Over het onderwijs XXXVI #844
De instructies van dit stuk toegepast op de wet zoals die gold op 3 jun 2026. De officiële tekst blijft het document van het Parlement.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 3 | Over de algemene afspraken over de aanvangsbegeleiding wordt in het bevoegde lokaal comité onderhandeld door de raad van bestuur, door de afgevaardigd bestuurder in het geval van het vormingscentrum, of door de scholengemeenschap, als de instelling tot een scholengemeenschap behoort. | 3 | Over de algemene afspraken over de aanvangsbegeleiding wordt in het bevoegde lokaal comité onderhandeld door de raad van bestuur, door de afgevaardigd bestuurder in het geval van het vormingscentrum, of door de scholengemeenschap, als de instelling tot een scholengemeenschap behoort. |
| 4 | § 2. Voor een vastbenoemd personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur met toepassing van artikel 55bis of als gevolg van een reaffectatie of wedertewerkstelling, geldt de verplichting tot aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, niet. | 4 | § 2. Voor een vastbenoemd personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur met toepassing van artikel 55bis of als gevolg van een reaffectatie of wedertewerkstelling, geldt de verplichting tot aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, niet. |
| 5 | §3. Een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, zorgt ervoor dat een startend personeelslid dat in het basis- of secundair onderwijs tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het recht op aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, gedeeltelijk kan uitoefenen in maximum 20% van diens toegekende opdracht, rekening houdend met de afspraken en de criteria die lokaal worden vastgelegd, vermeld in het vierde lid. In dat deel van de aanvangsbegeleiding wordt gewerkt aan het verbeteren van klasmanagement en vakdidactiek, en aan andere aspecten verbonden aan diens aanvangsbegeleiding. Daarbij wordt altijd uitgegaan van een verplichte aanwezigheid op school. | ||
| 6 | Daarvoor wendt een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, de eenheden inductie aan zoals vermeld in artikel 153tricies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 34/3 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. In het schooljaar 2026- 2027 kan een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, de eenheden inductie ook voor andere doelstellingen aanwenden, conform artikel 153tricies, §1, tweede lid, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 34/3, §1, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. Voor die eenheden die voor andere doelstellingen worden aangewend, zijn de bepalingen opgenomen in dit artikel niet van toepassing. | ||
| 7 | Scholen kunnen ook organieke omkadering aanwenden voor dat doel zoals vermeld in artikel 163bis van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 212 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. | ||
| 8 | Over de aanwending van eenheden inductie of organieke omkadering in de vorm van bijzondere pedagogische taken voor dat doel voor de startende personeelsleden, vermeld in het eerste lid, worden in het bevoegde lokaal comité algemene afspraken onderhandeld. Mits een akkoord binnen het bevoegde lokaal comité kunnen er daarbij criteria worden vastgelegd om te bepalen voor welke groepen startende personeelsleden de eenheden inductie prioritair worden aangewend. | ||
| 9 | Een startend personeelslid heeft ook dan recht op een deel van deze eenheden inductie als het aangeeft nood te hebben aan een inductiejaar, tenzij alle eenheden inductie al zijn aangewend. Zonder een akkoord in het lokaal comité over de aanwendingscriteria worden de eenheden inductie in verhouding tot hun opdracht evenredig verdeeld over de startende personeelsleden. | ||
| 10 | De opdracht van die startende personeelsleden kan nooit meer dan een voltijdse opdracht zijn. | ||
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | Een personeelslid dat met toepassing van artikelen 41 en 42 van de arbeidswet van 16 maart 1971 door de werkgever verwijderd werd uit een risico kan door de bevoegde inrichtende macht belast worden met pedagogische ofadministratieve taken in een nietorganieke betrekking in haar ambt in de instelling of het centrum in kwestie en/of voor de scholengemeenschap. Mits onderling akkoord kan het personeelslid deze taken ook uitoefenen in een andere instelling van de scholengemeenschap. | 1 | Als een raad van bestuur en, voor het vormingscentrum, de afgevaardigd bestuurder voor een tijdelijk of vastbenoemd personeelslid voor wie volgens artikel 41 van de arbeidswet van 16 maart 1971 een risico is vastgesteld, geen toepassing kunnen maken van de maatregelen, vermeld in artikel 42, §1, eerste lid, 1° of 2°, van de voormelde wet, moeten de raad van bestuur en, voor het vormingscentrum, de afgevaardigd bestuurder dat personeelslid belasten met in haar toestand toelaatbare pedagogische taken of, als het personeelslid niet in het bezit is van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs, met in haar toestand toelaatbare administratieve taken in een niet-organieke betrekking in haar ambt in de instelling of het centrum waar het personeelslid is aangesteld. |
| 2 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere administratieve en geldelijke gevolgen van deze maatregel. | ||
| 2 | Als de raad van bestuur het personeelslid niet met de hiervoor vermelde taken kan belasten in de instelling of het centrum waar het personeelslid is aangesteld, belast de raad van bestuur het personeelslid met de hiervoor vermelde taken in een andere instelling of een ander centrum van de scholengroep of van de scholengemeenschap. Daarbij geldt steeds dat de afstand over de openbare weg tussen de instelling van aanstelling of affectatie en de instelling waar het personeelslid wordt belast met de hiervoor vermelde taken, nooit meer dan 25 kilometer mag bedragen. Dat geldt niet als het personeelslid ermee instemt om over een grotere afstand ingezet te worden. | ||
| 3 | In afwijking van het tweede lid belast de raad van bestuur het personeelslid van een centrum voor volwassenenonderwijs met de hiervoor vermelde taken altijd in hetzelfde centrum en dit rekening houdend met artikel 40duodecies. | ||
| 4 | Tijdens de periode waarin het personeelslid met een niet-organieke betrekking als vermeld in het eerste lid wordt belast, is het personeelslid in dienstactiviteit. | ||
| 5 | Het personeelslid blijft titularis van haar betrekking, behoudt daarbij haar salaris en kan worden vervangen volgens de gebruikelijke vervangingsregeling. |
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | De raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, mag, met toepassing van artikel 88, §2, alleen eenzijdig een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur of aan de vaste benoeming van een personeelslid om redenen die vreemd zijn aan de uitoefening door het personeelslid volgens de geldende regelgeving van een van de volgende rechten: | ||
| 2 | 1° het recht op omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling; | ||
| 3 | 2° het recht op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof; | ||
| 4 | 3° het recht op afwezigheid voor verminderde prestaties voor zorgdoeleinden; | ||
| 5 | 4° het recht om een flexibele werkregeling aan te vragen; | ||
| 6 | 5° het recht om een nevenactiviteit uit te oefenen binnen de grenzen van de cumulatieregeling en de regeling rond onverenigbaarheden van het schoolbestuur; | ||
| 7 | 6° het recht op een nieuwe affectatie of mutatie of om werk met meer voorspelbare en zekere arbeidsvoorwaarden te vragen. | ||
| 8 | Het principe, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag van de aanvraag van een van de rechten, vermeld in het eerste lid, met uitzondering van het recht op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, dat ingaat op de dag van de geboorte van het kind. | ||
| 9 | De raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, deelt het personeelslid schriftelijk mee wat de redenen voor het ontslag zijn. Als de ingeroepen redenen niet vreemd zijn aan de uitoefening van het recht waarvan het personeelslid gebruikmaakt of als er geen reden opgegeven is, betaalt de raad van bestuur aan het personeelslid aanvullend op de opzeggingstermijn een forfaitaire vergoeding die gelijk is aan het brutoloon voor zes maanden. Die vergoeding mag bij het ontslag van een personeelslid niet samen genoten worden met andere vergoedingen die in het kader van een bijzondere beschermingsprocedure tegen ontslag zijn bepaald. |
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.