§ flandrepo

Programmadecreet bij de aanpassing van de begroting 2022

Vlaamse Regering #1302 Staatsblad 2 augustus 2022 NUMAC 2022032862
21 artikels gewijzigd
+28 −14 codex-hoger-onderwijs/art. III.5
89VOWhko201489VOWhko2014
90bedrag professionele kunstopleidingen90bedrag professionele kunstopleidingen
91bedrag bijzondere weddeschalen91bedrag bijzondere salarisschalen
922012922012
93800.00093800.000
10010.900.00010010.900.000
101100.000101100.000
102900.000
10320161022016
10414.300.00010314.300.000
105100.000104100.000
1063.700.000
10720171052017
10817.666.52010617.666.520
109100.000107100.000
1103.700.000
11120181082018
11220.966.52010920.966.520
113100.000110100.000
1143.700.000
11520191112019
11624.366.52011224.366.520
117100.000113100.000
1183.700.000
11920201142020
12027.766.52011527.766.520
121100.000116100.000
1223.700.000
12320211172021
12427.766.52011827.766.520
125100.000119100.000
1263.700.000
12720221202022
12831.166.52012131.166.520
129100.000122100.000
1303.700.000
1232.000.000
13120231242023
13234.566.52012534.566.520
133100.000126100.000
1343.700.000
1272.000.000
135vanaf 2024128vanaf 2024
13637.066.52012937.066.520
137100.000130100.000
1383.700.000
1312.000.000
139De bedragen die in het begrotingsjaar t nominaal worden toegevoegd, zijnde de verschillen tussen de bedragen voor het begrotingsjaar t en de bedragen voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in deze paragraaf, worden vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen voor VOWprof en VOWprof2014 als een geheel beschouwd.132De bedragen die in het begrotingsjaar t nominaal worden toegevoegd, zijnde de verschillen tussen de bedragen voor het begrotingsjaar t en de bedragen voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in deze paragraaf, worden vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen voor VOWprof en VOWprof2014 als een geheel beschouwd.
140Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt jaarlijks een bedrag toegevoegd van 1.254.057,83 euro aan VOWhko2014. Dit bedrag is op indexniveau 2011 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2012 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule vermeld in paragraaf 9.133Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt jaarlijks een bedrag toegevoegd van 1.254.057,83 euro aan VOWhko2014. Dit bedrag is op indexniveau 2011 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2012 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule vermeld in paragraaf 9.
141Het bedrag dat nodig is voor de aanpassing van de regeling van de bijzondere weddeschalen, wordt alleen toegekend als er een generieke regeling is uitgewerkt voor de uitoefening van nevenactiviteiten in het hoger onderwijs.
134Het bedrag bijzondere salarisschalen, vermeld in het eerste lid, wordt gedurende de begrotingsjaren 2022 tot en met 2028 volgens de volgende percentages verdeeld over de hogescholen:
135Hogeschool Gent
13631,35%
137Erasmushogeschool Brussel
13820,66%
139LUCA School of Arts
14023,17%
141Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen
1425,11%
143Hogeschool PXL
1444,86%
145Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen
14614,85%
147Met ingang van het begrotingsjaar 2023 wordt ieder jaar 1/7 van het bedrag bijzondere salarisschalen, vermeld in het eerste lid, overgedragen naar VOWhko2014.
148Het bedrag voor de aanpassing van de bijzondere salarisschalen is op indexniveau 2022 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2023 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9.
142§13. De bedragen VOWun en VOZun, als vermeld of berekend conform dit artikel, worden vermeerderd met de volgende bedragen en de bedragen, vermeld in paragraaf 2, zijn de volgende (uitgedrukt in euro):149§13. De bedragen VOWun en VOZun, als vermeld of berekend conform dit artikel, worden vermeerderd met de volgende bedragen en de bedragen, vermeld in paragraaf 2, zijn de volgende (uitgedrukt in euro):
143Begrotingsjaar150Begrotingsjaar
2162° VOWhko2014: 452.000 euro.2232° VOWhko2014: 452.000 euro.
217De bedragen, vermeld in deze paragraaf, zijn op indexniveau 2016 en worden vanaf het begrotingsjaar 2017 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel.224De bedragen, vermeld in deze paragraaf, zijn op indexniveau 2016 en worden vanaf het begrotingsjaar 2017 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel.
218§ 16. Volgende bedragen, uitgedrukt in euro, worden toegevoegd aan de bedragen VOWprof, als vermeld of berekend overeenkomstig dit artikel:225§ 16. Volgende bedragen, uitgedrukt in euro, worden toegevoegd aan de bedragen VOWprof, vermeld of berekend overeenkomstig dit artikel:
219Begrotingsjaar 2019226Begrotingsjaar 2019
22025.594,2022725.594,20
223Begrotingsjaar 2021230Begrotingsjaar 2021
22476.782,6023176.782,60
225Vanaf begrotingsjaar 2022232Begrotingsjaar 2022
226102.376,80233102.376,80
234Vanaf begrotingsjaar 2023
235127.971,00
227Vanaf het begrotingsjaar 2018 worden de bedragen vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel.236Vanaf het begrotingsjaar 2018 worden de bedragen vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel.
228§ 17. Vanaf het begrotingsjaar 2022 is het bedrag voor het variabel onderwijsdeel VOWhbo, vermeld in paragraaf 2/1, gelijk aan het bedrag dat overgedragen wordt conform artikel III.42/1.237§ 17. Vanaf het begrotingsjaar 2022 is het bedrag voor het variabel onderwijsdeel VOWhbo, vermeld in paragraaf 2/1, gelijk aan het bedrag dat overgedragen wordt conform artikel III.42/1.
231§ 18. In het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 4.000.000 euro.240§ 18. In het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 4.000.000 euro.
232§ 19. In het begrotingsjaar 2021 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 8.000.000 euro.241§ 19. In het begrotingsjaar 2021 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 8.000.000 euro.
242§20. Het bedrag VOWprof als vermeld in of berekend conform dit artikel, wordt vermeerderd met de volgende bedragen:
2431° in het begrotingsjaar 2022 met 12.000.000 euro;
2442° in het begrotingsjaar 2023 met 16.000.000 euro;
2453° vanaf het begrotingsjaar 2024 met 20.000.000 euro.
246Bij de opmaak van de begroting 2023 wordt het groeipad, vermeld in paragraaf 18 tot en met 20, geëvalueerd.
+28 −14 codex-hoger-onderwijs/art. III.5
89VOWhko201489VOWhko2014
90bedrag professionele kunstopleidingen90bedrag professionele kunstopleidingen
91bedrag bijzondere weddeschalen91bedrag bijzondere salarisschalen
922012922012
93800.00093800.000
10010.900.00010010.900.000
101100.000101100.000
102900.000
10320161022016
10414.300.00010314.300.000
105100.000104100.000
1063.700.000
10720171052017
10817.666.52010617.666.520
109100.000107100.000
1103.700.000
11120181082018
11220.966.52010920.966.520
113100.000110100.000
1143.700.000
11520191112019
11624.366.52011224.366.520
117100.000113100.000
1183.700.000
11920201142020
12027.766.52011527.766.520
121100.000116100.000
1223.700.000
12320211172021
12427.766.52011827.766.520
125100.000119100.000
1263.700.000
12720221202022
12831.166.52012131.166.520
129100.000122100.000
1303.700.000
1232.000.000
13120231242023
13234.566.52012534.566.520
133100.000126100.000
1343.700.000
1272.000.000
135vanaf 2024128vanaf 2024
13637.066.52012937.066.520
137100.000130100.000
1383.700.000
1312.000.000
139De bedragen die in het begrotingsjaar t nominaal worden toegevoegd, zijnde de verschillen tussen de bedragen voor het begrotingsjaar t en de bedragen voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in deze paragraaf, worden vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen voor VOWprof en VOWprof2014 als een geheel beschouwd.132De bedragen die in het begrotingsjaar t nominaal worden toegevoegd, zijnde de verschillen tussen de bedragen voor het begrotingsjaar t en de bedragen voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in deze paragraaf, worden vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen voor VOWprof en VOWprof2014 als een geheel beschouwd.
140Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt jaarlijks een bedrag toegevoegd van 1.254.057,83 euro aan VOWhko2014. Dit bedrag is op indexniveau 2011 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2012 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule vermeld in paragraaf 9.133Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt jaarlijks een bedrag toegevoegd van 1.254.057,83 euro aan VOWhko2014. Dit bedrag is op indexniveau 2011 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2012 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule vermeld in paragraaf 9.
141Het bedrag dat nodig is voor de aanpassing van de regeling van de bijzondere weddeschalen, wordt alleen toegekend als er een generieke regeling is uitgewerkt voor de uitoefening van nevenactiviteiten in het hoger onderwijs.
134Het bedrag bijzondere salarisschalen, vermeld in het eerste lid, wordt gedurende de begrotingsjaren 2022 tot en met 2028 volgens de volgende percentages verdeeld over de hogescholen:
135Hogeschool Gent
13631,35%
137Erasmushogeschool Brussel
13820,66%
139LUCA School of Arts
14023,17%
141Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen
1425,11%
143Hogeschool PXL
1444,86%
145Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen
14614,85%
147Met ingang van het begrotingsjaar 2023 wordt ieder jaar 1/7 van het bedrag bijzondere salarisschalen, vermeld in het eerste lid, overgedragen naar VOWhko2014.
148Het bedrag voor de aanpassing van de bijzondere salarisschalen is op indexniveau 2022 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2023 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9.
142§13. De bedragen VOWun en VOZun, als vermeld of berekend conform dit artikel, worden vermeerderd met de volgende bedragen en de bedragen, vermeld in paragraaf 2, zijn de volgende (uitgedrukt in euro):149§13. De bedragen VOWun en VOZun, als vermeld of berekend conform dit artikel, worden vermeerderd met de volgende bedragen en de bedragen, vermeld in paragraaf 2, zijn de volgende (uitgedrukt in euro):
143Begrotingsjaar150Begrotingsjaar
2162° VOWhko2014: 452.000 euro.2232° VOWhko2014: 452.000 euro.
217De bedragen, vermeld in deze paragraaf, zijn op indexniveau 2016 en worden vanaf het begrotingsjaar 2017 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel.224De bedragen, vermeld in deze paragraaf, zijn op indexniveau 2016 en worden vanaf het begrotingsjaar 2017 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel.
218§ 16. Volgende bedragen, uitgedrukt in euro, worden toegevoegd aan de bedragen VOWprof, als vermeld of berekend overeenkomstig dit artikel:225§ 16. Volgende bedragen, uitgedrukt in euro, worden toegevoegd aan de bedragen VOWprof, vermeld of berekend overeenkomstig dit artikel:
219Begrotingsjaar 2019226Begrotingsjaar 2019
22025.594,2022725.594,20
223Begrotingsjaar 2021230Begrotingsjaar 2021
22476.782,6023176.782,60
225Vanaf begrotingsjaar 2022232Begrotingsjaar 2022
226102.376,80233102.376,80
234Vanaf begrotingsjaar 2023
235127.971,00
227Vanaf het begrotingsjaar 2018 worden de bedragen vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel.236Vanaf het begrotingsjaar 2018 worden de bedragen vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel.
228§ 17. Vanaf het begrotingsjaar 2022 is het bedrag voor het variabel onderwijsdeel VOWhbo, vermeld in paragraaf 2/1, gelijk aan het bedrag dat overgedragen wordt conform artikel III.42/1.237§ 17. Vanaf het begrotingsjaar 2022 is het bedrag voor het variabel onderwijsdeel VOWhbo, vermeld in paragraaf 2/1, gelijk aan het bedrag dat overgedragen wordt conform artikel III.42/1.
231§ 18. In het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 4.000.000 euro.240§ 18. In het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 4.000.000 euro.
232§ 19. In het begrotingsjaar 2021 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 8.000.000 euro.241§ 19. In het begrotingsjaar 2021 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 8.000.000 euro.
242§20. Het bedrag VOWprof als vermeld in of berekend conform dit artikel, wordt vermeerderd met de volgende bedragen:
2431° in het begrotingsjaar 2022 met 12.000.000 euro;
2442° in het begrotingsjaar 2023 met 16.000.000 euro;
2453° vanaf het begrotingsjaar 2024 met 20.000.000 euro.
246Bij de opmaak van de begroting 2023 wordt het groeipad, vermeld in paragraaf 18 tot en met 20, geëvalueerd.
+5 −8 codex-hoger-onderwijs/art. III.24
84universiteiten84universiteiten
85budget wendbaar en weerbaar personeelsbeleid85budget wendbaar en weerbaar personeelsbeleid
862638575862.638.575
871776250871.776.250
884 949 207
891 703 720
90afschaffen baremieke leeftijd88afschaffen baremieke leeftijd
914 948
895.047
92optrekken laagste lonen ATP90optrekken laagste lonen ATP
9344 550
9455 450
9145.441
9256.559
95De bedragen voor het afschaffen van de baremieke leeftijd, de laagste lonen en voor 2021 het budget voor wendbaar en weerbaar personeelsbeleid worden verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool en universiteit in de totale werkingsmiddelen.93De bedragen voor het afschaffen van de baremieke leeftijd, de laagste lonen en voor 2021 het budget voor wendbaar en weerbaar personeelsbeleid worden verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool en universiteit in de totale werkingsmiddelen.
96De verdeling en toekenning van de middelen voor wendbaar en weerbaar personeelsbeleid vanaf 2022 wordt vastgelegd in het addendum. De middelen kunnen alleen toegekend worden voor maatregelen met betrekking tot professionalisering, re-integratie en ziektepreventiebeleid.
97Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de bedragen, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.94Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de bedragen, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
+2 −2 codex-hoger-onderwijs/art. III.34
63290.291,9963290.291,99
64Vanaf het begrotingsjaar 2009 worden de bedragen vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.64Vanaf het begrotingsjaar 2009 worden de bedragen vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.
65§ 6. Vanaf het begrotingsjaar 2015 ontvangen de hogescholen en de universiteiten een bedrag van 804.000 euro voor de vorming en opleiding van het personeel aan de hogescholen en universiteiten. Dat bedrag wordt onder de universiteiten en hogescholen verdeeld naar rato van het aandeel van elke instelling in de werkingsuitkering voor het voorgaande begrotingsjaar. Het bedrag dat zo verkregen wordt, wordt met behoud van de bestemming ervan toegevoegd aan de werkingsuitkering.65§ 6. Vanaf het begrotingsjaar 2022 ontvangen de universiteiten een bedrag van 464.000 euro voor de vorming en opleiding van het personeel aan de universiteiten. Dat bedrag wordt onder de universiteiten verdeeld naar rato van het aandeel van elke instelling in de werkingsuitkering voor het voorgaande begrotingsjaar. Het bedrag dat zo verkregen wordt, wordt met behoud van de bestemming ervan toegevoegd aan de werkingsuitkering.
66De universiteiten en hogescholen onderhandelen jaarlijks binnen het lokale medezeggenschapsorgaan met de afgevaardigden van het personeel over de geplande vormingsinitiatieven en rapporteren over het resultaat van de vormingsinitiatieven van het voorgaande begrotingsjaar.66De universiteiten onderhandelen jaarlijks binnen het lokale medezeggenschapsorgaan met de afgevaardigden van het personeel over de geplande vormingsinitiatieven en rapporteren over het resultaat van de vormingsinitiatieven van het voorgaande begrotingsjaar.
67§ 7. Volgende bedragen, uitgedrukt in euro, worden als aanvullende uitkering toegevoegd aan de werkingsuitkering van de Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen:67§ 7. Volgende bedragen, uitgedrukt in euro, worden als aanvullende uitkering toegevoegd aan de werkingsuitkering van de Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen:
68Begrotingsjaar 201668Begrotingsjaar 2016
+52 −18 codex-hoger-onderwijs/art. III.34/1
8universiteiten8universiteiten
9bevorderen duurzame mobiliteit en verhoging fietsvergoeding9bevorderen duurzame mobiliteit en verhoging fietsvergoeding
1035610010356.100
1183837511838.375
121 068 300
132 515 125
121.089.666
132.565.428
14tegemoetkoming in het digitaliseringsbeleid14tegemoetkoming in het digitaliserings- beleid
1535610015356.100
1667070016670.700
171 068 300
182 012 100
171.089.666
182.052.342
19internetvergoeding19internetvergoeding
201424400201.424.400
212682800212.682.800
224 273 200
238 048 400
224.358.664
238.209.368
24tegemoetkoming kortingskaart24tegemoetkoming kortingskaart
25890252589.025
2616767526167.675
2789 025
28167 675
2790.806
28171.029
29wendbaar en weerbaar personeelsbeleid
303.060.000
311.737.794
32re-integratiecoaches
33688.500
29De bedragen worden verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool en universiteit in de totale werkingsmiddelen.34De bedragen worden verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool en universiteit in de totale werkingsmiddelen.
35In afwijking van het tweede lid, worden de bedragen voor de re-integratiecoaches als volgt verdeeld:
36hogeschool
37bedrag (in euro)
381° Arteveldehogeschool
3957.375
402° Erasmushogeschool Brussel
4138.250
423° Hogeschool Gent
4376.500
444° LUCA School of Arts
4538.250
465° Hogeschool West-Vlaanderen
4738.250
486° Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen
4957.375
507° Katholieke Hogeschool Vives Noord en Katholieke Hogeschool Vives Zuid
5157.375
528° Thomas More Kempen en Thomas More Mechelen-Antwerpen
5376.500
549° UC Leuven en UC Limburg
5576.500
5610° Odisee
5757.375
5811° Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen
5957.375
6012° Hogeschool PXL
6138.250
6213° Hogere Zeevaartschool
6319.125
30Het bedrag dat conform het eerste en tweede lid wordt verkregen, wordt toegevoegd aan de werkingsmiddelen.64Het bedrag dat conform het eerste, tweede en derde lid wordt verkregen, wordt toegevoegd aan de werkingsmiddelen.
31§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de bedragen, vermeld in dit artikel, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.65§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de bedragen, vermeld in dit artikel, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
+5 −3 codex-hoger-onderwijs/art. III.42/1
61° voor het begrotingsjaar 2020: het percentage van de evolutie tussen het aan- tal lestijden waarvoor werd ingeschreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2018-2019 en het aantal lestijden waarvoor werd ingeschreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2017-2018 van alle betrokken centra voor volwassenen- onderwijs;61° voor het begrotingsjaar 2020: het percentage van de evolutie tussen het aan- tal lestijden waarvoor werd ingeschreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2018-2019 en het aantal lestijden waarvoor werd ingeschreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2017-2018 van alle betrokken centra voor volwassenen- onderwijs;
72° voor het begrotingsjaar 2021: het percentage van de evolutie tussen het aan- tal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2019-2020 in de hogescholen en het aantal lestijden waarvoor werd inge schreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2018-2019 van alle betrokken centra voor volwassenenonderwijs;72° voor het begrotingsjaar 2021: het percentage van de evolutie tussen het aan- tal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2019-2020 in de hogescholen en het aantal lestijden waarvoor werd inge schreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2018-2019 van alle betrokken centra voor volwassenenonderwijs;
83° voor het begrotingsjaar 2022: het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2020-2021 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2019-2020 in de hogescholen vermenigvuldigd met 8/12, en met het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studie- punten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2020-2021 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2019-2020 in de hogescholen, beperkt tot 2% en vermenigvuldigd met 4/12;
83° voor het begrotingsjaar 2022: het percentage van de evolutie tussen het aan- tal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academie- jaar 2020-2021en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2019-2020in de hogescholen;94° voor het begrotingsjaar 2023: het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2021-2022 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2020-2021 in de hogescholen, beperkt tot 2%;
94° voor de begrotingsjaren 2023 en 2024 monitort de Vlaamse Regering bud- gettaire effecten van de open-endfinanciering van de graduaatsopleidingen tweemaal per jaar in functie van begrotingsopmaak en begrotingscontrole. Op basis van deze monitoring kan de regering ingrijpen in het groeimechanisme om deze effecten onder controle te houden en eventueel beslissen om over te stappen op een budgetbeheersbaar financieringssysteem.
105° voor het begrotingsjaar 2024: het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2021-2022 in de hogescholen, beperkt tot 2%.
10De groeiberekend overeenkomstig het eerste lid wordt jaarlijks onder de betrokken hogescholen verdeeld op basis van hun aandeel in de groei van het aan- tal lestijden gedeeld door 12 respectievelijk het aantal opgenomen studiepunten.11In de begrotingsjaren 2020 en 2021 wordt de groei, berekend overeenkomstig het eerste lid, verdeeld onder de betrokken hogescholen op basis van hun aandeel in de groei van het aantal lestijden gedeeld door 12 respectievelijk het aantal opgenomen studiepunten.
12In de begrotingsjaren 2022, 2023 en 2024 wordt de groei, berekend overeenkomstig het eerste lid, berekend per hogeschool op het budget van de hogeschool in kwestie.
11§ 3. De middelen, vermeld in paragraaf 1, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.13§ 3. De middelen, vermeld in paragraaf 1, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
12§ 4. Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de middelen, berekend overeenkomstig paragraaf 1, 2 en 3, jaarlijks met 1/3 afgebouwd. De vrijgekomen middelen worden toegevoegd aan het variabel onderwijsdeel voor de graduaatsopleidingen VOWhbo, vermeld in artikel III.5.14§ 4. Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de middelen, berekend overeenkomstig paragraaf 1, 2 en 3, jaarlijks met 1/3 afgebouwd. De vrijgekomen middelen worden toegevoegd aan het variabel onderwijsdeel voor de graduaatsopleidingen VOWhbo, vermeld in artikel III.5.
+6 −7 codex-hoger-onderwijs/art. III.42/2
3a) voor het begrotingsjaar 2021 worden de middelen voor de hogeschool in kwestie berekend door het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2019-2020 in de graduaatsopleidingen in die hogeschool te vermenigvuldigen met de som van de middelen van alle hogescholen voor het begrotingsjaar 2021, conform artikel III.42/1, § 2, en te delen door de som van alle opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2019-2020 van alle hogescholen, met uitzondering van de opgenomen studiepunten in de nieuwe opleiding;3a) voor het begrotingsjaar 2021 worden de middelen voor de hogeschool in kwestie berekend door het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2019-2020 in de graduaatsopleidingen in die hogeschool te vermenigvuldigen met de som van de middelen van alle hogescholen voor het begrotingsjaar 2021, conform artikel III.42/1, § 2, en te delen door de som van alle opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2019-2020 van alle hogescholen, met uitzondering van de opgenomen studiepunten in de nieuwe opleiding;
4b) voor de begrotingsjaren 2022, 2023 en 2024 worden de middelen, vermeld in punt a), cumulatief vermenigvuldigd met :4b) voor de begrotingsjaren 2022, 2023 en 2024 worden de middelen, vermeld in punt a), cumulatief vermenigvuldigd met :
5i) voor het begrotingsjaar 2022: het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2020-2021 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2019-2020 in de hogeschool in kwestie;5i) voor het begrotingsjaar 2022: het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2020-2021 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2019-2020 in de hogeschool in kwestie, vermenigvuldigd met 8/12, en met het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2020-2021 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2019-2020 in de hogescholen, beperkt tot 2% en vermenigvuldigd met 4/12;
6ii) voor het begrotingsjaar 2023 : het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2021-2022 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2020-2021 in de hogeschool in kwestie;6ii) voor het begrotingsjaar 2023 : het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2021-2022 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2020-2021 in de hogeschool in kwestie, beperkt tot 2%;
7iii) voor het begrotingsjaar 2024 : het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2021-2022 in de hogeschool in kwestie;7iii) voor het begrotingsjaar 2024 : het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2021-2022 in de hogeschool in kwestie, beperkt tot 2%;
82° als de hogeschool een eerste keer een graduaatsopleiding aanbiedt in het academiejaar 2020-2021 :82° als de hogeschool een eerste keer een graduaatsopleiding aanbiedt in het academiejaar 2020-2021 :
9a) voor het begrotingsjaar 2022 worden de middelen voor de hogeschool in kwestie berekend door het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2020-2021 in de graduaatsopleidingen in die hogeschool te vermenigvuldigen met de som van de middelen van alle hogescholen voor het begrotingsjaar 2022, conform artikel III.42/1, § 2, en te delen door de som van alle opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2020-2021 van alle hogescholen, met uitzondering van de opgenomen studiepunten in de nieuwe opleiding;9a) voor het begrotingsjaar 2022 worden de middelen voor de hogeschool in kwestie berekend door het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2020-2021 in de graduaatsopleidingen in die hogeschool te vermenigvuldigen met de som van de middelen van alle hogescholen voor het begrotingsjaar 2022, conform artikel III.42/1, § 2, en te delen door de som van alle opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2020-2021 van alle hogescholen, met uitzondering van de opgenomen studiepunten in de nieuwe opleiding;
10b) voor het begrotingsjaar 2023 worden de middelen, vermeld in punt a), vermenigvuldigd met het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2021-2022 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2020-2021 in de hogeschool in kwestie;10b) voor het begrotingsjaar 2023 worden de middelen, vermeld in punt a), vermenigvuldigd met het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2021-2022 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2020-2021 in de hogeschool in kwestie, beperkt tot 2%;
11c) voor het begrotingsjaar 2024 worden de middelen, vermeld in punt b), vermenigvuldigd met het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2021-2022 in de hogeschool in kwestie;11c) voor het begrotingsjaar 2024 worden de middelen, vermeld in punt b), vermenigvuldigd met het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2021-2022 in de hogeschool in kwestie, beperkt tot 2%;
123° als de hogeschool een eerste keer een graduaatsopleiding aanbiedt in het academiejaar 2021-2022 :123° als de hogeschool een eerste keer een graduaatsopleiding aanbiedt in het academiejaar 2021-2022 :
13a) voor het begrotingsjaar 2023 worden de middelen voor de hogeschool in kwestie berekend door het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2021-2022 in de graduaatsopleidingen in die hogeschool te vermenigvuldigen met de som van de middelen van alle hogescholen voor het begrotingsjaar 2023, conform artikel III.42/1, § 2, en te delen door de som van alle opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2021-2022 in de hogescholen, conform artikel II.42/1, § 2, met uitzondering van de opgenomen studiepunten in de nieuwe opleiding;13a) voor het begrotingsjaar 2023 worden de middelen voor de hogeschool in kwestie berekend door het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2021-2022 in de graduaatsopleidingen in die hogeschool te vermenigvuldigen met de som van de middelen van alle hogescholen voor het begrotingsjaar 2023, conform artikel III.42/1, § 2, en te delen door de som van alle opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2021-2022 in de hogescholen, conform artikel II.42/1, § 2, met uitzondering van de opgenomen studiepunten in de nieuwe opleiding;
14b) voor het begrotingsjaar 2024 worden de middelen, vermeld in punt a), vermenigvuldigd met het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2021-2022 in de hogeschool in kwestie;14b) voor het begrotingsjaar 2024 worden de middelen, vermeld in punt a), vermenigvuldigd met het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2021-2022 in de hogeschool in kwestie, beperkt tot 2%;
154° als de hogeschool een eerste keer een graduaatsopleiding aanbiedt in het academiejaar 2022-2023, worden voor het begrotingsjaar 2024 de middelen voor die hogeschool berekend door het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2022-2023 in de graduaatsopleidingen in de hogeschool te vermenigvuldigen met de som van de middelen van alle hogescholen voor het begrotingsjaar 2024, conform artikel III.42/1, § 2, en te delen door de som van alle opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 in de hogescholen, conform artikel II.42/1, § 2, met uitzondering van de opgenomen studiepunten in de nieuwe opleiding.154° als de hogeschool een eerste keer een graduaatsopleiding aanbiedt in het academiejaar 2022-2023, worden voor het begrotingsjaar 2024 de middelen voor die hogeschool berekend door het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2022-2023 in de graduaatsopleidingen in de hogeschool te vermenigvuldigen met de som van de middelen van alle hogescholen voor het begrotingsjaar 2024, conform artikel III.42/1, § 2, en te delen door de som van alle opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 in de hogescholen, conform artikel II.42/1, § 2, met uitzondering van de opgenomen studiepunten in de nieuwe opleiding.
16De begrotingsjaren 2023 en 2024 worden meegenomen in de monitoring, vermeld in artikel III.42/1, § 2, 4°.
17Artikel III.42/1, § 3 en § 4, zijn van overeenkomstige toepassing op de middelen die overeenkomstig dit artikel worden gegenereerd.16Artikel III.42/1, § 3 en § 4, zijn van overeenkomstige toepassing op de middelen die overeenkomstig dit artikel worden gegenereerd.
+11 −21 codex-hoger-onderwijs/art. III.119
1§ 1. De Vlaamse Regering kan in de vorm van een jaarlijkse toelage bijdragen in de financiering van de hogere instituten voor schone kunsten en van instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren.1§ 1. De Vlaamse Regering kan in de vorm van een jaarlijkse toelage bijdragen in de financiering van de Hogere Instituten voor Schone Kunsten en van instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren.
2De toelage aan P.A.R.T.S. (Performing Arts Research and Training Studios) wordt vanaf het begrotingsjaar 2022 vastgesteld op 1.309.000 euro.
2Het totale bedrag van de toelage wordt vastgesteld op 3.202.000 euro vanaf 1 januari 2007.3De toelage aan het Orpheus Instituut wordt vanaf het begrotingsjaar 2022 vastgesteld op 757.000 euro.
3Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2008 jaarlijks op de volgende wijze aangepast :
40,8 x (Ln/L07) + (Cn/C07) waarbij :
5- Ln/L07 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begrotingsjaar 2007;
6- Cn/C07 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 2007.
7De indexformule vermeld in het derde lid wordt in het begrotingsjaar 2010 niet toegepast.
8Voor de begrotingsjaren 2012, 2013 en 2015 wordt het bedrag, vermeld in het tweede lid, geïndexeerd aan de hand van de volgende indexformule:
90,8 x (Ln/L07) + 0,2 waarbij :
10- Ln/L07 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begrotingsjaar 2007.
11In de begrotingsjaren 2015 en 2016 wordt een bedrag van 250.000 euro toegevoegd aan de toelage vermeld in deze paragraaf.
12Vanaf het begrotingsjaar 2018 wordt een bedrag van 400.000 euro toegevoegd aan de toelage, vermeld in deze paragraaf.
4De toelage aan de IOA (International Opera Academy) wordt vanaf het begrotingsjaar 2022 vastgesteld op 576.000 euro.
5De toelage aan het HISK (Hoger Instituut voor Schone Kunsten) wordt voor het begrotingsjaar 2022 vastgesteld op 1.000.000 euro.
6De toelage aan PoPoK (Posthogeschool voor Podiumkunsten) wordt voor het begrotingsjaar 2022 vastgesteld op 461.000 euro.
7De bedragen, vermeld in deze paragraaf, worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het begrotingsjaar 2022 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
13§2. De in paragraaf 1 bedoelde hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht met als doel posthogeschoolvormingen te organiseren inzake de opleidingen van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. De posthogeschoolvorming wordt bekrachtigd met de titel van 'Laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten'. Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Deze instituten worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel die met betrekking tot de posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die een opleiding in de betrokken sectoren organiseren.8§2. De in paragraaf 1 bedoelde hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht met als doel posthogeschoolvormingen te organiseren inzake de opleidingen van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. De posthogeschoolvorming wordt bekrachtigd met de titel van 'Laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten'. Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Deze instituten worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel die met betrekking tot de posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die een opleiding in de betrokken sectoren organiseren.
14De in paragraaf 1 bedoelde andere instellingen zijn instellingen die excellente hogere kunstopleidingen organiseren, doch krachtens artikel II.3 niet als hogescholen kunnen beschouwd worden.9De in paragraaf 1 bedoelde andere instellingen zijn instellingen die excellente hogere kunstopleidingen organiseren, doch krachtens artikel II.3 niet als hogescholen kunnen beschouwd worden.
24§4. De Vlaamse Regering kan de subsidiëring van een instituut of instelling verminderen, doch slechts jaarlijks en naar evenredigheid van de vastgestelde tekortkomingen op de in de beheersovereenkomst bezegelde afspraken.19§4. De Vlaamse Regering kan de subsidiëring van een instituut of instelling verminderen, doch slechts jaarlijks en naar evenredigheid van de vastgestelde tekortkomingen op de in de beheersovereenkomst bezegelde afspraken.
25§5. In afwijking van het bepaalde in paragraaf 3 kunnen lopende beheersovereenkomsten maximaal 2 keer met ten hoogste 1 jaar verlengd worden, in geval de evaluatie van de wijze waarop de lopende beheersovereenkomst werd uitgevoerd, onvoldoende positief is om een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van 5 jaar af te sluiten. Indien na deze verlenging(en) naar het oordeel van de Vlaamse Regering de betrokken instelling een deugdelijk beleidsplan heeft voorgelegd, kan een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van maximaal 4 jaar worden gesloten.20§5. In afwijking van het bepaalde in paragraaf 3 kunnen lopende beheersovereenkomsten maximaal 2 keer met ten hoogste 1 jaar verlengd worden, in geval de evaluatie van de wijze waarop de lopende beheersovereenkomst werd uitgevoerd, onvoldoende positief is om een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van 5 jaar af te sluiten. Indien na deze verlenging(en) naar het oordeel van de Vlaamse Regering de betrokken instelling een deugdelijk beleidsplan heeft voorgelegd, kan een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van maximaal 4 jaar worden gesloten.
26§ 6. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. Voor de berekening van de 2 % worden de bijkomende toelagen van 250.000 euro in 2015 en 2016 en van 400.000 euro vanaf 2018 niet in rekening gebracht.
27§ 7. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 met 265.000 euro verminderd.
28§ 8. De toelage, vermeld in paragraaf 1 en berekend overeenkomstig dit artikel, wordt in het begrotingsjaar 2021 als volgt verdeeld over de hogere instituten voor schone kunsten en de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren:
291° de toelage voor P.A.R.T.S. (Performing Arts, Research and Training Studies) wordt vastgesteld op 1.297.000 euro;
302° de toelage voor het HISK (Hoger Instituut voor Schone Kunsten) wordt vast- gesteld op 1.178.000 euro;
313° de toelage voor het Orpheus Instituut wordt vastgesteld op 750.000 euro;
324° de toelage voor de IOA (International Opera Academy) wordt vastgesteld op 497.000 euro;
335° de toelage voor PoPoK (Posthogeschool voor Podiumkunsten) wordt vastgesteld op 457.000 euro.
34De bedragen vermeld in het eerste lid, worden in het begrotingsjaar 2021 geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen in paragraaf 1 van dit artikel.
21§ 6. ....
22§ 7. ....
23§ 8. ....
24§ 9. ....
+1 −0 decreet-2001-07-06/art. 33
12§ 9. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media worden alle inkomsten toegewezen die verkregen worden uit de kandidaatstellingen voor landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's die bij het Departement Cultuur, Jeugd en Media worden ingediend.12§ 9. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media worden alle inkomsten toegewezen die verkregen worden uit de kandidaatstellingen voor landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's die bij het Departement Cultuur, Jeugd en Media worden ingediend.
13De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media, verkregen op basis van het eerste lid, dienen aangewend te worden voor de betaling van de wedden en weddentoelagen van de tijdelijke personeelsleden die worden aangeworven voor het behandelen van de aanvragen inzake landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's alsook voor de werkingsuitgaven naar aanleiding van de behandeling van de genoemde aanvragen.13De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media, verkregen op basis van het eerste lid, dienen aangewend te worden voor de betaling van de wedden en weddentoelagen van de tijdelijke personeelsleden die worden aangeworven voor het behandelen van de aanvragen inzake landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's alsook voor de werkingsuitgaven naar aanleiding van de behandeling van de genoemde aanvragen.
14§ 10. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, verkregen op basis van paragraaf 2, kunnen eveneens aangewend worden voor de betaling van facturen voor het tijdelijk inhuren van personeel via uitzendarbeid of externe ICT-profielen ter vervanging van de personeelsleden binnen WVG die ten laste genomen worden door andere organisaties of overheden.
+1 −0 decreet-2018-04-27/art. 40
31° aan de gefinancierde, de gesubsidieerde officiële en de gesubsidieerde vrije permanente ondersteuningscellen worden respectievelijk 5,89 omkaderingsgewichten, 1,99 omkaderingsgewichten en 12,49 omkaderingsgewichten toegekend;31° aan de gefinancierde, de gesubsidieerde officiële en de gesubsidieerde vrije permanente ondersteuningscellen worden respectievelijk 5,89 omkaderingsgewichten, 1,99 omkaderingsgewichten en 12,49 omkaderingsgewichten toegekend;
42° 1015 omkaderingsgewichten worden verdeeld over de centra volgens het aantal leerlingen met SES-kenmerken in de scholen voor gewoon onderwijs waarmee ze samenwerken.42° 1015 omkaderingsgewichten worden verdeeld over de centra volgens het aantal leerlingen met SES-kenmerken in de scholen voor gewoon onderwijs waarmee ze samenwerken.
5Van de omkaderingsgewichten aan de gesubsidieerde officiële permanente ondersteuningscellen, vermeld in het eerste lid, 1°, worden 1,44 omkaderingsgewichten toegekend aan de permanente ondersteuningscel van de Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten enerzijds en 0,55 omkaderingsgewichten aan de permanente ondersteuningscel van het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen anderzijds.
5Bij de berekening wordt rekening gehouden met de leerlingenkenmerken 1 tot en met 3, vermeld in artikel 133 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 242 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.6Bij de berekening wordt rekening gehouden met de leerlingenkenmerken 1 tot en met 3, vermeld in artikel 133 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 242 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
6406 van de omkaderingsgewichten worden over de centra evenredig verdeeld op basis van het aantal regelmatige leerlingen in de scholen waarmee ze samenwerken die beantwoorden aan leerlingenkenmerk 1.7406 van de omkaderingsgewichten worden over de centra evenredig verdeeld op basis van het aantal regelmatige leerlingen in de scholen waarmee ze samenwerken die beantwoorden aan leerlingenkenmerk 1.
+2 −1 decreet-2006-05-19-1014686/art. 2
65° visserijproducten : producten van de visvangst op zee en in de binnenwateren en van de aquacultuur die al dan niet een verwerking of bewerking hebben ondergaan;65° visserijproducten : producten van de visvangst op zee en in de binnenwateren en van de aquacultuur die al dan niet een verwerking of bewerking hebben ondergaan;
76° Vlaams Landbouwfonds : Vlaams Fonds voor Landbouw en Visserij;76° Vlaams Landbouwfonds : Vlaams Fonds voor Landbouw en Visserij;
87° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij.87° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij;
98° Vlaams Klimaatfonds: het Vlaams Klimaatfonds, vermeld in artikel 14 van het decreet van 13 juli 2012 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2012, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2020.
+2 −1 decreet-2006-05-19-1014686/art. 4
7a) de schade voortvloeit uit een beslissing van de Europese Unie, van de federale of van de Vlaamse overheid, zonder dat de schade veroorzaakt is door de schadelijder;7a) de schade voortvloeit uit een beslissing van de Europese Unie, van de federale of van de Vlaamse overheid, zonder dat de schade veroorzaakt is door de schadelijder;
8b) de schade niet voortvloeit uit bestrijdingsprogramma's met betrekking tot de dieren- of plantengezondheid;8b) de schade niet voortvloeit uit bestrijdingsprogramma's met betrekking tot de dieren- of plantengezondheid;
96° ...96° ...;
107° uitgaven die betrekking hebben op de cofinanciering vanuit het Vlaams Klimaatfonds voor land- en tuinbouw gerelateerde initiatieven.
+2 −1 decreet-2006-05-19-1014686/art. 5
1211° de verplichte bijdragen die opgelegd worden aan de bedrijven of personen die door de aard van hun activiteiten schade kunnen veroorzaken aan planten of dieren en aan plantaardige of dierlijke producten of visserijproducten;1211° de verplichte bijdragen die opgelegd worden aan de bedrijven of personen die door de aard van hun activiteiten schade kunnen veroorzaken aan planten of dieren en aan plantaardige of dierlijke producten of visserijproducten;
1312° andere middelen die hem bij decreet zijn toegewezen;1312° andere middelen die hem bij decreet zijn toegewezen;
1413° bij achterstal van betaling, de intresten op de bedragen, vermeld in punt 1° tot en met 12°.1413° bij achterstal van betaling, de intresten op de bedragen, vermeld in punt 1° tot en met 12°;
1514° financiering uit het Vlaams Klimaatfonds.
15De verplichte bijdragen, retributies, rechten en vergoedingen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, kunnen worden geheven op planten of plantaardige producten, dieren of dierlijke producten of visserijproducten die worden voortgebracht, geoogst, aangeland, verhandeld, vervoerd, bewerkt of verwerkt. Ze kunnen ook worden geheven op de ondernemingen die planten of plantaardige producten, dieren of dierlijke producten of visserijproducten voortbrengen, verhandelen, vervoeren, bewerken of verwerken.16De verplichte bijdragen, retributies, rechten en vergoedingen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, kunnen worden geheven op planten of plantaardige producten, dieren of dierlijke producten of visserijproducten die worden voortgebracht, geoogst, aangeland, verhandeld, vervoerd, bewerkt of verwerkt. Ze kunnen ook worden geheven op de ondernemingen die planten of plantaardige producten, dieren of dierlijke producten of visserijproducten voortbrengen, verhandelen, vervoeren, bewerken of verwerken.
+1 −0 decreet-2006-05-19-1014686/art. 7
7De raad kan aan de minister elk voorstel voorleggen voor het toepassingsdomein van het Vlaams Landbouwfonds.7De raad kan aan de minister elk voorstel voorleggen voor het toepassingsdomein van het Vlaams Landbouwfonds.
8§ 3. ...8§ 3. ...
9§ 4. De raad verleent geen advies over de middelen en uitgaven gerelateerd aan het Vlaams Klimaatfonds.
+3 −4 decreet-2013-06-28/art. 12
1In het kader van de landbouwvorming kunnen naschoolse activiteiten die inhoudelijk gericht zijn op vorming op het vlak van de landbouwactiviteit en primaire verwerking, worden georganiseerd met als doel :1In het kader van de landbouwvorming kunnen naschoolse activiteiten worden georganiseerd.
21° de beroepsopleiding bevorderen van personen die een landbouwactiviteit of activiteit in de primaire verwerking uitoefenen of zullen uitoefenen door hen via naschoolse vorming in staat te stellen vakbekwaamheid en deskundigheid te verwerven of die te verbeteren voor landbouwactiviteiten of de primaire verwerking en de daaraan verbonden activiteiten en voor de omschakeling van landbouwactiviteiten;
32° de personen die landbouwactiviteiten of activiteiten in de primaire verwerking uitoefenen of zullen uitoefenen voorbereiden op een kwalitatieve heroriëntering van de productie en op de toepassing van productiemethoden die verenigbaar zijn met landschapsbehoud, landschapsverbetering, milieubescherming, hygiënische normen en dierenwelzijn, alsook hen de vaardigheden laten verwerven die nodig zijn om een economisch levensvatbaar landbouwbedrijf te beheren;
43° de opleiding vervolmaken van de lesgevers die in de naschoolse landbouwvorming actief zijn of willen worden.
2De Vlaamse Regering kan de doelgroepen van de naschoolse activiteiten, vermeld in het eerste lid, en de doelen waartoe die activiteiten moeten bijdragen, bepalen.
3In het kader van de naschoolse activiteiten, vermeld in het eerste lid, kunnen examens georganiseerd worden en getuigschriften en attesten uitgereikt worden.
+0 −8 decreet-2013-06-28/art. 14 opgeheven
1Een vereniging kan als centrum voor landbouwvorming erkend worden als ze aan de volgende voorwaarden voldoet :
21° ze is opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk met als statutair doel de organisatie van naschoolse vormingsactiviteiten als vermeld in artikel 12;
32° ze stelt op eenvoudig verzoek alle gegevens ter beschikking die nodig zijn voor de controle op en de uitvoering van de activiteiten waarvoor ze erkend is;
43° ze biedt alle waarborgen voor een adequate organisatie en planning van de verschillende types vormingsactiviteiten, bepaald door de Vlaamse Regering;
54° ze aanvaardt de administratieve en financiële controle van de Vlaamse overheid en de Europese Unie.
6De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, en aanvullende voorwaarden en regels voor de erkenning en de gevolgen van de erkenning.
7De erkenning kan worden geschorst of opgeheven als niet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt voldaan. De Vlaamse Regering kan de regels voor de schorsing en de opheffing nader bepalen en kan ook nog andere gevallen bepalen die leiden tot schorsing of opheffing van de erkenning als centrum.
8De erkenning wordt geschorst als het centrum ook andere subsidiëring aanvraagt en krijgt voor activiteiten die worden gesubsidieerd ter uitvoering van deze afdeling.
+3 −2 decreet-2013-06-28/art. 15
2Met betrekking tot de subsidies, vermeld in het eerste lid, kan de Vlaamse Regering bepalen :2Met betrekking tot de subsidies, vermeld in het eerste lid, kan de Vlaamse Regering bepalen :
31° wie in aanmerking komt voor subsidiëring;31° wie in aanmerking komt voor subsidiëring;
42° aan welke regels de centra moeten voldoen;42° aan welke regels de begunstigden moeten voldoen;
52°/1 dat de begunstigden erkend of geregistreerd moeten worden om voor subsidiëring in aanmerking te komen en aan welke voorwaarden ze in voorkomend geval moeten voldoen;
53° wat de aard is van de naschoolse activiteiten;63° wat de aard is van de naschoolse activiteiten;
64° aan welke kwaliteitseisen de begeleiding moet voldoen;74° aan welke kwaliteitseisen de begeleiding moet voldoen;
75° aan welke kwaliteitseisen de lesgevers moeten voldoen;85° aan welke kwaliteitseisen de lesgevers moeten voldoen;
86° hoe de installatieproeven die afgelegd moeten worden om een installatieattest te krijgen, moeten worden georganiseerd.
96° op welke wijze examens georganiseerd worden, en onder welke voorwaarden een attest of getuigschrift verkregen kan worden.
9De subsidiëring van de organisatie van naschoolse vormingsactiviteiten, vermeld in artikel 12, kan afhankelijk gesteld worden van het type centrum, het type vormingsactiviteit of de kwalificaties van de lesgever.10De subsidiëring van de organisatie van naschoolse vormingsactiviteiten, vermeld in artikel 12, kan afhankelijk gesteld worden van het type centrum, het type vormingsactiviteit of de kwalificaties van de lesgever.
10Om voor subsidie in aanmerking te komen, mogen de deelnemers aan de naschoolse vormingsactiviteiten, vermeld in artikel 12, bij de aanvang van de activiteiten niet meer leerplichtig zijn, overeenkomstig de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht.11Om voor subsidie in aanmerking te komen, mogen de deelnemers aan de naschoolse vormingsactiviteiten, vermeld in artikel 12, bij de aanvang van de activiteiten niet meer leerplichtig zijn, overeenkomstig de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht.
+8 −1 decreet-2013-06-28/art. 16
1Met behoud van de toepassing van artikel 10, § 1, tweede lid, kunnen, ter bevordering van een duurzame landbouw, sensibiliseringsacties worden georganiseerd rond de thema's, vermeld in artikel 10, § 1, eerste lid.
1Binnen de grenzen van de jaarlijks toegestane begrotingskredieten kunnen subsidies worden toegekend voor de organisatie van sensibiliseringsacties om een duurzame landbouw te bevorderen.
2Met betrekking tot de subsidies, vermeld in het eerste lid, kan de Vlaamse Regering bepalen:
31° wie in aanmerking komt voor subsidiëring;
42° dat de begunstigden erkend of geregistreerd moeten worden om voor subsidiëring in aanmerking te komen en aan welke voorwaarden ze in voorkomend geval moeten voldoen;
53° aan welke regels de sensibiliseringsacties moeten voldoen;
64° aan welke verplichtingen de begunstigden moeten voldoen;
75° onder welke voorwaarden de subsidie verleend wordt;
86° welke procedure gevolgd moet worden.
+0 −9 decreet-2013-06-28/art. 17 opgeheven
1Een vereniging kan als centrum voor sensibilisering van duurzame landbouw worden erkend als ze aan de volgende voorwaarden voldoet :
21° ze is opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk met als statutair doel de organisatie van sensibiliseringsacties als vermeld in artikel 16;
32° ze stelt op eenvoudig verzoek alle gegevens ter beschikking die nodig zijn voor de controle op en de uitvoering van de activiteiten waarvoor ze erkend is;
43° ze heeft de nodige ervaring met de organisatie en uitvoering van sensibiliseringsactiviteiten als vermeld in artikel 16, of van sensibiliseringsactiviteiten in sectoren die verwant zijn met landbouw;
54° ze biedt alle waarborgen voor een adequate organisatie en planning van de sensibiliseringsacties, vermeld in artikel 16;
65° ze aanvaardt de administratieve en financiële controle van de Vlaamse overheid en de Europese Unie.
7De Vlaamse Regering kan nadere regels voor de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, en aanvullende voorwaarden en regels voor de erkenning en de gevolgen van de erkenning bepalen.
8De erkenning kan worden geschorst of opgeheven als niet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt voldaan. De Vlaamse Regering kan de regels voor de schorsing en de opheffing nader bepalen en kan ook nog andere gevallen bepalen die leiden tot schorsing of opheffing van de erkenning als centrum.
9De erkenning wordt geschorst als het centrum ook andere subsidiëring aanvraagt en krijgt voor activiteiten die worden gesubsidieerd ter uitvoering van deze afdeling.
+0 −5 decreet-2013-06-28/art. 18 opgeheven
1Binnen de grenzen van de jaarlijks toegestane begrotingskredieten kunnen subsidies worden toegekend voor de organisatie van de sensibiliseringsacties, vermeld in artikel 16, als aan de voorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering, is voldaan.
2Met betrekking tot de subsidies, vermeld in het eerste lid, kan de Vlaamse Regering bepalen :
31° wie in aanmerking komt voor subsidiëring;
42° aan welke regels de centra moeten voldoen;
53° wat de aard en de kwaliteit is van de sensibiliseringsacties.
+2 −1 decreet-1994-12-21/art. 53
92° al de middelen die terugvloeien aan de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest waarvoor een betaling werd verricht "voor wie het behoort" maar waar de verbintenis uiteindelijk slechts gedeeltelijk of niet ten laste van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest wordt gelegd;92° al de middelen die terugvloeien aan de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest waarvoor een betaling werd verricht "voor wie het behoort" maar waar de verbintenis uiteindelijk slechts gedeeltelijk of niet ten laste van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest wordt gelegd;
103° al de middelen die terugvloeien aan de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest waarvoor een betaling werd verricht "onder voorbehoud van alle rechten" maar waar de verbintenis uiteindelijk slechts gedeeltelijk of niet ten laste van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest wordt gelegd.103° al de middelen die terugvloeien aan de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest waarvoor een betaling werd verricht "onder voorbehoud van alle rechten" maar waar de verbintenis uiteindelijk slechts gedeeltelijk of niet ten laste van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest wordt gelegd.
114° de opbrengsten uit de verkoop of verhuur van gebouwen of terreinen aangekocht lastens het voormalige Gebouwenfonds voor de Rijksscholen die voor 1 januari 1989 voor vervreemding werden overgedragen aan het Ministerie van Financiën.114° de opbrengsten uit de verkoop of verhuur van gebouwen of terreinen aangekocht lastens het voormalige Gebouwenfonds voor de Rijksscholen die voor 1 januari 1989 voor vervreemding werden overgedragen aan het Ministerie van Financiën;
125° de ontvangen middelen als gevolg van de waarborgen, vermeld in artikel 18, vierde lid, van het decreet van 13 december 2002 houdende de oprichting van de naamloze vennootschap van publiek recht Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel (BAM) en in artikel 13 van het Indemniteitsdecreet van 21 januari 2022.
12§ 5. Het fonds wordt beheerd door de Vlaamse regering. De Vlaamse regering stelt de nodige diensten, uitrusting installaties en personeelsleden ter beschikking van het fonds.13§ 5. Het fonds wordt beheerd door de Vlaamse regering. De Vlaamse regering stelt de nodige diensten, uitrusting installaties en personeelsleden ter beschikking van het fonds.
13§ 6. De Vlaamse regering stelt de nadere regels vast betreffende de werking en het beheer van het fonds.14§ 6. De Vlaamse regering stelt de nadere regels vast betreffende de werking en het beheer van het fonds.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd