Decreet tot uitvoering van maatregelen over het onderwijs uit cao XII Leerplicht, cao V Basiseducatie en cao VI Hoger onderwijs vanaf het school- of academiejaar 2021-2022
44 artikels gewijzigd
| 75 | Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 8.842.117,00 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen. | 75 | Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 8.842.117,00 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen. |
| 76 | De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2022 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. | 76 | De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2022 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. |
| 77 | § 11. De totale werkingsmiddelen van de hogescholen (met inbegrip van de Hogere Zeevaartschool) en de universiteiten worden verhoogd met de volgende bedragen: | ||
| 78 | 2021 | ||
| 79 | Vanaf 2022 | ||
| 80 | bestemming | ||
| 81 | hogescholen | ||
| 82 | universiteiten | ||
| 83 | hogescholen | ||
| 84 | universiteiten | ||
| 85 | budget wendbaar en weerbaar personeelsbeleid | ||
| 86 | 2 638 575 | ||
| 87 | 1 776 250 | ||
| 88 | 4 949 207 | ||
| 89 | 1 703 720 | ||
| 90 | afschaffen baremieke leeftijd | ||
| 91 | 4 948 | ||
| 92 | optrekken laagste lonen ATP | ||
| 93 | 44 550 | ||
| 94 | 55 450 | ||
| 95 | De bedragen voor het afschaffen van de baremieke leeftijd, de laagste lonen en voor 2021 het budget voor wendbaar en weerbaar personeelsbeleid worden verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool en universiteit in de totale werkingsmiddelen. | ||
| 96 | De verdeling en toekenning van de middelen voor wendbaar en weerbaar personeelsbeleid vanaf 2022 wordt vastgelegd in het addendum. De middelen kunnen alleen toegekend worden voor maatregelen met betrekking tot professionalisering, re-integratie en ziektepreventiebeleid. | ||
| 97 | Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de bedragen, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. | ||
| 1 | § 1. De hogescholen en universiteiten ontvangen de volgende aanvullende uitkeringen: | ||
| 2 | 2021 | ||
| 3 | vanaf 2022 | ||
| 4 | bestemming | ||
| 5 | hogescholen | ||
| 6 | universiteiten | ||
| 7 | hogescholen | ||
| 8 | universiteiten | ||
| 9 | bevorderen duurzame mobiliteit en verhoging fietsvergoeding | ||
| 10 | 356 100 | ||
| 11 | 838 375 | ||
| 12 | 1 068 300 | ||
| 13 | 2 515 125 | ||
| 14 | tegemoetkoming in het digitaliseringsbeleid | ||
| 15 | 356 100 | ||
| 16 | 670 700 | ||
| 17 | 1 068 300 | ||
| 18 | 2 012 100 | ||
| 19 | internetvergoeding | ||
| 20 | 1 424 400 | ||
| 21 | 2 682 800 | ||
| 22 | 4 273 200 | ||
| 23 | 8 048 400 | ||
| 24 | tegemoetkoming kortingskaart | ||
| 25 | 89 025 | ||
| 26 | 167 675 | ||
| 27 | 89 025 | ||
| 28 | 167 675 | ||
| 29 | De bedragen worden verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool en universiteit in de totale werkingsmiddelen. | ||
| 30 | Het bedrag dat conform het eerste en tweede lid wordt verkregen, wordt toegevoegd aan de werkingsmiddelen. | ||
| 31 | § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de bedragen, vermeld in dit artikel, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. |
| 13 | 6° alle bevoegdheden die in particuliere bedrijven opgedragen zijn aan de comités voor preventie en bescherming op het werk. | 13 | 6° alle bevoegdheden die in particuliere bedrijven opgedragen zijn aan de comités voor preventie en bescherming op het werk. |
| 14 | §2. De onderhandelingen leiden tot een protocol van akkoord of tot een protocol waarin de standpunten van de respectieve afvaardigingen van de representatieve vakorganisaties worden weergegeven. | 14 | §2. De onderhandelingen leiden tot een protocol van akkoord of tot een protocol waarin de standpunten van de respectieve afvaardigingen van de representatieve vakorganisaties worden weergegeven. |
| 15 | Voor aanpassingen aan het arbeidsreglement voor materies die wettelijk in het arbeidsreglement moeten worden opgenomen is het akkoord van ten minste één van de representatieve vakorganisaties nodig. | ||
| 1 | §1. In de onderhandelingscomités in de gesubsidieerde vrije hogescholen onderhandelen het hogeschoolbestuur en de representatieve vakorganisaties over de aangelegenheden, bedoeld in en krachtens de artikelen 2, 9 en 11 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. Het arbeidsreglement in de hogescholen vormt daarenboven eveneens voorwerp van onderhandeling in het hogeschoolonderhandelingscomité. Over dezelfde aangelegenheden kan niet én in het hogeschoolonderhandelingscomité én op een ander niveau worden onderhandeld. | 1 | §1. In de onderhandelingscomités in de gesubsidieerde vrije hogescholen onderhandelen het hogeschoolbestuur en de representatieve vakorganisaties over de aangelegenheden, bedoeld in en krachtens de artikelen 2, 9 en 11 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. Het arbeidsreglement in de hogescholen vormt daarenboven eveneens voorwerp van onderhandeling in het hogeschoolonderhandelingscomité. Over dezelfde aangelegenheden kan niet én in het hogeschoolonderhandelingscomité én op een ander niveau worden onderhandeld. |
| 2 | In de onderhandelingscomités in de gesubsidieerde officiële hogeschool onderhandelen het hogeschoolbestuur en de representatieve vakorganisaties over de aangelegenheden bedoeld in en krachtens de artikelen 2, 6, 9 en 11 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, met dien verstande dat over dezelfde aangelegenheden niet én in het hogeschoolonderhandelingscomité én op een ander niveau kan worden onderhandeld. | 2 | In de onderhandelingscomités in de gesubsidieerde officiële hogeschool onderhandelen het hogeschoolbestuur en de representatieve vakorganisaties over de aangelegenheden bedoeld in en krachtens de artikelen 2, 6, 9 en 11 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, met dien verstande dat over dezelfde aangelegenheden niet én in het hogeschoolonderhandelingscomité én op een ander niveau kan worden onderhandeld. |
| 3 | Voor aanpassingen aan het arbeidsreglement voor materies die wettelijk in het arbeidsreglement moeten worden opgenomen is het akkoord van ten minste één van de representatieve vakorganisaties nodig. | ||
| 3 | Bovendien bezorgt het hogeschoolbestuur de onderhandelingscomités de volgende inlichtingen, verslagen en bescheiden: | 4 | Bovendien bezorgt het hogeschoolbestuur de onderhandelingscomités de volgende inlichtingen, verslagen en bescheiden: |
| 4 | 1° algemene informatie met betrekking tot de werking en de organisatie van de hogeschool; | 5 | 1° algemene informatie met betrekking tot de werking en de organisatie van de hogeschool; |
| 6 | 4° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro; | 6 | 4° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro; |
| 7 | 5° voor de CLB's: 178.000 euro; | 7 | 5° voor de CLB's: 178.000 euro; |
| 8 | 6° voor de basiseducatie: 28.000 euro. | 8 | 6° voor de basiseducatie: 77.500 euro. |
| 9 | Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.. | 9 | Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.. |
| 10 | § 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn. | 10 | § 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn. |
| 11 | In afwijking van het eerste lid worden voor de centra voor basiseducatie de middelen pro rata verdeeld op basis van het aantal contractuelen Departement Onderwijs en Vorming, uitgedrukt in voltijdse equivalenten. | ||
| 24 | De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50. | 24 | De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50. |
| 25 | De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat. | 25 | De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat. |
| 26 | § 2bis. Vanaf het schooljaar 2021-2022 worden jaarlijks 7,761 aanvullende vte toegekend aan de centra voor basiseducatie voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van leraar in het kader van de organisatie van aanvangsbegeleiding. | ||
| 27 | De Vlaamse Regering kan voor de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar afwijken van het totale volume te verdelen aanvullende vte, vermeld in het eerste lid. | ||
| 28 | Elk centrum voor basiseducatie heeft recht op hetzelfde aandeel aan aanvullende vte voor aanvangsbegeleiding als het aandeel aan vte waarop het centrum conform paragraaf 1 recht heeft. | ||
| 29 | Een centrumbestuur kan de aanvullende vte voor aanvangsbegeleiding omzetten in aanvullende punten voor aanvangsbegeleiding conform de volgende tabel: | ||
| 30 | vte | ||
| 31 | punten | ||
| 32 | 0,05 | ||
| 33 | 6 | ||
| 34 | 0,10 | ||
| 35 | 12 | ||
| 36 | 0,15 | ||
| 37 | 18 | ||
| 38 | 0,20 | ||
| 39 | 24 | ||
| 40 | 0,25 | ||
| 41 | 30 | ||
| 42 | 0,30 | ||
| 43 | 36 | ||
| 44 | 0,35 | ||
| 45 | 42 | ||
| 46 | 0,40 | ||
| 47 | 48 | ||
| 48 | 0,45 | ||
| 49 | 54 | ||
| 50 | 0,50 | ||
| 51 | 60 | ||
| 52 | 0,55 | ||
| 53 | 66 | ||
| 54 | 0,60 | ||
| 55 | 72 | ||
| 56 | 0,65 | ||
| 57 | 78 | ||
| 58 | 0,70 | ||
| 59 | 84 | ||
| 60 | 0,75 | ||
| 61 | 90 | ||
| 62 | 0,80 | ||
| 63 | 96 | ||
| 64 | 0,85 | ||
| 65 | 102 | ||
| 66 | 0,90 | ||
| 67 | 108 | ||
| 68 | 0,95 | ||
| 69 | 114 | ||
| 70 | 1 | ||
| 71 | 120 | ||
| 72 | De aanvullende vte kunnen worden samengelegd. Centra voor basiseducatie die ervoor kiezen om de aanvullende vte samen te leggen, richten daarvoor een samenwerkingsverband aanvangsbegeleiding op, dat bestaat uit twee of meer centra. Het samenwerkingsverband maakt afspraken over de aanwending van de aanvullende vte. De Vlaamse Regering kan de volgende elementen bepalen van het samenwerkingsverband: | ||
| 73 | 1° de duur van de samenwerking; | ||
| 74 | 2° de vorm van overeenkomst waarmee het samenwerkingsverband wordt opgericht; | ||
| 75 | 3° de wijze en het tijdstip van mededeling van het samenwerkingsverband aan de overheid. | ||
| 26 | § 3. In afwijking van § 1 kan een Centrum voor Basiseducatie voor alle opleidingen toegekende VTE aanwenden voor de aanwerving van voordrachtgevers ten bedrage van maximaal 5 procent van het voor het Centrum voor Basiseducatie beschikbare aantal VTE. | 76 | § 3. In afwijking van § 1 kan een Centrum voor Basiseducatie voor alle opleidingen toegekende VTE aanwenden voor de aanwerving van voordrachtgevers ten bedrage van maximaal 5 procent van het voor het Centrum voor Basiseducatie beschikbare aantal VTE. |
| 27 | Een voordrachtgever is een persoon die geen deel uitmaakt van het centrumbestuur of van het personeel van het centrum en die, hetzij in eigen naam hetzij in dienst van een organisatie of onderneming en in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma, voor cursisten voordrachten geeft vanuit zijn of haar deskundigheid en ervaring in de arbeidsmarkt en bedrijfswereld. | 77 | Een voordrachtgever is een persoon die geen deel uitmaakt van het centrumbestuur of van het personeel van het centrum en die, hetzij in eigen naam hetzij in dienst van een organisatie of onderneming en in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma, voor cursisten voordrachten geeft vanuit zijn of haar deskundigheid en ervaring in de arbeidsmarkt en bedrijfswereld. |
| 80 | Over de aanwending van leraarsuren voor de aanwerving van voordrachtgevers en over de vergoeding van die voordrachtgevers moet een voorafgaandelijk akkoord bereikt worden in het lokale comité. | 80 | Over de aanwending van leraarsuren voor de aanwerving van voordrachtgevers en over de vergoeding van die voordrachtgevers moet een voorafgaandelijk akkoord bereikt worden in het lokale comité. |
| 81 | § 4. De som van het aantal door de Vlaamse Gemeenschap toegekende leraarsuren overeenkomstig § 1 wordt afgerond tot twee cijfers na de komma. Indien het derde cijfer na de komma 5 of meer is, wordt er afgerond naar het hogere honderdste. Indien het derde cijfer na de komma lager is dan 5, wordt er afgerond naar het lagere honderdste. | 81 | § 4. De som van het aantal door de Vlaamse Gemeenschap toegekende leraarsuren overeenkomstig § 1 wordt afgerond tot twee cijfers na de komma. Indien het derde cijfer na de komma 5 of meer is, wordt er afgerond naar het hogere honderdste. Indien het derde cijfer na de komma lager is dan 5, wordt er afgerond naar het lagere honderdste. |
| 82 | § 4bis. Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden jaarlijks 15.111 aanvullende leraarsuren aan de centra voor volwassenenonderwijs toegekend voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in het kader van de organisatie van aanvangsbegeleiding. | 82 | § 4bis. Vanaf het schooljaar 2021-2022 worden jaarlijks 20.194 aanvullende leraarsuren aan de centra voor volwassenenonderwijs toegekend voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in het kader van de organisatie van aanvangsbegeleiding. |
| 83 | De Vlaamse Regering kan vanwege de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar afwijken van het totale volume te verdelen aanvullende leraarsuren, vermeld in het eerste lid. | 83 | De Vlaamse Regering kan vanwege de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar afwijken van het totale volume te verdelen aanvullende leraarsuren, vermeld in het eerste lid. |
| 84 | Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft vanaf 1 september 2019 recht op hetzelfde aandeel aan aanvullende leraarsuren voor aanvangsbegeleiding als het aandeel aan leraarsuren waarop het centrum volgens de berekening van paragraaf 1 recht heeft. | 84 | Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft recht op hetzelfde aandeel aan aanvullende leraarsuren voor aanvangsbegeleiding als het aandeel aan leraarsuren waarop het centrum volgens de berekening van paragraaf 1 recht heeft. |
| 85 | Als de aanvullende leraarsuren niet kunnen worden aangewend voor aanvangsbegeleiding, moeten de centra die leraarsuren aanwenden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel, vermeld in paragraaf 4ter. Bij een overdracht als vermeld in artikel 103, kunnen die uren ook alleen voor aanvangsbegeleiding of voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel worden aangewend. | ||
| 85 | Een centrumbestuur kan de aanvullende leraarsuren voor aanvangsbegeleiding omzetten in aanvullende punten voor aanvangsbegeleiding volgens de onderstaande tabel: | 86 | Een centrumbestuur kan de aanvullende leraarsuren voor aanvangsbegeleiding omzetten in aanvullende punten voor aanvangsbegeleiding volgens de onderstaande tabel: |
| 86 | leraarsuren | 87 | leraarsuren |
| 140 | - de vorm van overeenkomst waarmee het samenwerkingsverband wordt opgericht; | 141 | - de vorm van overeenkomst waarmee het samenwerkingsverband wordt opgericht; |
| 141 | - de wijze en het tijdstip van mededeling van het samenwerkingsverband aan de overheid. | 142 | - de wijze en het tijdstip van mededeling van het samenwerkingsverband aan de overheid. |
| 143 | § 4ter. Vanaf het schooljaar 2021-2022 worden aan de centra voor volwassenenonderwijs jaarlijks 26.436 leraarsuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel toegekend. | ||
| 144 | De Vlaamse Regering kan voor de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar afwijken van het totale volume te verdelen aanvullende leraarsuren, vermeld in het eerste lid. | ||
| 145 | De aanvullende leraarsuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel dienen aangewend te worden om de werkdruk van het onderwijzend personeel te verminderen met een effect op de lesopdracht. Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft recht op hetzelfde aandeel aan aanvullende leraarsuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel als het aandeel aan leraarsuren waarop het centrum conform paragraaf 1 recht heeft. | ||
| 146 | Er kan aan een onderwijzend personeelslid maximaal één leraarsuur toegekend worden. Van dat principe kan alleen worden afgeweken tot maximaal drie leraarsuren per onderwijzend personeelslid op grond van een gemotiveerd verzoek en na onderhandeling in het lokaal comité. Dit gemotiveerd verzoek kan zowel van de afvaardiging van het schoolbestuur als van de afvaardiging van het personeel komen. | ||
| 147 | In afwijking van het derde en vierde lid kan een centrumbestuur tijdens de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 bij een tekort aan onderwijzend personeel de aanvullende leraarsuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel ook aanwenden in ambten van het ondersteunend personeel. De criteria voor de bepaling van het tekort aan onderwijzend personeel worden bepaald in het bevoegd lokaal comité en de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel kan enkel worden toegepast na onderhandeling in het bevoegd lokaal comité. De betrekkingen die ingericht worden in ambten van het ondersteunend personeel komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. Voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel worden leraarsuren omgezet naar punten als vermeld in paragraaf 4bis. | ||
| 148 | Voor de toepassing van de personeelsregelgeving worden, voor het bestuurs- en onderwijzend personeel, uren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel beschouwd als uren die geen lesuren zijn maar ermee gelijkgesteld worden. | ||
| 149 | § 4quater. Vanaf het schooljaar 2021-2022 worden aan de centra voor volwassenenonderwijs jaarlijks 3806 aanvullende leraarsuren samen school maken toegekend. | ||
| 150 | De Vlaamse Regering kan vanwege de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar afwijken van het totale volume te verdelen aanvullende leraarsuren, vermeld in het eerste lid. | ||
| 151 | Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft recht op 40 aanvullende leraarsuren samen school maken. De resterende aanvullende leraarsuren samen school maken worden verdeeld over de centra voor volwassenenonderwijs volgens het aandeel aan leraarsuren waarop het centrum conform paragraaf 1 recht heeft. | ||
| 152 | De aanvullende leraarsuren samen school maken worden aangewend om het sociaal overleg en onderhandeling te versterken. De aanvullende leraarsuren worden aangewend voor de vertegenwoordigers van het personeel die aangesteld zijn in het centrum, conform de toepasselijke vigerende Vlaamse of federale regelgeving. | ||
| 153 | Voor de aanwending van de leraarsuren samen school maken kunnen de centra voor volwassenenonderwijs samenwerken. De leraarsuren samen school maken worden aangewend in wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel of van het ondersteunend personeel. Voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel worden leraarsuren omgezet naar punten als vermeld in paragraaf 4bis. | ||
| 154 | Voor de toepassing van de personeelsregelgeving wordt, voor de wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel, samen school maken beschouwd als uren die geen lesuren zijn maar ermee gelijkgesteld worden. | ||
| 155 | De Vlaamse Regering keurt het afsprakenkader tussen het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs en de representatieve vakorganisaties over de wijze van toekenning, de verdeling en de inzet van de aanvullende lestijden samen school maken die specifiek gericht zijn op het versterken van het lokale sociaal overleg goed. | ||
| 142 | § 5. .... | 156 | § 5. .... |
| 143 | § 6. Ter uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3bis, heeft het centrum voor volwassenenonderwijs dat werd aangeduid als examencommissie, recht op vierhonderd aanvullende leraarsuren per schooljaar voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs. Het centrum voor volwassenenonderwijs krijgt jaarlijks een bijkomende subsidie ter beschikking gesteld door de Vlaamse Regering voor de ontwikkeling en het beheer van de taaltoetsen voor de examencommissie. | 157 | § 6. Ter uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3bis, heeft het centrum voor volwassenenonderwijs dat werd aangeduid als examencommissie, recht op vierhonderd aanvullende leraarsuren per schooljaar voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs. Het centrum voor volwassenenonderwijs krijgt jaarlijks een bijkomende subsidie ter beschikking gesteld door de Vlaamse Regering voor de ontwikkeling en het beheer van de taaltoetsen voor de examencommissie. |
| 1 | § 1. Voor het schooljaar 2021-2022 wordt een extra werkingsbudget van 7.692.000 euro toegekend aan scholen van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, exclusief type 5. Ten laste van dit werkingsbudget moet personeel worden aangeworven voor beleidsondersteuning of administratieve ondersteuning conform artikel 154, § 2. | ||
| 2 | § 2. Het extra werkingsbudget per school wordt berekend door het aantal regelmatige leerlingen, dat de school telt op de eerste schooldag van februari 2021, te vermenigvuldigen met 10,53 euro. | ||
| 3 | Het werkingsbudget wordt aan de schoolbesturen uiterlijk vóór 1 februari 2022 uitbetaald. |
| 10 | 6° lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs. | 10 | 6° lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs. |
| 11 | 7° lestijden in het buitengewoon basisonderwijs ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap; | 11 | 7° lestijden in het buitengewoon basisonderwijs ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap; |
| 12 | 8° lestijden voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering. | 12 | 8° lestijden voor aanvangsbegeleiding; |
| 13 | 9° lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel; | ||
| 14 | 10° lestijden samen school maken. | ||
| 13 | De betrekkingen die worden ingericht op basis van de lestijden voor het permanent onderwijs aan huis in het buitengewoon onderwijs komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. | 15 | De betrekkingen die worden ingericht op basis van de lestijden voor het permanent onderwijs aan huis in het buitengewoon onderwijs komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. |
| 14 | § 2. De regering kan beslissen een nieuwe categorie aanvullende lestijden te financieren of te subsidiëren. | 16 | § 2. De regering kan beslissen een nieuwe categorie aanvullende lestijden te financieren of te subsidiëren. |
| 1 | § 1. Het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering bedraagt, voor het schooljaar 2019-2020, in het gewoon basisonderwijs 7766 lestijden en in het buitengewoon basisonderwijs 1156 lestijden. | 1 | § 1. Voor het schooljaar 2021-2022 bedraagt het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding: |
| 2 | 1° 9815 lestijden in het gewoon basisonderwijs; | ||
| 3 | 2° 1416 lestijden in het buitengewoon basisonderwijs. | ||
| 2 | Voor het schooljaar X-X+1, startend in schooljaar 2020-2021, worden de 7766 lestijden, vermeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A1=X/Y, waarbij: | 4 | Voor het schooljaar X-X+1, vanaf het schooljaar 2022-2023, worden de lestijden, vermeld in het eerste lid, 1°, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A1=X/Y, waarbij: |
| 3 | 1° X: het totale aantal leerlingen in het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari X; | 5 | 1° X: het totale aantal leerlingen in het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari X; |
| 4 | 2° Y: het totale aantal leerlingen in het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari 2019. | 6 | 2° Y: het totale aantal leerlingen in het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari 2021. |
| 5 | Voor het schooljaar X-X+1, startend in schooljaar 2020-2021, worden de 1156 lestijden, vermeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A2=R/S, waarbij: | 7 | Voor het schooljaar X-X+1, vanaf het schooljaar 2022-2023, worden de lestijden, vermeld in het eerste lid, 2°, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A2=R/S, waarbij: |
| 6 | 1° R: het totale aantal leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari X; | 8 | 1° R: het totale aantal leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari X; |
| 7 | 2° S: het totale aantal leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari 2019. | 9 | 2° S: het totale aantal leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari 2021. |
| 8 | § 2. Het aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering waarop de school voor gewoon basisonderwijs recht heeft, is A*B, waarbij: | 10 | § 2. Het aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding waarop de school voor gewoon basisonderwijs recht heeft, is A*B, waarbij: |
| 9 | 1° A: de beschikbare lestijden voor het gewoon basisonderwijs, vermeld in paragraaf 1, gedeeld door het totale aantal lestijden in het gewoon basisonderwijs van het vorige schooljaar van alle scholen samen, waarbij onder het totale aantal lestijden in het gewoon basisonderwijs wordt verstaan de som van het totale aantal: | 11 | 1° A: de beschikbare lestijden voor het gewoon basisonderwijs, vermeld in paragraaf 1, gedeeld door het totale aantal lestijden in het gewoon basisonderwijs van het vorige schooljaar van alle scholen samen, waarbij onder het totale aantal lestijden in het gewoon basisonderwijs wordt verstaan de som van het totale aantal: |
| 10 | a) lestijden volgens de schalen; | 12 | a) lestijden volgens de schalen; |
| 18 | d) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing. | 20 | d) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing. |
| 19 | De lestijden, vermeld in het eerste lid, worden binnen een school als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | 21 | De lestijden, vermeld in het eerste lid, worden binnen een school als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. |
| 20 | § 3. Het aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering waarop de school voor buitengewoon basisonderwijs recht heeft, is C*D, waarbij: | 22 | § 3. Het aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding waarop de school voor buitengewoon basisonderwijs recht heeft, is C*D, waarbij: |
| 21 | 1° C: de beschikbare lestijden voor het buitengewoon basisonderwijs, vermeld in paragraaf 1, gedeeld door het totale aantal lestijden in het buitengewoon basisonderwijs van het vorige schooljaar van alle scholen samen, waarbij onder het totale aantal lestijden in het buitengewoon basisonderwijs wordt verstaan de som van het totale aantal: | 23 | 1° C: de beschikbare lestijden voor het buitengewoon basisonderwijs, vermeld in paragraaf 1, gedeeld door het totale aantal lestijden in het buitengewoon basisonderwijs van het vorige schooljaar van alle scholen samen, waarbij onder het totale aantal lestijden in het buitengewoon basisonderwijs wordt verstaan de som van het totale aantal: |
| 22 | a) lestijden volgens de schalen; | 24 | a) lestijden volgens de schalen; |
| 28 | c) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing. | 30 | c) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing. |
| 29 | De lestijden, vermeld in het eerste lid, worden binnen een school als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | 31 | De lestijden, vermeld in het eerste lid, worden binnen een school als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. |
| 30 | § 4. Uit de lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, kunnen, in het gewoon kleuteronderwijs, betrekkingen worden ingericht: | ||
| 31 | 1° in het ambt van kleuteronderwijzer; | ||
| 32 | 2° in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding. | ||
| 33 | De lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, worden als volgt omgerekend naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen van kleuteronderwijzer of leermeester lichamelijke opvoeding: de lestijden worden gedeeld door 24 tot op de eenheid voor het ambt van kleuteronderwijzer of leermeester lichamelijke opvoeding. Het quotiënt is gelijk aan het mogelijke aantal volledige betrekkingen. | ||
| 34 | § 5. De lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, kunnen, in het gewoon kleuteronderwijs, worden ingericht in het ambt van kinderverzorger, na omzetting volgens de onderstaande tabel: | ||
| 35 | lestijden | ||
| 36 | uren kinderverzorger | ||
| 37 | 1 | ||
| 38 | 2 | ||
| 39 | 2 | ||
| 40 | 3 | ||
| 41 | 3 | ||
| 42 | 5 | ||
| 43 | 4 | ||
| 44 | 6 | ||
| 45 | 5 | ||
| 46 | 8 | ||
| 47 | 6 | ||
| 48 | 10 | ||
| 49 | 7 | ||
| 50 | 11 | ||
| 51 | 8 | ||
| 52 | 13 | ||
| 53 | 9 | ||
| 54 | 14 | ||
| 55 | 10 | ||
| 56 | 16 | ||
| 57 | 11 | ||
| 58 | 17 | ||
| 59 | 12 | ||
| 60 | 19 | ||
| 61 | 13 | ||
| 62 | 21 | ||
| 63 | 14 | ||
| 64 | 22 | ||
| 65 | 15 | ||
| 66 | 24 | ||
| 67 | 16 | ||
| 68 | 25 | ||
| 69 | 17 | ||
| 70 | 27 | ||
| 71 | 18 | ||
| 72 | 29 | ||
| 73 | 19 | ||
| 74 | 30 | ||
| 75 | 20 | ||
| 76 | 32 | ||
| 77 | De omrekening van de uren naar gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen kinderverzorger gebeurt door de som van de uren verkregen overeenkomstig het eerste lid te delen door 32 tot op de eenheid; het quotiënt is gelijk aan het mogelijke aantal volledige betrekkingen. | ||
| 78 | § 6. Uit de lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, kunnen, in het gewoon lager onderwijs, betrekkingen worden ingericht: | ||
| 79 | 1° in het ambt van onderwijzer; | ||
| 80 | 2° in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding; | ||
| 81 | 3° in het ambt van leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer. | ||
| 82 | De lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, worden als volgt omgerekend naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen van onderwijzer, leermeester lichamelijke opvoeding of leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer: de lestijden worden gedeeld door 24 tot op de eenheid voor het ambt van onderwijzer, leermeester lichamelijke opvoeding of leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer. Het quotiënt is gelijk aan het mogelijke aantal volledige betrekkingen. | ||
| 83 | § 7. De lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, kunnen, in het gewoon basisonderwijs, worden omgezet in punten, na omzetting volgens de onderstaande tabel: | ||
| 84 | lestijden | ||
| 85 | punten | ||
| 86 | 1 | ||
| 87 | 4 | ||
| 88 | 2 | ||
| 89 | 7 | ||
| 90 | 3 | ||
| 91 | 11 | ||
| 92 | 4 | ||
| 93 | 14 | ||
| 94 | 5 | ||
| 95 | 18 | ||
| 96 | 6 | ||
| 97 | 21 | ||
| 98 | 7 | ||
| 99 | 25 | ||
| 100 | 8 | ||
| 101 | 28 | ||
| 102 | 9 | ||
| 103 | 32 | ||
| 104 | 10 | ||
| 105 | 35 | ||
| 106 | 11 | ||
| 107 | 39 | ||
| 108 | 12 | ||
| 109 | 43 | ||
| 110 | 13 | ||
| 111 | 46 | ||
| 112 | 14 | ||
| 113 | 50 | ||
| 114 | 15 | ||
| 115 | 53 | ||
| 116 | 16 | ||
| 117 | 57 | ||
| 118 | 17 | ||
| 119 | 60 | ||
| 120 | 18 | ||
| 121 | 64 | ||
| 122 | 19 | ||
| 123 | 67 | ||
| 124 | 20 | ||
| 125 | 71 | ||
| 126 | 21 | ||
| 127 | 74 | ||
| 128 | 22 | ||
| 129 | 78 | ||
| 130 | 23 | ||
| 131 | 81 | ||
| 132 | 24 | ||
| 133 | 85 | ||
| 134 | Uit de punten, verkregen volgens het eerste lid, kunnen de volgende ambten worden ingericht: | ||
| 135 | 1° het ambt van zorgcoördinator uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel; | ||
| 136 | 2° het ambt van ICT-coördinator uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel; | ||
| 137 | 3° het ambt van administratief medewerker uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel. | ||
| 138 | De omrekening van punten naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse betrekkingen van het beleids- en ondersteund personeel gebeurt volgens de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 betreffende de puntenenveloppen voor de scholengemeenschappen basisonderwijs. | ||
| 139 | § 8. Uit de lestijden, verkregen volgens paragraaf 3, kunnen, in het buitengewoon onderwijs, betrekkingen worden ingericht in: | ||
| 140 | 1° het ambt van kleuteronderwijzer algemene en sociale vorming; | ||
| 141 | 2° het ambt van onderwijzer algemene en sociale vorming; | ||
| 142 | 3° het ambt van leermeester algemene en sociale vorming, specialiteit lichamelijke opvoeding; | ||
| 143 | 4° het ambt van leermeester algemene en sociale vorming, compensatietechnieken braille, type 6; | ||
| 144 | 5° het ambt van leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer. | ||
| 145 | De lestijden, verkregen volgens paragraaf 3, worden als volgt omgerekend naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen: de lestijden worden gedeeld door 22 tot op de eenheid. Het quotiënt is gelijk aan het mogelijke aantal volledige betrekkingen. | ||
| 146 | § 9. De lestijden, verkregen volgens paragraaf 3, kunnen, in het buitengewoon basisonderwijs, worden omgezet in uren paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel, na omzetting volgens de onderstaande tabel: | ||
| 147 | lestijden | ||
| 148 | uren | ||
| 149 | 1 | ||
| 150 | 1 | ||
| 151 | 2 | ||
| 152 | 3 | ||
| 153 | 3 | ||
| 154 | 4 | ||
| 155 | 4 | ||
| 156 | 6 | ||
| 157 | 5 | ||
| 158 | 7 | ||
| 159 | 6 | ||
| 160 | 9 | ||
| 161 | 7 | ||
| 162 | 10 | ||
| 163 | 8 | ||
| 164 | 12 | ||
| 165 | 9 | ||
| 166 | 13 | ||
| 167 | 10 | ||
| 168 | 15 | ||
| 169 | 11 | ||
| 170 | 16 | ||
| 171 | 12 | ||
| 172 | 18 | ||
| 173 | 13 | ||
| 174 | 19 | ||
| 175 | 14 | ||
| 176 | 21 | ||
| 177 | 15 | ||
| 178 | 22 | ||
| 179 | 16 | ||
| 180 | 24 | ||
| 181 | 17 | ||
| 182 | 25 | ||
| 183 | 18 | ||
| 184 | 27 | ||
| 185 | 19 | ||
| 186 | 28 | ||
| 187 | 20 | ||
| 188 | 29 | ||
| 189 | 21 | ||
| 190 | 31 | ||
| 191 | 22 | ||
| 192 | 32 | ||
| 193 | 23 | ||
| 194 | 34 | ||
| 195 | 24 | ||
| 196 | 35 | ||
| 197 | 25 | ||
| 198 | 37 | ||
| 199 | 26 | ||
| 200 | 38 | ||
| 201 | 27 | ||
| 202 | 40 | ||
| 203 | De omrekening van uren naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse betrekkingen van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel gebeurt volgens de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het buitengewoon basisonderwijs. | ||
| 204 | § 10. De lestijden, verkregen volgens paragraaf 3, kunnen, in het buitengewoon basisonderwijs, worden omgezet in punten, na omzetting volgens de onderstaande tabel: | ||
| 205 | lestijden | ||
| 206 | punten | ||
| 207 | 1 | ||
| 208 | 4 | ||
| 209 | 2 | ||
| 210 | 8 | ||
| 211 | 3 | ||
| 212 | 12 | ||
| 213 | 4 | ||
| 214 | 15 | ||
| 215 | 5 | ||
| 216 | 19 | ||
| 32 | § 4. De regering bepaalt op welke wijze de lestijden die conform paragraaf 2 en 3 worden berekend, aangewend kunnen worden en bepaalt ook de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van die lestijden betrekkingen kunnen worden opgericht. De regering bepaalt ook op welke wijze de lestijden via omzettingstabellen omgezet kunnen worden in punten of uren. | ||
| 33 | § 5. Als de scholen de aanvullende lestijden, vermeld in paragraaf 1, niet kunnen gebruiken voor aanvangsbegeleiding, moeten ze die gebruiken voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel conform artikel 139duodevicies, § 5. | ||
| 217 | 6 | 34 | § 6. ... |
| 218 | 23 | ||
| 219 | 7 | 35 | § 7. ... |
| 220 | 27 | ||
| 221 | 8 | 36 | § 8. ... |
| 222 | 31 | ||
| 223 | 9 | 37 | § 9. ... |
| 224 | 35 | ||
| 225 | 10 | 38 | § 10. ... |
| 226 | 39 | ||
| 227 | 11 | 39 | § 11. ... |
| 228 | 43 | ||
| 229 | 12 | ||
| 230 | 46 | ||
| 231 | 13 | ||
| 232 | 50 | ||
| 233 | 14 | ||
| 234 | 54 | ||
| 235 | 15 | ||
| 236 | 58 | ||
| 237 | 16 | ||
| 238 | 62 | ||
| 239 | 17 | ||
| 240 | 66 | ||
| 241 | 18 | ||
| 242 | 70 | ||
| 243 | 19 | ||
| 244 | 73 | ||
| 245 | 20 | ||
| 246 | 77 | ||
| 247 | 21 | ||
| 248 | 81 | ||
| 249 | 22 | ||
| 250 | 85 | ||
| 251 | Uit de punten, verkregen volgens het eerste lid, kunnen de volgende ambten worden ingericht: | ||
| 252 | 1° het ambt van zorgcoördinator uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel; | ||
| 253 | 2° het ambt van ICT-coördinator uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel; | ||
| 254 | 3° het ambt van administratief medewerker uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel. | ||
| 255 | De omrekening van punten naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse betrekkingen van het beleids- en ondersteund personeel gebeurt volgens de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 betreffende de puntenenveloppen voor de scholengemeenschappen basisonderwijs. | ||
| 256 | § 11. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om de omzettingstabellen vervat in dit artikel te wijzigen. | ||
| 1 | § 1. Voor het schooljaar 2021-2022 bedraagt het totale aantal aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel: | ||
| 2 | 1° 11.000 lestijden in het gewoon basisonderwijs; | ||
| 3 | 2° 989 lestijden in het buitengewoon basisonderwijs. | ||
| 4 | Voor het schooljaar X-X+1, vanaf het schooljaar 2022-2023, worden de lestijden, vermeld in het eerste lid, 1°, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A1=X/Y, waarbij: | ||
| 5 | 1° X: het totale aantal leerlingen in het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari X; | ||
| 6 | 2° Y: het totale aantal leerlingen in het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari 2021. | ||
| 7 | Voor het schooljaar X-X+1, vanaf het schooljaar 2022-2023, worden de lestijden, vermeld in het eerste lid, 2°, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A2=R/S, waarbij: | ||
| 8 | 1° R: het totale aantal leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari X; | ||
| 9 | 2° S: het totale aantal leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari 2021. | ||
| 10 | § 2. Het aantal aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel waarop de school voor gewoon basisonderwijs recht heeft, wordt berekend met de formule A*B, waarbij: | ||
| 11 | 1° A: de beschikbare lestijden voor het gewoon basisonderwijs, vermeld in paragraaf 1, gedeeld door het totale aantal lestijden in het gewoon basisonderwijs van het vorige schooljaar van alle scholen samen. Het voormelde totale aantal lestijden in het gewoon basisonderwijs wordt berekend door al de volgende elementen samen te tellen: | ||
| 12 | a) de lestijden volgens de schalen, vermeld in artikel 132; | ||
| 13 | b) de SES-lestijden, vermeld in artikel 134; | ||
| 14 | c) de additionele lestijden volgens de schalen die gebaseerd zijn op de leerlingleerkrachtratio, vermeld in artikel 135; | ||
| 15 | d) de aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing, vermeld in artikel 138, § 1, eerste lid, 1° ; | ||
| 16 | 2° B: het totale aantal lestijden van de school van het vorige schooljaar. Het voormelde totale aantal lestijden van de school wordt berekend door al de volgende elementen samen te tellen: | ||
| 17 | a) de lestijden volgens de schalen, vermeld in artikel 132; | ||
| 18 | b) de SES-lestijden, vermeld in artikel 134; | ||
| 19 | c) de additionele lestijden volgens de schalen die gebaseerd zijn op de leerlingleerkrachtratio, vermeld in artikel 135; | ||
| 20 | d) de aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing, vermeld in artikel 138, § 1, eerste lid, 1°. | ||
| 21 | Het aantal aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel waarop de school voor gewoon basisonderwijs recht heeft, vermeld in het eerste lid, worden binnen een school afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 22 | § 3. Het aantal aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel waarop de school voor buitengewoon basisonderwijs recht heeft, wordt berekend met de formule C*D, waarbij: | ||
| 23 | 1° C: de beschikbare lestijden voor het buitengewoon basisonderwijs, vermeld in paragraaf 1, gedeeld door het totale aantal lestijden in het buitengewoon basisonderwijs van het vorige schooljaar van alle scholen samen. Het voormelde totale aantal lestijden in het buitengewoon basisonderwijs wordt berekend door al de volgende elementen samen te tellen: | ||
| 24 | a) de lestijden volgens de schalen, vermeld in artikel 137bis; | ||
| 25 | b) de aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs, vermeld in artikel 138, § 1, eerste lid, 6° ; | ||
| 26 | c) de aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing, vermeld in artikel 138, § 1, eerste lid, 1° ; | ||
| 27 | 2° D: het totale aantal lestijden van de school van het vorige schooljaar. Het voormelde totale aantal lestijden van de school wordt berekend door al de volgende elementen samen te tellen: | ||
| 28 | a) de lestijden volgens de schalen, vermeld in artikel 137bis; | ||
| 29 | b) de aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs, vermeld in artikel 138, § 1, eerste lid, 6° ; | ||
| 30 | c) de aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing, vermeld in artikel 138, § 1, eerste lid, 1°. | ||
| 31 | Het aantal aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel waarop de school voor buitengewoon basisonderwijs recht heeft, vermeld in het eerste lid, wordt binnen een school afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 32 | § 4. De regering bepaalt de ambten waarin een school met de aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel, vermeld in paragraaf 1, betrekkingen kan inrichten en de wijze waarop de omrekening gebeurt van de aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel, vermeld in paragraaf 1, naar die betrekkingen. | ||
| 33 | § 5. De aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel dienen aangewend te worden om de werkdruk van het onderwijzend personeel te verminderen met een effect op de lesopdracht zodat het onderwijzend personeel zich kan focussen op zijn kerntaak, vermeld in artikel 73quinquies, § 3, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en artikel 47quinquies, § 3, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. Er kan aan een onderwijzend personeelslid maximaal één lestijd toegekend worden. Van dat principe kan alleen worden afgeweken tot maximaal drie lestijden per onderwijzend personeelslid op grond van een gemotiveerd verzoek en na onderhandeling in het lokaal comité. Dit gemotiveerd verzoek kan zowel van de afvaardiging van het schoolbestuur als van de afvaardiging van het personeel komen. | ||
| 34 | § 6. In afwijking van paragraaf 5 kan een schoolbestuur tijdens de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 bij een tekort aan onderwijzend personeel de aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel ook aanwenden in ambten van het beleids- en ondersteunend personeel. De regering bepaalt de wijze waarop de lestijden via omzettingstabellen kunnen worden omgezet in punten voor het beleids- en ondersteunend personeel. De criteria voor de bepaling van het tekort aan onderwijzend personeel worden bepaald in het bevoegd lokaal comité en de aanwending in ambten van het beleids- en ondersteunend personeel kan enkel worden toegepast na onderhandeling in het bevoegd lokaal comité. | ||
| 35 | De betrekkingen die ingericht worden in ambten van het beleids- en ondersteunend personeel als vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. |
| 1 | § 1. Vanaf het schooljaar 2021-2022 hebben scholen recht op aanvullende lestijden samen school maken. | ||
| 2 | § 2. Het aantal aanvullende lestijden samen school maken waarop de school voor gewoon basisonderwijs recht heeft, wordt berekend met de formule 0,003323524*B. | ||
| 3 | In het eerste lid wordt verstaan onder B: het totale aantal lestijden van de school van het vorige schooljaar. Het voormelde totale aantal lestijden van de school wordt berekend door al de volgende elementen samen te tellen: | ||
| 4 | 1° de lestijden volgens de schalen, vermeld in artikel 132; | ||
| 5 | 2° de SES-lestijden, vermeld in artikel 134; | ||
| 6 | 3° de additionele lestijden volgens de schalen die gebaseerd zijn op de leerlingleerkrachtratio, vermeld in artikel 135; | ||
| 7 | 4° de aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing, vermeld in artikel 138, § 1, eerste lid, 1°. | ||
| 8 | Het aantal aanvullende lestijden samen school maken waarop de school voor gewoon basisonderwijs recht heeft, vermeld in het eerste lid, worden binnen een school afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 9 | § 3. In afwijking van paragraaf 2 hebben scholen voor gewoon basisonderwijs die conform paragraaf 2 recht hebben op meer dan drie aanvullende lestijden samen school maken, recht op drie aanvullende lestijden. | ||
| 10 | In afwijking van paragraaf 2 hebben scholen voor gewoon basisonderwijs die conform paragraaf 2 recht hebben op minder dan één aanvullende lestijd samen school maken, recht op één aanvullende lestijd. | ||
| 11 | § 4. Het aantal aanvullende lestijden samen school maken waarop de school voor buitengewoon basisonderwijs recht heeft, wordt berekend met de formule 0,003366983*D. | ||
| 12 | Voor de toepassing van het eerste lid is D=E+F+G, waarbij: | ||
| 13 | 1° E: het totale aantal lestijden van de school van het vorige schooljaar. Het voormelde totale aantal lestijden van de school wordt berekend door al de volgende elementen samen te tellen: | ||
| 14 | a) de lestijden volgens de schalen, vermeld in artikel 137bis; | ||
| 15 | b) de aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs, vermeld in artikel 138, § 1, eerste lid, 6° ; | ||
| 16 | c) de aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing, vermeld in artikel 138, § 1, eerste lid, 1° ; | ||
| 17 | 2° F: het totale aantal uren paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel volgens de richtgetallen, vermeld in artikel 148, van de school van het vorige schooljaar*22/32. F wordt binnen een school afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal; | ||
| 18 | 3° G: lestijden, uren en begeleidingseenheden zoals toegekend aan de school in het kader van het ondersteuningsmodel op de eerste schooldag van februari van het vorige schooljaar conform artikel 172quinquies, § 3, § 4 en § 5, en artikel 172quinquies/1, § 3 en § 4. G wordt berekend op basis van de formule G=A+B+C, waarbij: | ||
| 19 | a) A: de lestijden toegekend in het kader van het ondersteuningsmodel; | ||
| 20 | b) B: de uren toegekend in het kader van het ondersteuningsmodel*22/32; | ||
| 21 | c) C: 57,93% van de begeleidingseenheden toegekend in het kader van het ondersteuningsmodel*1 gesommeerd met 42,07% van de begeleidingseenheden toegekend in het kader van het ondersteuningsmodel*22/32. | ||
| 22 | De term G van de som, vermeld in het tweede lid, wordt afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 23 | Het aantal aanvullende lestijden samen school maken waarop de school voor buitengewoon basisonderwijs recht heeft, vermeld in het eerste lid, worden binnen een school afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 24 | § 5. In afwijking van paragraaf 4 hebben scholen voor buitengewoon basisonderwijs die conform paragraaf 4 recht hebben op meer dan drie aanvullende lestijden samen school maken, recht op drie aanvullende lestijden samen school maken. | ||
| 25 | In afwijking van paragraaf 4 hebben scholen voor buitengewoon basisonderwijs die conform paragraaf 4 recht hebben op minder dan één aanvullende lestijd samen school maken, recht op één aanvullende lestijd samen school maken. | ||
| 26 | § 6. De regering bepaalt de ambten waarin een school met de aanvullende lestijden samen school maken, vermeld in paragraaf 1, betrekkingen kan inrichten en de wijze waarop de omrekening gebeurt van de aanvullende lestijden samen school maken, vermeld in paragraaf 1, naar die betrekkingen. De regering bepaalt de wijze waarop de lestijden via omzettingstabellen omgezet kunnen worden in punten of uren. | ||
| 27 | § 7. De regering keurt het afsprakenkader tussen het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs en de representatieve vakorganisaties over de wijze van toekenning, de verdeling en de inzet van de aanvullende lestijden samen school maken die specifiek gericht zijn op het versterken van het lokale sociaal overleg goed. | ||
| 28 | Voor de aanwending van de lestijden samen school maken kunnen de scholen samenwerken. Voor die samenwerking kunnen de lestijden samen school maken, via een overdracht als vermeld in artikel 142, overgedragen worden. |
| 1 | § 1. Aan iedere school voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs wordt jaarlijks een puntenenveloppe toegekend voor administratieve ondersteuning. | 1 | § 1. Aan iedere school voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs wordt jaarlijks een puntenenveloppe voor administratieve en beleidsondersteuning toegekend. |
| 2 | § 2. Aan iedere school voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs wordt jaarlijks een puntenenveloppe toegekend voor ICT-coördinatie. De scholen kunnen de middelen alleen aanwenden als ze deel uit maken van een scholengemeenschap, scholengroep of een samenwerkingsplatform, als vermeld in artikel VI.5 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016. | ||
| 2 | § 2. Aan iedere school voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs wordt jaarlijks een puntenenveloppe toegekend voor ICT-coördinatie. |
| 1 | § 1. De regering bepaalt hoe de puntenenveloppe voor ICT-coördinatie en voor administratieve ondersteuning berekend wordt en bepaalt eveneens de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van de puntenenveloppe betrekkingen kunnen worden opgericht. | 1 | § 1. De regering bepaalt hoe de puntenenveloppen voor ICT-coördinatie en voor administratieve en beleidsondersteuning berekend wordt en bepaalt eveneens de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van de puntenenveloppe betrekkingen kunnen worden opgericht. |
| 2 | § 2. De oprichting van betrekkingen in ambten, bedoeld in § 1, is gebaseerd op een puntensysteem, waarbij aan elk ambt een aantal punten wordt gekoppeld. Dit aantal punten wordt bepaald op basis van de weddenschaal van het personeelslid dat de betrekking uitoefent. De regering legt de puntenwaarde vast volgens de weddenschaal. | 2 | § 2. De oprichting van betrekkingen in ambten, bedoeld in § 1, is gebaseerd op een puntensysteem, waarbij aan elk ambt een aantal punten wordt gekoppeld. Dit aantal punten wordt bepaald op basis van de weddenschaal van het personeelslid dat de betrekking uitoefent. De regering legt de puntenwaarde vast volgens de weddenschaal. |
| 3 | § 3. Het schoolbestuur/de schoolbesturen kan/kunnen de puntenenveloppes voor, ICT en administratieve ondersteuning alleen voor dat doelgebruiken. | 3 | § 3. Het schoolbestuur/de schoolbesturen kan/kunnen de puntenenveloppes voor, ICT en administratieve en beleidsondersteuning alleen voor het doel, vermeld in artikel 153quinquies, gebruiken. |
| 4 | § 4. Maximaal 10 % van de punten uit de puntenenveloppen ICT en administratieve ondersteuning kunnen samen gelegd worden op het niveau van de scholengemeenschap. Van dit percentage kan per puntenenveloppe na akkoord in het bevoegd lokaal comité worden afgeweken. | 4 | § 4. Maximaal 10 % van de punten uit de puntenenveloppen ICT en administratieve en beleidsondersteuning kunnen samen gelegd worden op het niveau van de scholengemeenschap. Van dit percentage kan per puntenenveloppe na akkoord in het bevoegd lokaal comité worden afgeweken. |
| 5 | In afwijking van § 3 kunnen de punten voor ICT en administratieve ondersteuning die op het niveau van de scholengemeenschap samen gelegd worden, vrij aangewend worden. Scholengemeenschappen, waar scholen van het Gemeenschapsonderwijs deel van uitmaken, kunnen deze vrij aan te wenden punten aanwenden om het personeelslid dat belast is met het mandaat van algemeen directeur in de scholengroep, waar één of meerdere scholen van de scholengemeenschap deel van uitmaken, school- of klasvrij te maken. Dit samen leggen mag niet tot gevolg hebben dat personeelsleden bijkomend ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking. De niet-naleving van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid. Het schoolbestuur moet met het oog op de controle een verklaring op erewoord bezorgen aan Agodi waarin het verklaart deze bepaling in acht te nemen. | 5 | In afwijking van § 3 kunnen de punten voor ICT en administratieve en beleidsondersteuning die op het niveau van de scholengemeenschap samen gelegd worden, vrij aangewend worden. Scholengemeenschappen, waar scholen van het Gemeenschapsonderwijs deel van uitmaken, kunnen deze vrij aan te wenden punten aanwenden om het personeelslid dat belast is met het mandaat van algemeen directeur in de scholengroep, waar één of meerdere scholen van de scholengemeenschap deel van uitmaken, school- of klasvrij te maken. Dit samen leggen mag niet tot gevolg hebben dat personeelsleden bijkomend ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking. De niet-naleving van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid. Het schoolbestuur moet met het oog op de controle een verklaring op erewoord bezorgen aan Agodi waarin het verklaart deze bepaling in acht te nemen. |
| 6 | § 5. De punten voor ICT kunnen samengelegd worden op het niveau van een samenwerkingsplatform, zoals bedoeld in artikel VI.5 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs. De punten voor ICT kunnen op het niveau van het samenwerkingsplatform enkel voor ICT-coördinatie gebruikt worden. | ||
| 7 | Dit samenleggen mag niet tot gevolg hebben dat personeelsleden bijkomend ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking. De niet-naleving van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid. Het schoolbestuur moet met het oog op de controle een verklaring op erewoord bezorgen aan Agodi waarin het verklaart deze bepaling in acht te nemen. | ||
| 6 | § 5. ... | ||
| 8 | § 6. De betrekkingen die worden ingericht op basis van de overeenkomstig de paragrafen 4 en 5 aangewende punten komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. | 7 | § 6. De betrekkingen die worden ingericht op basis van de overeenkomstig de paragraaf 4 aangewende punten komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. |
| 1 | § 1. Aan iedere school voor kleuter-, lager- en basisonderwijs wordt jaarlijks op basis van het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op de teldag of op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen tijdens de telperiode die van toepassing is voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, een puntenenveloppe voor administratief personeel toegekend. | 1 | § 1. Aan iedere school voor kleuter-, lager- en basisonderwijs wordt jaarlijks op basis van het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op de teldag of op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen tijdens de telperiode die van toepassing is voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, een puntenenveloppe voor administratieve en beleidsondersteuning toegekend. |
| 2 | § 2. In afwijking van § 1 wordt aan de scholen voor buitengewoon basisonderwijs van het type 5 een forfaitaire puntenenveloppe toegekend. De grootte van deze puntenenveloppe wordt vastgelegd door de Vlaamse regering. | 2 | § 2. In afwijking van § 1 wordt aan de scholen voor buitengewoon basisonderwijs van het type 5 een forfaitaire puntenenveloppe toegekend. De grootte van deze puntenenveloppe wordt vastgelegd door de Vlaamse regering. |
| 17 | d) type 7: 2,10 begeleidingseenheden. | 17 | d) type 7: 2,10 begeleidingseenheden. |
| 18 | De lestijden, de uren en de begeleidingseenheden worden per school voor buitengewoon onderwijs telkens per type en afzonderlijk voor punt 1° en 2° opgeteld en in geval van een decimaal getal naar de hogere eenheid afgerond. | 18 | De lestijden, de uren en de begeleidingseenheden worden per school voor buitengewoon onderwijs telkens per type en afzonderlijk voor punt 1° en 2° opgeteld en in geval van een decimaal getal naar de hogere eenheid afgerond. |
| 19 | In functie van extra ondersteuningsnoden voor leerlingen met een verslag type 2, 4, 6 of 7 of met een inschrijvingsverslag type 2 bovenop de lestijden die ze genereren in een school voor gewoon onderwijs of het behoud van expertise en tewerkstelling in een school voor buitengewoon onderwijs die het aanbod heeft voor leerlingen conform artikel 10, § 1, 2° en/of 4°, en/of 6°, en/of 7°, kan, met toepassing van de omzettingstabel als vermeld in artikel 139septies decies, § 9, een omzetting gebeuren van lestijden naar uren of omgekeerd om voormelde leerlingen, indien de situatie het vereist, beter te ondersteunen. Deze omzetting is afhankelijk van het akkoord van de ouders en van de lokale onderhandelingscomités van de school voor gewoon en buitengewoon onderwijs. | 19 | In functie van extra ondersteuningsnoden voor leerlingen met een verslag type 2, 4, 6 of 7 of met een inschrijvingsverslag type 2 bovenop de lestijden die ze genereren in een school voor gewoon onderwijs of het behoud van expertise en tewerkstelling in een school voor buitengewoon onderwijs die het aanbod heeft voor leerlingen conform artikel 10, § 1, 2° en/of 4°, en/of 6°, en/of 7°, kan, met toepassing van de omzettingstabel , die de regering vastlegt met toepassing van artikel 139septies decies, § 4, een omzetting gebeuren van lestijden naar uren of omgekeerd om voormelde leerlingen, indien de situatie het vereist, beter te ondersteunen. Deze omzetting is afhankelijk van het akkoord van de ouders en van de lokale onderhandelingscomités van de school voor gewoon en buitengewoon onderwijs. |
| 20 | § 4. De teldagen voor de toekenning van lestijden, uren en begeleidingseenheden aan scholen voor buitengewoon onderwijs zijn: | 20 | § 4. De teldagen voor de toekenning van lestijden, uren en begeleidingseenheden aan scholen voor buitengewoon onderwijs zijn: |
| 21 | 1° de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar; | 21 | 1° de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar; |
| 1 | In afwijking van artikel 153sexies, § 2, worden, vanaf 1 september 2017, voor de personeelsleden vermeld in artikel 100undecies, § 3, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, bij de omrekening van de punten administratieve ondersteuning naar gefinancierde betrekkingen de helft van de punten nodig voor een betrekking in salarisschaal 202, zoals vermeld in artikel 27quindecies van het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de personeelsformatie in het gewoon basisonderwijs van 17 juni 1997 en zoals vermeld in artikel 25sexies van het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de personeelsformatie in het buitengewoon basisonderwijs van 17 juni 1997, afgerond naar het hoger gelegen geheel getal, in rekening gebracht. | 1 | In afwijking van artikel 153sexies, § 2, worden, vanaf 1 september 2017, voor de personeelsleden vermeld in artikel 100undecies, § 3, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, bij de omrekening van de punten administratieve en beleidsondersteuning naar gefinancierde betrekkingen de helft van de punten nodig voor een betrekking in salarisschaal 202, zoals vermeld in artikel 27quindecies van het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de personeelsformatie in het gewoon basisonderwijs van 17 juni 1997 en zoals vermeld in artikel 25sexies van het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de personeelsformatie in het buitengewoon basisonderwijs van 17 juni 1997, afgerond naar het hoger gelegen geheel getal, in rekening gebracht. |
| 1 | § 1. Voor het schooljaar 2021-2022 bedraagt het totale aantal aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel 604 lestijden. | ||
| 2 | Voor het schooljaar X-X+1, vanaf het schooljaar 2022-2023, worden de lestijden, vermeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A1=X/Y, waarbij: | ||
| 3 | 1° X: het totale aantal leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op de eerste schooldag van februari X; | ||
| 4 | 2° Y: het totale aantal leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op de eerste schooldag van februari 2021. | ||
| 5 | § 2. Het aantal aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel waarop de academie voor deeltijds kunstonderwijs recht heeft, wordt berekend met de formule A*B, waarbij: | ||
| 6 | 1° A: de beschikbare lestijden voor het deeltijds kunstonderwijs, vermeld in paragraaf 1, gedeeld door het totale aantal lestijden in het deeltijds kunstonderwijs van het vorige schooljaar van alle academies samen; | ||
| 7 | 2° B: het totale aantal lestijden van de academie van het vorige schooljaar, waarbij onder het totale aantal lestijden van de academie de som van al de volgende elementen wordt verstaan: | ||
| 8 | a) de lestijden, vermeld in artikel 69 van dit decreet; | ||
| 9 | b) de overbruggingslestijden, vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 april 2021 tot het nemen van dringende tijdelijke maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de coronacrisis (VII); | ||
| 10 | c) de bijkomende overbruggingslestijden, vermeld in artikel 7 van het voormelde decreet van 30 april 2021. | ||
| 11 | De lestijden, vermeld in het eerste lid, worden binnen een academie afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 12 | § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten waarin een academie met de aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel, vermeld in paragraaf 1, betrekkingen kan inrichten en de wijze waarop de omrekening gebeurt van de aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel, vermeld in paragraaf 1, naar die betrekkingen. | ||
| 13 | § 4. De aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel worden gebruikt om de werkdruk van het onderwijzend personeel te verminderen met een effect op de lesopdracht. Er kan aan een onderwijzend personeelslid maximaal één lestijd toegekend worden. Van dat principe kan alleen worden afgeweken tot maximaal drie lestijden per onderwijzend personeelslid op grond van een gemotiveerd verzoek en na onderhandeling in het lokaal comité. Dit gemotiveerd verzoek kan zowel van de afvaardiging van het schoolbestuur als van de afvaardiging van het personeel komen. Deze toegekende lestijden kunnen, in afwijking van artikel 75, niet overgedragen worden naar het daaropvolgende schooljaar. | ||
| 14 | § 5. In afwijking van paragraaf 4 kan een schoolbestuur tijdens de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 bij een tekort aan onderwijzend personeel de aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel ook aanwenden in ambten van het ondersteunend personeel. De criteria voor de bepaling van het tekort aan onderwijzend personeel worden bepaald in het bevoegd lokaal comité en de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel kan enkel worden toegepast na onderhandeling in het bevoegd lokaal comité. | ||
| 15 | De betrekkingen die ingericht worden in ambten van het ondersteunend personeel als vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. | ||
| 16 | De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop omrekening gebeurt van de aanvullende lestijden naar administratieve omkaderingseenheden voor ambten van het ondersteund personeel. |
| 1 | § 1. Vanaf het schooljaar 2021-2022 hebben academies recht op aanvullende lestijden samen school maken. | ||
| 2 | § 2. Het aantal aanvullende lestijden samen school maken waarop de academie recht heeft, wordt berekend met de formule 0,002051981*B. | ||
| 3 | In het eerste lid wordt verstaan onder B: het totale aantal lestijden van de academie van het vorige schooljaar, waarbij onder het totale aantal lestijden van de academie de som van al de volgende elementen wordt verstaan: | ||
| 4 | a) de lestijden, vermeld in artikel 69 van dit decreet; | ||
| 5 | b) de overbruggingslestijden, vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 april 2021 tot het nemen van dringende tijdelijke maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de coronacrisis (VII); | ||
| 6 | c) de bijkomende overbruggingslestijden, vermeld in artikel 7 van het voormelde decreet van 30 april 2021. | ||
| 7 | De lestijden, vermeld in het eerste lid, worden binnen een academie afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 8 | § 3. In afwijking van paragraaf 2 hebben academies die conform paragraaf 2 recht hebben op meer dan drie aanvullende lestijden samen school maken, recht op drie aanvullende lestijden. | ||
| 9 | In afwijking van paragraaf 2 hebben academies die conform paragraaf 2 recht hebben op minder dan één aanvullende lestijd samen school maken, recht op één aanvullende lestijd. | ||
| 10 | § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten waarin een academie met de aanvullende lestijden samen school maken, vermeld in paragraaf 1, betrekkingen kan inrichten en de wijze waarop de omrekening gebeurt van de aanvullende lestijden samen school maken, vermeld in paragraaf 1, naar die betrekkingen. De Vlaamse Regering bepaalt ook de wijze waarop de lestijden via omzettingstabellen omgezet kunnen worden in punten of uren. | ||
| 11 | § 5. De Vlaamse Regering keurt het afsprakenkader tussen het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs en de representatieve vakorganisaties over de wijze van toekenning, de verdeling en de inzet van de aanvullende lestijden samen school maken die specifiek gericht zijn op het versterken van het lokale sociaal overleg goed. | ||
| 12 | Voor de aanwending van de lestijden samen school maken kunnen de academies samenwerken. Voor die samenwerking kunnen die lestijden, via een overdracht als vermeld in artikel 75, samengelegd worden. De scholen die samenwerken, maken in dat geval afspraken over de inzet en aanwending van de lestijden. Deze toegekende lestijden kunnen, in afwijking van artikel 75, niet overgedragen worden naar het daaropvolgende schooljaar. |
| 1 | § 1. Een academie heeft vanaf het schooljaar 2019-2020 recht op aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding die als volgt berekend worden: A x B, waarbij: | 1 | § 1. Een academie heeft recht op aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding die berekend worden met de formule A*B, waarbij: |
| 2 | 1° A: het totale aantal lestijden van de academie, dat wordt berekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het voorgaande schooljaar; | 2 | 1° A: het totale aantal lestijden van de academie, dat wordt berekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het voorgaande schooljaar; |
| 3 | 2° B: X/Y, waarbij: | 3 | 2° B: X/Y, waarbij: |
| 4 | a) X: het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding voor het deeltijds kunstonderwijs; | 4 | a) X: het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding voor het deeltijds kunstonderwijs; |
| 5 | b) Y: het totale aantal lestijden voor het deeltijds kunstonderwijsberekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het voorgaande schooljaar. | 5 | b) Y: het totale aantal lestijden voor het deeltijds kunstonderwijs, dat wordt berekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het voorgaande schooljaar. |
| 6 | Het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding voor het deeltijds kunstonderwijs, vermeld in het eerste lid, bedraagt, voor het schooljaar 2019-2020 326 lestijden. | 6 | Voor het schooljaar 2021-2022 bedraagt het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding voor het deeltijds kunstonderwijs, vermeld in het eerste lid, 454 lestijden. |
| 7 | Voor het schooljaar X-X+1, startend in schooljaar 2020-2021, worden de 326 lestijden, vermeld in het vorige lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A=X/Y, waarbij: | 7 | Voor het schooljaar X-X+1, vanaf het schooljaar 2022-2023, worden de lestijden, vermeld in het tweede lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoefficiënt A=X/Y, waarbij: |
| 8 | 1° X: het totale aantal leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op 1 februari X; | 8 | 1° X: het totale aantal financierbare leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op 1 februari X; |
| 9 | 2° Y: het totale aantal leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op 1 februari 2019. | 9 | 2° Y: het totale aantal financierbare leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op 1 februari 2021. |
| 10 | Het resultaat van de berekening, vermeld in het eerste lid, wordt als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar de lagere eenheid. | 10 | Het resultaat van de berekening, vermeld in het eerste lid, wordt afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar de lagere eenheid. |
| 11 | § 2. Met de aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding organiseert de academie betrekkingen in het ambt van leraar of begeleider conform de berekening, vermeld in artikel 39 van het besluit van 4 mei 2018 van de Vlaamse Regering betreffende het opleidingsaanbod, de organisatie, de personeelsformatie, de inning van het inschrijvingsgeld en de certificering van het deeltijds kunstonderwijs. De opdracht van de leraar wordt gelijkgesteld met een van de vakken, vermeld in artikel 4, 6, 8 en 10, van hetzelfde besluit. | ||
| 12 | § 3. De aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding kunnen worden samengelegd. | ||
| 13 | Academies die kiezen om de aanvullende lestijden samen te leggen, richten daartoe een samenwerkingsverband `aanvangsbegeleiding' op dat bestaat uit twee of meer academies. Het samenwerkingsverband maakt afspraken over de aanwending van de aanvullende lestijden. | ||
| 14 | De Vlaamse Regering kan met betrekking tot het samenwerkingsverband, vermeld in het tweede lid, volgende maatregelen vastleggen: | ||
| 15 | 1° de duur van de samenwerking; | ||
| 16 | 2° de vorm van overeenkomst waarmee het samenwerkingsverband wordt opgericht; | ||
| 17 | 3° de wijze en het tijdstip van mededeling van het samenwerkingsverband aan de overheid. | ||
| 18 | Binnen het samenwerkingsverband wordt afgesproken aan welke academie het betrokken personeelslid administratief wordt aangesteld, in overleg met het betrokken personeelslid. Die personeelsleden kunnen dan niet alleen werken in de academie die hen administratief aanstelt, maar in alle academies van het samenwerkingsverband. | ||
| 19 | § 4. Een academie of een samenwerkingsverband, vermeld in paragraaf 3, kan een of meer lestijden voor aanvangsbegeleiding omzetten naar administratieve omkaderingseenheden. Daarbij wordt het aantal lestijden als volgt in rekening gebracht: | ||
| 20 | lestijden | ||
| 21 | administratieve omkaderingseenheden | ||
| 22 | 1 | ||
| 23 | 2 | ||
| 24 | 2 | ||
| 25 | 4 | ||
| 26 | 3 | ||
| 27 | 7 | ||
| 11 | § 2. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de lestijden die conform paragraaf 1 worden berekend, gebruikt kunnen worden en bepaalt de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van die lestijden betrekkingen kunnen worden opgericht. De Vlaamse Regering bepaalt ook hoe de lestijden via omzettingstabellen omgezet kunnen worden in punten of uren. | ||
| 12 | § 3. Als academies de aanvullende lestijden, vermeld in paragraaf 1, niet kunnen gebruiken voor aanvangsbegeleiding, moeten ze die lestijden gebruiken voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel conform artikel 75/1, § 4. Deze toegekende lestijden kunnen in afwijking van artikel 75, niet overgedragen worden naar het daaropvolgende schooljaar.. | ||
| 28 | 4 | 13 | § 4. ... |
| 29 | 9 | ||
| 30 | 5 | ||
| 31 | 11 | ||
| 32 | 6 | ||
| 33 | 13 | ||
| 34 | 7 | ||
| 35 | 15 | ||
| 36 | 8 | ||
| 37 | 17 | ||
| 38 | 9 | ||
| 39 | 20 | ||
| 40 | 10 | ||
| 41 | 22 | ||
| 42 | Met de administratieve omkaderingseenheden organiseert de academie betrekkingen in het ambt van administratief medewerker conform de berekening, vermeld in artikel 46 van het besluit van 4 mei 2018 van de Vlaamse Regering betreffende het opleidingsaanbod, de organisatie, de personeelsformatie, de inning van het inschrijvingsgeld en de certificering van het deeltijds kunstonderwijs. |
| 1 | Aan scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs worden vanaf het schooljaar 2019-2020 een aantal organieke uren-leraar aanvangsbegeleiding toegekend. | 1 | Aan scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs worden vanaf het schooljaar 2021-2022 een aantal organieke uren-leraar aanvangsbegeleiding toegekend. |
| 2 | Aan scholen voor buitengewoon secundair onderwijs worden vanaf het schooljaar 2019-2020 een aantal organieke lesuren aanvangsbegeleiding toegekend. | 2 | Aan scholen voor buitengewoon secundair onderwijs worden vanaf het schooljaar 2021-2022 een aantal organieke lesuren aanvangsbegeleiding toegekend. |
| 3 | Ook in het geval van overdracht of herverdeling kunnen die uren-leraar en lesuren alleen voor aanvangsbegeleiding worden aangewend. | ||
| 3 | Als de uren-leraar en lesuren niet kunnen worden aangewend voor aanvangsbegeleiding, moeten de scholen die aanwenden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel, vermeld in artikel 22/21. Bij een overdracht of herverdeling kunnen die uren ook alleen voor aanvangsbegeleiding of ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel worden aangewend. De uit aanvangsbegeleiding toegekende uren-leraar, lesuren, en uren, inclusief de omgezette punten, kunnen, in afwijking van artikel 21 en artikel 313, § 1, niet overgedragen worden naar het daaropvolgende schooljaar.. | ||
| 4 | De uren-leraar aanvangsbegeleiding worden aangewend in wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel of van het ondersteunend personeel. Voor de aanwending in het ondersteunend personeel worden uren-leraar omgezet naar punten als vermeld in artikel 22/20. | 4 | De uren-leraar aanvangsbegeleiding worden aangewend in wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel of van het ondersteunend personeel. Voor de aanwending in het ondersteunend personeel worden uren-leraar omgezet naar punten als vermeld in artikel 22/20. |
| 5 | De lesuren aanvangsbegeleiding worden aangewend in wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel, het paramedisch personeel, het medisch personeel, het sociaal personeel, het orthopedagogisch personeel of het psychologisch personeel. Voor de aanwending in het ondersteunend personeel worden lesuren omgezet naar punten als vermeld in artikel 22/20. Voor de aanwending in het paramedisch personeel, het medisch personeel, het sociaal personeel, het orthopedagogisch personeel of het psychologisch personeel worden lesuren omgezet naar uren als vermeld in artikel 22/20. | 5 | De lesuren aanvangsbegeleiding worden aangewend in wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel, het paramedisch personeel, het medisch personeel, het sociaal personeel, het orthopedagogisch personeel of het psychologisch personeel. Voor de aanwending in het ondersteunend personeel worden lesuren omgezet naar punten als vermeld in artikel 22/20. Voor de aanwending in het paramedisch personeel, het medisch personeel, het sociaal personeel, het orthopedagogisch personeel of het psychologisch personeel worden lesuren omgezet naar uren als vermeld in artikel 22/20. |
| 1 | Het globaal beschikbaar aantal uren aanvangsbegeleiding voor het schooljaar 2019-2020 bedraagt 3649 uren en wordt als volgt verdeeld : | 1 | Voor het schooljaar 2021-2022 bedraagt het globaal beschikbare aantal uren aanvangsbegeleiding 5646 uren. Die uren worden verdeeld op de volgende wijze: |
| 2 | 1° voltijds gewoon secundair onderwijs: 3086 uren-leraar; | 2 | 1° voltijds gewoon secundair onderwijs: 4795 uren-leraar; |
| 3 | 2° buitengewoon secundair onderwijs: 491 lesuren; | 3 | 2° buitengewoon secundair onderwijs: 732 lesuren; |
| 4 | 3° deeltijds beroepssecundair onderwijs: 72 uren-leraar. | 4 | 3° deeltijds beroepssecundair onderwijs: 119 uren-leraar. |
| 5 | Vanaf het schooljaar 2020-2021 wordt het globaal beschikbaar aantal uren en de verdeling over punt 1° tot en met punt 3°evenredig aangepast aan eventuele leerlingenfluctuaties ten opzichte van het voorafgaande schooljaar, waarbij altijd de eerste lesdag van februari als teldatum wordt genomen. | 5 | Vanaf het schooljaar 2022-2023 wordt het globaal beschikbare aantal uren en de verdeling over de onderwijstypes, vermeld het eerste lid, 1° tot en met 3°, evenredig aangepast aan eventuele leerlingenfluctuaties ten opzichte van het voorafgaande schooljaar. Bij die aanpassing wordt de eerste lesdag van februari altijd als teldatum genomen. |
| 6 | Die uren worden over de scholen en centra als volgt verdeeld: | 6 | Het globaal beschikbare aantal uren wordt op volgende wijze verdeeld over de scholen en centra: |
| 7 | 1° voltijds gewoon secundair onderwijs: in verhouding tot het pakket uren-leraar van de school en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de pakketten uren-leraar van alle scholen. Voor de toepassing van deze bepaling omvat het pakket uren-leraar: | 7 | 1° voltijds gewoon secundair onderwijs: in verhouding tot het pakket uren-leraar van de school en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de pakketten uren-leraar van alle scholen. Voor de toepassing van deze bepaling omvat het pakket uren-leraar: |
| 8 | a) de uren-leraar voor de levensbeschouwelijke vakken als vermeld in artikel 209; | 8 | a) de uren-leraar voor de levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 209; |
| 9 | b) de uren-leraar voor de niet-levensbeschouwelijke vakken als vermeld in artikel 209; | 9 | b) de uren-leraar voor de niet-levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 209; |
| 10 | c) de uren-leraar geïntegreerd ondersteuningsaanbod als vermeld in artikel 226, 227, 234 en 235; | 10 | c) de uren-leraar geïntegreerd ondersteuningsaanbod, vermeld in artikel 226, 227, 234 en 235; |
| 11 | 2° buitengewoon secundair onderwijs: in verhouding tot het pakket lesuren van de school en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de pakketten lesuren van alle scholen. Voor de toepassing van deze bepaling omvat het pakket lesuren: | 11 | 2° buitengewoon secundair onderwijs: in verhouding tot het pakket lesuren van de school en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de pakketten lesuren van alle scholen. Voor de toepassing van deze bepaling omvat het pakket lesuren: |
| 12 | a) de lesuren voor de levensbeschouwelijke vakken als vermeld in artikel 300; | 12 | a) de lesuren voor de levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 300; |
| 13 | b) de lesuren niet-levensbeschouwing als vermeld in artikel 298, 299, 301, 302 en 303; | 13 | b) de lesuren niet-levensbeschouwing, vermeld in artikel 298, 299, 301, 302 en 303; |
| 14 | c) de lesuren geïntegreerd ondersteuningsaanbod als vermeld in artikel 318 en 319; | 14 | c) de lesuren geïntegreerd ondersteuningsaanbod, vermeld in artikel 318 en 319; |
| 15 | 3° deeltijds beroepssecundair onderwijs: in verhouding tot het pakket uren-leraar van het centrum en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de pakketten uren-leraar van alle centra. Voor de toepassing van deze bepaling omvat het pakket uren-leraar de uren-leraar als vermeld in artikel 89 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap. | 15 | 3° deeltijds beroepssecundair onderwijs: in verhouding tot het pakket uren-leraar van het centrum en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de pakketten uren-leraar van alle centra. Voor de toepassing van deze bepaling omvat het pakket uren-leraar de uren-leraar, vermeld in artikel 89 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap. |
| 1 | De aanwending van de uren-leraar of lesuren aanvangsbegeleiding in wervingsambten van het ondersteunend personeel gebeurt op basis van de volgende omzettingstabel: | ||
| 2 | 1° voltijds gewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs: | ||
| 3 | a) 11 uren-leraar = 31,5 punten in het geval van een halftijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste secundair onderwijs in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 4 | b) 22 uren-leraar = 63 punten in het geval van een voltijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste secundair onderwijs in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 5 | c) 11 uren-leraar = 41 punten in het geval van een halftijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste bachelor in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 6 | d) 22 uren-leraar = 82 punten in het geval van een voltijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste bachelor in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 7 | e) 10 uren-leraar = 60 punten in het geval van een halftijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste master in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 8 | f) 20 uren-leraar = 120 punten in het geval van een voltijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste master in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 9 | 2° buitengewoon secundair onderwijs: | ||
| 10 | a) 11 lesuren = 31,5 punten in het geval van een halftijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste secundair onderwijs in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 11 | b) 22 lesuren = 63 punten in het geval van een voltijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste secundair onderwijs in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 12 | c) 11 lesuren = 41 punten in het geval van een halftijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste bachelor in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 13 | d) 22 lesuren = 82 punten in het geval van een voltijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste bachelor in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 14 | e) 11 lesuren = 60 punten in het geval van een halftijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste master in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 15 | f) 22 lesuren = 120 punten in het geval van een voltijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste master in een wervingsambt van het ondersteunend personeel. | ||
| 16 | De aanwending van de lesuren aanvangsbegeleiding in wervingsambten van het medisch, paramedisch , orthopedagogisch, psychologisch of sociaal personeelgebeurt op basis van de volgende omzettingstabellen: | 1 | De uren-leraar of lesuren aanvangsbegeleiding kunnen, met toepassing van artikel 22/18, vierde lid, worden omgezet naar punten voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel, het paramedisch personeel, het medisch personeel, het sociaal personeel, het orthopedagogisch personeel of het psychologisch personeel. Deze omzetting gebeurt op basis van een omzettingstabel die de Vlaamse Regering vastlegt. |
| 17 | 1° arts, orthopedagoog en psycholoog: | ||
| 18 | lesuren | ||
| 19 | uren | ||
| 20 | 1 | ||
| 21 | 1 | ||
| 22 | 2 | ||
| 23 | 3 | ||
| 24 | 3 | ||
| 25 | 4 | ||
| 26 | 4 | ||
| 27 | 6 | ||
| 28 | 5 | ||
| 29 | 7 | ||
| 30 | 6 | ||
| 31 | 9 | ||
| 32 | 7 | ||
| 33 | 10 | ||
| 34 | 8 | ||
| 35 | 12 | ||
| 36 | 9 | ||
| 37 | 13 | ||
| 38 | 10 | ||
| 39 | 15 | ||
| 40 | 11 | ||
| 41 | 16 | ||
| 42 | 12 | ||
| 43 | 18 | ||
| 44 | 13 | ||
| 45 | 19 | ||
| 46 | 14 | ||
| 47 | 21 | ||
| 48 | 15 | ||
| 49 | 22 | ||
| 50 | 16 | ||
| 51 | 24 | ||
| 52 | 17 | ||
| 53 | 25 | ||
| 54 | 18 | ||
| 55 | 27 | ||
| 56 | 19 | ||
| 57 | 28 | ||
| 58 | 20 | ||
| 59 | 29 | ||
| 60 | 21 | ||
| 61 | 31 | ||
| 62 | 22 | ||
| 63 | 32 | ||
| 64 | 23 | ||
| 65 | 34 | ||
| 66 | 24 | ||
| 67 | 35 | ||
| 68 | 25 | ||
| 69 | 37 | ||
| 70 | 26 | ||
| 71 | 38 | ||
| 72 | 27 | ||
| 73 | 40 | ||
| 74 | 2° ergotherapeut, kinderverzorger, kinesitherapeut, maatschappelijk werker en verpleger: | ||
| 75 | lesuren | ||
| 76 | uren | ||
| 77 | 1 | ||
| 78 | 1 | ||
| 79 | 2 | ||
| 80 | 3 | ||
| 81 | 3 | ||
| 82 | 4 | ||
| 83 | 4 | ||
| 84 | 6 | ||
| 85 | 5 | ||
| 86 | 7 | ||
| 87 | 6 | ||
| 88 | 9 | ||
| 89 | 7 | ||
| 90 | 10 | ||
| 91 | 8 | ||
| 92 | 12 | ||
| 93 | 9 | ||
| 94 | 13 | ||
| 95 | 10 | ||
| 96 | 15 | ||
| 97 | 11 | ||
| 98 | 16 | ||
| 99 | 12 | ||
| 100 | 18 | ||
| 101 | 13 | ||
| 102 | 19 | ||
| 103 | 14 | ||
| 104 | 21 | ||
| 105 | 15 | ||
| 106 | 22 | ||
| 107 | 16 | ||
| 108 | 24 | ||
| 109 | 17 | ||
| 110 | 25 | ||
| 111 | 18 | ||
| 112 | 27 | ||
| 113 | 19 | ||
| 114 | 28 | ||
| 115 | 20 | ||
| 116 | 29 | ||
| 117 | 21 | ||
| 118 | 31 | ||
| 119 | 22 | ||
| 120 | 32 | ||
| 121 | 3° logopedist: | ||
| 122 | lesuren | ||
| 123 | uren | ||
| 124 | 1 | ||
| 125 | 1 | ||
| 126 | 2 | ||
| 127 | 3 | ||
| 128 | 3 | ||
| 129 | 4 | ||
| 130 | 4 | ||
| 131 | 6 | ||
| 132 | 5 | ||
| 133 | 7 | ||
| 134 | 6 | ||
| 135 | 9 | ||
| 136 | 7 | ||
| 137 | 10 | ||
| 138 | 8 | ||
| 139 | 12 | ||
| 140 | 9 | ||
| 141 | 13 | ||
| 142 | 10 | ||
| 143 | 15 | ||
| 144 | 11 | ||
| 145 | 16 | ||
| 146 | 12 | ||
| 147 | 18 | ||
| 148 | 13 | ||
| 149 | 19 | ||
| 150 | 14 | ||
| 151 | 21 | ||
| 152 | 15 | ||
| 153 | 22 | ||
| 154 | 16 | ||
| 155 | 24 | ||
| 156 | 17 | ||
| 157 | 25 | ||
| 158 | 18 | ||
| 159 | 27 | ||
| 160 | 19 | ||
| 161 | 28 | ||
| 162 | 20 | ||
| 163 | 30 | ||
| 164 | De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om de hiervoor vermelde omzettingstabellen te wijzigen. |
| 1 | § 1. Vanaf het schooljaar 2021-2022 worden aan scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs een aantal organieke uren-leraar voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel toegekend. | ||
| 2 | Vanaf het schooljaar 2021-2022 worden aan scholen voor buitengewoon secundair onderwijs een aantal organieke lesuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel toegekend. | ||
| 3 | De aanvullende uren-leraar en lesuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel, vermeld in artikel 47quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en artikel 73quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, dienen aangewend te worden om de werkdruk van het onderwijzend personeel te verminderen met een effect op de lesopdracht. Ook bij een overdracht of herverdeling kunnen die uren-leraar en lesuren alleen voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel worden aangewend. De aanvullende uren-leraar, lesuren, en uren, inclusief de omgezette punten ter ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel, kunnen, in afwijking van artikel 21 en artikel 313, § 1, niet overgedragen worden naar het daaropvolgende schooljaar. | ||
| 4 | Er kan aan een onderwijzend personeelslid maximaal één uur-leraar of lesuur toegekend worden. Van dat principe kan alleen worden afgeweken tot maximaal drie uren-leraar of lesuren per onderwijzend personeelslid op grond van een gemotiveerd verzoek en na onderhandeling in het lokaal comité. Dit gemotiveerd verzoek kan zowel van de afvaardiging van het schoolbestuur als van de afvaardiging van het personeel komen. | ||
| 5 | De uren-leraar en lesuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel worden aangewend in wervingsambten van het onderwijzend personeel. | ||
| 6 | Voor de toepassing van de personeelsregelgeving worden, voor het onderwijzend personeel, uren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel beschouwd als uren die geen lesuren zijn, maar ermee gelijkgesteld worden. | ||
| 7 | § 2. In afwijking van paragraaf 1 kan een schoolbestuur tijdens de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 bij een tekort aan onderwijzend personeel de aanvullende uren-leraar of lesuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel ook aanwenden in ambten van het ondersteunend personeel. De criteria voor de bepaling van het tekort aan onderwijzend personeel worden bepaald in het bevoegd lokaal comité en de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel kan enkel worden toegepast na onderhandeling in het bevoegd lokaal comité. | ||
| 8 | De betrekkingen die ingericht worden in ambten van het ondersteunend personeel als vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. | ||
| 9 | De Vlaamse Regering bepaalt de omzettingen van uren-leraar en lesuren naar punten. |
| 1 | Voor het schooljaar 2021-2022 bedraagt het globaal beschikbare aantal uren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel 9564 uren. Die uren worden verdeeld op de volgende wijze: | ||
| 2 | 1° voltijds gewoon secundair onderwijs: 8188 uren-leraar; | ||
| 3 | 2° buitengewoon secundair onderwijs: 1146 lesuren; | ||
| 4 | 3° deeltijds beroepssecundair onderwijs: 230 uren-leraar. | ||
| 5 | Vanaf het schooljaar 2022-2023 wordt het globaal beschikbare aantal uren en de verdeling over de onderwijstypes, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, evenredig aangepast aan eventuele leerlingenfluctuaties ten opzichte van het voorafgaande schooljaar. Bij die aanpassing wordt de eerste lesdag van februari altijd als teldatum genomen. | ||
| 6 | § 3. Die uren worden conform artikel 22/19, derde lid, over de scholen en centra verdeeld. |
| 1 | Vanaf het schooljaar 2021-2022 worden aan scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs een aantal organieke uren-leraar samen school maken toegekend. | ||
| 2 | Vanaf het schooljaar 2021-2022 worden aan scholen voor buitengewoon secundair onderwijs een aantal organieke lesuren samen school maken toegekend. | ||
| 3 | De organieke uren-leraar of lesuren samen school maken dienen aangewend te worden om het sociaal overleg en onderhandeling te versterken. De uren-leraar of lestijden worden aangewend voor de vertegenwoordigers van het personeel die aangesteld zijn in de school, conform de toepasselijke vigerende Vlaamse of federale regelgeving. | ||
| 4 | Voor de aanwending van de uren-leraar en de lesuren samen school maken kunnen de scholen samenwerken. Ook bij een overdracht of herverdeling kunnen die uren-leraar en lesuren alleen voor het samen school maken worden aangewend. De uren-leraar, lesuren en uren, inclusief de omgezette punten samen school maken, kunnen, in afwijking van artikel 21 en artikel 313, § 1, niet overgedragen worden naar het daaropvolgende schooljaar. | ||
| 5 | De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en personeelscategorieën waarbinnen betrekkingen kunnen worden opgericht met de uren-leraar samen school maken. De Vlaamse Regering bepaalt de omzettingen van lesuren en uren-leraar naar uren en punten. | ||
| 6 | Voor de toepassing van de personeelsregelgeving wordt, voor het bestuurs- en onderwijzend personeel, het samen school maken beschouwd als uren die geen lesuren zijn, maar ermee gelijkgesteld worden. |
| 1 | § 1. Het aantal organieke uren-leraar dat wordt toegekend aan de scholen voor gewoon voltijds secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, wordt berekend met de formule 0,003190777*B. | ||
| 2 | In het eerste lid wordt verstaan onder B: het totaalpakket uren-leraar van de school in het voorgaande schooljaar. | ||
| 3 | Voor de toepassing van het eerste lid omvat het pakket uren-leraar: | ||
| 4 | 1° de uren-leraar voor de levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 209; | ||
| 5 | 2° de uren-leraar voor de niet-levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 209; | ||
| 6 | 3° de uren-leraar geïntegreerd ondersteuningsaanbod, vermeld in artikel 226, 227, 234 en 235; | ||
| 7 | 4° de uren-leraar vermeld in artikel 89, eerste lid, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel voor leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, wanneer het een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs betreft. | ||
| 8 | De uren-leraar, vermeld in het eerste lid, worden binnen een school of centrum afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 9 | § 2. In afwijking van paragraaf 1 hebben scholen voor gewoon voltijds secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, die conform paragraaf 1 recht hebben op meer dan drie, maar minder dan zeven, organieke uren-leraar voor het samen school maken, recht op drie organieke uren-leraar. | ||
| 10 | In afwijking van paragraaf 1 hebben scholen voor gewoon voltijds secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, die conform paragraaf 1 recht hebben op zeven organieke uren-leraar of meer, recht op zes organieke uren-leraar. | ||
| 11 | In afwijking van paragraaf 1 hebben scholen voor gewoon voltijds secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, die conform paragraaf 1 recht hebben op minder dan één organiek uur-leraar voor het samen school maken, recht op één organiek uur-leraar. | ||
| 12 | § 3. Het aantal lesuren samen school maken waarop de school voor buitengewoon secundair onderwijs recht heeft, wordt berekend met de formule 0,003048098*D. | ||
| 13 | Voor de toepassing van het eerste lid is D=E+F+G, waarbij: | ||
| 14 | 1° E: het totaalpakket lesuren van de school in het voorgaande schooljaar. Voor de toepassing van E omvat het pakket lesuren: | ||
| 15 | a) de lesuren voor de levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 300; | ||
| 16 | b) de lesuren niet-levensbeschouwing, vermeld in artikel 298, 299, 301, 302 en 303; | ||
| 17 | c) de lesuren geïntegreerd ondersteuningsaanbod, vermeld in artikel 318 en 319; | ||
| 18 | 2° F: de uren paramedisch personeel, medisch personeel, sociaal personeel, orthopedagogisch personeel en psychologisch personeel, volgens de richtgetallen/32*22. F wordt binnen een school afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal; | ||
| 19 | 3° G: de lesuren, uren en begeleidingseenheden zoals toegekend aan de school in het kader van het ondersteuningsmodel op de eerste schooldag van februari van het vorige schooljaar, conform artikel 314/8, § 3 en § 5, en artikel 314/9, § 3. G wordt berekend met de formule G=A+B+C, waarbij: | ||
| 20 | a) A: de lesuren toegekend in kader van het ondersteuningsmodel; | ||
| 21 | b) B: de uren toegekend in het kader van het ondersteuningsmodel*22/32; | ||
| 22 | c) C: 90,43% van de begeleidingseenheden toegekend in het kader van het ondersteuningsmodel*1 gesommeerd met 9,57% van de begeleidingseenheden toegekend in het kader van het ondersteuningsmodel*22/32. | ||
| 23 | De term G van de som, vermeld in het tweede lid, wordt binnen een school afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 24 | Het aantal lesuren samen school maken waarop een school voor buitengewoon secundair onderwijs recht heeft, zoals vermeld in het eerste lid, worden binnen een school afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 25 | § 4. In afwijking van paragraaf 3 hebben scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die conform paragraaf 3 recht hebben op meer dan drie organieke lesuren voor het samen school maken, recht op drie organieke lesuren. | ||
| 26 | In afwijking van paragraaf 3 hebben scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die conform paragraaf 3 recht hebben op minder dan één organiek lesuur voor het samen school maken, recht op één organiek lesuur. |
| 1 | De uren-leraar of lesuren samen school maken in wervingsambten van het ondersteunend personeel worden aangewend op basis van een omzettingstabel die de Vlaamse Regering vastlegt. | ||
| 2 | De Vlaamse Regering keurt het afsprakenkader tussen het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs en de representatieve vakorganisaties over de wijze van toekenning, de verdeling en de inzet van de aanvullende lestijden samen school maken die specifiek gericht zijn op het versterken van het lokale sociaal overleg goed. |
| 17 | d) type 7: 2,38 begeleidingseenheden. | 17 | d) type 7: 2,38 begeleidingseenheden. |
| 18 | De lesuren, de uren en de begeleidingseenheden worden per school voor buitengewoon onderwijs telkens per type en afzonderlijk voor punt 1° en 2° opgeteld en in geval van een decimaal getal naar de hogere eenheid afgerond. | 18 | De lesuren, de uren en de begeleidingseenheden worden per school voor buitengewoon onderwijs telkens per type en afzonderlijk voor punt 1° en 2° opgeteld en in geval van een decimaal getal naar de hogere eenheid afgerond. |
| 19 | In functie van extra ondersteuningsnoden voor leerlingen met een verslag type 2, 4, 6 of 7 of met een inschrijvingsverslag type 2 bovenop de lesuren die ze genereren in een school voor gewoon onderwijs of het behoud van expertise en tewerkstelling in een school voor buitengewoon onderwijs die het aanbod heeft voor leerlingen conform artikel 259, § 1, 2° en/of 4°, en/of 6°, en/of 7°, kan, met toepassing van de omzettingstabel als vermeld in artikel 22/20, 2°, tweede lid, 1°, 2° en 3°, een omzetting gebeuren van lesuren naar uren of omgekeerd om voormelde leerlingen, indien de situatie het vereist, beter te ondersteunen. Deze omzetting is afhankelijk van het akkoord van de ouders en van de lokale onderhandelingscomités van de school voor gewoon en buitengewoon onderwijs. | 19 | In functie van extra ondersteuningsnoden voor leerlingen met een verslag type 2, 4, 6 of 7 of met een inschrijvingsverslag type 2 bovenop de lesuren die ze genereren in een school voor gewoon onderwijs of het behoud van expertise en tewerkstelling in een school voor buitengewoon onderwijs die het aanbod heeft voor leerlingen conform artikel 259, § 1, 2° en/of 4°, en/of 6°, en/of 7°, kan, met toepassing van omzettingstabellen voor aanwending in wervingsambten van het medisch, paramedisch, orthopedagogisch, psychologisch of sociaal personeel die de Vlaamse Regering vastlegt, een omzetting gebeuren van lesuren naar uren of omgekeerd om voormelde leerlingen, indien de situatie het vereist, beter te ondersteunen. Deze omzetting is afhankelijk van het akkoord van de ouders en van de lokale onderhandelingscomités van de school voor gewoon en buitengewoon onderwijs. |
| 20 | § 4. De teldagen voor de toekenning van de lesuren, uren en begeleidingseenheden aan scholen voor buitengewoon onderwijs zijn: | 20 | § 4. De teldagen voor de toekenning van de lesuren, uren en begeleidingseenheden aan scholen voor buitengewoon onderwijs zijn: |
| 21 | 1° de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar; | 21 | 1° de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar; |
| 1 | Aan de centra worden voor het schooljaar 2019-2020 globaal 4,6 organieke omkaderingsgewichten aanvangsbegeleiding toegekend. Vanaf het schooljaar 2020-2021 wordt het beschikbaar aantal organieke omkaderingsgewichten evenredig aangepast aan eventuele wijzigingen aan de totaliteit van de reële omkadering van alle centra ten opzichte van het voorafgaande schooljaar. | 1 | Aan de centra worden voor het schooljaar 2021-2022 globaal 8,58 organieke omkaderingsgewichten aanvangsbegeleiding toegekend. Vanaf het schooljaar 2022-2023 wordt het beschikbaar aantal organieke omkaderingsgewichten evenredig aangepast aan eventuele wijzigingen aan de totaliteit van de reële omkadering van alle centra ten opzichte van het voorafgaande schooljaar. |
| 2 | Die omkaderingsgewichten worden over de centra verdeeld in verhouding tot de reële omkadering van het centrum en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de reële omkadering van alle centra. | 2 | Die omkaderingsgewichten worden over de centra verdeeld in verhouding tot de reële omkadering van het centrum en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de reële omkadering van alle centra. |
| 3 | De aanwending van de omkaderingsgewichten aanvangsbegeleiding gebeurt in wervingsambten van het technisch personeel of van het ondersteunend personeel. | 3 | De aanwending van de omkaderingsgewichten aanvangsbegeleiding gebeurt in wervingsambten van het technisch personeel of van het ondersteunend personeel. |
| 4 | De omkaderingsgewichten aanvangsbegeleiding die elk centrum ontvangt, kunnen door elk centrum gedeeltelijk of volledig worden overgedragen aan een al dan niet netoverstijgend samenwerkingsverband van centra onderling, naar de permanente ondersteuningscel of een netoverstijgend samenwerkingsverband van de permanente ondersteuningscellen of naar een netoverstijgende regionale ondersteuningscel. Ook in het geval van overdracht kunnen die omkaderingsgewichten alleen voor aanvangsbegeleiding in wervingsambten van het technisch personeel of van het ondersteunend personeel worden aangewend. | 4 | De omkaderingsgewichten aanvangsbegeleiding die elk centrum ontvangt, kunnen door elk centrum gedeeltelijk of volledig worden overgedragen aan een al dan niet netoverstijgend samenwerkingsverband van centra onderling, naar de permanente ondersteuningscel of een netoverstijgend samenwerkingsverband van de permanente ondersteuningscellen of naar een netoverstijgende regionale ondersteuningscel. Ook bij een overdracht kunnen die omkaderingsgewichten alleen voor de vermindering van de werkdruk, vermeld in artikel 41/3, of aanvangsbegeleiding in wervingsambten van het technisch personeel of van het ondersteunend personeel worden aangewend. |
| 1 | Aan de centra worden voor het schooljaar 2021-2022 globaal 20,69 organieke omkaderingsgewichten voor de ondersteuning van de vermindering van de werkdruk toegekend. Vanaf het schooljaar 2022-2023 wordt het beschikbare aantal organieke omkaderingsgewichten evenredig aangepast aan eventuele wijzigingen aan de totaliteit van de reële omkadering van alle centra ten opzichte van het voorafgaande schooljaar. | ||
| 2 | De omkaderingsgewichten voor de vermindering van de werkdruk worden over de centra verdeeld in verhouding tot de reële omkadering van het centrum en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de reële omkadering van alle centra. | ||
| 3 | De omkaderingsgewichten voor de vermindering van de werkdruk worden aangewend in wervingsambten van het technisch personeel of van het ondersteunend personeel. De wijze waarop de werkdruk wordt verminderd, en de middelen worden aangewend, volgt uit lokaal overleg. | ||
| 4 | De omkaderingsgewichten voor de vermindering van de werkdruk die elk centrum ontvangt, kunnen door elk centrum gedeeltelijk of volledig worden overgedragen aan een al dan niet netoverstijgend samenwerkingsverband van centra onderling, naar de permanente ondersteuningscel of een netoverstijgend samenwerkingsverband van de permanente ondersteuningscellen of naar een netoverstijgende regionale ondersteuningscel. Ook bij een overdracht kunnen die omkaderingsgewichten alleen voor de vermindering van de werkdruk in wervingsambten van het technisch personeel of van het ondersteunend personeel worden aangewend. |
| 1 | Aan de centra worden voor het schooljaar 2021-2022 globaal 4,98 organieke omkaderingsgewichten samen school maken toegekend. Vanaf het schooljaar 2022-2023 wordt het beschikbare aantal organieke omkaderingsgewichten evenredig aangepast aan eventuele wijzigingen aan de totaliteit van de reële omkadering van alle centra ten opzichte van het voorafgaande schooljaar. | ||
| 2 | De organieke omkaderingsgewichten samen school maken dienen aangewend om het sociaal overleg en onderhandeling te versterken. De omkaderingsgewichten worden aangewend voor de vertegenwoordigers van het personeel die aangesteld zijn in het centrum, conform de toepasselijke vigerende Vlaamse of federale regelgeving. | ||
| 3 | De omkaderingsgewichten samen school maken worden over de centra verdeeld in verhouding tot de reële omkadering van het centrum en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de reële omkadering van alle centra. | ||
| 4 | De omkaderingsgewichten samen school maken worden aangewend in wervingsambten van het technisch personeel of van het ondersteunend personeel. | ||
| 5 | De Vlaams Regering keurt het afsprakenkader tussen het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van de besturen van de centra voor leerlingenbegeleiding van het gesubsidieerd onderwijs en de representatieve vakorganisaties over de wijze van toekenning, de verdeling en de inzet van de aanvullende lestijden samen school maken die specifiek gericht zijn op het versterken van het lokale sociaal overleg goed. | ||
| 6 | De omkaderingsgewichten samen school maken die elk centrum ontvangt, kunnen door elk centrum gedeeltelijk of volledig worden overgedragen aan een al dan niet netoverstijgend samenwerkingsverband van centra onderling, of naar een netoverstijgende regionale ondersteuningscel. | ||
| 7 | Ook bij een overdracht kunnen die omkaderingsgewichten alleen voor het samen school maken in wervingsambten van het technisch personeel of van het ondersteunend personeel worden aangewend. |
| 1 | § 1. Aan instellingen voor residentiële en semiresidentiële opvang van leerlingen, hierna instellingen te noemen, worden uren toegekend voor aanvangsbegeleiding. | 1 | § 1. Aan instellingen voor residentiële en semiresidentiële opvang van leerlingen, hierna instellingen te noemen, worden uren toegekend voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering. |
| 2 | § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als instellingen beschouwd: | 2 | § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als instellingen beschouwd: |
| 3 | 1° internaten als vermeld in de artikelen III.21 en III.35 voor wat betreft hun openstelling op schooldagen; | 3 | 1° internaten als vermeld in de artikelen III.21 en III.35 voor wat betreft hun openstelling op schooldagen; |
| 1 | § 1. Aan instellingen voor residentiële en semiresidentiële opvang van leerlingen, hierna instellingen te noemen, worden uren toegekend voor aanvangsbegeleiding. | ||
| 2 | § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als instellingen beschouwd: | ||
| 3 | 1° internaten als vermeld in de artikelen III.21 en III.35 voor wat betreft hun openstelling op schooldagen; | ||
| 4 | 2° tehuizen als vermeld in de artikelen III.1, § 1, eerste lid, III.20, III.35, § 1, 2° en III.37, voor wat betreft hun openstelling op niet-schooldagen; | ||
| 5 | 3° internaten buitengewoon onderwijs, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2; | ||
| 6 | 4° internaten met permanente openstelling als vermeld in hoofdstuk 6; | ||
| 7 | 5° semi-internaten als vermeld in het koninklijk besluit van 21 augustus 1978 houdende organisatie van de semi-internaten in het buitengewoon onderwijs van de Staat en tot vaststelling van de personeelsnormen. |
| 1 | § 1. Het totale aantal uren voor aanvangsbegeleidingbedraagt voor internaten en tehuizen 104 uren. | 1 | § 1. Het totale aantal uren voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering bedraagt voor internaten en tehuizen 355 uren. |
| 2 | § 2. Het aantal uren voor aanvangsbegeleidingwaarop een instelling recht heeft, is 104 X B/C, waarbij: | 2 | § 2. Het aantal uren voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering waarop een instelling recht heeft, is 355 X B/C, waarbij: |
| 3 | 1° B: het totale aantal toegekende uren van de instelling van het vorige schooljaar; | 3 | 1° B: het totale aantal toegekende uren van de instelling van het vorige schooljaar; |
| 4 | 2° C: het totale aantal toegekende uren van alle instellingen van het vorige schooljaar van alle instellingen samen. | 4 | 2° C: het totale aantal toegekende uren van alle instellingen van het vorige schooljaar van alle instellingen samen. |
| 9 | 3° wordt voor de toegekende omkadering van internaten buitengewoon onderwijs rekening gehouden met de toepassing van artikel III.29. | 9 | 3° wordt voor de toegekende omkadering van internaten buitengewoon onderwijs rekening gehouden met de toepassing van artikel III.29. |
| 10 | § 4. De uren, vermeld in het eerste lid, kunnen worden samengelegd. | 10 | § 4. De uren, vermeld in het eerste lid, kunnen worden samengelegd. |
| 11 | De instellingen die kiezen om de uren samen te leggen, richten daartoe een of meerdere samenwerkingsverbanden `aanvangsbegeleiding' op, waar afspraken worden gemaakt over de aanwending van deze uren. | 11 | De instellingen die kiezen om de uren samen te leggen, richten daartoe een of meerdere samenwerkingsverbanden `aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering' op, waar afspraken worden gemaakt over de aanwending van deze uren. |
| 12 | Een samenwerkingsverband `aanvangsbegeleiding' kan bestaan uit: | 12 | Een samenwerkingsverband `aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering' kan bestaan uit: |
| 13 | 1° een of meerdere internaten als vermeld in artikel III.46, § 2, 1° ; en/of | 13 | 1° een of meerdere internaten als vermeld in artikel III.46, § 2, 1° ; en/of |
| 14 | 2° een of meerdere tehuizen als vermeld in artikel III.46, § 2, 2° ; en/of | 14 | 2° een of meerdere tehuizen als vermeld in artikel III.46, § 2, 2° ; en/of |
| 1 | § 1. Aan instellingen voor residentiële opvang van leerlingen, hierna instellingen te noemen, worden uren Samen Internaat Maken toegekend. | ||
| 2 | § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als instellingen beschouwd: | ||
| 3 | 1° internaten als vermeld in artikel III.21 en III.35; | ||
| 4 | 2° tehuizen als vermeld in artikel III.1, § 1, eerste lid, III.35, § 1, 2°, en III.37; | ||
| 5 | 3° internaten buitengewoon onderwijs als vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2. |
| 1 | § 1. Aan elke instelling wordt één uur Samen Internaat Maken toegekend. | ||
| 2 | § 2. De uren, vermeld in paragraaf 1, kunnen worden samengelegd. | ||
| 3 | De instellingen die kiezen om de uren samen te leggen, richten daartoe een of meerdere samenwerkingsverbanden `Samen Internaat Maken' op, waar afspraken worden gemaakt over de aanwending van deze uren. | ||
| 4 | Een samenwerkingsverband 'Samen Internaat Maken' kan bestaan uit: | ||
| 5 | 1° een of meerdere internaten als vermeld in artikel III.49, § 2, 1° ; en/of | ||
| 6 | 2° een of meerdere tehuizen als vermeld in artikel III.49, § 2, 2° ; en/of | ||
| 7 | 3° een of meerdere internaten buitengewoon onderwijs als vermeld in artikel III.49, § 2, 3°. | ||
| 8 | De Vlaamse Regering kan met betrekking tot het samenwerkingsverband, vermeld in het tweede lid, volgende maatregelen vastleggen: | ||
| 9 | 1° de duur van de samenwerking; | ||
| 10 | 2° de vorm van overeenkomst waarmee het samenwerkingsverband wordt opgericht; | ||
| 11 | 3° de wijze en het tijdstip van mededeling van het samenwerkingsverband aan de overheid. |
| 1 | Met de uren, vermeld in artikel III.50, § 1, kunnen in elke instelling betrekkingen in wervingsambten worden ingericht overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de toegekende omkadering. | ||
| 2 | De Vlaamse Regering keurt het afsprakenkader goed tussen het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs en de representatieve vakorganisaties over de wijze van toekenning, de verdeling en de inzet van de uren, vermeld in artikel III.50, § 1. |
| 1 | Dit hoofdstuk is van toepassing op MVDP+, meer bepaald: | ||
| 2 | 1° het meesters-, vak- en dienstpersoneel, het onderhoudspersoneel en de contractuele bedienden die worden betaald met de werkingsmiddelen of de eigen middelen van de schoolbesturen; | ||
| 3 | 2° de busbegeleiders in het zonale leerlingenvervoer, vermeld in de wet van 15 juli 1983 houdende oprichting van de Nationale Dienst voor leerlingenvervoer; | ||
| 4 | 3° de busbegeleiders die niet behoren tot het zonaal leerlingenvervoer. |
| 1 | § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: | ||
| 2 | 1° OVSG: Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten; | ||
| 3 | 2° POV: Provinciaal Onderwijs Vlaanderen; | ||
| 4 | 3° TWF-VOV: Tewerkstellingsfonds voor het Vrij Onderwijs Vlaanderen. | ||
| 5 | § 2. Dit hoofdstuk heeft tot doel de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden te verbeteren van de personeelsleden, vermeld in artikel IV.54. | ||
| 6 | De volgende middelen worden voorzien: | ||
| 7 | 1° subsidies voor het gesubsidieerd onderwijs aan TWF-VOV, OVSG en POV; | ||
| 8 | 2° dotaties voor het gemeenschapsonderwijs. | ||
| 9 | § 3. Het budget tot verbetering van de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden van de personeelsleden, vermeld in artikel IV.54, wordt vastgesteld in de jaarlijkse begroting. | ||
| 10 | Het budget wordt als volgt vastgelegd: | ||
| 11 | 1° in het begrotingsjaar 2021 wordt 500.000 euro toegekend aan het TWF-VOV om een loonsverhoging mogelijk te maken; | ||
| 12 | 2° vanaf het begrotingsjaar 2022 wordt 1.700.000 euro toegekend aan het TWFVOV om een loonsverhoging mogelijk te maken; | ||
| 13 | 3° in het begrotingsjaar 2021 wordt 283.000 euro toegekend aan het Gemeenschapsonderwijs om een loonsverhoging mogelijk te maken; | ||
| 14 | 4° vanaf het begrotingsjaar 2022 wordt 850.000 euro toegekend aan het Gemeenschapsonderwijs om een loonsverhoging mogelijk te maken; | ||
| 15 | 5° vanaf het begrotingsjaar 2021 wordt 700.000 euro toegekend aan het TWFVOV om een verhoging van de eindejaarstoelage mogelijk te maken; | ||
| 16 | 6° vanaf het begrotingsjaar 2022 wordt 375.000 euro toegekend aan het gemeenschapsonderwijs om een verhoging van de eindejaarstoelage mogelijk te maken; | ||
| 17 | 7° in het begrotingsjaar 2021 wordt 98.000 euro voorzien voor het ter beschikking stellen van de PlusPas aan TWF-VOV, OVSG, POV en het Gemeenschapsonderwijs tezamen; | ||
| 18 | 8° vanaf het begrotingsjaar 2022 wordt 95.000 euro voorzien voor het ter beschikking stellen van de PlusPas aan TWF-VOV, OVSG, POV en het Gemeenschapsonderwijs tezamen; | ||
| 19 | 9° vanaf het begrotingsjaar 2022 wordt 420.000 euro toegekend aan het TWF- VOV voor het moderniseren van de functieclassificatie in het gesubsidieerd onderwijs; | ||
| 20 | 10° in het begrotingsjaar 2021 wordt 142.000 euro toegekend aan het Gemeenschapsonderwijs voor vorming en het verbeteren van de loon- en arbeidsvoorwaarden van de personeelsleden voor- en naschoolse opvang in het Gemeenschapsonderwijs; | ||
| 21 | 11° vanaf het begrotingsjaar 2022 wordt 655.000 euro toegekend aan het Gemeenschapsonderwijs voor vorming en het verbeteren van de loon- en arbeidsvoorwaarden van de personeelsleden voor- en naschoolse opvang in het Gemeenschapsonderwijs. | ||
| 22 | Vanaf begrotingsjaar 2022 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 5 | 4° de contractuelen betaald ten laste van het departement Onderwijs, met uitzondering van deze van de centra voor basiseducatie; | 5 | 4° de contractuelen betaald ten laste van het departement Onderwijs, met uitzondering van deze van de centra voor basiseducatie; |
| 6 | 5° de contractuelen, betaald met het werkingsbudget van de scholen, centra, internaten of tehuizen; | 6 | 5° de contractuelen, betaald met het werkingsbudget van de scholen, centra, internaten of tehuizen; |
| 7 | 6° de personeelsleden van de Brusselse kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. | 7 | 6° de personeelsleden van de Brusselse kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad; |
| 8 | §2. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de personeelsleden van de centra voor basiseducatie. | ||
| 8 | 7° de personeelsleden, vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie in de basiseducatie. | ||
| 9 | §2. ... | ||
| 9 | §3. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, met uitzondering van artikel V.62, voor wat betreft de vervoerskosten en fietsvergoedingen gemaakt vanaf het kalenderjaar 2015. | 10 | §3. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, met uitzondering van artikel V.62, voor wat betreft de vervoerskosten en fietsvergoedingen gemaakt vanaf het kalenderjaar 2015. |
| 1 | De personeelsleden, bedoeld in artikel V.60, hebben onder de modaliteiten bepaald door de Vlaamse Regering recht op de volledige terugbetaling van de kosten openbaar vervoer naar en van het werk en op een maandelijkse fietsvergoeding, ten laste van de werkgever. | 1 | De personeelsleden, vermeld in artikel V.60, § 1, 1° tot en met 6°, hebben onder de modaliteiten bepaald door de Vlaamse Regering recht op de volledige terugbetaling van de kosten openbaar vervoer naar en van het werk, ten laste van de werkgever. |
| 2 | Conform de modaliteiten die de Vlaamse Regering bepaalt, hebben de personeelsleden, vermeld in artikel V.60, recht op een maandelijkse fietsvergoeding, ten laste van de werkgever. |
| 1 | §1. De toelagen, bedoel in artikel VI.1, worden toegekend binnen het daartoe voorziene globale begrotingskrediet. De Vlaamse Regering bepaalt de toewijzing van dit krediet aan de verschillende onderwijsniveaus en -vormen en - in voorkomend geval - de verschillende onderverdelingen daarvan, rekening houdend met de verschillende noden inzake de aankoop of huur van hardware, software, randapparatuur, de kosten van een internetaansluiting en specifieke nascholing inzake het gebruik van ICT. | 1 | §1. De toelagen, bedoel in artikel VI.1, worden toegekend binnen het daartoe voorziene globale begrotingskrediet. De Vlaamse Regering bepaalt de toewijzing van dit krediet aan de verschillende onderwijsniveaus en -vormen en - in voorkomend geval - de verschillende onderverdelingen daarvan, rekening houdend met de verschillende noden inzake de aankoop of huur van hardware, software, randapparatuur, de kosten van een internetaansluiting en specifieke nascholing inzake het gebruik van ICT. |
| 2 | §2. Om de toelagen, vermeld in artikel VI.1, vast te stellen, wordt een bedrag, dat de Vlaamse Regering bepaalt, vermenigvuldigd met één, of een combinatie van de volgende parameters: | ||
| 2 | §2. De toelagen worden vastgesteld door het aantal regelmatige/financierbare leerlingen, lesurencursist of betoelaagde urencursist te vermenigvuldigen met een door de Vlaamse Regering bepaald bedrag. | 3 | 1° het aantal regelmatige/financierbare leerlingen, lesurencursist of betoelaagde urencursist; |
| 4 | 2° de toegekende omkaderingsmiddelen; | ||
| 5 | 3° het aantal personeelsleden van de school dat aangesteld is in wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel.. | ||
| 3 | Aan de ziekenhuisscholen wordt een forfaitair bedrag toegekend. | 6 | Aan de ziekenhuisscholen wordt een forfaitair bedrag toegekend. |
| 4 | Aan de centra voor basiseducatie wordt een forfaitair bedrag toegekend waarvan de hoegrootheid wordt bepaald door het aantal lesurencursist. | 7 | Aan de centra voor basiseducatie wordt een forfaitair bedrag toegekend waarvan de hoegrootheid wordt bepaald door het aantal lesurencursist. |
| 10 | § 4. Met behoud van de toepassing van paragraaf 3 benoemt het centrumbestuur altijd het personeelslid met de meeste dienstanciënniteit in het centrum. Het maakt daarvoor jaarlijks uiterlijk op 31 augustus van het schooljaar voorafgaand aan de datum van de vaste benoeming een lijst op die aangeeft welke plaats een personeelslid inneemt. | 10 | § 4. Met behoud van de toepassing van paragraaf 3 benoemt het centrumbestuur altijd het personeelslid met de meeste dienstanciënniteit in het centrum. Het maakt daarvoor jaarlijks uiterlijk op 31 augustus van het schooljaar voorafgaand aan de datum van de vaste benoeming een lijst op die aangeeft welke plaats een personeelslid inneemt. |
| 11 | In het lokaal onderhandelingscomité worden er afspraken gemaakt over de vaste benoeming als verschillende personeelsleden over evenveel dienstanciënniteit beschikken. | 11 | In het lokaal onderhandelingscomité worden er afspraken gemaakt over de vaste benoeming als verschillende personeelsleden over evenveel dienstanciënniteit beschikken. |
| 12 | § 4/1. In afwijking van paragraaf 3 en 4, kunnen op 1 januari 2022 personeelsleden eenmalig vastbenoemd worden boven op het maximumpercentage, vermeld in paragraaf 3, als ze voldoen aan al de volgende voorwaarden: | ||
| 13 | 1° ze hebben de leeftijd van vijfenvijftig jaar bereikt op 1 januari 2022; | ||
| 14 | 2° ze zijn in dienst op 1 september 2021; | ||
| 15 | 3° ze hebben minimaal twintig jaar dienstanciënniteit binnen de basiseducatie. | ||
| 12 | § 5. Een personeelslid wordt benoemd voor het volume van zijn aanstelling van onbepaalde duur of voor het volume van zijn tijdelijke andere opdracht, conform artikel 65, waarvoor het aan de vooravond van de benoeming aangesteld is. Van het voormelde volume kan alleen afgeweken worden als er onvoldoende organieke betrekkingen zijn in het centrum of het benoemingspercentage zou worden overschreden. | 16 | § 5. Een personeelslid wordt benoemd voor het volume van zijn aanstelling van onbepaalde duur of voor het volume van zijn tijdelijke andere opdracht, conform artikel 65, waarvoor het aan de vooravond van de benoeming aangesteld is. Van het voormelde volume kan alleen afgeweken worden als er onvoldoende organieke betrekkingen zijn in het centrum of het benoemingspercentage zou worden overschreden. |
| 13 | § 6. Met het oog op een vaste benoeming op 1 januari van het schooljaar wordt elke vacante betrekking, uiterlijk op 15 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan de datum van de vaste benoeming, door het centrumbestuur meegedeeld aan alle personeelsleden van het centrum. | 17 | § 6. Met het oog op een vaste benoeming op 1 januari van het schooljaar wordt elke vacante betrekking, uiterlijk op 15 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan de datum van de vaste benoeming, door het centrumbestuur meegedeeld aan alle personeelsleden van het centrum. |