Decreet over het onderwijs XXXV
69 artikels gewijzigd
| 4 | b) nieuwe bachelor- of masteropleidingen overeenkomstig artikel II.153, §3; | 4 | b) nieuwe bachelor- of masteropleidingen overeenkomstig artikel II.153, §3; |
| 5 | 2° een oordeel uit te brengen over het aanbieden van een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig artikel II.263; | 5 | 2° een oordeel uit te brengen over het aanbieden van een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig artikel II.263; |
| 6 | 3° een oordeel uit te brengen over een vrijstelling van een equivalentievoorwaarde voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig artikel II.264; | ||
| 7 | 4° een oordeel uit te brengen over een afwijking op de voorwaarde tot het aanbieden van een equivalente opleiding overeenkomstig artikel II.268; | ||
| 6 | 3° ...; | ||
| 7 | 4° ...; | ||
| 8 | 5° ...; | 8 | 5° ...; |
| 9 | 6° ...; | 9 | 6° ...; |
| 1 | De bacheloren masteropleidingen die worden geselecteerd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi- of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, worden niet beschouwd als nieuwe opleidingen zoals bedoeld in artikel II.150. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. Deze worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar volgend op het laatste academiejaar van de Europese erkenning of tot en met het einde van het tweede academiejaar na de verlenging van de Europese erkenning. De duur van de overgangsaccreditatie kan nooit meer dan 7 academiejaren zijn. | 1 | De bacheloren masteropleidingen die worden geselecteerd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi- of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, worden niet beschouwd als nieuwe opleidingen zoals bedoeld in artikel II.150. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. Die opleidingen worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang die voor de opleiding in kwestie is bepaald, voor de eerste keer volledig is doorlopen sinds de deelname van de Vlaamse instelling aan die opleiding. |
| 2 | Het instellingsbestuur kan de inschrijving voor een bacheloren masteropleiding die geselecteerd werd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multiof gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid van de student om deze opleiding te volgen. | 2 | Het instellingsbestuur kan de inschrijving voor een bacheloren masteropleiding die geselecteerd werd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multiof gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid van de student om deze opleiding te volgen. |
| 3 | Een bachelor of masteropleiding die kadert binnen een ‘European Universities Initiative’ dat als pilootproject in 2019 of 2020 is goedgekeurd, of de verlengingen daarvan, wordt geacht een opleiding te zijn die is geselecteerd conform de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld als vermeld in het eerste lid. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. De voormelde opleidingen starten uiterlijk in het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin het pilootproject afloopt of waarin de verlengingen van het pilootproject aflopen. In afwijking van het eerste lid, worden deze opleidingen geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang bepaald voor de desbetreffende opleiding voor de eerste keer geheel doorlopen werd. | 3 | Een bachelor of masteropleiding die kadert binnen een ‘European Universities Initiative’ dat als pilootproject in 2019 of 2020 is goedgekeurd, of de verlengingen daarvan, wordt geacht een opleiding te zijn die is geselecteerd conform de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld als vermeld in het eerste lid. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. De voormelde opleidingen starten uiterlijk in het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin het pilootproject afloopt of waarin de verlengingen van het pilootproject aflopen. Die opleidingen worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang die voor de opleiding in kwestie is bepaald, voor de eerste keer volledig is doorlopen. |
| 44 | 6° in voorkomend geval de specificatie van de graad, vermeld in artikel II.77; | 44 | 6° in voorkomend geval de specificatie van de graad, vermeld in artikel II.77; |
| 45 | 7° in voorkomend geval de bijkomende titel die de houder van het diploma kan voeren, vermeld in artikel II.76; | 45 | 7° in voorkomend geval de bijkomende titel die de houder van het diploma kan voeren, vermeld in artikel II.76; |
| 46 | 8° de vermelding van de onderwijstaal van de opleiding. | 46 | 8° de vermelding van de onderwijstaal van de opleiding; |
| 47 | 9° in voorkomend geval de afstudeerrichtingen binnen de opleiding. | ||
| 47 | Voor de bachelor- en de masteropleidingen geeft de eerste lijst de situatie weer van het academiejaar 2018-2019, voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs de situatie van het academiejaar 2019-2020. | 48 | Voor de bachelor- en de masteropleidingen geeft de eerste lijst de situatie weer van het academiejaar 2018-2019, voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs de situatie van het academiejaar 2019-2020. |
| 48 | De Vlaamse Regering past als een gevolg van de volgende beslissingen of besluiten de lijst met de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en de bachelor- en masteropleidingen die de universiteiten en hogescholen aanbieden, jaarlijks aan: | 49 | De Vlaamse Regering past als een gevolg van de volgende beslissingen of besluiten de lijst met de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en de bachelor- en masteropleidingen die de universiteiten en hogescholen aanbieden, jaarlijks aan: |
| 5 | 2° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 2024-2025; | 5 | 2° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 2024-2025; |
| 6 | 2°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025; | 6 | 2°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025; |
| 7 | 2°/2 een diploma van secundair onderwijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs tot en met het schooljaar 2025-2026; | ||
| 7 | 3° een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie van minimaal 900 lestijden; | 8 | 3° een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie van minimaal 900 lestijden; |
| 8 | 4° een certificaat van een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs van minimaal 900 lestijden; | 9 | 4° een certificaat van een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs van minimaal 900 lestijden; |
| 2 | 1° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 2024-2025; | 2 | 1° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 2024-2025; |
| 3 | 1°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025; | 3 | 1°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025; |
| 4 | 1°/2 een diploma van secundair onderwijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs tot en met het schooljaar 2025-2026; | ||
| 4 | 2° een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan; | 5 | 2° een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan; |
| 5 | 3° een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie, met uitzondering van het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid, of | 6 | 3° een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie, met uitzondering van het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid, of |
| 8 | 3° de gezamenlijk georganiseerde equivalente opleidingen die van de Commissie Hoger Onderwijs de toelating hebben gekregen om het volgen van de onderwijsactiviteiten te spreiden over meer dan 1 vestiging. De aanvragen tot afwijking worden door de Commissie Hoger Onderwijs behandeld overeenkomstig de procedure beschreven in artikel II.263; | 8 | 3° de gezamenlijk georganiseerde equivalente opleidingen die van de Commissie Hoger Onderwijs de toelating hebben gekregen om het volgen van de onderwijsactiviteiten te spreiden over meer dan 1 vestiging. De aanvragen tot afwijking worden door de Commissie Hoger Onderwijs behandeld overeenkomstig de procedure beschreven in artikel II.263; |
| 9 | 4° de equivalente opleiding master in de ingenieurswetenschappen : biomedische ingenieurstechnieken, gezamenlijk aangeboden door de Universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel. | 9 | 4° de equivalente opleiding master in de ingenieurswetenschappen : biomedische ingenieurstechnieken, gezamenlijk aangeboden door de Universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel. |
| 10 | De instelling kan in het kader van de procedure, vermeld in artikel II.264, een vrijstelling van de equivalentievoorwaarde aanvragen. | ||
| 4 | 2° in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft zoals vermeld in artikel II.150, samen met het aanvraagdossier macrodoelmatigheid nieuwe opleiding zoals vermeld in artikel II.153, § 2. | 4 | 2° in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft zoals vermeld in artikel II.150, samen met het aanvraagdossier macrodoelmatigheid nieuwe opleiding zoals vermeld in artikel II.153, § 2. |
| 5 | §2. De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit op basis van de volgende criteria waaraan cumulatief voldaan moet worden : | 5 | §2. De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit op basis van de volgende criteria waaraan cumulatief voldaan moet worden : |
| 6 | 1° binnen de Vlaamse Gemeenschap wordt een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding aangeboden als vermeld in artikel II.262, § 2, tenzij er een positief oordeel is van de Commissie Hoger Onderwijs of een positieve beslissing van de Vlaamse Regering over de vrijstelling van de equivalentievoorwaarde, vermeld in artikel II.264; | 6 | 1° binnen de Vlaamse Gemeenschap wordt een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding aangeboden als vermeld in artikel II.262, § 2; |
| 7 | 2° de aanwezigheid van voldoende garanties inzake kwaliteit en democratisering, vermeld in artikel II.270 en II.271; | 7 | 2° de aanwezigheid van voldoende garanties inzake kwaliteit en democratisering, vermeld in artikel II.270 en II.271; |
| 8 | 3° de aanwezigheid van een verantwoording die de meerwaarde voor de student en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding aantoont; | 8 | 3° de aanwezigheid van een verantwoording die de meerwaarde voor de student en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding aantoont; |
| 1 | § 1. Een instelling of meerdere instellingen samen kan/kunnen bij de Commissie Hoger Onderwijs een aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde indienen voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding. Deze aanvraag, samen met het bijhorende dossier, wordt bij de Commissie Hoger Onderwijs ingediend: | ||
| 2 | 1° samen met de aanvraag voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig de voorschriften vastgelegd in artikel II.263; ofwel | ||
| 3 | 2° in het geval van een bestaande equivalente opleiding uiterlijk op 1 oktober van het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar waarop de instelling(en) de betrokken equivalente opleiding wil(len) stopzetten. Het aanvraagdossier stelt de Commissie Hoger Onderwijs in staat de toetsing aan de criteria, vermeld in paragraaf 2, uit te voeren. | ||
| 4 | Samen met het aanvraagdossier wordt aan de Commissie Hoger Onderwijs een advies bezorgd van de VLIR, voor de aanvragen van de universiteiten, of de VLHORA, voor de aanvragen van de hogescholen, over de gevraagde vrijstelling van de equivalentievoorwaarde. Als het advies van de VLIR of de VLHORA niet opgenomen is in het aanvraagdossier dat aan de Commissie Hoger Onderwijs wordt bezorgd, verklaart de Commissie Hoger Onderwijs de aanvraag voor de opleiding in kwestie onontvankelijk. De Commissie Hoger Onderwijs kan binnen een termijn van 15 dagen aan de VLIR of de VLHORA verduidelijkingen vragen over het door hen geleverde advies. | ||
| 5 | § 2. De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit over de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde op basis van de volgende criteria, waaraan cumulatief voldaan moet worden : | ||
| 6 | 1° de anderstalige opleiding is internationaal georiënteerd, doordat : | ||
| 7 | a) het beheersen van algemene en specifieke beroepsgerichte competenties, samen met de vakinhoudelijke competenties niet kan worden bereikt in een Nederlandstalige opleiding; | ||
| 8 | b) de afgestudeerden in hoofdzaak op de internationale arbeidsmarkt terechtkomen; | ||
| 9 | 2° de opleiding heeft geen betrekking op het erfgoed van de Nederlandse taal of cultuur, of de afgestudeerden van de opleiding komen niet in hoge mate in aanraking met Nederlandstalige burgers; | ||
| 10 | 3° de aanwezige expertise en capaciteit in Vlaanderen is te beperkt om een dubbel aanbod te creëren. | ||
| 11 | In het geval het een aanvraag als vermeld in artikel II.264, § 1, eerste lid, 2°, betreft, geldt naast de criteria, vermeld in het eerste lid, als bijkomend criterium dat het aantal studenten in de Nederlandstalige opleiding onvoldoende is om een dubbel aanbod te creëren. | ||
| 12 | De Commissie Hoger Onderwijs onderzoekt expliciet alle criteria, omschrijft per criterium haar bevindingen, antwoordt op alle argumenten die worden aangebracht in het aanvraagdossier en in het advies van de VLIR de VLHORA, en motiveert haar positieve of negatieve oordeel over het ingediende dossier. | ||
| 13 | § 3. De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel uit : | ||
| 14 | 1° als de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met een aanvraag van een anderstalige opleiding voor een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding : samen met het oordeel, vermeld in artikel II.263, § 3, eerste lid, 1° ; | ||
| 15 | 2° als de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met een aanvraag van een anderstalige opleiding voor een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding : samen met het oordeel, vermeld in artikel II.263, § 3, eerste lid, 2° ; | ||
| 16 | 3° als de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde betrekking heeft op de afbouw of stopzetting van een bestaande equivalente opleiding : uiterlijk op 31 januari van het academiejaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de equivalente opleiding wordt afgebouwd of stopgezet. | ||
| 17 | De Commissie Hoger Onderwijs bezorgt haar oordeel aan het instellingsbestuur en aan de Vlaamse Regering. | ||
| 18 | Bij een negatief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs kan de instelling binnen een vervaltermijn van 15 dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de beslissing van de Commissie Hoger Onderwijs, beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering neemt een beslissing binnen een vervaltermijn van 30 dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het beroepschrift. | ||
| 19 | Bij een positief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs, tenzij de Vlaamse Regering binnen een vervaltermijn van 45 dagen, die ingaat op de dag waarop de Commissie Hoger Onderwijs haar oordeel aan de Vlaamse Regering bezorgt, alsnog negatief oordeelt, of bij een positieve beslissing van de Vlaamse Regering, wordt voor de anderstalige bachelor- of masteropleiding die in het aanvraagdossier is vermeld, van rechtswege een vrijstelling van equivalentie verleend : | ||
| 20 | 1° in het geval het een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding betreft : na het positief doorlopen van de procedure, vermeld in artikel II.263; | ||
| 21 | 2° in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft : na het positief doorlopen van de programmatieprocedure, vermeld in artikel II.153. | ||
| 22 | Als de Commissie Hoger Onderwijs geen oordeel velt uiterlijk op de data, vermeld in deze paragraaf, of als de Vlaamse Regering geen beslissing neemt naar aanleiding van een beroepschrift op de momenten, vermeld in deze paragraaf, wordt het oordeel of de beslissing geacht negatief te zijn. |
| 4 | 3° onderzoeksmasters, vermeld in artikel II.157. | 4 | 3° onderzoeksmasters, vermeld in artikel II.157. |
| 5 | Voor de opleidingen, vermeld in punt 1° en 2°, loopt deze afwijking door wanneer de opleiding na afloop van de erkenning wordt voortgezet. | 5 | Voor de opleidingen, vermeld in punt 1° en 2°, loopt deze afwijking door wanneer de opleiding na afloop van de erkenning wordt voortgezet. |
| 6 | §2. In afwijking van artikel II.262, §2, kan de Vlaamse Regering een lijst opstellen van anderstalige initiële bachelor- of masteropleidingen of van anderstalige afstudeerrichtingen van initiële bachelor- of masteropleidingen die in het kader van een School of Arts worden aangeboden, waarbij niet moet voorzien worden in een equivalente opleiding. | ||
| 7 | §3. In afwijking van artikel II.262, §2, kan een instelling voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding die gezamenlijk wordt georganiseerd met een instelling buiten de Vlaamse Gemeenschap een afwijking van de equivalentieregel vragen bij de Vlaamse Regering. De instelling dient daartoe een aanvraag in uiterlijk op 1 maart van het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar dat de instelling de gezamenlijke anderstalige opleiding voor het eerst wil organiseren. In het aanvraagdossier geeft de instelling duidelijk aan dat de gezamenlijke anderstalige opleiding een gezamenlijk programma bevat, bekrachtigd wordt met een gezamenlijk diploma en dat de expertise van de opleidingsonderdelen die buiten de Vlaamse Gemeenschap georganiseerd worden, niet in Vlaamse Gemeenschap aanwezig is. De Vlaamse Regering neemt een beslissing uiterlijk op 1 juni van hetzelfde academiejaar. | ||
| 6 | §2. ... | ||
| 7 | §3. ... | ||
| 6 | Voor de berekening van de grenzen van 18,33% c.q. 50% worden de opleidingsonderdelen vermeld in artikel II.261, §2, 1° en 3°, niet meegerekend. | 6 | Voor de berekening van de grenzen van 18,33% c.q. 50% worden de opleidingsonderdelen vermeld in artikel II.261, §2, 1° en 3°, niet meegerekend. |
| 7 | §3. Vanaf het academiejaar volgend op het academiejaar waarin de resultaten van de evaluatie beschikbaar zijn, moet de instelling een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding aanbieden. Deze equivalente opleiding komt gedurende 3 academiejaren niet in aanmerking als enige equivalente opleiding in de Vlaamse Gemeenschap, als vermeld in artikel II.262. | 7 | §3. Vanaf het academiejaar volgend op het academiejaar waarin de resultaten van de evaluatie beschikbaar zijn, moet de instelling een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding aanbieden. Deze equivalente opleiding komt gedurende 3 academiejaren niet in aanmerking als enige equivalente opleiding in de Vlaamse Gemeenschap, als vermeld in artikel II.262. |
| 8 | Van deze voorwaarde kan afgeweken worden als de Commissie Hoger Onderwijs, op basis van een aanvraag van de instelling, oordeelt dat een dergelijke curriculumopbouw in de toekomst niet langer mogelijk is | ||
| 9 | De eerste evaluatie heeft betrekking op de afgestudeerden in het academiejaar 2013-2014 voor de masteropleidingen met een studieomvang van 60 studiepunten en op de afgestudeerden in het academiejaar 2014-2015 voor de masteropleidingen met een studieomvang van meer dan 60 studiepunten. Voor de bacheloropleidingen heeft de eerste evaluatie betrekking op de afgestudeerden in het academiejaar 2015-2016. | 8 | De eerste evaluatie heeft betrekking op de afgestudeerden in het academiejaar 2013-2014 voor de masteropleidingen met een studieomvang van 60 studiepunten en op de afgestudeerden in het academiejaar 2014-2015 voor de masteropleidingen met een studieomvang van meer dan 60 studiepunten. Voor de bacheloropleidingen heeft de eerste evaluatie betrekking op de afgestudeerden in het academiejaar 2015-2016. |
| 1 | Indien de student-stagiair bij de uitvoering van zijn stage de stagegever of derden schade berokkent, is hij, met behoud van toepassing van artikel 1384, derde tot en met het vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek, enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is de student-stagiair enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt. | 1 | Indien de student-stagiair bij de uitvoering van zijn stage de stagegever of derden schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is de student-stagiair enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt. |
| 2 | De aansprakelijkheid van de vader en de moeder in de zin van artikel 1384, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek geldt enkel wanneer een minderjarige student-stagiair overeenkomstig de hier voormelde gevallen persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld. | ||
| 2 | De aansprakelijkheid van titularissen van het gezag over de persoon van minderjarigen, vermeld in artikel 6.12 van het Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als een minderjarige student-stagiair conform de gevallen, vermeld in het eerste lid, persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld. De aansprakelijkheid van personen belast met het toezicht op anderen, vermeld in artikel 6.13 van het Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als de student-stagiair conform de gevallen, vermeld in het eerste lid, persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld. | ||
| 3 | De stagegever is een aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. | 3 | De stagegever is een aansteller als vermeld in artikel 6.14, §1, van het Burgerlijk Wetboek. |
| 4 | Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig. | 4 | Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig. |
| 3 | De inhoudelijk coördinerende instelling heeft als taak om de gezamenlijke organisatie van de opleidingen Verpleegkunde en Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs in een samenwerkingsverband te coördineren. In het samenwerkingsverband wordt afgesproken welke onderwijsinstellingen een deel of het geheel van de gemeenschappelijk georganiseerde opleidingen aanbieden. | 3 | De inhoudelijk coördinerende instelling heeft als taak om de gezamenlijke organisatie van de opleidingen Verpleegkunde en Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs in een samenwerkingsverband te coördineren. In het samenwerkingsverband wordt afgesproken welke onderwijsinstellingen een deel of het geheel van de gemeenschappelijk georganiseerde opleidingen aanbieden. |
| 4 | De administratief beherende instelling is altijd een secundaire school. De cursist schrijft zich in aan de administratief beherende instelling voor de volledige opleiding. Voor de financiering, de subsidiëring en het inschrijvingsgeld gelden de vigerende decretale en regelgevende bepalingen van de administratief beherende instelling. | 4 | De administratief beherende instelling is altijd een secundaire school. De cursist schrijft zich in aan de administratief beherende instelling voor de volledige opleiding. Voor de financiering, de subsidiëring en het inschrijvingsgeld gelden de vigerende decretale en regelgevende bepalingen van de administratief beherende instelling. |
| 5 | In een samenwerkingsverband tussen één hogeschool en meer scholen van het voltijds secundair onderwijs heeft de toepassing van deze paragraaf betrekking op die hogeschool en elke secundaire school afzonderlijk. | ||
| 5 | § 3. Binnen het samenwerkingsverband reiken de onderwijsinstellingen gezamenlijk het diploma van gegradueerde met bijbehorende kwalificatie en de deelcertificaten uit. | 6 | § 3. Binnen het samenwerkingsverband reiken de onderwijsinstellingen gezamenlijk het diploma van gegradueerde met bijbehorende kwalificatie en de deelcertificaten uit. |
| 7 | In een samenwerkingsverband tussen één hogeschool en meer scholen van het voltijds secundair onderwijs heeft de toepassing van deze paragraaf betrekking op die hogeschool en elke secundaire school afzonderlijk. | ||
| 6 | § 4. Een samenwerkingsverband kan samenwerken met : | 8 | § 4. Een samenwerkingsverband kan samenwerken met : |
| 7 | 1° een of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen; | 9 | 1° een of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen; |
| 13 | 12° het uitwerken van de communicatie(strategie) over het aanbod van de opleidingen Verpleegkunde en Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs; | 13 | 12° het uitwerken van de communicatie(strategie) over het aanbod van de opleidingen Verpleegkunde en Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs; |
| 14 | 13° de organisatie van de toelatingsproef, vermeld in artikel 163, § 2, 3°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. | 14 | 13° de organisatie van de toelatingsproef, vermeld in artikel 163, § 2, 3°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. |
| 15 | In een samenwerkingsverband tussen één hogeschool en meerdere scholen van het voltijds secundair onderwijs kan de vervulling van elke opdracht, vermeld in het eerste lid, betrekking hebben op elke secundaire school afzonderlijk of op meerdere secundaire scholen samen. | ||
| 15 | De inspectie, vermeld in titel IV van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, beoordeelt in samenwerking met de accreditatieorganisatie de kwaliteit van de opleidingen Verpleegkunde en Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs georganiseerd door het samenwerkingsverband. | 16 | De inspectie, vermeld in titel IV van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, beoordeelt in samenwerking met de accreditatieorganisatie de kwaliteit van de opleidingen Verpleegkunde en Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs georganiseerd door het samenwerkingsverband. |
| 16 | De inspectie en de accreditatieorganisatie leggen hiervoor een beoordelingskader vast. Dit beoordelingskader is gebaseerd op de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1 en het referentiekader onderwijskwaliteit, vermeld in artikel 2, 16° /1, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. | 17 | De inspectie en de accreditatieorganisatie leggen hiervoor een beoordelingskader vast. Dit beoordelingskader is gebaseerd op de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1 en het referentiekader onderwijskwaliteit, vermeld in artikel 2, 16° /1, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. |
| 1 | §1. Om als tijdelijk personeelslid te kunnen worden aangesteld moet het personeelslid op het ogenblik van de aanstelling voldoen aan volgende voorwaarden: | 1 | §1. Om als tijdelijk personeelslid te kunnen worden aangesteld moet het personeelslid op het ogenblik van de aanstelling voldoen aan volgende voorwaarden: |
| 2 | 1° onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie is, behoudens door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling; | 2 | 1° onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie is, behoudens door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling; |
| 3 | 2° de burgerlijke en politieke rechten geniet, behoudens een door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1°; | 3 | 2° de burgerlijke en politieke rechten geniet, behoudens een door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1°; |
| 7 | 6°...; | 7 | 6°...; |
| 8 | 7° zich kandidaat hebben gesteld op een wijze bepaald door de het college van directeurs. | 8 | 7° zich kandidaat hebben gesteld op een wijze bepaald door de het college van directeurs. |
| 9 | § 2. ... | ||
| 9 | §2. In afwijking van paragraaf 1, 3°, kan een personeelslid ten voorlopigen titel tijdelijk aangesteld worden op basis van een geldig ingediende aanvraag tot gelijkwaardigheid van zijn diploma bij het National Academic Recognition Information Centre (NARIC). | ||
| 10 | De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, is niet mogelijk in een ambt dat of in een functie die ressorteert onder de bepalingen van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015. | ||
| 11 | De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg conform artikel 23, eerste lid, i), vanaf het ogenblik dat het personeelslid op basis van de beslissing van NARIC geen gelijkwaardigheid toegekend krijgt die voldoet als bekwaamheidsbewijs voor een aanstelling in dat ambt. | ||
| 12 | Tijdens de voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, heeft het personeelslid recht op een salaris op basis van de laagste salarisschaal die van toepassing is voor het ambt in kwestie. | ||
| 10 | §3. Niemand kan als tijdelijk personeelslid worden aangesteld in strijd met de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. | 13 | §3. Niemand kan als tijdelijk personeelslid worden aangesteld in strijd met de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. |
| 11 | §4. Bij gebrek aan kandidaten kan de directeur of raad van bestuur al naar gelang het geval afwijken van de in § 1, 7°, genoemde verplichting. | 14 | §4. Bij gebrek aan kandidaten kan de directeur of raad van bestuur al naar gelang het geval afwijken van de in § 1, 7°, genoemde verplichting. |
| 12 | §5. Onverminderd de bepalingen van dit decreet worden de leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht door de directeur geworven, op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst, respectievelijk de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer. | 15 | §5. Onverminderd de bepalingen van dit decreet worden de leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht door de directeur geworven, op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst, respectievelijk de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer. |
| 13 | §6. Een tijdelijke aanstelling van een personeelslid dat houder is van een "ander bekwaamheidsbewijs" is in duur beperkt tot het lopende schooljaar. | 16 | §6. Een tijdelijke aanstelling van een personeelslid dat houder is van een "ander bekwaamheidsbewijs" is in duur beperkt tot het lopende schooljaar. |
| 24 | De bepalingen van deze titel die specifiek van toepassing zijn op een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht, zijn alleen van toepassing op de personeelsleden die hun leeropdracht in die hoedanigheid uitoefenen. | 24 | De bepalingen van deze titel die specifiek van toepassing zijn op een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht, zijn alleen van toepassing op de personeelsleden die hun leeropdracht in die hoedanigheid uitoefenen. |
| 25 | § 4. ... | 25 | § 4. ... |
| 26 | § 5. In het gesubsidieerd officieel onderwijs ingericht door de gemeenten gelegen in het Vlaamse Gewest is het college van burgemeester en schepenen bevoegd voor de aanstelling, vaste benoeming, ontslag en afzetting van personeelsleden evenals voor het toekennen van een afwezigheid, een verlof, een terbeschikkingstelling, een affectatie, een zorgkrediet en een loopbaanonderbreking. In afwijking op artikelen 58, 86 en 106 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 kunnen deze bevoegdheden niet uitgeoefend worden door de secretaris. | 26 | § 5. In het gesubsidieerd officieel onderwijs ingericht door de gemeenten gelegen in het Vlaamse Gewest is het college van burgemeester en schepenen bevoegd voor de aanstelling, vaste benoeming, ontslag en afzetting van personeelsleden evenals voor het toekennen van een afwezigheid, een verlof, een terbeschikkingstelling, een affectatie, een zorgkrediet en een loopbaanonderbreking. In afwijking van artikel 57 en 170 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur kunnen die bevoegdheden niet uitgeoefend worden door de algemeen directeur. |
| 27 | In het gesubsidieerd officieel onderwijs ingericht door de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is het college van burgemeester en schepenen bevoegd voor het toekennen van een afwezigheid, een verlof, een terbeschikkingstelling, een tijdelijke aanstelling, een affectatie, een zorgkrediet en een loopbaanonderbreking, voor zover die de duur van maximaal twaalf maanden niet overschrijdt. | 27 | In het gesubsidieerd officieel onderwijs ingericht door de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is het college van burgemeester en schepenen bevoegd voor het toekennen van een afwezigheid, een verlof, een terbeschikkingstelling, een tijdelijke aanstelling, een affectatie, een zorgkrediet en een loopbaanonderbreking, voor zover die de duur van maximaal twaalf maanden niet overschrijdt. |
| 28 | In afwijking van het eerste en tweede lid is de rechtspersoon die bevoegdheid draagt voor de scholengemeenschapsinstelling bevoegd voor de aanstelling en vaste benoeming van de personeelsleden van deze instelling, evenals voor het toekennen van een afwezigheid, een verlof, een terbeschikkingstelling, een affectatie, een zorgkrediet en een loopbaanonderbreking. | 28 | In afwijking van het eerste en tweede lid is de rechtspersoon die bevoegdheid draagt voor de scholengemeenschapsinstelling bevoegd voor de aanstelling en vaste benoeming van de personeelsleden van deze instelling, evenals voor het toekennen van een afwezigheid, een verlof, een terbeschikkingstelling, een affectatie, een zorgkrediet en een loopbaanonderbreking. |
| 1 | §1. Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld, als hij op het ogenblik van de aanstelling niet voldoet aan de voorwaarden van artikel V.45, 1° en 2°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, artikel 18, §1, 1° en 2°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, artikel 73, §1, 1° en 2°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, artikel 35, §1, 1° en 2°, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten, artikel 66, 1°, 2° en 6°, van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 33, eerste lid, 1°, a) en b), van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, artikel 24 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding of van artikel 106, §1, 1°, a) en b), van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en daarenboven : | 1 | §1. Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld, als hij op het ogenblik van de aanstelling niet voldoet aan de voorwaarden van artikel V.45, 1° en 2°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, artikel 18, §1, 1° en 2°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, artikel 73, §1, 1° en 2°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, artikel 35, §1, 1° en 2°, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten, artikel 66, 1°, 2° en 6°, van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 33, eerste lid, 1°, a) en b), van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, artikel 24 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding of van artikel 106, §1, 1°, a) en b), van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en daarenboven : |
| 2 | 1° houder is van een bekwaamheidsbewijs voor het ambt, zoals bedoeld in artikel 5, 8°; | 2 | 1° houder is van een bekwaamheidsbewijs voor het ambt, zoals bedoeld in artikel 5, 8°; |
| 3 | 2° voldoet aan de taalvereisten zoals bepaald in artikel 19bis tot en met 19quinquies; | 3 | 2° voldoet aan de taalvereisten zoals bepaald in artikel 19bis tot en met 19quinquies; |
| 4 | 3° van onberispelijk gedrag is, zoals dat blijkt uit een uittreksel uit het strafregister dat niet langer dan een maand tevoren werd afgegeven. | 4 | 3° van onberispelijk gedrag is, zoals dat blijkt uit een uittreksel uit het strafregister dat niet langer dan een maand tevoren werd afgegeven. |
| 5 | §2. Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld in strijd met de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. | 5 | §2. Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld in strijd met de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. |
| 6 | § 3. ... | ||
| 6 | §3. In afwijking van paragraaf 1, 1°, kan een personeelslid ten voorlopigen titel tijdelijk aangesteld worden op basis van een geldig ingediende aanvraag tot gelijkwaardigheid van zijn diploma bij het National Academic Recognition Information Centre (NARIC). | ||
| 7 | De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, is niet mogelijk in een ambt dat of in een functie die ressorteert onder de bepalingen van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015. | ||
| 8 | De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg conform artikel 21, §1, eerste lid, h), vanaf het ogenblik dat het personeelslid op basis van de beslissing van NARIC geen gelijkwaardigheid toegekend krijgt die voldoet als bekwaamheidsbewijs voor een aanstelling in dat ambt. | ||
| 9 | Tijdens de voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, heeft het personeelslid recht op een salaris op basis van de laagste salarisschaal die van toepassing is voor het ambt in kwestie. |
| 4 | § 2. In de overeenkomst van een overheveling van een structuuronderdeel die door beide centrumbesturen moet worden ondertekend, wordt de overdracht van leraarsuren en/of punten geregeld. | 4 | § 2. In de overeenkomst van een overheveling van een structuuronderdeel die door beide centrumbesturen moet worden ondertekend, wordt de overdracht van leraarsuren en/of punten geregeld. |
| 5 | § 3. Elke overheveling zal het voorwerp uitmaken van onderhandeling in het lokaal comité van zowel het overhevelende als het ontvangende centrum voor volwassenenonderwijs. | 5 | § 3. Elke overheveling zal het voorwerp uitmaken van onderhandeling in het lokaal comité van zowel het overhevelende als het ontvangende centrum voor volwassenenonderwijs. |
| 6 | § 4. Voor de subsidiëring of financiering wordt de overdracht van leraarsuren en/of punten, zoals bedoeld in paragraaf 2, geacht reeds tijdens de voorgaande referteperiode te hebben plaatsgevonden. | ||
| 6 | § 4. ... | ||
| 19 | Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij : | 19 | Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij : |
| 20 | 1° FP = ongewogen financieringspunt; | 20 | 1° FP = ongewogen financieringspunt; |
| 21 | 2° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs ; | 21 | 2° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4; |
| 22 | 3° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist. | 22 | 3° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist. |
| 23 | De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs is 2,50. | 23 | De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4 is 2,50. |
| 24 | De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50. | 24 | De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50. |
| 25 | De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat. | 25 | De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat. |
| 19 | De coëfficiënt voor het aanbod in een penitentiaire inrichting is 1,40. | 19 | De coëfficiënt voor het aanbod in een penitentiaire inrichting is 1,40. |
| 20 | Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij : | 20 | Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij : |
| 21 | 1° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs ; | 21 | 1° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4; |
| 22 | 2° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist. | 22 | 2° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist. |
| 23 | De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs is 2,50. | 23 | De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4 is 2,50. |
| 24 | De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50. | 24 | De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50. |
| 25 | De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat. | 25 | De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat. |
| 78 | Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij : | 78 | Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij : |
| 79 | 1° FP = het ongewogen financieringspunt; | 79 | 1° FP = het ongewogen financieringspunt; |
| 80 | 2° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs ; | 80 | 2° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4; |
| 81 | 3° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist. | 81 | 3° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist. |
| 82 | De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs is 2,50. | 82 | De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4 is 2,50. |
| 83 | De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50. | 83 | De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50. |
| 84 | De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat of diploma. | 84 | De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat of diploma. |
| 7 | De 130 punten, vermeld in het eerste lid, worden over die volumes, vermeld in het eerste lid, verdeeld op basis van het aandeel aan gewogen financieringspunten dat per volume gemiddeld in de referteperiodes n-3 tot en met n-1 in de totaliteit van beide volumes is bereikt. | 7 | De 130 punten, vermeld in het eerste lid, worden over die volumes, vermeld in het eerste lid, verdeeld op basis van het aandeel aan gewogen financieringspunten dat per volume gemiddeld in de referteperiodes n-3 tot en met n-1 in de totaliteit van beide volumes is bereikt. |
| 8 | § 5. Een personeelslid dat op het ogenblik van de fusie tot de proeftijd is toegelaten in het ambt van directeur, wordt, na twaalf maanden effectieve prestaties vanaf zijn toelating tot de proeftijd, vastbenoemd in het ambt van directeur of in het ambt van adjunctdirecteur, naargelang hij bij de fusie al dan niet het ambt van directeur van het centrum heeft toegewezen gekregen. | 8 | § 5. Een personeelslid dat op het ogenblik van de fusie tot de proeftijd is toegelaten in het ambt van directeur, wordt, na twaalf maanden effectieve prestaties vanaf zijn toelating tot de proeftijd, vastbenoemd in het ambt van directeur of in het ambt van adjunctdirecteur, naargelang hij bij de fusie al dan niet het ambt van directeur van het centrum heeft toegewezen gekregen. |
| 9 | § 6. Een centrum dat in de periode van 1 september 1999 tot en met 31 augustus 2007 tot stand is gekomen door fusie, behoudt, in afwijking van § 3 en § 4, jaarlijks ten minste het aantal punten dat nodig is om het volume aan betrekkingen in de ambten van bestuurs- en ondersteunend personeel, toegekend aan de betrokken centra op de vooravond van de fusie, in stand te houden. | ||
| 9 | § 6. ... | ||
| 83 | Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij : | 83 | Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij : |
| 84 | 1° FP = ongewogen financieringspunt; | 84 | 1° FP = ongewogen financieringspunt; |
| 85 | 2° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs ; | 85 | 2° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4; |
| 86 | 3° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist. | 86 | 3° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist. |
| 87 | De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs is 2,50. | 87 | De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4 is 2,50. |
| 88 | De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50. | 88 | De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50. |
| 89 | De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat of diploma. | 89 | De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat of diploma. |
| 14 | 2° een in het eerste lid vermelde opleiding waarvoor de cursist niet bij aanvang van zijn opleiding ingeschreven was maar waarnaar hij in de loop van zijn opleiding geheroriënteerd wordt. | 14 | 2° een in het eerste lid vermelde opleiding waarvoor de cursist niet bij aanvang van zijn opleiding ingeschreven was maar waarnaar hij in de loop van zijn opleiding geheroriënteerd wordt. |
| 15 | § 4. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een volledige vrijstelling van het inschrijvingsgeld voor cursisten die : | 15 | § 4. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een volledige vrijstelling van het inschrijvingsgeld voor cursisten die : |
| 16 | 1° geen houder zijn van een diploma van het secundair onderwijs en ingeschreven zijn voor geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren of Regie over het Eigen Leren, een opleiding in de leergebieden van de basiseducatie of een opleiding in de studiegebieden aanvullende algemene vorming of algemene vorming; | 16 | 1° geen houder zijn van een diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4 en ingeschreven zijn voor geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren of Regie over het Eigen Leren, een opleiding in de leergebieden van de basiseducatie of een opleiding in de studiegebieden aanvullende algemene vorming of algemene vorming; |
| 17 | 2° ingeschreven zijn voor de opleiding ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting; | 17 | 2° ingeschreven zijn voor de opleiding ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting; |
| 18 | 3° op het moment van hun inschrijving materiële hulp genieten zoals bedoeld in de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen; | 18 | 3° op het moment van hun inschrijving materiële hulp genieten zoals bedoeld in de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen; |
| 1 | Voor een cursistenstage wordt een overeenkomst afgesloten tussen de onderwijsinstelling, de stagegever en de cursist-stagiair. Een cursistenstage is een vorm van opleiding buiten een lesplaats van een centrum, in een reële arbeidsomgeving bij een werkgever, onder gelijkaardige omstandigheden als reguliere werknemers van die werkgever waarbij effectieve arbeid wordt verricht met de bedoeling beroepservaring op te doen. | 1 | Voor een cursistenstage wordt een overeenkomst afgesloten tussen de onderwijsinstelling, de stagegever en de cursist-stagiair. Een cursistenstage is een vorm van opleiding buiten een lesplaats van een centrum, in een reële arbeidsomgeving bij een werkgever, onder gelijkaardige omstandigheden als reguliere werknemers van die werkgever waarbij effectieve arbeid wordt verricht met de bedoeling beroepservaring op te doen. |
| 2 | Indien de cursist-stagiair bij de uitvoering van zijn stage de stagegever of derden schade berokkent, is hij, met behoud van toepassing van artikel 1384, derde tot en met het vijfde lid van het Burgerlijk Wetboek, enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is de cursist-stagiair enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt. | 2 | Indien de cursist-stagiair bij de uitvoering van zijn stage de stagegever of derden schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is de cursist-stagiair enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt. |
| 3 | De aansprakelijkheid van de vader en de moeder in de zin van artikel 1384, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek geldt enkel wanneer een minderjarige cursist-stagiair overeenkomstig de hier voormelde gevallen persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld. | ||
| 3 | De aansprakelijkheid van titularissen van het gezag over de persoon van minderjarigen, vermeld in artikel 6.12 van het Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als een minderjarige cursist-stagiair conform de gevallen, vermeld in het tweede lid, persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld. De aansprakelijkheid van personen belast met het toezicht op anderen, vermeld in artikel 6.13 van het Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als de cursist-stagiair conform de gevallen, vermeld in het tweede lid, persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld. | ||
| 4 | De stagegever is een aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. | 4 | De stagegever is een aansteller als vermeld in artikel 6.14, §1, van het Burgerlijk Wetboek. |
| 5 | Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig. | 5 | Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig. |
| 1 | Het centrumbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 89, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie, uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie, of met andere middelen, personeel aanwerven. Het centrumbestuur kan het voormelde principe aanwenden voor het personeel, vermeld in artikel 3 van het decreet Rechtspositie Basiseducatie van 7 juli 2017. | 1 | Het centrumbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 89, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van subsidies die de Stichting Leerpunt toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie, uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie, of met andere middelen, personeel aanwerven. Het centrumbestuur kan het voormelde principe aanwenden voor het personeel, vermeld in artikel 3 van het decreet Rechtspositie Basiseducatie van 7 juli 2017. |
| 2 | De betrekking die met de middelen, vermeld in het eerste lid, wordt georganiseerd, kan niet vacant worden verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen of muteren in die betrekking. | 2 | De betrekking die met de middelen, vermeld in het eerste lid, wordt georganiseerd, kan niet vacant worden verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen of muteren in die betrekking. |
| 3 | Het personeelslid dat door een centrum voor basiseducatie wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld mits toepassing van hoofdstuk 9 van het decreet Rechtspositie Basiseducatie van 7 juli 2017. Het decreet Rechtspositie Basiseducatie is op hem van toepassing. | 3 | Het personeelslid dat door een centrum voor basiseducatie wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld mits toepassing van hoofdstuk 9 van het decreet Rechtspositie Basiseducatie van 7 juli 2017. Het decreet Rechtspositie Basiseducatie is op hem van toepassing. |
| 4 | Het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen betaalt het salaris of de salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Die dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, de bijslagen, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de werkgeversbijdrage, van het centrumbestuur terug. | 4 | Het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen betaalt het salaris of de salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Die dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, de bijslagen, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de werkgeversbijdrage, van het centrumbestuur terug. |
| 5 | In het eerste lid wordt verstaan onder Stichting Leerpunt: de private stichting opgericht door de Vlaamse Regering bij beslissing van 16 december 2022, met ondernemingsnummer 0795.192.043. |
| 1 | Het centrumbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 108, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie of van andere middelen, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een centrumbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het meesters-, vak en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een centrumbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. | 1 | Het centrumbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 108, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van subsidies die de Stichting Leerpunt toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie of van andere middelen, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een centrumbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het meesters-, vak en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een centrumbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. |
| 2 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. | 2 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. |
| 3 | Het personeelslid dat door een centrumbestuur voor volwassenenonderwijs in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. | 3 | Het personeelslid dat door een centrumbestuur voor volwassenenonderwijs in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. |
| 4 | Het personeelslid dat door een centrumbestuur voor volwassenenonderwijs in het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing. | 4 | Het personeelslid dat door een centrumbestuur voor volwassenenonderwijs in het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing. |
| 5 | Het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het centrumbestuur terug. | 5 | Het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het centrumbestuur terug. |
| 6 | In het eerste lid wordt verstaan onder Stichting Leerpunt: de private stichting opgericht door de Vlaamse Regering bij beslissing van 16 december 2022, met ondernemingsnummer 0795.192.043. |
| 1 | § 1. Vanaf het schooljaar 2021-2022 voert de school voor elke leerling in het gewoon onderwijs bij het begin van de leerplicht een verplichte screening uit, die nagaat wat het niveau van de leerling inzake de onderwijstaal is. Deze screening kan nooit voor de inschrijving van de leerling uitgevoerd worden. | 1 | § 1. Vanaf het schooljaar 2021-2022 voert de school voor elke leerling in het gewoon onderwijs bij het begin van de leerplicht een verplichte screening uit, die nagaat wat het niveau van de leerling inzake de onderwijstaal is. Deze screening kan nooit voor de inschrijving van de leerling uitgevoerd worden. |
| 2 | De regering bepaalt met welk instrument de screening bij het begin van de leerplicht gebeurt, alsook het moment en de manier van afname. | 2 | De regering bepaalt met welk instrument de screening bij het begin van de leerplicht gebeurt, alsook het moment en de manier van afname. |
| 3 | Een school voor buitengewoon basisonderwijs kan in overleg met de ouders beslissen een of meerdere leerlingen te laten deelnemen aan de screening, vermeld in het eerste lid. | ||
| 3 | § 2. In afwijking van paragraaf 1 is de screening niet verplicht voor anderstalige nieuwkomers zoals bepaald in artikel 3, 4° quater. Deze leerlingen krijgen vanaf het schooljaar 2021-2022 in elk geval een actief taalintegratietraject Nederlands, met in beginsel een taalbad zoals bedoeld in paragraaf 4, of een volwaardig alternatief dat dezelfde resultaten bereikt. Ook voor leerlingen die na de periode van afname van de taalscreening in het basisonderwijs instromen en onvoldoende het Nederlands beheersen om de lessen te kunnen volgen, kan de school beslissen dat zij een taalintegratietraject moeten volgen. | 4 | § 2. In afwijking van paragraaf 1 is de screening niet verplicht voor anderstalige nieuwkomers zoals bepaald in artikel 3, 4° quater. Deze leerlingen krijgen vanaf het schooljaar 2021-2022 in elk geval een actief taalintegratietraject Nederlands, met in beginsel een taalbad zoals bedoeld in paragraaf 4, of een volwaardig alternatief dat dezelfde resultaten bereikt. Ook voor leerlingen die na de periode van afname van de taalscreening in het basisonderwijs instromen en onvoldoende het Nederlands beheersen om de lessen te kunnen volgen, kan de school beslissen dat zij een taalintegratietraject moeten volgen. |
| 4 | §2/1. In afwijking van paragraaf 1 hoeft geen screening te worden uitgevoerd voor een leerling die doof of slechthorend is als vermeld in artikel 37/8, §5, of 37/45, §5, en die ingeschreven is in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal of voor een leerling die speciale onderwijsmiddelen in de vorm van tolken ter beschikking krijgt als vermeld in artikel 91, §1 en §2. | 5 | §2/1. In afwijking van paragraaf 1 hoeft geen screening te worden uitgevoerd voor een leerling die doof of slechthorend is als vermeld in artikel 37/8, §5, of 37/45, §5, en die ingeschreven is in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal of voor een leerling die speciale onderwijsmiddelen in de vorm van tolken ter beschikking krijgt als vermeld in artikel 91, §1 en §2. |
| 6 | §2/2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan de school in overleg met de ouders beslissen om een leerling met een IAC-verslag niet te laten deelnemen aan de screening. | ||
| 7 | §2/3. Leerlingen die recht hebben op redelijke aanpassingen of speciale onderwijsleermiddelen gedurende het schooljaar waarin de screening, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt afgenomen, hebben recht op het behoud en het gebruik van die aanpassingen en leermiddelen als ze die screening afleggen. | ||
| 5 | § 3. Op basis van de resultaten van de taalscreening, moeten leerlingen die het Nederlands onvoldoende beheersen vanaf het schooljaar 2021-2022 een actief taalintegratietraject Nederlands volgen met in beginsel een taalbad, zoals bedoeld in paragraaf 4, of een volwaardig alternatief dat dezelfde resultaten bereikt. | 8 | § 3. Op basis van de resultaten van de taalscreening, moeten leerlingen die het Nederlands onvoldoende beheersen vanaf het schooljaar 2021-2022 een actief taalintegratietraject Nederlands volgen met in beginsel een taalbad, zoals bedoeld in paragraaf 4, of een volwaardig alternatief dat dezelfde resultaten bereikt. De resultaten van de screening kunnen voor leerlingen met een IAC-verslag niet leiden tot een verplichting voor het volgen van een actief taalintegratietraject Nederlands. |
| 6 | § 4. Met taalbad wordt vanaf het schooljaar 2021-2022 bedoeld intensieve onderwijsactiviteiten die tot doel hebben de leerling door onderdompeling in de onderwijstaal deze onderwijstaal te laten verwerven in functie van een snelle integratie in de reguliere onderwijsactiviteiten. Dit kan een voltijds traject zijn. Een leerling kan gedurende het basisonderwijs maximaal één schooljaar een voltijds taalbad of voltijds gelijkwaardig alternatief volgen. | 9 | § 4. Met taalbad wordt vanaf het schooljaar 2021-2022 bedoeld intensieve onderwijsactiviteiten die tot doel hebben de leerling door onderdompeling in de onderwijstaal deze onderwijstaal te laten verwerven in functie van een snelle integratie in de reguliere onderwijsactiviteiten. Dit kan een voltijds traject zijn. Een leerling kan gedurende het basisonderwijs maximaal één schooljaar een voltijds taalbad of voltijds gelijkwaardig alternatief volgen. |
| 7 | § 5. Schoolbesturen kunnen elk taalintegratietraject, dus ook het taalbad, individueel of gezamenlijk organiseren. Het kan ook netoverschrijdend georganiseerd worden. | ||
| 8 | § 6. In het geval scholen het taalintegratietraject gezamenlijk organiseren, is er wederzijdse samenwerking tussen de school van inschrijving en de school die het taalintegratietraject aan de leerling verstrekt. Dat houdt onder andere in het organiseren van het vervoer van de ingeschreven leerling naar de school waar het taalintegratietraject wordt georganiseerd, de communicatie tussen de school van inschrijving en de school waar het taalintegratietraject wordt georganiseerd, alsook het opvolgen van de leerling die het taalintegratietraject volgt door de school waar de leerling is ingeschreven. | ||
| 10 | § 5. .... | ||
| 11 | § 6. .... | ||
| 9 | § 7. De leerkracht die het onderwijs in het taalintegratietraject verstrekt, wordt betrokken bij de beslissing over de duur en intensiteit van het taalintegratietraject. | 12 | § 7. De leerkracht die het onderwijs in het taalintegratietraject verstrekt, wordt betrokken bij de beslissing over de duur en intensiteit van het taalintegratietraject. |
| 10 | § 8. Na het taalintegratietraject integreert de leerling zich desgevallend in de school van inschrijving waar hij de reguliere onderwijsactiviteiten volgt. | ||
| 13 | § 8. ... | ||
| 11 | § 9. In afwijking van artikel 3, 22°, a), wordt het inrichten van een taalintegratietraject niet beschouwd als een herstructurering. | 14 | § 9. In afwijking van artikel 3, 22°, a), wordt het inrichten van een taalintegratietraject niet beschouwd als een herstructurering. |
| 12 | § 10. De leerlingen die een taalintegratietraject volgen, tellen alleen mee voor financiering of subsidiering in de school waar ze zijn ingeschreven op de teldag. | ||
| 15 | § 10. ... |
| 6 | 2° als ze als vijfjarige in het kleuteronderwijs zitten zijn ze voldoende aanwezig conform artikel 26; | 6 | 2° als ze als vijfjarige in het kleuteronderwijs zitten zijn ze voldoende aanwezig conform artikel 26; |
| 7 | 3° deelnemen aan alle onderwijsactiviteiten die voor de leerlingengroep of de leerling worden georganiseerd, behoudens vrijstelling bedoeld in artikel 29. Deelnemen aan het taalbad of een ander taalintegratietraject wordt beschouwd als een onderwijsactiviteit die voor de leerlingengroep of de leerling wordt georganiseerd. | 7 | 3° deelnemen aan alle onderwijsactiviteiten die voor de leerlingengroep of de leerling worden georganiseerd, behoudens vrijstelling bedoeld in artikel 29. Deelnemen aan het taalbad of een ander taalintegratietraject wordt beschouwd als een onderwijsactiviteit die voor de leerlingengroep of de leerling wordt georganiseerd. |
| 8 | §3. Leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van type 5, kunnen gemiddeld per schooljaar maximaal halftijds lessen of activiteiten volgen in een school voor gewoon basisonderwijs. In overleg met de ouders, met betrokkenheid van de leerling en in overleg met het CLB ondersteunt de school voor buitengewoon onderwijs de school voor gewoon onderwijs. | ||
| 9 | Leerlingen met een IAC-verslag die ingeschreven zijn in het gewoon basisonderwijs, kunnen gemiddeld per schooljaar maximaal halftijds lessen of activiteiten volgen in een school voor buitengewoon basisonderwijs. | ||
| 10 | In overleg met de ouders, met betrokkenheid van de leerling en in overleg met het CLB werken de scholen samen aan de vormgeving van het onderwijstraject van de leerling. De inzet van omkadering vanuit het leersteunmodel in de school voor buitengewoon onderwijs is daarbij niet mogelijk. | ||
| 11 | De school voor buitengewoon onderwijs en de school voor gewoon onderwijs maken afspraken over de lesbijwoning van de leerling. | ||
| 12 | §4. In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, kunnen leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van type 5, voltijds lessen of activiteiten volgen in een school voor gewoon basisonderwijs voor een periode van maximaal twee schooljaren, met het oog op een overstap naar het gewoon onderwijs. In overleg met de ouders, met betrokkenheid van de leerling en in overleg met het CLB ondersteunt de school voor buitengewoon onderwijs de school voor gewoon onderwijs. De school voor buitengewoon onderwijs en de school voor gewoon onderwijs maken afspraken over de lesbijwoning van de leerling. | ||
| 13 | Na een periode van twee schooljaren heeft de leerling met een IAC-verslag in afwijking van artikel 37/11, §2, en 37/48, §2, een onverkort recht op inschrijving in de school voor gewoon onderwijs. Als de ouders en de leerling beslissen om de overstap te maken naar het gewoon onderwijs, overleggen de school voor gewoon onderwijs, de school voor buitengewoon onderwijs, het CLB en de ouders, met betrokkenheid van de leerling, met het leersteuncentrum over de overname van de ondersteuning. | ||
| 8 | §3. ... | ||
| 9 | §4. ... | ||
| 1 | §1. Leerlingen die ingeschreven zijn in een school voor basisonderwijs, kunnen deeltijds lessen en activiteiten volgen in een andere school voor basisonderwijs dan de school waar ze ingeschreven zijn of in een school voor voltijds secundair onderwijs. Lesbijwoning in een school voor buitengewoon onderwijs is alleen mogelijk voor leerlingen met een IAC-verslag die ingeschreven zijn in een school voor gewoon onderwijs. | ||
| 2 | §2. Als de lesbijwoning, vermeld in paragraaf 1, kadert in de organisatie van een taalintegratietraject als vermeld in artikel 11quater, §3, werken de scholen samen voor de organisatie van het vervoer van de ingeschreven leerling van en naar de school die het taalintegratietraject organiseert. | ||
| 3 | §3. In afwijking van paragraaf 1 kunnen leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van leerlingen van type 5, voltijds lessen of activiteiten volgen in een school voor gewoon basisonderwijs voor een periode van maximaal twee schooljaren, met het oog op een overstap naar het gewoon onderwijs. In overleg met de ouders, met betrokkenheid van de leerling en in overleg met het CLB ondersteunt de school voor buitengewoon onderwijs de school voor gewoon onderwijs. | ||
| 4 | Na een periode van twee schooljaren heeft de leerling met een IAC-verslag in afwijking van artikel 37/11, §2, en artikel 37/48, §2, onverkort recht op inschrijving in de school voor gewoon onderwijs. Als de ouders en de leerling beslissen om de overstap te maken naar het gewoon onderwijs, overleggen de school voor gewoon onderwijs, de school voor buitengewoon onderwijs, het CLB en de ouders, met betrokkenheid van de leerling, met het leersteuncentrum over de overname van de ondersteuning. |
| 10 | Het behoud van de inschrijving geldt over de vestigingsplaatsen heen, tenzij de capaciteit van de vestigingsplaats is of wordt overschreden overeenkomstig artikel 37novies of de leerling er niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet. De voortgang van het leerproces, waarbij een verandering van vestigingsplaats noodzakelijk is, kan niet worden gestuit. | 10 | Het behoud van de inschrijving geldt over de vestigingsplaatsen heen, tenzij de capaciteit van de vestigingsplaats is of wordt overschreden overeenkomstig artikel 37novies of de leerling er niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet. De voortgang van het leerproces, waarbij een verandering van vestigingsplaats noodzakelijk is, kan niet worden gestuit. |
| 11 | Het behoud van inschrijving kan, als de vestigingsplaats, het niveau in de vestigingsplaats(en) of het type in de vestigingsplaats(en) van de leerling betrokken is bij een herstructurering en verdwijnt uit de school, ook gegarandeerd worden in een andere school betrokken bij de herstructurering of in een andere school van hetzelfde schoolbestuur, gelegen op een billijke afstand. Het behoud van inschrijving wordt, als de school van de leerling betrokken is bij een fusie, gegarandeerd in de fusieschool of in een andere school van hetzelfde schoolbestuur gelegen op een billijke afstand. In voorkomende situaties informeert het schoolbestuur de betrokken ouders. | 11 | Het behoud van inschrijving kan, als de vestigingsplaats, het niveau in de vestigingsplaats(en) of het type in de vestigingsplaats(en) van de leerling betrokken is bij een herstructurering en verdwijnt uit de school, ook gegarandeerd worden in een andere school betrokken bij de herstructurering of in een andere school van hetzelfde schoolbestuur, gelegen op een billijke afstand. Het behoud van inschrijving wordt, als de school van de leerling betrokken is bij een fusie, gegarandeerd in de fusieschool of in een andere school van hetzelfde schoolbestuur gelegen op een billijke afstand. In voorkomende situaties informeert het schoolbestuur de betrokken ouders. |
| 12 | Het verworven recht als ingeschreven leerling geldt voor een leerling die gedurende een schooljaar permanent onderwijs aan huis heeft gevolgd in een type in een school, dat ingericht wordt door die school, als de leerling de lessen kan bijwonen in diezelfde school met het oog op het onmiddellijk daaropvolgend schooljaar. Dit is alleen mogelijk als de ouders het pedagogisch project en het schoolreglement voor akkoord ondertekenen voor de start van de lesbijwoning. | ||
| 12 | § 5. In afwijking van paragraaf 4 kunnen schoolbesturen van basisscholen waarvan de capaciteit van het kleuteronderwijs groter is dan die van het lager onderwijs, opteren voor een nieuwe inschrijving bij de overgang tussen beide onderwijsniveaus. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement. | 13 | § 5. In afwijking van paragraaf 4 kunnen schoolbesturen van basisscholen waarvan de capaciteit van het kleuteronderwijs groter is dan die van het lager onderwijs, opteren voor een nieuwe inschrijving bij de overgang tussen beide onderwijsniveaus. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement. |
| 13 | § 6. Indien zijn betrokken scholen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan een schoolbestuur ervoor opteren om bij de overgang van een leerling van een autonome kleuterschool naar een lagere of basisschool de inschrijvingen van de ene naar de andere school te laten doorlopen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement. | 14 | § 6. Indien zijn betrokken scholen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan een schoolbestuur ervoor opteren om bij de overgang van een leerling van een autonome kleuterschool naar een lagere of basisschool de inschrijvingen van de ene naar de andere school te laten doorlopen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement. |
| 10 | Wanneer een via aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerder gerealiseerde inschrijving beëindigen. | 10 | Wanneer een via aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerder gerealiseerde inschrijving beëindigen. |
| 11 | Leerlingen wiens recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen worden overeenkomstig artikel 37duodecies, § 2, vervangen. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad worden, in afwijking van artikel 37duodecies, § 2, leerlingen als vermeld in artikel 37septies die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 37sexies, wiens recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen vervangen door de eerstvolgend gerangschikte leerlingen als vermeld in artikel 37septies die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 37sexies, met behoud van artikel 37quater en artikel 37quinquies. Deze ouders krijgen binnen vier werkdagen na de nodige vaststellingen door het schoolbestuur of het LOP schriftelijk of via elektronische drager melding dat de aangemelde leerling alsnog is toegewezen. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal vijf schooldagen. | 11 | Leerlingen wiens recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen worden overeenkomstig artikel 37duodecies, § 2, vervangen. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad worden, in afwijking van artikel 37duodecies, § 2, leerlingen als vermeld in artikel 37septies die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 37sexies, wiens recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen vervangen door de eerstvolgend gerangschikte leerlingen als vermeld in artikel 37septies die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 37sexies, met behoud van artikel 37quater en artikel 37quinquies. Deze ouders krijgen binnen vier werkdagen na de nodige vaststellingen door het schoolbestuur of het LOP schriftelijk of via elektronische drager melding dat de aangemelde leerling alsnog is toegewezen. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal vijf schooldagen. |
| 12 | In afwijking van het zevende lid, kunnen een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP beslissen om uiterlijk na de einddatum van de aanmeldingsperiode en voordat de resultaten van de aanmelding worden bekendgemaakt deze controle te doen. | 12 | In afwijking van het zevende lid, kunnen een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP beslissen om op zijn vroegst na de einddatum van de aanmeldingsperiode en uiterlijk voordat de resultaten van de aanmelding worden bekendgemaakt deze controle te doen. |
| 13 | § 3. Indien de leerling in geen enkele school of vestigingsplaats gunstig gerangschikt kan worden, krijgen de ouders binnen vier werkdagen, schriftelijk of via elektronische drager melding over het niet kunnen toewijzen van de aangemelde leerling aan een door de ouders gekozen school of vestigingsplaats. | 13 | § 3. Indien de leerling in geen enkele school of vestigingsplaats gunstig gerangschikt kan worden, krijgen de ouders binnen vier werkdagen, schriftelijk of via elektronische drager melding over het niet kunnen toewijzen van de aangemelde leerling aan een door de ouders gekozen school of vestigingsplaats. |
| 14 | Aan de ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de ouders hadden gekozen, de aangemelde leerling heeft ingenomen. | 14 | Aan de ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de ouders hadden gekozen, de aangemelde leerling heeft ingenomen. |
| 6 | 1° op het einde van het huidige schooljaar; | 6 | 1° op het einde van het huidige schooljaar; |
| 7 | 2° op het einde van het daaropvolgende schooljaar. | 7 | 2° op het einde van het daaropvolgende schooljaar. |
| 8 | § 3. Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een IAC-verslag dan wel een wijziging van een IAC-verslag nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB en beslist op basis daarvan en nadat het IAC-verslag of het gewijzigd IAC-verslag werd afgeleverd , om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling op het einde van het huidige schooljaar of op het einde van het daaropvolgende schooljaar te ontbinden. | 8 | § 3. Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een IAC-verslag dan wel een wijziging van een IAC-verslag nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB en beslist op basis daarvan en nadat het IAC-verslag of het gewijzigd IAC-verslag is afgeleverd door het CLB, om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling op het einde van het huidige schooljaar of op het einde van het daaropvolgende schooljaar te ontbinden. |
| 9 | § 4. Elk schoolbestuur communiceert actief over het inschrijvingsrecht van leerlingen met een IAC-verslag in het gewoon onderwijs. | 9 | § 4. Elk schoolbestuur communiceert actief over het inschrijvingsrecht van leerlingen met een IAC-verslag in het gewoon onderwijs. |
| 1 | Een schoolbestuur dat omwille van uitzonderlijke omstandigheden in de onmogelijkheid verkeert om bijkomende inschrijvingen te realiseren in een of meerdere scholen, vestigingsplaatsen, een taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal, schooljaren of geboortejaren, moet een aanvraag indienen bij de CLR om alsnog leerlingen te kunnen weigeren op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden. | 1 | Een schoolbestuur dat omwille van uitzonderlijke omstandigheden in de onmogelijkheid verkeert of in de onmogelijkheid zal verkeren om bijkomende inschrijvingen te realiseren in een of meerdere scholen, vestigingsplaatsen, een taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal, leerjaren of geboortejaren, moet een aanvraag indienen bij de CLR om alsnog leerlingen te kunnen weigeren op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden. |
| 2 | De CLR beslist, binnen een termijn van veertien kalenderdagen na het ontvangen van de aanvraag, vermeld in het eerste lid, of en onder welke voorwaarden weigeringen op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden, toegestaan worden. | 2 | De CLR beslist, binnen een termijn van veertien kalenderdagen na het ontvangen van de aanvraag, vermeld in het eerste lid, of en onder welke voorwaarden weigeringen op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden, toegestaan worden. |
| 3 | Indien het schoolbestuur reeds leerlingen geweigerd heeft, voorafgaand aan de aanvraag bij de CLR of de beslissing door de CLR, verwerven die leerlingen alsnog een onverkort recht op inschrijving indien de CLR beslist geen weigeringen op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden, toe te staan. | 3 | Indien het schoolbestuur reeds leerlingen geweigerd heeft, voorafgaand aan de aanvraag bij de CLR of de beslissing door de CLR, verwerven die leerlingen alsnog een onverkort recht op inschrijving indien de CLR beslist geen weigeringen op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden, toe te staan. |
| 4 | Als de CLR weigeringen op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden toestaat, dan behandelt het schoolbestuur in voorkomend geval ook vragen over een erkenning van een uitzonderlijke situatie van een in te schrijven leerling als vermeld in artikel 37/16, §4. | 4 | Als de CLR weigeringen op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden toestaat, dan behandelt het schoolbestuur in voorkomend geval ook vragen over een erkenning van een uitzonderlijke situatie van een in te schrijven leerling als vermeld in artikel 37/16, §4. |
| 5 | Een schoolbestuur van een nieuw opgerichte school, vestigingsplaats, taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal, leerjaar of geboortejaar dat uiterlijk op 15 november van het voorafgaande schooljaar niet heeft gemeld dat het van een aanmeldingsprocedure zal gebruikmaken, kan ook van de mogelijkheid, vermeld in het eerste tot en met vierde lid, gebruikmaken om leerlingen te weigeren op basis van de capaciteit in het nieuw opgerichte capaciteitsniveau of de nieuw opgerichte capaciteitsniveaus tijdens het eerste schooljaar waarin het geldt. |
| 8 | Aan de ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de ouders een hogere keuze gemaakt hadden dan de toegewezen school of vestigingsplaats, de aangemelde leerling heeft ingenomen. | 8 | Aan de ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de ouders een hogere keuze gemaakt hadden dan de toegewezen school of vestigingsplaats, de aangemelde leerling heeft ingenomen. |
| 9 | Indien bij de inschrijving blijkt dat de leerling niet voldoet aan de door de ouders opgegeven ordeningscriteria of voorrangsgroepen die aanleiding gaven tot de gunstige rangschikking en toewijzing, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven, tenzij de behandeling van klachten, vaststellingen en vragen, zoals bepaald in artikel 37/16, § 2, leidt tot een andere beslissing. | 9 | Indien bij de inschrijving blijkt dat de leerling niet voldoet aan de door de ouders opgegeven ordeningscriteria of voorrangsgroepen die aanleiding gaven tot de gunstige rangschikking en toewijzing, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven, tenzij de behandeling van klachten, vaststellingen en vragen, zoals bepaald in artikel 37/16, § 2, leidt tot een andere beslissing. |
| 10 | In afwijking van het derde lid, kunnen een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP beslissen om uiterlijk na de einddatum van de aanmeldingsperiode en voordat de resultaten van de aanmelding worden bekendgemaakt deze controle te doen. | 10 | In afwijking van het derde lid, kunnen een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP beslissen om op zijn vroegst na de einddatum van de aanmeldingsperiode en uiterlijk voordat de resultaten van de aanmelding worden bekendgemaakt deze controle te doen. |
| 11 | Wanneer een via de aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerdere inschrijving beëindigen. | 11 | Wanneer een via de aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerdere inschrijving beëindigen. |
| 12 | § 4. Indien de leerling in geen enkele school of vestigingsplaats gunstig gerangschikt kan worden, krijgen de ouders uiterlijk op de door de Vlaamse Regering bepaalde datum, schriftelijk of via elektronische drager melding over het niet kunnen toewijzen van de aangemelde leerling aan een door de ouders gekozen school of vestigingsplaats. | 12 | § 4. Indien de leerling in geen enkele school of vestigingsplaats gunstig gerangschikt kan worden, krijgen de ouders uiterlijk op de door de Vlaamse Regering bepaalde datum, schriftelijk of via elektronische drager melding over het niet kunnen toewijzen van de aangemelde leerling aan een door de ouders gekozen school of vestigingsplaats. |
| 12 | 6° leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 37/16, § 2 tot en met § 4, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit; | 12 | 6° leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 37/16, § 2 tot en met § 4, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit; |
| 13 | 7° leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, verhuisd zijn vanuit een andere gemeente en nu gedomicilieerd zijn in de gemeente van de vestigingsplaats. | 13 | 7° leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, verhuisd zijn vanuit een andere gemeente en nu gedomicilieerd zijn in de gemeente van de vestigingsplaats. |
| 14 | §2. In afwijking van artikel 37/20, § 4, moet een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling die in het lopende, het voorafgaande of het daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven was, en die met toepassing van artikel 15 of 16 terugkeert uit het buitengewoon onderwijs, inschrijven. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 20, §4, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school. | 14 | §2. In afwijking van artikel 37/20, § 4, moet een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling die in het lopende, het voorafgaande of het daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven was, en die met toepassing van artikel 15 of 16 terugkeert uit het buitengewoon onderwijs, inschrijven. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 20/1, §3, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school. |
| 15 | §3. In afwijking van artikel 37/20, §4, schrijft een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling in die in het voorafgaande schooljaar ingeschreven was in de school voor het kleuteronderwijs en die terugkeert uit een school voor het lager onderwijs omdat de leerling niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het lager onderwijs met toepassing van artikel 13/1. | 15 | §3. In afwijking van artikel 37/20, §4, schrijft een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling in die in het voorafgaande schooljaar ingeschreven was in de school voor het kleuteronderwijs en die terugkeert uit een school voor het lager onderwijs omdat de leerling niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het lager onderwijs met toepassing van artikel 13/1. |
| 6 | 1° op het einde van het huidige schooljaar; | 6 | 1° op het einde van het huidige schooljaar; |
| 7 | 2° op het einde van het daaropvolgende schooljaar. | 7 | 2° op het einde van het daaropvolgende schooljaar. |
| 8 | § 3. Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een IAC-verslag dan wel een wijziging van een IAC-verslag nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB en beslist op basis daarvan en nadat het IAC-verslag of het gewijzigd IAC-verslag werd afgeleverd , om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling op het einde van het huidige schooljaar of op het einde van het daaropvolgende schooljaar te ontbinden. | 8 | § 3. Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een IAC-verslag dan wel een wijziging van een IAC-verslag nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB en beslist op basis daarvan en nadat het IAC-verslag of het gewijzigd IAC-verslag is afgeleverd door het CLB, om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling op het einde van het huidige schooljaar of op het einde van het daaropvolgende schooljaar te ontbinden. |
| 9 | § 4. Elk schoolbestuur communiceert actief over het inschrijvingsrecht van leerlingen met een IAC-verslag in het gewoon onderwijs. | 9 | § 4. Elk schoolbestuur communiceert actief over het inschrijvingsrecht van leerlingen met een IAC-verslag in het gewoon onderwijs. |
| 1 | In afwijking van artikel 37/52, §1, eerste lid, dient een schoolbestuur dat in de onmogelijkheid verkeert of zal verkeren om bijkomende inschrijvingen te realiseren in een nieuw opgerichte school, vestigingsplaats, taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal, leerjaar of geboortejaar, en dat in de onmogelijkheid verkeerde om van de aanmeldingsprocedure gebruik te maken, een aanvraag in bij de CLR om alsnog leerlingen te kunnen weigeren op basis van capaciteit in het nieuw opgerichte capaciteitsniveau of de nieuw opgerichte capaciteitsniveaus vanwege deze uitzonderlijke omstandigheid in het eerste schooljaar van ontstaan. | ||
| 2 | De CLR beslist, binnen een termijn van veertien kalenderdagen na het ontvangen van de aanvraag, vermeld in het eerste lid, of en onder welke voorwaarden weigeringen op basis van capaciteit, vanwege deze uitzonderlijke omstandigheid, toegestaan worden. | ||
| 3 | Als het schoolbestuur al leerlingen geweigerd heeft, voorafgaand aan de aanvraag bij de CLR of de beslissing door de CLR, verwerven die leerlingen alsnog een onverkort recht op inschrijving als de CLR beslist geen weigeringen op basis van capaciteit, vanwege deze uitzonderlijke omstandigheid, toe te staan. | ||
| 4 | Als de CLR weigeringen op basis van capaciteit, vanwege deze uitzonderlijke omstandigheid toestaat, dan behandelt het schoolbestuur in voorkomend geval ook vragen over een erkenning van een uitzonderlijke situatie van een in te schrijven leerling als vermeld in artikel 37/51, §5. |
| 8 | Aan de ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de ouders een hogere keuze gemaakt hadden dan de toegewezen school of vestigingsplaats, de aangemelde leerling heeft ingenomen. | 8 | Aan de ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de ouders een hogere keuze gemaakt hadden dan de toegewezen school of vestigingsplaats, de aangemelde leerling heeft ingenomen. |
| 9 | Indien bij de inschrijving blijkt dat de leerling niet voldoet aan de door de ouders opgegeven ordeningscriteria of de opgegeven voorrangsgroep die aanleiding gaven tot de gunstige rangschikking en toewijzing, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven, tenzij de behandeling van klachten, vaststellingen en vragen, vermeld in artikel 37/51, § 3, leidt tot een andere beslissing. | 9 | Indien bij de inschrijving blijkt dat de leerling niet voldoet aan de door de ouders opgegeven ordeningscriteria of de opgegeven voorrangsgroep die aanleiding gaven tot de gunstige rangschikking en toewijzing, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven, tenzij de behandeling van klachten, vaststellingen en vragen, vermeld in artikel 37/51, § 3, leidt tot een andere beslissing. |
| 10 | In afwijking van het derde lid, kunnen een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP beslissen om uiterlijk na de einddatum van de aanmeldingsperiode en voordat de resultaten van de aanmelding worden bekendgemaakt deze controle te doen. | 10 | In afwijking van het derde lid, kunnen een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP beslissen om op zijn vroegst na de einddatum van de aanmeldingsperiode en uiterlijk voordat de resultaten van de aanmelding worden bekendgemaakt deze controle te doen. |
| 11 | Wanneer een via de aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerdere inschrijving beëindigen. | 11 | Wanneer een via de aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerdere inschrijving beëindigen. |
| 12 | § 4. Indien de leerling in geen enkele school of vestigingsplaats gunstig gerangschikt kan worden, krijgen de ouders uiterlijk op de door de Vlaamse Regering bepaalde datum, schriftelijk of via elektronische drager melding over het niet kunnen toewijzen van de aangemelde leerling aan een door de ouders gekozen school of vestigingsplaats. | 12 | § 4. Indien de leerling in geen enkele school of vestigingsplaats gunstig gerangschikt kan worden, krijgen de ouders uiterlijk op de door de Vlaamse Regering bepaalde datum, schriftelijk of via elektronische drager melding over het niet kunnen toewijzen van de aangemelde leerling aan een door de ouders gekozen school of vestigingsplaats. |
| 12 | 6° leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 37/51, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit; | 12 | 6° leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 37/51, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit; |
| 13 | 7° leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, verhuisd zijn vanuit een andere gemeente en nu gedomicilieerd zijn in de gemeente van de vestigingsplaats. | 13 | 7° leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, verhuisd zijn vanuit een andere gemeente en nu gedomicilieerd zijn in de gemeente van de vestigingsplaats. |
| 14 | §2. In afwijking van artikel 37/55, § 4, moet een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling die in het lopende, het voorafgaande of het daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven was, en die met toepassing van artikel 15 of 16 terugkeert uit het buitengewoon onderwijs, inschrijven. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 20, §4, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school. | 14 | §2. In afwijking van artikel 37/55, § 4, moet een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling die in het lopende, het voorafgaande of het daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven was, en die met toepassing van artikel 15 of 16 terugkeert uit het buitengewoon onderwijs, inschrijven. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 20/1, §3, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school. |
| 15 | §3. In afwijking van artikel 37/55, §4, schrijft een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling in die in het voorafgaande schooljaar ingeschreven was in de school voor het kleuteronderwijs en die terugkeert uit een school voor het lager onderwijs omdat de leerling niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het lager onderwijs met toepassing van artikel 13/1. | 15 | §3. In afwijking van artikel 37/55, §4, schrijft een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling in die in het voorafgaande schooljaar ingeschreven was in de school voor het kleuteronderwijs en die terugkeert uit een school voor het lager onderwijs omdat de leerling niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het lager onderwijs met toepassing van artikel 13/1. |
| 1 | § 1. Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget bedoeld in artikel 76 onder meer administratief, meester-, vak- en dienstpersoneel, opvoedend hulppersoneel en per-soneel voor specifieke opdrachten aanwerven. | 1 | § 1. Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget bedoeld in artikel 76 onder meer administratief, meester-, vak- en dienstpersoneel, opvoedend hulppersoneel en per-soneel voor specifieke opdrachten aanwerven. |
| 2 | Deze personeelsleden vallen onder de toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. | 2 | Deze personeelsleden vallen onder de toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. |
| 3 | § 2. Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel 76 of artikel 87quinquies, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie of ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken , personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het basisonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het basisonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. | 3 | § 2. Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel 76 of artikel 87quinquies, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken of ten laste van subsidies die de Stichting Leerpunt toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het basisonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het basisonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. |
| 4 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. | 4 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. |
| 5 | Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. | 5 | Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. |
| 6 | Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing. | 6 | Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing. |
| 7 | Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of de salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug. | 7 | Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of de salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug. |
| 8 | In het eerste lid wordt verstaan onder Stichting Leerpunt: de private stichting opgericht door de Vlaamse Regering bij beslissing van 16 december 2022, met ondernemingsnummer 0795.192.043. |
| 2 | 1° creërend acteur; | 2 | 1° creërend acteur; |
| 3 | 2° theaterregisseur; | 3 | 2° theaterregisseur; |
| 4 | 3° vertolkend acteur. | 4 | 3° vertolkend acteur; |
| 5 | 4° Audiomaker. | ||
| 5 | De Vlaamse Regering bepaalt welke beroepskwalificatie met welke studierichting behaald kan worden. | 6 | De Vlaamse Regering bepaalt welke beroepskwalificatie met welke studierichting behaald kan worden. |
| 6 | § 2. De onderwijsdoelen van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk. | 7 | § 2. De onderwijsdoelen van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk. |
| 1 | Een leerling kan een individueel aangepast curriculum volgen als de directeur en de betrokken leerkrachten na overleg met de leerling en de betrokken personen motiveren dat de leerling ondanks redelijke aanpassingen onvoldoende leerwinst kan boeken in het gemeenschappelijke curriculum, als de leerling voldoet aan een van de volgende voorwaarden: | 1 | Een leerling kan een individueel aangepast curriculum volgen als de directeur en de betrokken leerkrachten na overleg met de leerling en de betrokken personen motiveren dat de leerling ondanks redelijke aanpassingen onvoldoende leerwinst kan boeken in het gemeenschappelijke curriculum, als de leerling voldoet aan een van de volgende voorwaarden: |
| 2 | 1° beschikken over een IAC-verslag als vermeld in artikel 15 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997; | 2 | 1° beschikken over een IAC-verslag als vermeld in artikel 15 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997; |
| 3 | 2° beschikken over een IACverslag als vermeld in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs ; | 3 | 2° beschikken over een IACverslag als vermeld in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 of beschikken over een OV4-verslag als vermeld in artikel 294, §2, 2°, van de voormelde codex; |
| 4 | 3° erkend zijn als persoon met een handicap met toepassing van een Vlaamse, een andere Belgische of buitenlandse wetgeving; | 4 | 3° erkend zijn als persoon met een handicap met toepassing van een Vlaamse, een andere Belgische of buitenlandse wetgeving; |
| 5 | 4° een medisch attest kunnen voorleggen waaruit blijkt dat de leerling een aandoening heeft die de leerling verhindert om alle leeractiviteiten in het lessenrooster te volgen. Het attest is ondertekend door een arts, psycholoog of lid van een multidisciplinair team dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. | 5 | 4° een medisch attest kunnen voorleggen waaruit blijkt dat de leerling een aandoening heeft die de leerling verhindert om alle leeractiviteiten in het lessenrooster te volgen. Het attest is ondertekend door een arts, psycholoog of lid van een multidisciplinair team dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. |
| 10 | 4° de bepalingen over de evaluatie en de studiebekrachtiging, vermeld in artikel 59 tot en met 62. | 10 | 4° de bepalingen over de evaluatie en de studiebekrachtiging, vermeld in artikel 59 tot en met 62. |
| 11 | De directeur en de betrokken leerkrachten ontwikkelen het individueel aangepast curriculum in samenspraak met de leerling en de betrokken personen, bewaken de ontwikkelingsgerichtheid en nemen de nodige pedagogische, didactische en organisatorische maatregelen. De directeur en betrokken leerkrachten kunnen een beroep doen op externe deskundigen of op de pedagogische begeleidingsdienst. | 11 | De directeur en de betrokken leerkrachten ontwikkelen het individueel aangepast curriculum in samenspraak met de leerling en de betrokken personen, bewaken de ontwikkelingsgerichtheid en nemen de nodige pedagogische, didactische en organisatorische maatregelen. De directeur en betrokken leerkrachten kunnen een beroep doen op externe deskundigen of op de pedagogische begeleidingsdienst. |
| 12 | Een individueel aangepast curriculum duurt maximaal een leerjaar langer dan de graad waarin de leerling is ingeschreven. De leerling kan het leertraject niet verlengen. Bij het beëindigen van de graad reikt de academie aan de leerling een leerbewijs uit. | 12 | Een individueel aangepast curriculum duurt maximaal een leerjaar langer dan de graad of de kortlopende studierichting waarin de leerling is ingeschreven. De leerling kan het leertraject niet verlengen. Bij het beëindigen van de graad of de kortlopende studierichting reikt de academie aan de leerling een leerbewijs uit. |
| 13 | De onderwijsinspectie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten kunnen het individueel aangepast curriculum op elk moment inkijken in de academie. De coëfficiënten, vermeld in artikel 67, § 3, eerste en tweede lid, zijn van toepassing als de academie het individueel aangepast curriculum niet kan voorleggen en de leerling een lessenrooster volgt dat afwijkt van de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20. | 13 | De onderwijsinspectie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten kunnen het individueel aangepast curriculum op elk moment inkijken in de academie. De coëfficiënten, vermeld in artikel 67, § 3, eerste en tweede lid, zijn van toepassing als de academie het individueel aangepast curriculum niet kan voorleggen en de leerling een lessenrooster volgt dat afwijkt van de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20. |
| 1 | § 1. Het schoolbestuur beslist, met toepassing van de reglementering over overleg en onderhandeling, over de aanwending van de lestijden. | 1 | § 1. Het schoolbestuur beslist, met toepassing van de reglementering over overleg en onderhandeling, over de aanwending van de lestijden. |
| 2 | Het schoolbestuur kan het totale aantal toegekende lestijden aanwenden voor de organisatie van leeractiviteiten, muzikaal begeleiden en leeractiviteiten op maat. Het schoolbestuur kan maximaal 5 % van het aantal toegekende lestijden aanwenden voor pedagogische coördinatie. | 2 | Het schoolbestuur kan het totale aantal toegekende lestijden aanwenden voor de organisatie van leeractiviteiten, muzikaal begeleiden en leeractiviteiten op maat. Het schoolbestuur kan maximaal 5 % van het aantal toegekende lestijden aanwenden voor pedagogische coördinatie. Het resultaat van de berekening van dat percentage wordt afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier en naar het lagere geheel getal als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier. |
| 3 | § 2. Elke lestijd die voor leeractiviteiten aangewend wordt resulteert elke week van het schooljaar in een leeractiviteit van minstens vijftig minuten voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten en ministens zestig minuten voor de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek, of minstens vijftig of zestig minuten voor de domeinoverschrijdende initiatieopleiding, rekening houdend met de bepalingen over de organisatie van het schooljaar, vermeld in artikel 63 en 64. | 3 | § 2. Elke lestijd die voor leeractiviteiten aangewend wordt resulteert elke week van het schooljaar in een leeractiviteit van minstens vijftig minuten voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten en ministens zestig minuten voor de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek, of minstens vijftig of zestig minuten voor de domeinoverschrijdende initiatieopleiding, rekening houdend met de bepalingen over de organisatie van het schooljaar, vermeld in artikel 63 en 64. |
| 4 | In afwijking van het eerste lid bepaalt de Vlaamse Regering de voorwaarden waaronder een academie de wekelijkse leeractiviteiten kan clusteren in grotere gehelen, verplaatsen of vervangen door extra-murosactiviteiten. | 4 | In afwijking van het eerste lid bepaalt de Vlaamse Regering de voorwaarden waaronder een academie de wekelijkse leeractiviteiten kan clusteren in grotere gehelen, verplaatsen of vervangen door extra-murosactiviteiten. |
| 1 | Het schoolbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 83 en 84, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie, of ten laste van de eigen middelen, personeel aanwerven. | 1 | Het schoolbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 83 en 84, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van subsidies die de Stichting Leerpunt toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie, of ten laste van de eigen middelen, personeel aanwerven. |
| 2 | In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. | 2 | In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. |
| 3 | In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs. | 3 | In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs. |
| 6 | Het personeelslid dat door een schoolbestuur van een academie van het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven conform het derde lid, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing. | 6 | Het personeelslid dat door een schoolbestuur van een academie van het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven conform het derde lid, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing. |
| 7 | Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Het Agentschap voor Onderwijsdiensten vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug. | 7 | Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Het Agentschap voor Onderwijsdiensten vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug. |
| 8 | In het eerste lid wordt verstaan onder Stichting Leerpunt: de private stichting opgericht door de Vlaamse Regering bij beslissing van 16 december 2022, met ondernemingsnummer 0795.192.043. | ||
| 1 | Voor het schooljaar 2018-2019 bedraagt het inschrijvingsgeld : | 1 | Voor het schooljaar 2018-2019 bedraagt het inschrijvingsgeld : |
| 2 | 1° 307 euro; | 2 | 1° 307 euro; |
| 3 | 2° 129 euro als de leerling de leeftijd van 25 jaar niet heeft bereikt of voldoet aan een voorwaarde als vermeld in artikel 92, § 1 of § 2; | 3 | 2° 129 euro als de leerling de leeftijd van 25 jaar niet heeft bereikt op 31 december van het schooljaar in kwestie of voldoet aan een voorwaarde als vermeld in artikel 92, § 1 of § 2; |
| 4 | 3° 65 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie; | 4 | 3° 65 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie; |
| 5 | 4° 42 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het betrokken schooljaar en voldoet aan een voorwaarde als vermeld in artikel 92. | 5 | 4° 42 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het betrokken schooljaar en voldoet aan een voorwaarde als vermeld in artikel 92. |
| 1 | §1. De bepalingen van deel III van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs, buitengewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs. | 1 | §1. De bepalingen van deel III van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs, buitengewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs. |
| 2 | In afwijking van het eerste lid: | 2 | In afwijking van het eerste lid: |
| 3 | 1° ... | 3 | 1° ... |
| 4 | 2° gelden artikel 96 tot en met 99, 115/1 en 116 tot en met 120 niet voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs; | 4 | 2° gelden artikel 96 tot en met 99, 115/1 en 116 tot en met 120 niet voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs; |
| 5 | 3° gelden artikel 110/1 tot en met 110/18, 111 en 112, 122/2 tot en met 122/6, 123/2 tot en met 123/4, 123/6 tot en met 123/24/5 ook voor de leertijd. | 5 | 3° gelden artikel 110/1 tot en met 110/18, 111 en 112, 122/2 tot en met 122/6, 123/2 tot en met 123/4, 123/6 tot en met 123/24/5 ook voor de leertijd. |
| 6 | §2. De bepalingen van deel IV van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs. | 6 | §2. De bepalingen van deel IV van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs. |
| 7 | De artikelen 216 en 242 tot en met 251/1 gelden ook voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs. | 7 | De artikelen 216 en 242 tot en met 251/1 gelden ook voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs. |
| 8 | De artikelen 253/1 tot en met 253/31 zijn enkel van toepassing op de scholen gelegen in het Nederlandse taalgebied. De artikelen 253/33 tot en met 253/63 zijn enkel van toepassing op de scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. | 8 | De artikelen 253/1 tot en met 253/31 zijn enkel van toepassing op de scholen gelegen in het Nederlandse taalgebied. De artikelen 253/33 tot en met 253/63 zijn enkel van toepassing op de scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. |
| 9 | Artikel 253/1 tot en met 253/6, artikel 253/21 tot en met 253/37, en artikel 253/52 tot en met 253/61 gelden ook voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd. | 9 | Artikel 253/1 tot en met 253/6, artikel 253/21 tot en met 253/37, en artikel 253/52 tot en met 253/61 gelden ook voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd. |
| 10 | Artikel 253/1 tot en met 253/61 zijn niet van toepassing op de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die worden georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs. | 10 | Artikel 253/1 tot en met 253/61 zijn niet van toepassing op de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die worden georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs. |
| 11 | §2/1. De bepalingen van deel III en deel IV van de codificatie zijn ook van toepassing op de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die worden georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld en met behoud van toepassing van de bepalingen van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013. | 11 | §2/1. De bepalingen van deel III en deel IV van de codificatie zijn ook van toepassing op de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die worden georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld en met behoud van toepassing van de bepalingen van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013. |
| 12 | § 3. De bepalingen van deel V van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van artikel 357, dat niet van toepassing is op het buitengewoon secundair onderwijs, maar enkel op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs. | 12 | § 3. De bepalingen van deel V van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van artikel 357, dat niet van toepassing is op het buitengewoon secundair onderwijs, maar enkel op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs. |
| 13 | De artikelen 295/1 tot en met 295/15 zijn niet van toepassing op de ziekenhuisscholen. | 13 | De artikelen 295/1 tot en met 295/15 zijn niet van toepassing op de ziekenhuisscholen. |
| 14 | De artikelen 351 tot en met 356 gelden ook voor het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die worden georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs. | 14 | De artikelen 351 tot en met 356 gelden ook voor het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die worden georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs. |
| 15 | §3/1. De bepalingen van deel V/1 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen. | 15 | §3/1. De bepalingen van deel V/1 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen. |
| 16 | De bepalingen van deel V/2 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen. | 16 | De bepalingen van deel V/2 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen. |
| 17 | §3/2. De bepalingen van deel V/3 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor buitengewoon secundair onderwijs met opleidingsvorm 3 en 4 met duale structuuronderdelen.". | 17 | §3/2. De bepalingen van deel V/3 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor buitengewoon secundair onderwijs met opleidingsvorm 3 en 4 met duale structuuronderdelen.". |
| 18 | §4. Deel VI bevat een overzicht van de uitwerkingsdatum van de artikelen van de codificatie en deel VII wijzigt de verwijzingen naar artikelen die opgenomen zijn in de codificatie betreffende het secundair onderwijs. | 18 | §4. Deel VI bevat een overzicht van de uitwerkingsdatum van de artikelen van de codificatie en deel VII wijzigt de verwijzingen naar artikelen die opgenomen zijn in de codificatie betreffende het secundair onderwijs. |
| 19 | §5. De codificatie is niet van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde onderwijsinternaten en semi-internaten. (1) | 19 | §5. De codificatie is niet van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde onderwijsinternaten en semi-internaten. (1) |
| 20 | §6. Op duale structuuronderdelen en aanloopstructuuronderdelen, ingericht door een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, zijn de volgende artikelen van toepassing: artikel 4 tot en met 10, artikel 12, artikel 14, § 1 en § 3, artikel 15, uitgezonderd paragraaf 1, 16°, artikel 35 tot en met 38, artikel 41 tot en met 43, artikel 47, 48, artikel 70, artikel 100 tot en met 103, artikel 106 tot en met 108, artikel 110/1 tot en met 110/18, artikel 111, 112, artikel 115 tot en met 117/1, artikel 122 tot en met 123/19, artikel 136 tot en met 136/6, artikel 150, artikel 157/1, artikel 169 tot en met 173, artikel 252, 252/1, 253, artikel 253/1 tot en met 253/6, artikel 253/21 tot en met 253/37, artikel 253/54 tot en met 253/63 en 256/11. | 20 | §6. Op duale structuuronderdelen en aanloopstructuuronderdelen, ingericht door een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, zijn de volgende artikelen van toepassing: artikel 4 tot en met 10, artikel 12, artikel 14, § 1 en § 3, artikel 15, uitgezonderd paragraaf 1, 16°, artikel 35 tot en met 38, artikel 41 tot en met 43, artikel 47, 48, artikel 70, artikel 100 tot en met 103, artikel 106 tot en met 108, artikel 110/1 tot en met 110/18, artikel 111 tot en met 117/1, artikel 122 tot en met 123/19, artikel 134/2, artikel 136 tot en met 136/6, artikel 150, artikel 157/1, artikel 169 tot en met 173, artikel 252, 252/1, 253, artikel 253/1 tot en met 253/6, artikel 253/21 tot en met 253/37, artikel 253/54 tot en met 253/63 en 256/11. |
| 8 | Indien de voortgang van het leerproces, met inachtname van de studiebewijzen waarover de leerling beschikt en met inachtname van de regelgeving betreffende de toelatings- of instapvoorwaarden in het secundair onderwijs, het behoud of de verandering van vestigingsplaats of structuuronderdeel noodzakelijk maakt, dan kan die niet worden gestuit. Indien zich daarbij verschillende keuzemogelijkheden qua structuuronderdeel voordoen, dan kan de leerling niet tot een welbepaald structuuronderdeel worden gedwongen. | 8 | Indien de voortgang van het leerproces, met inachtname van de studiebewijzen waarover de leerling beschikt en met inachtname van de regelgeving betreffende de toelatings- of instapvoorwaarden in het secundair onderwijs, het behoud of de verandering van vestigingsplaats of structuuronderdeel noodzakelijk maakt, dan kan die niet worden gestuit. Indien zich daarbij verschillende keuzemogelijkheden qua structuuronderdeel voordoen, dan kan de leerling niet tot een welbepaald structuuronderdeel worden gedwongen. |
| 9 | Het verworven recht als ingeschreven leerling blijft behouden indien van de school een deel wordt afgesplitst en ondergebracht in een nieuwe school van hetzelfde schoolbestuur. | 9 | Het verworven recht als ingeschreven leerling blijft behouden indien van de school een deel wordt afgesplitst en ondergebracht in een nieuwe school van hetzelfde schoolbestuur. |
| 10 | Het verworven recht als ingeschreven leerling geldt voor een leerling die gedurende een schooljaar permanent onderwijs aan huis heeft gevolgd in een type en opleidingsvorm in een school, dat ingericht wordt door die school, als de leerling de lessen kan bijwonen in diezelfde school met het oog op het onmiddellijk daaropvolgend schooljaar. Dit is alleen mogelijk als de ouders het pedagogisch project en het schoolreglement voor akkoord ondertekenen voor de start van de lesbijwoning. | ||
| 10 | §4. Een schoolbestuur met scholen waarvan één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan, afzonderlijk in het gewoon en in het buitengewoon secundair onderwijs, ervoor opteren om bij de overgang van een leerling van de ene secundaire school naar de andere secundaire school de inschrijvingen te laten doorlopen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement. | 11 | §4. Een schoolbestuur met scholen waarvan één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan, afzonderlijk in het gewoon en in het buitengewoon secundair onderwijs, ervoor opteren om bij de overgang van een leerling van de ene secundaire school naar de andere secundaire school de inschrijvingen te laten doorlopen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement. |
| 11 | §5. Een school- of centrumbestuur met scholen of centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waarvan één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan ervoor opteren om voor de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 1/1 en 1/2 van deze codex, de desbetreffende vestigingsplaatsen als één school of centrum te beschouwen. Een school- of centrumbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn school- of centrumreglement. | 12 | §5. Een school- of centrumbestuur met scholen of centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waarvan één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan ervoor opteren om voor de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 1/1 en 1/2 van deze codex, de desbetreffende vestigingsplaatsen als één school of centrum te beschouwen. Een school- of centrumbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn school- of centrumreglement. |
| 10 | Wanneer een via een aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerder gerealiseerde inschrijving beëindigen. | 10 | Wanneer een via een aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerder gerealiseerde inschrijving beëindigen. |
| 11 | Leerlingen van wie het recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen, worden overeenkomstig artikel 110/12, § 2, vervangen. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad worden, in afwijking van artikel 110/12, § 2, leerlingen als vermeld in artikel 110/7 die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 110/5 wiens recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen, vervangen door de eerstvolgend gerangschikte leerlingen, als vermeld in artikel 110/7 die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 110/5, met behoud van artikel 110/3 en 110/4. Deze ouders krijgen binnen vier werkdagen na de nodige vaststellingen door het schoolbestuur of het LOP schriftelijk of via elektronische drager melding dat de aangemelde leerling alsnog is toegewezen. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal vijf schooldagen. | 11 | Leerlingen van wie het recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen, worden overeenkomstig artikel 110/12, § 2, vervangen. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad worden, in afwijking van artikel 110/12, § 2, leerlingen als vermeld in artikel 110/7 die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 110/5 wiens recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen, vervangen door de eerstvolgend gerangschikte leerlingen, als vermeld in artikel 110/7 die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 110/5, met behoud van artikel 110/3 en 110/4. Deze ouders krijgen binnen vier werkdagen na de nodige vaststellingen door het schoolbestuur of het LOP schriftelijk of via elektronische drager melding dat de aangemelde leerling alsnog is toegewezen. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal vijf schooldagen. |
| 12 | In afwijking van het zevende lid, kunnen een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP beslissen om uiterlijk na de einddatum van de aanmeldingsperiode en voordat de resultaten van de aanmelding worden bekendgemaakt deze controle te doen. | 12 | In afwijking van het zevende lid, kunnen een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP beslissen om op zijn vroegst na de einddatum van de aanmeldingsperiode en uiterlijk voordat de resultaten van de aanmelding worden bekendgemaakt deze controle te doen. |
| 13 | § 3. Indien de leerling in geen enkele school of vestigingsplaats gunstig gerangschikt kan worden, krijgen de aangemelde leerling en zijn ouders binnen vier werkdagen, schriftelijk of via elektronische drager melding over het niet kunnen toewijzen van de aangemelde leerling aan een door de ouders of leerling gekozen school of vestigingsplaats. | 13 | § 3. Indien de leerling in geen enkele school of vestigingsplaats gunstig gerangschikt kan worden, krijgen de aangemelde leerling en zijn ouders binnen vier werkdagen, schriftelijk of via elektronische drager melding over het niet kunnen toewijzen van de aangemelde leerling aan een door de ouders of leerling gekozen school of vestigingsplaats. |
| 14 | Aan de aangemelde leerling en zijn ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de aangemelde leerling of zijn ouders hadden gekozen, de aangemelde leerling heeft ingenomen. | 14 | Aan de aangemelde leerling en zijn ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de aangemelde leerling of zijn ouders hadden gekozen, de aangemelde leerling heeft ingenomen. |
| 1 | Een leerlingenstage is gebaseerd op een leerlingenstageovereenkomst gesloten tussen de school, de stagegever en de betrokken personen. De eindverantwoordelijkheid voor de keuze van de stagegever, de vaststelling van de stageactiviteiten evenals de begeleiding en beoordeling van de leerling-stagiair, ligt bij de school. | 1 | Een leerlingenstage is gebaseerd op een leerlingenstageovereenkomst gesloten tussen de school, de stagegever en de betrokken personen. De eindverantwoordelijkheid voor de keuze van de stagegever, de vaststelling van de stageactiviteiten evenals de begeleiding en beoordeling van de leerling-stagiair, ligt bij de school. |
| 2 | Elke leerlingenstage is onbezoldigd. | 2 | Elke leerlingenstage is onbezoldigd. |
| 3 | Indien de leerling-stagiair bij de uitvoering van zijn stage de stagegever of derden schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is de leerling-stagiair enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt. De aansprakelijkheid van de vader en de moeder in de zin van artikel 1384, tweede lidvan het burgerlijk wetboek geldt enkel wanneer de minderjarige leerling-stagiair overeenkomstig de hier voormelde gevallenpersoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld. | 3 | Indien de leerling-stagiair bij de uitvoering van zijn stage de stagegever of derden schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is de leerling-stagiair enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt. De aansprakelijkheid van titularissen van het gezag over de persoon van minderjarigen, vermeld in artikel 6.12 van het Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als de minderjarige leerling-stagiair conform de gevallen, vermeld in dit lid, persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld. De aansprakelijkheid van personen belast met het toezicht op anderen, vermeld in artikel 6.13 van het Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als de leerling-stagiair conform de gevallen, vermeld in dit lid, persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld. |
| 4 | De stagegever is een aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. | 4 | De stagegever is een aansteller als vermeld in artikel 6.14, §1, van het Burgerlijk Wetboek. |
| 5 | Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig. | 5 | Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig. |
| 6 | De Vlaamse Regering kan de praktische organisatie van en de minimale kwaliteitskenmerken voor leerlingenstages nader bepalen. | 6 | De Vlaamse Regering kan de praktische organisatie van en de minimale kwaliteitskenmerken voor leerlingenstages nader bepalen. |
| 27 | 2° wordt het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 1 en 2, opgenomen, maar buiten de ordening op basis van studiedomeinen, finaliteiten en onderwijsvormen; | 27 | 2° wordt het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 1 en 2, opgenomen, maar buiten de ordening op basis van studiedomeinen, finaliteiten en onderwijsvormen; |
| 28 | 3° wordt het onthaaljaar niet opgenomen; | 28 | 3° wordt het onthaaljaar niet opgenomen; |
| 29 | 4° worden de 7de leerjaren niet aan onderwijsvormen gekoppeld, behalve bij financiering als die ook voor andere structuuronderdelen dan de 7de leerjaren op onderwijsvormen is gebaseerd | 29 | 4° worden de 7de leerjaren niet aan onderwijsvormen gekoppeld, behalve bij financiering als die ook voor andere structuuronderdelen dan de 7de leerjaren op onderwijsvormen is gebaseerd en voor de toepassing van de personeels- regelgeving; |
| 30 | . | ||
| 30 | 5° worden de 7de leerjaren niet aan finaliteiten gekoppeld. | ||
| 31 | Met inachtname van het eerste tot en met het achtste lid legt de Vlaamse Regering de matrix vast. | 31 | Met inachtname van het eerste tot en met het achtste lid legt de Vlaamse Regering de matrix vast. |
| 32 | De Vlaamse Regering bepaalt ook de niche-studierichtingen en de beperkingen of voorwaarden die, per niche-studierichting, aan het aanbod zijn gekoppeld. | 32 | De Vlaamse Regering bepaalt ook de niche-studierichtingen en de beperkingen of voorwaarden die, per niche-studierichting, aan het aanbod zijn gekoppeld. |
| 3 | - de norm vastgelegd in de sectoren en niveaus waarvoor reglementaire programmatie- of rationalisatienormen gelden; | 3 | - de norm vastgelegd in de sectoren en niveaus waarvoor reglementaire programmatie- of rationalisatienormen gelden; |
| 4 | - het bepalen van het werkingsbudget en/of uitrustingskredieten en -toelagen. | 4 | - het bepalen van het werkingsbudget en/of uitrustingskredieten en -toelagen. |
| 5 | § 2. In afwijking van § 1 worden voor de telling per school voor voltijds secundair onderwijs van het aantal regelmatige leerlingen van de opties van de derde graad van het technisch en het kunstsecundair onderwijs aangeduid als secundair na secundair en van het aantal cursisten van het hoger beroepsonderwijs, twee data vastgesteld in het schooljaar voorafgaand aan het betrokken schooljaar : | 5 | § 2. In afwijking van § 1 worden voor de telling per school voor voltijds secundair onderwijs van het aantal regelmatige leerlingen van 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt die over één of drie semesters worden georganiseerd en van het aantal cursisten van het hoger beroepsonderwijs, twee data vastgesteld in het schooljaar voorafgaand aan het betrokken schooljaar : |
| 6 | - namelijk 15 januari of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt, | 6 | - namelijk 15 januari of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt, |
| 7 | - en 15 mei of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt. | 7 | - en 15 mei of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt. |
| 1 | Voor de toepassing van de omkaderingsnormen voor de diverse personeelscategorieën, de bepaling van het werkingsbudget en de toepassing van de reglementaire bepalingen inzake programmatie of rationalisatie, wordt, voor wat betreft een optie aangeduid als 7de leerjaar van het technisch of kunstsecundair onderwijs, het hoogste aantal regelmatige leerlingen dat wordt geteld op één van beide teldata zoals bepaald in artikel 169, geacht ook het aantal regelmatige leerlingen te zijn op de andere teldatum. Deze bepaling geldt evenwel niet indien op laatstgenoemde datum geen regelmatige leerlingen kunnen worden geteld omdat de school ervoor heeft gekozen in het lopende semester de betrokken optie niet in het studieaanbod te voorzien, waardoor er geen inschrijvingen konden worden gerealiseerd. (169) | ||
| 1 | Voor 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt die over één of drie semesters worden georganiseerd geldt het volgende: | ||
| 2 | 1° voor de toepassing van de omkaderingsnormen voor de diverse personeelscategorieën en de bepaling van het werkingsbudget worden de leerlingen op beide teldata, vermeld in artikel 169, voor een halve eenheid in aanmerking genomen; | ||
| 3 | 2° voor de toepassing van de rationalisatienormen wordt het hoogste aantal regelmatige leerlingen dat wordt geteld op een van beide teldata, vermeld in artikel 169, geacht ook het aantal regelmatige leerlingen te zijn op de andere teldatum; | ||
| 4 | 3° in afwijking van artikel 179 wordt voor de toepassing van de minimumnorm van vijf regelmatige leerlingen, het hoogste aantal regelmatige leerlingen geteld op 1 oktober of 1 maart. |
| 2 | 1° het eerste leerjaar A; | 2 | 1° het eerste leerjaar A; |
| 3 | 2° het eerste leerjaar B; | 3 | 2° het eerste leerjaar B; |
| 4 | 3° een nietniche basisoptie van het tweede leerjaar A; | 4 | 3° een niet-niche basisoptie van het tweede leerjaar A; |
| 5 | 4° een nietniche basisoptie van het tweede leerjaar B; | 5 | 4° een niet-niche basisoptie van het tweede leerjaar B; |
| 6 | 5° een niet-niche structuuronderdeel van een studiedomein én onderwijsvorm dat de school al organiseert; | 6 | 5° een niet-niche structuuronderdeel van een studiedomein én onderwijsvorm dat de school al organiseert; |
| 7 | 6° een niet-niche domeinoverschrijdend structuuronderdeel aso als de school al minstens één domeinoverschrijdend structuuronderdeel aso organiseert; | 7 | 6° een niet-niche domeinoverschrijdend structuuronderdeel aso als de school al minstens één domeinoverschrijdend structuuronderdeel aso organiseert; |
| 8 | 7° een duaal structuuronderdeel dat dezelfde naam heeft als een nietduaal structuuronderdeel dat de school al organiseert of mag organiseren, en omgekeerd. Het voormelde geldt niet bij programmatie van een niet-duaal structuuronderdeel door een school voor voltijds secundair onderwijs als alleen het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat aan die school is verbonden, het gelijknamige duale structuuronderdeel al organiseert; | 8 | 7° een duaal structuuronderdeel dat dezelfde naam heeft als een niet-duaal structuuronderdeel dat de school al organiseert of mag organiseren, en omgekeerd. Het voormelde geldt niet bij programmatie van een niet-duaal structuuronderdeel door een school voor voltijds secundair onderwijs als alleen het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat aan die school is verbonden, het gelijknamige duale structuuronderdeel al organiseert; |
| 9 | 8° een of meer structuuronderdelen van een of meer studiedomeinen als al de volgende voorwaarden zijn vervuld: | 9 | 8° een of meer structuuronderdelen van een of meer studiedomeinen als al de volgende voorwaarden zijn vervuld: |
| 10 | a) de structuuronderdelen zijn geen nichestructuuronderdelen; | 10 | a) de structuuronderdelen zijn geen niche-structuuronderdelen; |
| 11 | b) de programmatie is beperkt tot het strikt noodzakelijke om in een of meer studiedomeinen een domeinschool te worden; | 11 | b) de programmatie is beperkt tot het strikt noodzakelijke om in een of meer studiedomeinen een domeinschool te worden; |
| 12 | c) de programmatie door middel van één geïntegreerd dossier wordt ingediend; | 12 | c) de programmatie door middel van één geïntegreerd dossier wordt ingediend; |
| 13 | 9° een domeinoverschrijdend structuuronderdeel aso op voorwaarde dat de school een domeinschool of campusschool is. | 13 | 9° een domeinoverschrijdend structuuronderdeel aso op voorwaarde dat de school een domeinschool of campusschool is; |
| 14 | 10° het domeinoverschrijdend structuuronderdeel bijzondere wetenschappelijke vorming in het 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs als de school al de derde graad van de doorstroomfinaliteit of de dubbele finaliteit organiseert; | 14 | 10° het domeinoverschrijdend structuuronderdeel bijzondere wetenschappelijke vorming in het 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs als de school al de derde graad van de doorstroomfinaliteit of de dubbele finaliteit organiseert; |
| 15 | 11° het domeinoverschrijdend structuuronderdeel in het 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs en dat leidt tot een diploma dat toegang verleent tot een bacheloropleiding als de school al de derde graad van de arbeidsmarktfinaliteit organiseert; | 15 | 11° het domeinoverschrijdend structuuronderdeel in het 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs en dat leidt tot een diploma dat toegang verleent tot een bacheloropleiding als de school al de derde graad van de arbeidsmarktfinaliteit organiseert; |
| 16 | 12° een niet-niche structuuronderdeel van het studiedomein kunst en creatie in het 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs als de school al het studiedomein kunst en creatie in de derde graad van de doorstroomfinaliteit of de dubbele finaliteit organiseert; | 16 | 12° een niet-niche structuuronderdeel van het studiedomein kunst en creatie in het 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs als de school al het studiedomein kunst en creatie in de derde graad van de doorstroomfinaliteit of de dubbele finaliteit organiseert; |
| 17 | 13° een niet-niche structuuronderdeel van een studiedomein in het 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 4, als de school al dat studiedomein in de derde graad van de dubbele finaliteit organiseert; | 17 | 13° een niet-niche structuuronderdeel van een studiedomein in het 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 4, als de school al dat studiedomein in de derde graad van de dubbele finaliteit organiseert; |
| 18 | 14° een niet-niche structuuronderdeel van een studiedomein in het 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 3, als de school al dat studiedomein in de derde graad van de dubbele finaliteit of de arbeidsmarktfinaliteit organiseert. | 18 | 14° een niet-niche structuuronderdeel van een studiedomein in het 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 3, als de school al dat studiedomein in de derde graad van de dubbele finaliteit of de arbeidsmarktfinaliteit organiseert; |
| 19 | 15° een of meer structuuronderdelen als al de volgende voorwaarden zijn vervuld: | ||
| 20 | a) de programmatie is het rechtstreekse gevolg van een manifeste overmachtssituatie die, omwille van bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne, de ingebruikname van een andere vestigingsplaats noodzakelijk maakt, of van een verhuis naar aanleiding van een overmachtssituatie; | ||
| 21 | b) de programmatie heeft alleen betrekking op structuuronderdelen die de school al inricht of mag inrichten en die door de overmachtssituatie zijn gevat; | ||
| 22 | c) de minimumnorm, vermeld in artikel 179, is niet van toepassing. | ||
| 19 | Het schoolbestuur meldt de programmatie schriftelijk bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap uiterlijk op 1 april van het voorafgaande schooljaar en uiterlijk op 30 september van het lopende schooljaar als het een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt betreft dat van start gaat op 1 februari daaropvolgend. Bij de voormelde melding worden de volgende documenten gevoegd: | 23 | Het schoolbestuur meldt de programmatie schriftelijk bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap uiterlijk op 1 april van het voorafgaande schooljaar en uiterlijk op 30 september van het lopende schooljaar als het een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt betreft dat van start gaat op 1 februari daaropvolgend. Van deze termijnen kan, voor de programmaties, vermeld in het eerste lid, 15°, de Vlaamse Regering afwijken. Bij de voormelde melding worden de volgende documenten gevoegd: |
| 20 | 1° het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité; | 24 | 1° het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité; |
| 21 | 2° als de school tot een scholengemeenschap behoort: een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt. | 25 | 2° als de school tot een scholengemeenschap behoort: een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt. |
| 22 | Als de programmatie het rechtstreekse gevolg is van een manifeste overmachtssituatie die, omwille van bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne, de ingebruikname van een andere vestigingsplaats noodzakelijk maakt, kan de Vlaamse Regering afwijken van de termijnen, vermeld in dit artikel. Mits toegestane afwijking: | ||
| 23 | 1° blijft, onder de voorwaarden van dit artikel, de programmatie vrij; | ||
| 24 | 2° kan de programmatie enkel betrekking hebben op structuuronderdelen die de school al inricht of mag inrichten en die door de overmachtssituatie zijn gevat; | ||
| 25 | 3° is de minimumnorm, vermeld in artikel 179, niet van toepassing. | ||
| 4 | 2° de programmatie van een niche structuuronderdeel van een studiedomein in het 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 3, als de school al dat studiedomein in de derde graad van de dubbele finaliteit of de arbeidsmarktfinaliteit organiseert. | 4 | 2° de programmatie van een niche structuuronderdeel van een studiedomein in het 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 3, als de school al dat studiedomein in de derde graad van de dubbele finaliteit of de arbeidsmarktfinaliteit organiseert. |
| 5 | De motivering van de aanvraag, vermeld in het eerste lid, houdt in elk geval rekening met de criteria, vermeld in het vijfde lid, 1° tot en met 8°. Bij de voormelde aanvraag worden de volgende documenten gevoegd: | 5 | De motivering van de aanvraag, vermeld in het eerste lid, houdt in elk geval rekening met de criteria, vermeld in het vijfde lid, 1° tot en met 8°. Bij de voormelde aanvraag worden de volgende documenten gevoegd: |
| 6 | 1° het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité; 2° als de school tot een scholengemeenschap behoort: een uittreksel van het | 6 | 1° het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité; |
| 7 | proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt. | 7 | 2° als de school tot een scholengemeenschap behoort: een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt. |
| 8 | De Vlaamse Regering beslist over de programmatie na advies van de volgende instanties: | 8 | De Vlaamse Regering beslist over de programmatie na advies van de volgende instanties: |
| 9 | 1° de onderwijsinspectie en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap; 2° de Vlaamse Onderwijsraad; | 9 | 1° de onderwijsinspectie en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap; |
| 10 | 2° de Vlaamse Onderwijsraad; | ||
| 10 | 3° in geval van een structuuronderdeel met dubbele finaliteit of finaliteit arbeidsmarkt: de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen. | 11 | 3° in geval van een structuuronderdeel met dubbele finaliteit of finaliteit arbeidsmarkt: de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen. |
| 11 | De Vlaamse Regering houdt bij haar beslissing, vermeld in het vierde lid, rekening met de volgende cumulatieve criteria: | 12 | De Vlaamse Regering houdt bij haar beslissing, vermeld in het vierde lid, rekening met de volgende cumulatieve criteria: |
| 14 | 3° de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften op het vlak van het aanbod van secundair onderwijs in de onderwijszone in kwestie, met het oog op vervolgonderwijs of toetreding tot de arbeidsmarkt; | 15 | 3° de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften op het vlak van het aanbod van secundair onderwijs in de onderwijszone in kwestie, met het oog op vervolgonderwijs of toetreding tot de arbeidsmarkt; |
| 15 | 4° de keuzevrijheid van ouders en leerlingen; | 16 | 4° de keuzevrijheid van ouders en leerlingen; |
| 16 | 5° de studiecontinuïteit van leerlingen binnen de school of de scholengemeenschap; 6° in geval van een structuuronderdeel met dubbele finaliteit of finaliteit arbeids- | 17 | 5° de studiecontinuïteit van leerlingen binnen de school of de scholengemeenschap; |
| 17 | markt: | ||
| 18 | 6° in geval van een structuuronderdeel met dubbele finaliteit of finaliteit arbeidsmarkt: | ||
| 18 | a) de getroffen voorbereidingen op het vlak van materiële infrastructuur en leermiddelen die voldoende en gepast zijn met het oog op de te verwerven competenties van het geprogrammeerde structuuronderdeel; | 19 | a) de getroffen voorbereidingen op het vlak van materiële infrastructuur en leermiddelen die voldoende en gepast zijn met het oog op de te verwerven competenties van het geprogrammeerde structuuronderdeel; |
| 19 | b) de aantoonbare samenwerkingsmogelijkheden met lokale arbeidsmarktactoren en de bedrijfswereld; | 20 | b) de aantoonbare samenwerkingsmogelijkheden met lokale arbeidsmarktactoren en de bedrijfswereld; |
| 21 | 8° in geval van een duaal structuuronderdeel: de afstemming binnen het overlegforum, vermeld in artikel 357/32. | 22 | 8° in geval van een duaal structuuronderdeel: de afstemming binnen het overlegforum, vermeld in artikel 357/32. |
| 22 | De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 maart van het voorafgaande schooljaar en uiterlijk op 15 december van het lopende schooljaar als het een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt betreft dat van start gaat op 1 februari daaropvolgend. De voormelde beslissingstermijnen gelden als ordetermijnen. | 23 | De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 maart van het voorafgaande schooljaar en uiterlijk op 15 december van het lopende schooljaar als het een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt betreft dat van start gaat op 1 februari daaropvolgend. De voormelde beslissingstermijnen gelden als ordetermijnen. |
| 23 | Als de programmatie het rechtstreekse gevolg is van een manifeste overmachtssituatie die, omwille van bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne, de ingebruikname van een andere vestigingsplaats noodzakelijk maakt, kan de Vlaamse Regering afwijken van de termijnen, vermeld in dit artikel. Mits toegestane afwijking: | ||
| 24 | 1° blijft, onder de voorwaarden van dit artikel, de programmatie afhankelijk van een beslissing van de Vlaamse Regering; | ||
| 25 | 2° kan de programmatie enkel betrekking hebben op structuuronderdelen die de school al inricht of mag inrichten en die door de overmachtssituatie zijn gevat; | ||
| 26 | 3° is de minimumnorm, vermeld in artikel 179, niet van toepassing. | ||
| 1 | Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget vermeld in artikel 249, 48/2 of 48/3, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie of ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken , personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het gewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het gewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. | 1 | Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget vermeld in artikel 249, 48/2 of 48/3, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie , ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken of ten laste van subsidies die de Stichting Leerpunt toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het gewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het gewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. |
| 2 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. | 2 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. |
| 3 | Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. | 3 | Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. |
| 4 | Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing. | 4 | Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing. |
| 5 | Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug. | 5 | Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug. |
| 6 | In het eerste lid wordt verstaan onder Stichting Leerpunt: de private stichting opgericht door de Vlaamse Regering bij beslissing van 16 december 2022, met ondernemingsnummer 0795.192.043. |
| 7 | 2° op het einde van het daaropvolgende schooljaar. | 7 | 2° op het einde van het daaropvolgende schooljaar. |
| 8 | § 3. Als tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een IAC-verslag of OV4-verslag dan wel een wijziging van een IAC-verslag of OV4-verslag nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de betrokken personen en het CLB. | 8 | § 3. Als tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een IAC-verslag of OV4-verslag dan wel een wijziging van een IAC-verslag of OV4-verslag nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de betrokken personen en het CLB. |
| 9 | Als een IAC-verslag wordt opgemaakt of gewijzigd , beslist de school op basis van het overleg, vermeld in het eerste lid, om de leerling op vraag van de betrokken personen studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling op het einde van het huidige schooljaar of op het einde van het daaropvolgende schooljaar te ontbinden. | 9 | Als een IAC-verslag wordt opgemaakt of gewijzigd en nadat het is afgeleverd door het CLB, en nadat het is afgeleverd door het CLB, beslist de school op basis van het overleg, vermeld in het eerste lid, om de leerling op vraag van de betrokken personen studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling op het einde van het huidige schooljaar of op het einde van het daaropvolgende schooljaar te ontbinden. |
| 10 | Als een OV4-verslag wordt opgemaakt of gewijzigd, beslist de school op basis van het overleg, vermeld in het eerste lid, om de leerling op vraag van de betrokken personen studievoortgang te laten maken binnen het gemeenschappelijk curriculum met intensieve ondersteuning, vermeld in artikel 294, of om de inschrijving van de leerling op het einde van het huidige schooljaar of op het einde van het daaropvolgende schooljaar te ontbinden. | 10 | Als een OV4-verslag wordt opgemaakt of gewijzigd, beslist de school op basis van het overleg, vermeld in het eerste lid, om de leerling op vraag van de betrokken personen studievoortgang te laten maken binnen het gemeenschappelijk curriculum met intensieve ondersteuning, vermeld in artikel 294, of om de inschrijving van de leerling op het einde van het huidige schooljaar of op het einde van het daaropvolgende schooljaar te ontbinden. |
| 11 | § 4. In afwijking van paragraaf 2 en 3 is studievoortgang op basis van een individueel aangepast curriculum niet mogelijk in de leertijd. | 11 | § 4. In afwijking van paragraaf 2 en 3 is studievoortgang op basis van een individueel aangepast curriculum niet mogelijk in de leertijd. |
| 1 | Een schoolbestuur dat door uitzonderlijke omstandigheden in de onmogelijkheid verkeert om bijkomende inschrijvingen te realiseren in een of meer scholen, vestigingsplaatsen of structuuronderdelen, moet een aanvraag indienen bij de CLR om alsnog leerlingen te kunnen weigeren op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden. | 1 | Een schoolbestuur dat door uitzonderlijke omstandigheden in de onmogelijkheid verkeert of in de onmogelijkheid zal verkeren om bijkomende inschrijvingen te realiseren in een of meer scholen, vestigingsplaatsen of structuuronderdelen, moet een aanvraag indienen bij de CLR om alsnog leerlingen te kunnen weigeren op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden. |
| 2 | De CLR beslist binnen een termijn van veertien kalenderdagen na het ontvangen van de aanvraag, vermeld in het eerste lid, of en onder welke voorwaarden weigeringen op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden, toegestaan worden. | 2 | De CLR beslist binnen een termijn van veertien kalenderdagen na het ontvangen van de aanvraag, vermeld in het eerste lid, of en onder welke voorwaarden weigeringen op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden, toegestaan worden. |
| 3 | Indien het schoolbestuur reeds leerlingen geweigerd heeft, voorafgaand aan de aanvraag bij de CLR of de beslissing door de CLR, verwerven die leerlingen alsnog een onverkort recht op inschrijving indien de CLR beslist geen weigeringen op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden, toe te staan. | 3 | Indien het schoolbestuur reeds leerlingen geweigerd heeft, voorafgaand aan de aanvraag bij de CLR of de beslissing door de CLR, verwerven die leerlingen alsnog een onverkort recht op inschrijving indien de CLR beslist geen weigeringen op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden, toe te staan. |
| 4 | Als de CLR weigeringen op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden toestaat, dan behandelt het schoolbestuur in voorkomend geval ook vragen over een erkenning van de uitzonderlijke situatie van een in te schrijven leerling als vermeld in artikel 253/11, §5. | 4 | Als de CLR weigeringen op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden toestaat, dan behandelt het schoolbestuur in voorkomend geval ook vragen over een erkenning van de uitzonderlijke situatie van een in te schrijven leerling als vermeld in artikel 253/11, §5. |
| 5 | Een schoolbestuur van een nieuw opgerichte school, vestigingsplaats of structuuronderdeel 1A of 1B dat uiterlijk op 15 november van het voorafgaande schooljaar niet gemeld heeft dat het van een aanmeldingsprocedure zal gebruikmaken, kan ook van de mogelijkheid, vermeld in het eerste tot en met vierde lid, gebruikmaken om leerlingen te weigeren op basis van de capaciteit in het nieuw opgerichte capaciteitsniveau of de nieuw opgerichte capaciteitsniveaus in het eerste schooljaar van ontstaan. |
| 8 | Aan de aangemelde leerling en de betrokken personen wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen de aangemelde leerling heeft ingenomen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de aangemelde leerling of de betrokken personen een hogere keuze gemaakt hadden dan de toegewezen school of vestigingsplaats. | 8 | Aan de aangemelde leerling en de betrokken personen wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen de aangemelde leerling heeft ingenomen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de aangemelde leerling of de betrokken personen een hogere keuze gemaakt hadden dan de toegewezen school of vestigingsplaats. |
| 9 | Indien bij de inschrijving blijkt dat de leerling niet voldoet aan door de betrokken personen opgegeven voorrangsgroepen die aanleiding gaven tot de gunstige rangschikking en toewijzing, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven, tenzij de behandeling van de klachten, de vaststellingen en de vragen, vermeld in artikel 253/11, § 3, leidt tot een andere beslissing. | 9 | Indien bij de inschrijving blijkt dat de leerling niet voldoet aan door de betrokken personen opgegeven voorrangsgroepen die aanleiding gaven tot de gunstige rangschikking en toewijzing, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven, tenzij de behandeling van de klachten, de vaststellingen en de vragen, vermeld in artikel 253/11, § 3, leidt tot een andere beslissing. |
| 10 | In afwijking van het zevende lid, kunnen een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP beslissen om uiterlijk na de einddatum van de aanmeldingsperiode en voordat de resultaten van de aanmelding worden bekendgemaakt deze controle te doen. | 10 | In afwijking van het zevende lid, kunnen een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP beslissen om op zijn vroegst na de einddatum van de aanmeldingsperiode en uiterlijk voordat de resultaten van de aanmelding worden bekendgemaakt deze controle te doen. |
| 11 | Wanneer een via een aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerder gerealiseerde inschrijving beëindigen. | 11 | Wanneer een via een aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerder gerealiseerde inschrijving beëindigen. |
| 12 | Voor het ordenen, toewijzen en weigeren van aangemelde leerlingen is het schoolbestuur de verwerkingsverantwoordelijke. In geval van een verwerking door een LOP blijft het schoolbestuur of de gemandateerde de verwerkingsverantwoordelijke. | 12 | Voor het ordenen, toewijzen en weigeren van aangemelde leerlingen is het schoolbestuur de verwerkingsverantwoordelijke. In geval van een verwerking door een LOP blijft het schoolbestuur of de gemandateerde de verwerkingsverantwoordelijke. |
| 7 | 2° op het einde van het daaropvolgende schooljaar. | 7 | 2° op het einde van het daaropvolgende schooljaar. |
| 8 | § 3. Als tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een IAC-verslag of OV4-verslag dan wel een wijziging van een IAC-verslag of OV4-verslag nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de betrokken personen en het CLB. | 8 | § 3. Als tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een IAC-verslag of OV4-verslag dan wel een wijziging van een IAC-verslag of OV4-verslag nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de betrokken personen en het CLB. |
| 9 | Als een IAC-verslag wordt opgemaakt of gewijzigd , beslist de school op basis van het overleg, vermeld in het eerste lid, om de leerling op verzoek van de betrokken personen studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling op het einde van het huidige schooljaar of op het einde van het daaropvolgende schooljaar te ontbinden. | 9 | Als een IAC-verslag wordt opgemaakt of gewijzigd en nadat het is afgeleverd door het CLB, beslist de school op basis van het overleg, vermeld in het eerste lid, om de leerling op verzoek van de betrokken personen studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling op het einde van het huidige schooljaar of op het einde van het daaropvolgende schooljaar te ontbinden. |
| 10 | Als een OV4-verslag wordt opgemaakt of gewijzigd , beslist de school op basis van het overleg, vermeld in het eerste lid, om de leerling op vraag van de betrokken personen studievoortgang te laten maken binnen het gemeenschappelijk curriculum met intensieve ondersteuning, vermeld in artikel 294, of om de inschrijving van de leerling op het einde van het huidige schooljaar of op het einde van het daaropvolgende schooljaar te ontbinden. | 10 | Als een OV4-verslag wordt opgemaakt of gewijzigd en nadat het is afgeleverd door het CLB, beslist de school op basis van het overleg, vermeld in het eerste lid, om de leerling op vraag van de betrokken personen studievoortgang te laten maken binnen het gemeenschappelijk curriculum met intensieve ondersteuning, vermeld in artikel 294, of om de inschrijving van de leerling op het einde van het huidige schooljaar of op het einde van het daaropvolgende schooljaar te ontbinden. |
| 11 | § 4. In afwijking van paragraaf 2 en 3 is studievoortgang op basis van een individueel aangepast curriculum niet mogelijk in de leertijd. | 11 | § 4. In afwijking van paragraaf 2 en 3 is studievoortgang op basis van een individueel aangepast curriculum niet mogelijk in de leertijd. |
| 12 | § 5. Elk schoolbestuur communiceert actief over het inschrijvingsrecht van leerlingen met een IAC-verslag of OV4-verslag in het gewoon onderwijs. | 12 | § 5. Elk schoolbestuur communiceert actief over het inschrijvingsrecht van leerlingen met een IAC-verslag of OV4-verslag in het gewoon onderwijs. |
| 1 | In afwijking van artikel 253/38, eerste lid, dient een schoolbestuur dat in de onmogelijkheid verkeert of zal verkeren om bijkomende inschrijvingen te realiseren in een nieuw opgerichte school, vestigingsplaats of structuuronderdeel 1A of 1B, en dat in de onmogelijkheid verkeerde om van de gezamenlijke aanmeldingsprocedure gebruik te maken, een aanvraag in bij de CLR om alsnog leerlingen te kunnen weigeren op basis van capaciteit in het nieuw opgerichte capaciteitsniveau of de nieuw opgerichte capaciteitsniveaus, vanwege deze uitzonderlijke omstandigheid in het eerste schooljaar van ontstaan. | ||
| 2 | De CLR beslist, binnen een termijn van veertien kalenderdagen na het ontvangen van de aanvraag, vermeld in het eerste lid, of en onder welke voorwaarden weigeringen op basis van capaciteit, vanwege deze uitzonderlijke omstandigheid, toegestaan worden. | ||
| 3 | Als het schoolbestuur al leerlingen geweigerd heeft, voorafgaand aan de aanvraag bij de CLR of de beslissing door de CLR, verwerven die leerlingen alsnog een onverkort recht op inschrijving als de CLR beslist geen weigeringen op basis van capaciteit, vanwege deze uitzonderlijke omstandigheid, toe te staan. | ||
| 4 | Als de CLR weigeringen op basis van capaciteit, vanwege deze uitzonderlijke omstandigheid toestaat, dan behandelt het schoolbestuur in voorkomend geval ook vragen over een erkenning van een uitzonderlijke situatie van een in te schrijven leerling als vermeld in artikel 253/40, §5. |
| 8 | Aan de aangemelde leerling en de betrokken personen wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen de aangemelde leerling heeft ingenomen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de aangemelde leerling of de betrokken personen een hogere keuze gemaakt hadden dan de toegewezen school of vestigingsplaats. | 8 | Aan de aangemelde leerling en de betrokken personen wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen de aangemelde leerling heeft ingenomen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de aangemelde leerling of de betrokken personen een hogere keuze gemaakt hadden dan de toegewezen school of vestigingsplaats. |
| 9 | Indien bij de inschrijving blijkt dat de leerling niet voldoet aan door de betrokken personen opgegeven voorrangsgroep die aanleiding gaven tot de gunstige rangschikking en toewijzing, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven, tenzij de behandeling van klachten, vaststellingen en vragen als vermeld in artikel 253/40, § 3, leidt tot een andere beslissing. | 9 | Indien bij de inschrijving blijkt dat de leerling niet voldoet aan door de betrokken personen opgegeven voorrangsgroep die aanleiding gaven tot de gunstige rangschikking en toewijzing, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven, tenzij de behandeling van klachten, vaststellingen en vragen als vermeld in artikel 253/40, § 3, leidt tot een andere beslissing. |
| 10 | In afwijking van het zevende lid, kunnen een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP beslissen om uiterlijk na de einddatum van de aanmeldingsperiode en voordat de resultaten van de aanmelding worden bekendgemaakt deze controle te doen. | 10 | In afwijking van het zevende lid, kunnen een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP beslissen om op zijn vroegst na de einddatum van de aanmeldingsperiode en uiterlijk voordat de resultaten van de aanmelding worden bekendgemaakt deze controle te doen. |
| 11 | Wanneer een via een aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerder gerealiseerde inschrijving beëindigen. | 11 | Wanneer een via een aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerder gerealiseerde inschrijving beëindigen. |
| 12 | Voor het ordenen, toewijzen en weigeren van aangemelde leerlingen is het schoolbestuur de verwerkingsverantwoordelijke. In geval van een verwerking door een LOP blijft het schoolbestuur of de gemandateerde de verwerkingsverantwoordelijke. | 12 | Voor het ordenen, toewijzen en weigeren van aangemelde leerlingen is het schoolbestuur de verwerkingsverantwoordelijke. In geval van een verwerking door een LOP blijft het schoolbestuur of de gemandateerde de verwerkingsverantwoordelijke. |
| 1 | §1. In afwijking van artikel 112, eerste lid, 9°, bevat het schoolreglement het evaluatiebeleid met betrekking tot de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, met inbegrip van de mogelijkheden om tekorten zo nodig weg te werken. | 1 | §1. In afwijking van artikel 112, eerste lid, 9°, bevat het schoolreglement het evaluatiebeleid met betrekking tot de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, met inbegrip van de mogelijkheden om tekorten zo nodig weg te werken. |
| 2 | In de opleiding Basisverpleegkunde beslist de klassenraad, na evaluatie, of een cursist een opleidingsonderdeel hetzij met vrucht, hetzij met tekorten heeft beëindigd. | 2 | In de opleiding Basisverpleegkunde beslist de klassenraad, na evaluatie, of een cursist een opleidingsonderdeel hetzij met vrucht, hetzij met tekorten heeft beëindigd. |
| 3 | Aan een cursist die in een school wordt uitgeschreven zonder de opleiding met vrucht te hebben beëindigd, wordt een deelcertificaat toegekend voor elk opleidingsonderdeel dat die cursist met vrucht heeft gevolgd. | 3 | Voor een cursist die wordt uitgeschreven zonder de opleiding met vrucht te hebben beëindigd, reikt de school een document uit dat bewijst welke opleidingsonderdelen met vrucht werden beëindigd. Dit bewijs is de erkenning van het feit dat een cursist de competenties, verbonden aan een opleidingsonderdeel, heeft verworven. |
| 4 | Aan een cursist die de eerste 60 studiepunten van de opleiding met vrucht heeft beëindigd, wordt het bewijs van de beroepskwalificatie zorgkundige toegekend. | 4 | Aan een cursist die de eerste 60 studiepunten van de opleiding met vrucht heeft beëindigd, wordt het bewijs van de beroepskwalificatie zorgkundige toegekend. |
| 5 | Het schoolbestuur kent de graad van gegradueerde in de basisverpleegkunde toe aan de cursist die geslaagd is voor de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs. | 5 | Het schoolbestuur kent de graad van gegradueerde in de basisverpleegkunde toe aan de cursist die geslaagd is voor de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs. |
| 1 | §1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder : | 1 | §1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder : |
| 2 | 1° Regelmatige leerling : de leerling die beantwoordt aan de toelatingsvoorwaarden en, waar het voorzien is, aan de overgangsvoorwaarden en die regelmatig de activiteiten volgt, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid; | 2 | 1° Regelmatige leerling : de leerling die beantwoordt aan de toelatingsvoorwaarden en, waar het voorzien is, aan de overgangsvoorwaarden en die regelmatig de activiteiten volgt, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid; |
| 3 | 2° Bevolkingsdichtheid van een arrondissement : de bevolking per bestuurlijk arrondissement, zoals die berekend werd ten gevolge van de laatst uitgevoerde volkstelling en vastgesteld door het Nationaal Instituut voor de Statistiek, gedeeld door de totale oppervlakte van het arrondissement, uitgedrukt in km2. | 3 | 2° Bevolkingsdichtheid van een arrondissement : de bevolking per bestuurlijk arrondissement, zoals die berekend werd ten gevolge van de laatst uitgevoerde volkstelling en vastgesteld door het Nationaal Instituut voor de Statistiek, gedeeld door de totale oppervlakte van het arrondissement, uitgedrukt in km2. |
| 4 | De bevolkingsdichtheid, in aanmerking te nemen voor een school die vestigingsplaatsen heeft in verschillende arrondissementen, wordt vastgesteld op basis van volgende berekening : de totale bevolking van deze arrondissementen worden gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km2. | 4 | De bevolkingsdichtheid, in aanmerking te nemen voor een school die vestigingsplaatsen heeft in verschillende arrondissementen, wordt vastgesteld op basis van volgende berekening : de totale bevolking van deze arrondissementen worden gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km2. |
| 5 | §2. De scholen van het buitengewoon onderwijs worden, naargelang van het schoolbestuur waarvan zij afhangen, voor de toepassing van deze afdeling ingedeeld in de volgende groepen : | 5 | §2. De scholen van het buitengewoon onderwijs worden, naargelang van het schoolbestuur waarvan zij afhangen, voor de toepassing van deze afdeling ingedeeld in de volgende groepen : |
| 6 | - scholen van het gemeenschapsonderwijs; | 6 | - scholen van het gemeenschapsonderwijs; |
| 7 | - gesubsidieerde officiële scholen; | 7 | - gesubsidieerde officiële scholen; |
| 13 | - gesubsidieerde vrije anglicaanse scholen; | 13 | - gesubsidieerde vrije anglicaanse scholen; |
| 14 | - gesubsidieerde vrije niet-confessionele scholen. | 14 | - gesubsidieerde vrije niet-confessionele scholen. |
| 15 | §3. In geval van definitieve ontruiming mag het verlaten schoolgebouw niet meer geheel of gedeeltelijk in gebruik genomen blijven. | 15 | §3. In geval van definitieve ontruiming mag het verlaten schoolgebouw niet meer geheel of gedeeltelijk in gebruik genomen blijven. |
| 16 | §4. Als een programmatie het rechtstreekse gevolg is van een manifeste overmachtssituatie die, omwille van bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne, de ingebruikname van een andere vestigingsplaats noodzakelijk maakt of van een verhuis naar aanleiding van een overmachtssituatie wordt de overbrenging van een school of een vestigingsplaats of een structuuronderdeel of meerdere structuuronderdelen een vrije programmatie en kan de Vlaamse Regering afwijken van de termijnen, vermeld in artikel 286, 289 en 290/1. | ||
| 17 | Met toegestane afwijking: | ||
| 18 | 1° kan de programmatie gebeuren na een schriftelijke melding bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap; | ||
| 19 | 2° kan de programmatie alleen betrekking hebben op opleidingsvormen, types en structuuronderdelen die de school al inricht of mag inrichten en die door de overmachtssituatie zijn gevat. | ||
| 1 | Voor de toelating tot het buitengewoon secundair onderwijs komen in aanmerking personen met een handicap vanaf 13 jaar tot 21 jaar. Uitzonderlijk kunnen ook leerlingen vroeger worden toegelaten, zoals bepaald in artikel 292, 1°, 2° . | 1 | Voor de toelating tot het buitengewoon secundair onderwijs komen in aanmerking personen met een handicap vanaf 13 jaar tot 21 jaar. Uitzonderlijk kunnen ook leerlingen vroeger worden toegelaten, zoals bepaald in artikel 292, 1°, 2° of 4°. |
| 1 | Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget vermeld in artikel 329, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie of ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken , personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het buitengewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het buitengewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. | 1 | Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget vermeld in artikel 329, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken of ten laste van subsidies die de Stichting Leerpunt toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het buitengewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het buitengewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. |
| 2 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. | 2 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. |
| 3 | Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. | 3 | Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. |
| 4 | Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing. | 4 | Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing. |
| 5 | Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug. | 5 | Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug. |
| 6 | In het eerste lid wordt verstaan onder Stichting Leerpunt: de private stichting opgericht door de Vlaamse Regering bij beslissing van 16 december 2022, met ondernemingsnummer 0795.192.043. |
| 5 | 4° de facultatieve integratiefase omvat één schooljaar in de vorm van een alternerende beroepsopleiding, bestaande uit 1200 uur vorming op school en werkervaring in een bedrijf. De vorming op school bestaat uit minimum 400 uur algemene en sociale vorming en beroepsgerichte vorming. De werkervaring bestaat uit minimum 700 uur werkervaring in een regulier bedrijf in de vorm van leerlingenstage. | 5 | 4° de facultatieve integratiefase omvat één schooljaar in de vorm van een alternerende beroepsopleiding, bestaande uit 1200 uur vorming op school en werkervaring in een bedrijf. De vorming op school bestaat uit minimum 400 uur algemene en sociale vorming en beroepsgerichte vorming. De werkervaring bestaat uit minimum 700 uur werkervaring in een regulier bedrijf in de vorm van leerlingenstage. |
| 6 | §2. In deze opleidingsvorm kan tijdens het schooljaar in het laatste jaar van de opleidingsfase en in de kwalificatiefase gedurende een beperkt aantal dagen een leerlingenstage worden ingericht, die in groep en onder voortdurende begeleiding van de leraar plaatsvindt. In de kwalificatiefase is tijdens het schooljaar gedurende een beperkt aantal dagen leerlingenstage verplicht, waarbij elke leerling-stagiair afzonderlijk op stage gaat. Uitzonderlijk kunnen de leerlingenstages die in de kwalificatiefase plaatsvinden georganiseerd worden tijdens de vakanties. De werkervaring in de integratiefase wordt organisatorisch gelijkgesteld met een leerlingenstage. | 6 | §2. In deze opleidingsvorm kan tijdens het schooljaar in het laatste jaar van de opleidingsfase en in de kwalificatiefase gedurende een beperkt aantal dagen een leerlingenstage worden ingericht, die in groep en onder voortdurende begeleiding van de leraar plaatsvindt. In de kwalificatiefase is tijdens het schooljaar gedurende een beperkt aantal dagen leerlingenstage verplicht, waarbij elke leerling-stagiair afzonderlijk op stage gaat. Uitzonderlijk kunnen de leerlingenstages die in de kwalificatiefase plaatsvinden georganiseerd worden tijdens de vakanties. De werkervaring in de integratiefase wordt organisatorisch gelijkgesteld met een leerlingenstage. |
| 7 | Als er geen of onvoldoende stageplaatsen beschikbaar zijn in de kwalificatiefase, zet de school maximaal in op observatieactiviteiten in een organisatie of onderneming waarbij de leerling, zonder effectief aan het arbeidsproces te participeren, kennismaakt met een beroep of een specifieke werkplek. | ||
| 8 | De school kan in uitzonderlijke gevallen afwijken van de stageverplichting in de kwalificatiefase. In dat geval is een goed onderbouwde motivering vereist. Die motivering bevat minstens objectieve factoren die de stageverplichting onmogelijk maken. De onderwijsinspectie kan in voorkomend geval die motivering controleren. | ||
| 7 | §3. De opleidingsprofielen, die voor elke opleiding van opleidingsvorm 3 de generieke en beroepsspecifieke competenties en de algemene vorming vastleggen, worden onder coördinatie van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap ontwikkeld in overleg met het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs en ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering. | 9 | §3. De opleidingsprofielen, die voor elke opleiding van opleidingsvorm 3 de generieke en beroepsspecifieke competenties en de algemene vorming vastleggen, worden onder coördinatie van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap ontwikkeld in overleg met het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs en ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering. |
| 8 | §4. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels inzake: | 10 | §4. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels inzake: |
| 1 | Artikel 123/21, 124, 126, 128, 133/1 tot en met 133/7, 134, 134/1, 134/2, 136, 136/3 tot en met 136/6, 150, 151, 152, 157 en 157/2 tot en met 157/9, zijn ook van toepassing voor opleidingsvorm 4 in de scholen met opleidingsvorm 4, behalve voor het onthaalonderwijs dat er niet kan worden georganiseerd. | 1 | Artikel 123/21, 133/1 tot en met 133/7, 134, 134/1, 134/2, 136, 136/3 tot en met 136/6,157/2 tot en met 157/9, 170 en 252, §1, a), en §1/1, zijn ook van toepassing voor opleidingsvorm 4 in de scholen met opleidingsvorm 4, behalve voor het onthaalonderwijs dat er niet kan worden georganiseerd. |
| 2 | In opleidingsvorm 4 wordt een gemeenschappelijk curriculum van het gewoon voltijds secundair onderwijs gevolgd. Dat gemeenschappelijk curriculum wordt aangepast volgens de onderwijsbehoeften en ondersteuningsbehoeften van de leerlingen, rekening houdend met de bepalingen van artikel 122/1/1. | 2 | In opleidingsvorm 4 wordt een gemeenschappelijk curriculum van het gewoon voltijds secundair onderwijs gevolgd. Dat gemeenschappelijk curriculum wordt aangepast volgens de onderwijsbehoeften en ondersteuningsbehoeften van de leerlingen, rekening houdend met de bepalingen van artikel 122/1/1. |
| 3 | In afwijking van voorgaand lid, kan een personeelslid er echter toe gemachtigd worden een hem aangeboden betrekking te weigeren met behoud van het voordeel van de bepalingen van dit decreet en van de besluiten van de Vlaamse Regering getroffen ter uitvoering ervan, onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden. | 3 | In afwijking van voorgaand lid, kan een personeelslid er echter toe gemachtigd worden een hem aangeboden betrekking te weigeren met behoud van het voordeel van de bepalingen van dit decreet en van de besluiten van de Vlaamse Regering getroffen ter uitvoering ervan, onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden. |
| 4 | §3. De hierna vermelde personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking, blijven, in afwachting van reaffectatie en wedertewerkstelling, ten bedrage van het maximum aantal uren waarvoor zij ter beschikking gesteld zijn, beschikbaar voor het uitoefenen van pedagogische taken: | 4 | §3. De hierna vermelde personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking, blijven, in afwachting van reaffectatie en wedertewerkstelling, ten bedrage van het maximum aantal uren waarvoor zij ter beschikking gesteld zijn, beschikbaar voor het uitoefenen van pedagogische taken: |
| 5 | - diegenen die ter beschikking gesteld zijn wegens volledige ontstentenis van betrekking, indien zij de voordelen genieten die werden toegekend in het kader van rationalisatie- en programmatiemaatregelen; | 5 | - diegenen die ter beschikking gesteld zijn wegens volledige ontstentenis van betrekking; |
| 6 | - diegenen die ter beschikking gesteld zijn wegens volledige ontstentenis van betrekking en een reaffectatie of wedertewerkstelling hebben aanvaard voor een gedeelte van de opdracht waarvoor zij werden ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking; | 6 | - diegenen die ter beschikking gesteld zijn wegens volledige ontstentenis van betrekking en een reaffectatie of wedertewerkstelling hebben aanvaard voor een gedeelte van de opdracht waarvoor zij werden ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking; |
| 7 | - diegenen die ter beschikking gesteld zijn wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking. | 7 | - diegenen die ter beschikking gesteld zijn wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking. |