§ flandrepo

Programmadecreet bij de begroting 2026

Vlaamse Regering #544 Staatsblad 30 december 2025 NUMAC 2025009813
36 artikels gewijzigd
+3 −5 codex-wonen/art. 4.61
43° bij te dragen tot de aanpassing van woningen;43° bij te dragen tot de aanpassing van woningen;
54° bij te dragen tot de uitvoering van de specifieke maatregelen inzake het stedelijk beleid van de Vlaamse Regering;54° bij te dragen tot de uitvoering van de specifieke maatregelen inzake het stedelijk beleid van de Vlaamse Regering;
65° de tenlasteneming, vermeld in artikel 5.71, beheren, als de tenlasteneming gebeurt volgens artikel 5.71, § 1, tweede lid.
7Het VWF treedt vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit lid in de rechten, verplichtingen en bevoegdheden van het Vlaamse Gewest met betrekking tot de opdracht, vermeld in het eerste lid, 5°. Het VWF is gehouden tot de lasten die voortvloeien uit beslissingen en verbintenissen die door het Vlaamse Gewest zijn genomen met betrekking tot de opdracht, vermeld in het eerste lid, 5°.
65° ...
7Het VWF treedt vanaf 1 januari 2023 tot en met 31 december 2025 in de rechten, verplichtingen en bevoegdheden van het Vlaamse Gewest met betrekking tot de tenlasteneming, vermeld in artikel 5.71.
8De rechten, verplichtingen en lasten, vermeld in het tweede lid, omvatten ook de rechten, verplichtingen en lasten die voortvloeien uit hangende en toekomstige rechtsgedingen over de daarin bedoelde beslissingen en verbintenissen.8De rechten, verplichtingen en lasten, vermeld in het tweede lid, omvatten ook de rechten, verplichtingen en lasten die voortvloeien uit hangende en toekomstige rechtsgedingen over de daarin bedoelde beslissingen en verbintenissen.
9Het Vlaamse Gewest draagt de elektronische dossiers die betrekking hebben op de opdracht, vermeld in het eerste lid, 5°, over naar het VWF. Het VWF heeft kosteloos toegang tot de papieren dossiers die betrekking hebben op de opdracht, vermeld in het eerste lid, 5°, die worden beheerd en bewaard door het Vlaamse Gewest of door de instantie die het hiertoe aanduidt.9Het Vlaamse Gewest draagt de elektronische dossiers die betrekking hebben op de tenlasteneming, vermeld in artikel 5.71, over naar het VWF. Het VWF heeft kosteloos toegang tot de papieren dossiers die betrekking hebben op de tenlasteneming, vermeld in artikel 5.71, die worden beheerd en bewaard door het Vlaamse Gewest of door de instantie die het hiertoe aanduidt.
10De Vlaamse Regering bepaalt een interne beroepsprocedure bij het VWF en een verhaalprocedure bij de toezichthouder. Het verhaal bij de toezichthouder is alleen ontvankelijk als voorafgaandelijk de interne beroepsprocedure is gevolgd.
11De Vlaamse Regering kan de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, belasten met de opdracht, vermeld in artikel 5.71, § 1, als blijkt dat het VWF geen overheidsopdracht voor diensten aan een verzekeraar heeft kunnen gunnen waarbij de verzekeringspremies ten laste worden genomen.
+1 −1 codex-wonen/art. 4.62
43° bijzondere sociale leningen toestaan.43° bijzondere sociale leningen toestaan.
54° na goedkeuring door de Vlaamse Regering, het verder afhandelen van aanvullende woonleningen die de provincies hebben toegekend voor het kopen, bouwen en verbouwen van woningen in het Vlaamse Gewest;54° na goedkeuring door de Vlaamse Regering, het verder afhandelen van aanvullende woonleningen die de provincies hebben toegekend voor het kopen, bouwen en verbouwen van woningen in het Vlaamse Gewest;
65° een overheidsopdracht voor diensten gunnen aan een verzekeraar voor de uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 4.61, eerste lid, 5°. Het Vlaams Woningfonds legt de overheidsopdracht ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering.
65° ....
7Het VWF, dat als kredietgever optreedt van de bijzondere sociale leningen, vermeld in het eerste lid, 3°, is vrijgesteld van de vergunnings- of registratieplicht en wordt toegelaten om op te treden als kredietgever inzake hypothecair krediet als vermeld in artikel VII.159, § 1 en § 2, van het Wetboek van Economisch Recht.7Het VWF, dat als kredietgever optreedt van de bijzondere sociale leningen, vermeld in het eerste lid, 3°, is vrijgesteld van de vergunnings- of registratieplicht en wordt toegelaten om op te treden als kredietgever inzake hypothecair krediet als vermeld in artikel VII.159, § 1 en § 2, van het Wetboek van Economisch Recht.
8Het VWF dat volgens het eerste lid, 4°, optreedt als kredietgever is vrijgesteld van de vergunnings- of registratieplicht en wordt toegelaten om op te treden als kredietgever inzake consumentenkrediet als vermeld in artikel VII.159, § 1 en § 2, van het Wetboek van Economisch Recht.8Het VWF dat volgens het eerste lid, 4°, optreedt als kredietgever is vrijgesteld van de vergunnings- of registratieplicht en wordt toegelaten om op te treden als kredietgever inzake consumentenkrediet als vermeld in artikel VII.159, § 1 en § 2, van het Wetboek van Economisch Recht.
+6 −4 codex-wonen/art. 5.71
1§1. Onder de voorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering, kunnen de terugbetaling van de hoofdsom en de betaling van de interesten van hypothecaire leningen geheel of gedeeltelijk ten laste worden genomen als de lener niet in staat is zijn contractuele verplichtingen na te komen die voortvloeien uit een lening voor de bouw, de koop, de koop met renovatie of de renovatie van zijn enige woning ten gevolge van arbeidsongeschiktheid, onvrijwillige werkloosheid of onvrijwillige stopzetting van een zelfstandige activiteit.1§1. Onder de voorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering, kunnen de terugbetaling van de hoofdsom en de betaling van de interesten van hypothecaire leningen geheel of gedeeltelijk ten laste worden genomen als de lener niet in staat is zijn contractuele verplichtingen na te komen die voortvloeien uit een lening voor de bouw, de koop, de koop met renovatie of de renovatie van zijn enige woning ten gevolge van arbeidsongeschiktheid, onvrijwillige werkloosheid of onvrijwillige stopzetting van een zelfstandige activiteit.
2Het ten laste nemen, vermeld in het eerste lid, kan gerealiseerd worden door het gunnen van een overheidsopdracht voor diensten aan een verzekeraar waarbij de verzekeringspremies ten laste worden genomen door de gunnende entiteit.2Het ten laste nemen, vermeld in het eerste lid, kan gerealiseerd worden door het gunnen van een overheidsopdracht voor diensten aan een verzekeraar waarbij de verzekeringspremies ten laste worden genomen door het Vlaamse Gewest.
3Als er geen overheidsopdracht als vermeld in het tweede lid, gegund kan worden, kan een dienst die door de Vlaamse Regering wordt aangewezen, belast worden met de opdracht, vermeld in het eerste lid.
3§2. Om voor de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming, vermeld in paragraaf 1, in aanmerking te komen, gelden de volgende voorwaarden:4§2. Om voor de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming, vermeld in paragraaf 1, in aanmerking te komen, gelden de volgende voorwaarden:
41° de lening heeft betrekking op een woning die de aanvrager bouwt, koopt, koopt en renoveert of renoveert, met de bestemming om er zijn hoofdverblijfplaats te vestigen;51° de lening heeft betrekking op een woning die de aanvrager bouwt, koopt, koopt en renoveert of renoveert, met de bestemming om er zijn hoofdverblijfplaats te vestigen;
52° de verkoopwaarde van de woning ligt, eventueel na de uitvoering van de geplande werkzaamheden, niet hoger dan het bedrag dat de Vlaamse Regering bepaalt;62° de verkoopwaarde van de woning ligt, eventueel na de uitvoering van de geplande werkzaamheden, niet hoger dan het bedrag dat de Vlaamse Regering bepaalt;
85° de lener oefent op de aanvraagdatum en gedurende twaalf volledige maanden die voorafgaan aan de aanvraagdatum een beroepsactiviteit uit.95° de lener oefent op de aanvraagdatum en gedurende twaalf volledige maanden die voorafgaan aan de aanvraagdatum een beroepsactiviteit uit.
9De Vlaamse Regering kan aanvullende voorwaarden voor de tenlasteneming vaststellen.10De Vlaamse Regering kan aanvullende voorwaarden voor de tenlasteneming vaststellen.
10§3. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de behandeling van de aanvragen voor de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de terugbetaling van de hoofdsom en de betaling van de interesten van hypothecaire leningen. 11§3. De Vlaamse Regering duidt de entiteit aan die instaat voor de behandeling van de aanvragen om in aanmerking te komen voor de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de terugbetaling van de hoofdsom en de betaling van de interesten van hypothecaire leningen. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor die behandeling.
12De Vlaamse Regering bepaalt een interne beroepsprocedure bij de entiteit, vermeld in het eerste lid, en een verhaalprocedure bij de toezichthouder, vermeld in artikel 4.79. Het verhaal bij de toezichthouder is alleen ontvankelijk als voorafgaandelijk de interne beroepsprocedure is gevolgd.
+1 −1 codex-wonen/art. 5.71/0
1§1. Voor de toepassing van deze titel worden persoonsgegevens verwerkt met als doel na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden en de verplichtingen uit artikel 5.71 en die de Vlaamse Regering vaststelt conform artikel 5.71.1§1. Voor de toepassing van deze titel worden persoonsgegevens verwerkt met als doel na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden en de verplichtingen uit artikel 5.71 en die de Vlaamse Regering vaststelt conform artikel 5.71.
2§2. De entiteit die de tenlasteneming, vermeld in artikel 5.71, §1, van deze codex, beheert, is de verwerkingsverantwoordelijke.2§2. De entiteit die conform artikel 5.71, §3, belast is met de behandeling van de aanvragen is de verwerkingsverantwoordelijke.
3Als de tenlasteneming gebeurt via een verzekering als vermeld in artikel 5.71,3Als de tenlasteneming gebeurt via een verzekering als vermeld in artikel 5.71,
4§1, tweede lid, kan de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in het eerste lid, de persoonsgegevens ter beschikking stellen van de verzekeraar die zelf verwerkingsverantwoordelijke is voor de verdere verwerking.4§1, tweede lid, kan de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in het eerste lid, de persoonsgegevens ter beschikking stellen van de verzekeraar die zelf verwerkingsverantwoordelijke is voor de verdere verwerking.
+0 −2 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 5.6.1
1De gemeenten houden een register bij van alle onbebouwde percelen gelegen in het woongebied zoals bepaald door de uitvoeringsplannen of plannen van aanleg. Bij de opbouw van het register wordt artikel 2.2.5 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid in acht genomen. De opmaak en de actualisering van het register kunnen worden opgedragen aan een intergemeentelijk samenwerkingsverband in de zin van deel 3, titel 3, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.1De gemeenten houden een register bij van alle onbebouwde percelen gelegen in het woongebied zoals bepaald door de uitvoeringsplannen of plannen van aanleg. Bij de opbouw van het register wordt artikel 2.2.5 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid in acht genomen. De opmaak en de actualisering van het register kunnen worden opgedragen aan een intergemeentelijk samenwerkingsverband in de zin van deel 3, titel 3, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.
2De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de opmaak en de actualisering van het register van de onbebouwde percelen.2De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de opmaak en de actualisering van het register van de onbebouwde percelen.
3De Vlaamse Regering kan, binnen de perken van de begroting, subsidies verlenen aan provincies en gemeenten als tegemoetkoming voor de actualisatie van de inventaris van de onbebouwde percelen. Om in aanmerking te komen moet een gemeente beschikken over een registratiesysteem, een eerste geactualiseerde inventaris en een overzicht van de gronden en panden die ze in eigendom heeft, met vermelding van het gebruik ervan.
4De Vlaamse Regering bepaalt de overige voorwaarden waaronder die subsidies kunnen worden verleend.
5De Vlaamse Regering kan de specifieke wijze bepalen waarop artikel 335 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur vervangen door de zinsnede "artikel 470 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, respectievelijk artikel 470 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, geoperationaliseerd wordt indien het gemeentebestuur of het intergemeentelijk samenwerkingsverband, vermeld in het eerste lid, zich niet gedraagt naar de bij of krachtens dit artikel voorgeschreven regelen.3De Vlaamse Regering kan de specifieke wijze bepalen waarop artikel 335 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur vervangen door de zinsnede "artikel 470 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, respectievelijk artikel 470 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, geoperationaliseerd wordt indien het gemeentebestuur of het intergemeentelijk samenwerkingsverband, vermeld in het eerste lid, zich niet gedraagt naar de bij of krachtens dit artikel voorgeschreven regelen.
+9 −9 decreet-2011-12-23-1021295/art. 46
2514° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton;2514° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton;
2615° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton;2615° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton;
2716° voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, riool waterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton;2716° voor het verbranden van riool waterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton;
2816°/1 voor het verbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 16°, in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022;2816°/1 voor het verbranden van afvalstoffen andere dan bedoeld in punt 16°, in een daartoe vergunde installatie: 32 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2026;
2917° voor het meeverbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, rioolwaterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton;2917° voor het meeverbranden van rioolwaterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton;
3017°/1 voor het meeverbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 17° in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022;3017°/1 voor het meeverbranden van afvalstoffen andere dan bedoeld in punt 17° in een daartoe vergunde installatie: 32 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2026;
3118° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing;3118° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing;
3219° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid.3219° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid.
776° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;776° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
787° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;787° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
798° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;798° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
809° in het heffingsjaar 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;809° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
8110° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;8110° in het heffingsjaar 2028 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
8211° in het heffingsjaar 2028 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.8211° in het heffingsjaar 2029 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.
83Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2.83Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2.
84Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° :84Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° :
142De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006.142De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006.
143In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996.143In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996.
144In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2022 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2021, basis 1996. 144In afwijking van het tweede lid worden de bedragen die vanaf 1 januari 2026 worden ingevoerd, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2025, basis 1996. De eerste indexering wordt toegepast vanaf 1 januari 2027.
145In afwijking van het tweede lid wordt het vanaf 1 januari 2023 ingevoerde bedrag, vermeld in punt 2° van paragraaf 1, aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2022, basis 1996.145In afwijking van het tweede lid wordt het vanaf 1 januari 2023 ingevoerde bedrag, vermeld in punt 2° van paragraaf 1, aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2022, basis 1996.
146§ 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting.146§ 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting.
+9 −9 decreet-2011-12-23-1021295/art. 46
2514° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton;2514° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton;
2615° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton;2615° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton;
2716° voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, riool waterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton;2716° voor het verbranden van riool waterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton;
2816°/1 voor het verbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 16°, in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022;2816°/1 voor het verbranden van afvalstoffen andere dan bedoeld in punt 16°, in een daartoe vergunde installatie: 32 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2026;
2917° voor het meeverbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, rioolwaterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton;2917° voor het meeverbranden van rioolwaterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton;
3017°/1 voor het meeverbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 17° in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022;3017°/1 voor het meeverbranden van afvalstoffen andere dan bedoeld in punt 17° in een daartoe vergunde installatie: 32 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2026;
3118° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing;3118° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing;
3219° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid.3219° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid.
776° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;776° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
787° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;787° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
798° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;798° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
809° in het heffingsjaar 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;809° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
8110° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;8110° in het heffingsjaar 2028 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
8211° in het heffingsjaar 2028 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.8211° in het heffingsjaar 2029 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.
83Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2.83Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2.
84Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° :84Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° :
142De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006.142De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006.
143In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996.143In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996.
144In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2022 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2021, basis 1996. 144In afwijking van het tweede lid worden de bedragen die vanaf 1 januari 2026 worden ingevoerd, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2025, basis 1996. De eerste indexering wordt toegepast vanaf 1 januari 2027.
145In afwijking van het tweede lid wordt het vanaf 1 januari 2023 ingevoerde bedrag, vermeld in punt 2° van paragraaf 1, aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2022, basis 1996.145In afwijking van het tweede lid wordt het vanaf 1 januari 2023 ingevoerde bedrag, vermeld in punt 2° van paragraaf 1, aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2022, basis 1996.
146§ 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting.146§ 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting.
+57 −14 codex-hoger-onderwijs/art. III.3
6d) een of meer opleidingen in het hoger beroepsonderwijs, opgenomen in het Hogeronderwijsregister;6d) een of meer opleidingen in het hoger beroepsonderwijs, opgenomen in het Hogeronderwijsregister;
7e) een of meer opleidingsonderdelen die behoren tot 1 of meer opleidingen in het hoger beroepsonderwijs;7e) een of meer opleidingsonderdelen die behoren tot 1 of meer opleidingen in het hoger beroepsonderwijs;
82° nationaliteit: studenten komen alleen in aanmerking als ze aan 1 van de volgende voorwaarden beantwoorden :82° nationaliteit: studenten komen alleen in aanmerking als ze voldoen aan een van de voorwaarden, vermeld in artikel II.215, eerste lid, 1° tot en met 9°;
9a) ze zijn onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
10b) ze zijn toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van onbeperkte duur in België, zoals bepaald bij de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
11c) ze zijn slachtoffer van mensenhandel, geattesteerd door een door de federale overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel;
12d) ze zijn student met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van bepaalde duur in België op basis van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
13e) ze verblijven op 31 december van het betrokken academiejaar gedurende een onafgebroken periode van minstens 12 maanden wettig in België, en dit wettig verblijf werd niet verleend om in België hoger onderwijs te volgen of te werken, noch werd het verleend in afwachting van een uitspraak in een asielprocedure om erkend te worden als vluchteling of als persoon die recht heeft op de subsidiaire bescherming, overeenkomstig de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
14f) ze hebben op basis van de artikelen 10, 10bis, 40bis of 40ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de toelating gekregen om een persoon, zoals bedoeld in §1 of §2, 1° tot en met 7°, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of een persoon die op 31 december van het betrokken academiejaar minstens 12 maanden wettig verblijft in België om hoger onderwijs te volgen of te werken, te begeleiden of te vervoegen;
15g) ze zijn onderhorige van de landen die met België of de Vlaamse Gemeenschap een cultureel akkoord hebben gesloten, en ze hebben, binnen het kader en de grenzen van het cultureel akkoord, een studiebeurs gekregen van de Vlaamse Gemeenschap;
16h) ze zijn kandidaat vluchteling of hun ouders zijn kandidaat vluchteling en de student verblijft al van zijn minderjarigheid in België en heeft niet zelf een asielaanvraag ingediend. De asielaanvraag werd ontvankelijk verklaard voor 1 juni 2007 en hun procedure is nog lopende bij het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatslozen, bij de Vaste Beroepsommissie voor Vluchtelingen, of bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen;
17i) het zijn andere personen dan de personen vermeld in a) tot en met h), en andere personen dan de personen die ten laste zijn van de nationale kredieten voor ontwikkelingssamenwerking zonder dat:
181) het aantal studiepunten gegenereerd door die buitenlandse studenten onder diplomacontract, meer bedraagt dan 2% van het totale aantal studiepunten voor de berekening van de onderwijssokkel, zoals bepaald in artikel III.7, voor die hogeschool of universiteit;
192) het aantal financieringspunten gegenereerd door die buitenlandse studenten onder diplomacontract, meer bedraagt dan 2% van het totale aantal financieringspunten, berekend zoals bepaald in artikel III.11, §2, in de hogeschool of universiteit.
20j) ze zijn vreemdeling die tijdelijke bescherming genieten op basis van de richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen of hun ouders genieten van deze bescherming en de student verblijft al van zijn minderjarigheid in België.
21Voor de berekening van de financiering wordt rekening gehouden met de categorie waartoe de betrokkene behoort op het ogenblik van de inschrijving in het betreffende academiejaar;
223° leerkrediet : in een initiële bachelor- en masteropleiding komen studenten alleen in aanmerking als ze een positief leerkrediet hebben.93° leerkrediet : in een initiële bachelor- en masteropleiding komen studenten alleen in aanmerking als ze een positief leerkrediet hebben.
23§2. In afwijking van paragraaf 1, punt 2°, wordt voor de transnationale Universiteit Limburg conform artikel 7 van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg, ondertekend in Maastricht op 18 januari 2001, enkel rekening gehouden met:10§2. In afwijking van paragraaf 1, punt 2°, wordt voor de transnationale Universiteit Limburg conform artikel 7 van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg, ondertekend in Maastricht op 18 januari 2001, enkel rekening gehouden met:
26Voor de bepaling van die aantallen wordt rekening gehouden met de nationaliteit van de betrokkenen op het ogenblik van de inschrijving voor het academiejaar in kwestie.13Voor de bepaling van die aantallen wordt rekening gehouden met de nationaliteit van de betrokkenen op het ogenblik van de inschrijving voor het academiejaar in kwestie.
27§3. De toepassing van de volgende zinsnede in paragraaf 1, punt 2°, i), “en andere personen dan de personen die ten laste zijn van de nationale kredieten voor ontwikkelingssamenwerking”, wordt opgeschort, vanaf het begrotingsjaar 2013 tot en met het begrotingsjaar 2018.14§3. De toepassing van de volgende zinsnede in paragraaf 1, punt 2°, i), “en andere personen dan de personen die ten laste zijn van de nationale kredieten voor ontwikkelingssamenwerking”, wordt opgeschort, vanaf het begrotingsjaar 2013 tot en met het begrotingsjaar 2018.
15§4. In paragraaf 4 en 5 wordt verstaan onder
161° niet-EER-student: een student die geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte is;
172° een anderstalige opleiding: een initiële opleiding of een bachelor-na-bacheloropleiding die als anderstalige opleiding opgenomen is in de lijst, vermeld in artikel II.170, §2.
18Vanaf begrotingsjaar 2027 wordt de financierbaarheid van niet-EER-studenten die niet behoren tot de categorieën, vermeld in artikel II.215, eerste lid, 2° tot en met 9°, beperkt door een bedrag in mindering te brengen van de werkingsuitkeringen van universiteiten en hogescholen.
19Dit bedrag wordt berekend door het percentage van opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten die niet behoren tot de categorieën, vermeld in artikel II.215, 2° tot en met 9°, in die mate dat het boven de 2% ligt per instelling en per finaliteit, toe te passen op de financieringspunten voor de variabele onderwijsdelen, vermeld in artikel III.11, per finaliteit en per instelling. Vervolgens worden deze financieringspunten vermenigvuldigd met de gemiddelde waarde per financieringspunt en per finaliteit. Dit bedrag wordt in mindering gebracht van de werkingsuitkeringen per instelling.
20Om het percentage opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten voor het begrotingsjaar t vast te stellen wordt het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in aanmerking genomen van niet-EER-studenten die niet behoren tot de categorieën, vermeld in artikel II.215, eerste lid, 2° tot en met 9°, over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2, en die zich in de desbetreffende instelling hebben ingeschreven onder een diplomacontract, voor een initiële bachelor- of masteropleiding, voor een bachelor-na-bacheloropleiding, voor een schakelprogramma of voorbereidingsprogramma voorafgaand aan een initiële masteropleiding of voor een graduaatsopleiding, waarvoor het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten over de academiejaren t-5/t-4 tot en met t-3/t-2 in aanmerking wordt genomen. Het aantal opgenomen studiepunten in een bachelor-na-bacheloropleiding wordt vermenigvuldigd met een factor 0,5.
21De instellingen houden de verantwoordingsstukken van de niet-EER-studenten die behoren tot de categorieën, vermeld in artikel II.215, eerste lid, 2° tot en met 9°, ter beschikking voor de regeringscommissarissen, die daarop een controle uitvoeren en die het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 tot oprichting van het intern verzelfstandigd Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen, daarvan jaarlijks op de hoogte brengen vóór 31 maart van begrotingsjaar t-1.
22Om de financiering te berekenen, wordt rekening gehouden met de categorie waartoe de betrokkene behoort op 31 december in het academiejaar in kwestie.
23§5. Voor het begrotingsjaar 2026 wordt de financierbaarheid van niet-EER-studenten beperkt door een bedrag in mindering te brengen bij de werkingsuitkeringen van de universiteiten en hogescholen.
24Het bedrag, vermeld in het eerste lid, bestaat uit twee delen. Het eerste deel van het bedrag wordt berekend door het percentage van opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten in een anderstalige opleiding, in die mate dat het boven de 2% ligt per instelling en per finaliteit, toe te passen op de financieringspunten voor de variabele onderwijsdelen, vermeld in artikel III.11, per finaliteit en per instelling. Vervolgens worden deze financieringspunten vermenigvuldigd met de gemiddelde waarde per financieringspunt en per finaliteit. Dit bedrag wordt in mindering gebracht van de werkingsuitkeringen per instelling.
25Om het percentage opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten in een anderstalige opleiding voor het begrotingsjaar t vast te stellen, wordt het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten in een anderstalige opleiding in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 die zich in de desbetreffende instelling hebben ingeschreven onder een diplomacontract voor een initiële anderstalige bachelor- of masteropleiding of een anderstalige bachelor-na-bacheloropleiding. Het aantal opgenomen studiepunten in een bachelor-na-bacheloropleiding wordt vermenigvuldigd met een factor 0,5.
26Het tweede deel van het bedrag, vermeld in het eerst lid, bestaat uit een compensatie van 10.300.000 euro, als compensatie van de niet EER-studenten in een Nederlandstalige opleiding. Dit bedrag wordt in het begrotingsjaar 2026 verminderd van de totale werkingsuitkeringen van de hogescholen en universiteiten, volgens de volgende verdeling:
27Instelling
28bedrag
29Thomas More Mechelen-Antwerpen
30€ 206.273,14
31Hogeschool West-Vlaanderen
32€ 170.171,98
33Arteveldehogeschool
34€ 293.999,01
35Hogeschool Gent
36€ 363.514,39
37Katholieke Hogeschool Vives Noord
38€ 84.638,67
39Katholieke Hogeschool Vives Zuid
40€ 222.805,98
41Odisee
42€ 231.221,85
43Erasmushogeschool Brussel
44€ 159.475,03
45UC Leuven
46€ 202.708,09
47Thomas More Kempen
48€ 179.109,89
49LUCA School of Arts
50€ 125.339,97
51Karel de Grote Hogeschool
52€ 291.003,59
53UC Limburg
54€ 116.678,54
55Hogeschool PXL
56€ 205.177,25
57Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen
58€ 323.072,61
59Hogere Zeevaartschool
60€ 17.810,01
61Katholieke Universiteit Leuven
62€ 2.623.222,19
63Universiteit Hasselt
64€ 476.779,18
65Universiteit Antwerpen
66€ 1.013.584,72
67Vrije Universiteit Brussel
68€ 804.517,72
69Universiteit Gent
70€ 2.188.896,20
+2 −2 codex-hoger-onderwijs/art. III.34
1§1. Voor de hogescholen wordt voorzien in de volgende aanvullende uitkeringen:1§1. Voor de hogescholen wordt voorzien in de volgende aanvullende uitkeringen:
21° een bedrag van 951.960,02 euro voor de geraamde kosten van de salarissen van de personeelsleden van het meester-, vak- en dienstpersoneel van de hogescholen die op 31 december 1995 rechtstreeks betaald werden door de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap . Het eventuele saldo op het einde van het begrotingsjaar twordt in het begrotingsjaar t+1 toegevoegd aan het variabel onderwijsgedeelte voor de professioneel gerichte opleidingen VOWprof aan de hogescholen;21° een bedrag van 951.960,02 euro voor de geraamde kosten van de salarissen van de personeelsleden van het meester-, vak- en dienstpersoneel van de hogescholen die de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap op 31 december 1995 rechtstreeks heeft betaald. Het eventuele saldo op het einde van het begrotingsjaar t-2 wordt in het begrotingsjaar t toegevoegd aan het variabel onderwijsgedeelte voor de graduaatsopleidingen VOWhbo aan de hogescholen;
32° een bedrag van 7.884.245,71 euro voor de geraamde kosten van de salarissen of wachtgelden van de personeelsleden, vermeld in artikel III.35. Het eventuele saldo op het einde van het begrotingsjaar twordt in het begrotingsjaar t+1 toegevoegd aan het variabel onderwijsgedeelte voor de professioneel gerichte opleidingen VOWprof aan de hogescholen;32° een bedrag van 7.884.245,71 euro voor de geraamde kosten van de salarissen of wachtgelden van de personeelsleden, vermeld in artikel III.35. Het eventuele saldo op het einde van het begrotingsjaar t-2 wordt in het begrotingsjaar t toegevoegd aan het variabel onderwijsgedeelte voor de graduaatsopleidingen VOWhbo aan de hogescholen;
43° ...43° ...
54° de bedragen VOWprof 2014 en VOWhko2014 worden verhoudingsgewijs verminderd met de bedragen die nodig zijn om de salariskosten te dekken van hun benoemde personeelsleden die tijdens het voorgaande begrotingsjaar met bevallingsverlof waren en van hun benoemde en tijdelijke personeelsleden die tijdens het voorgaande begrotingsjaar met opvangverlof voor adoptie of pleegvoogdij waren, voor wat de duur van dat bevallings- of opvangverlof betreft.54° de bedragen VOWprof 2014 en VOWhko2014 worden verhoudingsgewijs verminderd met de bedragen die nodig zijn om de salariskosten te dekken van hun benoemde personeelsleden die tijdens het voorgaande begrotingsjaar met bevallingsverlof waren en van hun benoemde en tijdelijke personeelsleden die tijdens het voorgaande begrotingsjaar met opvangverlof voor adoptie of pleegvoogdij waren, voor wat de duur van dat bevallings- of opvangverlof betreft.
+139 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.41
16Tegen 1 januari 2017 wordt er een globale evaluatie gemaakt van de resultaten en effecten van de genomen initiatieven.16Tegen 1 januari 2017 wordt er een globale evaluatie gemaakt van de resultaten en effecten van de genomen initiatieven.
17§ 3. De bedragen van de bijkomende financiering voor de hogeronderwijsinstellingen die een vestigingsplaats hebben in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. Voor de berekening van de 2 % wordt het bedrag van 250.000 euro dat in 2015 en 2016 in mindering gebracht wordt, in rekening gebracht.17§ 3. De bedragen van de bijkomende financiering voor de hogeronderwijsinstellingen die een vestigingsplaats hebben in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. Voor de berekening van de 2 % wordt het bedrag van 250.000 euro dat in 2015 en 2016 in mindering gebracht wordt, in rekening gebracht.
18§4. De bedragen van de bijkomende financiering voor de hogeronderwijsinstellingen die een vestigingsplaats hebben in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2026 verminderd van de totale werkingsuitkeringen van de hogescholen en universiteiten, volgens de volgende verdeling:
19Instelling
20begrotings-jaar 2026
21begrotings-jaar 2027
22begrotings-jaar 2028
23begrotings-jaar 2029
24vanaf begrotings-jaar 2030
25Thomas More Mechelen-Antwerpen
26€ 211.970
27€ 158.978
28€ 105.985
29€ 52.993
30€ 0
31Instelling
32begrotings-jaar 2026
33begrotings-jaar 2027
34begrotings-jaar 2028
35begrotings-jaar 2029
36vanaf begrotings-jaar 2030
37Hogeschool West-Vlaanderen
38€ 174.872
39€ 131.154
40€ 87.436
41€ 43.718
42€ 0
43Artevelde-hogeschool
44€ 302.119
45€ 226.589
46€ 151.060
47€ 75.530
48€ 0
49Hogeschool Gent
50€ 373.555
51€ 280.166
52€ 186.777
53€ 93.389
54€ 0
55Katholieke Hogeschool Vives Noord
56€ 86.976
57€ 65.232
58€ 43.488
59€ 21.744
60€ 0
61Katholieke Hogeschool Vives Zuid
62€ 228.960
63€ 171.720
64€ 114.480
65€ 57.240
66€ 0
67Odisee
68€ 570.827
69€ 844.643
70€ 1.118.460
71€ 1.392.276
72€ 1.666.093
73Erasmushogeschool Brussel
74€ 539.802
75€ 874.753
76€ 1.209.705
77€ 1.544.657
78€ 1.879.609
79UC Leuven
80€ 208.307
81€ 156.230
82€ 104.153
83€ 52.077
84€ 0
85Thomas More Kempen
86€ 184.057
87€ 138.043
88€ 92.028
89€ 46.014
90€ 0
91LUCA School of Arts
92€ 239.959
93€ 318.916
94€ 397.873
95€ 476.830
96€ 555.787
97Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen
98€ 299.041
99€ 224.281
100€ 149.521
101€ 74.760
102€ 0
103UC Limburg
104€ 119.901
105€ 89.926
106€ 59.951
107€ 29.975
108€ 0
109Hogeschool PXL
110€ 210.844
111€ 158.133
112€ 105.422
113€ 52.711
114€ 0
115Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen
116€ 331.996
117€ 248.997
118€ 165.998
119€ 82.999
120€ 0
121Hogere Zeevaartschool
122€ 18.302
123€ 13.726
124€ 9.151
125€ 4.575
126€ 0
127Katholieke Universiteit Leuven
128€ 1.461.289,41
129€ 1.461.289,41
130€ 1.461.289,41
131€ 1.461.289,41
132€ 1.461.289
133Universiteit Hasselt
134€ 426.763,95
135€ 320.072,97
136€ 213.381,98
137€ 106.690,99
138€ 0
139Universiteit Antwerpen
140€ 907.257,37
141€ 680.443,03
142€ 453.628,69
143€ 226.814,34
144€ 0
145Vrije Universiteit Brussel
146€ 1.723.476,80
147€ 2.546.801,14
148€ 3.370.125,47
149€ 4.193.449,81
150€ 5.016.774
151Universiteit Gent
152€ 1.959.276,01
153€ 1.469.457,01
154€ 979.638,00
155€ 489.819,00
156€ 0
+2 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.73
1De Vlaamse Gemeenschap subsidieert jaarlijks de Universiteit Antwerpen als Initiërende Universiteit van het Instituut voor Joodse Studies als vermeld in artikel
1De Vlaamse Gemeenschap subsidieert jaarlijks de Initiërende Universiteit zoals bedoeld in artikel II.5 specifiek ter uitvoering van de opdracht zoals bepaald in artikel II.22 onder de volgende voorwaarden:2II.5 specifiek ter uitvoering van de opdracht zoals bepaald in artikel II.22 onder de volgende voorwaarden:
21° De Initiërende Universiteit sluit een beheersovereenkomst met een looptijd van 5 jaar met de Vlaamse Regering betreffende de werking van het instituut, zoals bepaald in artikel II.5, waarin ten minste de volgende elementen voorkomen en worden afgesproken:31° De Initiërende Universiteit sluit een beheersovereenkomst met een looptijd van 5 jaar met de Vlaamse Regering betreffende de werking van het instituut, zoals bepaald in artikel II.5, waarin ten minste de volgende elementen voorkomen en worden afgesproken:
3a) het engagement van de Initiërende Universiteit dat de bij toepassing van dit artikel toegekende subsidie integraal wordt aangewend ter uitvoering van de opdrachten van het erkende instituut;4a) het engagement van de Initiërende Universiteit dat de bij toepassing van dit artikel toegekende subsidie integraal wordt aangewend ter uitvoering van de opdrachten van het erkende instituut;
+1 −3 codex-hoger-onderwijs/art. III.74
1§1. De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Universiteit Antwerpen in het kader van de opdracht, zoals bepaald in artikel II.22, bedraagt vanaf 2007 1.827.000 euro.
2De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Vrije Universiteit Brussel in het kader van de opdracht zoals bepaald in artikel II.22 wordt voor het IES vanaf 2008 vastgelegd op 1.824.000 euro.
3De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Universiteit Antwerpen in het kader van de opdracht zoals bepaald in artikel II.22 wordt voor het IJoS vanaf het begrotingsjaar 2002 vastgelegd op 149.000 euro.1§1. De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Universiteit Antwerpen in het kader van de opdracht zoals bepaald in artikel II.22 wordt voor het IJoS vanaf het begrotingsjaar 2002 vastgelegd op 149.000 euro.
4§2. De subsidies worden in gelijke maandelijkse termijnen uitbetaald.2§2. De subsidies worden in gelijke maandelijkse termijnen uitbetaald.
5De bedragen worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks aangepast aan de stijging van de prijzen overeenkomstig het indexeringsmechanisme bepaald in artikel III.5, §9.3De bedragen worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks aangepast aan de stijging van de prijzen overeenkomstig het indexeringsmechanisme bepaald in artikel III.5, §9.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.115
1Dit hoofdstuk regelt de subsidiëring van de Vlerick Business School, het Instituut voor Tropische Geneeskunde en de Antwerp Management School, hierna genoemd "de instellingen voor postinitieel onderwijs".1Dit hoofdstuk regelt de subsidiëring van het Instituut voor Tropische Geneeskunde, hierna genoemd "de instellingen voor postinitieel onderwijs".
+7 −10 codex-hoger-onderwijs/art. III.118
1§1. De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde wordt vanaf het begrotingsjaar 2007 vastgesteld op 9.776.000 euro.1§1. De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde wordt vanaf het begrotingsjaar 2007 vastgesteld op 9.776.000 euro.
2§2. De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Vlerick Business School wordt vanaf het begrotingsjaar 2002 vastgesteld op 1.665.000 euro.
3§3. De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Antwerp Management School wordt vanaf het begrotingsjaar 2008 vastgesteld op 1.000.000 euro.
2§2. ...
3§3. ...
4§4. Door middel van een subsidie van 591.000 euro draagt de Vlaamse Regering vanaf het begrotingsjaar 2007 bij in het dekken van de investeringskosten van het Instituut voor Tropische Geneeskunde.4§4. Door middel van een subsidie van 591.000 euro draagt de Vlaamse Regering vanaf het begrotingsjaar 2007 bij in het dekken van de investeringskosten van het Instituut voor Tropische Geneeskunde.
5§5. De bedragenvermeld in paragraaf 1, 2 en 3 worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule vermeld in artikel III.5, §9.5§5. De bedragen, vermeld in paragraaf 1, worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule vermeld in artikel III.5, §9.
6Het bedragvermeld in paragraaf 4wordt binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het begrotingsjaar 2008 geïndexeerd overeenkomstig artikel III.54, §2.6Het bedrag, vermeld in paragraaf 4, wordt binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het begrotingsjaar 2008 geïndexeerd overeenkomstig artikel III.54, §2.
7Voor de begrotingsjaren 2012, 2013 en 2015 worden de bedragenvermeld in paragraaf 1, 2 en 3 van dit artikel, binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule vermeld in artikel III.5, §9, tweede lid.7Voor de begrotingsjaren 2012, 2013 en 2015 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule vermeld in artikel III.5, §9, tweede lid.
8§6. De bovengenoemde subsidies worden in gelijke maandelijkse termijnen uitbetaald, behoudens de investeringssubsidies die per kwartaal worden betaald.8§6. De bovengenoemde subsidies worden in gelijke maandelijkse termijnen uitbetaald, behoudens de investeringssubsidies die per kwartaal worden betaald.
9§7. De Vlaamse Regering kan de hoogte van de basissubsidies herzien afhankelijk van de mate waarin de in de beheersovereenkomst afgesproken doelstellingen worden gehaald of niet.9§7. De Vlaamse Regering kan de hoogte van de basissubsidies herzien afhankelijk van de mate waarin de in de beheersovereenkomst afgesproken doelstellingen worden gehaald of niet.
10§8. De Vlaamse Regering kan een deel van de maandelijkse termijnen inhouden en desgevallend terugvorderen indien de Vlaamse Regering vaststelt dat de instellingen de beheersovereenkomst niet naleven.10§8. De Vlaamse Regering kan een deel van de maandelijkse termijnen inhouden en desgevallend terugvorderen indien de Vlaamse Regering vaststelt dat de instellingen de beheersovereenkomst niet naleven.
11§ 9. De bedragen voor de instellingen voor postinitieel onderwijs, met uitzondering van de bedragen vermeld in paragraaf 4 berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd.11§ 9. De bedragen voor de instellingen voor postinitieel onderwijs, met uitzondering van de bedragen vermeld in paragraaf 4 berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd.
12§ 10. Het bedrag voor de Vlerick Business School, berekend overeenkomstig dit artikel, wordt vanaf het begrotingsjaar 2020 met 121.000 euro verminderd.
13Het bedrag voor de Antwerp Management School, berekend overeenkomstig dit artikel, wordt vanaf het begrotingsjaar 2020 met 63.000 euro verminderd.
14§11. Vanaf het begrotingsjaar 2023 wordt het bedrag voor de Vlerick Business School, berekend overeenkomstig dit artikel, vermeerderd met 7750 euro.
15Vanaf het begrotingsjaar 2023 wordt het bedrag voor de Antwerp Management School, berekend overeenkomstig dit artikel, vermeerderd met 4000 euro.
12§ 10. ...
16Vanaf het begrotingsjaar 2023 wordt het bedrag voor het Instituut voor Tropische Geneeskunde, berekend overeenkomstig dit artikel, vermeerderd met 46.600 euro.13§11. Vanaf het begrotingsjaar 2023 wordt het bedrag voor het Instituut voor Tropische Geneeskunde, berekend overeenkomstig dit artikel, vermeerderd met 46.600 euro.
17Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de bedragen, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.14Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de bedragen, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. IV.102
1De Vlaamse Regering kan een ambtenaar of een commissaris aanwijzen die bij de Vlerick Business School, de Antwerp Management School, het Instituut voor Tropische Geneeskunde, en de hogere instituten en andere instellingen voor schone kunsten als vermeld in artikel III.119, toeziet op de uitvoering van de beheersovereenkomst en de naleving van de subsidiëringsvoorwaarden.1De Vlaamse Regering kan een ambtenaar of een commissaris aanwijzen die bij het Instituut voor Tropische Geneeskunde, en de hogere instituten en andere instellingen voor schone kunsten als vermeld in artikel III.119, toeziet op de uitvoering van de beheersovereenkomst en de naleving van de subsidiëringsvoorwaarden.
2Het instellingsbestuur bezorgt daartoe aan de ambtenaar of de commissaris alle nodige informatie en documenten.2Het instellingsbestuur bezorgt daartoe aan de ambtenaar of de commissaris alle nodige informatie en documenten.
+2 −3 decreet-2007-06-15/art. 72octies
1§1. Binnen de beschikbare begrotingskredieten stelt de Vlaamse Regering op basis van de beheersovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, 2°, jaarlijks een subsidie ter beschikking aan Vocvo vzw voor de uitvoering van volgende opdrachten:1§1. Binnen de beschikbare begrotingskredieten stelt de Vlaamse Regering op basis van de beheersovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, 2°, jaarlijks een subsidie ter beschikking aan Vocvo vzw voor de uitvoering van volgende opdrachten:
21° de coördinatie en ondersteuning van het geletterdheidsbeleid van de Vlaamse overheid;
32° de werking inzake duidelijke taal;
21° ...
32° ...
43° de opdrachten in uitvoering van het strategisch plan hulp- en dienstverlening aan gedetineerden:43° de opdrachten in uitvoering van het strategisch plan hulp- en dienstverlening aan gedetineerden:
5a) de coördinatie en ondersteuning van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor basiseducatie bij de uitwerking van een onderwijs- en vormingsbeleid voor gedetineerden, de organisatie van het detecteren van de onderwijs- en vormingsbehoeften van gedetineerden en de coördinatie van de begeleiding van het onderwijstraject van gedetineerden;5a) de coördinatie en ondersteuning van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor basiseducatie bij de uitwerking van een onderwijs- en vormingsbeleid voor gedetineerden, de organisatie van het detecteren van de onderwijs- en vormingsbehoeften van gedetineerden en de coördinatie van de begeleiding van het onderwijstraject van gedetineerden;
92° Vocvo vzw vindt een draagvlak bij de centra voor basiseducatie en de centra voor volwassenenonderwijs en toont dit aan door middel van een stuurgroep samengesteld door vertegenwoordigers van de aanbodverstrekkers en andere stakeholders;92° Vocvo vzw vindt een draagvlak bij de centra voor basiseducatie en de centra voor volwassenenonderwijs en toont dit aan door middel van een stuurgroep samengesteld door vertegenwoordigers van de aanbodverstrekkers en andere stakeholders;
103° Vocvo vzw organiseert minstens tweemaal per jaar een gezamenlijk overleg van de stuurgroep onderwijs aan gedetineerden met de overheid.103° Vocvo vzw organiseert minstens tweemaal per jaar een gezamenlijk overleg van de stuurgroep onderwijs aan gedetineerden met de overheid.
11Voor de opdrachten, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zet Vocvo vzw in op de geletterdheid en duidelijke taal van de bevolking in Vlaanderen en toont dit aan op basis van de resultaatsverbintenissen uit de beheersovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, 2°.
12§2. Vocvo vzw kan enkel in aanmerking komen voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als:11§2. Vocvo vzw kan enkel in aanmerking komen voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als:
131° in de algemene vergadering een afgevaardigde opgenomen wordt van de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten;121° in de algemene vergadering een afgevaardigde opgenomen wordt van de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten;
+46 −16 decreet-2007-06-15/art. 113novies
1§1. Het inschrijvingsgeld dat de cursist verschuldigd is, wordt berekend door het aantal lestijden van een module te vermenigvuldigen met 1,50 euro. Het inschrijvingsgeld voor het gecombineerd onderwijs wordt berekend, alsof het volledig in contactonderwijs is verstrekt.1§1. Het inschrijvingsgeld dat de cursist verschuldigd is, wordt berekend door het aantal lestijden van een module te vermenigvuldigen met 1,50 euro. Het inschrijvingsgeld voor het gecombineerd onderwijs wordt berekend, alsof het volledig in contactonderwijs is verstrekt.
2Indien de in artikel 24, § 2, bedoelde afwijking voor bijzondere doelgroepen het minimale aantal lestijden van een opleiding overschrijdt, dan wordt het inschrijvingsgeld berekend op basis van het aantal lestijden bedoeld in hetzelfde artikel 24, § 1, 3°.2Indien de in artikel 24, § 2, bedoelde afwijking voor bijzondere doelgroepen het minimale aantal lestijden van een opleiding overschrijdt, dan wordt het inschrijvingsgeld berekend op basis van het aantal lestijden bedoeld in hetzelfde artikel 24, § 1, 3°.
3§2. Als de cursist zich binnen een periode van zes schooljaren drie keer voor dezelfde module heeft ingeschreven, wordt het verschuldigde inschrijvingsgeld bij een volgende inschrijving in dezelfde module berekend door het aantal lestijden van die module te vermenigvuldigen met 3 euro. Indien de cursist een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld geniet zoals bepaald in paragraaf 4, dan wordt het aantal lestijden vermenigvuldigd met 1,5 euro.3§2. Als de cursist zich binnen een periode van zes schooljaren drie keer voor dezelfde module heeft ingeschreven, wordt het verschuldigde inschrijvingsgeld bij een volgende inschrijving in dezelfde module berekend door het aantal lestijden van die module te vermenigvuldigen met 3 euro. Indien de cursist een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld geniet zoals bepaald in paragraaf 4, dan wordt het aantal lestijden vermenigvuldigd met 1,5 euro.
4In afwijking van het eerste lid geldt de vermenigvuldiging met 3 of 1,5 euro niet voor een inschrijving in een open module die voldoet aan de bepalingen van artikel 25bis.4In afwijking van het eerste lid geldt de vermenigvuldiging met 3 of 1,5 euro niet voor een inschrijving in een open module die voldoet aan de bepalingen van artikel 25bis.
5§2bis. In afwijking van paragraaf 2 blijft het verschuldigde inschrijvingsgeld ongewijzigd, ongeacht het aantal inschrijvingen in een van de volgende opleidingen:5§2bis. In afwijking van paragraaf 2 blijft het verschuldigde inschrijvingsgeld ongewijzigd, ongeacht het aantal inschrijvingen in een van de volgende opleidingen:
61° de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 of de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 - schriftelijk richtgraad 1.1 of de opleiding Latijns Schrift - Basiseducatie van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie;61° de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 of de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 - schriftelijk richtgraad 1.1 of de opleiding Latijns Schrift - Basiseducatie van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie;
72° de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie of de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 of de opleiding Lezen en Schrijven voor Anders- gealfabetiseerden van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs.72° de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie of de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 of de opleiding Lezen en Schrijven voor Anders- gealfabetiseerden van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs.
8§3. In afwijking van paragraaf 1 wordt het inschrijvingsgeld begrensd op 300 euro per opleiding per semester. Een semester is een periode van 1 september tot en met 31 december of een periode van 1 januari tot en met 31 augustus. Het inschrijvingsgeld, vermeld in paragraaf 2, wordt niet meegerekend in de begrenzing van het inschrijvingsgeld.8§3. In afwijking van paragraaf 1 wordt het inschrijvingsgeld begrensd op 300 euro per opleiding per semester. Een semester is een periode van 1 september tot en met 31 december of een periode van 1 januari tot en met 31 augustus. Het inschrijvingsgeld, vermeld in paragraaf 2, wordt niet meegerekend in de begrenzing van het inschrijvingsgeld.
9§3bis. In afwijking van paragraaf 3 is het verschuldigde inschrijvingsgeld begrensd tot 180 euro voor een cursist die ingeschreven is in een van de volgende opleidingen:9§3bis. In afwijking van paragraaf 3 is het verschuldigde inschrijvingsgeld begrensd tot 180 euro voor een cursist die ingeschreven is in een van de volgende opleidingen:
101° de opleiding Nederlands Tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 of de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 - schriftelijk richtgraad 1.1 van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie;101° de opleiding Nederlands Tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 of de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 - schriftelijk richtgraad 1.1 van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie;
112° de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie of de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs.112° de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie of de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs.
131° de opleiding Latijns Schrift - Basiseducatie of de opleiding Lezen en Schrijven voor Andersgealfabetiseerden;131° de opleiding Latijns Schrift - Basiseducatie of de opleiding Lezen en Schrijven voor Andersgealfabetiseerden;
142° een in het eerste lid vermelde opleiding waarvoor de cursist niet bij aanvang van zijn opleiding ingeschreven was maar waarnaar hij in de loop van zijn opleiding geheroriënteerd wordt.142° een in het eerste lid vermelde opleiding waarvoor de cursist niet bij aanvang van zijn opleiding ingeschreven was maar waarnaar hij in de loop van zijn opleiding geheroriënteerd wordt.
15§ 4. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een volledige vrijstelling van het inschrijvingsgeld voor cursisten die :
15§4. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een volledige vrijstelling van het inschrijvingsgeld voor cursisten die ingeschreven zijn in een opleiding van de basiseducatie of een opleiding van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 of Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 van het secundair volwassenenonderwijs en die:
161° geen houder zijn van een diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4 en ingeschreven zijn voor geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren of Regie over het Eigen Leren, een opleiding in de leergebieden van de basiseducatie of een opleiding in de studiegebieden aanvullende algemene vorming of algemene vorming;161° geen houder zijn van een diploma van het secundair onderwijs of een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatieniveau 4, voor zover het een inschrijving betreft voor een opleiding van de basiseducatie;
172° ingeschreven zijn voor de opleiding ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting;
172° ...;
183° op het moment van hun inschrijving materiële hulp genieten zoals bedoeld in de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen;183° op het moment van hun inschrijving materiële hulp genieten zoals bedoeld in de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen;
193° bis op het moment van inschrijving tijdelijke bescherming genieten ter uitvoering van richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen;193° bis op het moment van inschrijving tijdelijke bescherming genieten ter uitvoering van richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen;
389° niet-werkende, verplicht ingeschreven werkzoekenden zijn die op het moment van hun inschrijving nog geen recht op een inschakelingsuitkering hebben verworven;389° niet-werkende, verplicht ingeschreven werkzoekenden zijn die op het moment van hun inschrijving nog geen recht op een inschakelingsuitkering hebben verworven;
3910° ingeschreven zijn voor een opleiding zoals bedoeld in artikel 64bis;3910° ingeschreven zijn voor een opleiding zoals bedoeld in artikel 64bis;
4011° ingeschreven zijn voor de opleiding Ondernemerschap en tegelijk ingeschreven zijn als leerling in de derde graad van het secundair onderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, een centrum voor deeltijdse vorming, of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.
4011° ...
41§4bis. [... (vernietigd bij arrest Grondwettelijk Hof 2023/115 van 20 juli 2023)]41§4bis. [... (vernietigd bij arrest Grondwettelijk Hof 2023/115 van 20 juli 2023)]
42§5. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,60 euro voor cursisten die ingeschreven zijn in een van de volgende opleidingen:42§5. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,60 euro voor cursisten die ingeschreven zijn in een van de volgende opleidingen:
431° een opleiding van het niveau richtgraad 2 in de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal of in het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2;431° een opleiding van het niveau richtgraad 2 in de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal of in het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2;
442° een opleiding in het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4.442° een opleiding in het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4.
45§6. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,30 euro voor cursisten die op het moment van hun inschrijving :45§6. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,30 euro voor cursisten die op het moment van hun inschrijving in een opleiding van een leergebied van de basiseducatie of van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2, of Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 van het secundair volwassenenonderwijs en die:
461° een inkomen verwerven via een inschakelingsuitkering of een werkloosheidsuitkering en ingeschreven zijn voor een opleiding die niet op basis van § 4, 8°, recht geeft op een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld, of ten laste zijn van voormelde categorieën;461° een inkomen verwerven via een inschakelingsuitkering of een werkloosheidsuitkering en ingeschreven zijn voor een opleiding die niet op basis van § 4, 8°, recht geeft op een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld, of ten laste zijn van voormelde categorieën;
472° in het bezit zijn van een van de volgende attesten of die ten laste zijn van een persoon die in het bezit is van een van de volgende attesten :472° in het bezit zijn van een van de volgende attesten of die ten laste zijn van een persoon die in het bezit is van een van de volgende attesten :
51d) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van het verdienvermogen tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen;51d) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van het verdienvermogen tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen;
52e) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van de zelfredzaamheid van ten minste zeven punten.52e) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van de zelfredzaamheid van ten minste zeven punten.
53§6bis. [... (vernietigd bij arrest Grondwettelijk Hof 2023/115 van 20 juli 2023)]53§6bis. [... (vernietigd bij arrest Grondwettelijk Hof 2023/115 van 20 juli 2023)]
54§6ter. De verschuldigde bijdrage voor de eerste deelname aan de NT2-test, vermeld in artikel 40, § 1bis, eerste lid, is inbegrepen in het inschrijvingsgeld zoals bepaald in paragraaf 3bis.54§6ter. De verschuldigde bijdrage voor de eerste deelname aan de NT2-test, vermeld in artikel 40, § 1bis, eerste lid, is inbegrepen in het inschrijvingsgeld zoals bepaald in paragraaf 3bis.
55De cursist die niet geslaagd is voor één of meerdere onderdelen van de NT2-test betaalt geen inschrijvingsgeld voor het opnieuw volgen van één van deze opleidingen in functie van een herkansing. Voor een nieuwe deelname aan de NT2-test betaalt de cursist 22,50 euro per onderdeel. Indien de cursist een gedeeltelijke of volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld geniet op basis van paragraaf 4 of 6 betaalt hij niet opnieuw voor een nieuwe deelname aan de NT2-test.55De cursist die niet geslaagd is voor één of meerdere onderdelen van de NT2-test betaalt geen inschrijvingsgeld voor het opnieuw volgen van één van deze opleidingen in functie van een herkansing. Voor een nieuwe deelname aan de NT2-test betaalt de cursist 22,50 euro per onderdeel. Indien de cursist een gedeeltelijke of volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld geniet op basis van paragraaf 4 of 6 betaalt hij niet opnieuw voor een nieuwe deelname aan de NT2-test.
56§6quater. In afwijking van paragraaf 1 geldt een standaardtarief van 2,25 euro per lestijd van een module voor cursisten die zich inschrijven voor een opleiding van een studiegebied als vermeld in artikel 7, 2°, 3°, 7° tot en met 12°, 14°, 20°, 23°, 24°, 27°, 28°, 30° tot en met 34°, 36°, 42°, 43°, 46° en 50°, en voor een experimenteel studiegebied als vermeld in artikel 10.
57In afwijking van paragraaf 3 wordt het inschrijvingsgeld begrensd op 450 euro per opleiding per semester voor cursisten die ingeschreven zijn in een opleiding als vermeld in het eerste lid.
58§6quinquies. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld voor cursisten die op het moment van hun inschrijving gedetineerd zijn, zoals bepaald in artikel 2, 16°bis.
59In afwijking van paragraaf 1 geldt er een volledige vrijstelling van in-schrijvingsgeld voor cursisten die ingeschreven zijn voor de opleiding Onder-nemerschap en tegelijk ingeschreven zijn als leerling in de derde graad van het secundair onderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair on-derwijs, een centrum voor deeltijdse vorming of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.
60§6sexies. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvings-geld van 0,03 euro per lestijd van een module voor cursisten die ingeschre-ven zijn in:
611° de geletterdheidsmodules Nederlands en Leren Leren of Regie over het eigen leren van het secundair volwassenenonderwijs;
622° een opleiding van de studiegebieden aanvullende algemene vorming of algemene vorming van het secundair volwassenenonderwijs;
633° een opleiding van het studiegebied bijzondere educatieve noden van het secundair volwassenenonderwijs.
64In afwijking van paragraaf 3 wordt het inschrijvingsgeld begrensd op 180 euro per opleiding voor cursisten die ingeschreven zijn in een opleiding als vermeld in het eerste lid.
65§6septies. In afwijking van paragraaf 4 en 6 geldt er een verminderd inschrij-vingsgeld van 1 euro per lestijd van een module voor cursisten die ingeschre-ven zijn in een opleiding als vermeld in paragraaf 6quater, eerste lid, en:
661° op het moment van hun inschrijving een inkomen verwerven via een inschakelingsuitkering of een werkloosheidsuitkering of ten laste zijn van voormelde categorieën;
672° op het moment van hun inschrijving in het bezit zijn van een van de volgende attesten of ten laste zijn van een persoon die in het bezit is van een van de volgende attesten:
68a) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een ar-beidsongeschiktheid van ten minste 66 procent blijkt;
69b) een attest waaruit het recht blijkt op een integratietegemoetkoming aan gehandicapten;
70c) een attest waaruit de inschrijving bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap blijkt;
71d) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een ver-mindering blijkt van het verdienvermogen tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen;
72e) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een ver-mindering blijkt van de zelfredzaamheid van ten minste zeven pun-ten;
733° op het moment van hun inschrijving materiële hulp krijgen als vermeld in de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen;
744° op het moment van hun inschrijving tijdelijke bescherming krijgen ter uitvoering van richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betref-fende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen;
755° op het moment van hun inschrijving een inkomen verwerven via maat-schappelijke dienstverlening of een leefloon of ten laste zijn van de voormelde categorieën;
766° op het moment van hun inschrijving niet voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht;
777° op het moment van hun inschrijving werkzoekend zijn als vermeld in artikel 2, 47° bis;
788° op het moment van hun inschrijving niet-werkende, verplicht ingeschre-ven werkzoekenden zijn die op het moment van hun inschrijving nog geen recht op een inschakelingsuitkering hebben verworven.
79§6octies. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvings-geld van 1 euro per lestijd van een module voor cursisten die ingeschreven zijn in een opleiding die behoort tot een studiegebied met structureel knel-puntkarakter als vermeld in artikel 98, §2, zesde lid.
80In afwijking van het eerste lid geldt er een volledige vrijstelling voor cur-sisten die ingeschreven zijn in een opleiding als vermeld in het eerste lid, en die op het moment van hun inschrijving voldoen aan een categorie als ver-meld in paragraaf 6septies, 1° tot en met 8°.
81In afwijking van paragraaf 3 wordt het inschrijvingsgeld begrensd op 200 euro per opleiding per semester voor cursisten die ingeschreven zijn in een opleiding als vermeld in het eerste lid.
82§6novies. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verhoogd inschrijvings-geld van 4 euro per lestijd van een module voor cursisten die ingeschreven zijn in een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs die behoort tot de studiegebieden ambachtelijke accessoires, drankenkennis, Europese hoofdtalen richtgraad 1 en 2, Europese neventalen richtgraad 1 en 2, Europe-se talen richtgraad 3 en 4, fotografie, Hebreeuws, huishoudelijk koken, huishoudelijke decoratie- en naaitechnieken, mode maatwerk, mode realisa-ties, Oosterse talen, Scandinavische talen, Slavische talen en textiel.
83De begrenzing van het inschrijvingsgeld, vermeld in paragraaf 3, wordt niet toegepast op de opleidingen, vermeld in het eerste lid.
84De volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld, vermeld in paragraaf 6quinquies, en het verminderde inschrijvingsgeld, vermeld in paragraaf 6septies, worden niet toegepast op de opleidingen, vermeld in het eerste lid.
85§6decies. De bepalingen, vermeld in paragraaf 2, zijn niet van toepassing op de cursisten die voldoen aan de bepalingen, vermeld in paragraaf 6quater tot en met 6novies.
56§7. Centra die de studiegebieden aanvullende algemene vorming en algemene vorming organiseren en evaluaties afnemen van personen die geen lessen gevolgd hebben in het centrum voor volwassenenonderwijs in kwestie, vragen hiervoor een tegemoetkoming aan de cursist van 15 euro per evaluatieperiode.86§7. Centra die de studiegebieden aanvullende algemene vorming en algemene vorming organiseren en evaluaties afnemen van personen die geen lessen gevolgd hebben in het centrum voor volwassenenonderwijs in kwestie, vragen hiervoor een tegemoetkoming aan de cursist van 15 euro per evaluatieperiode.
57§8. Het centrum voor volwassenenonderwijs dat een examencommissie organiseert, vraagt hiervoor een tegemoetkoming van 15 euro per persoon en per evaluatieperiode.87§8. Het centrum voor volwassenenonderwijs dat een examencommissie organiseert, vraagt hiervoor een tegemoetkoming van 15 euro per persoon en per evaluatieperiode.
+1 −0 decreet-2007-06-15/art. 196sexies
10Ten laste van het begrotingsjaar 2024 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.10Ten laste van het begrotingsjaar 2024 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
11Ten laste van het begrotingsjaar 2025 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmid-delen toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs, en worden 90,66 aanvullende voltijdsequivalenten, 1494,70 aanvullende punten en een bedrag van 1.109.830,06 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor basiseducatie.11Ten laste van het begrotingsjaar 2025 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmid-delen toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs, en worden 90,66 aanvullende voltijdsequivalenten, 1494,70 aanvullende punten en een bedrag van 1.109.830,06 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor basiseducatie.
12Ten laste van het begrotingsjaar 2026 worden 14.540,37 aanvullende leraarsuren, 212,66 aanvullende punten en een bedrag van 266.863,97 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs, en worden 40 aanvullende vte's, 659,47 aanvullende punten en een bedrag van 489.666,91 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor basiseducatie.
12§ 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.13§ 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.
13§ 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.14§ 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.
+14 −10 decreet-2001-07-06/art. 33
1§1. Bij elk op 1 januari 2007 bestaand Vlaams ministerie wordt er een fonds, in de zin van artikel 15, § 2 en § 3, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, opgericht voor de aanwending van de terugbetaling van salarissen van personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties.1§1. Bij elk op 1 januari 2007 bestaand Vlaams ministerie wordt er een fonds, in de zin van artikel 15, § 2 en § 3, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, opgericht voor de aanwending van de terugbetaling van salarissen van personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties.
2§2. Aan ieder fonds worden toegewezen :2§2. Aan ieder fonds worden toegewezen :
3- alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden van het betrokken Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties;3- alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden van het betrokken Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties;
4- een gedeelte van het vastleggings- en ordonnanceringssaldo op 31 december 2006 dat bij besluit van de Vlaamse Regering zal worden vastgesteld.4- een gedeelte van het vastleggings- en ordonnanceringssaldo op 31 december 2006 dat bij besluit van de Vlaamse Regering zal worden vastgesteld.
5§3. De middelen van ieder fonds dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden en weddentoelagen van de ter vervanging aangeworven personeelsleden of van de personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of organisaties.5§3. De middelen van ieder fonds dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden en weddentoelagen van de ter vervanging aangeworven personeelsleden of van de personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of organisaties.
6§4. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin worden toegewezen :6§4. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin worden toegewezen :
7- alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden welke op basis van het decreet van 15 december 2006 betreffende de aanstelling van bedienaars der erediensten en moreel consulenten bij sommige rechtspersonen worden aangesteld bij instellingen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.7- alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden welke op basis van het decreet van 15 december 2006 betreffende de aanstelling van bedienaars der erediensten en moreel consulenten bij sommige rechtspersonen worden aangesteld bij instellingen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
8§5. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, verkregen op basis van § 4, dienen aangewend te worden voor de betaling van de wedden en weddentoelagen van de personeelsleden welke op basis van het decreet van 15 december 2006 betreffende de aanstelling van bedienaars der erediensten en moreel consulenten bij sommige rechtspersonen worden aangesteld bij instellingen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.8§5. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, verkregen op basis van § 4, dienen aangewend te worden voor de betaling van de wedden en weddentoelagen van de personeelsleden welke op basis van het decreet van 15 december 2006 betreffende de aanstelling van bedienaars der erediensten en moreel consulenten bij sommige rechtspersonen worden aangesteld bij instellingen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
9§6. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Bestuurszaken, verkregen op basis van § 2, kunnen eveneens aangewend worden voor het ontwikkelen van Vlaamse overheidsgerelateerde ICT-projecten.9§6. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Bestuurszaken, verkregen op basis van § 2, kunnen eveneens aangewend worden voor het ontwikkelen van Vlaamse overheidsgerelateerde ICT-projecten.
10§7. Aan het fonds bij het Vlaams ministerie Kanselarij en Bestuur worden alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten toegewezen met betrekking tot personeelsleden die naar het agentschap Facilitair Bedrijf worden overgedragen zonder kredietoverdracht of hun vervangers.10§7. Aan het fonds bij het Vlaams ministerie Kanselarij en Bestuur worden alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten toegewezen met betrekking tot personeelsleden die naar het agentschap Facilitair Bedrijf worden overgedragen zonder kredietoverdracht of hun vervangers.
11§8. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie Kanselarij en Bestuur, verkregen op basis van paragraaf 7, dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden, weddentoelagen en werkingskosten van personeelsleden die naar het agentschap Facilitair Bedrijf worden overgedragen zonder kredietoverdracht of hun vervangers.11§8. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie Kanselarij en Bestuur, verkregen op basis van paragraaf 7, dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden, weddentoelagen en werkingskosten van personeelsleden die naar het agentschap Facilitair Bedrijf worden overgedragen zonder kredietoverdracht of hun vervangers.
12§9. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media worden alle inkomsten toegewezen die verkregen worden uit de kandidaatstellingen voor landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's die bij het Departement Cultuur, Jeugd en Media worden ingediend.12§9. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media worden alle inkomsten toegewezen die verkregen worden uit de kandidaatstellingen voor landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's die bij het Departement Cultuur, Jeugd en Media worden ingediend.
13De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media, verkregen op basis van het eerste lid, dienen aangewend te worden voor de betaling van de wedden en weddentoelagen van de tijdelijke personeelsleden die worden aangeworven voor het behandelen van de aanvragen inzake landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's alsook voor de werkingsuitgaven naar aanleiding van de behandeling van de genoemde aanvragen.13De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media, verkregen op basis van het eerste lid, dienen aangewend te worden voor de betaling van de wedden en weddentoelagen van de tijdelijke personeelsleden die worden aangeworven voor het behandelen van de aanvragen inzake landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's alsook voor de werkingsuitgaven naar aanleiding van de behandeling van de genoemde aanvragen.
14§10. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, verkregen op basis van paragraaf 2, kunnen eveneens aangewend worden voor de betaling van facturen voor het tijdelijk inhuren van personeel via uitzendarbeid of externe ICT-profielen ter vervanging van de personeelsleden binnen WVG die ten laste genomen worden door andere organisaties of overheden.14§10. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, verkregen op basis van paragraaf 2, kunnen eveneens aangewend worden voor de betaling van facturen voor het tijdelijk inhuren van personeel via uitzendarbeid of externe ICT-profielen ter vervanging van de personeelsleden binnen WVG die ten laste genomen worden door andere organisaties of overheden.
15§11. Aan het fonds bij het Vlaams Ministerie van Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie worden alle ontvangsten uit de betalende diensten inzake overheidsopdrachten van het agentschap Facilitair Bedrijf toegewezen.
16§12. De middelen van het fonds van het Vlaams Ministerie van Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie, verkregen op basis van paragraaf 11, worden aangewend voor de betaling van wedden, weddetoelagen en werkingskosten die gemaakt worden in het kader van de betalende diensten inzake overheidsopdrachten van het agentschap Facilitair Bedrijf.
17§13. Aan het fonds bij het Vlaams Ministerie van Omgeving worden alle terugvorderingen van wedden en de vergoedingen of kosten die ermee samenhangen, toegewezen die betrekking hebben op personeelsleden van het Ministerie van Omgeving en die worden ingezet door andere organisaties voor de uitvoering van specifieke taken in het kader van opdrachten van de Vlaamse Regering.
18De middelen van het fonds van het Vlaamse Ministerie van Omgeving, die worden verkregen conform het eerste lid, worden gebruikt om de wedden, weddentoelagen en werkingskosten van personeelsleden te betalen die worden ingezet door andere organisaties voor de uitvoering van specifieke taken in het kader van opdrachten van de Vlaamse Regering, of voor de betaling van wedden, weddentoelagen en werkingskosten van hun vervangers.
+14 −10 decreet-2001-07-06/art. 33
1§1. Bij elk op 1 januari 2007 bestaand Vlaams ministerie wordt er een fonds, in de zin van artikel 15, § 2 en § 3, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, opgericht voor de aanwending van de terugbetaling van salarissen van personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties.1§1. Bij elk op 1 januari 2007 bestaand Vlaams ministerie wordt er een fonds, in de zin van artikel 15, § 2 en § 3, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, opgericht voor de aanwending van de terugbetaling van salarissen van personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties.
2§2. Aan ieder fonds worden toegewezen :2§2. Aan ieder fonds worden toegewezen :
3- alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden van het betrokken Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties;3- alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden van het betrokken Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties;
4- een gedeelte van het vastleggings- en ordonnanceringssaldo op 31 december 2006 dat bij besluit van de Vlaamse Regering zal worden vastgesteld.4- een gedeelte van het vastleggings- en ordonnanceringssaldo op 31 december 2006 dat bij besluit van de Vlaamse Regering zal worden vastgesteld.
5§3. De middelen van ieder fonds dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden en weddentoelagen van de ter vervanging aangeworven personeelsleden of van de personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of organisaties.5§3. De middelen van ieder fonds dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden en weddentoelagen van de ter vervanging aangeworven personeelsleden of van de personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of organisaties.
6§4. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin worden toegewezen :6§4. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin worden toegewezen :
7- alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden welke op basis van het decreet van 15 december 2006 betreffende de aanstelling van bedienaars der erediensten en moreel consulenten bij sommige rechtspersonen worden aangesteld bij instellingen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.7- alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden welke op basis van het decreet van 15 december 2006 betreffende de aanstelling van bedienaars der erediensten en moreel consulenten bij sommige rechtspersonen worden aangesteld bij instellingen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
8§5. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, verkregen op basis van § 4, dienen aangewend te worden voor de betaling van de wedden en weddentoelagen van de personeelsleden welke op basis van het decreet van 15 december 2006 betreffende de aanstelling van bedienaars der erediensten en moreel consulenten bij sommige rechtspersonen worden aangesteld bij instellingen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.8§5. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, verkregen op basis van § 4, dienen aangewend te worden voor de betaling van de wedden en weddentoelagen van de personeelsleden welke op basis van het decreet van 15 december 2006 betreffende de aanstelling van bedienaars der erediensten en moreel consulenten bij sommige rechtspersonen worden aangesteld bij instellingen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
9§6. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Bestuurszaken, verkregen op basis van § 2, kunnen eveneens aangewend worden voor het ontwikkelen van Vlaamse overheidsgerelateerde ICT-projecten.9§6. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Bestuurszaken, verkregen op basis van § 2, kunnen eveneens aangewend worden voor het ontwikkelen van Vlaamse overheidsgerelateerde ICT-projecten.
10§7. Aan het fonds bij het Vlaams ministerie Kanselarij en Bestuur worden alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten toegewezen met betrekking tot personeelsleden die naar het agentschap Facilitair Bedrijf worden overgedragen zonder kredietoverdracht of hun vervangers.10§7. Aan het fonds bij het Vlaams ministerie Kanselarij en Bestuur worden alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten toegewezen met betrekking tot personeelsleden die naar het agentschap Facilitair Bedrijf worden overgedragen zonder kredietoverdracht of hun vervangers.
11§8. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie Kanselarij en Bestuur, verkregen op basis van paragraaf 7, dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden, weddentoelagen en werkingskosten van personeelsleden die naar het agentschap Facilitair Bedrijf worden overgedragen zonder kredietoverdracht of hun vervangers.11§8. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie Kanselarij en Bestuur, verkregen op basis van paragraaf 7, dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden, weddentoelagen en werkingskosten van personeelsleden die naar het agentschap Facilitair Bedrijf worden overgedragen zonder kredietoverdracht of hun vervangers.
12§9. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media worden alle inkomsten toegewezen die verkregen worden uit de kandidaatstellingen voor landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's die bij het Departement Cultuur, Jeugd en Media worden ingediend.12§9. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media worden alle inkomsten toegewezen die verkregen worden uit de kandidaatstellingen voor landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's die bij het Departement Cultuur, Jeugd en Media worden ingediend.
13De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media, verkregen op basis van het eerste lid, dienen aangewend te worden voor de betaling van de wedden en weddentoelagen van de tijdelijke personeelsleden die worden aangeworven voor het behandelen van de aanvragen inzake landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's alsook voor de werkingsuitgaven naar aanleiding van de behandeling van de genoemde aanvragen.13De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media, verkregen op basis van het eerste lid, dienen aangewend te worden voor de betaling van de wedden en weddentoelagen van de tijdelijke personeelsleden die worden aangeworven voor het behandelen van de aanvragen inzake landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's alsook voor de werkingsuitgaven naar aanleiding van de behandeling van de genoemde aanvragen.
14§10. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, verkregen op basis van paragraaf 2, kunnen eveneens aangewend worden voor de betaling van facturen voor het tijdelijk inhuren van personeel via uitzendarbeid of externe ICT-profielen ter vervanging van de personeelsleden binnen WVG die ten laste genomen worden door andere organisaties of overheden.14§10. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, verkregen op basis van paragraaf 2, kunnen eveneens aangewend worden voor de betaling van facturen voor het tijdelijk inhuren van personeel via uitzendarbeid of externe ICT-profielen ter vervanging van de personeelsleden binnen WVG die ten laste genomen worden door andere organisaties of overheden.
15§11. Aan het fonds bij het Vlaams Ministerie van Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie worden alle ontvangsten uit de betalende diensten inzake overheidsopdrachten van het agentschap Facilitair Bedrijf toegewezen.
16§12. De middelen van het fonds van het Vlaams Ministerie van Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie, verkregen op basis van paragraaf 11, worden aangewend voor de betaling van wedden, weddetoelagen en werkingskosten die gemaakt worden in het kader van de betalende diensten inzake overheidsopdrachten van het agentschap Facilitair Bedrijf.
17§13. Aan het fonds bij het Vlaams Ministerie van Omgeving worden alle terugvorderingen van wedden en de vergoedingen of kosten die ermee samenhangen, toegewezen die betrekking hebben op personeelsleden van het Ministerie van Omgeving en die worden ingezet door andere organisaties voor de uitvoering van specifieke taken in het kader van opdrachten van de Vlaamse Regering.
18De middelen van het fonds van het Vlaamse Ministerie van Omgeving, die worden verkregen conform het eerste lid, worden gebruikt om de wedden, weddentoelagen en werkingskosten van personeelsleden te betalen die worden ingezet door andere organisaties voor de uitvoering van specifieke taken in het kader van opdrachten van de Vlaamse Regering, of voor de betaling van wedden, weddentoelagen en werkingskosten van hun vervangers.
+3 −3 vlaamse-codex-overheidsfinancien-van-29-maart-2019/art. 2
2118° korte termijn: een termijn die korter is dan of gelijk is aan één jaar;2118° korte termijn: een termijn die korter is dan of gelijk is aan één jaar;
2219° lange termijn: een termijn die langer is dan één jaar;2219° lange termijn: een termijn die langer is dan één jaar;
2320° nationaal hervormingsprogramma: het nationale hervormingsprogramma, vermeld in artikel 2-bis, 2, d), van de verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid;
2320° ...;
2421° optie: een indekkingsproduct waarbij de verkoper aan de koper het recht verleent om een overeengekomen hoeveelheid van een financieel product of contract te kopen of te verkopen tegen een overeengekomen uitoefenprijs tot of op een overeengekomen datum in de toekomst;2421° optie: een indekkingsproduct waarbij de verkoper aan de koper het recht verleent om een overeengekomen hoeveelheid van een financieel product of contract te kopen of te verkopen tegen een overeengekomen uitoefenprijs tot of op een overeengekomen datum in de toekomst;
2522° prestatiegeïnformeerd begroten: een vorm van prestatiebegroting waarbij de middelen op een indirecte manier worden gerelateerd aan de verwachte prestaties en de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid periodiek wordt geëvalueerd;2522° prestatiegeïnformeerd begroten: een vorm van prestatiebegroting waarbij de middelen op een indirecte manier worden gerelateerd aan de verwachte prestaties en de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid periodiek wordt geëvalueerd;
3431° renterisico: de onzekerheid over de toekomstige kostprijs van een schuld of de toekomstige opbrengst van een belegging, die afhankelijk is van de fluctuaties die kunnen optreden in de rentevoeten die van toepassing zijn op bestaande en toekomstige leningen en beleggingen;3431° renterisico: de onzekerheid over de toekomstige kostprijs van een schuld of de toekomstige opbrengst van een belegging, die afhankelijk is van de fluctuaties die kunnen optreden in de rentevoeten die van toepassing zijn op bestaande en toekomstige leningen en beleggingen;
3532° schuld in vreemde munten: een schuld die is uitgegeven in een andere munt dan de euro;3532° schuld in vreemde munten: een schuld die is uitgegeven in een andere munt dan de euro;
3633° stabiliteitsprogramma: het stabiliteitsprogramma, vermeld in artikel 3 van de verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid;
3633° ...;
3734° subsidie: elke vorm van financiële ondersteuning, ongeacht de benaming en vorm ervan, en met inbegrip van de voorschotten die zonder interest teruggevorderd kunnen worden, die als kapitaal- of inkomensoverdracht wordt verstrekt door een entiteit die tot de Vlaamse deelstaatoverheid behoort, voor een activiteit die het algemeen belang dient, met uitsluiting van de prijzen, giften en dotaties, alsook van de kapitaal- of inkomensoverdrachten die de tegenprestatie uitmaken van een werk of goed dat, of een levering of dienst die een derde aan die overheid heeft verstrekt;3734° subsidie: elke vorm van financiële ondersteuning, ongeacht de benaming en vorm ervan, en met inbegrip van de voorschotten die zonder interest teruggevorderd kunnen worden, die als kapitaal- of inkomensoverdracht wordt verstrekt door een entiteit die tot de Vlaamse deelstaatoverheid behoort, voor een activiteit die het algemeen belang dient, met uitsluiting van de prijzen, giften en dotaties, alsook van de kapitaal- of inkomensoverdrachten die de tegenprestatie uitmaken van een werk of goed dat, of een levering of dienst die een derde aan die overheid heeft verstrekt;
3835° toelage: een subsidie die wordt verstrekt aan een entiteit die tot de Vlaamse deelstaatoverheid behoort, met uitsluiting van de dotaties;3835° toelage: een subsidie die wordt verstrekt aan een entiteit die tot de Vlaamse deelstaatoverheid behoort, met uitsluiting van de dotaties;
4542° Vlaamse Gemeenschap: de rechtspersonen Vlaamse Gemeenschap en Vlaams Gewest, vermeld in artikel 2 en 3 van de Grondwet;4542° Vlaamse Gemeenschap: de rechtspersonen Vlaamse Gemeenschap en Vlaams Gewest, vermeld in artikel 2 en 3 van de Grondwet;
4643° Vlaamse rechtspersonen: alle rechtspersonen die deel uitmaken van de Vlaamse deelstaatoverheid, met uitzondering van de Vlaamse Gemeenschap;4643° Vlaamse rechtspersonen: alle rechtspersonen die deel uitmaken van de Vlaamse deelstaatoverheid, met uitzondering van de Vlaamse Gemeenschap;
4744° Vlaams hervormingsprogramma: de bijdrage van de Vlaamse Regering aan het nationaal hervormingsprogramma;
4744° ...;
4845° Vlaams ontwerpbegrotingsplan: de bijdrage van de Vlaamse Regering aan het ontwerpbegrotingsplan, vermeld in artikel 6 van de verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone;4845° Vlaams ontwerpbegrotingsplan: de bijdrage van de Vlaamse Regering aan het ontwerpbegrotingsplan, vermeld in artikel 6 van de verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone;
4946° waarborg: de zekerheid die erin bestaat dat het geheel of een gedeelte van het uitstaande kapitaal, de rente, de opbrengsten of de tekorten met een waarborgverklaring of met een contractuele verbintenis wordt gedekt als een verplichting niet kan worden nagekomen;4946° waarborg: de zekerheid die erin bestaat dat het geheel of een gedeelte van het uitstaande kapitaal, de rente, de opbrengsten of de tekorten met een waarborgverklaring of met een contractuele verbintenis wordt gedekt als een verplichting niet kan worden nagekomen;
+5 −6 vlaamse-codex-overheidsfinancien-van-29-maart-2019/art. 10
1§ 1. De Vlaamse Regering legt in het regeerakkoord de begrotingsdoelstellingen vast die ze nastreeft en bepaalt de maatregelen om de jaarlijkse begroting van de Vlaamse deelstaatoverheid op te stellen binnen die begrotingsdoelstellingen.1§ 1. De Vlaamse Regering legt in het regeerakkoord de begrotingsdoelstellingen vast die ze nastreeft voor de volledige zittingsperiode en bepaalt de maatregelen om de jaarlijkse begroting van de Vlaamse deelstaatoverheid op te stellen binnen die begrotingsdoelstellingen.
2De Vlaamse Regering stelt haar jaarlijkse en meerjarige begrotingsplanning op op basis van de meest actuele macro-economische prognoses van het Instituut voor de Nationale Rekeningen, vermeld in artikel 108, eerste lid, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, en de realistische budgettaire prognoses van de bevoegde instantie. De eventuele afwijkingen ten aanzien van de macro-economische prognoses van het Instituut voor de Nationale Rekeningen worden uitdrukkelijk vermeld en gemotiveerd in de algemene toelichting.
2De Vlaamse Regering organiseert de begroting van de ontvangsten en de uitgaven van de Vlaamse deelstaatoverheid volgens de principes van het prestatiegeinformeerd begroten, in het licht van een meerjarig perspectief. Daarbij worden brede heroverwegingen en uitgaventoetsingen gebruikt. De Vlaamse Regering bepaalt de principes waaraan de brede heroverwegingen en uitgaventoetsingen voldoen.3De Vlaamse Regering organiseert de begroting van de ontvangsten en de uitgaven van de Vlaamse deelstaatoverheid volgens de principes van het prestatiegeinformeerd begroten, in het licht van een meerjarig perspectief. Daarbij worden brede heroverwegingen en uitgaventoetsingen gebruikt. De Vlaamse Regering bepaalt de principes waaraan de brede heroverwegingen en uitgaventoetsingen voldoen.
3In het tweede lid wordt verstaan onder:4In het derde lid wordt verstaan onder:
41° brede heroverwegingen: omstandige onderzoeken van beleid met een budgettaire impact, gericht op het aanbieden van beleidsopties voor een doelmatiger of doeltreffender beleid om mogelijke beleidskeuzes voor de toekomst van Vlaanderen op langere termijn te onderbouwen;51° brede heroverwegingen: omstandige onderzoeken van beleid met een budgettaire impact, gericht op het aanbieden van beleidsopties voor een doelmatiger of doeltreffender beleid om mogelijke beleidskeuzes voor de toekomst van Vlaanderen op langere termijn te onderbouwen;
52° uitgaventoetsingen: systematische, diepgaande en specifieke onderzoeken van uitgavencategorieën met een substantiële budgettaire impact om bij constant beleid de doeltreffendheid of doelmatigheid van het beleid te verbeteren.62° uitgaventoetsingen: systematische, diepgaande en specifieke onderzoeken van uitgavencategorieën met een substantiële budgettaire impact om bij constant beleid de doeltreffendheid of doelmatigheid van het beleid te verbeteren.
6De Vlaamse Regering vertaalt de begrotingsdoelstellingen van de Vlaamse deelstaatoverheid ook in meerjarig perspectief in haar bijdragen aan het stabiliteitsprogramma en aan het nationaal hervormingsprogramma, en vertaalt ze in jaar-perspectief in het ontwerpbegrotingsplan.
7De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten om het criterium van de uitgaven te operationaliseren, aansluitend op het preventieve luik van het stabiliteits- en groeipact.
8De Vlaamse Regering dient elk jaar uiterlijk op de laatste vrijdag van maart het ontwerp van Vlaams hervormingsprogramma in bij het Vlaams Parlement. Indien de laatste vrijdag van maart in een recesperiode valt, geldt de laatste vrijdag voor die recesperiode als uiterste datum van indiening.
7De Vlaamse Regering levert een bijdrage aan de opmaak, en in voorkomend geval aan de herziening, van het nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn, zoals bepaald in het preventieve luik van het stabiliteits- en groeipact.
9De Vlaamse Regering dient uiterlijk op 2 oktober voorafgaand aan het begrotingsjaar het Vlaams ontwerpbegrotingsplan in bij het Vlaams Parlement.8De Vlaamse Regering vertaalt de begrotingsdoelstelling van de Vlaamse deelstaatoverheid in jaarperspectief in het ontwerpbegrotingsplan. De Vlaamse Regering dient uiterlijk op 2 oktober voorafgaand aan het begrotingsjaar het Vlaams ontwerpbegrotingsplan in bij het Vlaams Parlement.
10§ 2. De Vlaamse Regering maakt de meerjarenraming op. De entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid leveren daarvoor de nodige gegevens aan conform de regels die de Vlaamse Regering bepaalt.9§ 2. De Vlaamse Regering maakt de meerjarenraming op. De entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid leveren daarvoor de nodige gegevens aan conform de regels die de Vlaamse Regering bepaalt.
11De meerjarenraming heeft betrekking op zes jaar, het lopende jaar inbegrepen. De meerjarenraming vertaalt het constant beleid en de genomen beleidsopties bij de begrotingsopmaak in een indicatief meerjarig budgettair perspectief en geeft een prognose van de evolutie van de begroting voor de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid.10De meerjarenraming heeft betrekking op zes jaar, het lopende jaar inbegrepen. De meerjarenraming vertaalt het constant beleid en de genomen beleidsopties bij de begrotingsopmaak in een indicatief meerjarig budgettair perspectief en geeft een prognose van de evolutie van de begroting voor de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid.
+1 −1 vlaamse-codex-overheidsfinancien-van-29-maart-2019/art. 29
1De boekhouding en de rekening, vermeld in artikel 42, geven een getrouw beeld van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid. 1De boekhouding en de rekening, vermeld in artikel 42, geven een getrouw beeld van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid. De boekhouding is ingericht zodat de transactiegegevens kunnen worden gegenereerd die nodig zijn om de gegevens op te stellen volgens het Europese systeem van nationale en regionale rekeningen.
2De Vlaamse Regering kan regels vaststellen met het oog op de versnelling van de financiële rapportering.2De Vlaamse Regering kan regels vaststellen met het oog op de versnelling van de financiële rapportering.
+1 −1 vlaamse-codex-overheidsfinancien-van-29-maart-2019/art. 42
9De rekening, vermeld in het eerste lid, wordt opgesteld met toepassing van de principes van het prestatiegeïnformeerd begroten.9De rekening, vermeld in het eerste lid, wordt opgesteld met toepassing van de principes van het prestatiegeïnformeerd begroten.
10§ 1/1. De Vlaamse Regering rapporteert over de overheidsinvesteringen van de Vlaamse deelstaatsoverheid via het ontwerp van het decreet dat de rekening, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, bevat.10§ 1/1. De Vlaamse Regering rapporteert over de overheidsinvesteringen van de Vlaamse deelstaatsoverheid via het ontwerp van het decreet dat de rekening, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, bevat.
11De invulling van de definitie van de overheidsinvesteringen, vermeld in het eerste lid, gebeurt op voorstel van de Vlaamse Regering en houdt rekening met de internationale rapporteringsregels over overheidsinvesteringen.11De invulling van de definitie van de overheidsinvesteringen, vermeld in het eerste lid, gebeurt op voorstel van de Vlaamse Regering en houdt rekening met de Europese en de internationale rapporteringsregels over overheidsinvesteringen.
12§ 2. De rekeningen worden bekendgemaakt op de website van de bevoegde instantie.12§ 2. De rekeningen worden bekendgemaakt op de website van de bevoegde instantie.
13§ 3. De rapportering over de definitieve begroting en over de begrotingsuitvoering, bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°, wordt verstrekt in dezelfde vorm als de begroting. De toelichting over de beleids- en begrotingsuitvoering, bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°, wordt verstrekt in dezelfde vorm als de beleids- en begrotingstoelichting, vermeld in artikel 11.13§ 3. De rapportering over de definitieve begroting en over de begrotingsuitvoering, bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°, wordt verstrekt in dezelfde vorm als de begroting. De toelichting over de beleids- en begrotingsuitvoering, bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°, wordt verstrekt in dezelfde vorm als de beleids- en begrotingstoelichting, vermeld in artikel 11.
+2 −0 vlaamse-codex-overheidsfinancien-van-29-maart-2019/art. 44/2 nieuw
1De Vlaamse Regering rapporteert over de Vlaamse begrotingsuitvoering en de Vlaamse hervormings- en investeringstoezeggingen in de Vlaamse bijdrage aan het jaarlijkse voortgangsverslag.
2In het eerste lid wordt verstaan onder jaarlijks voortgangsverslag: het verslag van België over de uitvoering van het nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn, vermeld in artikel 10, §1, vijfde lid, van dit decreet, met inbegrip van het netto-uitgavenpad dat de Raad heeft vastgesteld en de hervormingen en investeringen, opgesteld conform hoofdstuk V van verordening (EU) 2024/1263 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2024 betreffende de doeltreffende coördinatie van het economisch beleid en betreffende het multilaterale begrotingstoezicht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad.
+2 −2 vlaamse-codex-overheidsfinancien-van-29-maart-2019/art. 45
1De Vlaamse Regering bepaalt de regels en voorwaarden voor de totstandkoming van de rapporten voor de gevallen waarin Europese of federale regelgeving een tussentijdse of bijkomende jaarlijkse rapportering oplegt aan de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid. De Vlaamse Regering coördineert de rapportering.1De Vlaamse Regering bepaalt de regels en voorwaarden voor de totstandkoming van de rapporten voor de gevallen waarin Europese of federale regelgeving een periodieke en bijkomende rapportering oplegt aan de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid. De Vlaamse Regering coördineert de rapportering.
2De Vlaamse Regering kan tussentijdse rapporteringen opleggen aan de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid.2De Vlaamse Regering kan periodieke en bijkomende rapporteringen opleggen aan de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid.
+1 −0 vlaamse-codex-overheidsfinancien-van-29-maart-2019/art. 75/1 nieuw
1Juridische kosten die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met het aanspannen van gerechtelijke procedures tegen de Vlaamse deelstaatoverheid, komen niet in aanmerking als subsidiabele kosten.
+13 −8 vlaamse-codex-overheidsfinancien-van-29-maart-2019/art. 76
1Artikel 11 tot en met 14 van de Algemenebepalingenwet zijn van toepassing op subsidies die verleend zijn door een entiteit van de Vlaamse deelstaatoverheid of door een andere rechtspersoon, die rechtstreeks of onrechtstreeks van de Vlaamse Gemeenschap een subsidie krijgt.1§1. Artikel 11 tot en met 14 van de Algemenebepalingenwet zijn van toepassing op subsidies die verleend zijn door een entiteit van de Vlaamse deelstaatoverheid of door een andere rechtspersoon, die rechtstreeks of onrechtstreeks van de Vlaamse Gemeenschap een subsidie krijgt.
2§2. De boekhouding die de subsidieontvanger voert, wordt zo georganiseerd dat de aanwending van de subsidie financieel gecontroleerd kan worden door de subsidieverstrekker of de controleactoren, vermeld in artikel 50.
2Met behoud van de toepassing van artikel 13 van de Algemenebepalingenwet is gehouden tot onmiddellijke terugbetaling van de subsidie de subsidieontvanger :3§3. Met behoud van de toepassing van artikel 13 van de Algemenebepalingenwet betaalt de subsidieontvanger in al de volgende gevallen de subsidie onmiddellijke terug:
31° die de voorwaarden niet naleeft waaronder de subsidie werd verleend;41° de subsidieontvanger leeft de voorwaarden niet na waaronder de subsidie is verleend;
42° die de subsidie niet aanwendt voor de doelstellingen waarvoor zij werd verleend;52° de subsidieontvanger gebruikt de subsidie niet voor de doelstellingen waarvoor die is verleend;
53° die de in artikel 76/3 bedoelde controle verhindert;63° de subsidieontvanger verhindert de controle, bedoeld in artikel 76/3 van deze codex;
64° die al een subsidie ontvangt met dezelfde effecten op basis van dezelfde verantwoordingsstukken.74° de subsidieontvanger ontvangt al een subsidie met dezelfde effecten op basis van dezelfde verantwoordingsstukken.
7Het tweede lid, 4°, staat cofinanciering niet in de weg waarbij verschillende actoren elk een deel van de totale kost financieren.8De toepassing van het eerste lid, 4°, staat cofinanciering waarin verschillende actoren elk een deel van de totale kosten financieren, niet in de weg.
9§4. In het kader van een controle op de aanwending van de toegekende gelden kan de subsidieverstrekker, al dan niet op voorstel van een controleactor, een financiële correctie aanbrengen op het subsidiebedrag bij de vaststelling van tekortkomingen of onregelmatigheden met betrekking tot:
101° de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten en de uitvoeringsbesluiten, als die van toepassing is;
112° de supranationale regelgeving inzake staatssteun, als die van toepassing is.
12De Vlaamse Regering stelt de hoogte van de financiële correctie en de bijbehorende modaliteiten vast.
8Er is geen verantwoording vereist, noch functioneel noch financieel, over het gebruik van statutaire lidmaatschapsbijdragen door de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid aan intergewestelijke, intercommunautaire, nationale of internationale organisaties, tenzij het anders is bepaald bij het aangaan van het lidmaatschap.13§5. Er is geen verantwoording vereist, noch functioneel noch financieel, over het gebruik van statutaire lidmaatschapsbijdragen door de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid aan intergewestelijke, intercommunautaire, nationale of internationale organisaties, tenzij het anders is bepaald bij het aangaan van het lidmaatschap.
+3 −2 vlaamse-codex-overheidsfinancien-van-29-maart-2019/art. 76/2
21° de doelstelling en de effecten die met de subsidieverstrekking worden nagestreefd;21° de doelstelling en de effecten die met de subsidieverstrekking worden nagestreefd;
32° de beschrijving en de duurtijd van de activiteit van algemeen belang waarvoor de subsidie wordt toegekend;32° de beschrijving en de duurtijd van de activiteit van algemeen belang waarvoor de subsidie wordt toegekend;
43° de indicatoren die toelaten om bij de beleidsevaluatie de subsidie inhoudelijk en financieel te evalueren;43° de indicatoren die toelaten om de subsidie tussentijds, op het einde van de duurtijd van de activiteit waarvoor de subsidie wordt verleend, en bij de beleidsevaluatie, vermeld in artikel 76/1, inhoudelijk en financieel te evalueren;
54° het bedrag van de subsidie of de wijze waarop dat bedrag wordt bepaald;54° het bedrag van de subsidie of de wijze waarop dat bedrag wordt bepaald;
65° de categorieën van subsidiabele en niet-subsidiabele kosten;65° de categorieën van subsidiabele en niet-subsidiabele kosten;
1211° de wijze en, in voorkomend geval, de periodiciteit van de uitbetaling van de subsidie;1211° de wijze en, in voorkomend geval, de periodiciteit van de uitbetaling van de subsidie;
1312° de inhoudelijke en financiële verantwoording over het gebruik van de subsidie, die de subsidieontvanger moet voorleggen;1312° de inhoudelijke en financiële verantwoording over het gebruik van de subsidie, die de subsidieontvanger moet voorleggen;
1413° de openbaarmaking van de resultaten van de gesubsidieerde activiteiten.1413° de openbaarmaking van de resultaten van de gesubsidieerde activiteiten;
1514° met behoud van de toepassing van artikel 75, tweede en derde lid, de uitsluiting of toelating van reservevorming en bijbehorende voorwaarden.
15Als een subsidie wordt toegekend in het kader van een oproep tot subsidieaanvragen, bevat de oproep, met behoud van de toepassing van het eerste lid, minimaal al de volgende elementen:16Als een subsidie wordt toegekend in het kader van een oproep tot subsidieaanvragen, bevat de oproep, met behoud van de toepassing van het eerste lid, minimaal al de volgende elementen:
161° de selectieprocedure, met inbegrip van de ontvankelijkheidscriteria, de beoordelingscriteria en de timing voor het indienen van de voorstellen;171° de selectieprocedure, met inbegrip van de ontvankelijkheidscriteria, de beoordelingscriteria en de timing voor het indienen van de voorstellen;
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.1.1
1In deze titel wordt verstaan onder:1In deze titel wordt verstaan onder:
21° abonnee: elke persoon die een recht heeft ten aanzien van een onroerend goed, dat aangesloten is op een openbaar waterdistributienetwerk en aan wie de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk via dit waterdistributienetwerk water levert;21° abonnee: elke persoon die een recht heeft ten aanzien van een onroerend goed, dat aangesloten is op een openbaar waterdistributienetwerk en aan wie de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk via dit waterdistributienetwerk water levert;
32° afgesloten watervoerende laag: watervoerende laag die voorkomt onder één van de volgende afsluitende hydrogeologische hoofdeenheden die gekenmerkt worden door de unieke code 0300, 0500, 0700 of 0900 zoals weergegeven in bijlage 6 bij dit decreet. De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast en zorgt er daarbij voor dat elke winning eenduidig is vastgelegd32° afgesloten watervoerende laag: watervoerende laag die voorkomt onder één van de volgende afsluitende hydrogeologische hoofdeenheden die gekenmerkt worden door de unieke code A0300, A0500, A0700 of A0900 zoals weergegeven in bijlage 6 bij dit decreet. De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast en zorgt er daarbij voor dat elke winning eenduidig is vastgelegd
43° bovengemeentelijke saneringsverplichting: elke verplichting inzake sanering die op het Vlaams Gewest rust;43° bovengemeentelijke saneringsverplichting: elke verplichting inzake sanering die op het Vlaams Gewest rust;
53°/1 circulair afvalwater: afvalwater als vermeld in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM, dat hergebruikt kan worden door een andere heffingsplichtige voor de activiteiten, vermeld in bijlage 5, die bij dit decreet is gevoegd;53°/1 circulair afvalwater: afvalwater als vermeld in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM, dat hergebruikt kan worden door een andere heffingsplichtige voor de activiteiten, vermeld in bijlage 5, die bij dit decreet is gevoegd;
+11 −8 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.1.1.6
1§ 1. Voor zover het niet wordt geloosd in de openbare riolering met een getotaliseerde maximale nominale pompcapaciteit hoger dan 10 m® per uur of bij gebrek aan pompcapaciteit met volumes hoger dan 10 m® per uur is in afwijking van artikel 4.2.1.1.1 geen heffing verschuldigd voor de lozing van het onttrokken grondwater uit de volgende grondwaterwinningen:1§ 1. Voor zover het niet wordt geloosd in de openbare riolering met een getotaliseerde maximale nominale pompcapaciteit hoger dan 10 m® per uur of bij gebrek aan pompcapaciteit met volumes hoger dan 10 m® per uur is in afwijking van artikel 4.2.1.1.1 geen heffing verschuldigd voor de lozing van het onttrokken grondwater uit de volgende grondwaterwinningen:
21° proefbemalingen gedurende minder dan één maand;
21° grondwaterwinningen voor het uitvoeren van proefpompingen die minder dan drie maanden in gebruik zijn;32° proefpompingen voor andere grondwaterwinningen dan bronbemalingen gedurende minder dan drie maanden;
32° bronbemalingen die ofwel:
4a) technisch nodig zijn voor de verwezenlijking van bouwkundige werken of voor de aanleg van openbare nutsvoorzieningen;
43° bronbemalingen die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
5a) ze zijn technisch noodzakelijk om werken te verwezenlijken of om nutsvoorzieningen aan te leggen;
5b) noodzakelijk zijn voor de exploitatie van tunnels voor openbare wegen en/of openbaar vervoer of voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;6b) ze zijn noodzakelijk voor de exploitatie van openbare wegen met inbegrip van tunnels of infrastructuur voor openbaar vervoer;
7c) ze zijn noodzakelijk voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;
6c) noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van gebouwen of bedrijfsterreinen mogelijk te maken of houden , op voorwaarde dat:8d) ze zijn noodzakelijk om het gebruik of de exploitatie van constructies of terreinen mogelijk te maken of te houden of om onderhoudswerken uit te voeren, op voorwaarde dat:
71) deze noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest opgesteld door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkendmet toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;91) de noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest dat is opgesteld door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend, met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
82) het hydrologisch attest, vermeld in punt 1), vóór 15 maart van elk heffingsjaar bij de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar is ingediend. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen met betrekking tot de minimale inhoud en de vorm van bedoeld hydrologisch attest;102) het hydrologisch attest, vermeld in punt 1), vóór 15 maart van elk heffingsjaar is ingediend bij de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of bij de ambtenaar die door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij is gedelegeerd. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen voor de minimale inhoud en de vorm van het hydrologisch attest, vermeld in punt 1);
114° spuiwater van grondwaterwinningen voor thermische energieopslag in watervoerende lagen dat niet afkomstig is van chemische regeneratie;
93° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van bouw- en weiland mogelijk te maken of te houden.125° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik of de exploitatie van gronden of terreinen mogelijk te maken of te houden.
10§ 2. In afwijking van artikel 4.2.1.1.1 is voor grondwaterwinningen gebruikt voor ondergrondse beluchting zoals bedoeld in indelingsrubriek 53.12 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM geen heffing verschuldigd voor het deel van het belucht grondwater dat teruggepompt wordt in dezelfde freatische watervoerende laag.13§ 2. In afwijking van artikel 4.2.1.1.1 is voor grondwaterwinningen gebruikt voor ondergrondse beluchting zoals bedoeld in indelingsrubriek 53.12 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM geen heffing verschuldigd voor het deel van het belucht grondwater dat teruggepompt wordt in dezelfde freatische watervoerende laag.
+13 −13 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.1.2.2
1In afwijking van artikel 4.2.1.2.1. is geen heffing grondwater verschuldigd voor de exploitatie van de volgende grondwaterwinningen:1In afwijking van artikel 4.2.1.2.1 van dit decreet, is geen heffing grondwater verschuldigd voor de exploitatie van de volgende grondwaterwinningen:
21° een grondwaterwinning waaruit het water uitsluitend met een handpomp wordt opgepompt;21° een grondwaterwinning waaruit het water uitsluitend met een handpomp wordt opgepompt;
32° een grondwaterwinning voor het uitvoeren van proefpompingen die minder dan drie maanden in gebruik is;32° proefpompingen voor andere grondwaterwinningen dan bronbemalingen gedurende minder dan drie maanden;
43° bronbemalingen die technisch nodig zijn voor :
5a) ofwel, de verwezenlijking van bouwkundige verwerkingen;
6b) ofwel, de aanleg van openbare nutsvoorzieningen;
74° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van bouw- en weiland mogelijk te maken of te houden;43° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik of de exploitatie van gronden of terreinen mogelijk te maken of te houden;
54° bronbemalingen die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
6a) ze zijn technisch noodzakelijk om werken te verwezenlijken of om nutsvoorzieningen aan te leggen;
85° bronbemalingen die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van tunnels voor openbare wegen en/of openbaar vervoer of voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;7b) ze zijn noodzakelijk voor de exploitatie van openbare wegen, met inbegrip van tunnels of infrastructuur voor openbaar vervoer;
8c) ze zijn noodzakelijk voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;
96° bronbemalingen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van gebouwen of bedrijfsterreinen mogelijk te maken of houden , op voorwaarde dat:9d) ze zijn noodzakelijk om het gebruik of de exploitatie van constructies of terreinen mogelijk te maken of te houden of om onderhoudswerken uit te voeren, op voorwaarde dat:
10a) deze noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest opgesteld door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkendmet toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;101) de noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest dat is opgesteld door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend, met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
11b) het hydrologisch attest, bepaald in a), vóór 15 maart van elk heffingsjaar bij de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar is ingediend. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen met betrekking tot de minimale inhoud en de vorm van bedoeld hydrologisch attest;112) het hydrologisch attest, vermeld in punt 1), vóór 15 maart van elk heffingsjaar is ingediend bij de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of bij de ambtenaar die door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij is gedelegeerd. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen voor de minimale inhoud en de vorm van het hydrologisch attest, vermeld in punt 1);
127° grondwaterwinningen die gebruikt worden voor koude-warmtepompen, op voorwaarde dat het grondwater na doorstroming van de koude-warmtepomp integraal terug in dezelfde watervoerende laag wordt ingebracht;125° grondwaterwinningen voor thermische energieopslag in watervoerende lagen, op voorwaarde dat het grondwater na doorstroming van de koude-warmte-pomp integraal opnieuw in dezelfde watervoerende laag wordt ingebracht;
138° grondwaterwinningen in het kader van bodemsaneringswerken, waarvoor een conformiteitattest werd afgeleverd conform het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsaneringof het Bodemdecreet van 27 oktober 2006;136° grondwaterwinningen in het kader van bodemsaneringswerken, waarvoor een conformiteitattest is uitgereikt conform artikel 17 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, zoals van kracht vóór 1 juni 2008, of artikel 50 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006;
149° het deel van het belucht grondwater van grondwaterwinningen gebruikt voor ondergrondse beluchting zoals bedoeld in indelingsrubriek 53.12 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREMdat teruggepompt wordt in dezelfde freatische watervoerende laag.147° het deel van het beluchte grondwater van grondwaterwinningen dat wordt gebruikt voor ondergrondse beluchting als vermeld in de indelingsrubriek 53.12 van bijlage 1 bij titel II van VLAREM, dat teruggepompt wordt in dezelfde freatische watervoerende laag.
+113 −137 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. Bijlage 6
1Bijlage 61Bijlage 6
2I. Laagfactor2Tabel I. Laagfactor
3Code3code
4Hydrogeologische hoofdeenheid4hydrogeologische hoofdeenheid
5laagfactor5laagfactor
60100
6A0100
7Quartaire aquifersystemen7Quartaire aquifersystemen
8181
90200
9A0200
10Kempens aquifersysteem10Kempens aquifersysteem
111111
120300
12A0300
13Boom aquitard13Boom aquitard
141141
150400
15A0400
16Oligoceen aquifersysteem16Oligoceen aquifersysteem
171171
180500
18A0500
19Bartoon aquitardsysteem19Bartoon aquitardsysteem
201201
210600
21A0600
22Ledo -Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem22Ledo Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem
231231
240700
24A0700
25Paniseliaan aquitard25Paniseliaan aquitardsysteem
261261
270800
27A0800
28Ieperiaan aquifer28Ieperiaan aquifersysteem
291291
300900
30A0900
31Ieperiaan aquitardsysteem31Ieperiaan aquitardsysteem
321321
331000
33A1000
34Paleoceen aquifersysteem34Paleoceen aquifersysteem
351351
361100
36A1100
37Krijt aquifersysteem37Krijt aquifersysteem
381381
391200
39A1200
40Jura Trias Perm40Jura - Trias - Perm
411411
421300
42A1300
43Sokkel43Sokkel
441441
45II. Gebiedsfactor45Tabel II. Gebiedsfactor
46Code gebied46code gebied
47Hydrogeologische hoofdeenheid47hydrogeologische hoofdeenheid
48Zone48zone
49Gebiedsfactor heffingsjaar 2018
50Jaarlijkse toename van de factor tot en met heffingsjaar 2023
49Huidige gebiedsfactor
510100_niet-afgesloten50A0100_niet-afgesloten
520100
51A0100
53Quartaire aquifersystemen52Quartaire aquifersystemen
541,28531,43625
550,03125
560200_niet-afgesloten54A0200_niet-afgesloten
570200
55A0200
58Kempens aquifersysteem56Kempens aquifersysteem
591,28571,43625
600,03125
610400_niet-afgesloten58A0400_niet-afgesloten
620400
59A0400
63Nietafgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem60Niet-afgesloten delen van het Oligoceen aquifersysteem
641,28611,43625
650,03125
660400_ afgesloten62A0400_ afgesloten
670400
63A0400
68Afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem buiten het actiegebied64Afgesloten delen van het Oligoceen aquifersysteem buiten het actiegebied
691,81
700,0625
652,1225
710400_actiegebied66A0400_actiegebied
720400
67A0400
73Actiegebied in het afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem68Actiegebied in het afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem
743,72
750,21875
694,81375
760600_niet-afgesloten70A0600_niet-afgesloten
770600
71A0600
78Nietafgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem72Niet-afgesloten delen van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem
791,28731,43625
800,03125
810600_ afgesloten74A0600_ afgesloten
820600
75A0600
83Afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem 76Afgesloten delen van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem buiten het actiegebied
841,81
850,0625
772,1225
860600_actiegebied78A0600_actiegebied
870600
79A0600
88Actiegebied in het afgesloten deel van het Ledo -Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem80Actiegebied in het afgesloten deel van het Ledo Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem
892,63
900,125
813,255
910800_niet-afgesloten82A0800_niet-afgesloten
920800
83A0800
93Nietafgesloten deel van de Ieperiaan aquifer84Niet-afgesloten delen van de Ieperiaan aquifersysteem
941,28851,43625
950,03125
960800_ afgesloten86A0800_ afgesloten
970800
87A0800
98Afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer88Afgesloten delen van de Ieperiaan aquifersysteem buiten het actiegebied
991,81
1000,0625
892,1225
1010800_actiegebied90A0800_actiegebied
1020800
91A0800
103Actiegebied in de Ieperiaan Aquifer92Actiegebied in het Ieperiaan Aquifersysteem
1042,63
1050,125
933,255
1061000_niet-afgesloten94A1000_niet-afgesloten
1071000
95A1000
108Nietafgesloten deel van het Paleoceen Aquifersysteem96Niet-afgesloten delen van het Paleoceen Aquifersysteem
1091,28971,43625
1100,03125
1111000_ afgesloten98A1000_ afgesloten
1121000
99A1000
113Afgesloten deel van het Paleoceen Aquifersysteem 100Afgesloten delen van het Paleoceen Aquifersysteem buiten de actiegebieden
1141,81
1150,0625
1161000_actiegebied_4
1171000
118Actiegebied 4 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1191,81
1200,0625
1211000_actiegebied_3
1221000
123Actiegebied 3 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1242,631012,1225
1250,125
1261000_actiegebied_2
1271000
128Actiegebied 2 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1295,38
1300,375
1311000_actiegebied_1102A1000_actiegebied_1
1321000
103A1000
133Actiegebied 1 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem104Actiegebied 1 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1345,38
1350,375
1057,255
106A1000_actiegebied_2
107A1000
108Actiegebied 2 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1097,255
110A1000_actiegebied_3
111A1000
112Actiegebied 3 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1133,255
114A1000_actiegebied_4
115A1000
116Actiegebied 4 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1172,1225
1361100_niet-afgesloten118A1100_niet-afgesloten
1371100+1300
119A1100+A1300
138Nietafgesloten deel van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel120Niet-afgesloten delen van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel
1391,281211,43625
1400,03125
1411100_afgesloten122A1100_afgesloten
1421100+1300
123A1100+A1300
143Afgesloten deel van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel 124Afgesloten delen van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel buiten de actiegebieden
1441,81
1450,0625
1461300_actiegebied_4
1471100+1300
148Actiegebied 4 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
1491,81
1500,0625
1511300_actiegebied_3
1521100+1300
1252,1225
126A1300_actiegebied_1
127A1100+A1300
153Actiegebied 3 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem128Actiegebied 1 in het Krijt Aquifer-systeem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
1542,63
1550,125
1297,255
1561300_actiegebied_2130A1300_actiegebied_2
1571100+1300
131A1100+A1300
158Actiegebied 2 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem132Actiegebied 2 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
1595,38
1600,375
1611300_actiegebied_1
1621100+1300
1337,255
134A1300_actiegebied_3
135A1100+A1300
163Actiegebied 1 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem136Actiegebied 3 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
1645,38
1650,375
1373,255
138A1300_actiegebied_4
139A1100+A1300
140Actiegebied 4 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
1412,1225
166De gebiedsfactor is in de overige zones gelijk aan de gebiedsfactor van het gebied met code 0100_niet-afgesloten.142De gebiedsfactor is in de overige zones gelijk aan de gebiedsfactor van het gebied met code A0100_niet afgesloten.
167De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast.143De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast.
+1 −0 decreet-2018-03-09/art. 98/1 nieuw
1In afwijking van artikel 100, 101, 102, 114, §2, 115, §1, 117, §1, 118 en 130, §2, kan een schoolbestuur in het schooljaar 2026-2027 geen nieuwe academies, domeinen en structuuronderdelen oprichten en geen nieuwe onderwijsbevoegdheid verkrijgen voor clusters van opties, clusters van muziekinstrumenten, een unieke optie of een uniek muziekinstrument.
+24 −6 decreet-1995-04-05/art. 10.2.5
1§1. De Vlaamse Milieumaatschappij kan beschikken over de volgende ontvangsten:1§1. De Vlaamse Milieumaatschappij kan beschikken over de volgende ontvangsten:
21° dotaties;21° dotaties;
32° leningen;32° leningen;
19e) het aandeel van mede-opdrachtgevende overheden in projecten inzake waterhuishouding waar de Vlaamse Milieumaatschappij conform de regelgeving overheidsopdrachten in het kader van een samengevoegde opdracht optreedt als aanbestedende overheid en het aandeel van de mede-opdrachtgevende overheden voorfinanciert;19e) het aandeel van mede-opdrachtgevende overheden in projecten inzake waterhuishouding waar de Vlaamse Milieumaatschappij conform de regelgeving overheidsopdrachten in het kader van een samengevoegde opdracht optreedt als aanbestedende overheid en het aandeel van de mede-opdrachtgevende overheden voorfinanciert;
2014° de bijdragen van de natuurlijke of rechtspersonen naar privaat of publiek recht die door hun activiteiten de schade bedoeld bij het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer kunnen veroorzaken of verergeren en ten aanvullende titel door leningen op korte termijn waaraan de Vlaamse Regering de gewestwaarborg kan hechten. De Vlaamse Regering bepaalt het aandeel van elk soort inkomsten en de criteria om te bepalen wie bijdrageplichtig is, het bedrag en de modaliteiten van de inning.2014° de bijdragen van de natuurlijke of rechtspersonen naar privaat of publiek recht die door hun activiteiten de schade bedoeld bij het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer kunnen veroorzaken of verergeren en ten aanvullende titel door leningen op korte termijn waaraan de Vlaamse Regering de gewestwaarborg kan hechten. De Vlaamse Regering bepaalt het aandeel van elk soort inkomsten en de criteria om te bepalen wie bijdrageplichtig is, het bedrag en de modaliteiten van de inning.
21§2. Tenzij anders is bepaald in een decreet worden de ontvangsten, bedoeld in § 1, beschouwd als ontvangsten die bestemd zijn voor de gezamenlijke uitgaven.21§2. Tenzij anders is bepaald in een decreet worden de ontvangsten, bedoeld in § 1, beschouwd als ontvangsten die bestemd zijn voor de gezamenlijke uitgaven.
22In afwijking van het eerste lid zijn de in paragraaf 1, 13° en 14°, genoemde ontvangsten te beschouwen als toegewezen ontvangsten. Zij mogen aangewend worden in het kader van het beleid inzake de waterhuishouding, en voor de Polders en Wateringen, met uitzondering evenwel van de loon- en werkingskosten van de Vlaamse Milieumaatschappij.22In afwijking van het eerste lid zijn de in paragraaf 1, 13° en 14°, genoemde ontvangsten te beschouwen als toegewezen ontvangsten. Zij mogen aangewend worden in het kader van het beleid inzake de waterhuishouding, en voor de Polders en Wateringen, met uitzondering evenwel van de loon- en werkingskosten van de Vlaamse Milieumaatschappij.
23§3. De Vlaamse Milieumaatschappij kan schenkingen of legaten aanvaarden. Het hoofd van het agentschap beoordeelt vooraf de opportuniteit en de risico's van de aanvaarding.23§3. De Vlaamse Milieumaatschappij kan schenkingen of legaten aanvaarden. Het hoofd van het agentschap beoordeelt vooraf de opportuniteit en de risico's van de aanvaarding.
24§4. De Vlaamse Milieumaatschappij kan de kennis die ze heeft opgedaan bij de uitvoering van haar missie en taken te gelde maken in het binnen- en buitenland.24§4. De Vlaamse Milieumaatschappij kan de kennis die ze heeft opgedaan bij de uitvoering van haar missie en taken te gelde maken in het binnen- en buitenland.
25§5. 1° Bij de Vlaamse Milieumaatschappij wordt een Fonds voor de Waterhuishouding opgericht;25§5. 1° Bij de Vlaamse Milieumaatschappij wordt een Fonds voor de Waterhuishouding opgericht;
262° het Fonds voor de Waterhuishouding wordt gestijfd door de in § 1, 13° en 14°, vermelde ontvangsten;262° het Fonds voor de Waterhuishouding wordt gestijfd door de in § 1, 13° en 14°, vermelde ontvangsten;
273° het per 12 mei 2006 beschikbaar saldo en de op die datum nog openstaande vorderingen, verbintenissen en verplichtingen van het Fonds voor de Waterhuishouding opgericht bij decreet van 22 november 1995, artikel 17, worden overgedragen naar het Fonds voor de Waterhuishouding, opgericht bij dit decreet;273° het per 12 mei 2006 beschikbaar saldo en de op die datum nog openstaande vorderingen, verbintenissen en verplichtingen van het Fonds voor de Waterhuishouding opgericht bij decreet van 22 november 1995, artikel 17, worden overgedragen naar het Fonds voor de Waterhuishouding, opgericht bij dit decreet;
283°/1 het per 12 mei 2006 beschikbaar saldo en de op die datum nog openstaande vorderingen, verbintenissen en verplichtingen van het Schadefonds opgericht bij decreet van 24 januari 1984 en gewijzigd bij decreet van 12 december 1990, worden overgedragen naar het Fonds voor de Waterhuishouding, opgericht bij dit decreet;283°/1 het per 12 mei 2006 beschikbaar saldo en de op die datum nog openstaande vorderingen, verbintenissen en verplichtingen van het Schadefonds opgericht bij decreet van 24 januari 1984 en gewijzigd bij decreet van 12 december 1990, worden overgedragen naar het Fonds voor de Waterhuishouding, opgericht bij dit decreet;
294° de middelen van het Fonds voor de Waterhuishouding kunnen aangewend worden voor al wat dienen kan in het raam van het beleid inzake waterhuishouding, en voor de polders en de wateringen, met uitzondering evenwel van de loon- en werkingskosten van de Vlaamse Milieumaatschappij.294° de middelen van het Fonds voor de Waterhuishouding kunnen aangewend worden voor al wat dienen kan in het raam van het beleid inzake waterhuishouding, en voor de polders en de wateringen, met uitzondering evenwel van de loon- en werkingskosten van de Vlaamse Milieumaatschappij.
30§ 6. ...
30§6. Aan de Vlaamse Milieumaatschappij wordt een retributie, vermeld in paragraaf 1, 4°, betaald om metingen, simulaties en analyses uit te voeren voor schrootbedrijven met een GPBV-shredderinstallatie (Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging).
31Een dergelijke retributie wordt betaald als de metingen, simulaties en analyses die de Vlaamse Millieumaatschappij uitvoert, kaderen binnen:
321° verplichtingen die zijn opgelegd aan de schrootbedrijven met een GPBV-shredderinstallatie met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
332° verplichtingen die zijn opgelegd aan de schrootbedrijven met een GPBV-shredderinstallatie in de omgevingsvergunning die aan het schrootbedrijf is verleend om een ingedeelde inrichting of activiteit te exploiteren.
34De retributie, vermeld in het eerste lid, bij een shredderinstallatie met één meetlocatie bedraagt 15.480,39 euro per jaar, exclusief btw, als eenheidsprijs.
35Het bedrag, vermeld in het derde lid, dekt al de volgende elementen:
361° de monstername, inclusief controlebezoeken op één meetlocatie;
372° de analysekosten voor één meetlocatie, met inbegrip van de gedeelde kosten voor de analyse van veldblanco’s en duplo’s;
383° de bijdrage aan de Vlaamse Milieumaatschappij voor administratieve verwerking, rapportering en bijbehorende taken.
39De analyse en rapportering van de meetdata gebeuren op kwartaalbasis. Als een shredderinstallatie gedurende drie opeenvolgende kalenderjaren onder de toepasselijke jaardrempel blijft, volstaat het om nadien een controlecampagne uit te voeren van één kwartaal.
40Als een shredderinstallatie beschikt over twee meetlocaties, wordt op de jaarlijkse eenheidsprijs, vermeld in het derde lid, een supplement toegepast van 4035,00 euro per jaar, of 1008,75 euro per kwartaal, exclusief btw.
41Eventuele prijsstijgingen in de kostprijs van het externe laboratorium worden doorgerekend aan de bedrijven, vermeld in het eerste lid. Vóór de prijsstijgingen worden toegepast, brengt de Vlaamse Milieumaatschappij de bedrijven, vermeld in het eerste lid, op de hoogte van die prijsstijgingen.
42Het bedrijf dat een beroep doet op de Vlaamse Milieumaatschappij om de metingen, simulaties en analyses te laten uitvoeren, stort de verschuldigde retributie nadat het de factuur heeft gekregen, op het rekeningnummer van de Vlaamse Milieumaatschappij met vermelding van de naam van het bedrijf en het inkoop-nummer van de factuur.
43Het bedrag van de retributie wordt jaarlijks aangepast op basis van de evolutie van de gezondheidsindex volgens de volgende formulering:
44Ph = Pa * Ih / Ia
45waarbij Ph = aanvankelijke prijs
46Pa = gezondheidsindex op 1 januari 2024
47Ih = gezondheidsindex op 1 januari 2024
48Ia = gezondheidsindex op 1 januari van facturatie.
+1 −0 decreet-2023-07-14/art. 83
8De vastgoedmakelaar vermeldt bij het voeren van publiciteit en het opmaken van onderhandse overeenkomsten de gegevens die een impact hebben op het over te dragen goed of de zakelijke rechten die daaraan verbonden zijn, met weglating van eventuele persoonsgegevens.8De vastgoedmakelaar vermeldt bij het voeren van publiciteit en het opmaken van onderhandse overeenkomsten de gegevens die een impact hebben op het over te dragen goed of de zakelijke rechten die daaraan verbonden zijn, met weglating van eventuele persoonsgegevens.
9§6. De toegang, vermeld in paragraaf 1 en 2, vereist een voorafgaandelijk protocol als vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer. Voor de toegang, vermeld in paragraaf 4, en de toegang van vastgoedmakelaars, vermeld in paragraaf 5, volstaat een voorafgaandelijk protocol met respectievelijk de Federatie van Notarissen en het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars.9§6. De toegang, vermeld in paragraaf 1 en 2, vereist een voorafgaandelijk protocol als vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer. Voor de toegang, vermeld in paragraaf 4, en de toegang van vastgoedmakelaars, vermeld in paragraaf 5, volstaat een voorafgaandelijk protocol met respectievelijk de Federatie van Notarissen en het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars.
10De Vlaamse Regering kan de consultatie van het maatregelenregister, vermeld in artikel 81, eerste lid, door de instrumenterende ambtenaar, vermeld in paragraaf 4, en de vastgoedmakelaar, vermeld in paragraaf 5, afhankelijk stellen van het betalen van een retributie.
10Onverminderd de sanctie bepaald in artikel 103 van dit decreet, kan het gebruik van de toegang tot het maatregelenregister voor andere doeleinden dan vermeld in het eerste lid, ertoe leiden dat verdere toegang wordt ontzegd aan de betrokkenen.11Onverminderd de sanctie bepaald in artikel 103 van dit decreet, kan het gebruik van de toegang tot het maatregelenregister voor andere doeleinden dan vermeld in het eerste lid, ertoe leiden dat verdere toegang wordt ontzegd aan de betrokkenen.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd