Bij de aanpassing van de begroting 2026 #869
Gemerged Vlaamse Regering voegde 8 artikels samen in decreet-2018-07-06-1029678decreet-2011-07-08decreet-2015-07-03 · 29 mei 2026 Alle checks geslaagd
Dit stuk wijzigt geen artikels rechtstreeks; de aanvaarde amendementen zitten in de volgende tekst van het voorstel. Hieronder de tekst uit de PDF.
Zie de documentenfiche op vlaamsparlement.be
ingediend op 10 juni 2026 (2025-2026)
Amendementen
op het ontwerp van programmadecreet
bij de aanpassing van de begroting 2026
AMENDEMENT NR. 1
voorgesteld door Koen Daniëls, Gianna Werbrouck, Brecht Warnez,
Tom Seurs, Griet Vanryckegem, Hannelore Goeman en Loes Vandromme
Artikel 15
De voorgestelde tekst vervangen door wat volgt:
“Art. III.25/6. Vanaf het begrotingsjaar 2026 tot en met begrotingsjaar 2030 kan
jaarlijks een bijkomende werkingstoelage van maximaal 4.000.000 euro aan de
Vrije Universiteit Brussel worden toegekend voor de financiering van de voorbereiding, opstart en ondersteuning van de opleidingen bachelor en master in de Tandheelkunde. De instelling dient daartoe jaarlijks een aanvraagdossier in bij de
Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 oktober van
het voorafgaande begrotingsjaar. Voor het begrotingsjaar 2026 wordt het aanvraagdossier uiterlijk op 1 juli 2026 verwacht. Dit aanvraagdossier bevat een overzicht van de geraamde kosten van de voorbereiding, opstart en ondersteuning van
de opleidingen bachelor en master in de Tandheelkunde in het begrotingsjaar in
kwestie en de daaropvolgende begrotingsjaren tot en met 2030. Deze bijkomende
werkingstoelage wordt alleen toegekend en uitbetaald na controle en goedkeuring
van het aanvraagdossier door de regeringscommissaris. De regeringscommissaris
beoordeelt het getrouwheidsgehalte van het budget en bevestigt dat het voorgestelde budget uitgaven betreft die niet door andere subsidiestromen gedekt zijn.
De Vrije Universiteit Brussel rapporteert over de eigen genomen initiatieven
en de effecten en de resultaten ervan. De Vrije Universiteit Brussel dient daarvoor
een beknopt rapport in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 april van het daaropvolgende begrotingsjaar. In dit rapport
wordt de evolutie in aantal studenten en personeelsleden voor de opleidingen bachelor en master in de Tandheelkunde opgenomen, en ook een gedetailleerde verantwoording van de kosten voor het personeel, de infrastructuur, andere kosten
en de mogelijke reserveopbouw. Het rapport wordt ter controle voorgelegd aan de
regeringscommissaris. De regeringscommissaris gaat na of de vermelde financiële
gegevens in het verantwoordingsrapport correct zijn.
De Vrije Universiteit Brussel kan een gedeelte van de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de aanleg van een reserve.
Maximaal 20% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage kan
worden aangewend voor de aanleg van reserves. In afwijking hiervan kan in begrotingsjaar 2026 maximaal 50% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende
werkingstoelage aangewend worden voor de aanleg van reserves.
De totaal gecumuleerde reserves, vermeld in het derde lid, kunnen maximaal
50% van de maximale totale bijkomende werkingstoelage voor de begrotingsjaren
2026 tot en met 2030 bedragen en moeten ten laatste in het begrotingsjaar 2030
worden besteed.
De Vlaamse Regering kan de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk terugvorderen in een van de volgende gevallen:
1° als de bacheloropleiding, vermeld in het eerste lid, niet uiterlijk in het academiejaar 2027-2028 aangeboden wordt;
2° als de Vrije Universiteit Brussel niet uiterlijk voor 1 maart 2029 bij de Commissie Hoger Onderwijs een aanvraag indient waarin de doelmatigheid van de
opleiding master in de Tandheelkunde overeenkomstig artikel II.153 wordt
beoordeeld;
3° als de kosten niet voldoende aangetoond kunnen worden in de jaarlijkse rapportering.”.
VERANTWOORDING
Aangezien het begrotingsjaar 2026 al vergevorderd is, maakt dit amendement het mogelijk dat de Vrije
Universiteit Brussel in 2026 maximaal 50 procent en de andere jaren maximaal 20 procent van de op
jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage aanwendt voor de aanleg van reserves. In het aanvraagdossier dat jaarlijks moet worden ingediend moet de Vrije Universiteit Brussel niet alleen kritieke
prestatie-indicatoren (KPI’s) voor het komende begrotingsjaar opnemen, maar ook een planning bezorgen voor de gehele periode waarvoor de bijkomende werkingstoelage wordt toegekend.
De totale gecumuleerde reserves kunnen maximaal 50 procent van de maximale totale bijkomende
werkingstoelage voor de begrotingsjaren 2026 tot en met 2030 bedragen, en moeten ten laatste in het
begrotingsjaar 2030 worden besteed.
Vlaanderen kampt met lange wachttijden bij tandartsen door een tandartsentekort. De planningscommissie wijst ook op de vele te verwachten pensioneringen van zowel tandartsen als tandarts-specialisten. In 2024 was 29,6 procent van de werkende tandartsen ouder dan 65 jaar. Daarom verhoogde de
Vlaamse Regering al de quota voor toegang tot de bacheloropleiding in de Tandheelkunde tot 277
studenten met het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2026 tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding Geneeskunde en voor de opleiding Tandheelkunde.
De Vlaamse Planningscommissie stelde in haar advies in november 2024 ook dat de maximale opleidingscapaciteit in de basisopleiding Tandheelkunde zo goed als bereikt is aan de Universiteit Gent en
de Katholieke Universiteit Leuven, en roept net als de voorgaande jaren op tot extra opleidingscapaciteit
voor Tandheelkunde.
Op 18 juni 2025 erkende de Vlaamse Regering de bacheloropleiding bachelor in de Tandheelkunde als
nieuwe opleiding van de Vrije Universiteit Brussel. Maar de Vrije Universiteit Brussel heeft voor de
opstart van de bacheloropleiding in de Tandheelkunde, en in een latere fase de masteropleiding, nood
aan extra financiering voor aanpassingen aan de bestaande infrastructuur en investeringen in nieuwe
infrastructuur.
Volgens het financieringsmechanisme genereren nieuwe opleidingen pas twee jaar na de instroom van
de eerste studenten voor het eerst middelen en pas na zeven jaar worden ze volledig gehonoreerd. De
financiering van hogeronderwijsinstellingen gebeurt immers op …