§ flandrepo

Decreet tot wijziging van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 en het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, wat betreft de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen en de rechtspositieregeling van de bestuursrechters

Vlaamse Regering #1511 Staatsblad 14 april 2023 NUMAC 2023041391
28 artikels gewijzigd
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.286
1−De Vlaamse Regering bepaalt de zetel van de Raad.
1+De Raad behandelt de beroepen conform de regels, vermeld in deze afdeling, en conform de regels die zijn bepaald bij of krachtens het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges.
+0 −6 codex-hoger-onderwijs/art. II.287 opgeheven
1−§1. De Raad is samengesteld uit volgende leden:
2−1° één werkend en minimaal 2 plaatsvervangende voorzitters;
3−2° twee werkende en minimaal 4 plaatsvervangende bijzitters.
4−Elk van de plaatsvervangende bijzitters mag elk van de werkende bijzitters vervangen. In functie van de werkbelasting van de Raad kan de Vlaamse Regering bijkomende plaatsvervangende leden benoemen
5−§2. De voorzitter is een jurist met een grondige kennis van het hoger onderwijs.
6−De bijzitters zijn op het ogenblik van hun benoeming ten minste 5 jaar belast met een opdracht als lid van het academisch of onderwijzend personeel van een instelling.
+0 −8 codex-hoger-onderwijs/art. II.288 opgeheven
1−§1. De Vlaamse Regering benoemt de leden.
2−De bijzitters worden benoemd op gezamenlijke voordracht van de Vlaamse Interuniversitaire Raad en de Vlaamse Hogescholenraad. Deze voordracht voorziet in een billijk evenwicht tussen de universiteiten en de hogescholen en tussen de officiële en de vrije instellingen.
3−§2. Het mandaat van de leden heeft een duur van 6 jaar. Het is hernieuwbaar.
4−§3. Ten hoogste twee derden van de door de Vlaamse Regering benoemde leden mag van hetzelfde geslacht zijn. Dit quotum wordt berekend op het totaal aantal leden voorzitters en bijzitters afzonderlijk en zonder onderscheid op de werkende en plaatsvervangende leden van de Raad. Ingeval de in paragraaf 1 bepaalde voordrachtprocedure het niet mogelijk maakt om aan de verplichting te voldoen binnen een periode van drie maanden na het vacantverklaren van het mandaat dan kan de Vlaamse Regering, op voordracht van de minister onder wiens bevoegdheid de Raad functioneert, zelf een lid benoemen of op basis van de motivering van de voordrachtinstantie een afwijking toestaan op grond van de aanspraken en verdiensten van de voorgedragen kandidaat van het andere geslacht.
5−Bij een hernieuwing van 1 of meer mandaten wordt, zolang het quotum niet gerealiseerd is, een kandidaat van het ondervertegenwoordigde geslacht aangewezen.
6−Ingeval leden verhinderd zijn om effectief te zetelen volgens de vooropgestelde quota omwille van niet beschikbaarheid of andere onverenigbaarheden, kan de zitting van de Raad wel doorgaan om de continuïteit en een snelle rechtsbedeling niet te verhinderen.
7−§ 4. De werkend voorzitter, vermeld in artikel II.287, § 1, eerste lid, 1°, neemt zijn ambt op nadat hij in handen van de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs, de volgende eed heeft afgelegd : "Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt na te komen.".
8−De andere leden van de Raad, vermeld in artikel II.287, § 1, eerste lid, 1° en 2°, en de secretarissen, vermeld in artikel II.29, nemen hun ambt op nadat ze in handen van de werkend voorzitter van de Raad de volgende eed hebben afgelegd : "Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt na te komen."
+0 −3 codex-hoger-onderwijs/art. II.289 opgeheven
1−§1. De leden kunnen op ieder moment ontslag nemen.
2−De Vlaamse Regering kan een lid slechts ontslaan in geval van grove nalatigheid of kennelijk wangedrag.
3−§2. Totdat in hun vervanging is voorzien blijven de leden hun functie uitoefenen, behoudens in het geval van een door de Vlaamse Regering gegeven ontslag.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.290 opgeheven
1−De Vlaamse Regering stelt onder de ambtenaren van de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap de secretaris van de Raad aan.
+0 −4 codex-hoger-onderwijs/art. II.291 opgeheven
1−De Raad beoordeelt of studievoortgangsbeslissingen in overeenstemming zijn met:
2−1° de decretale en reglementaire bepalingen en het onderwijs- en examenreglement;
3−2° de algemene administratieve beginselen.
4−De Raad stelt zijn appreciatie betreffende de waarde van een kandidaat niet in de plaats van die van het bestuur of enig orgaan dat werkt onder de verantwoordelijkheid van het bestuur.
+1 −10 codex-hoger-onderwijs/art. II.292
1−§1. De behandeling van het verzoekschrift door de Raad leidt tot:
2−1° de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid of de ongegrondheid ervan, of;
3−2° de gemotiveerde vernietiging van de onrechtmatig genomen studievoortgangsbeslissing, in welk geval de Raad het bestuur kan bevelen een nieuwe beslissing te nemen, onder door de Raad te stellen voorwaarden. Deze voorwaarden kunnen inhouden dat :
4−a) een nieuwe examen(tucht)beslissing afhankelijk wordt gemaakt van de organisatie van een nieuw examen of een onderdeel daarvan. De Raad kan de termijn en de materiële voorwaarden bepalen waaronder deze organisatie moet gebeuren;
5−b) een nieuwe beslissing houdende toekenning van een bewijs van bekwaamheid in voorkomend geval afhankelijk wordt gemaakt van de organisatie van een nieuw bekwaamheidsonderzoek of een onderdeel daarvan. De Raad kan de termijn en de materiële voorwaarden bepalen waaronder deze organisatie moet gebeuren,
6−c) welbepaalde onregelmatige of onredelijke motieven bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing niet worden betrokken;
7−d) welbepaalde regelmatige en redelijke motieven bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing kennelijk in ogenschouw moeten worden genomen.
8−In het geval bedoeld onder het eerste lid, 2°, kan de Raad, zo hij dit op grond van de aangedragen feiten kennelijk noodzakelijk acht, bevelen dat de verzoeker in afwachting van een nieuwe beslissing voorlopig ingeschreven wordt, alsof geen nadelige studievoortgangsbeslissing was genomen.
9−Bij de behandeling van een verzoekschrift dat als voorwerp een studievoortgangsbeslissing heeft zoals bepaald in artikel I.3, 67°, i), oordeelt de Raad of er in voorkomend geval al dan niet sprake is van een niet remedieerbare overmacht en de onmogelijkheid om voor de betrokken student om organisatorische redenen een aangepaste examenregeling uit te werken.
10−De termijn voor het nemen van een nieuwe beslissing overeenkomstig het eerste lid, 2°, bedraagt ten minste 7 kalenderdagen.
1+§1. ...
112§2. Na vernietiging van de onrechtmatig genomen studievoortgangsbeslissing door de Raad vervalt de verplichting om bij de aanvechting van een nieuwe ongunstige studievoortgangsbeslissing genomen in opvolging van de uitspraak van de Raad de interne beroepsprocedure uit te putten vooraleer een beroep in te stellen bij de Raad.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.293 opgeheven
1−De Vlaamse Regering vermag aan de leden van de Raad op geen enkele wijze enige instructie te geven omtrent de wijze waarop zij de in deze onderafdeling bedoelde bevoegdheden uitoefenen.
+1 −10 codex-hoger-onderwijs/art. II.294
22De beroepen tegen een beslissing als vermeld in artikel I.3, 69°, h), worden bij de Raad ingesteld binnen een vervaltermijn van dertig dagen, die ingaat de dag na de dag van de kennisgeving van de definitieve beslissing van het krachtens het decreet bevoegde orgaan.
33Bij het uitblijven van een tijdige beslissing van de interne beroepsinstantie binnen de termijn zoals bepaald in artikel II.284, tweede lid, dient in voorkomend geval het beroep bij de Raad binnen de vervaltermijn van 7 kalenderdagen na het verstrijken van deze termijn te worden ingesteld, tenzij vóór het verstrijken van de termijn waarover de interne beroepsinstantie beschikt, deze aan de student meedeelt op welke latere datum zij uitspraak zal doen. In dat geval gaat de vervaltermijn van 7 kalenderdagen voor het beroep bij de Raad in de dag na die datum.
4−Indien de zevende of dertigste dag van de in het eerste lid respectievelijk tweede lid bedoelde termijn een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag waarop de postdiensten open zijn.
54Op de initiële studievoortgangsbeslissing vermeldt het instellingsbestuur naast de interne beroepsmodaliteiten de beroepstermijn van 7 kalenderdagen om een extern beroep in te stellen die ingaat na het uitblijven van een tijdige interne beroepsbeslissing zoals in het derde lid bepaald.
65Voor de toepassing van het eerste lid, wordt voor wat betreft de transnationale Universiteit Limburg verstaan onder :
98b) indien een interne beroepsprocedure openstaat : de dag van kennisgeving van een beslissing na enig intern beroep.
1092° "het verstrijken van de in artikel II.284, tweede lid bedoelde termijn" : het verstrijken van een redelijke termijn om een beslissing na intern beroep te nemen, zo een interne beroepsprocedure openstaat.
11−§2. De beroepen worden ingesteld bij wijze van verzoekschrift, waarin ten minste een feitelijke omschrijving is opgenomen van de ingeroepen bezwaren.
12−Het verzoekschrift wordt gedagtekend en, op straffe van onontvankelijkheid, ondertekend door de verzoeker of zijn raadsman.
13−Het verzoekschrift vermeldt:
14−1° de naam en de woonplaats van de verzoeker. Wanneer woonplaatskeuze wordt gedaan bij de raadsman van de verzoeker, wordt dit in het verzoekschrift aangegeven;
15−2° de naam en de zetel van het bestuur;
16−3° het voorwerp van het beroep;
17−4° een feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren.
10+§2. De beroepen worden ingesteld conform de regels, vermeld in deze afdeling, en conform de regels die zijn bepaald bij of krachtens het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges.
1811De student kan in de procedure voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen geen nieuwe bezwaren aanvoeren, tenzij de grondslag ervan pas tijdens of na afhandeling van de interne beroepsprocedure aan het licht is gekomen, tenzij het bezwaar betrekking heeft op de wijze waarop het intern beroep werd behandeld of tenzij het bezwaar raakt aan de openbare orde.
19−§3. Het verzoekschrift wordt bij aangetekend schrijven overgemaakt aan de Raad. Een kopie van het verzoekschrift wordt tezelfdertijd bij aangetekend schrijven overgemaakt aan het bestuur.
20−Als datum van het beroep geldt de datum van postmerk.
+0 −3 codex-hoger-onderwijs/art. II.295 opgeheven
1−§1. De verzoeker kan aan het verzoekschrift de overtuigingsstukken toevoegen die hij nodig acht.
2−De verzoeker kan naderhand slechts bijkomende overtuigingsstukken aan het dossier laten toevoegen, voor zover deze bij de opmaak van het verzoekschrift nog niet aan de verzoeker bekend waren. De verzoeker bezorgt in dat geval onverwijld een kopie van de bijkomende overtuigingsstukken aan het bestuur.
3−§2. De overtuigingsstukken worden door de verzoeker gebundeld en op een inventaris ingeschreven.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.296 opgeheven
1−Een onontvankelijk verzoekschrift kan lopende de beroepstermijn worden vervangen door een nieuw verzoekschrift, dat uitdrukkelijk de intrekking van het eerdere verzoekschrift bevestigt.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.297 opgeheven
1−De secretaris schrijft elk inkomend beroep in op een register.
+0 −9 codex-hoger-onderwijs/art. II.298 opgeheven
1−§ 1. Het administratief dossier dat door het bestuur uiterlijk samen met de antwoordnota aan de Raad en aan de verzoekende partij wordt bezorgd, bevat ten minste de volgende stukken:
2−1° een afschrift van de bestreden studievoortgangsbeslissing;
3−2° in voorkomend geval de examenkopij(en) van of het stagerapport van de verzoeker, of het verslag van het bekwaamheidsonderzoek met het oog op de verwerving van een bewijs van bekwaamheid;
4−3° het dossier dat samengesteld is naar aanleiding van het intern beroep, vermeld in artikel II.283, eerste lid, met inbegrip van het verzoekschrift op intern beroep;
5−4° de door het bestuur vastgelegde reglementaire bepalingen die op de bestreden beslissing van toepassing waren, waaronder in elk geval het onderwijs- en examenreglement en in voorkomend geval andere teksten met reglementaire strekking zoals de ECTS-fiche, het stagereglement, de studiegids en het vademecum.
6−De stukken worden door het bestuur gebundeld en op een inventaris ingeschreven.
7−§ 2. Als er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, kan de rechter bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd.
8−De voorzitter beslist ter zake bij beschikking. De beschikking vermeldt de identiteit van de partij of de derde die het stuk moet overleggen en de wijze waarop en de termijn waarbinnen dat moet gebeuren. De beschikking wordt via het meest gerede communicatiemiddel verzonden aan de partijen en bij aangetekend schrijven aan een derde.
9−§ 3. Als het verzoek een aanpassing van het leerkrediet betreft, kan de Raad bij de betrokken instellingen van het hoger onderwijs informatie opvragen met het oog op de verificatie van de voorgelegde feiten.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.299 opgeheven
1−De secretaris is onder het gezag van de voorzitter belast met de samenstelling van het dossier, dat naast de in artikel II.298, §1, bedoelde stukken tevens de overtuigingsstukken omvat die door de verzoeker bij het verzoekschrift werden gevoegd.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.300 opgeheven
1−Het dossier van de rechtspleging kan door de partijen en/of hun raadsman worden geraadpleegd op het secretariaat van de Raad. Ze nemen daartoe vooraf contact op met de secretaris.
+0 −8 codex-hoger-onderwijs/art. II.301 opgeheven
1−§ 1. Elk beroep wordt, zodra het is geregistreerd, aan de voorzitter overgemaakt.
2−Indien de voorzitter overweegt dat de Raad kennelijk niet bevoegd is of zonder rechtsmacht, worden de partijen daarvan door het secretariaat onmiddellijk in kennis gesteld, samen met een procedurekalender die de partijen een termijn van ten minste twee werkdagen verleent om daarover desgewenst schriftelijk standpunt in te nemen.
3−De voorzitter doet vervolgens zo spoedig mogelijk bij gemotiveerd arrest uitspraak zonder dat de partijen voor een terechtzitting worden opgeroepen.
4−Het arrest wordt onmiddellijk ter kennis gebracht van de partijen en sluit, zo tot de onontvankelijkheid wordt besloten, de procedure onherroepelijk af.
5−§ 2. In de beroepen die niet met toepassing van paragraaf 1 onontvankelijk zijn verklaard, betekent de secretaris via het meest gerede communicatiemiddel aan de partijen:
6−1° een procedurekalender;
7−2° de datum, het uur en de plaats van de zitting van de Raad; 3° de samenstelling van de Raad.
8−De betekening gaat, wat de verwerende partij betreft, vergezeld van een kopie van het verzoekschrift.
+0 −6 codex-hoger-onderwijs/art. II.302 opgeheven
1−§ 1. De procedurekalender, vermeld in artikel II.301, eerste lid, 1°, stelt de termijn vast waarbinnen:
2−1° het bestuur in staat wordt gesteld een antwoordnota en het administratief dossier aan de Raad en aan de verzoeker voor te leggen;
3−2° de verzoeker in staat wordt gesteld een wederantwoordnota aan de Raad en aan het bestuur voor te leggen.
4−De termijn, vermeld in het eerste lid, bedraagt voor elke partij ten minste 96 uur.
5−§ 2. De antwoordnota en de wederantwoordnota worden aan de Raad en aan de tegenpartij bezorgd via het meest gerede communicatiemiddel.
6−Een buiten de gestelde termijn aan de Raad bezorgde antwoordnota of wederantwoordnota wordt uit de verdere procedure geweerd.
+0 −6 codex-hoger-onderwijs/art. II.303 opgeheven
1−§1. De partijen kunnen 1 of meer leden schriftelijk en op gemotiveerde wijze wraken vóór de aanvang van de zitting, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan. De voorzitter, of, zo deze wordt gewraakt, de plaatsvervangende voorzitter, doet onmiddellijk uitspraak over het verzoek tot wraking. Zo het verzoek wordt ingewilligd, neemt de plaatsvervanger de plaats in van het gewraakte lid.
2−Het lid dat weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet zich van de zaak onthouden.
3−§2. De redenen tot wraking zijn de volgende:
4−1° de redenen bedoeld in artikel 828, 829, tweede lid en 830 van het Gerechtelijk Wetboek;
5−2° de hoedanigheid van lid van een rechtspersoon als vermeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet, verantwoordelijk voor de universiteit of de hogeschool waaraan de kwestieuze beslissing werd genomen, of van een personeelslid van die universiteit of hogeschool;
6−3° de hoedanigheid, vermeld in punt 2°, hebben gehad in een periode van drie jaar die aan het ingestelde beroep voorafgaat.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.304 opgeheven
1−De partijen kunnen schriftelijk en op gemotiveerde wijze vragen dat bepaalde getuigen door de Raad worden ondervraagd. De Raad beslist soeverein over de toelaatbaarheid van een getuigenverhoor en maakt van zijn beslissing melding in de uitspraak.
+0 −5 codex-hoger-onderwijs/art. II.305 opgeheven
1−De voorzitter leidt de zitting.
2−De zittingen zijn openbaar, behoudens indien de voorzitter, al dan niet op verzoek van de partijen of 1 ervan, oordeelt dat gewichtige redenen aanwezig zijn die zich tegen de openbaarheid van de hoorzitting verzetten.
3−Het verzoek wordt op tegenspraak behandeld. De partijen pleiten in elkaars aanwezigheid.
4−De voorzitter ondervraagt desgevallend de door de partijen opgeroepen getuigen.
5−De voorzitter sluit de debatten na de pleidooien en in voorkomend geval na de wederantwoorden.
+0 −3 codex-hoger-onderwijs/art. II.306 opgeheven
1−Bij regelmatige oproeping belet de afwezigheid van de partijen of 1 ervan de geldigheid van een zitting niet.
2−§ 2. In afwijking van artikel II.301, artikel II.302 en artikel II.305 verloopt de procedure voor een rechtstreeks beroep betreffende de in artikel II.285, tweede lid bedoelde aanpassing van het leerkrediet bij overmachtsituaties, na mededeling van een vereenvoudigde procedurekalender louter schriftelijk en volgt er geen concrete oproeping van de partijen tenzij de raad het noodzakelijk acht voor de behandeling van de zaak of tenzij één van de partijen uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoekt om gehoord te worden.
3−De raad oordeelt onverwijld bij beschikking van de voorzitter of gevolg moet gegeven worden aan het verzoek.
+0 −4 codex-hoger-onderwijs/art. II.307 opgeheven
1−De Raad beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over zijn uitspraken.
2−De uitspraken van de Raad zijn openbaar.
3−De Raad antwoordt in de uitspraken op alle opmerkingen van de partijen die de aan het geschil te geven oplossing kunnen beïnvloeden.
4−De uitspraak van de Raad wordt met een aangetekende zending aan de partijen bezorgd.
+0 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.308 opgeheven
1−De uitspraken van de Raad wordt uitgebracht binnen een ordetermijn van 20 kalenderdagen, die ingaat de dag na die waarop het beroep is ingeschreven op het in artikel II.297 bedoelde register.
2−In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden de uitspraken van de Raad in beroepen tegen een beslissing bedoeld in artikel I.3, 67°, h), uitgebracht binnen een ordetermijn van 30 kalenderdagen.
+0 −4 codex-hoger-onderwijs/art. II.309 opgeheven
1−De partijen kunnen zich bij een procedure voor de Raad laten bijstaan door een raadsman.
2−De raadsman legt ten laatste ter zitting een schriftelijke machtiging voor, behoudens indien:
3−1° de raadsman ingeschreven is als advocaat of als advocaat-stagiair, of
4−2° de raadsman samen met de betrokken partij ter zitting verschijnt.
+0 −4 codex-hoger-onderwijs/art. II.310 opgeheven
1−Ten aanzien van beroepen die in juli of augustus worden ingeschreven op het in artikel II.297 bedoelde register, kan een bestuur de Raad verzoeken rekening te houden met een gestaafde onderbezetting van de instelling ten gevolge van de jaarlijkse vakantie van het personeel.
2−Zo de Raad de onderbezetting gestaafd acht:
3−1° schorst hij gedurende ten hoogste 21 kalenderdagen de in artikel II.308 bedoelde termijn, of
4−2° verstrijkt de overeenkomstig artikel II.292, §1, eerste lid, 2°, a) door de Raad te bepalen termijn niet eerder dan op de dag na deze waarop voldoende personeelsleden aanwezig zijn om een examencommissie opnieuw op rechtmatige wijze samen te stellen.
+0 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.311 opgeheven
1−De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de leden van de Raad en de secretaris worden vergoed.
2−Zij kan nadere regelen bepalen omtrent de formaliteiten die door de partijen bij procedures voor de Raad moeten worden vervuld, zonder dat deze op enigerlei wijze kunnen leiden tot de onontvankelijkheid van een beroep.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.312 opgeheven
1−De nadere werkingsregelen van de Raad worden vastgelegd in een huishoudelijk reglement.
+0 −5 codex-hoger-onderwijs/art. II.313 opgeheven
1−§ 1. Onder het gezag van de Raad voorziet de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap in de publicatie van de uitspraken op de website van de dienst en in een jaarlijks verslagboek, met uitzondering van de arresten die worden uitgesproken in uitvoering van artikel II.204, § 3, van de Codex Hoger Onderwijs.
2−Bij de publicatie van de uitspraak wordt de identiteit van de student als procespartij, op diens uitdrukkelijk verzoek, weggelaten. Dit verzoek kan in het verzoekschrift of in voorkomend geval tot aan de sluiting van de debatten worden ingediend.
3−§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kunnen de in uitvoering van artikel II.204, § 3, van de Codex Hoger Onderwijs uitgesproken arresten onder voorbehoud van depersonalisatie worden gepubliceerd door beslissing van de voorzitter van de Raad wanneer deze arresten een belang kunnen hebben voor de rechtspraak of het juridisch onderzoek.
4−§ 3. In uitzonderlijke omstandigheden kan een natuurlijke persoon die partij was bij een geschil dat bij de Raad aanhangig was, op grond van gegevens waarvan hij geen kennis had vóór het indienen van het verzoekschrift of in voorkomend geval vóór de sluiting van de debatten, verzoeken dat de identiteit van de natuurlijke personen die hij aanwijst voortaan niet langer wordt vermeld in de publicatie van de arresten in digitaal formaat.
5−Een natuurlijke persoon die geen partij was in het geding, maar een belang heeft bij de weglating van de identiteit bij de publicatie, kan eveneens een dergelijk verzoek indienen, mits dit belang wordt aangetoond. Het gemotiveerd verzoek wordt aan de voorzitter van de Raad gezonden. De voorzitter van de Raad beslist over het gemotiveerd verzoek.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd