§ flandrepo

programmadecreet bij de aanpassing van de begroting 2019

Vlaamse Regering #151 Staatsblad 9 januari 2020 NUMAC 2019042930
2 artikels gewijzigd
+0 −28 codex-hoger-onderwijs/art. III.100 opgeheven
1−§1. Benevens de toelage als bedoeld in artikel III.99, wordt aan het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen jaarlijks een subsidie-enveloppe toegekend voor het Odysseusinitiatief.
2−Het Odysseusinitiatief voorziet in een startfinanciering met als doel uitstekende Vlaamse onderzoekers die momenteel in het buitenland werken en gerenommeerde buitenlandse onderzoekers aan een Vlaamse universiteit te verbinden. Zij krijgen door deze startfinanciering de mogelijkheid om stapsgewijs via de gangbare financieringskanalen middelen te verwerven, zich in te schakelen in het onderzoeksbestel en bij te dragen aan de verdere uitbouw van het Vlaamse onderzoekspotentieel.
3−§2. Voor het begrotingsjaar 2006 bedraagt de subsidie-enveloppe 12 miljoen euro. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd conform de bepalingen van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 houdende subsidie aan het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. De Vlaamse Regering kan het bedrag verhogen binnen de beschikbare begrotingskredieten.
4−§3. 80% van de besteedbare middelen wordt door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen over de universiteiten verdeeld op basis van het gemiddelde van de sleutel gehanteerd voor de verdeling van de middelen bestemd voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen. Het gemiddelde wordt berekend over 5 jaar, voorafgaand aan het begrotingsjaar waarop het Odysseusinitiatief betrekking heeft.
5−De resterende 20% vormt de eigen beleidsruimte waarover het Fonds in het kader van dit initiatief beschikt.
6−§4. Universiteitsbesturen kunnen beslissen om de aan hen toekomende middelen in een bepaald begrotingsjaar geheel of gedeeltelijk over te dragen naar het volgende jaar en op die manier trekkingsrechten op te bouwen.
7−Universiteiten die over onvoldoende trekkingsrechten beschikken in een bepaald begrotingsjaar, kunnen met eigen middelen voorfinancieren, zolang dit beperkt blijft tot het bedrag dat zij in het kader van het Odysseusinitiatief zullen ontvangen.
8−§5. Voor de selectie van de kandidaten legt elk universiteitsbestuur een procedure vast. Deze procedure kan een onderscheid maken tussen internationaal toonaangevende onderzoekers en onderzoekers met het potentieel om door te groeien tot internationaal toonaangevende status.
9−§6. Bij de voordracht van een kandidaat bevestigt het betrokken universiteitsbestuur dat het een kaderplaats voor zelfstandig academisch personeel, respectievelijk een postdoctoraal mandaat met een looptijd van 5 jaar ter beschikking heeft, evenals de nodige infrastructuur. Daarenboven dient het universiteitsbestuur aan te geven hoe het onderzoeksplan van de betrokken kandidaat ingeschakeld kan worden in het onderzoeksbeleid van de universiteit.
10−Indien een voordracht uitgaat van 2 of meer universiteitsbesturen, wordt een gezamenlijk voorstel geformuleerd.
11−§7. Het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen onderzoekt door middel van commissies van deskundigen:
12−1° of de door de universiteiten voorgestelde onderzoekers aan de gestelde eisen van excellentie voldoen;
13−2° of het onderzoeksplan van de voorgestelde onderzoekers van hoge kwaliteit is;
14−3° of het onderzoeksplan uitvoerbaar is met de hiervoor aangevraagde middelen.
15−Een commissie van deskundigen bestaat uit leden die niet verbonden zijn aan een Belgische universiteit en die een algemene internationale erkenning genieten.
16−§8. Het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen beslist over de toekenning van de financiering. Indien de aanvragende universiteit over de nodige middelen beschikt, kan het Fonds een voorstel slechts afwijzen als de betreffende commissie oordeelt dat de kandidaat niet voldoet.
17−§9. De geselecteerde onderzoeker ontvangt gedurende 5 jaar startfinanciering. Hij of zij kan de middelen besteden aan werking, personeel en uitrusting, doch niet aan de eigen salariskosten.
18−Voor internationaal toonaangevende onderzoekers geldt een bedrag van minimaal 400.000 euro en maximaal 1.500.000 euro per jaar, ofwel tussen 2.000.000 en 7.500.000 euro voor de volledige 5 jaar. Voor onderzoekers met het potentieel om door te groeien tot internationaal toonaangevende status geldt een bedrag van minimaal 100.000 euro en maximaal 200.000 euro, ofwel tussen 500.000 en 1.000.000 euro voor de volledige 5 jaar.
19−De middelen toegekend in het kader van het Odysseusinitiatief aan een onderzoeker kunnen over een niet-verlengbare periode van 8 jaar besteed worden.
20−§10. De universiteitsbesturen leggen een procedure vast voor de tussentijdse beoordeling van de uitvoering van het onderzoeksplan, in het bijzonder met het oog op het nemen van een beslissing over de aanpassing ervan, met inbegrip van de spreiding van de financiering in de tijd.
21−§11. De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen voor de toepassing van dit artikel.
22−In een addendum op de beheersovereenkomst met het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen worden ten minste bepalingen vastgelegd op het vlak van:
23−1° de voorafname van het Fonds voor centrale beheerskosten en algemene exploitatiekosten;
24−2° de aanrekenbaarheid, door de onthaalinstellingen, van overheadkosten;
25−3° de wijze van bekendmaking van de beoordelingsverslagen, opgemaakt door de commissie van deskundigen in hoofde van de onderzoekers waaraan middelen in het kader van het Odysseusinitiatief worden toegekend;
26−4° de rapportering, door de universiteitsbesturen, over de uitvoering van de onderzoeksplannen en de spreiding in de tijd van de financiering die aan onderzoekers wordt toegekend;
27−5° de rapporteringsplicht van het Fonds aan de hand van statistische parameters;
28−6° de evaluatie van het Odysseusinitiatief en de uitvoering ervan.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 22/6
1−De totale som van de uren-leraar en lesuren zoals bepaald in artikel 22/8 van alle deelnemende scholen mag niet meer bedragen dan 156.917 uren-leraar/lesuren. Het aantal beschikbare voltijdse equivalenten bedraagt 369,87 voor het secundair onderwijs voor het totaal van alle deelnemende scholen. De omzetting van voltijds equivalenten naar lesuren of uren-leraar gebeurt door het aantal voltijdse equivalenten te vermenigvuldigen met 21,47.
1+De totale som van de uren-leraar en lesuren zoals bepaald in artikel 22/8 van alle deelnemende scholen mag niet meer bedragen dan 167.448 uren-leraar/lesuren. Het aantal beschikbare voltijdse equivalenten bedraagt 394,69 voor het secundair onderwijs voor het totaal van alle deelnemende scholen. De omzetting van voltijds equivalenten naar lesuren of uren-leraar gebeurt door het aantal voltijdse equivalenten te vermenigvuldigen met 21,47.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd