Decreet tot actualisering en opheffing van bepalingen uit de Codex Hoger Onderwijs
58 artikels gewijzigd
| 3 | 3 | § 2. Een instelling kan in de volgende gevallen beslissen dat in graduaatsopleidingen voor opleidingsonderdelen een andere onderwijstaal dan het Nederlands wordt gebruikt : | |
| 4 | 4 | 1° de opleidingsonderdelen die een vreemde taal tot onderwerp hebben en die in die taal worden gedoceerd; | |
| 5 | − | 2° de opleidingsonderdelen die gedoceerd worden door anderstalige gastprofessoren ; | |
| 5 | + | 2° de opleidingsonderdelen die gedoceerd worden door anderstalige gastprofessoren of gastdocenten; | |
| 6 | 6 | 3° de anderstalige opleidingsonderdelen die, op initiatief van de student en met instemming van de instelling, worden gevolgd aan een andere instelling voor hoger onderwijs; | |
| 7 | 7 | 4° de opleidingsonderdelen waar uit de expliciet gemotiveerde beslissing de meerwaarde voor de studenten en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding blijkt. | |
| 3 | 3 | §2. Een instelling kan in de volgende gevallen beslissen dat in initiële bachelor-en masteropleidingen voor opleidingsonderdelen een andere onderwijstaal dan het Nederlands wordt gebruikt: | |
| 4 | 4 | 1° de opleidingsonderdelen die een vreemde taal tot onderwerp hebben en die in die taal worden gedoceerd; | |
| 5 | − | 2° de opleidingsonderdelen die gedoceerd worden door anderstalige gastprofessoren ; | |
| 5 | + | 2° de opleidingsonderdelen die gedoceerd worden door anderstalige gastprofessoren of gastdocenten; | |
| 6 | 6 | 3° de anderstalige opleidingsonderdelen die, op initiatief van de student en met instemming van de instelling, worden gevolgd aan een andere instelling voor hoger onderwijs; | |
| 7 | 7 | 4° de opleidingsonderdelen waar uit de expliciet gemotiveerde beslissing de meerwaarde voor de studenten en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding blijkt. | |
| 1 | 1 | Het hogeschoolbestuur bepaalt samen met de begroting de formatie per ambt van het onderwijzend personeel en per graad van het administratief en technisch personeel dat ten laste van de werkingsuitkering wordt bezoldigd voor het volgende begrotingsjaar. De hogeschool stelt een afzonderlijke formatie op voor de personeelsleden toegewezen aan de Schools of Arts en voor de andere personeelsleden. Het deelt deze personeelsformaties binnen 14 dagen mee aan de Vlaamse Regering. De ambten op de personeelsformatie worden uitgedrukt in eenheden die overeenstemmen met voltijdse betrekkingen. De Vlaamse Regering kan hieromtrent nadere regels opstellen. | |
| 2 | − | De gastprofessoren en andere contractuele personeelsleden zijn niet opgenomen in de personeelsformatie. De hogeschool bezoldigt hen ten laste van de werkingsuitkering of ten laste van het patrimonium. | |
| 2 | + | De gastdocenten en andere contractuele personeelsleden zijn niet opgenomen in de personeelsformatie. De hogeschool bezoldigt hen ten laste van de werkingsuitkering of ten laste van het patrimonium. |
| 1 | 1 | In afwijking van de bepalingen van artikel IV.28 kunnen de personeelsleden die de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt en de voorwaarden voor vaste benoeming vervullen, op hun verzoek worden benoemd in de vacante betrekking. Deze bepaling geldt ten aanzien van de personeelsleden die op 1 januari 1995 in de hogeschool in dienst waren en ingevolge de uitoefening van een betrekking in vast verband in een instelling voor secundair onderwijs rechten kunnen laten gelden op een pensioen ten laste van de schatkist. | |
| 2 | − | In afwijking van de bepalingen van artikel IV.28 en V.141, §2 kan het hogeschoolbestuur een personeelslid benoemen dat de leeftijd van 55 jaar bereikt heeft en een aanstelling in een vacant ambt heeft. Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de voorwaarden waaronder deze benoeming mogelijk is. | |
| 2 | + | In afwijking van de bepalingen van artikel IV.28 en V.141/1 kan het hogeschoolbestuur een personeelslid benoemen dat de leeftijd van 55 jaar bereikt heeft en een aanstelling in een vacant ambt heeft. Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de voorwaarden waaronder deze benoeming mogelijk is. |
| 1 | − | In afwijking van artikel IV.28 en V.141, §2, kunnen voor de personeelsleden die gebruik maken van het overgangsstelsel inzake voltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen, tijdelijke personeelsleden zoals bedoeld in artikel V.264, 2° benoemd worden voor het volume waarvoor er een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen in het overgangsstelsel wordt toegekend. Elk personeelslid dat benoemd wordt, dient in het bezit te zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs. | |
| 1 | + | In afwijking van artikel IV.28 en V.141/1, kunnen voor de personeelsleden die gebruik maken van het overgangsstelsel inzake voltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen, tijdelijke personeelsleden zoals bedoeld in artikel V.264, 2° benoemd worden voor het volume waarvoor er een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen in het overgangsstelsel wordt toegekend. Elk personeelslid dat benoemd wordt, dient in het bezit te zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs. |
| 1 | − | §1. In afwijking van de bepalingen van artikel IV.28 en V.141, §2, kan het hogeschoolbestuur personeelsleden bedoeld in artikel V.264, 2°, op hun verzoek benoemen. Elk personeelslid dat benoemd wordt, dient in het bezit te zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs. | |
| 1 | + | §1. In afwijking van de bepalingen van artikel IV.28 en V.141/1, kan het hogeschoolbestuur personeelsleden bedoeld in artikel V.264, 2°, op hun verzoek benoemen. Elk personeelslid dat benoemd wordt, dient in het bezit te zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs. | |
| 2 | 2 | Deze benoeming is mogelijk in het ambt waarvoor zij overgangsmaatregelen genieten en voor het volume van de opdracht waarop zij krachtens artikel V.275 aanspraak kunnen maken. | |
| 3 | − | §2. In afwijking van de bepalingen van artikel IV.28 en V.141, §2, kan het hogeschoolbestuur personeelsleden zoals bedoeld in artikel V.264, 2°, die op 1 januari 1996 met toepassing van artikel V.262 werden geconcordeerd naar een ambt waarvoor zij niet in het bezit zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs, op hun verzoek benoemen in een ambt waarvoor zij wel het vereiste bekwaamheidsbewijs bezitten. | |
| 3 | + | §2. In afwijking van de bepalingen van artikel IV.28 en V.141/1, kan het hogeschoolbestuur personeelsleden zoals bedoeld in artikel V.264, 2°, die op 1 januari 1996 met toepassing van artikel V.262 werden geconcordeerd naar een ambt waarvoor zij niet in het bezit zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs, op hun verzoek benoemen in een ambt waarvoor zij wel het vereiste bekwaamheidsbewijs bezitten. | |
| 4 | 4 | Deze benoeming is mogelijk voor het volume van de opdracht waarop zij krachtens artikel V.275 aanspraak kunnen maken. Door deze benoeming verliezen deze personeelsleden het genot van de in artikel V.267 bedoelde overgangsmaatregelen en bekomen zij de salarisschaal verbonden aan het ambt waarin zij benoemd worden. |
| 5 | 5 | 4° de rechtspersonen zonder winstoogmerk die het beheer of de coördinatie van sociale voorzieningen tot doel hebben; | |
| 6 | 6 | 5° de rechtspersonen zonder winstoogmerk met een maatschappelijk doel gericht op onderzoek, de organisatie of coördinatie van contractonderwijs, sociaal-culturele dienstverlening of de organisatie of coördinatie van administratieve diensten of dienstverlening; | |
| 7 | − | 6° de rechtspersonen met als maatschappelijk doel het verwerven of beheren van gebouwen en infrastructuur bestemd voor onderwijs, onderzoek, wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening, verblijven van studenten, onderzoekers en gastprofessoren of voor de valorisatie van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. | |
| 7 | + | 6° de rechtspersonen met als maatschappelijk doel het verwerven of beheren van gebouwen en infrastructuur bestemd voor onderwijs, onderzoek, wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening, verblijven van studenten, onderzoekers, gastprofessoren en gastdocenten of voor de valorisatie van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. | |
| 8 | 8 | De bepalingen van het eerste lid doen geen afbreuk aan: | |
| 9 | 9 | 1° de bepalingen van deel 2, titel 1, hoofdstuk 2; | |
| 1 | 1 | In deze titel wordt verstaan onder: | |
| 2 | 2 | 1° academische hogeschoolopleidingen: de academische opleidingen die tot en met het academiejaar 2012-2013 aangeboden worden door de hogescholen en die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd worden in de universiteiten; | |
| 3 | + | 1°/1 familielid: één van de volgende personen: | |
| 4 | + | a) de echtgenoot van het personeelslid of de persoon met wie het perso-neelslid wettelijk samenwoont; | |
| 5 | + | b) een bloedverwant tot in de tweede graad; | |
| 6 | + | c) een aanverwant tot in de eerste graad; | |
| 7 | + | d) een bloedverwant tot in de eerste graad van de partner die ten minste twaalf maand feitelijk samenwoont met het personeelslid; | |
| 8 | + | 1°/2 flexibele werkregeling: een aanpassing van het bestaande werkpatroon van het personeelslid; | |
| 9 | + | 1°/3 gezinslid: elke persoon die met het personeelslid samenwoont; | |
| 10 | + | 1°/4 langdurige pleegzorg: pleegzorg waarvan bij aanvang duidelijk is dat het kind voor minstens zes maanden in hetzelfde pleeggezin bij dezelfde pleeg-ouders zal verblijven; | |
| 3 | 11 | 2° vakgebied: tak van de wetenschap waarover het zelfstandig academisch personeel onderwijs verstrekt, wetenschappelijk onderzoek verricht of wetenschappelijke dienstverlening verleent. |
| 1 | − | Assistenten hebben tot opdracht zich verder te bekwamen in de wetenschappen. Behoudens het bepaalde in artikel V.7, hebben zij als personeelslid het recht om door het verrichten van wetenschappelijk onderzoek of het ontvangen van academisch onderwijs ten minste de helft van hun werktijd aan de voorbereiding van een doctoraatsproefschrift te besteden. | |
| 1 | + | Assistenten hebben tot opdracht zich verder te bekwamen in de wetenschappen. Zij hebben als personeelslid het recht om door het verrichten van wetenschappelijk onderzoek of het ontvangen van academisch onderwijs ten minste de helft van hun werktijd aan de voorbereiding van een doctoraatsproefschrift te besteden. |
| 1 | + | §1. Een lid van het academisch personeel heeft het recht om voor een aaneenge-sloten periode van maximaal twaalf maanden een flexibele werkregeling aan te vragen om: | |
| 2 | + | 1° te zorgen voor een kind: | |
| 3 | + | a) omwille van de geboorte van een kind waarvan de afstamming langs de zijde van het personeelslid vaststaat, tot het kind 12 jaar wordt; | |
| 4 | + | b) omwille van de adoptie van een kind, tot het kind 12 jaar wordt; | |
| 5 | + | c) in geval van voogdij over een kind op grond van artikel 389 van het Burgerlijk Wetboek, tot het kind 12 jaar wordt; | |
| 6 | + | d) in geval van langdurige pleegzorg over een kind, tot het kind 12 jaar wordt; | |
| 7 | + | 2° persoonlijke zorg of steun te verlenen aan een welbepaald gezins- of familielid dat om een ernstige medische reden behoefte heeft aan een vorm van sociale, familiale of emotionele bijstand of verzorging. | |
| 8 | + | Het in het eerste lid, 1°, vermelde recht geldt ook voor het personeelslid dat getrouwd is met een persoon waarvan de afstamming van een kind vaststaat of dat samenwoont met een persoon waarvan de afstamming van een kind vaststaat en bij wie het kind gedomicilieerd is. | |
| 9 | + | De in het eerste lid, 1°, vermelde leeftijdsgrens van 12 jaar bedraagt 21 jaar wanneer het kind voor ten minste 66 procent getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag of dat ten minste 9 punten toegekend worden in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag. | |
| 10 | + | Aan de in het eerste lid, 1°, en het derde lid vermelde voorwaarde van de twaalfde of eenentwintigste verjaardag moet uiterlijk gedurende de periode van de flexibele werkregeling voldaan zijn. Als het personeelslid tijdig een verzoek tot flexibele werkregeling ingediend heeft en de uitvoering van de flexibele werkregeling uitgesteld is op voorstel van het universiteitsbestuur kan de voormelde voorwaarde van de twaalfde of eenentwintigste verjaardag overschre-den worden. | |
| 11 | + | §2. Een personeelslid dat een flexibele werkregeling voor zorgdoeleinden als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wil, bezorgt daarvoor minstens twee maanden en maximaal drie maanden vóór de gewenste begindatum een schriftelijke aanvraag aan het universiteitsbestuur. De voormelde termijn kan in onderling akkoord tussen het universiteitsbestuur en het personeelslid worden ingekort. | |
| 12 | + | De in het eerste lid vermelde aanvraag vermeldt de volgende elementen: | |
| 13 | + | 1° een verwijzing naar het in dit artikel opgenomen recht om een flexibele werkregeling aan te vragen; | |
| 14 | + | 2° het soort flexibele werkregeling dat wordt aangevraagd; | |
| 15 | + | 3° de begin- en einddatum van de flexibele werkregeling; | |
| 16 | + | 4° het in paragraaf 1, eerste lid, vermelde zorgdoeleinde waarvoor de flexibele werkregeling wordt aangevraagd. | |
| 17 | + | Het universiteitsbestuur heeft het recht om een document of documenten te vragen om het zorgdoeleinde te staven dat conform het tweede lid wordt ingeroepen. | |
| 18 | + | §3. Het universiteitsbestuur bezorgt het personeelslid een schriftelijk antwoord binnen dertig dagen nadat het universiteitsbestuur de aanvraag, vermeld in paragraaf 2, heeft ontvangen. Het universiteitsbestuur beslist over de voormelde aanvraag, rekening houdend met de behoeften van het personeelslid en de continuïteit van het onderwijs, het onderzoek en de dienstverlening. | |
| 19 | + | Het universiteitsbestuur kan de voormelde aanvraag inwilligen, weigeren of een gemotiveerd tegenvoorstel doen dat bestaat uit een andere flexibele werkregeling of een andere periode voor de uitoefening van de flexibele werkregeling. Het uitstel van een flexibele werkregeling mag niet tot gevolg hebben dat de flexibele werkregeling onmogelijk wordt. Als het universiteitsbe-stuur de voormelde aanvraag weigert, deelt het universiteitsbestuur de gemotiveerde weigeringsbeslissing schriftelijk mee aan het personeelslid. | |
| 20 | + | Als het universiteitsbestuur niet binnen dertig dagen antwoordt op de aan-vraag, vermeld in paragraaf 2, kan het personeelslid de aanvraag voor een flexibele werkregeling herhalen. Het uitblijven van een antwoord van het universiteitsbestuur op de hernieuwde aanvraag wordt gelijkgesteld met een akkoord. | |
| 21 | + | §4. Het personeelslid kan schriftelijk een gemotiveerde aanvraag indienen om de flexibele werkregeling vervroegd stop te zetten. Het universiteitsbestuur geeft binnen veertien dagen een gemotiveerd antwoord op de voormelde aanvraag. Het universiteitsbestuur kan een opzeggingstermijn vastleggen voor het voortijdig stopzetten van de flexibele werkregeling. | |
| 22 | + | §5. De personeelsleden hebben het recht om na afloop van de flexibele werkregeling het gangbare werkpatroon te hervatten. |
| 1 | 1 | Een deeltijdse opdracht wordt als een procentueel aandeel van een voltijdse opdracht bepaald. Voor het bepalen van een procentueel aandeel komt elke halve dag per week die besteed wordt ten dienste van de universiteit overeen met 10 %. Het procentuele aandeel omvat minstens 10 % van een voltijdse aanstelling en wordt altijd als een veelvoud van vijf uitgedrukt. | |
| 2 | − | In afwijking van het eerste lid bedraagt een deeltijdse opdracht van een lid van het zelfstandig academisch personeel die uitsluitend onderwijsactiviteiten omvat en van praktijkassistenten, ten minste 5 %. | |
| 2 | + | In afwijking van het eerste lid bedraagt een deeltijdse opdracht van een lid van het zelfstandig academisch personeel die uitsluitend onderwijsactiviteiten omvat en van praktijkassistenten, ten minste 5 %. De voormelde afwijking geldt ook voor een lid van het zelfstandig academisch personeel dat in uitvoering van een arbeidsovereenkomst of van een regle-ment over kliniekvergoedingen medische en paramedische activiteiten uitoe-fent in het universitair ziekenhuis dat deel uitmaakt van de eigen universiteit of daarvan afgesplitst is en omgevormd is tot een autonome rechtspersoon. | |
| 3 | + | De in het tweede lid vermelde afwijking is voor de Vrije Universiteit Brussel ook van toepassing op leden van het zelfstandig academisch personeel die verbonden zijn aan de tandheelkundige kliniek. |
| 1 | − | Het besluit tot benoeming of aanstelling van een lid van het zelfstandig academisch personeel moet gemotiveerd zijn. In het bijzonder moet de benoeming of aanstelling gegrond zijn op een vergelijking van de wetenschappelijke en de onderwijskundige kwaliteiten van de kandidaten in het betrokken vakgebied. Het universiteitsbestuur leeft de objectiviteit bij de selectie na. | |
| 1 | + | Het besluit tot benoeming of aanstelling van een lid van het zelfstandig academisch personeel moet gemotiveerd zijn. In het bijzonder moet de benoeming of aanstelling gegrond zijn op een vergelijking van de wetenschappelijke en de onderwijskundige kwaliteiten van de kandidaten in het betrokken vakgebied, en, desgevallend, hun wijze van functioneren. Het universiteitsbestuur leeft de objectiviteit bij de selectie na. | |
| 2 | 2 | Het benoemings- of aanstellingsbesluit vermeldt het vakgebied of de vakgebieden waarop het betrokken lid werkzaam zal zijn. Het universiteitsbestuur stelt bij de indiensttreding van ieder personeelslid vast of het al dan niet ten laste valt van de werkingsuitkeringen van de Vlaamse Gemeenschap. |
| 1 | 1 | Een lid van het zelfstandig academisch personeel met een voltijdse opdracht wordt benoemd. | |
| 2 | 2 | Een lid van het zelfstandig academisch personeel met een deeltijdse opdracht kan ofwel benoemd worden, ofwel tijdelijk worden aangesteld voor hernieuwbare termijnen van ten hoogste 6 jaar. | |
| 3 | − | Het universiteitsbestuur kan in geval van eerste benoeming tot lid van het zelfstandig academisch personeel de personen aanstellen in een tijdelijk dienstverband als lid van het zelfstandig academisch personeel voor een periode van ten hoogste 3 jaar met uitzicht op een vaste benoeming zonder nieuwe vacature, indien het universiteitsbestuur de prestaties van de betrokkene gunstig beoordeelt. In geval van zwangerschap of langdurige en ernstige ziekte tijdens de termijn van de aanstelling wordt op verzoek van het betrokken zelfstandig academisch personeelslid de aanstelling met een bijkomende termijn van een jaar verlengd. Als de beoordeling gunstig is, maar het betrokken personeelslid niet voldoet aan de taalvereiste, vermeld in artikel II.270, § 2, kan het personeelslid niet benoemd worden maar kan de aanstelling met een bijkomende termijn worden verlengd om het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal te bereiken. Als de termijn wordt verlengd, wordt het personeelslid in principe benoemd zonder nieuwe beoordeling van zodra het aan het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal voldoet. De totale duur van de initiële aanstelling en de bijkomende termijn mag niet meer dan 5 jaar bedragen. | |
| 3 | + | Het universiteitsbestuur kan in geval van eerste benoeming tot lid van het zelfstandig academisch personeel de personen aanstellen in een tijdelijk dienstverband als lid van het zelfstandig academisch personeel voor een periode van ten hoogste 3 jaar met uitzicht op een vaste benoeming zonder nieuwe vacature, indien het universiteitsbestuur de prestaties en de wijze van functioneren van de betrokkene gunstig beoordeelt. In geval van zwangerschap of langdurige en ernstige ziekte tijdens de termijn van de aanstelling wordt op verzoek van het betrokken zelfstandig academisch personeelslid de aanstelling met een bijkomende termijn van een jaar verlengd. Als de beoordeling gunstig is, maar het betrokken personeelslid niet voldoet aan de taalvereiste, vermeld in artikel II.270, § 2, kan het personeelslid niet benoemd worden maar kan de aanstelling met een bijkomende termijn worden verlengd om het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal te bereiken. Als de termijn wordt verlengd, wordt het personeelslid in principe benoemd zonder nieuwe beoordeling van zodra het aan het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal voldoet. De totale duur van de initiële aanstelling en de bijkomende termijn mag niet meer dan 5 jaar bedragen. |
| 1 | − | In afwijking van het bepaalde in artikel V.28 worden de in artikel V.3, tweede lid bedoelde docenten aangesteld voor een termijn van 5 jaar. Indien het universiteitsbestuur aan het einde van die termijn de prestaties van een docent gunstig beoordeelt, wordt het betrokken personeelslid zonder nieuwe vacature benoemd in de graad van hoofddocent. De beoordeling wordt grondig gemotiveerd op basis van de academische verdiensten van de docent in het tenure trackstelsel. | |
| 1 | + | In afwijking van het bepaalde in artikel V.28 worden de in artikel V.3, tweede lid bedoelde docenten aangesteld voor een termijn van 5 jaar. Indien het universiteitsbestuur aan het einde van die termijn de prestaties en de wijze van functioneren van een docent gunstig beoordeelt, wordt het betrokken personeelslid zonder nieuwe vacature benoemd in de graad van hoofddocent. | |
| 2 | − | Het universiteitsbestuur legt voorafgaandelijk de criteria vast voor de beoordeling van de docenten in het tenure trackstelsel en maakt deze in de universiteit bekend. | |
| 2 | + | Het universiteitsbestuur legt voorafgaandelijk de criteria vast voor de beoordeling van de docenten in het tenure trackstelsel en maakt deze in de universiteit bekend. De beoordeling wordt grondig gemotiveerd op basis van deze criteria. | |
| 3 | 3 | In geval van zwangerschap of langdurige en ernstige ziekte tijdens de termijn van de aanstelling wordt op verzoek van de betrokken docent de aanstelling met een bijkomende termijn van een jaar verlengd. |
| 1 | 1 | Behoudens het bepaalde in artikel V.31 en V.32 en behoudens bij vervangingsovereenkomsten worden leden van het assisterend academisch personeel aangesteld voor een termijn van 2 jaar, die tweemaal kan worden hernieuwd. Een verlenging van de aanstelling van een lid van het assisterend academisch personeel kan slechts na een gunstige evaluatie. | |
| 2 | − | Wanneer uitzonderlijk geachte omstandigheden zulks vereisen, kunnen zij voor een bijkomende termijn van een jaar worden aangesteld. In het geval van zwangerschap of langdurige en ernstige ziekte tijdens de eerste, de tweede of de derde termijn van het mandaat worden de assistenten voor een bijkomende termijn van een jaar aangesteld. Het mandaat wordt in ieder geval verlengd met een periode gelijk aan de duur die men tijdens het mandaat besteedde aan het volbrengen van de militie-verplichtingen of de vervangende burgerdienst. | |
| 2 | + | In geval van zwangerschap, een aaneengesloten periode van minstens tien weken afwezigheid wegens ziekte of voltijdse loopbaanonderbreking of een aaneengeslo-ten periode van minstens twintig weken halftijdse loopbaanonderbreking tijdens de eerste, tweede of derde termijn van het mandaat, wordt het mandaat van de assistent, na de tweede hernieuwing van de termijn, vermeld in het eerste lid, eenmalig met een bijkomende termijn van zes maanden tot een jaar verlengd op verzoek van het personeelslid. Als uitzonderlijke omstandigheden dat vereisen, kunnen assistenten na de tweede hernieuwing van de termijn, vermeld in het eerste lid, eenmalig voor een bijkomende termijn van een maand tot een jaar worden aangesteld. | |
| 3 | 3 | Voor de toepassing van deze mandaatsanciënniteit worden de jaren gepresteerd als mandaathouders van het Vlaams Instituut voor de Bevordering van het Wetenschappelijk-Technologisch Onderzoek in de Industrie, van het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek of als bursalen van het Instituut tot Aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in de Nijverheid en Landbouw of van andere door de Vlaamse Regering erkende instellingen voor wetenschappelijk onderzoek hiermee gelijkgesteld. Voor de berekening van de maximaal toelaatbare aanstellingsduur van assistenten bedoeld in het eerste lid, wordt de periode gedurende dewelke de betrokkene een stipendium van een universiteit in de Vlaamse Gemeenschap genoot voor de voorbereiding van een doctoraal proefschrift, in rekening gebracht. Bij wijze van overgangsmaatregel blijven de lopende aanstellingen doorlopen tot het einde van het tweejarig mandaat in het geval dat de maximaal toelaatbare aanstellingsduur overschreden is. |
| 1 | 1 | Doctor-assistenten worden aangesteld voor maximaal 2 termijnen van ten hoogste 3 jaar. | |
| 2 | 2 | De aanstelling voor de tweede periode kan slechts na een gunstige evaluatie van de geleverde wetenschappelijke onderzoeksprestaties. | |
| 3 | − | In geval van zwangerschap of langdurige en ernstige ziekte tijdens de eerste of de tweede termijn van het mandaat worden de doctor-assistenten voor een bijkomende termijn van een jaar aangesteld. | |
| 3 | + | In het geval van zwangerschap, een aaneensluitende periode van minstens tien weken afwezigheid wegens ziekte of voltijdse loopbaanonderbreking of een aaneensluitende periode van minstens twintig weken halftijdse loopbaanonderbre-king tijdens de eerste of tweede termijn van het mandaat, wordt het mandaat van de doctor-assistent na de tweede termijn, vermeld in het eerste lid, eenmalig met een bijkomende termijn van zes maanden tot een jaar verlengd op vraag van het personeelslid. |
| 1 | − | Het universiteitsbestuur legt de regels vast voor de evaluatie van de prestaties en de wijze van functioneren van de leden van het academisch personeel. | |
| 1 | + | Het universiteitsbestuur legt de regels vast voor de begeleiding en evaluatie van de prestaties en de wijze van functioneren van de leden van het academisch personeel. De regels waarborgen maximaal de rechten van het perso¬neelslid. | |
| 2 | − | Ten minste om de 5 jaar moet er een evaluatie plaatsvinden van de wijze waarop elk lid van het academisch personeel zijn taak heeft vervuld in de voorbije periode. De evaluatieprocedure moet voorzien in een beroepsmogelijkheid met onafhankelijke beroepsinstanties. De procedure moet de rechten van het personeelslid maximaal waarborgen. In afwijking van het bepaalde in de eerste volzin moet er evenwel een evaluatie plaatsvinden 3 jaar na de eerste aanstelling. | |
| 3 | − | Indien de geleverde prestaties en de bereikte resultaten als ondermaats worden geëvalueerd, kan het universiteitsbestuur besluiten dat de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende een jaar wordt gehalveerd. | |
| 4 | − | Indien het eindoordeel van een evaluatie “onvoldoende” is, kan het universiteitsbestuur de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende een jaar stopzetten. | |
| 5 | − | Als het eindoordeel van twee opeenvolgende evaluaties `onvoldoende' is of driemaal `onvoldoende' is in de loop van de beroepscarrière, kan het universiteitsbestuur het personeelslid in kwestie ontslaan. In die gevallen kent het universiteitsbestuur een opzeggingstermijn toe. De opzeggingstermijn bedraagt drie maanden voor het personeelslid dat minder dan vijf jaar anciënniteit heeft aan de universiteit. De termijn wordt verhoogd met drie maanden per begonnen periode van vijf jaar anciënniteit. Het universiteitsbestuur en het personeelslid in kwestie kunnen een langere of kortere opzeggingstermijn overeenkomen. | |
| 6 | − | De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van het ontslag. Het ontslag wordt betekend met een aangetekende brief en heeft uitwerking op de derde dag na de verzending. | |
| 7 | − | Het universiteitsbestuur kan beslissen dat het ontslag onmiddellijk ingaat. In dat geval betaalt het universiteitsbestuur een verbrekingsvergoeding die gelijk is aan het salaris dat overeenstemt met de duur van de berekende opzeggingstermijn. | |
| 8 | − | Met het oog op de opname van het personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering, worden tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding de nodige werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdragen gestort. Als die bijdragen niet volstaan, betaalt de universiteit de nog benodigde werkgevers- en werknemersbijdragen. | |
| 2 | + | Als vanuit de universiteit geen initiatief voor een opvolgingsgesprek genomen wordt, heeft het personeelslid eenmaal per jaar het recht om een opvolgingsge-sprek aan te vragen. Van een opvolgingsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen. |
| 1 | + | §1. Als op basis van een opvolgingsgesprek, vermeld in artikel V.46, blijkt dat er problemen zijn met de prestaties of de wijze van functioneren van een benoemd lid van het academisch personeel, kan er door de evaluator een eerste remediëringstraject opgestart worden. De termijn van het eerste remediëringstra-ject bedraagt ten minste negen maanden. | |
| 2 | + | Voor de opstart van het eerste remediëringstraject wordt een document opgemaakt waarin tenminste duidelijke afspraken opgenomen worden over de noodzakelijke werkpunten, de acties tot verbetering en de termijn van het traject. De beslissing over de werkpunten en over de termijn wordt gemotiveerd. Beide partijen ontvangen hier een schriftelijk of elektronisch exemplaar van, op een manier waarbij de ontvangstdatum duidelijk is. | |
| 3 | + | De termijn, vermeld in het eerste lid, bedraagt ten minste drie maanden indien de problemen, vermeld in het eerste lid, binnen een termijn van 24 maanden na het afsluiten van een tweede remediëringstraject, vermeld in paragraaf 2, terug opduiken. | |
| 4 | + | Het eerste remediëringstraject wordt afgesloten met een evaluatie. De evaluatie leidt tot een gemotiveerde conclusie “gunstig” of “ondermaats”. Beide partijen ontvangen een schriftelijk of elektronisch exemplaar van het evaluatiedo-cument, op een manier waarbij de ontvangstdatum duidelijk is. | |
| 5 | + | De conclusie “gunstig” betekent dat de prestaties en de wijze van functioneren van het personeelslid aan de aan de functie verbonden vereisten voldoen en dat het remediëringstraject eindigt. De conclusie “ondermaats” betekent dat de prestaties of de wijze van functioneren van het personeelslid niet aan alle aan de functie verbonden vereisten voldoen en dat er een tweede remediëringstraject nodig is. | |
| 6 | + | Een personeelslid kan bij een onafhankelijke beroepsinstantie binnen een redelijke termijn een beroep instellen tegen de conclusie “ondermaats”, vermeld in het vijfde lid. Het beroep schort de opstart van een tweede remediëringstraject niet op. | |
| 7 | + | §2. Na een conclusie “ondermaats”, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, wordt een tweede remediëringstraject opgestart. De termijn van het tweede remediëringstraject bedraagt ten minste drie maanden. | |
| 8 | + | Voor de opstart van het tweede remediëringstraject wordt een document opgemaakt waarin tenminste duidelijke afspraken opgenomen worden over de noodzakelijke werkpunten, de acties tot verbetering en de termijn van het traject. De beslissing over de werkpunten en over de termijn wordt gemotiveerd. Beide partijen ontvangen hier een schriftelijk of elektronisch exemplaar van, op een manier waarop de ontvangstdatum duidelijk is. | |
| 9 | + | Het tweede remediëringstraject wordt afgesloten met een evaluatie. De evaluatie leidt tot een gemotiveerde conclusie “gunstig” of “onvoldoende”. De conclusie “gunstig” betekent dat de prestaties en de wijze van functioneren van het personeelslid aan de aan de functie verbonden vereisten voldoen en dat het remediëringstraject eindigt. De conclusie “onvoldoende” betekent dat de prestaties of de wijze van functioneren van het personeelslid niet aan de aan de functie verbonden vereisten voldoen. Na de conclusie “onvoldoende” kan het universiteitsbestuur het personeelslid ontslaan. | |
| 10 | + | Een personeelslid kan bij een onafhankelijke beroepsinstantie binnen een redelijke termijn een beroep instellen tegen de conclusie “onvoldoende”, vermeld in het derde lid. Het beroep schort de uitvoering van het ontslag van het personeelslid of van andere maatregelen als gevolg van deze conclusie op. | |
| 11 | + | §3. Tijdens het eerste remediëringstraject, vermeld in paragraaf 1, en het tweede remediëringstraject, vermeld in paragraaf 2, kan de evaluator of het personeelslid een tussentijds gesprek met respectievelijk het personeelslid of de evaluator aanvragen. In dit gesprek wordt een tussentijdse evaluatie van het lopende remediëringstraject opgemaakt. Het gesprek kan leiden tot een van de volgende beslissingen: | |
| 12 | + | 1° het onveranderd voortzetten van het remediëringstraject; | |
| 13 | + | 2° het verlengen van de termijn van het remediëringstraject; | |
| 14 | + | 3° het aanpassen van de acties tot verbetering van de prestaties of de wijze van functioneren van het personeelslid; | |
| 15 | + | 4° het beëindigen van het remediëringstraject. Deze beslissing is alleen mogelijk als de evaluator oordeelt dat de prestaties en de wijze van functioneren van het personeelslid aan de aan de functie verbonden vereisten voldoen. | |
| 16 | + | §4. In geval van zwangerschap, een aaneengesloten periode van minstens tien weken afwezigheid wegens ziekte of voltijdse loopbaanonderbreking of een aaneengesloten periode van minstens twintig weken halftijdse loopbaanonderbreking tijdens het eerste remediëringstraject, vermeld in paragraaf 1, of het tweede remediëringstraject, vermeld in paragraaf 2, wordt het remediëringstraject opgeschort voor de duur van de afwezigheid. | |
| 17 | + | §5. In geval van een ontslag op grond van de eindconclusie “onvoldoende”, vermeld in paragraaf 2, kent het universiteitsbestuur een opzeggingstermijn toe. De opzeggingstermijn bedraagt drie maanden voor het personeelslid dat minder dan vijf jaar anciënniteit heeft aan de universiteit. De termijn wordt verhoogd met drie maanden per begonnen periode van vijf jaar anciënniteit. Het universiteitsbestuur en het personeelslid in kwestie kunnen een langere of kortere opzeggingstermijn overeenkomen. | |
| 18 | + | De opzeggingstermijn, vermeld in het eerste lid, gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van het ontslag. Het ontslag wordt betekend met een aangetekende brief en heeft uitwerking op de derde dag na de verzending. | |
| 19 | + | Het universiteitsbestuur kan beslissen dat het ontslag onmiddellijk ingaat. In dat geval betaalt het universiteitsbestuur een verbrekingsvergoeding die gelijk is aan het salaris dat overeenstemt met de duur van de berekende opzeggingstermijn. | |
| 20 | + | Met het oog op de opname van het personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering, worden tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding de nodige werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdragen gestort. Als die bijdragen niet volstaan, betaalt de universiteit de nog benodigde werkgevers- en werknemersbijdragen. |
| 1 | + | §1. Een lid van het administratief en technisch personeel heeft het recht om voor een aaneengesloten periode van maximaal twaalf maanden een flexibele werkregeling aan te vragen om: | |
| 2 | + | 1° te zorgen voor een kind: | |
| 3 | + | a) omwille van de geboorte van een kind waarvan de afstamming langs de zijde van het personeelslid vaststaat, tot het kind 12 jaar wordt; | |
| 4 | + | b) omwille van de adoptie van een kind, tot het kind 12 jaar wordt; | |
| 5 | + | c) in geval van voogdij over een kind op grond van artikel 389 van het Burgerlijk Wetboek, tot het kind 12 jaar wordt; | |
| 6 | + | d) in geval van langdurige pleegzorg over een kind, tot het kind 12 jaar wordt; | |
| 7 | + | 2° persoonlijke zorg of steun te verlenen aan een welbepaald gezins- of familielid dat om een ernstige medische reden behoefte heeft aan een vorm van sociale, familiale of emotionele bijstand of verzorging. | |
| 8 | + | Het in het eerste lid, 1°, vermelde recht geldt ook voor het personeelslid dat getrouwd is met een persoon waarvan de afstamming van een kind vaststaat of dat samenwoont met een persoon waarvan de afstamming van een kind vaststaat en bij wie het kind gedomicilieerd is. | |
| 9 | + | De in het eerste lid, 1°, vermelde leeftijdsgrens van 12 jaar bedraagt 21 jaar wanneer het kind voor ten minste 66 procent getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag of dat ten minste 9 punten toegekend worden in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag. | |
| 10 | + | Aan de in het eerste lid, 1°, en het derde lid vermelde voorwaarde van de twaalfde of eenentwintigste verjaardag moet uiterlijk gedurende de periode van de flexibele werkregeling voldaan zijn. Als het personeelslid tijdig een verzoek tot flexibele werkregeling ingediend heeft en de uitvoering van de flexibele werkregeling uitgesteld is op voorstel van het universiteitsbestuur kan de voormelde voorwaarde van de twaalfde of eenentwintigste verjaardag overschreden worden. | |
| 11 | + | §2. Een personeelslid dat een flexibele werkregeling voor zorgdoeleinden als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wil, bezorgt daarvoor minstens twee maanden en maximaal drie maanden vóór de gewenste begindatum een schriftelijke aanvraag aan het universiteitsbestuur. De voormelde termijn kan in onderling akkoord tussen het universiteitsbestuur en het personeelslid worden ingekort. | |
| 12 | + | De in het eerste lid vermelde aanvraag vermeldt de volgende elementen: | |
| 13 | + | 1° een verwijzing naar het in dit artikel opgenomen recht om een flexibele werkregeling aan te vragen; | |
| 14 | + | 2° het soort flexibele werkregeling dat wordt aangevraagd; | |
| 15 | + | 3° de begin- en einddatum van de flexibele werkregeling; | |
| 16 | + | 4° het in paragraaf 1, eerste lid, vermelde zorgdoeleinde waarvoor de flexibele werkregeling wordt aangevraagd. | |
| 17 | + | Het universiteitsbestuur heeft het recht om een document of documenten te vragen om het zorgdoeleinde te staven dat conform het tweede lid wordt ingeroepen. | |
| 18 | + | §3. Het universiteitsbestuur bezorgt het personeelslid een schriftelijk antwoord binnen dertig dagen nadat het universiteitsbestuur de aanvraag, vermeld in paragraaf 2, heeft ontvangen. Het universiteitsbestuur beslist over de voormelde aanvraag, rekening houdend met de behoeften van het personeelslid en de continuïteit van het onderwijs, het onderzoek en de dienstverlening. | |
| 19 | + | Het universiteitsbestuur kan de voormelde aanvraag inwilligen, weigeren of een gemotiveerd tegenvoorstel doen dat bestaat uit een andere flexibele werkregeling of een andere periode voor de uitoefening van de flexibele werkregeling. Het uitstel van een flexibele werkregeling mag niet tot gevolg hebben dat de flexibele werkregeling onmogelijk wordt. Als het universiteitsbe-stuur de voormelde aanvraag weigert, deelt het universiteitsbestuur de gemotiveerde weigeringsbeslissing schriftelijk mee aan het personeelslid. | |
| 20 | + | Als het universiteitsbestuur niet binnen dertig dagen antwoordt op de aan-vraag, vermeld in paragraaf 2, kan het personeelslid de aanvraag voor een flexibele werkregeling herhalen. Het uitblijven van een antwoord van het universiteitsbestuur op de hernieuwde aanvraag wordt gelijkgesteld met een akkoord. | |
| 21 | + | §4. Het personeelslid kan schriftelijk een gemotiveerde aanvraag indienen om de flexibele werkregeling vervroegd stop te zetten. Het universiteitsbestuur geeft binnen veertien dagen een gemotiveerd antwoord op de voormelde aanvraag. Het universiteitsbestuur kan een opzeggingstermijn vastleggen voor het voortijdig stopzetten van de flexibele werkregeling. | |
| 22 | + | §5. De personeelsleden hebben het recht om na afloop van de flexibele werkregeling het gangbare werkpatroon te hervatten. |
| 1 | − | Bij de aanwerving doorloopt het personeelslid een stage, respectievelijk een proefperiode van minimum een maand en maximum een jaar, naargelang de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspositieregeling van de universiteit. | |
| 1 | + | §1. Bij de aanwerving met het oog op een benoeming doorloopt het personeelslid een stage van zes maanden. | |
| 2 | + | In afwijking van het eerste lid bedraagt deze stage twaalf maanden voor de functies waarvoor dit vooraf objectief werd gemotiveerd op basis van de functie-inhoud, mits over deze functies voorafgaandelijk een akkoord wordt bereikt in het centraal onderhandelingscomité van de betrokken universiteit. | |
| 3 | + | De stageperiode zoals voorzien in het eerste en het tweede lid kan door het universiteitsbestuur gemotiveerd worden verlengd met een eenmalige termijn van maximum zes maanden wanneer het universiteitsbestuur vaststelt dat het personeelslid nog niet volledig voldoet aan de functieverwachtingen maar de werkpunten remedieerbaar zijn. Het personeelslid wordt geïnformeerd over dit voornemen en over de motivering, en heeft het recht te worden gehoord vooraleer de beslissing tot verlenging wordt genomen. | |
| 4 | + | Op verzoek van het betrokken stagedoend personeelslid of de leidinggevende wordt, in geval van afwezigheid van het stagedoend personeelslid tijdens de stageperiode, deze stageperiode eenmalig evenredig verlengd. Dergelijke verlenging is beperkt tot maximum eenzelfde termijn als de oorspronkelijke stageperiode. | |
| 5 | + | §2. De universiteit voorziet in een interne beroepsmogelijkheid bij een onafhanke-lijke beroepsinstantie. | |
| 6 | + | §3. In het geval het betrokken lid van het administratief en technisch personeel dezelfde functie al in contractueel dienstverband uitvoerde, wordt meteen overgegaan tot benoeming zonder stageperiode. |
| 1 | − | Het universiteitsbestuur legt een evaluatieprocedure vast met inbegrip van een beroepsmogelijkheid met onafhankelijke beroepsinstanties. De procedure moet de rechten van het personeelslid maximaal waarborgen. | |
| 2 | − | Ten minste om de 5 jaar vindt er een evaluatie plaats van de geleverde prestaties, de bereikte resultaten en de wijze van functioneren van elk lid van het administratief en technisch personeel, gerelateerd aan de functiebeschrijving en het functieprofiel. In afwijking van het bepaalde in de eerste volzin moet er evenwel een evaluatie plaatsvinden 3 jaar na de eerste aanstelling. | |
| 1 | + | Het universiteitsbestuur legt de regels vast voor de begeleiding en evaluatie van de prestaties en de wijze van functioneren van de leden van het administratief en technisch personeel. De regels waarborgen maximaal de rechten van het personeelslid. | |
| 3 | − | Indien de geleverde prestaties en de bereikte resultaten als ondermaats worden geëvalueerd, kan het universiteitsbestuur besluiten dat de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende een jaar wordt gehalveerd. | |
| 4 | − | Indien het eindoordeel van een evaluatie “onvoldoende” is, kan het universiteitsbestuur de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende een jaar stopzetten. | |
| 5 | − | Als de prestaties van een personeelslid als ondermaats of als onvoldoende worden beoordeeld, kan het universiteitsbestuur het personeelslid op zijn verzoek terugzetten in een lagere graad. | |
| 6 | − | Als het eindoordeel van twee opeenvolgende evaluaties `onvoldoende' is of driemaal `onvoldoende' is in de loop van de beroepscarrière, kan het universiteitsbestuur het personeelslid in kwestie ontslaan. In die gevallen kent het universiteitsbestuur een opzeggingstermijn toe. De opzeggingstermijn bedraagt drie maanden voor het personeelslid dat minder dan vijf jaar anciënniteit heeft aan de universiteit. De termijn wordt verhoogd met drie maanden per begonnen periode van vijf jaar anciënniteit. Het universiteitsbestuur en het personeelslid in kwestie kunnen een langere of kortere opzeggingstermijn overeenkomen. | |
| 7 | − | De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van het ontslag. Het ontslag wordt betekend met een aangetekende brief en heeft uitwerking op de derde dag na de verzending. | |
| 8 | − | Het universiteitsbestuur kan beslissen dat het ontslag onmiddellijk ingaat. In dat geval betaalt het universiteitsbestuur een verbrekingsvergoeding die gelijk is aan het salaris dat overeenstemt met de duur van de berekende opzeggingstermijn. | |
| 9 | − | Met het oog op de opname van het personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering, worden tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding de nodige werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdragen gestort. Als die bijdragen niet volstaan, betaalt de universiteit de nog benodigde werkgevers- en werknemersbijdragen.. | |
| 2 | + | Als vanuit de universiteit geen initiatief voor een opvolgingsgesprek genomen wordt, heeft het personeelslid eenmaal per jaar het recht om een opvolgingsge-sprek aan te vragen. Van een opvolgingsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen. |
| 1 | + | §1. Als op basis van een opvolgingsgesprek, vermeld in artikel V.46, blijkt dat er problemen zijn met de prestaties of de wijze van functioneren van een benoemd lid van het administratief en technisch personeel, kan er door de evaluator een eerste remediëringstraject opgestart worden. De termijn van het eerste remediëringstraject bedraagt ten minste negen maanden. | |
| 2 | + | Voor de opstart van het eerste remediëringstraject wordt een document opgemaakt waarin, rekening houdend met de specifieke omstandigheden, tenminste duidelijke afspraken opgenomen worden over de noodzakelijke werkpunten, de acties tot verbetering en de termijn van het traject. De beslissing over de werkpunten en de termijn wordt gemotiveerd. Beide partijen ontvangen hier een schriftelijk of elektronisch exemplaar van, op een manier waarop de ontvangstdatum duidelijk is. | |
| 3 | + | De termijn, vermeld in het eerste lid, bedraagt ten minste drie maanden indien de problemen, vermeld in het eerste lid, binnen een termijn van 24 maanden na het afsluiten van een tweede remediëringstraject, vermeld in paragraaf 2, terug opduiken. | |
| 4 | + | Het eerste remediëringstraject wordt afgesloten met een evaluatie. De evaluatie leidt tot een gemotiveerde conclusie “gunstig” of “ondermaats”. Beide partijen ontvangen een schriftelijk of elektronisch exemplaar van het evaluatiedo-cument, op een manier waarop de ontvangstdatum duidelijk is. | |
| 5 | + | De conclusie “gunstig” betekent dat de prestaties en de wijze van functioneren van het personeelslid aan de aan de functie verbonden vereisten voldoen en dat het remediëringstraject eindigt. De conclusie “ondermaats” betekent dat de prestaties of de wijze van functioneren van het personeelslid niet aan alle aan de functie verbonden vereisten voldoen en dat er een tweede remediëringstraject nodig is. | |
| 6 | + | Een personeelslid kan bij een onafhankelijke beroepsinstantie binnen een redelijke termijn een beroep instellen tegen de conclusie “ondermaats”, vermeld in het vierde lid. Het beroep schort de opstart van een tweede remediëringstraject niet op. | |
| 7 | + | §2. Na een conclusie “ondermaats”, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, wordt een tweede remediëringstraject opgestart. De termijn van het tweede remediëringstraject bedraagt ten minste drie maanden. | |
| 8 | + | Voor de opstart van het tweede remediëringstraject wordt een document opgemaakt waarin tenminste duidelijke afspraken opgenomen worden over de noodzakelijke werkpunten, de acties tot verbetering en de termijn van het traject. De beslissing over de werkpunten en over de termijn wordt gemotiveerd. Beide partijen ontvangen hier een schriftelijk of elektronisch exemplaar van, op een manier waarop de ontvangstdatum duidelijk is. | |
| 9 | + | Het tweede remediëringstraject wordt afgesloten met een evaluatie. De evaluatie leidt tot een gemotiveerde conclusie “gunstig” of “onvoldoende”. De conclusie “gunstig” betekent dat de prestaties en de wijze van functioneren van het personeelslid aan de aan de functie verbonden vereisten voldoen en dat het remediëringstraject eindigt. De conclusie “onvoldoende” betekent dat de prestaties of de wijze van functioneren van het personeelslid niet aan de aan de functie verbonden vereisten voldoen. Na de conclusie “onvoldoende” kan het universiteitsbestuur het personeelslid ontslaan. | |
| 10 | + | Een personeelslid kan bij een onafhankelijke beroepsinstantie binnen een redelijke termijn een beroep instellen tegen de conclusie “onvoldoende”, vermeld in het derde lid. Het beroep schort de uitvoering van het ontslag van het personeelslid of van andere maatregelen als gevolg van deze conclusie op. | |
| 11 | + | §3. Tijdens het eerste remediëringstraject, vermeld in paragraaf 1, en het tweede remediëringstraject, vermeld in paragraaf 2, kan de evaluator of het personeelslid een tussentijds gesprek met respectievelijk het personeelslid of de evaluator aanvragen. In dit gesprek wordt een tussentijdse evaluatie van het lopende remediëringstraject opgemaakt. Het gesprek kan leiden tot een van de volgende beslissingen: | |
| 12 | + | 1° het onveranderd voortzetten van het remediëringstraject; | |
| 13 | + | 2° het verlengen van de termijn van het remediëringstraject; | |
| 14 | + | 3° het aanpassen van de acties tot verbetering van de prestaties of de wijze van functioneren van het personeelslid; | |
| 15 | + | 4° het beëindigen van het remediëringstraject. Deze beslissing is alleen mogelijk als de evaluator oordeelt dat de prestaties en de wijze van functioneren van het personeelslid aan de aan de functie verbonden vereisten voldoen. | |
| 16 | + | §4. In geval van zwangerschap, een aaneengesloten periode van minstens tien weken afwezigheid wegens ziekte of voltijdse loopbaanonderbreking of een aaneengesloten periode van minstens twintig weken halftijdse loopbaanonderbre-king tijdens het eerste remediëringstraject, vermeld in paragraaf 1, of het tweede remediëringstraject, vermeld in paragraaf 2, wordt het remediëringstraject opgeschort voor de duur van de afwezigheid. | |
| 17 | + | §5. In geval van een ontslag op grond van de eindconclusie “onvoldoende”, vermeld in paragraaf 2, kent het universiteitsbestuur een opzeggingstermijn toe. De opzeggingstermijn bedraagt drie maanden voor het personeelslid dat minder dan vijf jaar anciënniteit heeft aan de universiteit. De termijn wordt verhoogd met drie maanden per begonnen periode van vijf jaar anciënniteit. Het universiteitsbestuur en het personeelslid in kwestie kunnen een langere of kortere opzeggingstermijn overeenkomen. | |
| 18 | + | De opzeggingstermijn, vermeld in het eerste lid, gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van het ontslag. Het ontslag wordt betekend met een aangetekende brief en heeft uitwerking op de derde dag na de verzending. | |
| 19 | + | Het universiteitsbestuur kan beslissen dat het ontslag onmiddellijk ingaat. In dat geval betaalt het universiteitsbestuur een verbrekingsvergoeding die gelijk is aan het salaris dat overeenstemt met de duur van de berekende opzeggingstermijn. | |
| 20 | + | Met het oog op de opname van het personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering, worden tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding de nodige werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdragen gestort. Als die bijdragen niet volstaan, betaalt de universiteit de nog benodigde werkgevers- en werknemersbijdragen. |
| 1 | − | Bij ontstentenis van een regeling opgenomen in een collectieve arbeids-overeenkomst of vastgesteld na onderhandeling in het bevoegde sectorcomité, is de regeling met betrekking tot de tucht, de administratieve standen, de toelaatbare onderbrekingen van de ambtsuitoefening op verzoek van het betreffende personeelslid wegens persoonlijke dan wel sociale redenen, en de definitieve ambtsneerlegging van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid van toepassing. | |
| 1 | + | Bij ontstentenis van een regeling opgenomen in een collectieve arbeidsovereenkomst of vastgesteld na onderhandeling in het bevoegde centraal onderhandelingscomité, is de regeling met betrekking tot de tucht, de administratieve standen, de toelaatbare onderbrekingen van de ambtsuitoefening op verzoek van het betreffende personeelslid wegens persoonlijke dan wel sociale redenen, en de definitieve ambtsneerlegging van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid van toepassing. | |
| 2 | − | Als de universiteiten een eigen tuchtregeling uitwerken, voorzien zij daarin in de mogelijkheid van een preventieve schorsing van het personeelslid in het belang van de dienst. Ten minste in de volgende gevallen kan daarbij een deel van het salaris worden ingehouden: | |
| 2 | + | Als de universiteiten een eigen tuchtregeling uitwerken, voorzien zij daarin in de mogelijkheid van een preventieve schorsing van het personeelslid in het belang van de dienst. Indien de universiteit na een melding van grensoverschrijdend gedrag formeel een onderzoek heeft opgestart, kan de betrokkene door het universiteitsbestuur preventief geschorst worden bij wijze van ordemaatregel. Ten minste in de volgende gevallen kan daarbij een deel van het salaris worden ingehouden: | |
| 3 | 3 | 1° wanneer het personeelslid strafrechtelijk vervolgd wordt; | |
| 4 | 4 | 2° wanneer het personeelslid tuchtrechtelijk vervolgd wordt wegens een ernstig vergrijp waarbij het personeelslid op heterdaad betrapt is of waarvoor er afdoende aanwijzingen zijn. | |
| 12 | 12 | 11° deeltijdse betrekking voor leden van het administratief en technisch personeel : een betrekking met een opdracht waarvan de omvang ten minste 10% van een voltijdse betrekking bedraagt; | |
| 13 | 13 | 12° deeltijdse betrekking voor leden van het onderwijzend personeel : een betrekking met een opdracht waarvan de omvang een procentueel aandeel van een voltijdse betrekking bedraagt. Het procentueel aandeel bedraagt ten minste 10% van een voltijdse betrekking, en wordt steeds uitgedrukt in een veelvoud van 5. Voor de bepaling van het procentueel aandeel komt elke halve dag per week die besteed wordt ten dienste van de hogeschool overeen met 10%; | |
| 14 | − | 13° diensturen : de tijd die de leden van het administratief en technisch personeel ambtshalve dienen te besteden aan de uitoefening van de opdracht waarmee zij door de hogeschool werden belast binnen het kader van de gangbare arbeidsduurregeling. | |
| 14 | + | 13° diensturen : de tijd die de leden van het administratief en technisch personeel ambtshalve dienen te besteden aan de uitoefening van de opdracht waarmee zij door de hogeschool werden belast binnen het kader van de gangbare arbeidsduurregeling; | |
| 15 | + | 13°/1 familielid: één van de volgende personen: | |
| 16 | + | a) de echtgenoot van het personeelslid of de persoon met wie het personeelslid wettelijk samenwoont; | |
| 17 | + | b) een bloedverwant tot in de tweede graad; | |
| 18 | + | c) een aanverwant tot in de eerste graad; | |
| 19 | + | d) een bloedverwant tot in de eerste graad van de partner die ten minste twaalf maand feitelijk samenwoont met het personeelslid; | |
| 20 | + | 13°/2 flexibele werkregeling: een aanpassing van het bestaande werkpa-troon van het personeelslid; | |
| 15 | 21 | 14° geldelijke anciënniteit : het totaal van de in aanmerking komende diensten voor de vaststelling van het salaris van het personeelslid; | |
| 22 | + | 14°/1 gezinslid: elke persoon die met het personeelslid samenwoont; | |
| 16 | 23 | 15° inschaling : het toekennen van een salarisschaal, met inbegrip van geldelijke anciënniteit, aan een personeelslid; | |
| 24 | + | 15°/1 langdurige pleegzorg: pleegzorg waarvan bij aanvang duidelijk is dat het kind voor minstens zes maanden in hetzelfde pleeggezin bij dezelfde pleegouders zal verblijven; | |
| 17 | 25 | 16° mandaat : een bijzondere taak die tijdelijk aan een personeelslid toegewezen wordt krachtens een bijzondere machtiging van het hogeschoolbestuur; | |
| 18 | 26 | 17° nevenactiviteiten : elke bezigheid door een personeelslid uitgeoefend naast de opdracht waarvoor het ten principale titel aangesteld of benoemd is aan de hogeschool; | |
| 1 | 1 | Niemand kan ter beschikking worden gesteld of gehouden na het einde van de maand waarin hij of zij aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist en 30 dienstjaren telt die in aanmerking komen voor de berekening van het rustpensioen. | |
| 2 | + | Het eerste lid is niet van toepassing op personeelsleden die gedeeltelijk ter beschikking gesteld zijn wegens ziekte of gebrekkigheid tijdens een verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte. |
| 1 | + | Het hogeschoolbestuur legt de regels vast voor de begeleiding en evaluatie van de prestaties en de wijze van functioneren van de leden van het personeel, bezoldigd ten laste van de werkingsuitkeringen van de Vlaamse Gemeenschap. De regels waarborgen maximaal de rechten van het personeelslid. | |
| 2 | + | Als vanuit de hogeschool geen initiatief voor een opvolgingsgesprek genomen wordt, heeft het personeelslid eenmaal per jaar het recht om een opvolgingsge-sprek aan te vragen. Van een opvolgingsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen. |
| 1 | + | §1. Als op basis van een opvolgingsgesprek, vermeld in artikel V.92/1, blijkt dat er problemen zijn met de prestaties of de wijze van functioneren van een benoemd lid van het personeel kan er door de evaluator een eerste remediëringstraject opgestart worden. De termijn van het eerste remediëringstraject bedraagt ten minste negen maanden. | |
| 2 | + | Voor de opstart van het eerste remediëringstraject wordt een document opgemaakt waarin tenminste duidelijke afspraken opgenomen worden over de noodzakelijke werkpunten, de acties tot verbetering en de termijn van het traject. De beslissing over de werkpunten en de termijn wordt gemotiveerd. Beide partijen ontvangen hier een schriftelijk of elektronisch exemplaar van, op een manier waarop de ontvangstdatum duidelijk is. | |
| 3 | + | De termijn, vermeld in het eerste lid, bedraagt ten minste drie maanden indien de problemen, vermeld in het eerste lid, binnen een termijn van 24 maanden na het afsluiten van een tweede remediëringstraject, vermeld in paragraaf 2, terug opduiken. | |
| 4 | + | Het eerste remediëringstraject wordt afgesloten met een evaluatie. De evaluatie leidt tot een gemotiveerde conclusie “gunstig” of “ondermaats”. Beide partijen ontvangen een schriftelijk of elektronisch exemplaar van het evaluatiedocument, op een manier waarop de ontvangstdatum duidelijk is. | |
| 5 | + | De conclusie “gunstig” betekent dat de prestaties en de wijze van functioneren van het personeelslid aan de aan de functie verbonden vereisten voldoen en dat het remediëringstraject eindigt. De conclusie “ondermaats” betekent dat de prestaties of de wijze van functioneren van het personeelslid niet aan alle aan de functie verbonden vereisten voldoen en dat er een tweede remediëringstraject nodig is. | |
| 6 | + | Een personeelslid kan een beroep instellen tegen de conclusie “ondermaats”, vermeld in het vierde lid. Het beroep schort de opstart van een tweede remediëringstraject niet op. | |
| 7 | + | §2. Na een conclusie “ondermaats”, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, wordt een tweede remediëringstraject opgestart. De termijn van het tweede remediëringstraject bedraagt ten minste drie maanden. | |
| 8 | + | Voor de opstart van het tweede remediëringstraject wordt een document opgemaakt waarin tenminste duidelijke afspraken opgenomen worden over de noodzakelijke werkpunten, de acties tot verbetering en de termijn van het traject. De beslissing over de werkpunten en de termijn wordt gemotiveerd. Beide partijen ontvangen hier een schriftelijk of elektronisch exemplaar van, op een manier waarop de ontvangstdatum duidelijk is. | |
| 9 | + | Het tweede remediëringstraject wordt afgesloten met een evaluatie. De evaluatie leidt tot een gemotiveerde conclusie “gunstig” of “onvoldoende”. De conclusie “gunstig” betekent dat de prestaties en de wijze van functioneren van het personeelslid aan de aan de functie verbonden vereisten voldoen en dat het remediëringstraject eindigt. De conclusie “onvoldoende” betekent dat de prestaties of de wijze van functioneren van het personeelslid niet aan de aan de functie verbonden vereisten voldoen. Na de conclusie “onvoldoende” kan het hogeschool-bestuur het personeelslid ontslaan. | |
| 10 | + | Een personeelslid kan een beroep instellen tegen de conclusie “onvoldoende”, vermeld in het derde lid. Het beroep schort de uitvoering van het ontslag van het personeelslid of van andere maatregelen als gevolg van deze conclusie op. | |
| 11 | + | §3. Tijdens het eerste remediëringstraject, vermeld in paragraaf 1, en het tweede remediëringstraject, vermeld in paragraaf 2, kan de evaluator of het personeelslid een tussentijds gesprek met respectievelijk het personeelslid of de evaluator aanvragen. In dit gesprek wordt een tussentijdse evaluatie van het lopende remediëringstraject opgemaakt. Het gesprek kan leiden tot een van de volgende beslissingen: | |
| 12 | + | 1° het onveranderd voortzetten van het remediëringstraject; | |
| 13 | + | 2° het verlengen van de termijn van het remediëringstraject; | |
| 14 | + | 3° het aanpassen van de acties tot verbetering van de prestaties of de wijze van functioneren van het personeelslid; | |
| 15 | + | 4° het beëindigen van het remediëringstraject. Deze beslissing is alleen mogelijk als de evaluator oordeelt dat de prestaties en de wijze van functioneren van het personeelslid aan de aan de functie verbonden vereisten voldoen. | |
| 16 | + | §4. In geval van zwangerschap, een aaneengesloten periode van minstens tien weken afwezigheid wegens ziekte of voltijdse loopbaanonderbreking of een aaneengesloten periode van minstens twintig weken halftijdse loopbaanonderbreking tijdens het eerste remediëringstraject, vermeld in paragraaf 1, of het tweede remediëringstraject, vermeld in paragraaf 2, kan het remediëringstraject op verzoek van het personeelslid met een bijkomende termijn verlengd worden. Het verzoek wordt voor het einde van het lopende remediëringstraject bij het hogeschoolbestuur ingediend. De bijkomende termijn bedraagt maximaal de termijn van het lopende remediëringstraject. |
| 1 | + | §1. Als op basis van een opvolgingsgesprek, vermeld in artikel V.92/1, blijkt dat er problemen zijn met de prestaties of de wijze van functioneren van een tijdelijk lid van het personeel met een ambtsanciënniteit van ten minste acht jaar, kan er door de evaluator een remediëringstraject opgestart worden. Voor een tijdelijk personeelslid met een ambtsanciënniteit van ten minste acht jaar bedraagt de termijn van het remediëringstraject ten minste vier maanden. Voor een tijdelijk personeelslid met een ambtsanciënniteit van ten minste tien jaar bedraagt de termijn van het remediëringstraject ten minste zes maanden. | |
| 2 | + | Voor de opstart van het remediëringstraject wordt een document opgemaakt waarin tenminste duidelijke afspraken opgenomen worden over de noodzakelijke werkpunten, de acties tot verbetering en de termijn van het traject. De beslissing over de werkpunten en de termijn wordt gemotiveerd. Beide partijen ontvangen hier een schriftelijk of elektronisch exemplaar van, op een manier waarop de ontvangstdatum duidelijk is. | |
| 3 | + | Het remediëringstraject wordt afgesloten met een evaluatie. De evaluatie leidt tot een gemotiveerde conclusie “gunstig” of “onvoldoende”. De conclusie “gunstig” betekent dat de prestaties en de wijze van functioneren van het personeelslid aan de aan de functie verbonden vereisten voldoen en dat het remediëringstraject eindigt. De conclusie “onvoldoende” betekent dat de prestaties of de wijze van functioneren van het personeelslid niet aan de aan de functie verbonden vereisten voldoen. Na de conclusie “onvoldoende” kan het hogeschoolbestuur het personeelslid ontslaan. | |
| 4 | + | Een personeelslid kan een beroep instellen tegen de conclusie “onvoldoende”, vermeld in het derde lid. Het beroep schort de uitvoering van het ontslag van het personeelslid of van andere maatregelen als gevolg van deze conclusie op. | |
| 5 | + | §2. Tijdens het remediëringstraject, vermeld in paragraaf 1, kan de evaluator of het personeelslid een tussentijds gesprek met respectievelijk het personeelslid of de evaluator aanvragen. In dit gesprek wordt een tussentijdse evaluatie van het lopende remediëringstraject opgemaakt. Het gesprek kan leiden tot een van de volgende beslissingen: | |
| 6 | + | 1° het onveranderd voortzetten van het remediëringstraject; | |
| 7 | + | 2° het verlengen van de termijn van het remediëringstraject; | |
| 8 | + | 3° het aanpassen van de acties tot verbetering van de prestaties of de wijze van functioneren van het personeelslid; | |
| 9 | + | 4° het beëindigen van het remediëringstraject. Deze beslissing is alleen mogelijk als de evaluator oordeelt dat de prestaties en de wijze van functioneren van het personeelslid aan de aan de functie verbonden vereisten voldoen. |
| 1 | 1 | §1. Het hogeschoolbestuur legt een evaluatieregeling vast, met inbegrip van de evaluatieprocedure en de werking van het college van beroep inzake evaluatie. De criteria die hierbij gehanteerd worden en de manier waarop de evaluatie tot stand komt, zijn voorwerp van onderhandeling in het hogeschoolonderhandelingscomité. | |
| 2 | − | §2. De evaluatie is verplicht voor elk personeelslid en gebeurt minstens vijfjaarlijks, behalve wanneer het personeelslid de evaluatie "onvoldoende" toegewezen krijgt. In dit geval dient na een jaar een nieuwe evaluatie te gebeuren. In afwijking van de termijn van 5 jaar, gebeurt de eerste evaluatie van het personeelslid na de eerste aanstelling na maximum 3 jaar. | |
| 2 | + | §2. De evaluatie van een benoemd personeelslid volgt op een remediëringstraject, vermeld in artikel V.92/2. De evaluatie van een tijdelijk personeelslid met een ambtsanciënniteit van ten minste acht jaar volgt op een remediëringstraject, vermeld in artikel V.92/3. | |
| 3 | + | Het hogeschoolbestuur bepaalt in het evaluatiereglement, vermeld in pa-ragraaf 1, wanneer er een evaluatie plaatsvindt van een personeelslid dat niet onder de toepassing van het eerste lid valt. | |
| 3 | − | §3. Indien een evaluatie "onvoldoende" wordt toegekend, kan het betrokken personeelslid binnen een termijn van 15 kalenderdagen beroep aantekenen tegen deze beslissing bij het college van beroep inzake evaluatie. | |
| 4 | + | §3. Indien een evaluatie ondermaats” of "onvoldoende" wordt toegekend, kan het betrokken personeelslid binnen een termijn van 15 kalenderdagen beroep aantekenen tegen deze beslissing bij het college van beroep inzake evaluatie. | |
| 4 | 5 | Het hogeschoolbestuur richt een college van beroep inzake evaluatie op. Dit college bestaat uit 5 leden en 5 plaatsvervangende leden, al dan niet personeelsleden van de hogeschool. Zij worden aangeduid voor een termijn van 4 jaar door het hogeschoolbestuur, waarbij het hogeschoolonderhandelingscomité moet instemmen met 3 van de 5 leden en 3 van de 5 plaatsvervangende leden. Personeelsleden die betrokken waren bij de evaluatie die aanleiding gegeven heeft tot het aantekenen van het beroep, kunnen geen zitting hebben in het college van beroep. Wanneer er tijdens de mandaatstermijn een einde komt aan het mandaat van een effectief of plaatsvervangend lid, duidt het hogeschoolbestuur een vervanger aan voor de resterende termijn van het mandaat. Dit zonder afbreuk te doen aan het vooropgestelde aantal leden die instemming moeten krijgen van het hogeschoolonderhandelingscomité. | |
| 5 | − | Zolang in de hogeschool geen college van beroep is opgericht, kan geen evaluatie "onvoldoende" worden toegekend. | |
| 6 | + | Zolang in de hogeschool geen college van beroep is opgericht, kan geen evaluatie ondermaats” of "onvoldoende" worden toegekend. | |
| 6 | − | §4. De evaluatie "onvoldoende" is definitief indien de termijn waarin is voorzien voor het instellen van een beroep is verstreken of nadat in beroep een definitieve beslissing werd genomen. | |
| 7 | + | §4. De evaluatie “ondermaats” en "onvoldoende" is definitief indien de termijn waarin is voorzien voor het instellen van een beroep is verstreken of nadat in beroep een definitieve beslissing werd genomen. | |
| 7 | − | §5. Op elke evaluatie die niet eindigt met een "onvoldoende" kan de betrokkene schriftelijk reageren. Deze schriftelijke reactie wordt aan het evaluatiedossier toegevoegd. | |
| 8 | + | §5. Op elke evaluatie die niet eindigt met een “ondermaats” of "onvoldoende" kan de betrokkene schriftelijk reageren. Deze schriftelijke reactie wordt aan het evaluatiedossier toegevoegd. | |
| 8 | 9 | §6. De evaluatie van het onderwijzend personeel belast met de opleidingsonderdelen godsdienst en niet-confessionele zedenleer behoort, voor wat betreft de vakinhoudelijke aspecten van deze opleidingsonderdelen, tot de bevoegdheid van de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. |
| 1 | − | De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op de gastprofessoren. | |
| 1 | + | De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op de gastdocenten. |
| 13 | 13 | De opzeggingstermijn wordt herleid tot 7 dagen indien het een personeelslid betreft dat is aangesteld voor een periode van minder dan 12 maanden en indien dit personeelslid de evaluatie "onvoldoende" heeft gekregen voor het ambt waarop de evaluatie betrekking heeft. | |
| 14 | 14 | Wanneer het hogeschoolbestuur een einde maakt aan de aanstelling van een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1 naar de hogeschool overgegaan is, wordt voor het bepalen van de opzeggingstermijn ook rekening gehouden met de dienstanciënniteit die het personeelslid in het hoger beroepsonderwijs of de specifieke lerarenopleiding aan het centrum voor volwassenenonderwijs opgebouwd heeft. | |
| 15 | + | §3. Behalve om redenen die vreemd zijn aan de uitoefening van de volgende rechten mag het hogeschoolbestuur in afwijking van paragraaf 2 geen handelingen stellen die eenzijdig een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid dat gebruik maakt van een van die rechten: | |
| 16 | + | 1° het recht op geboorteverlof, vermeld in artikel 7/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool; | |
| 17 | + | 2° het recht op ouderschapsverlof, vermeld in artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool; | |
| 18 | + | 3° het recht op zorgverlof, vermeld in artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool; | |
| 19 | + | 4° het recht om een flexibele werkregeling aan te vragen, vermeld in artikel V.116/6; | |
| 20 | + | 5° het recht om een nevenactiviteit uit te oefenen, binnen de grenzen van de cumulatieregeling en de regeling rond onverenigbaarheden, vermeld in hoofd-stuk 2, afdeling 6 en 7, en in hoofdstuk 3, afdeling 6; | |
| 21 | + | 6° het recht op een ambtswijziging, vermeld in artikel V.108. | |
| 22 | + | Het verbod, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag van de aanvraag van een van de rechten, vermeld in het eerste lid, 1° en 3° tot en met 5°, of de geboorte van het kind bij ouderschapsverlof als vermeld in het eerste lid, 2°, en eindigt dertig dagen na de uiterste datum van de uitoefening van het recht. | |
| 23 | + | Het hogeschoolbestuur deelt het personeelslid schriftelijk mee wat de redenen voor het ontslag zijn. Als de ingeroepen redenen niet vreemd zijn aan de uitoefening van het recht waarvan het personeelslid gebruik maakt of als er geen reden opgegeven is, betaalt het hogeschoolbestuur aan het personeelslid aanvullend op de opzegtermijn of -vergoeding een forfaitaire vergoeding die gelijk is aan het brutoloon voor zes maanden. De voormelde vergoeding mag bij het ontslag van een personeelslid dat gebruik maakt van de rechten, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 5°, niet samen genoten worden met andere vergoedingen die in het kader van een bijzondere beschermingsprocedure tegen ontslag zijn bepaald. | |
| 24 | + | Elke handeling van het hogeschoolbestuur na afloop van de periode, vermeld in het tweede lid, die als doel heeft om de aanstelling te beëindigen waarvoor tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, voorbereidingen zijn getroffen, wordt gelijkgesteld met een ontslag door het hogeschoolbestuur als vermeld in het eerste lid. Onder het voormelde treffen van enige voorbereiding wordt ook het nemen van de ontslagbeslissing begrepen. | |
| 11 | 11 | §2. Voor de benoemde personeelsleden geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging: | |
| 12 | 12 | 1° het ontslag als gevolg van een tuchtmaatregel; | |
| 13 | − | 2° indien hij gedurende 2 opeenvolgende academiejaren of 5 keer in zijn loopbaan binnen de hogeschool de evaluatie "onvoldoende" heeft gekregen voor het ambt waarop de evaluatie betrekking heeft. | |
| 13 | + | 2° het ontslag als gevolg van een evaluatie “onvoldoende”. | |
| 14 | 14 | In de gevallen, vermeld in het eerste lid, kent het hogeschoolbestuur een opzeggingstermijn toe. De opzeggingstermijn bedraagt drie maanden voor het personeelslid dat minder dan vijf jaar anciënniteit heeft in de hogeschool in kwestie of haar rechtsvoorganger. De termijn wordt verhoogd met drie maanden per begonnen schijf van vijf jaar anciënniteit. Het hogeschoolbestuur en het personeelslid in kwestie kunnen een langere of kortere opzeggingstermijn overeenkomen. | |
| 15 | 15 | De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van het ontslag. Het ontslag wordt betekend met een aangetekende brief en heeft uitwerking op de derde dag na de verzending. | |
| 1 | + | §1. Een personeelslid heeft het recht om voor een aaneengesloten periode van maximaal twaalf maanden een flexibele werkregeling aan te vragen om: | |
| 2 | + | 1° te zorgen voor een kind: | |
| 3 | + | a) omwille van de geboorte van een kind waarvan de afstamming langs de zijde van het personeelslid vaststaat, tot het kind 12 jaar wordt; | |
| 4 | + | b) omwille van de adoptie van een kind, tot het kind 12 jaar wordt; | |
| 5 | + | c) in geval van voogdij over een kind op grond van artikel 389 van het Burgerlijk Wetboek, tot het kind 12 jaar wordt; | |
| 6 | + | d) in geval van langdurige pleegzorg over een kind, tot het kind 12 jaar wordt; | |
| 7 | + | 2° persoonlijke zorg of steun te verlenen aan een welbepaald gezins- of familielid dat om een ernstige medische reden behoefte heeft aan een vorm van sociale, familiale of emotionele bijstand of verzorging. | |
| 8 | + | Het in het eerste lid, 1°, vermelde recht geldt ook voor het personeelslid dat getrouwd is met een persoon waarvan de afstamming van een kind vaststaat of dat samenwoont met een persoon waarvan de afstamming van een kind vaststaat en bij wie het kind gedomicilieerd is. | |
| 9 | + | De in het eerste lid, 1°, vermelde leeftijdsgrens van 12 jaar bedraagt 21 jaar wanneer het kind voor ten minste 66 procent getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag of dat ten minste 9 punten toegekend worden in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag. | |
| 10 | + | Aan de in het eerste lid, 1°, en het derde lid vermelde voorwaarde van de twaalfde of eenentwintigste verjaardag moet uiterlijk gedurende de periode van de flexibele werkregeling voldaan zijn. Als het personeelslid tijdig een verzoek tot flexibele werkregeling ingediend heeft en de uitvoering van de flexibele werkregeling uitgesteld is op voorstel van het hogeschoolbestuur kan de voormelde voorwaarden van de twaalfde of eenentwintigste verjaardag overschreden worden. | |
| 11 | + | §2. Een personeelslid dat een flexibele werkregeling voor zorgdoeleinden als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wil, bezorgt daarvoor minstens twee maanden en maximaal drie maanden vóór de gewenste begindatum een schriftelijke aanvraag aan het hogeschoolbestuur. De voormelde termijn kan in onderling akkoord tussen het hogeschoolbestuur en het personeelslid worden ingekort. | |
| 12 | + | De in het eerste lid vermelde aanvraag vermeldt de volgende elementen: | |
| 13 | + | 1° een verwijzing naar het in dit artikel opgenomen recht om een flexibele werkregeling aan te vragen; | |
| 14 | + | 2° het soort flexibele werkregeling dat wordt aangevraagd; | |
| 15 | + | 3° de begin- en einddatum van de flexibele werkregeling; | |
| 16 | + | 4° het in paragraaf 1, eerste lid, vermelde zorgdoeleinde waarvoor de flexibele werkregeling wordt aangevraagd. | |
| 17 | + | Het hogeschoolbestuur heeft het recht om een document of documenten te vragen om het zorgdoeleinde te staven dat conform het tweede lid wordt ingeroepen. | |
| 18 | + | §3. Het hogeschoolbestuur bezorgt het personeelslid een schriftelijk antwoord binnen dertig dagen nadat het hogeschoolbestuur de aanvraag, vermeld in paragraaf 2, heeft ontvangen. Het hogeschoolbestuur beslist over de voormelde aanvraag, rekening houdend met de behoeften van het personeelslid en de continuïteit van het onderwijs, het onderzoek en de dienstverlening. | |
| 19 | + | Het hogeschoolbestuur kan de voormelde aanvraag inwilligen, weigeren of een gemotiveerd tegenvoorstel doen dat bestaat uit een andere flexibele werkregeling of een andere periode voor de uitoefening van de flexibele werkregeling. Het uitstel van een flexibele werkregeling mag niet tot gevolg hebben dat de flexibele werkregeling onmogelijk wordt. Als het hogeschoolbestuur de voormelde aanvraag weigert, deelt het hogeschoolbestuur de gemotiveerde weigeringsbeslissing schriftelijk mee aan het personeelslid. | |
| 20 | + | Als het hogeschoolbestuur niet binnen dertig dagen antwoordt op de aanvraag, vermeld in paragraaf 2, kan het personeelslid de aanvraag voor een flexibele werkregeling herhalen. Het uitblijven van een antwoord van het hogeschoolbestuur op de hernieuwde aanvraag wordt gelijkgesteld met een akkoord. | |
| 21 | + | §4. Het personeelslid kan schriftelijk een gemotiveerde aanvraag indienen om de flexibele werkregeling vervroegd stop te zetten. Het hogeschoolbestuur geeft binnen veertien dagen een gemotiveerd antwoord op de voormelde aanvraag. Het hogeschoolbestuur kan een opzeggingstermijn vastleggen voor het voortijdig stopzetten van de flexibele werkregeling. | |
| 22 | + | §5. De personeelsleden hebben het recht om na afloop van de flexibele werkregeling het gangbare werkpatroon te hervatten. |
| 1 | 1 | Voor de berekening van de dienstanciënniteit: | |
| 2 | − | 1° bestaat het aantal dagen gepresteerd als lid van het onderwijzend personeel , ongeacht het volume van de opdracht, uit al de kalenderdagen gerekend van het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode met inbegrip van de bezoldigde vakantiedagen; | |
| 2 | + | 1° bestaat het aantal dagen gepresteerd als lid van het onderwijzend personeel met een opdracht waarvan de omvang ten minste 10 procent van een voltijdse betrekking bedraagt, ongeacht de financieringsbron, uit al de kalenderdagen gerekend van het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode met inbegrip van de bezoldigde vakantiedagen; | |
| 3 | 3 | 2° mag het aantal dagen gepresteerd in 2 of meer gelijktijdig uitgeoefende ambten nooit meer bedragen dan het aantal dagen gepresteerd in een ambt dat tijdens dezelfde periode wordt uitgeoefend; | |
| 4 | 4 | 3° kan gedurende een academiejaar een dienstanciënniteit van maximaal 360 dagen worden verworven; | |
| 5 | − | 4° worden als diensten beschouwd, de diensten door het personeelslid gepresteerd in het hoger onderwijs voor zover ze bezoldigd waren ten laste van de werkingsuitkering verschaft door de Vlaamse Gemeenschap, met uitzondering van de diensten gepresteerd in de hoedanigheid van gastprofessor; | |
| 5 | + | 4° ...; | |
| 6 | 6 | 5° worden eveneens als diensten beschouwd, de periodes tijdens welke het personeelslid een verlof geniet overeenkomstig artikel V.84 of het zich in de administratieve stand terbeschikkingstelling bevindt zoals bepaald in artikel V.90, eerste lid, 1°, 2° en 4°. |
| 3 | 3 | 2° groep 2 : assistent en doctor-assistent; | |
| 4 | 4 | 3° groep 3 : docent, hoofddocent, hoogleraar en gewoon hoogleraar. | |
| 5 | − | De ambten van groep 1 kunnen uitsluitend worden verleend in de professionele bacheloropleidingen. | |
| 5 | + | De ambten van groep 1 kunnen uitsluitend worden verleend in de graduaatsopleidingen en de professionele bacheloropleidingen. | |
| 6 | 6 | De ambten van groep 2 kunnen uitsluitend worden verleend in de academische opleidingen. | |
| 7 | − | De ambten van groep 3 kunnen zowel in de professionele als in de academische opleidingen worden verleend. | |
| 7 | + | De ambten van groep 3 kunnen zowel in de graduaatsopleidingen en de professionele als in de academische opleidingen worden verleend. | |
| 8 | 8 | §2. De personeelsleden die in het academiejaar 2012-2013 benoemd waren in het ambt van assistent of praktijkassistent verkrijgen vanaf het academiejaar 2013-2014 met behoud van hun anciënniteit een benoeming in het ambt van lector. | |
| 9 | 9 | De personeelsleden die in het academiejaar 2012-2013 aangesteld waren in het ambt van praktijkassistent verkrijgen vanaf het academiejaar 2013-2014 met behoud van hun anciënniteit een aanstelling in het ambt van lector. | |
| 10 | 10 | De personeelsleden die in het academiejaar 2012-2013 benoemd waren in het ambt van werkleider verkrijgen vanaf het academiejaar 2013-2014 met behoud van hun anciënniteit een benoeming in het ambt van hoofdlector. | |
| 11 | 11 | In afwijking van paragraaf 1 en het derde lid van paragraaf 2, behouden de werkleiders die bezoldigd worden met een salarisschaal 528 voor ten hoogste het volume van hun opdracht waarin ze met deze salarisschaal bezoldigd worden, het ambt van werkleider. | |
| 12 | − | Dit ambt van werkleider kan zowel in de professionele als in de academische opleidingen worden verleend. | |
| 12 | + | Dit ambt van werkleider kan zowel in de graduaatsopleidingen en de professionele als in de academische opleidingen worden verleend. | |
| 1 | 1 | In afwijking van artikel V.120 worden de ambten van het onderwijzend personeel in de studiegebieden Audiovisuele en Beeldende kunst en Muziek en Podiumkunsten en de ambten aan de Hogere Zeevaartschool als volgt ingedeeld: | |
| 2 | 2 | 1° groep 1 : de praktijklector, de hoofdpraktijklector, de lector en de hoofdlector; | |
| 3 | − | 2° groep 2 : het assisterend personeel : de assistent, de doctor-assistent en de werkleider; | |
| 3 | + | 2° groep 2 : het assisterend personeel : de assistent, de praktijkassistent, de doctor-assistent en de werkleider; | |
| 4 | 4 | 3° groep 3 : de docent, de hoofddocent, de hoogleraar en de gewoon hoogleraar. | |
| 5 | − | De ambten van groep 1 kunnen uitsluitend worden verleend in de graduaatsopleidingen en de professionele bacheloropleidingen. De lectoren en hoofdlectoren kunnen ook belast worden met praktijkgericht onderwijs in de academische bacheloropleidingen. | |
| 5 | + | De ambten van groep 1 kunnen uitsluitend worden verleend in de graduaatsopleidingen en de professionele bacheloropleidingen. De praktijklectoren, hoofdpraktijklectoren, lectoren en hoofdlectoren kunnen ook belast worden met praktijkgericht onderwijs in de academische bacheloropleidingen. | |
| 6 | − | De ambten van groep 2 kunnen uitsluitend worden verleend in de academische opleidingen. De praktijkassistenten, de benoemde assistenten en de werkleiders kunnen ook belast worden met een opdracht in de professionele bacheloropleidingen. | |
| 6 | + | De ambten van groep 2 kunnen uitsluitend worden verleend in de academische opleidingen. De praktijkassistenten en de werkleiders kunnen ook belast worden met een opdracht in de professionele bacheloropleidingen. | |
| 7 | 7 | De ambten van groep 3 kunnen zowel in de graduaatsopleidingen en de professionele als in de academische opleidingen worden verleend. | |
| 8 | 8 | In afwijking van het tweede lid, kan een personeelslid in een ambt van groep 1 dat aan de hiernavolgende voorwaarden voldoet, aangesteld blijven en in voorkomend geval benoemd worden in de educatieve masteropleiding voor de kunsten: | |
| 12 | 12 | 1° het personeelslid oefende tot 31 augustus 2021 deze opdracht uit in de professionele bachelor in de scheepswerktuigkunde; | |
| 13 | 13 | 2° het personeelslid is vanaf 1 september 2021 voor het luik onderwijs van zijn opdracht uitsluitend belast met praktijkgebonden opleidingsonderdelen in de academische bachelor van de opleiding scheepswerktuigkunde. | |
| 14 | + | De personeelsleden die op 31 maart 2024 benoemd zijn als assistent, verkrijgen vanaf 1 april 2024 een benoeming als praktijkassistent met behoud van het tewerkstellingspercentage, de anciënniteit en de salarisschaal die ze op 1 april 2024 hadden. | |
| 3 | 3 | 2° groep 2 : het assisterend personeel : de assistent, de doctor-assistent en de werkleider; | |
| 4 | 4 | 3° groep 3 : de docent, de hoofddocent, de hoogleraar en de gewoon hoogleraar. | |
| 5 | − | De ambten van groep 1 kunnen uitsluitend worden verleend in de professionele bacheloropleidingen. De lectoren en hoofdlectoren kunnen ook belast worden met praktijkgericht onderwijs in de academische bacheloropleidingen. | |
| 5 | + | De ambten van groep 1 kunnen uitsluitend worden verleend in de graduaatsopleidingen en de professionele bacheloropleidingen. De lectoren en hoofdlectoren kunnen ook belast worden met praktijkgericht onderwijs in de academische bacheloropleidingen. | |
| 6 | 6 | De ambten van groep 2 kunnen uitsluitend worden verleend in de academische opleidingen. De praktijkassistenten, de benoemde assistenten en de werkleiders kunnen ook belast worden met een opdracht in de professionele bacheloropleidingen. | |
| 7 | − | De ambten van groep 3 kunnen zowel in de professionele als in de academische opleidingen worden verleend. | |
| 7 | + | De ambten van groep 3 kunnen zowel in de graduaatsopleidingen en de professionele als in de academische opleidingen worden verleend. | |
| 8 | + | In afwijking van het tweede lid, kan een personeelslid in een ambt van groep 1 dat aan de hiernavolgende voorwaarden voldoet, aangesteld blijven en in voorkomend geval benoemd worden in de educatieve masteropleiding voor de kunsten: | |
| 9 | + | 1° het personeelslid oefende tot 31 augustus 2019 een opdracht uit in de specifieke lerarenopleiding voor de kunsten; | |
| 10 | + | 2° het personeelslid oefent vanaf 1 september 2019 een opdracht uit in de educatieve masteropleiding voor de kunsten. | |
| 1 | 1 | Het ambt van gewoon hoogleraar kan slechts toegewezen worden onder de volgende voorwaarden: | |
| 2 | 2 | 1° de betrokken hogeschool is actief op het vlak van onderzoek door een samenwerkingsakkoord met een Vlaamse universiteit in het vakgebied of de vakgebieden van de vacature; | |
| 3 | − | 2° de kandidaat-gewoon hoogleraar moet ten minste 6 jaar gefungeerd hebben als docent, hoofddocent of hoogleraar aan een hogeschool of universiteit en er belast geweest zijn met onderzoeksopdrachten. Diensten gepresteerd als vastbenoemd navorser van het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek of van andere door de Vlaamse Regering erkende instellingen voor wetenschappelijk onderzoek komen eveneens in aanmerking voor het bereiken van de vereiste anciënniteit; | |
| 3 | + | 2° ...; | |
| 4 | 4 | 3° de kandidaat gewoon hoogleraar beantwoordt aan de criteria die de hoogste wetenschappelijke kwaliteit in het betrokken vakgebied of vakgebieden garanderen en die beoordeeld worden door een jury bestaande uit 3 gewoon hoogleraren uit 3 Vlaamse universiteiten, aangeduid door die 3 universiteiten. |
| 1 | 1 | Het assisterend personeel staat docenten, hoofddocenten, hoogleraren en gewoon hoogleraren bij en vervult onder hun leiding onderzoeks-, onderwijs- of begeleidingsopdrachten. | |
| 2 | 2 | In voorkomend geval gebeuren de activiteiten, verricht in het kader van de voorbereiding van het doctoraatsproefschrift, onder de leiding van de promotor van de universiteit waaraan gedoctoreerd wordt. | |
| 3 | − | Het assisterend personeel kan ten belope van een gedeeltelijke of volledige opdracht administratieve en/of organisatorische taken uitvoeren. | |
| 3 | + | Praktijkassistenten en werkleiders kunnen ten belope van een gedeeltelijke of volledige opdracht administratieve en/of organisatorische taken uitvoeren. | |
| 4 | − | In de studiegebieden Audiovisuele en Beeldende Kunst en Muziek en Podiumkunsten en aan de Hogere Zeevaartschool kunnen de hogescholen voltijdse of deeltijdse leden van het assisterend personeel met hun akkoord de titel van praktijkassistent verlenen. Deze personeelsleden worden in hoofdzaak belast met taken van praktijkgebonden onderwijs. | |
| 4 | + | Praktijkassistenten in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten en aan de Hogere Zeevaartschool worden in hoofd-zaak belast met praktijkgebonden onderwijs. |
| 1 | − | §1. De tijdelijke assistent met uitzondering van de praktijkassistent zoals bedoeld in artikel V.124 of V.307 heeft het recht om ten minste de helft van zijn werktijd aan de voorbereiding van een doctoraatsproefschrift te besteden. Dit recht vervalt indien de assistent slechts deeltijds aangesteld is of indien hij geen titularis is van zijn betrekking. | |
| 1 | + | Een assistent heeft het recht om ten minste de helft van de werktijd aan de voorbereiding van een doctoraatsproefschrift te besteden. | |
| 2 | − | §2. In afwijking van paragraaf 1 van dit artikel kan de tijdelijke assistent belast met artistiek gebonden onderwijsactiviteiten enkel aanspraak maken op dit recht op voorwaarde dat hij bezoldigd wordt volgens de bepalingen vervat in artikel V.164, §2. |
| 1 | 1 | Een lid van het onderwijzend personeel uit de groep van lectoren, hoofdlectoren, docenten, hoofddocenten, hoogleraren en gewoon hoogleraren, of een lid van het administratief - en technisch personeel vult de functie van departementshoofd in bij mandaat voor hernieuwbare periodes van 4 jaar. | |
| 2 | − | In afwijking van het eerste lid kunnen in de departementen bevoegd voor de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst, Muziek en podiumkunsten, Productontwikkeling of Architectuur, ook personeelsleden uit de groep van assistenten en werkleiders het mandaat van departementshoofd uitoefenen. | |
| 2 | + | In afwijking van het eerste lid kunnen in de departementen bevoegd voor de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst, Muziek en podiumkunsten, Productontwikkeling of Architectuur, ook personeelsleden uit de groep van praktijkassistenten en werkleiders het mandaat van departementshoofd uitoefenen. | |
| 3 | 3 | Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de voorwaarden en de procedure voor de toekenning van het mandaat van departementshoofd. |
| 1 | 1 | §1. Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de voorwaarden voor aanstelling, benoeming en uitbreiding van aanstelling of benoeming. | |
| 2 | − | §2. Een werving in een vacante betrekking , met uitzondering van de aanstelling van minder dan 1 academiejaar, kan slechts gebeuren na een openbare vacature en wordt via ten minste 2 openbare informatiekanalen bekendgemaakt. | |
| 2 | + | §2. Een personeelslid kan alleen in een betrekking geworven worden, met uitzondering van een aanstelling van minder dan één academiejaar, als het personeelslid via een openbare vacature geworven is. De openbare vacature wordt via ten minste twee openbare informatiekanalen bekendgemaakt. | |
| 3 | + | §3. De omvang van een opdracht kan zonder vacature uitgebreid worden. In dat geval is altijd de instemming van het betrokken personeelslid vereist. | |
| 4 | + | §4. Gastdocenten kunnen zonder nieuwe vacature overgeheveld worden naar een betrekking van de personeelsformatie van het onderwijzend personeel met behoud van hun verworven salarisschaal en anciënniteit op voorwaarde dat: | |
| 5 | + | 1° zij geworven werden volgens de procedure die beantwoordt aan de in paragraaf 1 en 2 bepaalde wervingseisen; | |
| 6 | + | 2° zij het minimaal vereiste bekwaamheidsbewijs hebben voor het ambt waarnaar ze overgeheveld worden of hiervan vrijgesteld zijn met toepas-sing van artikel V.149; | |
| 7 | + | 3° zij het ambt, anciënniteit en salarisschaal bezitten die zij zouden bekomen hebben indien de voorgaande diensten gepresteerd werden in het ambt waarnaar ze overgeheveld worden overeenkomstig de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen van toepassing op het onderwijzend personeel ten laste van de jaarlijkse werkingsuitkeringen. |
| 1 | 1 | In afwijking van artikel V.135 kan het ambt van werkleider slechts door bevordering of ambtswijziging worden toegewezen. | |
| 2 | − | De opdracht van een personeelslid dat al een deeltijds ambt als werkleider bekleedt, kan uitgebreid worden met vrijstelling van de in artikel V.150, eerste lid, 1°, vermelde anciënniteitsvoorwaarde. |
| 1 | 1 | §1. Met behoud van de toepassing van artikel V.110, §1, 1° en V.146, wordt het ambt van assistent tijdelijk toegewezen voor een periode van 2 jaar, die driemaal met een periode van 2 jaar kan worden verlengd. | |
| 2 | − | Wanneer uitzonderlijke omstandigheden zulks vergen, kan de assistent voor een bijkomende termijn van een jaar worden aangesteld. Deze bijkomende termijn is niet hernieuwbaar, behalve bij zwangerschap of langdurige en ernstige ziekte. Op grond hiervan kan de assistent van wie het doctoraat ver gevorderd is, zo hij erom verzoekt, voor een bijkomende termijn van 6 maanden tot een jaar worden aangesteld. | |
| 3 | − | De in artikel V.124 of V.307 bedoelde praktijkassistenten kunnen voor hernieuwbare termijnen van minimum 1 jaar en maximum 5 jaar worden aangesteld. Deze minimumtermijn geldt niet voor plaatsvervangers van de titularis. | |
| 4 | − | §2. In afwijking van paragraaf 1 kan ten hoogste 25% van het aantal assistenten, uitgedrukt in voltijdse eenheden, worden benoemd. | |
| 5 | − | §3. In afwijking van de bepalingen in paragraaf 2, kan het hogeschoolbestuur een lid van het onderwijzend personeel benoemen in het ambt van assistent indien het personeelslid voldoet aan een van de hierna vermelde voorwaarden: | |
| 6 | − | 1° het personeelslid heeft de leeftijd van 55 jaar bereikt, vervult de voorwaarden voor vaste benoeming en is sinds 1 januari 1996 ononderbroken in dienst van de hogeschool als assistent; | |
| 7 | − | 2° het personeelslid heeft op 1 januari 2008 de leeftijd van 55 jaar bereikt en is op die datum gedurende ten minste 6 jaar ononderbroken in de hogeschool in het ambt van assistent aangesteld. | |
| 8 | − | Indien het personeelslid al een benoeming heeft in een ander onderwijsniveau, kan het slechts ten belope van maximaal een voltijdse benoeming vastbenoemd zijn. | |
| 2 | + | In geval van zwangerschap, een aaneengesloten periode van minstens tien weken afwezigheid wegens ziekte of voltijdse loopbaanonderbreking of een aaneengesloten periode van minstens twintig weken halftijdse loopbaanonder-breking tijdens de eerste, tweede of derde termijn van het mandaat, wordt het mandaat van de assistent, na de derde verlenging van de termijn, ver-meld in het eerste lid, eenmalig met een bijkomende termijn van zes maanden tot een jaar verlengd op verzoek van het personeelslid. Als uitzonderlijke omstandigheden dat vereisen, kunnen assistenten na de derde verlenging van de termijn, vermeld in het eerste lid, eenmalig voor een bijkomende termijn van een maand tot een jaar worden aangesteld. | |
| 3 | + | §2. ... | |
| 4 | + | §3. ... | |
| 9 | 5 | §4. De aanstellingen in het ambt van assistent die gebeuren na de aanvang van het academiejaar, kunnen als einddatum het einde van dat academiejaar hebben. In voorkomend geval komt deze aanstellingsperiode niet in aanmerking voor de periode bedoeld in paragraaf 1. |
| 1 | + | Praktijkassistenten kunnen worden aangesteld of benoemd. Het aantal praktijkassistenten dat kan worden benoemd is beperkt tot ten hoogste 25 procent van het totale aantal assistenten en praktijkassistenten, uitgedrukt in voltijdse eenheden. | |
| 2 | + | In afwijking van het eerste lid kan het hogeschoolbestuur een lid van het onderwijzend personeel benoemen in het ambt van praktijkassistent indien het personeelslid voldoet aan een van de hierna vermelde voorwaarden: | |
| 3 | + | 1° het personeelslid heeft de leeftijd van 55 jaar bereikt, vervult de voorwaarden voor vaste benoeming en is sinds 1 januari 1996 ononderbroken in dienst van de hogeschool als assistent of praktijkassistent; | |
| 4 | + | 2° het personeelslid heeft op 1 januari 2008 de leeftijd van 55 jaar bereikt en is op die datum gedurende ten minste zes jaar ononderbroken in de hogeschool in het ambt van assistent aangesteld. | |
| 5 | + | Als het personeelslid al een benoeming heeft in een andere hogeschool of een ander onderwijsniveau, kan het maar voor maximaal een voltijdse benoeming vastbenoemd zijn. |
| 1 | 1 | Doctor-assistenten worden aangesteld voor maximaal 2 termijnen van ten hoogste 3 jaar. | |
| 2 | 2 | De aanstelling voor de tweede periode kan slechts na een gunstige evaluatie. | |
| 3 | − | In geval van zwangerschap of langdurige en ernstige ziekte tijdens de eerste of tweede termijn van het mandaat worden de doctor-assistenten voor een bijkomende termijn van een jaar aangesteld. | |
| 3 | + | In geval van zwangerschap, een aaneengesloten periode van minstens tien weken afwezigheid wegens ziekte of voltijdse loopbaanonderbreking of een aaneengeslo-ten periode van minstens twintig weken halftijdse loopbaanonderbreking tijdens de eerste of tweede termijn van het mandaat, wordt het mandaat van de doctor-assistent na de tweede termijn, vermeld in het eerste lid, eenmalig met een bijkomende termijn van zes maanden tot een jaar verlengd op verzoek van het personeelslid |
| 1 | − | §1. Vanaf het derde opeenvolgende academiejaar zijn de aanstellingen in vacante betrekkingen in de ambten van groep 1 en groep 3 , zoals bedoeld in artikel V.120, § 1, eerste lid, en artikel V.121, eerste lid, ook deze via ambtswijziging, van onbepaalde duur. | |
| 1 | + | §1. Vanaf het derde opeenvolgende academiejaar zijn de aanstellingen in vacante betrekkingen in de ambten van groep 1 en groep 3 en in het ambt van praktijkassistent, zoals bedoeld in artikel V.120, § 1, eerste lid, en artikel V.121, eerste lid, ook deze via ambtswijziging, van onbepaalde duur. | |
| 2 | 2 | §2. Als het hogeschoolbestuur een einde maakt aan een aanstelling van onbepaalde duur moet het de bepalingen van artikel V.110 in acht nemen. Ingeval een einde wordt gemaakt aan een aanstelling na ambtswijziging bedoeld in artikel V.108 en V.140 wordt voor de berekening van de opzeggingstermijn enkel rekening gehouden met de periode van aanstelling na de ambtswijziging. | |
| 3 | 3 | §3. Aanstellingen in vacante betrekkingen voor bepaalde duur die aanvingen voor 1 september 2005 en waarvan de duur verstrijkt na 1 oktober 2005, en de hernieuwde aanstellingen in toepassing van artikel V.143, § 2, tweede lid, 1°, blijven ressorteren onder de bepalingen van artikel V.143. | |
| 1 | − | Het hogeschoolbestuur kan contractueel buiten de personeelsformatie voltijdse en deeltijdse gastprofessoren tewerkstellen voor een periode van maximum 5 jaar. Opeenvolgende aanstellingen van voltijdse gastprofessoren mogen in ieder geval de totale duur van 5 opeenvolgende jaren niet overschrijden. Aanstellingen van deeltijdse gastprofessoren zijn hernieuwbaar. | |
| 2 | − | In afwijking van het vorige lid kan het hogeschoolbestuur in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten, contractueel buiten de personeelsformatie voltijdse en deeltijdse gastprofessoren tewerkstellen voor een periode van onbepaalde duur. | |
| 1 | + | Het hogeschoolbestuur kan contractueel buiten de personeelsformatie gastdocenten tewerkstellen. | |
| 2 | + | Gastdocenten met een opdracht van ten minste 50 procent van een voltijdse opdracht die bezoldigd worden met een salarisschaal, de daaraan verbonden anciënniteitsopbouw, het vakantiegeld en de eindejaarstoelage kunnen tewerkgesteld worden voor een periode van onbepaalde duur. Opeenvolgende tewerkstellingen voor een bepaalde duur zijn vanaf het derde jaar van onbepaalde duur. | |
| 3 | + | Gastdocenten met een opdracht van minder dan 50 procent van een voltijdse opdracht, ongeacht hoe deze bezoldigd worden, kunnen tewerkgesteld worden voor een periode van onbepaalde duur. Opeenvolgende tewerkstellingen voor een bepaalde duur zijn vanaf het derde jaar van onbepaalde duur. | |
| 4 | + | Gastdocenten met een opdracht van ten minste 50 procent van een voltijdse opdracht die bezoldigd worden met een bedrag, worden tewerkgesteld voor een periode van maximum vijf jaar. Opeenvolgende tewerkstellingen mogen de totale duur van vijf jaar niet overschrijden. | |
| 5 | + | In de opleidingen van een School of Arts bedraagt het tewerkstellingspercentage, vermeld in het tweede en het derde lid, 70 procent van een voltijdse opdracht. Met ingang van 2025 wordt het percentage van 70 procent gedurende vijf jaar lineair afgebouwd tot 50 procent. Het hogeschoolbestuur kan bij reglement, afgesloten met een protocol van akkoord, een ander afbouwschema vastleggen binnen dezelfde termijn van vijf jaar. | |
| 6 | + | Voor de toepassing van dit artikel wordt onder opeenvolgende tewerkstellingen de tewerkstellingen begrepen die elkaar zonder onderbreking opvolgen of waarvan de onderbreking tussen twee tewerkstellingen kleiner is dan drie maanden. | |
| 7 | + | [nvdr: zie tab info] | |
| 8 | + | In afwijking van het eerste en tweede lid, kan het hogeschoolbestuur contractueel buiten de personeelsformatie deeltijdse gastprofessoren tewerkstellen als flexi-jobwerknemer als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. De gastprofessoren kunnen niet ten laste van de werkingsuitkeringen bezoldigd worden. De gastprofessoren mogen geen andere tewerkstelling aan de hogeschool hebben. Op deze personeelsleden is de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing. |
| 2 | 2 | 1° praktijklector en hoofdpraktijklector : een diploma van bachelor; | |
| 3 | 3 | 2° lector en hoofdlector : een diploma van master; | |
| 4 | − | 3° assistenten werkleider : een diploma van master; | |
| 4 | + | 3° assistent, praktijkassistent en werkleider : een diploma van master; | |
| 5 | 5 | 4° doctor-assistent : een diploma van doctor op proefschrift; | |
| 6 | 6 | 5° docent, hoofddocent, hoogleraar en gewoon hoogleraar : een diploma van doctor op proefschrift. | |
| 8 | 8 | §2. Voor de artistiek gebonden onderwijsactiviteiten van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst, Muziek en podiumkunsten, Architectuur en Productontwikkeling geldt bij aanstelling en benoeming in de ambten van docent, hoofddocent, hoogleraar en gewoon hoogleraar als vereist bekwaamheidsbewijs eveneens een diploma van master, aangevuld met 6 jaar nuttige beroepservaring buiten het onderwijs. | |
| 9 | 9 | §3. Voor de opleiding nautische wetenschappen geldt als vereist bekwaamheidsbewijs voor de ambten van docent, hoofddocent en hoogleraar eveneens ofwel een STCW-vaarbevoegdheidsbewijs van master voor zeeschepen met een bruto tonnage van 3000 of meer ofwel het brevet van kapitein ter lange omvaart. | |
| 10 | − | Voor de academische bacheloren masteropleidingen in de scheepswerktuigkunde geldt als vereist bekwaamheidsbewijs voor de ambten van docent, hoofddocent en hoogleraar eveneens een Certificate of Competence/vaarbevoegdheidsbewijs A-III/2 als Chief Engineer, zoals beschreven in de STCW Conventie 1978 Regulation III/2. | |
| 10 | + | Voor de academische bacheloren masteropleidingen in de scheepswerktuigkunde geldt als vereist bekwaamheidsbewijs voor de ambten van assistent, praktijkassistent, werkleider, docent, hoofddocent en hoogleraar eveneens een Certificate of Competence/vaarbevoegdheidsbewijs A-III/2 als Chief Engineer, zoals beschreven in de STCW Conventie 1978 Regulation III/2. | |
| 11 | 11 | §4. Voor de onderwijsactiviteit "godsdienst" geldt eveneens als vereist basisbekwaamheidsbewijs voor de ambten van lector en hoofdlector : de hoedanigheid van bedienaar van de erkende eredienst. | |
| 12 | 12 | §5. De in deze afdeling vermelde basisbekwaamheidsbewijzen moeten uitgereikt zijn, hetzij door een Belgische universiteit of door een door een wet of decreet daarmee gelijkgestelde instelling, of door een door de Staat dan wel door de Gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling, hetzij door een door de Staat of de Gemeenschap ingestelde examencommissie. | |
| 1 | − | Voor het toewijzen van het ambt van hoofdpraktijklector, hoofdlector, werkleider, hoofddocent of hoogleraar wordt naast de vereiste bekwaamheidsbewijzen zoals bepaald in artikel V.148, een bijkomende anciënniteitsvoorwaarde gesteld. Deze bijkomende anciënniteitsvoorwaarde moet in voorkomend geval gecumuleerd worden met de nuttige beroepservaring die een onderdeel vormt van het vereiste bekwaamheidsbewijs. | |
| 2 | − | 1° bij interne toewijzing van het ambt van hoofdpraktijklector, hoofdlector, werkleider en hoofddocent respectievelijk : | |
| 3 | − | - ten minste 2 jaar dienstanciënniteit verworven hebben als praktijklector, lector, benoemd assistent en docent in de eigen hogeschool. | |
| 4 | − | 2° bij interne toewijzing van het ambt van hoogleraar: | |
| 5 | − | - ten minste 2 jaar dienstanciënniteit verworven hebben als hoofddocent of 4 jaar als docent in de eigen hogeschool. | |
| 6 | − | 3° bij externe werving als hoofddocent: | |
| 7 | − | a) ten minste 4 jaar nuttige beroepservaring buiten het onderwijs verworven hebben, of | |
| 8 | − | b) ten minste 2 jaar dienstanciënniteit verworven hebben als docent in een andere hogeschool of universiteit. | |
| 9 | − | 4° bij externe werving als hoogleraar: | |
| 10 | − | a) ten minste 6 jaar nuttige beroepservaring buiten het onderwijs verworven hebben, of | |
| 11 | − | b) ten minste 2 jaar dienstanciënniteit verworven hebben als hoofddocent of 4 jaar docent in een andere hogeschool of universiteit. | |
| 12 | − | 5° bij externe werving als hoofdpraktijklector of als hoofdlector : | |
| 13 | − | a) ten minste 4 jaar nuttige beroepservaring buiten het onderwijs verworven hebben, | |
| 14 | − | b) of ten minste 2 jaar dienstanciënniteit verworven hebben als praktijklector of als lector in een andere hogeschool. | |
| 15 | − | Het hogeschoolbestuur kan evenwel, in afwijking van het bepaalde in punt 3° en 4°, bij een eerste benoeming of aanstelling in de hogeschool, met een tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen, afwijken van de in dit artikel gestelde bijkomende anciënniteitsvoorwaarden. | |
| 1 | + | Naast de voorwaarden, vermeld in artikel V.122, en de vereiste bekwaamheidsbewijzen, vermeld in artikel V.148, legt het hogeschoolbestuur voorafgaandelijk bij reglement de criteria met de inhoudelijke en de gedragscompetenties vast om het ambt van praktijklector, hoofdpraktijklector, lector, hoofdlector, docent, hoofddocent, hoogleraar en gewoon hoogleraar toe te wijzen. Het hogeschoolbestuur maakt het voormelde reglement in de hogeschool bekend. |
| 1 | − | De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op de gastprofessoren. | |
| 1 | + | De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op de gastdocenten. |
| 1 | − | De gastprofessoren kunnen ten hoogste het salaris genieten dat verbonden is aan het ambt van gewoon hoogleraar. De gastprofessoren hebben daarenboven recht op een vergoeding voor de werkelijke kosten gemaakt voor hun overkomst en tijdelijk verblijf. | |
| 1 | + | Een gastdocent kan ofwel bezoldigd worden met een bedrag ofwel met een salarisschaal. De bezoldiging van een gastdocent mag niet hoger zijn dan het salaris dat verbonden is aan het ambt van gewoon hoogleraar. | |
| 2 | + | In afwijking van het eerste lid, wordt een gastdocent met een opdracht van ten minste 70 procent van een voltijdse opdracht in de opleidingen van een School of Arts uitsluitend met een salarisschaal bezoldigd. De gastdocent krijgt in dat salaris de daaraan verbonden anciënniteitsopbouw, het vakantiegeld en de eindejaarstoelage. Met ingang van 2025 wordt het percentage van 70 procent gedurende vijf jaar lineair afgebouwd tot 50 procent. Het hogeschoolbestuur kan bij reglement, afgesloten met een protocol van akkoord, een ander afbouwschema vastleggen. |
| 1 | − | §1. De personeelsleden belast met artistiek gebonden onderwijsactiviteiten in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst, en Muziek en podiumkunsten, met uitzondering van de basisopleidingen van professionele bachelor, krijgen voor een voltijds of deeltijds ambt van hetzij assistent, werkleider, doctor-assistent, docent, hoofddocent, hoogleraar of gewoon hoogleraar bijzondere salarisschalen, vastgesteld door de Vlaamse Regering. | |
| 1 | + | §1. De personeelsleden belast met artistiek gebonden onderwijsactiviteiten in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst, en Muziek en podiumkunsten, met uitzondering van de basisopleidingen van professionele bachelor, krijgen voor een voltijds of deeltijds ambt van hetzij assistent, praktijkassistent, werkleider, doctor-assistent, docent, hoofddocent, hoogleraar of gewoon hoogleraar bijzondere salarisschalen, vastgesteld door de Vlaamse Regering. | |
| 2 | 2 | §2. Wanneer zij evenwel bij de uitoefening van hun ambt afzien van de toepassing van artikel V.171, krijgen zij mits het hogeschoolbestuur de uitdrukkelijke toestemming geeft, de gangbare salarisschaal verbonden aan het ambt dat zij bekleden. De toekenning van de gangbare salarisschaal is geen recht voor het personeelslid, heeft altijd een tijdelijk karakter en dient jaarlijks geëvalueerd te worden. De gangbare salarisschaal blijft verworven zolang het personeelslid blijft voldoen aan de voorwaarden waarbij zij werd toegekend. | |
| 3 | 3 | §3. In afwijking van paragraaf 2 verwerft het personeelslid dat gedurende 4 jaar de gangbare salarisschaal genoot of met genot van de gangbare salarisschaal de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, het recht om deze salarisschaal verder te blijven genieten. |
| 1 | − | De bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap betaalt de salarissen, in voorkomend geval met inbegrip van het vakantiegeld en de eindejaarstoelage, de mandaatsvergoedingen, de premies bedoeld in artikel V.162, de vergoedingen bedoeld in artikel V.163 van de leden van het onderwijzend personeel, met inbegrip van de gastprofessoren, voor zover zij ten laste van de werkingsuitkeringen van de hogeschool worden bezoldigd. | |
| 1 | + | De bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap betaalt de salarissen, in voorkomend geval met inbegrip van het vakantiegeld en de eindejaarstoelage, de mandaatsvergoedingen, de premies bedoeld in artikel V.162, de vergoedingen bedoeld in artikel V.163 van de leden van het onderwijzend personeel, met inbegrip van de gastdocenten, voor zover zij ten laste van de werkingsuitkeringen van de hogeschool worden bezoldigd. |
| 1 | 1 | §1. Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de voorwaarden voor aanstelling, benoeming en uitbreiding van aanstelling of benoeming. | |
| 2 | − | §2. Een werving in een vacante betrekking , met uitzondering van de aanstelling van minder dan een jaar, kan slechts gebeuren na een openbare vacature en wordt via ten minste 2 openbare informatiekanalen bekendgemaakt . | |
| 2 | + | §2. Een personeelslid kan alleen in een betrekking geworven worden, met uitzondering van een aanstelling van minder dan een jaar, als het personeelslid via een openbare vacature geworven is. De openbare vacature wordt via ten minste twee openbare informatiekanalen bekendgemaakt zijn. | |
| 3 | + | De omvang van een opdracht kan zonder vacature uitgebreid worden. In dat geval is altijd de instemming van het betrokken personeelslid vereist. | |
| 3 | 4 | §3. Personeelsleden die bezoldigd worden buiten de werkingsuitkeringen van de Vlaamse Gemeenschap kunnen zonder nieuwe vacature overgeheveld worden naar een betrekking van de personeelsformatie van het administratief en technisch personeel met behoud van hun verworven graad, salarisschaal en anciënniteit op voorwaarde dat: | |
| 4 | 5 | 1° zij geworven werden volgens de procedure die beantwoordt aan de in paragraaf 1 en paragraaf 2 bepaalde wervingseisen; | |
| 1 | + | Vanaf het derde opeenvolgende jaar zijn de aanstellingen in vacante betrekkingen, ook de aanstellingen via ambtswijziging, van onbepaalde duur. | |
| 2 | + | Het hogeschoolbestuur beëindigt een aanstelling van onbepaalde duur conform artikel V.110. Als een aanstelling wordt beëindigd na een ambtswijziging als vermeld in artikel V.108 wordt om de opzeggingstermijn te berekenen alleen rekening gehouden met de periode van aanstelling na de ambtswijziging. |
| 5 | 5 | 1° de tijdelijke personeelsleden van doorlopende duur en de gerechtigden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur behouden de salarisschaal die zij op de laatste dag van hun tewerkstelling in de overgenomen opleiding genoten, tenzij de hogeschool hen inschaalt in een hogere salarisschaal; | |
| 6 | 6 | 2° de personeelsleden die op 30 juni van het kalenderjaar waarin de eerste accreditatie of de tijdelijke erkenning is verleend vastbenoemd waren in de opleiding in kwestie, worden op het ogenblik van de overname door de hogeschool benoemde personeelsleden van de hogeschool en behouden de salarisschaal die zij op 30 juni van het kalenderjaar waarin de eerste accreditatie of de tijdelijke erkenning is verleend, genoten voor hun betrekking in de overgenomen opleiding, tenzij de hogeschool hen inschaalt in een hogere salarisschaal; | |
| 7 | − | 3° de personeelsleden die in de periode van 1 juni tot en met 30 juni van het kalenderjaar waarin de eerste accreditatie of de tijdelijke erkenning is verleend, een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hadden of in die periode een recht op een dergelijke aanstelling, konden doen gelden, worden op het ogenblik van de overname door de hogeschool tijdelijke personeelsleden van de hogeschool. In afwijking van de bepalingen van artikel IV.28 en V.141, §2,kan het hogeschoolbestuur de vermelde personeelsleden op hun verzoek benoemen voor het volume van de opdracht waarop zij aanspraak kunnen maken. Elk personeelslid dat benoemd wordt, moet in het bezit zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs; | |
| 7 | + | 3° de personeelsleden die in de periode van 1 juni tot en met 30 juni van het kalenderjaar waarin de eerste accreditatie of de tijdelijke erkenning is verleend, een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hadden of in die periode een recht op een dergelijke aanstelling, konden doen gelden, worden op het ogenblik van de overname door de hogeschool tijdelijke personeelsleden van de hogeschool. In afwijking van de bepalingen van artikel IV.28 en V.141/1 kan het hogeschoolbestuur de vermelde personeelsleden op hun verzoek benoemen voor het volume van de opdracht waarop zij aanspraak kunnen maken. Elk personeelslid dat benoemd wordt, moet in het bezit zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs; | |
| 8 | 8 | 4° de personeelsleden die op 30 juni van het kalenderjaar waarin de eerste accreditatie of de tijdelijke erkenning is verleend vast benoemd waren, krijgen vanaf de overname een bezoldiging die gelijk is aan de optelsom van de salarissen die zij genoten voor de 2 onderwijsopdrachten op de vooravond van de overname, op voorwaarde dat zij : | |
| 9 | 9 | a) op 1 januari 1996 als lid van het onderwijzend personeel binnen de overnemende hogeschool van overgangsmaatregelen in de zin van artikel V.264 konden genieten en als zodanig van 1 januari 1996 een betrekking binnen de personeelsformatie van de hogeschool opgenomen hebben; | |
| 1 | − | Artikel V.141, §2, is niet van toepassing op de assistenten in het integratiekader. | |
| 1 | + | Artikel V.141/1 is niet van toepassing op de assistenten in het integratiekader. |