§ flandrepo

Decreet over maatregelen in geval van een civiele noodsituatie met betrekking tot de volksgezondheid in het kader van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht en tot wijziging van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht

Staatsblad 26 juni 2020 NUMAC 2020015566
8 artikels gewijzigd
+1 −1 decreet-2019-02-15/art. 2
1817° reactie: de maatregel of sanctie als maatschappelijk antwoord op een jeugddelict;1817° reactie: de maatregel of sanctie als maatschappelijk antwoord op een jeugddelict;
1918° rechtspleging ten gronde: de rechtspleging met het oog op de toepassing van een van de sancties, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 3;1918° rechtspleging ten gronde: de rechtspleging met het oog op de toepassing van een van de sancties, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 3;
2019° sanctie: het maatschappelijk antwoord op een jeugddelict tijdens de rechtspleging ten gronde, met uitsluiting van het herstelrechtelijk aanbod, de uithandengeving en het toevertrouwen van een minderjarige aan een afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst ;2019° sanctie: het maatschappelijk antwoord op een jeugddelict tijdens de rechtspleging ten gronde, met uitsluiting van het herstelrechtelijk aanbod, de uithandengeving en het toevertrouwen van een minderjarige aan een afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst als vermeld in artikel 39;
2120° slachtoffer: de persoon die verklaart morele of materiële schade te hebben geleden die veroorzaakt is door een jeugddelict;2120° slachtoffer: de persoon die verklaart morele of materiële schade te hebben geleden die veroorzaakt is door een jeugddelict;
2221° sociale dienst: de Sociale Dienst voor Gerechtelijke Jeugdhulpverlening, vermeld in artikel 56 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;2221° sociale dienst: de Sociale Dienst voor Gerechtelijke Jeugdhulpverlening, vermeld in artikel 56 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;
+2 −1 decreet-2019-02-15/art. 6
1Behalve in het geval van de sancties, vermeld in de artikelen 29, § 2, eerste lid, 1° en 2° , en 37, §§ 1 en 2, en de terbeschikkingstelling, vermeld in artikel 37, § 8, nemen alle reacties, vermeld in hoofdstuk 4, uiterlijk een einde als de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger de volle leeftijd van drieëntwintig jaar bereikt. Ook de afhandeling op niveau van het openbaar ministerie, vermeld in hoofdstuk 3, neemt een einde op het moment dat de minderjarige de volle leeftijd van drieëntwintig jaar bereikt.1Behalve in het geval van de maatregel, vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 3° /1, en de sancties, vermeld in de artikelen 29, § 2, eerste lid, 1° , 2° en 5° /1, en 37, §§ 1 en 2, en de terbeschikkingstelling, vermeld in artikel 37, § 8, nemen alle reacties, vermeld in hoofdstuk 4, uiterlijk een einde als de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger de volle leeftijd van drieëntwintig jaar bereikt. Ook de afhandeling op niveau van het openbaar ministerie, vermeld in hoofdstuk 3, neemt een einde op het moment dat de minderjarige de volle leeftijd van drieëntwintig jaar bereikt.
2De maatregel, vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 3° /1, en de sanctie, vermeld in artikel 29, § 2, eerste lid, 5° /1, kunnen worden opgelegd tot de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger de volle leeftijd van achttien jaar bereikt en nemen uiterlijk een einde als de minderjarige de volle leeftijd van negentien jaar bereikt.
2De sancties, vermeld in artikel 29, § 2, eerste lid, 1° en 2°, kunnen worden opgelegd tot de minderjarige delictpleger de volle leeftijd van drieëntwintig jaar bereikt.3De sancties, vermeld in artikel 29, § 2, eerste lid, 1° en 2°, kunnen worden opgelegd tot de minderjarige delictpleger de volle leeftijd van drieëntwintig jaar bereikt.
+2 −1 decreet-2019-02-15/art. 20
52° een ambulante maatregel;52° een ambulante maatregel;
63° voorwaarden;63° voorwaarden;
73/1° de minderjarige verdachte toevertrouwen aan een forensische kinder- en jeugdpsychiatrische afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis, als dat na een psychiatrische expertise noodzakelijk blijkt;
74° de minderjarige verdachte toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten oriëntatie van maximaal een maand;84° de minderjarige verdachte toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten oriëntatie van maximaal een maand;
85° de minderjarige verdachte toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten begeleiding van maximaal drie maanden opeenvolgend.95° de minderjarige verdachte toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten begeleiding van maximaal drie maanden opeenvolgend.
9De maatregelen, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3° , verdienen de voorkeur boven het toevertrouwen van de minderjarige aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet.10De maatregelen, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3° /1, verdienen de voorkeur boven het toevertrouwen van de minderjarige aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet.
10Als de jeugdrechter een maatregel als vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 5°, uitspreekt, bepaalt hij de maximumduur ervan. De duur van een maand, vermeld in het eerste lid, 4° en 5°, is dertig dagen. De maatregel als vermeld in het eerste lid, 5°, kan worden opgeheven voor hij zijn einddatum bereikt wanneer blijkt dat er voor de minderjarige verdachte geen behoefte aan gesloten begeleiding meer aanwezig is. De jeugdrechter kan ambtshalve, of op vordering van het openbaar ministerie, de opgelegde maatregel opheffen.11Als de jeugdrechter een maatregel als vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 5°, uitspreekt, bepaalt hij de maximumduur ervan. De duur van een maand, vermeld in het eerste lid, 4° en 5°, is dertig dagen. De maatregel als vermeld in het eerste lid, 5°, kan worden opgeheven voor hij zijn einddatum bereikt wanneer blijkt dat er voor de minderjarige verdachte geen behoefte aan gesloten begeleiding meer aanwezig is. De jeugdrechter kan ambtshalve, of op vordering van het openbaar ministerie, de opgelegde maatregel opheffen.
11Alle maatregelen, vermeld in het eerste lid, betrekken op een actieve wijze de ouders of de opvoedingsverantwoordelijken en andere relevante personen uit de leefomgeving van de minderjarige verdachte.12Alle maatregelen, vermeld in het eerste lid, betrekken op een actieve wijze de ouders of de opvoedingsverantwoordelijken en andere relevante personen uit de leefomgeving van de minderjarige verdachte.
+1 −0 decreet-2019-02-15/art. 21
9§ 3. De voorbereidende rechtspleging kan zeer uitzonderlijk, zolang beide voorwaarden cumulatief vervuld blijven, na de termijn, vermeld in paragraaf 2, derde lid, maximaal per maand opeenvolgend verlengd worden, indien de jeugdrechter dergelijke verlenging absoluut noodzakelijk acht en de redenen hiervoor specifiek motiveert in zijn beslissing, na de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken te hebben opgeroepen.9§ 3. De voorbereidende rechtspleging kan zeer uitzonderlijk, zolang beide voorwaarden cumulatief vervuld blijven, na de termijn, vermeld in paragraaf 2, derde lid, maximaal per maand opeenvolgend verlengd worden, indien de jeugdrechter dergelijke verlenging absoluut noodzakelijk acht en de redenen hiervoor specifiek motiveert in zijn beslissing, na de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken te hebben opgeroepen.
10§ 4. In afwijking van artikel 24, derde lid, artikel 25, § 2, en artikel 27, § 1, eerste lid, kan de duur van de maatregel maximaal per drie maanden opeenvolgend verlengd worden en dit uiterlijk totdat de maximale termijn van de voorbereidende rechtspleging is verstreken.10§ 4. In afwijking van artikel 24, derde lid, artikel 25, § 2, en artikel 27, § 1, eerste lid, kan de duur van de maatregel maximaal per drie maanden opeenvolgend verlengd worden en dit uiterlijk totdat de maximale termijn van de voorbereidende rechtspleging is verstreken.
11§ 5. In afwijking van paragraaf 4 kan de duur van de maatregel, vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 3° /1, maximaal tweemaal verlengd worden met een termijn van maximaal drie maanden met een bijzondere gemotiveerde beslissing, na de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken te hebben opgeroepen.
+2 −0 decreet-2019-02-15/art. 25/1 nieuw
1Als dat na een psychiatrische expertise noodzakelijk blijkt, kan de jeugdrechter een minderjarige verdachte toevertrouwen aan een forensische kinder- en jeugdpsychiatrische afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis als vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 3° /1, voor een residentiële opname met het oog op verdere diagnostiek en behandeling van een psychiatrische problematiek.
2De maximale duur van de maatregel, vermeld in het eerste lid, bedraagt zes maanden. De jeugdrechter bepaalt de duur in zijn beschikking. De maatregel kan maximaal tweemaal verlengd worden met een termijn van maximaal drie maanden als dat na een psychiatrische evaluatie noodzakelijk blijkt.
+16 −0 decreet-2019-02-15/art. 26
1§ 1. De jeugdrechter kan een minderjarige verdachte toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor minderjarigen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten oriëntatie van maximaal een maand als vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 4°.
2§ 2. De jeugdrechter kan ten aanzien van minderjarigen die veertien jaar of ouder zijn op het ogenblik van de feiten, een plaatsing in een afdeling van een gemeenschapsinstelling bevelen voor een oriëntatie als vermeld in paragraaf 1, als aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldaan is en deze voorwaarden in de beschikking van de jeugdrechter omstandig beschreven zijn:
31° er zijn voldoende ernstige aanwijzingen dat verder onderzoek noodzakelijk is;
42° de minderjarige wordt ervan verdacht een jeugddelict te hebben gepleegd dat, als het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten een correctionele hoofdgevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;
53° er bestaan dringende, ernstige en uitzonderlijke omstandigheden die betrekking hebben op de vereisten van bescherming van de openbare veiligheid;
64° een gesloten oriëntatie is noodzakelijk.
7§ 3. De jeugdrechter kan een plaatsing in een afdeling van een gemeenschapsinstelling bevelen ten aanzien van een minderjarige die tussen twaalf en veertien jaar oud is op het ogenblik van de feiten, als aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldaan is en deze voorwaarden in de beschikking van de jeugdrechter omstandig beschreven zijn:
81° er zijn voldoende ernstige aanwijzingen dat verder onderzoek noodzakelijk is;
92° het jeugddelict waarvoor de minderjarige vervolgd wordt, kan, als hij meerderjarig zou zijn, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een straf van vijf tot tien jaar opsluiting of een zwaardere straf tot gevolg hebben;
103° er bestaan dringende, ernstige en uitzonderlijke omstandigheden die betrekking hebben op de vereisten van bescherming van de openbare veiligheid;
114° een gesloten oriëntatie is noodzakelijk.
12§ 4. Tijdens de gesloten oriëntatie van een minderjarige, vermeld in paragraaf 1, staan een multidisciplinaire screening en risicotaxatie centraal. De gevoerde onderzoeken resulteren in het formuleren van een oriëntatievoorstel aan de jeugdrechter.
13Uiterlijk op de tiende kalenderdag na de aanvang van de gesloten oriëntatie, wordt op basis van een risicotaxatie aan de jeugdrechter een advies bezorgd over de behoefte aan gesloten begeleiding.
14In het geval na de risicotaxatie het advies bepaalt dat gesloten begeleiding niet nodig is, wordt de minderjarige en zijn advocaat, alsook, wanneer het dit wenst, het openbaar ministerie, binnen de twee werkdagen na ontvangst van het advies gehoord. De ouders of in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken worden opgeroepen om te worden gehoord. In voorkomend geval kan de jeugdrechter een andere maatregel als vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 2° tot en met 3°/1, opleggen.
15In het geval het advies gesloten begeleiding vooropstelt, en de jeugdrechter dit advies volgt, kan de minderjarige en zijn advocaat, alsook, wanneer het dit wenst, het openbaar ministerie, binnen twee werkdagen na ontvangst van het advies gehoord worden.Tijdens de resterende duur van de gesloten oriëntatie wordt een oriëntatievoorstel uitgewerkt. De ouders en in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken worden opgeroepen om te worden gehoord. Een oriëntatievoorstel dat een gesloten begeleiding adviseert, bevat ook een voorstel over de duur van de gesloten begeleiding in een gemeenschapsinstelling, vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 5°. De jeugdrechter kan beslissen tot een gesloten begeleiding overeenkomstig hetgeen bepaald is in artikel 27, § 2.
16§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de organisatie, de samenstelling en de werking van de gesloten oriëntatieafdeling, alsook de wijze waarop de werking en kwaliteit van de dienstverlening worden geëvalueerd.
+2 −1 decreet-2019-02-15/art. 29
74° een ambulante sanctie;74° een ambulante sanctie;
85° voorwaarden;85° voorwaarden;
95/1° toevertrouwen aan een forensische kinder- en jeugdpsychiatrische afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis, als dat na een psychiatrische expertise noodzakelijk blijkt;
96° toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten oriëntatie van maximaal een maand;106° toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten oriëntatie van maximaal een maand;
107° toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten begeleiding van maximaal drie, zes of negen maanden;117° toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten begeleiding van maximaal drie, zes of negen maanden;
12Behoudens de sancties, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, gaan alle sancties gepaard met een ondertoezichtstelling door de sociale dienst.13Behoudens de sancties, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, gaan alle sancties gepaard met een ondertoezichtstelling door de sociale dienst.
13De duur van een maand, vermeld in het eerste lid, 6° en 7°, is dertig dagen.14De duur van een maand, vermeld in het eerste lid, 6° en 7°, is dertig dagen.
14§ 3. De sancties, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1° tot en met 5° , verdienen de voorkeur boven het toevertrouwen van de minderjarige delictpleger aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor minderjarigen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet.15§ 3. De sancties, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1° tot en met 5° /1, verdienen de voorkeur boven het toevertrouwen van de minderjarige delictpleger aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor minderjarigen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet.
15Als de jeugdrechtbank een sanctie als vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 3° tot en met 8°, oplegt, bepaalt ze de maximumduur ervan.16Als de jeugdrechtbank een sanctie als vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 3° tot en met 8°, oplegt, bepaalt ze de maximumduur ervan.
16De sancties, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 3° tot en met 8°, betrekken op een actieve wijze de ouders of de opvoedingsverantwoordelijken en andere relevante personen uit de leefomgeving van de minderjarige, vermeld in paragraaf 1.17De sancties, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 3° tot en met 8°, betrekken op een actieve wijze de ouders of de opvoedingsverantwoordelijken en andere relevante personen uit de leefomgeving van de minderjarige, vermeld in paragraaf 1.
+3 −0 decreet-2019-02-15/art. 34/1 nieuw
1Als dat na een psychiatrische expertise noodzakelijk blijkt, kan de jeugdrechtbank een minderjarige delictpleger toevertrouwen aan een forensische kinder- en jeugdpsychiatrische afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis als vermeld in artikel 29, § 2, eerste lid, 5° /1, voor een residentiële opname met het oog op verdere diagnostiek en behandeling van een psychiatrische problematiek.
2De maximale duur van de sanctie, vermeld in het eerste lid, bedraagt zes maanden. De jeugdrechtbank bepaalt de duur in haar vonnis. In afwijking van artikel 29, § 3, tweede lid, kan de sanctie eenmaal verlengd worden met een termijn van maximaal zes maanden als dat na een psychiatrische evaluatie noodzakelijk blijkt.
3De duur van de maatregel, vermeld in artikel 20, § 2, 3° /1, waardoor een minderjarige delictpleger aan een forensische kinder- en jeugdpsychiatrische afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis wordt toevertrouwd, wordt toegerekend op de duur van de opgelegde sanctie, vermeld in het tweede lid.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd