Decreet tot wijziging van artikel 5 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, tot wijziging van het Groeipakketdecreet van 2018 en tot uitlegging van artikel 8 van het Groeipakketdecreet van 2018
14 artikels gewijzigd
| 32 | 32 | c) de leerling die in het buitenland een opleiding volgt; | |
| 33 | 33 | d) de gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerling; | |
| 34 | + | e) de leerling die gedurende het schooljaar in kwestie minstens 149 dagen residentieel verblijft in een door de Vlaamse overheid erkend multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap; | |
| 34 | 35 | 22° kleuteronderwijs: het kleuteronderwijs, vermeld in het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997; | |
| 35 | 36 | 23° kleutertoeslagen: toeslagen om de deelname aan het kleuteronderwijs te stimuleren; | |
| 1 | 1 | § 1. Een kind geeft recht op gezinsbijslagen als het: | |
| 2 | − | 1° zijn woonplaats heeft in het Nederlandse taalgebied. Het kind van wie het bewijs niet geleverd wordt dat het de Belgische nationaliteit bezit, moet toegelaten of gemachtigd zijn om in het Rijk te verblijven of er zich te vestigen overeenkomstig de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; | |
| 2 | + | 1° zijn woonplaats heeft in het Nederlandse taalgebied. Het kind van wie het bewijs niet geleverd wordt dat het de Belgische nationaliteit bezit, moet toegelaten of gemachtigd zijn om in het Rijk te verblijven of er zich te vestigen overeenkomstig de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Voor de toepassing van dit decreet vormt een attest van immatriculatie geen toelating of machtiging in de zin van deze bepaling. | |
| 3 | 3 | 2° verdwenen of ontvoerd is en voldoet aan de voorwaarden, vermeld in punt 1°, op het moment van de verdwijning of ontvoering. | |
| 4 | 4 | Onder kind dat verdwenen is, moet worden verstaan het kind dat onvrijwillig niet langer op zijn woonplaats verblijft, en over wie er geen nieuws is, behalve als blijkt dat het kind, naar alle waarschijnlijkheid, overleden is in omstandigheden zoals een ongeval of een ramp, zelfs als het lichaam niet is teruggevonden. De verdwijning kan bewezen worden met alle rechtsmiddelen. Het kind dat door een van de ouders is meegenomen, wordt niet als verdwenen kind beschouwd. | |
| 8 | 8 | Als de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind niet is bepaald of bekrachtigd door de bevoegde rechtbank, wordt ervan uitgegaan dat de huisvesting van het rechtgevende kind gelijk is verdeeld tussen de ouders en wordt het bedrag van de toeslag gehalveerd toegekend in elk rechtgevend gezin. | |
| 9 | 9 | Als het rechtgevende kind is geplaatst door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid in een pleeggezin, wordt het kind voor de berekening van de toeslag en de gezinsgrootte, vermeld in het tweede lid, in het pleeggezin volledig meegeteld. | |
| 10 | − | Als het rechtgevende kind is geplaatst door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid in een instelling, wordt het kind voor de berekening van de toeslag en de gezinsgrootte, vermeld in het tweede lid, in het gezin waar het verbleef voorafgaand aan de plaatsing, volledig meegeteld. In toepassing van artikel 68, § 3, wordt het kind daarentegen niet meegeteld in het gezin waar het verbleef voorafgaand aan de plaatsing. | |
| 10 | + | Als het rechtgevende kind materiële ondersteuning krijgt als vermeld in artikel 68, § 2/1, wordt het kind voor de berekening van de toeslag en de gezinsgrootte, vermeld in het tweede lid, in het gezin waar het verbleef voorafgaand aan de plaatsing, volledig meegeteld. In toepassing van artikel 68, § 3, wordt het kind daarentegen niet meegeteld in het gezin waar het verbleef voorafgaand aan de plaatsing. | |
| 11 | 11 | De Vlaamse Regering bepaalt met welke inkomsten van welke personen rekening wordt gehouden om de gezinsinkomsten, vermeld in het eerste lid, vast te stellen. Ze bepaalt de periode waarin de sociale toeslag wordt toegekend, en ze kan de gezinsgrootte nader bepalen. De Vlaamse Regering stelt ook een alarmbelprocedure vast voor de onmiddellijke aanpassing van het recht op sociale toeslag. | |
| 4 | 4 | 2° 80 euro per kind voor gezinnen met meer dan twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis niet meer dan 30.378,60 euro bedragen; | |
| 5 | 5 | 3° 60 euro per kind voor gezinnen met meer dan twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis tussen 30.378,60 euro en 60.000 euro liggen. | |
| 6 | − | Als ten gevolge van een gelijkmatig verdeelde huisvesting, bepaald of bekrachtigd door de bevoegde rechtbank, de huisvesting van het rechtgevende kind gelijk is verdeeld tussen de ouders, wordt het bedrag van de toeslag gehalveerd toegekend in elk rechtgevend gezin. | |
| 6 | + | Als ten gevolge van een gelijkmatig verdeelde huisvesting de huisvesting van het rechtgevende kind gelijk is verdeeld tussen de ouders, wordt het bedrag van de toeslag gehalveerd toegekend in elk rechtgevend gezin. | |
| 7 | − | Als de huisvesting van het rechtgevende kind niet gelijk is verdeeld tussen beide ouders, zoals bepaald of bekrachtigd door de bevoegde rechtbank, wordt het kind voor de toepassing van het tweede lid alleen meegeteld in het gezin waar het kind meer dan de helft van de tijd verblijft. | |
| 7 | + | Als de huisvesting van het rechtgevende kind niet gelijk is verdeeld tussen beide ouders wordt het kind voor de toepassing van het tweede lid alleen meegeteld in het gezin waar het kind meer dan de helft van de tijd verblijft. | |
| 8 | − | Als de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind niet is bepaald of bekrachtigd door de bevoegde rechtbank, wordt ervan uitgegaan dat de huisvesting van het rechtgevende kind gelijk is verdeeld tussen de ouders en wordt het bedrag van de toeslag gehalveerd toegekend in elk rechtgevend gezin. | |
| 8 | + | Als de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind niet is bepaald of bekrachtigd door de bevoegde rechtbank, wordt ervan uitgegaan dat de huisvesting van het rechtgevende kind gelijk is verdeeld tussen de ouders. | |
| 9 | + | Voor de huisvesting van het meerderjarige rechtgevend kind wordt uitgegaan van de woonplaats van het kind. | |
| 10 | + | In afwijking van het zesde lid blijft de vastgestelde huisvesting overeenkomstig het vijfde lid die geldt op het moment dat het kind meerderjarig wordt, gelden. | |
| 11 | + | In afwijking van het zesde en zevende lid kan de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het meerderjarige rechtgevend kind worden bepaald op grond van een overeenkomst, waarin de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind uitdrukkelijk wordt bepaald, en die is geregistreerd conform artikel 1 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten. | |
| 9 | 12 | Als het rechtgevende kind is geplaatst door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid in een pleeggezin, wordt het kind voor de berekening van de toeslag en de gezinsgrootte, vermeld in het tweede lid, in het pleeggezin volledig meegeteld. | |
| 10 | 13 | Als het rechtgevende kind materiële ondersteuning krijgt als vermeld in artikel 68, § 2/1, wordt het kind voor de berekening van de toeslag en de gezinsgrootte, vermeld in het tweede lid, in het gezin waar het verbleef voorafgaand aan de plaatsing, volledig meegeteld. In toepassing van artikel 68, § 3, wordt het kind daarentegen niet meegeteld in het gezin waar het verbleef voorafgaand aan de plaatsing. | |
| 2 | 2 | 1° in het schooljaar in kwestie is hij niet ingeschreven in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 29; | |
| 3 | 3 | 2° hij is ongewettigd afwezig geweest of niet voldoende aanwezig geweest; | |
| 4 | − | 3° uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van uitschrijving in het lager onderwijs is hij niet opnieuw in het lager onderwijs ingeschreven. | |
| 4 | + | 3° tijdens het schooljaar uiterlijk 21 kalenderdagen na de datum van uitschrijving in het lager onderwijs is hij niet opnieuw in het lager onderwijs ingeschreven. | |
| 5 | − | § 2. Een leerling wordt tijdens een schooljaar geacht niet voldoende aanwezig te zijn als de leerling gedurende het schooljaar in kwestie 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest en het daaraan voorafgaande schooljaar hetzij eveneens 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest, hetzij minder dan 250 halve schooldagen aanwezig is geweest indien de leerling toen nog niet onderworpen was aan de leerplicht maar wel ingeschreven was in een kleuterschool. | |
| 5 | + | § 2. Een leerling wordt tijdens een schooljaar geacht niet voldoende aanwezig te zijn als de leerling gedurende het schooljaar in kwestie 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest en het daaraan voorafgaande schooljaar hetzij eveneens 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest, hetzij minder dan 290 halve schooldagen aanwezig is geweest indien de leerling toen onderworpen was aan de leerplicht en gedurende dat schooljaar ingeschreven was in een kleuterschool, met uitzondering van de leerlingen bedoeld onder 27, § 2, 4° van dit decreet. | |
| 6 | 6 | § 3. Een leerling in het lager onderwijs wordt geacht aanwezig te zijn als hij niet als ongewettigd afwezig is geregistreerd in het aanwezigheidsregister van de school. | |
| 7 | 7 | Een leerling is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van de leerlingen in het basisonderwijs. | |
| 2 | 2 | 1° in het schooljaar in kwestie is hij niet ingeschreven in een onderwijsinstelling of centrum als vermeld in artikel 32; | |
| 3 | 3 | 2° hij is ongewettigd afwezig geweest; | |
| 4 | − | 3° uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van uitschrijving uit een instelling voor secundair onderwijs of uit de leertijd in een centrum zoals bedoeld in artikel 32 is hij niet opnieuw ingeschreven in een instelling voor secundair onderwijs of in de leertijd in een centrum zoals bedoeld in artikel 32. | |
| 4 | + | 3° tijdens het schooljaar uiterlijk 21 kalenderdagen na de datum van uitschrijving uit een instelling voor secundair onderwijs of uit de leertijd in een centrum zoals bedoeld in artikel 32 is hij niet opnieuw ingeschreven in een instelling voor secundair onderwijs of in de leertijd in een centrum zoals bedoeld in artikel 32. | |
| 5 | 5 | In afwijking van het eerste lid, 3°, behoudt de rechthebbende leerling in het secundair onderwijs die op 30 juni van het schooljaar in kwestie niet langer ingeschreven is in een instelling voor secundair onderwijs of een centrum zoals bedoeld in artikel 32, zijn toelage, op voorwaarde dat hij in de loop van dat schooljaar zijn kwalificatie behaalde. | |
| 6 | 6 | § 2. Een leerling wordt tijdens een schooljaar geacht niet voldoende aanwezig te zijn als de leerling gedurende het schooljaar in kwestie 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest tijdens de lessen in de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor voltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, en/of het werkplekleren dat deel uitmaakt van de opleiding in de periode van 1 september tot en met 30 juni, en als hij gedurende het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar in kwestie 30, al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest tijdens de lessen in de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor voltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs, en/of het werkplekleren dat deel uitmaakt van de opleiding in de periode van 1 september tot en met 30 juni. | |
| 1 | 1 | Het bedrag van de selectieve participatietoeslag is afhankelijk van het door de rechthebbende leerling, vermeld in artikel 24, gevolgde onderwijs, van de hoogte van de gezinsinkomsten en van de puntenlast ten aanzien van de gezinskomsten. | |
| 2 | + | Met behoud van de toepassing van artikel 27, 30 en 34 heeft de rechthebbende leerling recht op het hoogste bedrag van de selectieve participatietoeslag overeenkomstig het gevolgde onderwijs als het gevolgde onderwijs in de loop van het schooljaar wijzigt. |
| 12 | 12 | 3° als het zelf begunstigde is voor een of meer van zijn kinderen; | |
| 13 | 13 | 4° als het een niet-begeleide minderjarige is als vermeld in titel XIII, hoofdstuk VI, van de Programmawet (I) van 24 december 2002, als er geen werkelijke opvoeder kan worden aangewezen conform artikel 59 van dit decreet. | |
| 14 | − | Het rechtgevende kind, vermeld in het eerste lid, kan evenwel in zijn eigen belang een andere persoon als begunstigde aanwijzen, op voorwaarde dat die persoon met het kind in kwestie verbonden is door verwantschap of aanverwantschap in de eerste graad. De verwantschap die verworven is door adoptie, wordt in aanmerking genomen. Als het rechtgevende kind zijn woonplaats niet bij de aangewezen persoon heeft, heeft de aanwijzing geen wijziging van de gezinssamenstelling van die persoon tot gevolg en kan dit kind niet worden meegeteld in het gezin van die persoon tot bepaling van de gezinsgrootte voor de toepassing van artikel 18. | |
| 15 | − | De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop het rechtgevende kind, vermeld in het eerste lid, een andere persoon als begunstigde kan aanwijzen. | |
| 16 | 14 | Het rechtgevende kind, vermeld in het eerste lid, is rechtsbekwaam om zelf als eiser of verweerder in rechte op te treden in de geschillen over zijn rechten op de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1 van boek 2, met behoud van toepassing van artikel 9, § 1, van titel XIII, hoofdstuk VI, van de Programmawet (I) van 24 december 2002. | |
| 1 | 1 | In afwijking van artikel 65, § 1, tweede lid, wordt het startbedrag geboorte, vermeld in artikel 9, uitbetaald aan de zwangere persoon als het startbedrag geboorte wordt uitbetaald vóór de geboorte van een eerste rechtgevend kind bij de personen die begunstigden worden na de geboorte. | |
| 2 | − | Na de geboorte kunnen de begunstigden onder de voorwaarden, vermeld in artikel 65, met een schriftelijk verzoek de uitbetalingsactor of de bankrekening wijzigen. | |
| 2 | + | Als de aanvraag van het startbedrag geboorte niet door beide begunstigden wordt ondertekend, kunnen de begunstigden in afwijking van artikel 65, § 2, tweede lid, gedurende drie maanden na de geboorte met een schriftelijk verzoek de uitbetalingsactor wijzigen. | |
| 3 | + | De wijziging van uitbetalingsactor, vermeld in het tweede lid, gaat in vanaf het eerste kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin een ontvankelijk wijzigingsverzoek is ingediend. |
| 1 | − | § 1. Als een rechtgevend kind door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid in een instelling wordt geplaatst, wordt de uitbetaling van de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1 van boek 2, met uitzondering van het startbedrag geboorte en het startbedrag adoptie , verdeeld tussen de instelling en de begunstigden. | |
| 1 | + | § 1. Als een rechtgevend kind door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid in een instelling wordt geplaatst, wordt de uitbetaling van de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1 van boek 2, met uitzondering van het startbedrag geboorte , het startbedrag adoptie en de pleegzorgtoeslag, verdeeld tussen de instelling en de begunstigden. | |
| 2 | 2 | § 2. De Vlaamse Regering bepaalt de toekennings- en verdelingsregels, vermeld in paragraaf 1, van de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, vermeld in paragraaf 1, tussen de instelling en de begunstigden. De Vlaamse Regering kan hiertoe ook de overheid aanduiden aan wie het deel van de toelage bestemd voor de instelling dient te worden toegekend. | |
| 3 | + | § 2/1. Als een rechtgevend kind materiële ondersteuning krijgt, wordt, in afwijking van paragraaf 1 en 2, vanaf 1 augustus 2022 een derde van de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1, met uitzondering van het startbedrag geboorte, het startbedrag adoptie en de pleegzorgtoeslag, uitbetaald aan de begunstigden. | |
| 4 | + | In het eerste lid wordt verstaan onder een rechtgevend kind dat materiële ondersteuning krijgt: | |
| 5 | + | 1° een kind dat opvang in een opvangstructuur krijgt als vermeld in artikel 2, 10°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen; | |
| 6 | + | 2° een kind dat medische begeleiding krijgt als vermeld in de voormelde wet; | |
| 7 | + | 3° een kind dat in een instelling is geplaatst door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid. | |
| 8 | + | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid vermeld in het eerste lid. | |
| 9 | + | In afwijking van het eerste lid blijven de toekennings- en verdelingsregels, ver- meld in paragraaf 1 en paragraaf 2, gelden tot en met 30 juni 2027 voor de kinderen vermeld in het tweede lid, 3°. | |
| 3 | 10 | § 3. Iedere belanghebbende, waaronder ook de instelling, de begunstigden en de bijslagtrekkende worden begrepen, die niet akkoord gaat met de bestemmingsregels tot aanwijzing van de begunstigden, kan de bevoegde rechtbank om een afwijking in het belang van het kind verzoeken. De bevoegde rechtbank kan in het belang van het kind oordelen dat de gehele gezinsbijslag die toekomt aan de begunstigde of een deel ervan wordt uitbetaald op een rekeningnummer dat op naam van het rechtgevende kind staat. De meest gerede partij bezorgt de gerechtelijke uitspraak aan de uitbetalingsactor. |
| 1 | 1 | De toelagen in het kader van het gezinsbeleid worden uitbetaald op een bankrekening. | |
| 2 | − | Als een betaling van de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1 van boek 2, om technische of sociale redenen niet mogelijk is per overschrijving, worden de toelagen betaald met een circulaire cheque, volgens de regels die de Vlaamse Regering bepaalt. | |
| 2 | + | Als een betaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid om technische of sociale redenen niet mogelijk is per overschrijving bepaalt de Vlaamse Regering met welk betaalmiddel de toelagen worden uitbetaald en volgens welke regelst. |
| 3 | 3 | Voor de kinderopvangtoeslagen, vermeld in deel 3 van boek 2, neemt de termijn van vijf jaar een aanvang de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de kinderopvangdag zich bevindt waarop de kinderopvangtoeslag betrekking heeft. | |
| 4 | 4 | Voor het startbedrag geboorte neemt de termijn van vijf jaar een aanvang de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de geboorte plaatsvond. Voor het startbedrag adoptie neemt de termijn van vijf jaar een aanvang de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het verzoekschrift tot adoptie is ingediend bij de bevoegde rechtbank of, bij gebrek daaraan, de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de adoptieakte is ondertekend. Als het kind op die datum nog geen deel uitmaakt van het gezin van de adoptant, vangt de voormelde termijn aan op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het kind werkelijk deel uitmaakt van dit gezin. | |
| 5 | − | Voor de selectieve participatietoeslagen, vermeld in deel 2 van boek 2, en de kleutertoeslagen, vermeld in deel 3 van boek 2, neemt de termijn van vijf jaar een aanvang op de eerste dag van de maand na de betekening van een beslissing tot weigering, toekenning of terugvordering van een selectieve participatietoeslag of kleutertoeslag. | |
| 5 | + | Voor de selectieve participatietoeslagen, vermeld in boek 2, deel 2, begint de termijn van vijf jaar op 1 september van het schooljaar waarop de selectieve participatietoeslagen betrekking zouden hebben. | |
| 6 | 6 | Voor de kleutertoeslagen, vermeld in boek 2, deel 3, titel 2, begint de termijn van vijf jaar op: | |
| 7 | 7 | 1° de eerste dag van de maand na de derde verjaardag van de leerling voor de kleutertoeslag, vermeld in artikel 54; | |
| 1 | − | § 1. De bijslagtrekkende voor het rechtgevende kind op 31 december 2018 blijft de bijslagtrekkende voor dat kind, tenzij een wijziging in het ouderlijk gezag of in de opvoedingssituatie van het kind zich voordoet. In dat geval worden de bepalingen voor de aanwijzing van de begunstigden en de regels van de uitbetaling overeenkomstig boek 2, deel 4, titel 1, hoofdstuk 1, en boek 2, deel 4, titel 2, hoofdstuk 1, toegepast. De bepalingen van boek 2, deel 4, titel 2, hoofdstuk 3, zijn van toepassing zowel op de bijslagtrekkende als de begunstigde. | |
| 1 | + | § 1. De bijslagtrekkende voor het rechtgevende kind op 31 december 2018 blijft de bijslagtrekkende voor dat kind, tenzij een wijziging in het ouderlijk gezag of in de opvoedingssituatie van het kind zich voordoet. In dat geval worden de bepalingen voor de aanwijzing van de begunstigden en de regels van de uitbetaling overeenkomstig boek 2, deel 4, titel 1, hoofdstuk 1, en boek 2, deel 4, titel 2, hoofdstuk 1, toegepast. De bepalingen van artikel 68 en artikel 75 tot en met 78, zijn van toepassing zowel op de bijslagtrekkende als de begunstigde. | |
| 2 | 2 | De wijziging in het ouderlijk gezag wordt vastgesteld door de bevoegde rechtbank. | |
| 3 | 3 | De bijslagtrekkende die de forfaitaire pleegzorgbijslag, vermeld in artikel 219, ontving op 31 december 2018, blijft die pleegzorgbijslag ontvangen zolang zich geen wijziging in de plaatsing in het pleeggezin voordoet ten aanzien van het rechtgevende kind en zolang de toekenning ervan niet wordt herroepen onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering daarvoor heeft bepaald. | |
| 1 | − | § 1. Als een rechtgevend kind dat recht geeft op kinderbijslag als vermeld in artikel 210, § 1, of op kinderbijslag voor wezen als vermeld in titel 2, op 31 december 2018 door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid geplaatst is in een instelling, blijft voor het aan de instelling toegekende bedrag dat vastgesteld is op 31 december 2018, de wijze van uitbetaling en verdeling behouden, zoals die op 31 december 2018 van toepassing was overeenkomstig de verdeelsleutels, vastgesteld overeenkomstig artikel 70 of artikel 70bis van de Algemene kinderbijslagwet. | |
| 2 | − | Een afwijking kan in het belang van het kind door de bevoegde rechtbank toegestaan worden mits naleving van de regels die nader bepaald kunnen worden door de Vlaamse Regering. | |
| 3 | − | § 2. Als zich vanaf of na 1 januari 2019 voor het rechtgevende kind, vermeld in paragraaf 1, een wijziging in de plaatsing voordoet, wordt de uitbetaalde toelage verdeeld tussen de instelling en de bijslagtrekkende of begunstigden voor het kind dat geplaatst is overeenkomstig de bepalingen van artikel 68. | |
| 4 | − | § 3. In afwijking van paragraaf 1, als met toepassing van artikel 210, § 5, tweede lid, een rechtgevend kind dat tot het gezin van het geplaatste kind behoort, vanaf of na 1 januari 2019 niet langer recht geeft op kinderbijslag of het gezin van zijn bijslagtrekkende of begunstigden verlaat, of als er, met toepassing van artikel 210, § 5, derde lid, een nieuw rechtgevend kind, dat voldoet aan artikel 210, § 1, vanaf of na 1 januari 2019 in het gezin van het geplaatste kind bij komt, wordt de uitbetaalde toelage voor het geplaatste kind vanaf of na 1 januari 2019 verdeeld tussen de instelling en de bijslagtrekkende of begunstigden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 68. |