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, en 87, § 2bis, heeft bereikt;611° de werkingstoelagen worden toegekend volgens de berekening, vermeld in artikel 89 en het aantal vte en punten die worden toegekend op basis van de berekening, vermeld in paragraaf 5, en vermeerderd met het reële groeipercentage, vermeld in artikel 90, worden verdeeld over alle centra voor basiseducatie volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten voor alle leergebieden samen dat het centrum gemiddeld in de referteperiodes 2020 tot en met 2022 volgens de respectievelijke berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, en 87, § 2bis, heeft bereikt;
+4 −2 decreet-2007-06-15/art. 196septies
501° de werkingstoelagen worden toegekend volgens de berekening, vermeld in artikel 89, en 870,24 vte en 13.435 punten, vermeerderd met het reële groeipercentage, vermeld in artikel 90, worden verdeeld over alle centra voor basiseducatie volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten voor alle leergebieden dat het centrum gemiddeld in de referteperiodes 2019 tot en met 2021 volgens de respectievelijke berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, en artikel 87, § 2bis, heeft bereikt;501° de werkingstoelagen worden toegekend volgens de berekening, vermeld in artikel 89, en 870,24 vte en 13.435 punten, vermeerderd met het reële groeipercentage, vermeld in artikel 90, worden verdeeld over alle centra voor basiseducatie volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten voor alle leergebieden dat het centrum gemiddeld in de referteperiodes 2019 tot en met 2021 volgens de respectievelijke berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, en artikel 87, § 2bis, heeft bereikt;
512° indien het aantal vte, punten en de werkingstoelage voor een centrum na de berekening in punt 1° minder bedragen dan 100% van het aantal vte, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020, dan worden deze verliezen gecompenseerd a rato van 33%;512° indien het aantal vte, punten en de werkingstoelage voor een centrum na de berekening in punt 1° minder bedragen dan 100% van het aantal vte, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020, dan worden deze verliezen gecompenseerd a rato van 33%;
523° indien het aantal vte, punten en de werkingstoelage voor een centrum na de berekening in punt 1° of 2° minder bedragen dan 100% van het toegekende aantal vte, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2021-2022, dan worden deze verliezen gecompenseerd a rato van 100%.523° indien het aantal vte, punten en de werkingstoelage voor een centrum na de berekening in punt 1° of 2° minder bedragen dan 100% van het toegekende aantal vte, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2021-2022, dan worden deze verliezen gecompenseerd a rato van 100%;
534° na de berekening in punt 1° tot en met 3° wordt een aanvullend bedrag van 546.377,06 euro verdeeld over de centra voor basiseducatie volgens hetzelfde aandeel aan werkingsmiddelen als het aandeel aan werkingsmiddelen waarop het centrum volgens de berekening van artikel 89 en artikel 196septies, §5, eerste lid, 3°, voor schooljaar 2022-2023 recht heeft.
53Voor het schooljaar 2022-2023 worden de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde leraarsuren, punten en werkingstoelagen als volgt toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs:54Voor het schooljaar 2022-2023 worden de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde leraarsuren, punten en werkingstoelagen als volgt toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs:
541° 2.351.848,87 leraarsuren en 39.501 punten voor alle studiegebieden samen, vermeld in artikel 107, § 1, 1.242.514,62 leraarsuren en 17.836 punten voor alle studiegebieden samen, vermeld in artikel 107, § 2, en 31.116.754,27 werkingstoelagen worden verdeeld over alle centra voor volwassenenonderwijs volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiodes 2019 tot en met 2021 volgens de respectievelijke berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 1 en § 2, 105, § 3 en § 3bis, en 108, § 2 en § 3, heeft bereikt;551° 2.351.848,87 leraarsuren en 39.501 punten voor alle studiegebieden samen, vermeld in artikel 107, § 1, 1.242.514,62 leraarsuren en 17.836 punten voor alle studiegebieden samen, vermeld in artikel 107, § 2, en 31.116.754,27 werkingstoelagen worden verdeeld over alle centra voor volwassenenonderwijs volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiodes 2019 tot en met 2021 volgens de respectievelijke berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 1 en § 2, 105, § 3 en § 3bis, en 108, § 2 en § 3, heeft bereikt;
552° indien het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor een centrum, dat niet in afbouw is, na de berekening in punt 1° minder bedragen dan 100% van het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020, dan worden deze verliezen gecompenseerd a rato van 33%;562° indien het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor een centrum, dat niet in afbouw is, na de berekening in punt 1° minder bedragen dan 100% van het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020, dan worden deze verliezen gecompenseerd a rato van 33%;
563° indien het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor een centrum, dat niet in afbouw is, na de berekening in punt 1° of 2° minder bedragen dan 100% van het toegekende aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2021-2022, dan worden deze verlie zen gecompenseerd a rato van 100%;573° indien het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor een centrum, dat niet in afbouw is, na de berekening in punt 1° of 2° minder bedragen dan 100% van het toegekende aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2021-2022, dan worden deze verlie zen gecompenseerd a rato van 100%;
574° voor de centra, die niet in afbouw zijn, worden het totaal aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen die na de berekening in punt 3° worden toegekend aan de centra met verlies, in mindering gebracht bij het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen voor de centra die geen verlies ten opzichte van het schooljaar 2021-2022 hebben geleden. Daartoe wordt eerst voor elk van deze centra het verschil berekend tussen het toegekende aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage die volgen uit de berekening in punt 1° en 2° en het toegekende aan tal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2021-2022. Daarna wordt voor elk van deze centra het aandeel bepaald van het per centrum berekende verschil binnen het totale verschil van de centra zonder verlies. Dit aandeel wordt toegepast op het totaal aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen die na de berekening in punt 3° worden toegekend aan de centra met verlies, en bepaalt zo voor elk van de centra die geen verlies hebben geleden ten opzichte van het schooljaar 2021-2022 het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen dat bij hen in mindering moet worden gebracht.584° voor de centra, die niet in afbouw zijn, worden het totaal aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen die na de berekening in punt 3° worden toegekend aan de centra met verlies, in mindering gebracht bij het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen voor de centra die geen verlies ten opzichte van het schooljaar 2021-2022 hebben geleden. Daartoe wordt eerst voor elk van deze centra het verschil berekend tussen het toegekende aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelage die volgen uit de berekening in punt 1° en 2° en het toegekende aan tal leraarsuren, punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2021-2022. Daarna wordt voor elk van deze centra het aandeel bepaald van het per centrum berekende verschil binnen het totale verschil van de centra zonder verlies. Dit aandeel wordt toegepast op het totaal aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen die na de berekening in punt 3° worden toegekend aan de centra met verlies, en bepaalt zo voor elk van de centra die geen verlies hebben geleden ten opzichte van het schooljaar 2021-2022 het aantal leraarsuren, punten en de werkingstoelagen dat bij hen in mindering moet worden gebracht;
595° na de berekening in punt 1° tot en met 4° wordt een aanvullend bedrag van 1.953.622,94 euro verdeeld over de centra voor volwassenenonderwijs volgens hetzelfde aandeel aan werkingsmiddelen als het aandeel aan werkingsmiddelen waarop het centrum volgens de berekening van artikel 196septies, §5, tweede lid, 4°, voor schooljaar 2022-2023 recht heeft.
58§ 6. Voor het schooljaar 2023-2024 worden de door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde vte, punten en werkingstoelagen als volgt toegekend aan de centra voor basiseducatie, die niet in afbouw zijn:60§ 6. Voor het schooljaar 2023-2024 worden de door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde vte, punten en werkingstoelagen als volgt toegekend aan de centra voor basiseducatie, die niet in afbouw zijn:
591° de werkingstoelagen worden toegekend volgens de berekening, vermeld in artikel 89 en het aantal vte en punten die worden toegekend op basis van de berekening, vermeld in paragraaf 5, en vermeerderd met het reële groeipercentage, vermeld in artikel 90, worden verdeeld over alle centra voor basiseducatie volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten voor alle leergebieden samen dat het centrum gemiddeld in de referteperiodes 2020 tot en met 2022 volgens de respectievelijke berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, en 87, § 2bis, heeft bereikt;611° de werkingstoelagen worden toegekend volgens de berekening, vermeld in artikel 89 en het aantal vte en punten die worden toegekend op basis van de berekening, vermeld in paragraaf 5, en vermeerderd met het reële groeipercentage, vermeld in artikel 90, worden verdeeld over alle centra voor basiseducatie volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten voor alle leergebieden samen dat het centrum gemiddeld in de referteperiodes 2020 tot en met 2022 volgens de respectievelijke berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, en 87, § 2bis, heeft bereikt;
+4 −0 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.2.4.1
23No: het in het gebruikte oppervlaktewater gemeten gehalte aan totale stikstof, uitgedrukt in mg N/l;23No: het in het gebruikte oppervlaktewater gemeten gehalte aan totale stikstof, uitgedrukt in mg N/l;
24Po: het in het gebruikte oppervlaktewater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l.24Po: het in het gebruikte oppervlaktewater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l.
25Indien een heffingsplichtige loost in een ander oppervlaktewater dan dit waaruit het oppervlaktewater wordt opgenomen, kunnen de bepalingen van het eerste lid toch worden toegepast als:
261° de lozing in een ander oppervlaktewater is opgelegd als voorwaarde in de omgevingsvergunning; en
272° de lozing in een ander oppervlaktewater een voordeliger effect op de waterkwaliteit en het milieu heeft dan lozing in het oppervlaktewater waaruit wordt opgenomen; en
283° de lozing in hetzelfde oppervlaktewater geen nadelig effect op de waterkwaliteit en het milieu zou hebben voor het oppervlaktewater waaruit wordt opgenomen.
25§2. De bemonstering en de analyses van de parameters, vermeld in paragraaf 1, worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater en oppervlaktewater als vermeld in artikel 6, 5°, a) , van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.29§2. De bemonstering en de analyses van de parameters, vermeld in paragraaf 1, worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater en oppervlaktewater als vermeld in artikel 6, 5°, a) , van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.
26§3. De Regering kan de nadere regels vaststellen aangaande de wijze waarop de gegevens met betrekking tot het gebruikte oppervlaktewater kunnen worden bepaald voor de toepassing van de in §1 aangegeven berekeningsmethode.30§3. De Regering kan de nadere regels vaststellen aangaande de wijze waarop de gegevens met betrekking tot het gebruikte oppervlaktewater kunnen worden bepaald voor de toepassing van de in §1 aangegeven berekeningsmethode.
+25 −0 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. Bijlage 5
62506250
6260,0276260,027
62760.a
62860.b
629Waterproductiecentra van openbare waterdistributienetwerken:
630a) lozend op oppervlaktewater
631b) niet lozend op oppervlaktewater
6321 m³ geloosd afvalwater
6331 m³ geloosd afvalwater
6340,0022
6350,0160
6360,0001
6370,0004
6380,0005
6390,0011
6400
6410
6420,0028
6430,0175
64461
645(Inter)gemeentelijke recyclageparken
6461 m³ potentieel verontreinigd hemelwater
6470.004
6480.001
6490.001
6500.003
6510.009
627Voor de toepassing van de nummering 53 wordt onder een gesaneerde zuivelfabriek verstaan een zuivelfabriek waarin goede voorzieningen ter beperking van de vervuilingsgraad zijn getroffen, als het opvangen van drupmelk, het terughouden van het bezinksel uit het boterwaswater, het opvangen van de perswei, het voorkomen van lekverliezen en dergelijke.652Voor de toepassing van de nummering 53 wordt onder een gesaneerde zuivelfabriek verstaan een zuivelfabriek waarin goede voorzieningen ter beperking van de vervuilingsgraad zijn getroffen, als het opvangen van drupmelk, het terughouden van het bezinksel uit het boterwaswater, het opvangen van de perswei, het voorkomen van lekverliezen en dergelijke.
628Voor de toepassing van de nummeringen die als grondslag "1 m³ gebruikt water" vermelden wordt onder aantal m³ gebruikt water verstaan de hoeveelheid gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar verbruikte water Q, zoals gedefinieerd in artikel 4.2.2.5.1, verminderd met het koelwater K, zoals gedefinieerd in artikel 4.2.2.3.1 van deze wet.653Voor de toepassing van de nummeringen die als grondslag "1 m³ gebruikt water" vermelden wordt onder aantal m³ gebruikt water verstaan de hoeveelheid gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar verbruikte water Q, zoals gedefinieerd in artikel 4.2.2.5.1, verminderd met het koelwater K, zoals gedefinieerd in artikel 4.2.2.3.1 van deze wet.
+3 −2 decreet-2012-12-21/art. 26
62° de inschrijvingsgelden van de examencommissie Secundair Onderwijs zoals vermeld in de Codex Secundair Onderwijs, hoofdstuk 3, Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het secundair onderwijs, bestaande uit de artikelen 256/1 tot en met 256/10;62° de inschrijvingsgelden van de examencommissie Secundair Onderwijs zoals vermeld in de Codex Secundair Onderwijs, hoofdstuk 3, Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het secundair onderwijs, bestaande uit de artikelen 256/1 tot en met 256/10;
73° de financiële bijdragen m.b.t. de erkenning van de gelijkwaardigheid en de niveaugelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen zoals vermeld in artikel 57ter van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, in artikel 115/3 van de codex Secundair Onderwijs, in artikelen 74ter en 84ter van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, in artikel 41ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en in artikel II.256 van de Codex Hoger Onderwijs;73° de financiële bijdragen m.b.t. de erkenning van de gelijkwaardigheid en de niveaugelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen zoals vermeld in artikel 57ter van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, in artikel 115/3 van de codex Secundair Onderwijs, in artikelen 74ter en 84ter van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, in artikel 41ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en in artikel II.256 van de Codex Hoger Onderwijs;
84° de inschrijvingsgelden van de Centrale Examencommissie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 13 februari 2007 betreffende de examens over de ondernemersvaardigheden en het koninklijk besluit van 21 oktober 1998 tot uitvoering van hoofdstuk I van titel II van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap;
84° ...;
95° de vergoedingen voor het afleveren van duplicaten van diploma's, certificaten en getuigschriften door de Examencommissie Secundair Onderwijs en NARIC Vlaanderen;95° de vergoedingen voor het afleveren van duplicaten van diploma's, certificaten en getuigschriften door de Examencommissie Secundair Onderwijs en NARIC Vlaanderen;
106° terugstortingen van uitgaven en diverse ontvangsten gedaan in het kader van de dienstverlening van AHOVOKS.106° terugstortingen van uitgaven en diverse ontvangsten gedaan in het kader van de dienstverlening van AHOVOKS;
117° de inschrijvingsgelden van het toelatingsexamen Dierenarts, vermeld in artikel II.187/1, §5, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.
11§ 4. Het fonds wordt aangewend voor de organisatie van :12§ 4. Het fonds wordt aangewend voor de organisatie van :
121° het toelatingsexamen Arts en Tandarts;131° het toelatingsexamen Arts en Tandarts;
+1 −0 groeipakketdecreet-van-2018/art. 4
5In afwijking van het voorgaande lid start de jaarlijkse verhoging met een index van 2 %, zoals opgenomen in het vorige lid, voor het bedrag voor het derde jongste kind en oudere kinderen, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, en het bedrag van de leeftijdsbijslagen, vermeld in artikel 212, § 1 en § 2, en artikel 213, zoals die voor deze bedragen ingevolge de koppeling uit het eerste lid werden bekomen op 31 december 2019, vanaf 1 september 2025.5In afwijking van het voorgaande lid start de jaarlijkse verhoging met een index van 2 %, zoals opgenomen in het vorige lid, voor het bedrag voor het derde jongste kind en oudere kinderen, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, en het bedrag van de leeftijdsbijslagen, vermeld in artikel 212, § 1 en § 2, en artikel 213, zoals die voor deze bedragen ingevolge de koppeling uit het eerste lid werden bekomen op 31 december 2019, vanaf 1 september 2025.
6In afwijking van het vierde lid wordt het basisbedrag, vermeld in artikel 13, en het bedrag voor het jongste kind en het tweede jongste kind, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, waar de evolutie gekoppeld is aan de jaarlijkse verhoging met een index van 2%, zoals bepaald in het vierde lid,op 1 september 2022 en op 1 december 2022 verhoogd met een index van 1%.6In afwijking van het vierde lid wordt het basisbedrag, vermeld in artikel 13, en het bedrag voor het jongste kind en het tweede jongste kind, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, waar de evolutie gekoppeld is aan de jaarlijkse verhoging met een index van 2%, zoals bepaald in het vierde lid,op 1 september 2022 en op 1 december 2022 verhoogd met een index van 1%.
7In afwijking van het vierde lid worden de inkomensgrenzen, vermeld in deel 1 van boek 2 en deel 2 van boek 5, die ingevolge de verhoging uit het vierde lid werden bekomen op 30 september 2022, vanaf 1 september 2023 jaarlijks geïndexeerd op 1 september. De indexering is gelijk aan de procentuele stijging van de gezondheidsindex, voor de maand december van het tweede kalenderjaar dat het jaar van de indexering voorafgaat, ten opzichte van de gezondheidsindex voor de maand december van het derde kalenderjaar dat het jaar van de indexering voorafgaat.
7§ 2. Als ingevolge de toepassing van paragraaf 1 de bedragen van de toelagen eindigen op een gedeelte van een cent, wordt het uit te betalen bedrag vastgesteld zonder rekening te houden met het gedeelte van een cent als dat minder dan 0,5 cent bedraagt. Als het gedeelte 0,5 cent of meer bedraagt, wordt het voor een cent gerekend.8§ 2. Als ingevolge de toepassing van paragraaf 1 de bedragen van de toelagen eindigen op een gedeelte van een cent, wordt het uit te betalen bedrag vastgesteld zonder rekening te houden met het gedeelte van een cent als dat minder dan 0,5 cent bedraagt. Als het gedeelte 0,5 cent of meer bedraagt, wordt het voor een cent gerekend.
8De afronding op een cent naar boven of naar beneden wordt gedaan op het totaal uit te betalen bedrag voor het rechtgevende kind, het rechthebbende kind of de rechthebbende leerling.9De afronding op een cent naar boven of naar beneden wordt gedaan op het totaal uit te betalen bedrag voor het rechtgevende kind, het rechthebbende kind of de rechthebbende leerling.
+1 −1 groeipakketdecreet-van-2018/art. 4
4De bedragen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, en in voorkomend geval, de inkomensgrenzen, vermeld in delen 1 en 3 van boek 2 en deel 2 van boek 5, die ingevolge de koppeling uit het eerste lid en de toepassing van het tweede lid, werden bekomen op 31 december 2019, worden vanaf 1 januari 2020 jaarlijks op 1 september verhoogd met een index van 2 %.4De bedragen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, en in voorkomend geval, de inkomensgrenzen, vermeld in delen 1 en 3 van boek 2 en deel 2 van boek 5, die ingevolge de koppeling uit het eerste lid en de toepassing van het tweede lid, werden bekomen op 31 december 2019, worden vanaf 1 januari 2020 jaarlijks op 1 september verhoogd met een index van 2 %.
5In afwijking van het voorgaande lid start de jaarlijkse verhoging met een index van 2 %, zoals opgenomen in het vorige lid, voor het bedrag voor het derde jongste kind en oudere kinderen, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, en het bedrag van de leeftijdsbijslagen, vermeld in artikel 212, § 1 en § 2, en artikel 213, zoals die voor deze bedragen ingevolge de koppeling uit het eerste lid werden bekomen op 31 december 2019, vanaf 1 september 2025.5In afwijking van het voorgaande lid start de jaarlijkse verhoging met een index van 2 %, zoals opgenomen in het vorige lid, voor het bedrag voor het derde jongste kind en oudere kinderen, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, en het bedrag van de leeftijdsbijslagen, vermeld in artikel 212, § 1 en § 2, en artikel 213, zoals die voor deze bedragen ingevolge de koppeling uit het eerste lid werden bekomen op 31 december 2019, vanaf 1 september 2025.
6In afwijking van het vierde lid wordt het basisbedrag, vermeld in artikel 13, en het bedrag voor het jongste kind en het tweede jongste kind, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, waar de evolutie gekoppeld is aan de jaarlijkse verhoging met een index van 2%, zoals bepaald in het vierde lid, in 2022, 2023 en 2024 jaarlijks op 1 september verhoogd met een index van 1%.6In afwijking van het vierde lid wordt het basisbedrag, vermeld in artikel 13, en het bedrag voor het jongste kind en het tweede jongste kind, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, waar de evolutie gekoppeld is aan de jaarlijkse verhoging met een index van 2%, zoals bepaald in het vierde lid,op 1 september 2022 en op 1 december 2022 verhoogd met een index van 1%.
7§ 2. Als ingevolge de toepassing van paragraaf 1 de bedragen van de toelagen eindigen op een gedeelte van een cent, wordt het uit te betalen bedrag vastgesteld zonder rekening te houden met het gedeelte van een cent als dat minder dan 0,5 cent bedraagt. Als het gedeelte 0,5 cent of meer bedraagt, wordt het voor een cent gerekend.7§ 2. Als ingevolge de toepassing van paragraaf 1 de bedragen van de toelagen eindigen op een gedeelte van een cent, wordt het uit te betalen bedrag vastgesteld zonder rekening te houden met het gedeelte van een cent als dat minder dan 0,5 cent bedraagt. Als het gedeelte 0,5 cent of meer bedraagt, wordt het voor een cent gerekend.
8De afronding op een cent naar boven of naar beneden wordt gedaan op het totaal uit te betalen bedrag voor het rechtgevende kind, het rechthebbende kind of de rechthebbende leerling.8De afronding op een cent naar boven of naar beneden wordt gedaan op het totaal uit te betalen bedrag voor het rechtgevende kind, het rechthebbende kind of de rechthebbende leerling.
+1 −1 groeipakketdecreet-van-2018/art. 15
1§ 1. De wezentoeslag bedraagt 50 procent van het basisbedrag in een van de volgende gevallen:1§ 1. De wezentoeslag bedraagt 80 procent van het basisbedrag in een van de volgende gevallen:
21° een van de ouders van een rechtgevend kind is overleden;21° een van de ouders van een rechtgevend kind is overleden;
32° de vrederechter heeft een vermoeden van afwezigheid als vermeld in artikel 112 van het Burgerlijk Wetboek, van een van de ouders van een rechtgevend kind vastgesteld.32° de vrederechter heeft een vermoeden van afwezigheid als vermeld in artikel 112 van het Burgerlijk Wetboek, van een van de ouders van een rechtgevend kind vastgesteld.
+1 −0 groeipakketdecreet-van-2018/art. 18
2Het bedrag van de toeslag, vermeld in het eerste lid, bedraagt:2Het bedrag van de toeslag, vermeld in het eerste lid, bedraagt:
31° 63,86 euro per kind voor gezinnen tot en met twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis niet meer dan 31.897,53 euro bedragen;31° 63,86 euro per kind voor gezinnen tot en met twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis niet meer dan 31.897,53 euro bedragen;
41/1° 32,33 euro per kind voor gezinnen tot en met twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis tussen 31.897,53 euro en 37.213,79 euro liggen;
42° 93,86 euro per kind voor gezinnen met meer dan twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis niet meer dan 31.897,53 euro bedragen;52° 93,86 euro per kind voor gezinnen met meer dan twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis niet meer dan 31.897,53 euro bedragen;
53° 73,86 euro per kind voor gezinnen met meer dan twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis tussen 31.897,53 euro en 60.000 euro liggen.63° 73,86 euro per kind voor gezinnen met meer dan twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis tussen 31.897,53 euro en 60.000 euro liggen.
+3 −3 groeipakketdecreet-van-2018/art. 18
1Het basisbedrag, vermeld in artikel 13, wordt voor het rechtgevende kind verhoogd met een maandelijkse sociale toeslag als de inkomsten van het gezin van de begunstigden bepaalde grenzen niet overschrijden.1Het basisbedrag, vermeld in artikel 13, wordt voor het rechtgevende kind verhoogd met een maandelijkse sociale toeslag als de inkomsten van het gezin van de begunstigden bepaalde grenzen niet overschrijden.
2Het bedrag van de toeslag, vermeld in het eerste lid, bedraagt:2Het bedrag van de toeslag, vermeld in het eerste lid, bedraagt:
31° 63,86 euro per kind voor gezinnen tot en met twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis niet meer dan 30.378,60 euro bedragen;31° 63,86 euro per kind voor gezinnen tot en met twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis niet meer dan 31.897,53 euro bedragen;
42° 93,86 euro per kind voor gezinnen met meer dan twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis niet meer dan 30.378,60 euro bedragen;42° 93,86 euro per kind voor gezinnen met meer dan twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis niet meer dan 31.897,53 euro bedragen;
53° 73,86 euro per kind voor gezinnen met meer dan twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis tussen 30.378,60 euro en 60.000 euro liggen.53° 73,86 euro per kind voor gezinnen met meer dan twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis tussen 31.897,53 euro en 60.000 euro liggen.
6Als ten gevolge van een gelijkmatig verdeelde huisvesting de huisvesting van het rechtgevende kind gelijk is verdeeld tussen de ouders, wordt het bedrag van de toeslag gehalveerd toegekend in elk rechtgevend gezin.6Als ten gevolge van een gelijkmatig verdeelde huisvesting de huisvesting van het rechtgevende kind gelijk is verdeeld tussen de ouders, wordt het bedrag van de toeslag gehalveerd toegekend in elk rechtgevend gezin.
7Als de huisvesting van het rechtgevende kind niet gelijk is verdeeld tussen beide ouders wordt het kind voor de toepassing van het tweede lid alleen meegeteld in het gezin waar het kind meer dan de helft van de tijd verblijft.7Als de huisvesting van het rechtgevende kind niet gelijk is verdeeld tussen beide ouders wordt het kind voor de toepassing van het tweede lid alleen meegeteld in het gezin waar het kind meer dan de helft van de tijd verblijft.
+3 −3 groeipakketdecreet-van-2018/art. 18
1Het basisbedrag, vermeld in artikel 13, wordt voor het rechtgevende kind verhoogd met een maandelijkse sociale toeslag als de inkomsten van het gezin van de begunstigden bepaalde grenzen niet overschrijden.1Het basisbedrag, vermeld in artikel 13, wordt voor het rechtgevende kind verhoogd met een maandelijkse sociale toeslag als de inkomsten van het gezin van de begunstigden bepaalde grenzen niet overschrijden.
2Het bedrag van de toeslag, vermeld in het eerste lid, bedraagt:2Het bedrag van de toeslag, vermeld in het eerste lid, bedraagt:
31° 50 euro per kind voor gezinnen tot en met twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis niet meer dan 30.378,60 euro bedragen;31° 63,86 euro per kind voor gezinnen tot en met twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis niet meer dan 30.378,60 euro bedragen;
42° 80 euro per kind voor gezinnen met meer dan twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis niet meer dan 30.378,60 euro bedragen;42° 93,86 euro per kind voor gezinnen met meer dan twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis niet meer dan 30.378,60 euro bedragen;
53° 60 euro per kind voor gezinnen met meer dan twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis tussen 30.378,60 euro en 60.000 euro liggen.53° 73,86 euro per kind voor gezinnen met meer dan twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis tussen 30.378,60 euro en 60.000 euro liggen.
6Als ten gevolge van een gelijkmatig verdeelde huisvesting de huisvesting van het rechtgevende kind gelijk is verdeeld tussen de ouders, wordt het bedrag van de toeslag gehalveerd toegekend in elk rechtgevend gezin.6Als ten gevolge van een gelijkmatig verdeelde huisvesting de huisvesting van het rechtgevende kind gelijk is verdeeld tussen de ouders, wordt het bedrag van de toeslag gehalveerd toegekend in elk rechtgevend gezin.
7Als de huisvesting van het rechtgevende kind niet gelijk is verdeeld tussen beide ouders wordt het kind voor de toepassing van het tweede lid alleen meegeteld in het gezin waar het kind meer dan de helft van de tijd verblijft.7Als de huisvesting van het rechtgevende kind niet gelijk is verdeeld tussen beide ouders wordt het kind voor de toepassing van het tweede lid alleen meegeteld in het gezin waar het kind meer dan de helft van de tijd verblijft.
+2 −1 groeipakketdecreet-van-2018/art. 18/1
1Voor elk kind dat in november 2022 recht geeft op een maandelijkse sociale toeslag als vermeld in artikel 18, wordt het bedrag, vermeld in artikel 18, tweede lid, voor de maand november 2022 eenmalig verhoogd met 100 euro.1Voor elk kind dat in november 2022 recht geeft op een maandelijkse sociale toeslag als vermeld in artikel 18, wordt het bedrag, vermeld in artikel 18, tweede lid, voor de maand november 2022 eenmalig verhoogd met 100 euro.
2Voor elk kind dat in april 2023 recht geeft op een maandelijkse sociale toeslag als vermeld in artikel 18, wordt het bedrag, vermeld in artikel 18, tweede lid, voor de maand april 2023 eenmalig verhoogd met 100 euro.
2Het bedrag van 100 euro, vermeld in het eerste lid, wordt in afwijking van artikel 4 niet geïndexeerd.3Het bedrag van 100 euro, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt in afwijking van artikel 4 niet geïndexeerd.
+8 −1 groeipakketdecreet-van-2018/art. 68
1§ 1. Als een rechtgevend kind door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid in een instelling wordt geplaatst, wordt de uitbetaling van de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1 van boek 2, met uitzondering van het startbedrag geboorte en het startbedrag adoptie , verdeeld tussen de instelling en de begunstigden.1§ 1. Als een rechtgevend kind door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid in een instelling wordt geplaatst, wordt de uitbetaling van de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1 van boek 2, met uitzondering van het startbedrag geboorte , het startbedrag adoptie en de pleegzorgtoeslag, verdeeld tussen de instelling en de begunstigden.
2§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de toekennings- en verdelingsregels, vermeld in paragraaf 1, van de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, vermeld in paragraaf 1, tussen de instelling en de begunstigden. De Vlaamse Regering kan hiertoe ook de overheid aanduiden aan wie het deel van de toelage bestemd voor de instelling dient te worden toegekend.2§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de toekennings- en verdelingsregels, vermeld in paragraaf 1, van de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, vermeld in paragraaf 1, tussen de instelling en de begunstigden. De Vlaamse Regering kan hiertoe ook de overheid aanduiden aan wie het deel van de toelage bestemd voor de instelling dient te worden toegekend.
3§ 2/1. Als een rechtgevend kind materiële ondersteuning krijgt, wordt, in afwijking van paragraaf 1 en 2, vanaf 1 augustus 2022 een derde van de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1, met uitzondering van het startbedrag geboorte, het startbedrag adoptie en de pleegzorgtoeslag, uitbetaald aan de begunstigden.
4In het eerste lid wordt verstaan onder een rechtgevend kind dat materiële ondersteuning krijgt:
51° een kind dat opvang in een opvangstructuur krijgt als vermeld in artikel 2, 10°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen;
62° een kind dat medische begeleiding krijgt als vermeld in de voormelde wet;
73° een kind dat in een instelling is geplaatst door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid.
8De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid vermeld in het eerste lid.
9In afwijking van het eerste lid blijven de toekennings- en verdelingsregels, ver- meld in paragraaf 1 en paragraaf 2, gelden tot en met 30 juni 2027 voor de kinderen vermeld in het tweede lid, 3°.
3§ 3. Iedere belanghebbende, waaronder ook de instelling, de begunstigden en de bijslagtrekkende worden begrepen, die niet akkoord gaat met de bestemmingsregels tot aanwijzing van de begunstigden, kan de bevoegde rechtbank om een afwijking in het belang van het kind verzoeken. De bevoegde rechtbank kan in het belang van het kind oordelen dat de gehele gezinsbijslag die toekomt aan de begunstigde of een deel ervan wordt uitbetaald op een rekeningnummer dat op naam van het rechtgevende kind staat. De meest gerede partij bezorgt de gerechtelijke uitspraak aan de uitbetalingsactor.10§ 3. Iedere belanghebbende, waaronder ook de instelling, de begunstigden en de bijslagtrekkende worden begrepen, die niet akkoord gaat met de bestemmingsregels tot aanwijzing van de begunstigden, kan de bevoegde rechtbank om een afwijking in het belang van het kind verzoeken. De bevoegde rechtbank kan in het belang van het kind oordelen dat de gehele gezinsbijslag die toekomt aan de begunstigde of een deel ervan wordt uitbetaald op een rekeningnummer dat op naam van het rechtgevende kind staat. De meest gerede partij bezorgt de gerechtelijke uitspraak aan de uitbetalingsactor.
+1 −1 groeipakketdecreet-van-2018/art. 75
1Het basisbedrag, vermeld in artikel 13, de zorgtoeslagen, vermeld in titel 4 van boek 2, deel 1, de sociale toeslagen, vermeld in artikel 18 , en de kinderopvangtoeslag, vermeld in artikel 52, worden uitbetaald in de maand die volgt op de maand waarin het kind recht geeft op de toeslag. Het bedrag, vermeld in artikel 18/1, eerste lid, wordt uitbetaald in november 2022. De Vlaamse Regering bepaalt het exacte tijdstip.1Het basisbedrag, vermeld in artikel 13, de zorgtoeslagen, vermeld in titel 4 van boek 2, deel 1, de sociale toeslagen, vermeld in artikel 18 en artikel 18/1, tweede lid, en de kinderopvangtoeslag, vermeld in artikel 52, worden uitbetaald in de maand die volgt op de maand waarin het kind recht geeft op de toeslag. Het bedrag, vermeld in artikel 18/1, eerste lid, wordt uitbetaald in november 2022. De Vlaamse Regering bepaalt het exacte tijdstip.
2Een gewijzigd bedrag van de toelagen, vermeld in het eerste lid, ten gevolge van een indexering of ten gevolge van een wijziging bij of krachtens een decreet, wordt uitbetaald in de maand die volgt op de maand waarin de indexering plaatsvindt of de wijziging in werking treedt.2Een gewijzigd bedrag van de toelagen, vermeld in het eerste lid, ten gevolge van een indexering of ten gevolge van een wijziging bij of krachtens een decreet, wordt uitbetaald in de maand die volgt op de maand waarin de indexering plaatsvindt of de wijziging in werking treedt.
3Een wijziging van een toelage als vermeld in het eerste lid of een wijziging van het bedrag ervan, ten gevolge van een bepaalde gebeurtenis, wordt uitbetaald in de maand die volgt op de maand waarin die gebeurtenis zich voordoet.3Een wijziging van een toelage als vermeld in het eerste lid of een wijziging van het bedrag ervan, ten gevolge van een bepaalde gebeurtenis, wordt uitbetaald in de maand die volgt op de maand waarin die gebeurtenis zich voordoet.
+1 −0 groeipakketdecreet-van-2018/art. 222
52° 42,92 euro voor het rechtgevende kind dat recht geeft op kinderbijslag van 170,39 euro;52° 42,92 euro voor het rechtgevende kind dat recht geeft op kinderbijslag van 170,39 euro;
63° 18,96 euro voor het rechtgevende kind dat recht geeft op kinderbijslag van 254,40 euro.63° 18,96 euro voor het rechtgevende kind dat recht geeft op kinderbijslag van 254,40 euro.
7Een rechtgevend kind dat recht geeft op kinderbijslag als vermeld in artikel 210, §1, of dat recht geeft op de gewone wezenbijslag, vermeld in titel 2, kan recht geven op een maandelijkse sociale toeslag van 32,33 euro als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 18, tweede lid, 1/1°.
7§ 2. Het bedrag van de toeslag, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, wordt verhoogd tot 114,72 euro voor het betrokken rechtgevende kind, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als de bijslagtrekkende of de begunstigden van de kinderbijslag voor dat rechtgevende kind in aanmerking komt of komen voor de toeslag voor langdurig zieken en arbeidsongeschikten en mindervaliden, vermeld in artikel 50ter juncto artikel 56, § 2, artikel 56quinquies, § 1, en artikel 57, eerste lid, van de Algemene kinderbijslagwet.8§ 2. Het bedrag van de toeslag, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, wordt verhoogd tot 114,72 euro voor het betrokken rechtgevende kind, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als de bijslagtrekkende of de begunstigden van de kinderbijslag voor dat rechtgevende kind in aanmerking komt of komen voor de toeslag voor langdurig zieken en arbeidsongeschikten en mindervaliden, vermeld in artikel 50ter juncto artikel 56, § 2, artikel 56quinquies, § 1, en artikel 57, eerste lid, van de Algemene kinderbijslagwet.
8De Vlaamse Regering breidt de toepassing van het eerste lid uit tot andere personen dan de bijslagtrekkende of begunstigden, op voorwaarde dat die andere personen een gezin vormen met het rechtgevende kind.9De Vlaamse Regering breidt de toepassing van het eerste lid uit tot andere personen dan de bijslagtrekkende of begunstigden, op voorwaarde dat die andere personen een gezin vormen met het rechtgevende kind.
+8 −8 groeipakketdecreet-van-2018/art. 222
1§ 1. Een rechtgevend kind dat recht geeft op kinderbijslag als vermeld in artikel 210, § 1, of dat recht geeft op de gewone wezenbijslag, vermeld in titel 2, kan recht geven op een maandelijkse sociale toeslag als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 18, tweede lid, 1° en 2°.1§ 1. Een rechtgevend kind dat recht geeft op kinderbijslag als vermeld in artikel 210, § 1, of dat recht geeft op de gewone wezenbijslag, vermeld in titel 2, kan recht geven op een maandelijkse sociale toeslag als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 18, tweede lid, 1° en 2°.
2Een rechtgevend kind dat recht geeft op kinderbijslag als vermeld in artikel 210, § 1, of dat recht geeft op de gewone wezenbijslag, vermeld in titel 2, kan recht geven op een maandelijkse sociale toeslag als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 18, tweede lid, 3°, op voorwaarde dat er in het gezin van zijn bijslagtrekkende of begunstigden een derde of volgend rechtgevend kind bij komt vanaf 1 januari 2019, dat recht geeft op de gezinsbijslagen, vermeld in boek 2, deel 1, titel 3 tot en met 5.2Een rechtgevend kind dat recht geeft op kinderbijslag als vermeld in artikel 210, § 1, of dat recht geeft op de gewone wezenbijslag, vermeld in titel 2, kan recht geven op een maandelijkse sociale toeslag als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 18, tweede lid, 3°, op voorwaarde dat er in het gezin van zijn bijslagtrekkende of begunstigden een derde of volgend rechtgevend kind bij komt vanaf 1 januari 2019, dat recht geeft op de gezinsbijslagen, vermeld in boek 2, deel 1, titel 3 tot en met 5.
3Het bedrag van de toeslag, vermeld in het eerste en tweede lid, stemt overeen met het bedrag van de toeslag voor langdurig werklozen, vermeld in artikel 42bis van de Algemene kinderbijslagwet, en bedraagt:3Het bedrag van de toeslag, vermeld in het eerste en tweede lid, bedraagt:
41° 46,88 euro voor het rechtgevende kind dat recht geeft op kinderbijslag van 92,09 euro;41° 60,74 euro voor het rechtgevende kind dat recht geeft op kinderbijslag van 92,09 euro;
52° 29,06 euro voor het rechtgevende kind dat recht geeft op kinderbijslag van 170,39 euro;52° 42,92 euro voor het rechtgevende kind dat recht geeft op kinderbijslag van 170,39 euro;
63° 5,10 euro voor het rechtgevende kind dat recht geeft op kinderbijslag van 254,40 euro.63° 18,96 euro voor het rechtgevende kind dat recht geeft op kinderbijslag van 254,40 euro.
7§ 2. Het bedrag van de toeslag, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, wordt verhoogd tot 100,86 euro voor het betrokken rechtgevende kind, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als de bijslagtrekkende of de begunstigden van de kinderbijslag voor dat rechtgevende kind in aanmerking komt of komen voor de toeslag voor langdurig zieken en arbeidsongeschikten en mindervaliden, vermeld in artikel 50ter juncto artikel 56, § 2, artikel 56quinquies, § 1, en artikel 57, eerste lid, van de Algemene kinderbijslagwet.7§ 2. Het bedrag van de toeslag, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, wordt verhoogd tot 114,72 euro voor het betrokken rechtgevende kind, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als de bijslagtrekkende of de begunstigden van de kinderbijslag voor dat rechtgevende kind in aanmerking komt of komen voor de toeslag voor langdurig zieken en arbeidsongeschikten en mindervaliden, vermeld in artikel 50ter juncto artikel 56, § 2, artikel 56quinquies, § 1, en artikel 57, eerste lid, van de Algemene kinderbijslagwet.
8De Vlaamse Regering breidt de toepassing van het eerste lid uit tot andere personen dan de bijslagtrekkende of begunstigden, op voorwaarde dat die andere personen een gezin vormen met het rechtgevende kind.8De Vlaamse Regering breidt de toepassing van het eerste lid uit tot andere personen dan de bijslagtrekkende of begunstigden, op voorwaarde dat die andere personen een gezin vormen met het rechtgevende kind.
9Het bedrag van de toeslag, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, wordt ook verhoogd tot 100,86 euro voor het betrokken rechtgevende kind, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als de bijslagtrekkende of begunstigde van de kinderbijslag voor dat rechtgevende kind in aanmerking komt voor een toeslag voor een persoon die een overlevingsuitkering geniet, waarbij is voldaan aan de vereiste, vermeld in artikel 56quater, vierde lid, van de Algemene kinderbijslagwet.9Het bedrag van de toeslag, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, wordt ook verhoogd tot 114,72 euro voor het betrokken rechtgevende kind, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als de bijslagtrekkende of begunstigde van de kinderbijslag voor dat rechtgevende kind in aanmerking komt voor een toeslag voor een persoon die een overlevingsuitkering geniet, waarbij is voldaan aan de vereiste, vermeld in artikel 56quater, vierde lid, van de Algemene kinderbijslagwet.
10Het bedrag van de toeslag, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, wordt ook verhoogd tot 100,86 euro voor het betrokken rechtgevende kind, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als dat kind, met toepassing van artikel 56septies van de Algemene kinderbijslagwet, op 31 december 2018 de toeslag, vermeld in artikel 50ter van de Algemene kinderbijslagwet, ontving. Het betrokken rechtgevende kind blijft recht houden op die toeslag zolang dat kind het gezin van de natuurlijke persoon die op 31 december 2018 ten minste zes maanden minstens 66 percent arbeidsongeschikt was, niet verlaat.10Het bedrag van de toeslag, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, wordt ook verhoogd tot 114,72 euro voor het betrokken rechtgevende kind, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als dat kind, met toepassing van artikel 56septies van de Algemene kinderbijslagwet, op 31 december 2018 de toeslag, vermeld in artikel 50ter van de Algemene kinderbijslagwet, ontving. Het betrokken rechtgevende kind blijft recht houden op die toeslag zolang dat kind het gezin van de natuurlijke persoon die op 31 december 2018 ten minste zes maanden minstens 66 percent arbeidsongeschikt was, niet verlaat.
11De Vlaamse Regering kan de nadere uitvoeringsbepalingen voor deze paragraaf vaststellen.11De Vlaamse Regering kan de nadere uitvoeringsbepalingen voor deze paragraaf vaststellen.
12§ 3. Het bedrag van de toeslag, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 3°, wordt verhoogd tot 23,43 euro voor de betrokken kinderen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als de bijslagtrekkende of begunstigde van de kinderbijslag voor die rechtgevende kinderen in aanmerking komt voor de toeslag voor eenoudergezinnen, vermeld in artikel 41 van de Algemene kinderbijslagwet.12§ 3. Het bedrag van de toeslag, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 3°, wordt verhoogd tot 37,29 euro voor de betrokken kinderen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als de bijslagtrekkende of begunstigde van de kinderbijslag voor die rechtgevende kinderen in aanmerking komt voor de toeslag voor eenoudergezinnen, vermeld in artikel 41 van de Algemene kinderbijslagwet.
13De Vlaamse Regering kan nadere uitvoeringsbepalingen voor deze paragraaf vaststellen.13De Vlaamse Regering kan nadere uitvoeringsbepalingen voor deze paragraaf vaststellen.
14§ 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt het alleenwonende rechtgevende kind als een gezin aangezien.14§ 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt het alleenwonende rechtgevende kind als een gezin aangezien.
+2 −1 groeipakketdecreet-van-2018/art. 222/1
1Voor elk kind dat in november 2022 recht geeft op een maandelijkse sociale toeslag als vermeld in artikel 222, wordt het bedrag, vermeld in artikel 222, voor de maand november 2022 eenmalig verhoogd met 100 euro.1Voor elk kind dat in november 2022 recht geeft op een maandelijkse sociale toeslag als vermeld in artikel 222, wordt het bedrag, vermeld in artikel 222, voor de maand november 2022 eenmalig verhoogd met 100 euro.
2Voor elk kind dat in april 2023 recht geeft op een maandelijkse sociale toeslag als vermeld in artikel 222, wordt het bedrag, vermeld in artikel 222, voor de maand april 2023 eenmalig verhoogd met 100 euro.
2Het bedrag van 100 euro, vermeld in het eerste lid, wordt in afwijking van artikel 4 niet geïndexeerd.3Het bedrag van 100 euro, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt in afwijking van artikel 4 niet geïndexeerd.
+1 −1 decreet-2018-05-18/art. 80
3De aanvraag, vermeld in het eerste lid, wordt ingediend bij de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten conform artikel 42. De Vlaamse Regering bepaalt de regels waaraan de aanvraag moet voldoen.3De aanvraag, vermeld in het eerste lid, wordt ingediend bij de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten conform artikel 42. De Vlaamse Regering bepaalt de regels waaraan de aanvraag moet voldoen.
4De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de behandeling van de aanvraag of de ambtshalve toekenning.4De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de behandeling van de aanvraag of de ambtshalve toekenning.
5§ 2. De tegemoetkoming bedraagt 130 euro per maand.5§ 2. De tegemoetkoming bedraagt 135 euro per maand.
6Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt met ingang van het door de Vlaamse Regering te bepalen kalenderjaar, ieder jaar op 1 januari aangepast aan de ontwikkeling van het afgevlakte gezondheidsindexcijfer van de consumptieprijzen van de maand april van het voorgaande jaar ten opzichte van het afgevlakte gezondheidsindexcijfer van de consumptieprijzen van de maand april in het door de Vlaamse Regering te bepalen jaar.6Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt met ingang van het door de Vlaamse Regering te bepalen kalenderjaar, ieder jaar op 1 januari aangepast aan de ontwikkeling van het afgevlakte gezondheidsindexcijfer van de consumptieprijzen van de maand april van het voorgaande jaar ten opzichte van het afgevlakte gezondheidsindexcijfer van de consumptieprijzen van de maand april in het door de Vlaamse Regering te bepalen jaar.
7§ 3. De zorgkas stelt de duur van de tegemoetkoming vast binnen de grenzen die de Vlaamse Regering bepaalt. Als de beslissing niet voor onbepaalde duur geldt, regelt de Vlaamse Regering de verlengingsprocedure van de beslissing.7§ 3. De zorgkas stelt de duur van de tegemoetkoming vast binnen de grenzen die de Vlaamse Regering bepaalt. Als de beslissing niet voor onbepaalde duur geldt, regelt de Vlaamse Regering de verlengingsprocedure van de beslissing.
+1 −0 decreet-2009-04-03/art. 14/1 nieuw
1De Vlaamse Regering kan, onder de voorwaarden die ze bepaalt en binnen de perken van de begrotingskredieten, een subsidie verlenen aan een of meer organisaties die ondersteunende of aanvullende dienstverlening bieden op vlak van onder meer methodiekontwikkeling, begeleiding en coaching, deskundigheidstransfer, innovatief optreden, documentaire onderbouw en kennisopbouw, en promotie van het vrijwilligerswerk.
+0 −0 decreet-2003-06-27/art. 28 opgeheven
+0 −6 decreet-2003-06-27/art. 29 opgeheven
1De middelen van het Fonds zijn:
21° de opbrengsten van de planbatenheffing, bedoeld in artikel 2.6.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, verschuldigd ingevolge de bestemmingswijzigingen van een perceel naar een zone bestemd voor bedrijven;
32° alle inkomsten voortvloeiend uit de activiteiten van het Fonds;
43° het gebeurlijke saldo op het einde van het begrotingsjaar op het Fonds;
54° de terugvorderingen voortvloeiend uit de ten onrechte gedane betalingen;
65° een eventuele dotatie ten laste van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap.
+0 −8 decreet-2003-06-27/art. 30 opgeheven
1De middelen van het Fonds kunnen uitsluitend aangewend worden voor de gehele of gedeeltelijke financiering of subsidiëring van:
21° alle waterkeringswerken, alle werken tot de aanleg, aanpassing of inrichting van overstromingsgebieden en wachtbekkens, en de bijhorende werken van natuurtechnische milieubouw;
32° de werken tot aanleg of aanpassing van de rechtstreekse toegang naar de in 1° bedoelde waterkeringswerken, overstromingsgebieden en wachtbekkens;
43° het aankopen en onteigenen zoals bedoeld in de artikelen 6 en 7 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen;
54° de uitvoering van de instrumenten inzake de verwerving van goederen zoals bedoeld in afdeling III, hoofdstuk III, titel I, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid;
65° de uitvoering van de bepalingen van het stroomgebiedsbeheersplan, het bekkenbeheersplan en het deel-bekkenbeheersplan, zoals bedoeld in titel I van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, die uitvoering geven aan artikel 5, 6°, van het decreet;
76° de werkingskosten eigen aan het Fonds;
87° de vergoedingen als gevolg van de aanduiding als watergevoelig openruimtegebied, zoals bedoeld in artikel 5.6.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
+0 −0 decreet-2003-06-27/art. 31 opgeheven
+0 −0 decreet-2003-06-27/art. 32 opgeheven
+2 −1 decreet-2021-04-23/art. 18
1Het budget voor de kortlopende subsidies vertegenwoordigt een bepaald minimumpercentage ten opzichte van het totale jaarlijkse kunstenbudget voor de subsidiëring van de instrumenten, vermeld in dit hoofdstuk en in hoofdstuk 4, afdeling 2.1Met uitsluiting van de toepassing van artikel 55 vertegenwoordigt het jaarlijkse budget voor de kortlopende subsidies een bepaald minimumpercentage ten opzichte van het totale jaarlijkse kunstenbudget voor de subsidiëring van de instrumenten, vermeld in dit hoofdstuk en in hoofdstuk 4, afdeling 2.
2Als het totale jaarlijkse kunstenbudget, vermeld in het eerste lid, tijdens de beleidsperiode wijzigt in het kader van het algemeen begrotingsbeleid of door een bijstelling omdat een organisatie de voorwaarden waaronder een werkingssubsidie werd toegekend niet naleeft, kan het budget voor de kortlopende subsidies, in afwijking van het eerste lid, in functie van deze wijziging evolueren.
2De Vlaamse Regering bepaalt het minimumpercentage, vermeld in het eerste lid.3De Vlaamse Regering bepaalt het minimumpercentage, vermeld in het eerste lid.
+1 −0 decreet-2018-02-09/art. 2
1Dit decreet is niet van toepassing op de gemeenten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.1Dit decreet is niet van toepassing op de gemeenten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.
2De Vlaamse Regering sluit een convenant met de Vlaamse Gemeenschapscommissie om de doelstellingen van dit decreet te realiseren in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.2De Vlaamse Regering sluit een convenant met de Vlaamse Gemeenschapscommissie om de doelstellingen van dit decreet te realiseren in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.
3De Vlaamse Regering kan, onder de voorwaarden die ze bepaalt en binnen de perken van de begrotingskredieten, een subsidie verlenen aan de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor de uitvoering van het convenant, vermeld in het tweede lid.
+1 −0 decreet-2018-02-09/art. 17
1De Vlaamse Regering bepaalt de Vlaamse beleidsprioriteiten waarvoor, binnen de perken van de begrotingskredieten, een subsidie aan de lokale besturen kan worden verleend voor de uitvoering van activiteiten conform de bepalingen van dit decreet of aan initiatieven of organisaties die lokale besturen bijstaan en ondersteunen bij de uitvoering van activiteiten conform de bepalingen van dit decreet.1De Vlaamse Regering bepaalt de Vlaamse beleidsprioriteiten waarvoor, binnen de perken van de begrotingskredieten, een subsidie aan de lokale besturen kan worden verleend voor de uitvoering van activiteiten conform de bepalingen van dit decreet of aan initiatieven of organisaties die lokale besturen bijstaan en ondersteunen bij de uitvoering van activiteiten conform de bepalingen van dit decreet.
2De Vlaamse Regering kan, onder de voorwaarden die ze bepaalt en binnen de perken van de begrotingskredieten, een subsidie verlenen aan organisaties die activiteiten organiseren of ondersteunen die zijn gericht op de vermaatschappelijking van de lokale sociale hulp- en dienstverlening of het verhogen van de toegang tot de sociale hulp- en dienstverlening en het aanpakken van de onderbescherming.
+1 −1 decreet-2008-07-10-1017082/art. 12bis
1De Vlaamse Regering kan een of meer advies- of beleidsparticipatieraden oprichten met het oog op de bevordering van de deskundigheid, vermeld in artikel 6, § 1, 4°, met betrekking tot de voorwaarden, vermeld in artikel 6, § 2. De Vlaamse Regering regelt de erkenning, opdracht, samenstelling en werkingvan die advies- en beleidsparticipatieraden.1De Vlaamse Regering kan een of meer advies- of beleidsparticipatieraden oprichten met het oog op de bevordering van de deskundigheid, vermeld in artikel 6, § 1, 4°, met betrekking tot de voorwaarden, vermeld in artikel 6, § 2. De Vlaamse Regering regelt de erkenning, opdracht, samenstelling, werking, subsidiëring, het toezicht en de sanctionering van die advies- en beleidsparticipatieraden.
+5 −4 decreet-1991-07-24/art. 16
1De belasting op de afgifte van de jachtverloven en de jachtvergunningen wordt vanaf het jachtseizoen 1992-1993 als volgt vastgesteld:1§1. De belasting op de afgifte van de jachtverloven en de jachtvergunningen wordt vanaf het jachtseizoen 1992-1993 als volgt vastgesteld:
21. voor het jachtverlof dat elke dag van het jachtseizoen geldig is: [150 euro (verv. decr. 21 december 2001, art. 35, I: 1 januari 2002)];21° voor het jachtverlof dat elke dag van het jachtseizoen geldig is: 175 euro;
32. voor het jachtverlof dat elke zondag van het jachtseizoen geldig is: [105 euro (verv. decr. 21 december 2001, art. 35, I: 1 januari 2002)];
43. voor de jachtvergunning die vijf vooraf bepaalde dagen in het jachtseizoen geldig is: [40 euro (verv. decr. 21 december 2001, art. 35, I: 1 januari 2002)];32° voor het jachtverlof dat elke zondag van het jachtseizoen geldig is: 120 euro; 3° voor de jachtvergunning die vijf vooraf bepaalde dagen in het jachtseizoen
4geldig is: 45 euro.
5§2. Het in paragraaf 1 vermelde bedrag wordt op 31 juli van het jaar 2023 en vervolgens in de daaropvolgende jaren op 31 juli jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex van de maand juni.
+4 −4 decreet-2021-12-23-1036369/art. 82
1§1. De Vlaamse Regering kan binnen de perken van de relanceprovisie lokale partnerschappen ondersteunen die tot doel hebben om het risico op digitale uitsluiting of achterstand van volwassen personen te verminderen.1§1. De Vlaamse Regering kan binnen de perken van de relanceprovisie lokale partnerschappen ondersteunen die tot doel hebben om het risico op digitale uitsluiting of achterstand van volwassen personen te verminderen.
2De projectondersteuning is gericht op gewest- en gemeenschapsbevoegdheden die al de volgende doelstellingen omvatten:2De projectondersteuning is gericht op gewest- en gemeenschapsbevoegdheden die al de volgende doelstellingen omvatten:
31° toegang verlenen tot digitale technologieën via het voorwaardelijk ter beschikking stellen van laptops, beeldschermen en diverse hardware;31° toegang verlenen tot digitale technologieën via het voorwaardelijk ter beschikking stellen van laptops, beeldschermen en diverse hardware;
42° via opleiding en kennisdeling persoonlijke of technische digitale vaardigheden aanleren;42° via opleiding en kennisdeling persoonlijke of technische digitale vaardigheden aanleren;
53° via begeleiding een verbeterde digitale toegang tot essentiële maatschappelijke diensten aanreiken.53° via begeleiding een verbeterde digitale toegang tot essentiële maatschappelijke diensten aanreiken.
6§2. De projectondersteuning loopt uiterlijk tot 31 december 2024.6§2. De projectondersteuning loopt uiterlijk tot 31 juli 2026.
7§3. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor de projectondersteuning nader.7§3. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor de projectondersteuning nader.
8§4. Het toezicht en de controle op de uitvoering van de projectondersteuning gebeuren conform het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht.8§4. Het toezicht en de controle op de uitvoering van de projectondersteuning gebeuren conform het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd