Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2019
Staatsblad 28 december 2018 NUMAC 2018015650
4 artikels gewijzigd
| 1 | De Centra voor Basiseducatie ontvangen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n/n+1 een werkingstoelage per lesuurcursist, gerealiseerd tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot 31 maart n. De Vlaamse Regering bepaalt de werkingstoelage per lesuurcursist. | 1 | De centra voor basiseducatie ontvangen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n-1/n een werkingstoelage per lesuurcursist, berekend op basis van het gemiddelde aantal gerealiseerde lesurencursist van de referteperiodes van 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2. De Vlaamse Regering bepaalt de werkingstoelage per lesuurcursist. |
| 2 | De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2010. De eerste schijf is een voorschot en wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar. Het voorschot bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum het voorgaande begrotingsjaar recht had. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar. | 2 | De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar. De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n-1/n recht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar. |
| 3 | Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 1 | De werkingsmiddelen van Centra voor Volwassenenonderwijs bestaan uit : | ||
| 2 | 1° de inschrijvingsgelden van de cursisten; | ||
| 3 | 2° de tegemoetkomingen, vermeld in artikel 109, § 6, § 6bis en § 7; | ||
| 4 | 3° de toegekende middelen uit het Fonds, vermeld in artikel 110; | ||
| 5 | 4° andere inkomsten. | ||
| 1 | § 1. Elk centrum voor volwassenenonderwijs ontvangt ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n-1/n een werkingstoelage per financieringspunt. | ||
| 2 | § 2. Voor de berekening van de werkingstoelage waarop een centrum voor volwassenenonderwijs vanaf 1 september 2020 jaarlijks recht heeft, wordt het totale beschikbare volume aan werkingsmiddelen voor het volwassenenonderwijs uitgedrukt in financieringspunten. Het totale aantal financieringspunten is de som van het aantal gewogen financieringspunten van alle centra voor volwassenenonderwijs. Elk centrum heeft op 1 september n recht op de som van een vast bedrag per ongewogen financieringspunt en hetzelfde aandeel aan werkingsmiddelen als het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2 volgens de berekeningsformules, vermeld in paragraaf 3, heeft bereikt. De Vlaamse Regering bepaalt het vaste bedrag van de werkingstoelage binnen de volgende grenzen : | ||
| 3 | 1° het bedrag per ongewogen financieringspunt mag niet minder bedragen dan 0,40 euro; | ||
| 4 | 2° het bedrag per ongewogen financieringspunt mag niet meer bedragen dan 0,68 euro. | ||
| 5 | De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar. De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n-1/n recht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar. | ||
| 6 | § 3. Het totale aantal financieringspunten voor de werking per centrum wordt berekend volgens de formule : FP * (ds) * (lpg), waarbij : | ||
| 7 | 1° FP = ongewogen financieringspunt; | ||
| 8 | 2° ds = de coëfficiënt voor infrastructureel dure studiegebieden; | ||
| 9 | 3° lpg = de coëfficiënt voor het aantal gemeenten of deelgemeenten waar het centrum minstens 1 lesplaats heeft met ingericht aanbod in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1. | ||
| 10 | De coëfficiënt voor de infrastructureel dure studiegebieden afwerking bouw, ambachtelijk erfgoed, auto, bakkerij, chemie, groot transport, horeca, huishoudelijk koken, koeling en warmte, land- en tuinbouw, lassen, lichaamsverzorging, maritieme diensten, mechanica-elektriciteit, meubelmakerij, ruwbouw, schrijnwerkerij, slagerij en textiel is 1,38. | ||
| 11 | De coëfficiënten voor het aantal deelgemeenten van gemeenten die op 1 januari 2016 meer dan 100.000 inwoners telden of het aantal gemeenten waar het centrum lesplaatsen heeft, zijn : | ||
| 12 | 1° 1,000 voor één gemeente of deelgemeente; | ||
| 13 | 2° 1,004 voor twee gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 14 | 3° 1,009 voor drie gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 15 | 4° 1,013 voor vier gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 16 | 5° 1,017 voor vijf gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 17 | 6° 1,021 voor zes gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 18 | 7° 1,026 voor zeven gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 19 | 8° 1,030 voor acht gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 20 | 9° 1,034 voor negen gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 21 | 10° 1,039 voor tien gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 22 | 11° 1,043 voor elf gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 23 | 12° 1,047 voor twaalf gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 24 | 13° 1,051 voor dertien gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 25 | 14° 1,056 voor veertien gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 26 | 15° 1,060 voor vijftien en meer gemeenten of deelgemeenten. | ||
| 27 | De Vlaamse Regering kan voor de toepassing van bovenstaande coëfficiënten een minimum aantal lesurencursist per gemeente of deelgemeente bepalen. | ||
| 28 | § 4. Het totale volume aan werkingsmiddelen volgt de evolutie van de gewogen financieringspunten voor het bijkomend bedrag dat berekend wordt op basis van de formule, vermeld in paragraaf 3. | ||
| 29 | Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 1 | § 1. Er wordt per 1 september 2019 een begrotingsfonds "Fonds Volwassenenonderwijs" opgericht, hierna genoemd `het fonds'. | ||
| 2 | § 2. Het fonds is een begrotingsfonds zoals vermeld in artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof. | ||
| 3 | § 3. Het fonds wordt gespijsd door: | ||
| 4 | 1° alle ontvangsten die voortvloeien uit de inschrijvingsgelden van het volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 113novies. Elk centrumbestuur betaalt daartoe in het jaar n aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen voor elk van zijn gesubsidieerde of gefinancierde centra in twee schijven een bedrag dat berekend wordt tegen 100 % van de inschrijvingsgelden van de cursisten die ingeschreven waren in het schooljaar n-2/n-1. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het centrumbestuur de inschrijvingsgelden overmaakt aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen; | ||
| 5 | 2° andere ontvangsten ten behoeve van het volwassenenonderwijs. | ||
| 6 | § 4. Het fonds wordt aangewend ter financiering van: | ||
| 7 | 1° de werkingstoelagen en de werkingsmiddelen in het volwassenenonderwijs; | ||
| 8 | 2° de premie aan cursisten die een diploma van het secundair onderwijs behaald hebben als vermeld in artikel 41, § 4, 2° en 2° bis. De Vlaamse Regering bepaalt de opleidingen, bekrachtigd met een diploma van het secundair onderwijs, die in aanmerking komen voor het verkrijgen van een premie, het bedrag dat wordt toegekend en de procedure voor de toekenning van de premie; | ||
| 9 | 3° de betaling van andere uitgaven ten voordele van het volwassenenonderwijs. | ||
| 10 | § 5. Het saldo en de vastgestelde rechten vastgesteld op 31 december 2019 op het Fonds Inschrijvingsgelden Centra voor Volwassenenonderwijs zoals bepaald in artikel 110 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, wordt overgedragen naar het fonds, zoals bepaald in het vorige artikel. |
| 1 | In afwijking van artikel 153 septies decies wordt het aantal beschikbare voltijdse equivalenten dat niet werd ingevuld omdat niet alle scholen deelnemen aan het lerarenplatform, verdeeld over de deelnemende samenwerkingsplatformen. | ||
| 2 | Het volume van deze lestijden per deelnemend samenwerkingsplatform wordt berekend naar rato van het aandeel van de lestijden van het vorige schooljaar van de scholen van het betreffende samenwerkingsplatform ten opzichte van het totaal aantal lestijden van het vorige schooljaar van alle deelnemende scholen samen, waarbij onder het totale aantal lestijden wordt verstaan de som van het totale aantal: | ||
| 3 | 1° lestijden volgens de schalen; | ||
| 4 | 2° SES-lestijden; | ||
| 5 | 3° additionele lestijden volgens de schalen gebaseerd op de leerling-leerkracht-ratio; | ||
| 6 | 4° aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs; | ||
| 7 | 5° aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuur-beschouwing. |