§ flandrepo
23 regels · van kracht sinds 13 sep 2021

Artikel 3

§ 1. Er is sprake van een dopingpraktijk als de antidopingregels op een van de volgende wijzen worden overtreden:

  1. 1°de aanwezigheid van een verboden stof of van een metaboliet of marker daarvan in een monster dat afkomstig is van het lichaam van de sporter;
  2. 2°het gebruik of de poging tot gebruik door een sporter van een verboden stof of een verboden methode;
  3. 3°het ontwijken door een sporter van een monsterneming, of het weigeren van of zich niet aanbieden voor een monsterneming zonder geldige reden, na daartoe opgeroepen te zijn door een bevoegd persoon;
  4. 4°elke combinatie van drie aangifteverzuimen of gemiste dopingtests binnen een periode van twaalf maanden door een sporter die is opgenomen in een geregistreerde doelgroep;
  5. 5°het plegen van bedrog, of de poging daartoe door een sporter of andere persoon, bij om het even welk onderdeel van de dopingcontrole;
  6. 6°het bezit van een verboden stof of een verboden methode door een sporter of begeleider in de volgende gevallen:
  7. a)het bezit door een sporter binnen wedstrijdverband van een verboden stof of een verboden methode, of het bezit door een sporter buiten wedstrijdverband van een buiten wedstrijdverband verboden stof of verboden methode, tenzij de sporter in kwestie aantoont dat het bezit strookt met een geldige TTN die verleend is conform artikel 4.4 van de Code of een andere aanvaardbare rechtvaardiging;
  8. b)het bezit door een begeleider binnen wedstrijdverband van een verboden stof of verboden methode, of het bezit door een begeleider buiten wedstrijdverband van een buiten wedstrijdverband verboden stof of verboden methode in verband met een sporter, wedstrijd of training, tenzij de begeleider in kwestie aantoont dat het bezit strookt met een geldige TTN die verleend is conform artikel 4.4 van de Code die toegekend is aan de sporter in kwestie, of een andere aanvaardbare rechtvaardiging;
  9. 7°de handel of de poging tot handel in een verboden stof of verboden methode door een sporter of andere persoon;
  10. 8°de toediening of de poging tot toediening door een sporter of een andere persoon aan een sporter binnen wedstrijdverband van een verboden methode of verboden stof, of de toediening of de poging tot toediening aan een sporter buiten wedstrijdverband van een verboden stof of een verboden methode die verboden is buiten wedstrijdverband;
  11. 9°medeplichtigheid of poging tot medeplichtigheid door een sporter of andere persoon aan een dopingpraktijk, op een van de volgende wijzen: meewerken aan een dopingpraktijk, aanmoedigen tot, helpen met, of aanzetten tot een dopingpraktijk, samenzweren met het oog op het plegen van dopingpraktijken, verbergen van dopingpraktijken of om het even welke andere vorm van opzettelijke medeplichtigheid of poging tot medeplichtigheid in het kader van een dopingpraktijk of poging tot dopingpraktijk of de nietaleving van een opgelegde uitsluiting of schorsing door een andere persoon dan de sporter of andere persoon die zich in een voorlopige schorsing bevindt;
  12. 10°verboden samenwerking door een sporter of andere persoon. Er is een verboden samenwerking als er een professionele of sportgerelateerde samenwerking is van een sporter of andere persoon die binnen het toepassingsgebied van dit decreet of onder de bevoegdheid van een ADO valt, met een begeleider die voldoet aan één van de volgende criteria:
  13. a)hij valt onder de bevoegdheid van een ADO en bevindt zich in een periode van uitsluiting;
  14. b)hij valt niet onder de bevoegdheid van een ADO, en een mogelijke uitsluiting is niet beoordeeld in een procedure van resultatenbeheer conform de Code, maar hij is veroordeeld in een burgerlijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke procedure voor gedragingen die een dopingpraktijk zouden uitmaken als regels conform de Code zouden van toepassing zijn, of waarbij in die procedure is vastgesteld dat hij gedragingen heeft gesteld die een dopingpraktijk zouden uitmaken als regels conform de Code zouden van toepassing zijn. In dat geval is de samenwerking met de begeleider in kwestie verboden voor een periode van zes jaar vanaf de strafrechtelijke, burgerrechtelijke of tuchtrechtelijke uitspraak, of voor de periode van de opgelegde strafrechtelijke, burgerrechtelijke of tuchtrechtelijke sanctie, als die laatste langer is dan zes jaar;
  15. c)hij treedt op als eerste aanspreekpunt of tussenpersoon voor een begeleider als vermeld in punt a) en b);
  16. 11°het ontmoedigen of bedreigen van of nemen van represailles door een sporter of andere persoon, tegen een persoon die te goeder trouw een melding doet aan een bevoegde instantie, op een van de volgende wijzen, waarbij het gedrag gericht op het ontmoedigen, bedreigen of nemen van represailles te kwader trouw gesteld is of een disproportionele reactie is, en waarbij dat gedrag niet te kwalificeren is als een dopingpraktijk als vermeld in punt 5° :
  17. a)elke daad van bedreiging of enige poging tot intimidatie van een andere persoon met het oogmerk die persoon te ontmoedigen te goeder trouw informatie te geven over een mogelijke dopingpraktijk of een mogelijke andere niet-naleving van de Code aan het WADA, een ADO, een politionele of gerechtelijke instantie, een regulerende instantie, een tuchtoverheid of een beroepsorganisatie, of een disciplinair orgaan of persoon die een onderzoek voert voor het WADA of een ADO;
  18. b)het nemen van represailles tegen een persoon die te goeder trouw bewijzen heeft aangebracht of informatie heeft verschaft die verband houdt met een mogelijke dopingpraktijk of een mogelijke andere nietaleving van de Code aan het WADA, een ADO, een politionele of gerechtelijke instantie, een regulerende instantie, een tuchtoverheid of een beroepsorganisatie, of een disciplinair orgaan of persoon die een onderzoek voert voor het WADA of een ADO.

§ 2. Om een dopingpraktijk als vermeld in paragraaf 1, 10°, vast te stellen, moet een ADO kunnen aantonen dat de sporter of andere persoon kennis had van de status van uitsluiting van de begeleider, vermeld in paragraaf 1, 10°.

Het is aan de sporter of andere persoon om aan te tonen dat de samenwerking met de begeleider, vermeld in paragraaf 1, 10°, a) of b), niet professioneel of sportgerelateerd is, of dat die samenwerking redelijkerwijze niet vermeden kon worden.

ADO's die weet hebben van begeleiders die aan de criteria, vermeld in paragraaf 1, 10°, a), b) en c), voldoen, geven die informatie door aan het WADA.

§ 3. Een sporter is persoonlijk verantwoordelijk om ervoor te zorgen dat geen verboden stof in zijn lichaam komt, en dat geen verboden methode op zijn lichaam wordt toegepast. Hij is verantwoordelijk voor alle verboden stoffen, metabolieten of markers daarvan, die gevonden worden in een monster dat afkomstig is van zijn lichaam. Het is daarbij niet noodzakelijk dat aangetoond wordt dat er opzet, fout of nalatigheid of bewust gebruik van een verboden stof of methode door de sporter is, om vast te stellen dat een dopingpraktijk als vermeld in paragraaf 1, 1° of 2°, is begaan. Het is niet noodzakelijk dat het gebruik of de poging tot gebruik met succes is toegepast. Het volstaat dat gepoogd is de verboden stof te gebruiken of gepoogd is de verboden methode toe te passen om een dopingpraktijk als vermeld in paragraaf 1, 2°, te begaan.

Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd