§ flandrepo
29 regels · van kracht sinds 13 sep 2021

Artikel 23/2

§ 1. Een sporter krijgt onmiddellijk een verplichte voorlopige schorsing opgelegd als in het kader van een dopingtest van die sporter de analyse van een monster resulteert in de vaststelling van een afwijkend analyseresultaat of een definitief vastgesteld afwijkend paspoortresultaat voor een verboden stof die geen specifieke stof is, of in de vaststelling van een verboden methode die geen specifieke methode is. De voorlopige schorsing wordt opgelegd na het nodige onderzoek verricht te hebben en na de beslissing om na de eerste fase van resultatenbeheer de vaststelling van een mogelijke dopingpraktijk te vervolgen als een vermoedelijke dopingpraktijk conform artikel 23/1/2.

Als NADO Vlaanderen resultatenbeheer heeft over de dopingpraktijk, legt NADO Vlaanderen de verplichte voorlopige schorsing, vermeld in het eerste lid, op.

Een sporter of andere persoon kan buiten de gevallen van verplichte voorlopige schorsing, vermeld in het eerste lid, optioneel een voorlopige schorsing opgelegd krijgen als uit de feiten en het voorliggende bewijsmateriaal voldoende blijkt dat een disciplinaire maatregel zal worden opgelegd. De optionele voorlopige schorsing wordt aan een sporter opgelegd om de gevolgen van een mogelijke definitieve uitsluiting met bijbehorende diskwalificatie van resultaten die behaald zijn nadat de dopingpraktijk is vastgesteld, te beperken voor andere sporters dan de sporter in kwestie.

Als NADO Vlaanderen resultatenbeheer heeft over de dopingpraktijk, kan NADO Vlaanderen de optionele voorlopige schorsing, vermeld in het derde lid, opleggen. NADO Vlaanderen kan een optionele voorlopige schorsing als vermeld in het derde lid, opleggen in elke fase van het resultatenbeheer tot aan een beslissing ten gronde, gewezen in eerste aanleg. NADO Vlaanderen kan de voormelde optionele voorlopige schorsing in voorkomend geval ook op elk moment intrekken.

Een voorlopige schorsing kan enkel worden opgelegd nadat de sporter of andere persoon, het WADA, de federatie en de internationale federatie op de hoogte is gebracht van de feiten op grond waarvan de sporter verdacht wordt van een dopingpraktijk en in voorkomend geval na het onderzoek, vermeld in het eerste lid.

Een voorlopige schorsing mag enkel worden opgelegd als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. 1°aan de sporter of andere persoon is de mogelijkheid geboden van een voorlopige hoorzitting hetzij vóór het opleggen van de voorlopige schorsing, hetzij tijdig nadat de voorlopige schorsing is opgelegd;
  2. 2°aan de sporter of andere persoon is de mogelijkheid geboden om tijdig een versnelde hoorzitting ten gronde te houden nadat een voorlopige schorsing is opgelegd.

De sporter of andere persoon aan wie een voorlopige schorsing wordt opgelegd, kan een voorlopige hoorzitting vragen. De voorlopige hoorzitting wordt uitgevoerd door de instantie die bevoegdheid heeft over de sporter of andere persoon voor het houden van een hoorzitting ten gronde, conform artikel 24 of 30 van dit decreet.

Een verplichte voorlopige schorsing kan worden opgeheven als de sporter een van de volgende gevallen kan aantonen:

  1. 1°het is aannemelijk dat de vermoedelijke dopingpraktijk verband houdt met een besmet product;
  2. 2°de vermoedelijke dopingpraktijk houdt verband met een misbruikstof en de sporter kan aantonen dat de misbruikstof gebruikt is buiten wedstrijdverband en geen verband vertoont met de sportprestaties, en de sporter recht heeft op het krijgen van een verminderde sanctie.

De instantie die de voorlopige schorsing heeft opgelegd, heft onmiddellijk de voorlopige schorsing die verband houdt met een dopingpraktijk als vermeld in artikel 3, § 1, 1°, op als de analyse van het B-monster de analyse van het A-monster niet bevestigt. Conform het derde lid kan in het voormelde geval een optionele voorlopige schorsing wel nog worden opgelegd.

De instantie die gemachtigd is een voorlopige schorsing op te leggen, brengt de volgende partijen op de hoogte van elke beslissing over een voorlopige schorsing:

  1. 1°de sporter, behalve in de gevallen waarbij geen kennisgeving van de vaststellingen aan de sporter verplicht is, of andere persoon in kwestie;
  2. 2°de federatie waarbij de sporter of andere persoon is aangesloten of die onder de bevoegdheid daarvan valt;
  3. 3°de NADO van de woonplaats van de sporter of andere persoon of de NADO van de plaats waar deze de nationaliteit heeft of zijn licentie heeft verkregen;
  4. 4°de respectievelijke internationale federatie;
  5. 5°het IOC of IPC als de beslissing een effect kan hebben op de volgende Olympische of Paralympische Spelen, met inbegrip van beslissingen die een effect kunnen hebben op de toelatingsvoorwaarden voor de Olympische of Paralympische Spelen;
  6. 6°het WADA.

Beroep tegen een beslissing met betrekking tot een voorlopige schorsing kan ingesteld worden conform artikel 24/1 of 36.

In afwijking van het elfde lid kan geen beroep worden ingesteld tegen de beslissing van een hoorinstantie om een verplichte voorlopige schorsing niet op te heffen nadat de sporter heeft aangebracht dat de inbreuk waarschijnlijk te wijten is aan een besmet product, conform artikel 7.4.1 van de Code.

De duur van een voorlopige schorsing wordt afgetrokken van een eventuele uitsluitingsperiode die uiteindelijk aan de sporter of andere persoon wordt opgelegd of die hij aanvaardt en naleeft. Als een sporter of andere persoon de voorwaarden van de voorlopige schorsing niet naleeft, wordt geen enkele verrekening van de voorlopige schorsing in de periode van uitsluiting toegepast en worden alle resultaten die behaald zijn tijdens de voorlopige schorsing gediskwalificeerd.

§ 2. Als een sporter geen voorlopige schorsing wordt opgelegd, kan de sporter in kwestie binnen een van de volgende termijnen vrijwillig een voorlopige schorsing aanvaarden:

  1. 1°binnen tien dagen na de kennisgeving van het resultaat van de analyse van het B-monster of nadat de termijn om een analyse van het B-monster te vragen, is verstreken;
  2. 2°uiterlijk op de dag vóór de dag waarop de sporter in kwestie van plan is om opnieuw aan een wedstrijd deel te nemen na afloop van de termijn, vermeld in punt 1°.

Een andere persoon dan een sporter, aan wie een dopingpraktijk ten laste wordt gelegd, kan vrijwillig een voorlopige schorsing aanvaarden binnen tien dagen na de kennisgeving van de mogelijke dopingpraktijk.

Een vrijwillige voorlopige schorsing als vermeld in het eerste en tweede lid, heeft dezelfde draagwijdte als een voorlopige schorsing die is opgelegd conform paragraaf 1.

De vrijwillige voorlopige schorsing kan op elk moment worden ingetrokken met een schriftelijke kennisgeving aan NADO Vlaanderen. In dat geval wordt geen rekening gehouden met de periode waarin een voorlopige schorsing is nageleefd.

Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd