Decreet tot wijziging van de rechtspositie van het personeel van de centra voor volwassenenonderwijs en tot wijziging van het financieringsluik van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs
Staatsblad 20 april 2018 NUMAC 2018040080
43 artikels gewijzigd
| 1 | Met behoud van de toepassing van de principes dat een personeelslid wordt aangesteld of geaffecteerd aan het centrum voor volwassenenonderwijs waar zijn betrekking reglementair wordt opgericht, kan een personeelslid van het bestuurs- en onderwijzend personeel - met uitzondering van de directeur - en van het ondersteunend personeel ingezet worden in het centrum en in alle vestigingsplaatsen van dit centrum. | ||
| 2 | Bij de toepassing van het eerste lid moeten alleszins de volgende principes worden gehanteerd : | ||
| 3 | 1° de inzetbaarheid van een personeelslid wordt steeds bepaald vanuit de standplaats van het personeelslid; | ||
| 4 | 2° de standplaats van een personeelslid wordt bepaald in onderling overleg tussen het personeelslid en de directeur. De standplaats kan enkel worden gewijzigd na een nieuw overleg; | ||
| 5 | 3° de afstand over de openbare weg tussen de standplaats van het personeelslid en de vestigingsplaats waar het personeelslid bij een wijziging van zijn opdracht wordt ingezet, mag nooit meer dan 25 km bedragen. Dit geldt niet als het personeelslid instemt om over een grotere afstand ingezet te worden of als het personeelslid al een opdracht uitoefent in de vestigingsplaats waar de wijziging plaatsvindt. | ||
| 6 | De bepalingen over de inzetbaarheid en de standplaats, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden, met behoud van de toepassing van artikel 18 en 31, opgenomen in het geschrift waarin de aanstelling wordt vastgesteld, alsook in de functiebeschrijving, vermeld in hoofdstuk VIIIbis van dit decreet. |
| 1 | Bij het toewijzen van instellingsgebonden opdrachten aan personeelsleden moet het instellingshoofd rekening houden met de tijd die de personeelsleden besteden aan hun vertegenwoordiging in lokale inspraakorganen opgericht door of krachtens een wet of een decreet, en met de tijd die een vakbondsafgevaardigde besteedt aan zijn vertegenwoordiging in de Vlaamse Onderwijsraad of in de stuurgroep vermeld in artikel 2, 42°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. | 1 | Bij het toewijzen van instellingsgebonden opdrachten aan personeelsleden moet het instellingshoofd rekening houden met de tijd die de personeelsleden besteden aan hun vertegenwoordiging in lokale inspraakorganen opgericht door of krachtens een wet of een decreet, en met de tijd die een vakbondsafgevaardigde besteedt aan zijn vertegenwoordiging in de Vlaamse Onderwijsraad. |
| 1 | Met behoud van de toepassing van de principes dat een personeelslid wordt aangesteld of geaffecteerd aan het centrum voor volwassenenonderwijs waar zijn betrekking reglementair wordt opgericht, kan een personeelslid van het bestuurs- en onderwijzend personeel - met uitzondering van de directeur - en van het ondersteunend personeel ingezet worden in het centrum en in alle vestigingsplaatsen van dit centrum. | ||
| 2 | Bij de toepassing van het eerste lid moeten alleszins de volgende principes worden gehanteerd : | ||
| 3 | 1° de inzetbaarheid van een personeelslid wordt steeds bepaald vanuit de standplaats van het personeelslid; | ||
| 4 | 2° de standplaats van een personeelslid wordt bepaald in onderling overleg tussen het personeelslid en de inrichtende macht. De standplaats kan enkel worden gewijzigd na een nieuw overleg; | ||
| 5 | 3° de afstand over de openbare weg tussen de standplaats van het personeelslid en de vestigingsplaats waar het personeelslid bij een wijziging van zijn opdracht wordt ingezet, mag nooit meer dan 25 km bedragen. Dit geldt niet als het personeelslid instemt om over een grotere afstand ingezet te worden of als het personeelslid al een opdracht uitoefent in de vestigingsplaats waar de wijziging plaatsvindt. | ||
| 6 | De bepalingen over de inzetbaarheid en de standplaats, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden, met behoud van de toepassing van artikel 20 en 45, opgenomen in de overeenkomst of het besluit waarin de aanstelling wordt vastgesteld, alsook in de functiebeschrijving, vermeld in titel II, hoofdstuk Vbis, van dit decreet. |
| 1 | Bij het toewijzen van instellingsgebonden opdrachten aan personeelsleden moet de inrichtende macht rekening houden met de tijd die de personeelsleden besteden aan hun vertegenwoordiging in lokale inspraakorganen opgericht door of krachtens een wet of een decreet, en met de tijd die een vakbondsafgevaardigde besteedt aan zijn vertegenwoordiging in de Vlaamse Onderwijsraad of in de stuurgroep vermeld in artikel 2, 42°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. | 1 | Bij het toewijzen van instellingsgebonden opdrachten aan personeelsleden moet de inrichtende macht rekening houden met de tijd die de personeelsleden besteden aan hun vertegenwoordiging in lokale inspraakorganen opgericht door of krachtens een wet of een decreet, en met de tijd die een vakbondsafgevaardigde besteedt aan zijn vertegenwoordiging in de Vlaamse Onderwijsraad. |
| 4 | 2° bis een beroepskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties waarmee een beroep kan uitgeoefend worden als vermeld in artikel 8 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur; | 4 | 2° bis een beroepskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties waarmee een beroep kan uitgeoefend worden als vermeld in artikel 8 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur; |
| 5 | 3° beroepsprofiel : een geordende opsomming van taken die door de ervaren beroepsbeoefenaar worden uitgeoefend en van de kwaliteitsnormen en beroepsvereisten die daarvoor gelden; | 5 | 3° beroepsprofiel : een geordende opsomming van taken die door de ervaren beroepsbeoefenaar worden uitgeoefend en van de kwaliteitsnormen en beroepsvereisten die daarvoor gelden; |
| 6 | 3° bis bevolkingsdichtheid : het aantal inwoners per km² in de vestigingsplaats volgens de meest recente berekening van de federale instantie die bevoegd is voor de coördinatie van de openbare statistiek. Voor de vestigingsplaats tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad wordt de totale bevolking van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km². De in aanmerking te nemen bevolkingsdichtheid voor een centrum met meerdere vestigingsplaatsen wordt vastgesteld op grond van volgende berekening : de totale bevolking van deze gemeenten wordt gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km²; | ||
| 6 | 4° centrum : een Centrum voor Volwassenenonderwijs of een Centrum voor Basiseducatie; | 7 | 4° centrum : een Centrum voor Volwassenenonderwijs of een Centrum voor Basiseducatie; |
| 7 | 5° centrumbestuur : de inrichtende macht die ten aanzien van het centrum de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden; | 8 | 5° centrumbestuur : de inrichtende macht die ten aanzien van het centrum de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden; |
| 11 | 9° contactonderwijs : onderwijs in een rechtstreeks contact tussen de leraar of begeleider van een onderwijsactiviteit en de cursist, gebonden aan een bepaald tijdstip en plaats van onderwijsverstrekking; | 12 | 9° contactonderwijs : onderwijs in een rechtstreeks contact tussen de leraar of begeleider van een onderwijsactiviteit en de cursist, gebonden aan een bepaald tijdstip en plaats van onderwijsverstrekking; |
| 12 | 10° cursist : een deelnemer aan het volwassenenonderwijs die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden en ingeschreven is; | 13 | 10° cursist : een deelnemer aan het volwassenenonderwijs die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden en ingeschreven is; |
| 13 | 11° deelcertificaat : een van rechtswege erkend studiebewijs, door het centrumbestuur uitgereikt aan een cursist die een module in de basiseducatie, het secundair volwassenenonderwijs of de specifieke lerarenopleidingen met goed gevolg heeft beëindigd; | 14 | 11° deelcertificaat : een van rechtswege erkend studiebewijs, door het centrumbestuur uitgereikt aan een cursist die een module in de basiseducatie of het secundair volwassenenonderwijs met goed gevolg heeft beëindigd; |
| 14 | 12° diploma : een van rechtswege erkend studiebewijs, door het centrumbestuur uitgereikt aan een cursist die met goed gevolg het secundair of het hoger onderwijs heeft beëindigd; | 15 | 12° diploma : een van rechtswege erkend studiebewijs, door het centrumbestuur uitgereikt aan een cursist die met goed gevolg het secundair onderwijs heeft beëindigd; |
| 15 | 13° eindtermen : minimumdoelen op het gebied van kennis, vaardigheden, inzicht en attitudes die de Vlaamse Gemeenschap noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde cursistenpopulatie; | 16 | 13° eindtermen : minimumdoelen op het gebied van kennis, vaardigheden, inzicht en attitudes die de Vlaamse Gemeenschap noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde cursistenpopulatie; |
| 16 | 14° evaluatiereglement : het onderdeel van het centrumreglement waarin de evaluatieprocedure en alle evaluatievoorwaarden vastgesteld worden; | 17 | 14° evaluatiereglement : het onderdeel van het centrumreglement waarin de evaluatieprocedure en alle evaluatievoorwaarden vastgesteld worden; |
| 17 | 14° bis examencommissie : de examencommissie zoals bedoeld in artikel 17sexies van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, artikel 19sexies van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden in het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 50 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs en artikel 128sexies; | 18 | 14° bis examencommissie : de examencommissie zoals bedoeld in artikel 17sexies van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, artikel 19sexies van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden in het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 50 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs en artikel 128sexies; |
| 19 | 14° ter financieringspunten : de punten om de financierbare of subsidieerbare vte of leraarsuren, punten en werkingsmiddelen van de centra te bepalen, ongewogen berekend tegen 80 % op basis van het aantal lesurencursist per ingeschreven module en tegen 20 % op basis van het aantal lesurencursist per geslaagde module en vervolgens gewogen met de puntengewichten en de kwalificatiebonus; | ||
| 18 | 15° fusie : de samenvoeging tot één centrum van twee of meer centra; | 20 | 15° fusie : de samenvoeging tot één centrum van twee of meer centra; |
| 19 | 16° gecombineerd onderwijs : een combinatie van contactonderwijs en afstandsonderwijs; | 21 | 16° gecombineerd onderwijs : een combinatie van contactonderwijs en afstandsonderwijs; |
| 20 | 16° bis gedetineerden : personen die ter uitvoering van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel verblijven in een Belgische gevangenis, personen die krachtens artikel 7 en 21 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten geïnterneerd zijn, personen die met toepassing van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, of van artikel 606 van het Wetboek van strafvordering, verblijven in een gesloten federaal centrum, voor zover de gevangenis, de instelling waarin de betrokkene is geïnterneerd of het gesloten federaal centrum hetzij gelegen is in het Nederlandse taalgebied of in Brussel-Hoofdstad, hetzij elders gelegen is en daarvoor een overeenkomst met de bevoegde overheid werd gesloten; | 22 | 16° bis gedetineerden : personen die ter uitvoering van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel verblijven in een Belgische gevangenis, personen die krachtens artikel 7 en 21 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten geïnterneerd zijn, personen die met toepassing van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, of van artikel 606 van het Wetboek van strafvordering, verblijven in een gesloten federaal centrum, voor zover de gevangenis, de instelling waarin de betrokkene is geïnterneerd of het gesloten federaal centrum hetzij gelegen is in het Nederlandse taalgebied of in Brussel-Hoofdstad, hetzij elders gelegen is en daarvoor een overeenkomst met de bevoegde overheid werd gesloten; |
| 21 | 17° hoofdvestigingsplaats : vestigingsplaats waar de administratieve zetel van een centrum is ondergebracht; | 23 | 17° hoofdvestigingsplaats : vestigingsplaats waar de administratieve zetel van een centrum is ondergebracht; |
| 22 | 18° inburgeraar : een natuurlijk persoon zoals vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 28 februari 2003 betreffende het Vlaamse inburgeringsbeleid; | 24 | 18° inburgeraar : een natuurlijk persoon als vermeld in artikel 2, eerste lid, 7°, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid; |
| 23 | 18° bis jaar : een kalenderjaar; | 25 | 18° bis jaar : een kalenderjaar; |
| 24 | 18° ter kwalificatieniveau : een onderverdeling van de kwalificatiestructuur gebaseerd op niveaudescriptoren vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur; | 26 | 18° ter kwalificatieniveau : een onderverdeling van de kwalificatiestructuur gebaseerd op niveaudescriptoren vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur; |
| 28 | 22° leerplan : plan waarin het centrumbestuur uitdrukkelijk de doelen voor zijn cursisten formuleert vanuit het eigen agogische project; | 30 | 22° leerplan : plan waarin het centrumbestuur uitdrukkelijk de doelen voor zijn cursisten formuleert vanuit het eigen agogische project; |
| 29 | 23° leertrajectbegeleiding : de begeleiding van een cursist tijdens het leerproces, waarbij het leertraject kan worden aangepast aan de behoeften van de cursist en waarbij de doorstroming naar vervolgopleidingen of werk wordt ondersteund; | 31 | 23° leertrajectbegeleiding : de begeleiding van een cursist tijdens het leerproces, waarbij het leertraject kan worden aangepast aan de behoeften van de cursist en waarbij de doorstroming naar vervolgopleidingen of werk wordt ondersteund; |
| 30 | 24° leraarsuren : het aantal lestijden voor een schooljaar aan een Centrum voor Volwassenenonderwijs toegekend om de financierbare of subsidieerbare personeelsformatie in de ambten van leraar secundair volwassenenonderwijs of een lector te bepalen; | 32 | 24° leraarsuren : het aantal lestijden voor een schooljaar aan een Centrum voor Volwassenenonderwijs toegekend om de financierbare of subsidieerbare personeelsformatie in de ambten van leraar secundair volwassenenonderwijs te bepalen; |
| 31 | 25° lesplaats : alle gebouwde of ongebouwde onroerende goederen die gevestigd zijn op eenzelfde kadastraal perceel of aaneensluitende percelen en die volledig of gedeeltelijk door personeelsleden van een centrum gebruikt worden voor onderwijsactiviteiten met uitzondering van stages en buitenschoolse activiteiten; | 33 | 25° lesplaats : alle gebouwde of ongebouwde onroerende goederen die gevestigd zijn op eenzelfde kadastraal perceel of aaneensluitende percelen en die volledig of gedeeltelijk door personeelsleden van een centrum gebruikt worden voor onderwijsactiviteiten met uitzondering van stages en buitenschoolse activiteiten; |
| 32 | 26° lestijd : een periode van zestig minuten als eenheid voor de duur van een onderwijsactiviteit georganiseerd door een Centrum voor Basiseducatie, een periode van vijftig minuten als eenheid voor de duur van een onderwijsactiviteit georganiseerd door een Centrum voor Volwassenenonderwijs; | 34 | 26° lestijd : een periode van zestig minuten als eenheid voor de duur van een onderwijsactiviteit georganiseerd door een Centrum voor Basiseducatie, een periode van vijftig minuten als eenheid voor de duur van een onderwijsactiviteit georganiseerd door een Centrum voor Volwassenenonderwijs; |
| 33 | 27° lesurencursist : het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal lestijden van een module met het aantal financierbare of subsidieerbare cursisten; | 35 | 27° lesurencursist : het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal lestijden van een module met het aantal financierbare of subsidieerbare cursisten; |
| 34 | 28° lokaal comité : het lokale overleg- of onderhandelingsorgaan dat bevoegd is op het vlak van arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden; | 36 | 28° lokaal comité : het lokale overleg- of onderhandelingsorgaan dat bevoegd is op het vlak van arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden; |
| 35 | 29° module: het kleinste te certificeren deel van een opleiding, met uitzondering van deze in het hoger beroepsonderwijs waar modules verder worden onderverdeeld in opleidingsonderdelen, dat overeenstemt met een bepaalde inhoud, omvang en een bepaald niveau; | 37 | 29° module: het kleinste te certificeren deel van een opleiding dat overeenstemt met een bepaalde inhoud, omvang en een bepaald niveau; |
| 36 | 29° bis onderwijsinspectie : de inspectie, zoals bedoeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, voor zover belast met taken op het gebied van het volwassenenonderwijs; | 38 | 29° bis onderwijsinspectie : de inspectie, zoals bedoeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, voor zover belast met taken op het gebied van het volwassenenonderwijs; |
| 37 | 30° openleercentrum : didactische term voor een speciaal uitgeruste ruimte in een centrum waar cursisten al dan niet onder begeleiding zelfstandig leren; | 39 | 30° openleercentrum : didactische term voor een speciaal uitgeruste ruimte in een centrum waar cursisten al dan niet onder begeleiding zelfstandig leren; |
| 46 | 38° schooljaar : de periode van 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende kalenderjaar; | 48 | 38° schooljaar : de periode van 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende kalenderjaar; |
| 47 | 39° specifieke eindtermen : doelen met betrekking tot de vaardigheden, de specifieke kennis, inzichten en attitudes waarover een cursist beschikt om vervolgonderwijs aan te vatten; | 49 | 39° specifieke eindtermen : doelen met betrekking tot de vaardigheden, de specifieke kennis, inzichten en attitudes waarover een cursist beschikt om vervolgonderwijs aan te vatten; |
| 48 | 40° structuuronderdeel : een studiegebied van het secundair volwassenenonderwijs, een opleiding van de basiseducatie, het hoger beroepsonderwijs, een specifieke lerarenopleiding of het geheel van het onderwijsaanbod georganiseerd in een vestigingsplaats van een centrum; | 50 | 40° structuuronderdeel : een studiegebied van het secundair volwassenenonderwijs, een opleiding van de basiseducatie of het geheel van het onderwijsaanbod georganiseerd in een vestigingsplaats van een centrum; |
| 49 | 41° studiegebied : een groep van inhoudelijk verwante opleidingen in het secundair volwassenenonderwijs of in het hoger beroepsonderwijs; | 51 | 41° studiegebied : een groep van inhoudelijk verwante opleidingen in het secundair volwassenenonderwijs; |
| 50 | 42° ... | 52 | 42° ... |
| 51 | 42° bis studieomvang : het aantal studiepunten toegekend aan een onderdeel of aan een opleiding; | ||
| 52 | 43° studiepunt : een binnen de Vlaamse Gemeenschap aanvaarde internationale eenheid die overeenstemt met ten minste 25 en ten hoogste 30 uren voorgeschreven onderwijs-, leer- en evaluatieactiviteiten en waarmee de studieomvang van elke opleiding of elk opleidingsonderdeel wordt uitgedrukt, als vermeld in artikel I.3, 67°, van de Codex Hoger Onderwijs; | ||
| 53 | 42° bis ...; | ||
| 54 | 43° ...; | ||
| 53 | 44° vestigingsplaats : alle lesplaatsen van een centrum gelegen op het grondgebied van dezelfde gemeente of van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad; | 55 | 44° vestigingsplaats : alle lesplaatsen van een centrum gelegen op het grondgebied van dezelfde gemeente of van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad; |
| 54 | 45° VTE : het aantal voltijdse equivalenten voor een schooljaar aan een Centrum voor Basiseducatie toegekend om de subsidieerbare personeelsformatie in het ambt van leraar te bepalen; | 56 | 45° VTE : het aantal voltijdse equivalenten voor een schooljaar aan een Centrum voor Basiseducatie toegekend om de subsidieerbare personeelsformatie in het ambt van leraar te bepalen; |
| 55 | 46° volwassenenonderwijs : onderwijs dat erkend en gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door de erkende Centra voor Volwassenenonderwijs en de erkende Centra voor Basiseducatie, vermeld in dit decreet; | 57 | 46° volwassenenonderwijs : onderwijs dat erkend en gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door de erkende Centra voor Volwassenenonderwijs en de erkende Centra voor Basiseducatie, vermeld in dit decreet; |
| 56 | 47° werkingsgebied: de geografische omschrijving van aan elkaar grenzende gemeenten waarover het centrum voor basiseducatie zich uitstrekt en waarbinnen het centrum voor volwassenenonderwijs een hoofdvestigingsplaats aanwijst; | 58 | 47° werkingsgebied: de geografische omschrijving van aan elkaar grenzende gemeenten waarover het centrum voor basiseducatie zich uitstrekt en waarbinnen het centrum voor volwassenenonderwijs een hoofdvestigingsplaats aanwijst; |
| 59 | 47° bis werkzoekende : de werkzoekende waarvan de opleiding kadert in een traject naar werk of een gepast opleidingsaanbod vastgesteld door VDAB; | ||
| 57 | 48° wettig verblijf : de situatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is om in het Rijk te verblijven of die gemachtigd is er zich te vestigen, of die volgens een geldig document in het Rijk mag verblijven, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. | 60 | 48° wettig verblijf : de situatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is om in het Rijk te verblijven of die gemachtigd is er zich te vestigen, of die volgens een geldig document in het Rijk mag verblijven, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. |
| 1 | In afwijking van de artikelen 31, 32 en 35 en overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de Huizen van het Nederlands, berust de uitsluitende bevoegdheid voor de organisatie en coördinatie van de intake, testing en doorverwijzing van cursisten die niet beschikken over een studiebewijs Nederlands tweede taal bij de Huizen van het Nederlands. | 1 | In afwijking van de artikelen 31, 32 en 35 en overeenkomstig artikel 46/1 van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid, berust de uitsluitende bevoegdheid voor de organisatie en coördinatie van de intake, testing en doorverwijzing van cursisten die niet beschikken over een studiebewijs Nederlands tweede taal bij de volgende instanties : |
| 2 | 1° het Agentschap Integratie en Inburgering, vermeld in artikel 17, § 2, 7°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie; | ||
| 3 | 2° het gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap Integratie en Inburgering Antwerpen vzw; | ||
| 4 | 3° het gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap Integratie en Inburgering Gent vzw; | ||
| 5 | 4° het Huis van het Nederlands Brussel vzw. | ||
| 2 | Als de centra deze uitsluitende bevoegdheid van de Huizen van het Nederlands niet aanvaarden en de afspraken hierover niet naleven, worden de cursisten van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal en de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4, die vóór de inschrijving niet beschikten over een studiebewijs Nederlands tweede taal, niet als financierbare of subsidieerbare cursist beschouwd. | 6 | Als de centra deze uitsluitende bevoegdheid van de instanties vermeld in het eerste lid niet aanvaarden en de afspraken hierover niet naleven, worden de cursisten van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal en de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4, die vóór de inschrijving niet beschikten over een studiebewijs Nederlands tweede taal, niet als financierbare of subsidieerbare cursist beschouwd. |
| 3 | De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de bevoegde administratie hiertoe de nodige vaststellingen kan doen en waarop ze cursisten kan schrappen als financierbare of subsidieerbare cursist. | 7 | De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de bevoegde administratie hiertoe de nodige vaststellingen kan doen en waarop ze cursisten kan schrappen als financierbare of subsidieerbare cursist. |
| 8 | De cursisten die behoren tot de volgende doelgroepen worden bij voorrang ingeschreven voor een opleiding die behoort tot het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal of de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. | 8 | De cursisten die behoren tot de volgende doelgroepen worden bij voorrang ingeschreven voor een opleiding die behoort tot het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal of de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. |
| 9 | Het gaat om de doelgroepen : | 9 | Het gaat om de doelgroepen : |
| 10 | 1° vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 28 februari 2003 betreffende het Vlaamse inburgeringsbeleid, die een inburgeringscontract hebben ondertekend, bedoeld in artikel 2, 9°, van hetzelfde decreet; | 10 | 1° vermeld in artikel 26, § 1, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid, die een inburgeringscontract hebben ondertekend, vermeld in artikel 2, eerste lid, 10°, van hetzelfde decreet; |
| 11 | 2° vermeld in artikel 3 van het decreet van 4 juni 2003 betreffende het inwerkingsbeleid; | 11 | 2° vermeld in artikel 3 van het decreet van 4 juni 2003 betreffende het inwerkingsbeleid; |
| 12 | 3° die de bereidheid om Nederlands leren moeten tonen zoals bedoeld in het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode. | 12 | 3° die de bereidheid om Nederlands leren moeten tonen zoals bedoeld in het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode. |
| 1 | Om voor subsidiëring van het schooljaar n/n+1 in aanmerking te komen, moet een Centrum voor Basiseducatie voldoen aan al de volgende voorwaarden : | 1 | Om voor subsidiëring van het schooljaar n/n+1 in aanmerking te komen, moet een Centrum voor Basiseducatie voldoen aan al de volgende voorwaarden : |
| 2 | 1° het Centrum voor Basiseducatie is erkend overeenkomstig de bepalingen, vermeld in artikelen 56 en 58; | 2 | 1° het Centrum voor Basiseducatie is erkend overeenkomstig de bepalingen, vermeld in artikelen 56 en 58; |
| 3 | 2° het Centrum voor Basiseducatie behaalt tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot 31 maart nten minste 60 000 lesurencursist; | 3 | 2° het Centrum voor Basiseducatie behaalt tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 ten minste 60 000 lesurencursist; |
| 4 | 3° ...; | 4 | 3° ...; |
| 5 | 4° het Centrum voor Basiseducatie spreidt de uitoefening van de toegekende bevoegdheden, vermeld in artikel 62, evenals de organisatie van wervingsactiviteiten, over de totaliteit van het werkingsgebied, rekening houdende met de demografische kenmerken van het werkingsgebied; | 5 | 4° het Centrum voor Basiseducatie spreidt de uitoefening van de toegekende bevoegdheden, vermeld in artikel 62, evenals de organisatie van wervingsactiviteiten, over de totaliteit van het werkingsgebied, rekening houdende met de demografische kenmerken van het werkingsgebied; |
| 1 | Als een Centrum voor Basiseducatie in de referteperiode van 1 april n-1 tot 31 maart nniet langer voldoet aan een van de voorwaarden, vermeld in artikel 82, wordt de subsidiëring van het centrum afgebouwd tot nul vanaf het jaar n. | 1 | Als een centrum voor basiseducatie in de referteperiode van 1 januari n-2 tot en met 31 december n-1 niet langer voldoet aan een van de voorwaarden, vermeld in artikel 82, wordt de subsidiëring van het centrum afgebouwd tot nul vanaf het jaar n. |
| 2 | Elk centrum dat de rationalisatienorm gedurende twee opeenvolgende referteperiodes niet bereikt heeft, moet op 1 september van het daaropvolgende schooljaar : | ||
| 3 | 1° hetzij fusioneren met een ander centrum; | ||
| 2 | De cursisten, ingeschreven in het Centrum voor Basiseducatie op het ogenblik dat beslist wordt tot afbouw, moeten de aangevatte opleiding volledig en binnen een normaal tijdsbestek kunnen beëindigen. Met een normaal tijdbestek wordt bedoeld zonder onderbreking en zonder herhaling van een module. De afbouw tot nul moet gerealiseerd worden binnen een periode van drie schooljaren. | 4 | 2° hetzij overgaan tot geleidelijke afbouw waarbij de cursisten, ingeschreven in het centrum voor basiseducatie op het moment dat beslist wordt tot afbouw, de aangevatte opleiding volledig en binnen een normaal tijdsbestek moeten kunnen beëindigen. Met een normaal tijdsbestek wordt bedoeld zonder onderbreking en zonder herhaling van een module. De afbouw tot nul moet gerealiseerd worden binnen een periode van drie schooljaren. |
| 3 | Op verzoek van het betrokken centrumbestuur kan de Vlaamse Regering, na advies van de Vlaamse Onderwijsraad, voor een Centrum voor Basiseducatie een afwijking toestaan op de rationalisatienorm. De Vlaamse Regering bepaalt de periode waarvoor de afwijking geldt. Het centrumbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 15 april van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag aan de bevoegde administratie. |
| 1 | § 1. Het erkende Centrum voor Basiseducatie dat wil gesubsidieerd worden, moet hiertoe een dossier indienen bij de bevoegde administratie waaruit blijkt dat het centrum voldoet aan de bepalingen, vermeld in artikel 82. De Vlaamse Regering kent op basis van het aanvraagdossier de subsidiëring toe na een gunstig advies van de inspectie. | 1 | § 1. Het erkende Centrum voor Basiseducatie dat wil gesubsidieerd worden, moet hiertoe een dossier indienen bij de bevoegde administratie waaruit blijkt dat het centrum voldoet aan de bepalingen, vermeld in artikel 82. De Vlaamse Regering kent op basis van het aanvraagdossier de subsidiëring toe na een gunstig advies van de inspectie. |
| 2 | § 2. Een erkend Centrum voor Basiseducatie kan enkel een aanvraag tot subsidiëring indienen, als er in het werkingsgebied, vermeld in bijlage IV van dit decreet, geen Centrum voor Basiseducatie door de Vlaamse Regering gesubsidieerd wordt. | 2 | § 2. Een erkend Centrum voor Basiseducatie kan enkel een aanvraag tot subsidiëring indienen, als er in het werkingsgebied, vermeld in bijlage IV van dit decreet, geen Centrum voor Basiseducatie door de Vlaamse Regering gesubsidieerd wordt. |
| 3 | § 3. Als voor hetzelfde werkingsgebied meerdere aanvragen tot subsidiëring van een Centrum voor Basiseducatie voor het schooljaar n/n+1 een gunstig advies van de inspectie verkregen hebben, kent de Vlaamse Regering de subsidiëring toe aan de aanvrager die in de referteperiode van 1 april n-1 tot 31 maart nmet VTE het grootste volume aan lesurencursist gerealiseerd heeft. | 3 | § 3. Als voor hetzelfde werkingsgebied meerdere aanvragen tot subsidiëring van een Centrum voor Basiseducatie voor het schooljaar n/n+1 een gunstig advies van de inspectie verkregen hebben, kent de Vlaamse Regering de subsidiëring toe aan de aanvrager die in de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 met VTE het grootste volume aan lesurencursist gerealiseerd heeft. |
| 4 | § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden voor de procedure tot toekenning van subsidiëring aan een Centrum voor Basiseducatie. | 4 | § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden voor de procedure tot toekenning van subsidiëring aan een Centrum voor Basiseducatie. |
| 1 | § 1. Elk Centrum voor Basiseducatie heeft recht op VTE voor het aanwerven van personeelsleden in het ambt van leraar. | 1 | § 1. Elk centrum voor basiseducatie heeft recht op vte voor het aanwerven van personeelsleden in het ambt van leraar. |
| 2 | § 2. Het aantal door de Vlaamse Gemeenschap VTE waarop een Centrum voor Basiseducatie vanaf 1 september 2009 recht heeft per leergebied, wordt berekend volgens de formule : | ||
| 3 | LUC,/d.N | ||
| 4 | waarbij : | ||
| 5 | 1° LUC = het aantal lesurencursist voor de referteperiode van 1 februari van het jaar n-1 tot en met 31 januari van het jaar n voor het toekennen van de VTE voor het schooljaar n/n+1; | ||
| 6 | 2° d = de delers voor de in artikel 6 vermelde leergebieden; | ||
| 7 | 3° N = 667. | ||
| 8 | De waarde van deler d is : | ||
| 9 | 1° 6 voor de leergebieden Nederlands en wiskunde; | ||
| 2 | Voor de berekening van het aantal vte waarop een centrum voor basiseducatie vanaf 1 september 2020 jaarlijks recht heeft, wordt het totale beschikbare volume aan vte voor de basiseducatie uitgedrukt in financieringspunten. Het totale aantal financieringspunten is de som van het aantal gewogen financieringspunten van alle centra voor basiseducatie. Elk centrum heeft op 1 september n recht op hetzelfde aandeel aan vte als het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari n-3 tot en met 31 december n-1 volgens de berekeningsformules, vermeld in paragraaf 2, heeft bereikt. | ||
| 3 | De som van het aantal vte wordt afgerond tot twee cijfers na de komma. Indien het derde cijfer na de komma 5 of meer is, wordt er afgerond naar het hogere honderdste. Indien het derde cijfer na de komma lager is dan 5, wordt er afgerond naar het lagere honderdste. | ||
| 4 | § 2. Het totale aantal financieringspunten voor de vte per centrum is de som van het aantal gewogen financieringspunten waarbij 90 % gewogen wordt op centrumkenmerken en opleidingskenmerken en 10 % op cursistenkenmerken en vermeerderd met de kwalificatiebonus voor de opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal. | ||
| 5 | Voor de 90 %-weging op centrumkenmerken en opleidingskenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (kg) * (bd) * (pi), waarbij : | ||
| 6 | 1° FP = het ongewogen financieringspunt; | ||
| 7 | 2° kg = de coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte; | ||
| 8 | 3° bd = de coëfficiënt voor de bevolkingsdichtheid per vestigingsplaats vastgesteld op 31 december n-1; | ||
| 9 | 4° pi = de coëfficiënt voor het aanbod in een penitentiaire inrichting. | ||
| 10 | De coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte is : | ||
| 11 | 1° 1 voor het leergebied talen; | ||
| 10 | 2° 8 voor de leergebieden maatschappij oriëntatie en alfabetisering Nederlands tweede taal; | 12 | 2° 1,2 voor de leergebieden informatie- en communicatietechnologie en Nederlands tweede taal; |
| 11 | 3° 10 voor de leergebieden informatie- en communicatietechnologie en Nederlands tweede taal; | 13 | 3° 1,5 voor de leergebieden maatschappijoriëntatie en alfabetisering tweede taal; |
| 12 | 4° 12 voor het leergebied talen. | ||
| 13 | Het aldus verkregen aantal VTE wordt verhoogd met 10 percent voor de subsidiëring van de educatieve activiteiten, vermeld in artikel 62, § 1, 2°, en § 2, 2°, en 3°. | ||
| 14 | De som van het aantal VTE overeenkomstig het eerste en het tweede lid wordt afgerond tot twee cijfers na de komma. Indien het derde cijfer na de komma 5 of meer is, wordt er afgerond naar het hogere honderdste. Indien het derde cijfer na de komma lager is dan 5, wordt er afgerond naar het lagere honderdste. | ||
| 14 | 4° 2 voor de leergebieden Nederlands en wiskunde. | ||
| 15 | De coëfficiënt voor de bevolkingsdichtheid per vestigingsplaats is : | ||
| 16 | 1° 1 voor lesplaatsen van een vestigingsplaats met meer dan 300 inwoners per km² en voor lesplaatsen in een penitentiaire inrichting; | ||
| 17 | 2° 1,10 voor lesplaatsen die buiten een penitentiaire inrichting gelegen zijn in een vestigingsplaats met 300 of minder inwoners per km². | ||
| 18 | De coëfficiënt voor het aanbod in een penitentiaire inrichting is 1,40. | ||
| 19 | Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij : | ||
| 20 | 1° FP = ongewogen financieringspunt; | ||
| 21 | 2° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs; | ||
| 22 | 3° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist. | ||
| 23 | De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs is 2,50. | ||
| 24 | De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50. | ||
| 25 | De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat. | ||
| 15 | § 3. In afwijking van § 1 kan een Centrum voor Basiseducatie voor alle opleidingen toegekende VTE aanwenden voor de aanwerving van voordrachtgevers ten bedrage van maximaal 5 procent van het voor het Centrum voor Basiseducatie beschikbare aantal VTE. | 26 | § 3. In afwijking van § 1 kan een Centrum voor Basiseducatie voor alle opleidingen toegekende VTE aanwenden voor de aanwerving van voordrachtgevers ten bedrage van maximaal 5 procent van het voor het Centrum voor Basiseducatie beschikbare aantal VTE. |
| 16 | Een voordrachtgever is een persoon die geen deel uitmaakt van het centrumbestuur of van het personeel van het centrum en die, hetzij in eigen naam hetzij in dienst van een organisatie of onderneming en in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma, voor cursisten voordrachten geeft vanuit zijn of haar deskundigheid en ervaring in de arbeidsmarkt en bedrijfswereld. | 27 | Een voordrachtgever is een persoon die geen deel uitmaakt van het centrumbestuur of van het personeel van het centrum en die, hetzij in eigen naam hetzij in dienst van een organisatie of onderneming en in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma, voor cursisten voordrachten geeft vanuit zijn of haar deskundigheid en ervaring in de arbeidsmarkt en bedrijfswereld. |
| 17 | De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding van de aanwerving van voordrachtgevers aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen, de grootte van het krediet per VTE dat wordt omgezet en de wijze van toekenning ervan. | 28 | De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding van de aanwerving van voordrachtgevers aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen, de grootte van het krediet per VTE dat wordt omgezet en de wijze van toekenning ervan. |
| 18 | Over de aanwending van VTE voor de aanwerving van voordrachtgevers en over de vergoeding van die voordrachtgevers moet een voorafgaandelijk akkoord bereikt worden in het lokale comité. | 29 | Over de aanwending van VTE voor de aanwerving van voordrachtgevers en over de vergoeding van die voordrachtgevers moet een voorafgaandelijk akkoord bereikt worden in het lokale comité. |
| 19 | § 4. Het volume aan lesurencursist gegenereerd in gecombineerd onderwijs wordt met een factor 1,2 vermenigvuldigd indien het gecombineerd onderwijs voldoet aan de bepalingen van artikel 28 en minimaal 25 percent aan afstandsonderwijs omvat. | ||
| 20 | Een Centrum voor Basiseducatie kan de extra vte gegenereerd door de vermenigvuldiging van het volume aan lesurencursist met factor 1,2 enkel aanwenden voor de organisatie, de uitbouw, de ondersteuning en de ontwikkeling van gecombineerd onderwijs. | ||
| 21 | De Vlaamse Regering bepaalt hiertoe de procedure. | ||
| 30 | § 4. .... |
| 1 | § 1. Elk centrum voor basiseducatie heeft recht op één voltijds ambt van directeur. | 1 | § 1. Elk centrum voor basiseducatie heeft recht op één voltijds ambt van directeur. |
| 2 | Elk centrum is verplicht een directeur aan te stellen. | 2 | Elk centrum is verplicht een directeur aan te stellen. |
| 3 | § 2. Naast de VTE vermeld in artikel 85, heeft elk Centrum voor Basiseducatie recht op een puntenenveloppe voor het aanwerven van personeelsleden in de ambten voor de ondersteuning van haar werking. Deze puntenenveloppe wordt berekend op basis van het aantal lesurencursist voor de referteperiode van 1 februari van het jaar n-1 tot en met 31 januari van het jaar n voor het toekennen van de VTE voor het schooljaar n/n+1 . De Vlaamse Regering bepaalt het aantal lesurencursist per toe te kennen punt. | 3 | § 2. Naast de vte, vermeld in artikel 85, heeft elk centrum voor basiseducatie recht op een puntenenveloppe voor het aanwerven van personeelsleden in de ambten voor de ondersteuning van zijn werking. Voor de berekening van de puntenenveloppe waarop een centrum voor basiseducatie vanaf 1 september 2020 jaarlijks recht heeft, wordt het totale beschikbare volume aan punten voor de basiseducatie uitgedrukt in financieringspunten. Het totale aantal financieringspunten is de som van het aantal gewogen financieringspunten van alle centra voor basiseducatie. Elk centrum heeft op 1 september n recht op hetzelfde aandeel aan punten als het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari n-3 tot en met 31 december n-1 volgens de berekeningsformules, vermeld in paragraaf 2bis, heeft bereikt. |
| 4 | § 2bis. Het totale aantal financieringspunten voor de punten per centrum is de som van het aantal gewogen financieringspunten, waarbij 90 % gewogen wordt op centrumkenmerken en opleidingskenmerken en 10 % op cursistenkenmerken en vermeerderd met de kwalificatiebonus voor de opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal. | ||
| 5 | Voor de 90 %-weging op centrumkenmerken en opleidingskenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (kg) * (bd) * (pi), waarbij : | ||
| 6 | 1° FP = het ongewogen financieringspunt; | ||
| 7 | 2° kg = de coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte; | ||
| 8 | 3° bd = de coëfficiënt voor de bevolkingsdichtheid per vestigingsplaats vastgesteld op 31 december n-1; | ||
| 9 | 4° pi = de coëfficiënt voor het aanbod in een penitentiaire inrichting. | ||
| 10 | De coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte is : | ||
| 11 | 1° 1 voor het leergebied talen; | ||
| 12 | 2° 1,2 voor de leergebieden informatie- en communicatietechnologie en Nederlands tweede taal; | ||
| 13 | 3° 1,5 voor de leergebieden maatschappijoriëntatie en alfabetisering tweede taal; | ||
| 14 | 4° 2 voor de leergebieden Nederlands en wiskunde. | ||
| 15 | De coëfficiënt voor de bevolkingsdichtheid per vestigingsplaats is : | ||
| 16 | 1° 1 voor lesplaatsen van een vestigingsplaats met meer dan 300 inwoners per km² en voor lesplaatsen in een penitentiaire inrichting; | ||
| 17 | 2° 1,10 voor lesplaatsen die buiten een penitentiaire inrichting gelegen zijn in een vestigingsplaats met 300 of minder inwoners per km². | ||
| 18 | De coëfficiënt voor het aanbod in een penitentiaire inrichting is 1,40. | ||
| 19 | Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij : | ||
| 20 | 1° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs; | ||
| 21 | 2° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist. | ||
| 22 | De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs is 2,50. | ||
| 23 | De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50. | ||
| 24 | De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat. | ||
| 25 | § 2ter. Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden jaarlijks 3826 aanvullende punten aan de centra voor basiseducatie toegekend voor het extra tewerkstellingsbeleid. | ||
| 26 | De Vlaamse Regering kan vanwege de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar afwijken van het totale volume te verdelen aanvullende punten, vermeld in het eerste lid. | ||
| 27 | Elk centrum voor basiseducatie heeft vanaf 1 september 2019 recht op hetzelfde aandeel aan aanvullende punten als het aandeel aan punten waarop het centrum volgens de berekening van paragraaf 1 recht heeft volgens de berekening, vermeld in paragraaf 2bis. | ||
| 28 | Het personeelslid dat met deze aanvullende punten wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. | ||
| 4 | § 3. De oprichting van ambten, vermeld in § 2, is gebaseerd op een puntensysteem, waarbij aan elk ambt een aantal punten wordt gekoppeld. Dat aantal punten wordt bepaald op basis van de salarisschaal van het personeelslid dat het ambt uitoefent. | 29 | § 3. De oprichting van ambten, vermeld in § 2, is gebaseerd op een puntensysteem, waarbij aan elk ambt een aantal punten wordt gekoppeld. Dat aantal punten wordt bepaald op basis van de salarisschaal van het personeelslid dat het ambt uitoefent. |
| 5 | De Vlaamse Regering legt voor elk ambt de puntenwaarde vast volgens de salarisschaal. | 30 | De Vlaamse Regering legt voor elk ambt de puntenwaarde vast volgens de salarisschaal. |
| 1 | De Centra voor Basiseducatie ontvangen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n/n+1 een werkingstoelage per lesuurcursist, gerealiseerd tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot 31 maart n. De Vlaamse Regering bepaalt de werkingstoelage per lesuurcursist. | 1 | De centra voor basiseducatie ontvangen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n-1/n een werkingstoelage per lesuurcursist, berekend op basis van het gemiddelde aantal gerealiseerde lesurencursist van de referteperiodes van 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2. De Vlaamse Regering bepaalt de werkingstoelage per lesuurcursist. |
| 2 | De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2010. De eerste schijf is een voorschot en wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar. Het voorschot bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum het voorgaande begrotingsjaar recht had. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar. | 2 | De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar. De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n-1/n recht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar. |
| 3 | Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 1 | De Vlaamse Regering bepaalt voor de Centra voor Basiseducatie jaarlijks het percentage waarmee het totale volume aan VTE zoals bedoeld in artikel 85, aan punten voor de oprichting van ambten bedoeld in artikel 87 en aan werkingstoelage zoals bedoeld in artikel 89, maximaal kan toenemen. | ||
| 2 | De groei zoals bedoeld in voorgaand lid bedraagt voor alle Centra voor Basiseducatie samen maximaal 822.394,36 euro in het begrotingsjaar 2008 en maximaal 862.461,44 euro in het begrotingsjaar 2009. De hier vernoemde bedragen zijn gebaseerd op de prijsindex van mei 2006. | ||
| 1 | Het totale volume te verdelen vte en punten voor alle leergebieden volgt de evolutie van het totale aantal gewogen financieringspunten met het reële groeipercentage ten opzichte van het vorige referentiepunt. | ||
| 2 | Het eerste referentiepunt is gelijk aan het aantal gewogen financieringspunten in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. Bij elke daling of stijging van het aantal gewogen financieringspunten wordt er een nieuw referentiepunt vastgelegd dat gelijk is aan het vorige referentiepunt plus of min het groeipercentage. | ||
| 3 | De Vlaamse Regering kan omwille van de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar per leergebied een ander groeipercentage dan vermeld in het eerste lid vastleggen. |
| 1 | § 1. Voor de berekening van het aantal lesurencursist komen enkel cursisten in aanmerking die : | 1 | § 1. Voor de berekening van het aantal financieringspunten komen enkel cursisten in aanmerking die : |
| 2 | 1° ingeschreven zijn vóór een derde van het minimum aantal lestijden van een module voorbij is, dat volgens het opleidingsprofiel , vermeld in artikel 24, georganiseerd moet worden; | 2 | 1° ingeschreven zijn vóór een derde van het minimum aantal lestijden van een module voorbij is, dat volgens het opleidingsprofiel , vermeld in artikel 24, georganiseerd moet worden; |
| 3 | 2° regelmatig aan het geheel van de vorming geparticipeerd hebben vanaf het moment van inschrijving tot het moment dat één derde van het minimum aantal lestijden van de module voorbij is. | ||
| 4 | Indien de afwezigheid van een cursist tot het moment dat één derde van het minimum aantal lestijden van de module voorbij is meer dan 30 percent bedraagt maar slechts één dag betreft, komt deze cursist in aanmerking voor de berekening van het aantal lesurencursist. | ||
| 3 | 2° ... | ||
| 5 | § 2. Cursisten die onderwijs volgen in een Centrum voor Basiseducatie dat niet door de Vlaamse Gemeenschap wordt erkend of gesubsidieerd, komen niet in aanmerking voor de berekening van het aantal lesurencursist. | 4 | § 2. Cursisten die onderwijs volgen in een Centrum voor Basiseducatie dat niet door de Vlaamse Gemeenschap wordt erkend of gesubsidieerd, komen niet in aanmerking voor de berekening van het aantal financieringspunten. |
| 6 | § 3. In afwijking van § 1 komen voor de berekening van het aantal lesurencursist in het gecombineerd onderwijs enkel cursisten in aanmerking die : | ||
| 7 | 1° ingeschreven zijn vóór één derde van het minimum aantal lestijden van een module voorbij is, dat volgens het opleidingsprofiel vermeld in artikel 24, georganiseerd moet worden; | ||
| 8 | 2° aantoonbaar participeren aan de opleiding. | ||
| 5 | § 3. ... |
| 1 | In 2012 wordt door de Vlaamse Regering in overleg met de Centra voor Basiseducatie de subsidiëring geëvalueerd en de resultaten van die evaluatie worden aan het Vlaams Parlement meegedeeld. | ||
| 2 | In afwijking van het eerste lid organiseert de Vlaamse Regering in 2009 een tussentijdse evaluatie van de subsidiëring van de Centra voor Basiseducatie. De Vlaamse Regering bepaalt hiertoe de nadere modaliteiten. |
| 1 | § 1. Een erkend Centrum voor Volwassenenonderwijs komt voor de financiering of subsidiëring voor het schooljaar n/n+1 in aanmerking wanneer het Centrum voor Volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n ten minste 120.000 lesurencursist heeft behaald. | 1 | § 1. Een erkend centrum voor volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor de studiegebieden als vermeld in artikel 7 komt voor de financiering of subsidiëring voor het schooljaar n/n+1 in aanmerking wanneer het centrum voor volwassenenonderwijs aan één van de volgende voorwaarden voldoet : |
| 2 | § 2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, komt een erkend Centrum voor Volwassenenonderwijs in aanmerking voor de financiering of subsidiëring van de opleidingen uit de studiegebieden, vermeld in artikel 8, als op het moment van toetreding tot het samenwerkingsverband zoals vermeld in artikel 4 en artikel 50, § 1, van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, tijdens de referteperiode voorafgaand aan die toetreding, voor die opleidingen samen ten minste 60.000 lesurencursist heeft behaald. | ||
| 2 | 1° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van meer dan 300 inwoners per km² wordt in aanmerking genomen, heeft tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 ten minste 700.000 lesurencursist in het secundair volwassenenonderwijs behaald, waarbij de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n naar een ander centrum, niet meegerekend zijn; | ||
| 3 | 2° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van meer dan 300 inwoners per km² wordt in aanmerking genomen, heeft op 1 september n ten minste de som van 700.000 lesurencursist in het secundair volwassenenonderwijs bereikt, waarvan een deel de lesurencursist zijn die door het centrum tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 zijn behaald en een deel de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n; | ||
| 4 | 3° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van 300 of minder inwoners per km² wordt in aanmerking genomen, heeft tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 ten minste 360.000 lesurencursist in het secundair volwassenenonderwijs behaald, waarbij de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n naar een ander centrum, niet meegerekend zijn; | ||
| 5 | 4° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van 300 of minder inwoners per km² wordt in aanmerking genomen, heeft op 1 september n ten minste de som van 360.000 lesurencursist in het secundair volwassenenonderwijs bereikt, waarvan een deel de lesurencursist zijn die door het centrum tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 zijn behaald en een deel de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n; | ||
| 6 | 5° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats op 1 januari 2017 in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of in de rand- en taalgrensgemeenten of in de voormalige mijngemeente Beringen, Genk, Houthalen-Helchteren, Heusden-Zolder en Maasmechelen ligt, heeft tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 ten minste 525.000 lesurencursist behaald, waarbij de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n naar een ander centrum, niet meegerekend zijn; | ||
| 7 | 6° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats op 1 januari 2017 in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of in de rand- en taalgrensgemeenten of in de voormalige mijngemeente Beringen, Genk, Houthalen-Helchteren, Heusden-Zolder en Maasmechelen ligt, heeft op 1 september n ten minste de som van 525.000 in het secundair volwassenenonderwijs bereikt, waarvan een deel de lesurencursist zijn die door het centrum tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 zijn behaald en een deel de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n; | ||
| 8 | 7° het centrum voor volwassenenonderwijs heeft onderwijsbevoegdheid voor maximaal één studiegebied als vermeld in artikel 7 en heeft tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 ten minste 200.000 lesurencursist in dit studiegebied behaald; | ||
| 9 | 8° het centrum voor volwassenenonderwijs heeft onderwijsbevoegdheid voor maximaal één studiegebied als vermeld in artikel 7 en heeft op 1 september n ten minste de som van 200.000 lesurencursist bereikt, waarvan een deel de lesurencursist zijn die door het centrum tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 in dit studiegebied zijn behaald en een deel de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n; | ||
| 10 | 9° het centrum voor volwassenenonderwijs heeft onderwijsbevoegdheid voor maximaal twee studiegebieden als vermeld in artikel 7, waarvan één studiegebied waarvoor op 1 februari 2017 geen enkel ander centrum voor volwassenenonderwijs onderwijsbevoegdheid heeft, en heeft tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 ten minste 200.000 lesurencursist in één van deze studiegebieden behaald. | ||
| 3 | § 3. In afwijking van paragraaf 1 komt een Centrum voor Volwassenenonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, of in de rand- en taalgrensgemeenten ligt, in aanmerking voor financiering of subsidiëring voor het schooljaar n/n+1 op voorwaarde dat het Centrum voor Volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart nten minste 60.000 lesurencursist heeft behaald. | 11 | Een erkend centrum voor volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor uitsluitend de studiegebieden, vermeld in artikel 8, en/of uitsluitend de specifieke lerarenopleiding komt voor de financiering of subsidiëring voor het schooljaar n/n+1 in aanmerking wanneer het centrum voor volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 ten minste 120.000 lesurencursist heeft behaald.. |
| 12 | § 2. .... | ||
| 13 | § 3. .... | ||
| 4 | § 4. ... | 14 | § 4. .... |
| 5 | § 5. Een Centrum voor Volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs dat erkend is via de procedure, vermeld in artikel 61, § 2, komt alleen in aanmerking voor financiering of subsidiëring als hettijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n ten minste 360.000 lesurencursist heeft behaald. | 15 | § 5. Een Centrum voor Volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs dat erkend is via de procedure, vermeld in artikel 61, § 2, komt alleen in aanmerking voor financiering of subsidiëring wanneer het aan één van de volgende voorwaarden voldoet : |
| 16 | 1° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van meer dan 300 inwoners per km² wordt in aanmerking genomen, heeft tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 ten minste 850.000 lesurencursist behaald; | ||
| 17 | 2° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van 300 of minder inwoners per km² wordt in aanmerking genomen, heeft tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 ten minste 360.000 lesurencursist behaald. | ||
| 6 | § 6. Als in de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart nniet langer voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, 3 en 4, wordt de financiering of de subsidiëring van het structuuronderdeel of de structuuronderdelen in kwestie, zoals vermeld in paragraaf 1, van het Centrum voor Volwassenenonderwijs in kwestie afgebouwd tot nul vanaf het jaar n. | 18 | § 6. Als in de referteperiodes van 1 januari n-2 tot en met 31 december n-1 niet langer voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, wordt de financiering of de subsidiëring van het structuuronderdeel of de structuuronderdelen in kwestie, zoals vermeld in paragraaf 1, van het centrum voor volwassenenonderwijs in kwestie afgebouwd tot nul vanaf het jaar n. |
| 19 | Elk centrum dat de rationalisatienorm gedurende twee opeenvolgende referteperiodes niet bereikt heeft, moet op 1 september van het daaropvolgende schooljaar : | ||
| 20 | 1° hetzij fusioneren met een andere centrum; | ||
| 7 | De cursisten, ingeschreven in het Centrum voor Volwassenenonderwijs op het ogenblik dat beslist wordt tot afbouw, moeten de aangevatte opleiding volledig en binnen een normaal tijdsbestek kunnen beëindigen. Met een normaal tijdsbestek wordt bedoeld zonder onderbreking en zonder herhaling van een module. De afbouw tot nul moet gerealiseerd worden binnen een periode van drie schooljaren. | 21 | 2° hetzij overgaan tot geleidelijke afbouw waarbij de cursisten, ingeschreven in het centrum voor volwassenenonderwijs op het moment dat beslist wordt tot afbouw, de aangevatte opleiding volledig en binnen een normaal tijdsbestek moeten kunnen beëindigen. Met een normaal tijdsbestek wordt bedoeld zonder onderbreking en zonder herhaling van een module. De afbouw tot nul moet gerealiseerd worden binnen een periode van drie schooljaren. |
| 8 | Op verzoek van het betrokken centrumbestuur kan de Vlaamse Regering, na advies van de Vlaamse Onderwijsraad, voor een Centrum voor Volwassenenonderwijs een afwijking toestaan op de rationalisatienorm. De Vlaamse Regering bepaalt de periode waarvoor de afwijking geldt. Het centrumbestuur stuurt daarvoor uiterlijk op 15 april van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag aan de bevoegde administratie. | ||
| 9 | § 7. Indien op het moment van de toetreding tot een samenwerkingsverband een Centrum voor Volwassenenonderwijs niet langer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, wordt de financiering of de subsidiëring van het structuuronderdeel hoger beroepsonderwijs van het Centrum voor Volwassenenonderwijs in kwestie afgebouwd tot nul vanaf het daaropvolgende schooljaar. | ||
| 10 | De cursisten, ingeschreven in het Centrum voor Volwassenenonderwijs op het ogenblik dat beslist wordt tot afbouw, zoals vermeld in het eerste lid, moeten de aangevatte opleiding volledig en binnen een normaal tijdsbestek kunnen beëindigen. Met een normaal tijdsbestek wordt bedoeld zonder onderbreking en zonder herhaling van een module. De afbouw tot nul moet gerealiseerd worden binnen een periode van drie schooljaren. | ||
| 11 | Op verzoek van het betrokken Centrum voor Volwassenonderwijs kan de Vlaamse Regering, een afwijking toestaan op de norm vermeld in paragraaf 2. Om van deze afwijking gebruik te kunnen maken moet het Centrum voor Volwassenenonderwijs voor alle opleidingen van het structuuronderdeel hoger beroepsonderwijs die het centrum organiseert bij toetreding tot het samenwerkingsverband, de in paragraaf 2 vermelde norm wel behaald hebben in de referteperiode 2011-2012 of 2012-2013 en moet het centrum kunnen aantonen toe te willen treden tot een samenwerkingsverband waarvan nog geen ander Centrum voor Volwassenenonderwijs lid is. Het centrumbestuur stuurt daarvoor uiterlijk op 15 april van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag aan de bevoegde administratie. | ||
| 22 | § 7. .... |
| 1 | § 1. Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft recht op leraarsuren voor de oprichting van betrekkingen in de ambten van leraar secundair volwassenenonderwijs of van lector. Het aantal leraarsuren waarop een centrum voor volwassenenonderwijs vanaf 1 september 2017 recht heeft per studiegebied, wordt berekend volgens de formule : LUC,/d, waarbij : | 1 | § 1. Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft recht op leraarsuren voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs. |
| 2 | 1° LUC : het aantal lesurencursist van de referteperiode van 1 april n-1 tot 31 maart n voor de toekenning van de leraarsuren voor het schooljaar n/n+1; | ||
| 3 | 2° d = de delers voor de studiegebieden, vermeld in artikel 7 en 8. | ||
| 4 | De waarde van deler d, vermeld in het eerste lid, is : | ||
| 5 | 1° 4 voor het studiegebied groot transport van het secundair volwassenenonderwijs; | ||
| 6 | 2° 7 voor de studiegebieden koeling en warmte, ICT-technieken, lassen, mechanica-elektriciteit en textiel van het secundair volwassenenonderwijs; | ||
| 7 | 3° 8 voor het studiegebied auto van het secundair volwassenenonderwijs; | ||
| 8 | 4° 9 voor de studiegebieden ambachtelijk erfgoed, maritieme diensten, meubelmakerij, mode : maatwerk, mode : realisaties en schrijnwerkerij van het secundair volwassenenonderwijs; | ||
| 9 | 5° 10 voor de geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren en de studiegebieden aanvullende algemene vorming, algemene vorming, afwerking bouw, bakkerij, chemie, drankenkennis, fotografie, grafische communicatie en media, horeca, printmedia, slagerij en ruwbouw van het secundair volwassenenonderwijs en de studiegebieden architectuur, audiovisuele en beeldende kunst, biotechniek, industriële wetenschappen en technologie, gezondheidszorg, muziek en podiumkunsten, nautische wetenschappen en onderwijs van het hoger beroepsonderwijs; | ||
| 10 | 6° 11 voor de studiegebieden ambachtelijke accessoires, assistentie vrije zorgberoepen, informatie- en communicatietechnologie en toerisme van het secundair volwassenenonderwijs; | ||
| 2 | Voor de berekening van het aantal leraarsuren waarop een centrum vanaf 1 september 2020 recht heeft, wordt het totale beschikbare volume aan leraarsuren voor het volwassenenonderwijs uitgedrukt in financieringspunten. Het totale aantal financieringspunten is de som van het aantal gewogen financieringspunten van alle centra voor volwassenenonderwijs. Elk centrum heeft op 1 september n recht op hetzelfde aandeel aan leraarsuren als het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari n-3 tot en met 31 december n-1 volgens de berekeningsformules, vermeld in paragraaf 2, heeft bereikt | ||
| 3 | § 2. Het totale aantal financieringspunten voor de leraarsuren per centrum is de som van het aantal gewogen financieringspunten, waarbij 90 % gewogen wordt op centrumkenmerken en opleidingskenmerken en 10 % op cursistenkenmerken en vermeerderd met de kwalificatiebonus. | ||
| 4 | Voor de 90 %-weging op centrumkenmerken en opleidingskenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (kg) * (bd) * (mb) * (skk) * (lpg) * (cg) * (pi), waarbij : | ||
| 5 | 1° FP = het ongewogen financieringspunt; | ||
| 6 | 2° kg = de coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte; | ||
| 7 | 3° bd = de coëfficiënt voor de bevolkingsdichtheid per vestigingsplaats vastgesteld op 31 december n-1; | ||
| 8 | 4° mb = de coëfficiënt voor het maatschappelijk belang van het studiegebied; | ||
| 9 | 5° skk = de coëfficiënt voor de studiegebieden met een structureel knelpuntkarakter; | ||
| 10 | 6° lpg = de coëfficiënt voor het aantal gemeenten of deelgemeenten waar het centrum minstens 1 lesplaats heeft met ingericht aanbod in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1; | ||
| 11 | 7° cg = de coëfficiënt voor de centrumgrootte of de grootte van het samenwerkingsverband van een of meer centra; | ||
| 12 | 8° pi = de coëfficiënt voor het aanbod in een penitentiaire inrichting. | ||
| 13 | De coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte is : | ||
| 14 | 1° 1,000 voor de studiegebieden Europese hoofdtalen richtgraad 1 en 2, Europese neventalen richtgraad 1 en 2, Hebreeuws, Oosterse talen, Scandinavische talen en Slavische talen; | ||
| 15 | 2° 1,071 voor de studiegebieden administratie, bedrijfsbeheer, logistiek en verkoop, huishoudelijk koken, huishoudelijke decoratie- en naaitechnieken en huishoudhulp; | ||
| 16 | 3° 1,154 voor de studiegebieden land- en tuinbouw, lichaamsverzorging en Europese talen richtgraad 3 en 4; | ||
| 11 | 7° 12 voor de studiegebieden algemene personenzorg, bibliotheek-, archief- en documentatiekunde, Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2, Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 en specifieke personenzorg van het secundair volwassenenonderwijs; | 17 | 4° 1,250 voor de studiegebieden algemene personenzorg, bibliotheek-, archief- en documentatiekunde, Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2, Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 en specifieke personenzorg; |
| 12 | 8° 13 voor de studiegebieden land- en tuinbouw, lichaamsverzorging en Europese talen richtgraad 3 en 4 van het secundair volwassenenonderwijs en handelswetenschappen en bedrijfskunde van het hoger beroepsonderwijs; | ||
| 13 | 9° 14 voor de studiegebieden administratie, bedrijfsbeheer, logistiek en verkoop, huishoudelijk koken, huishoudelijke decoratie- en naaitechnieken en huishoudhulp van het secundair volwassenenonderwijs en de specifieke lerarenopleidingen; | ||
| 14 | 10° 15 voor de studiegebieden Europese hoofdtalen richtgraad 1 en 2, Europese neventalen richtgraad 1 en 2, Hebreeuws, Oosterse talen, Scandinavische talen en Slavische talen van het secundair volwassenenonderwijs en het studiegebied sociaal-agogisch werk van het hoger beroepsonderwijs. | ||
| 15 | Voor de opleidingen in het studiegebied bijzondere educatieve noden van het secundair volwassenenonderwijs is de waarde van de deler d, vermeld in het eerste lid : | ||
| 16 | 1° 7 voor de opleidingen Vlaamse Gebarentaal 1 en Vlaamse Gebarentaal 2; | ||
| 18 | 5° 1,364 voor de studiegebieden ambachtelijke accessoires, assistentie vrije zorgberoepen, informatie- en communicatietechnologie en toerisme; | ||
| 19 | 6° 1,500 voor de geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren en de studiegebieden aanvullende algemene vorming, algemene vorming, afwerking bouw, bakkerij, chemie, drankenkennis, fotografie, grafische communicatie en media, horeca, printmedia, slagerij en ruwbouw; | ||
| 20 | 7° 1,667 voor de studiegebieden ambachtelijk erfgoed, maritieme diensten, meubelmakerij, mode : maatwerk, mode : realisaties en schrijnwerkerij; | ||
| 17 | 2° 8voor de opleiding Ervaringsdeskundige in de Armoede en Sociale Uitsluiting | 21 | 8° 1,875 voor de opleiding Ervaringsdeskundige in de Armoede en de Sociale Uitsluiting en voor het studiegebied auto; |
| 22 | 9° 2,143 voor de opleidingen Vlaamse Gebarentaal 1 en Vlaamse Gebarentaal 2 en voor de studiegebieden koeling en warmte, ICT-technieken, lassen, mechanica-elektriciteit en textiel; | ||
| 23 | 10° 3,750 voor het studiegebied groot transport. | ||
| 24 | De coëfficiënt voor de bevolkingsdichtheid per vestigingsplaats is : | ||
| 25 | 1° 1 voor lesplaatsen van een vestigingsplaats met meer dan 300 inwoners per km² en voor lesplaatsen in een penitentiaire inrichting; | ||
| 26 | 2° 1,10 voor lesplaatsen die buiten een penitentiaire inrichting gelegen zijn in een vestigingsplaats met 300 of minder inwoners per km². | ||
| 18 | § 2. Ter uitvoering van de onderwijsopdracht, vermeld in artikel 63, § 1, 2°, 3° en 4°, en § 3, worden de leraarsuren gegenereerd door de studiegebieden aanvullende algemene vorming, algemene vorming, Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 en berekend volgens de formule, vermeld in § 1, met 10 percent verhoogd. | 27 | De coëfficiënt voor het maatschappelijk belang van de opleidingen is 1,30 voor de studiegebieden aanvullende algemene vorming, algemene vorming, Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. |
| 28 | De coëfficiënt voor de studiegebieden met een structureel knelpuntkarakter is 1,05 voor de studiegebieden algemene personenzorg, schrijnwerkerij, groot transport, mechanica-elektriciteit en koeling en warmte. De Vlaamse Regering kan die studiegebieden aanpassen en ook op lokaal niveau vastleggen. | ||
| 29 | De coëfficiënten voor het aantal deelgemeenten van gemeenten die op 1 januari 2016 meer dan 100.000 inwoners telden of het aantal gemeenten waar het centrum lesplaatsen heeft, zijn : | ||
| 30 | 1° 1,000 voor één gemeente of deelgemeente; | ||
| 31 | 2° 1,004 voor twee gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 32 | 3° 1,009 voor drie gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 33 | 4° 1,013 voor vier gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 34 | 5° 1,017 voor vijf gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 35 | 6° 1,021 voor zes gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 36 | 7° 1,026 voor zeven gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 37 | 8° 1,030 voor acht gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 38 | 9° 1,034 voor negen gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 39 | 10° 1,039 voor tien gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 40 | 11° 1,043 voor elf gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 41 | 12° 1,047 voor twaalf gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 42 | 13° 1,051 voor dertien gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 43 | 14° 1,056 voor veertien gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 44 | 15° 1,060 voor vijftien en meer gemeenten of deelgemeenten. | ||
| 45 | De Vlaamse Regering kan voor de toepassing van bovenstaande coëfficiënten een minimum aantal lesurencursist per gemeente of deelgemeente bepalen. | ||
| 46 | De coëfficiënten voor de centrumgrootte of de grootte van het samenwerkingsverband van een of meer centra zijn : | ||
| 47 | 1° 1,000 voor een centrum of een samenwerkingsverband van minder dan 850.000 lesurencursist; | ||
| 48 | 2° 1,100 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 850.000 en 950.000 lesurencursist; | ||
| 49 | 3° 1,110 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 950.001 en 1.050.000 lesurencursist; | ||
| 50 | 4° 1,120 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.050.001 en 1.150.000 lesurencursist; | ||
| 51 | 5° 1,130 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.150.001 en 1.250.000 lesurencursist; | ||
| 52 | 6° 1,140 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.250.001 en 1.350.000 lesurencursist; | ||
| 53 | 7° 1,150 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.350.001 en 1.450.000 lesurencursist; | ||
| 54 | 8° 1,160 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.450.001 en 1.550.000 lesurencursist; | ||
| 55 | 9° 1,170 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.550.001 en 1.650.000 lesurencursist; | ||
| 56 | 10° 1,180 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.650.001 en 1.750.000 lesurencursist; | ||
| 57 | 11° 1,190 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.750.001 en 1.850.000 lesurencursist; | ||
| 58 | 12° 1,200 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.850.001 en 1.950.000 lesurencursist; | ||
| 59 | 13° 1,210 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.950.001 en 2.050.000 lesurencursist; | ||
| 60 | 14° 1,200 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 2.050.001 en 2.150.000 lesurencursist; | ||
| 61 | 15° 1,191 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 2.150.001 en 2.250.000 lesurencursist; | ||
| 62 | 16° 1,183 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 2.250.001 en 2.350.000 lesurencursist; | ||
| 63 | 17° 1,175 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 2.350.001 en 2.450.000 lesurencursist; | ||
| 64 | 18° 1,168 voor een centrum of een samenwerkingsverband van minstens 2.450.001 lesurencursist. | ||
| 65 | Het samenwerkingsverband, vermeld in het achtste lid, van twee of meer centra voor volwassenenonderwijs : | ||
| 66 | 1° maakt afspraken over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod binnen het samenwerkingsverband, eventueel gespreid over de verschillende centra die het samenwerkingsverband vormen; | ||
| 67 | 2° maakt afspraken over een objectieve informatieverstrekking, doorverwijzing en begeleiding van cursisten; | ||
| 68 | 3° maakt afspraken over het personeelsbeleid, meer bepaald over de criteria voor het aanwerven, functioneren en evalueren van personeelsleden. | ||
| 69 | De coëfficiënt voor het aanbod in een penitentiaire inrichting is 1,40. | ||
| 70 | Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij : | ||
| 71 | 1° FP = het ongewogen financieringspunt; | ||
| 72 | 2° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs; | ||
| 73 | 3° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist. | ||
| 74 | De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs is 2,50. | ||
| 75 | De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50. | ||
| 76 | De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat of diploma. | ||
| 19 | § 3. In afwijking van § 1 kan een centrum voor volwassenenonderwijs leraarsuren aanwenden voor de aanwerving van voordrachtgevers ten bedrage van maximaal 5 procent van het voor het centrum voor volwassenenonderwijs beschikbare pakket leraarsuren. | 77 | § 3. In afwijking van § 1 kan een centrum voor volwassenenonderwijs leraarsuren aanwenden voor de aanwerving van voordrachtgevers ten bedrage van maximaal 5 procent van het voor het centrum voor volwassenenonderwijs beschikbare pakket leraarsuren. |
| 20 | Een voordrachtgever is een persoon die geen deel uitmaakt van het centrumbestuur of van het personeel van het centrum en die, hetzij in eigen naam hetzij in dienst van een organisatie of onderneming en in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma, voor cursisten voordrachten geeft vanuit zijn of haar deskundigheid en ervaring in de arbeidsmarkt en bedrijfswereld. | 78 | Een voordrachtgever is een persoon die geen deel uitmaakt van het centrumbestuur of van het personeel van het centrum en die, hetzij in eigen naam hetzij in dienst van een organisatie of onderneming en in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma, voor cursisten voordrachten geeft vanuit zijn of haar deskundigheid en ervaring in de arbeidsmarkt en bedrijfswereld. |
| 21 | De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding van de aanwerving van voordrachtgevers aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen, de grootte van het krediet per leraarsuur dat wordt omgezet en de wijze van toekenning ervan. | 79 | De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding van de aanwerving van voordrachtgevers aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen, de grootte van het krediet per leraarsuur dat wordt omgezet en de wijze van toekenning ervan. |
| 22 | Over de aanwending van leraarsuren voor de aanwerving van voordrachtgevers en over de vergoeding van die voordrachtgevers moet een voorafgaandelijk akkoord bereikt worden in het lokale comité. | 80 | Over de aanwending van leraarsuren voor de aanwerving van voordrachtgevers en over de vergoeding van die voordrachtgevers moet een voorafgaandelijk akkoord bereikt worden in het lokale comité. |
| 23 | § 4. De som van het aantal door de Vlaamse Gemeenschap toegekende leraarsuren overeenkomstig § 1 en § 2 wordt afgerond tot twee cijfers na de komma. Indien het derde cijfer na de komma 5 of meer is, wordt er afgerond naar het hogere honderdste. Indien het derde cijfer na de komma lager is dan 5, wordt er afgerond naar het lagere honderdste. | 81 | § 4. De som van het aantal door de Vlaamse Gemeenschap toegekende leraarsuren overeenkomstig § 1 wordt afgerond tot twee cijfers na de komma. Indien het derde cijfer na de komma 5 of meer is, wordt er afgerond naar het hogere honderdste. Indien het derde cijfer na de komma lager is dan 5, wordt er afgerond naar het lagere honderdste. |
| 24 | § 5. Het volume aan lesurencursist gegenereerd in gecombineerd onderwijs wordt met een factor 1,2 vermenigvuldigd indien het gecombineerd onderwijs voldoet aan de bepalingen van artikel 28 en minimaal 25 percent aan afstandsonderwijs omvat. | ||
| 25 | Een Centrum voor Volwassenenonderwijs kan de extra leraarsuren gegenereerd door de vermenigvuldiging van het volume aan lesurencursist met factor 1,2 enkel aanwenden voor de organisatie, de uitbouw, de ondersteuning en de ontwikkeling van gecombineerd onderwijs. | ||
| 26 | De Vlaamse Regering bepaalt hiertoe de procedure. | ||
| 82 | § 4bis. Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden jaarlijks 15.111 aanvullende leraarsuren aan de centra voor volwassenenonderwijs toegekend voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in het kader van de organisatie van aanvangsbegeleiding. | ||
| 83 | De Vlaamse Regering kan vanwege de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar afwijken van het totale volume te verdelen aanvullende leraarsuren, vermeld in het eerste lid. | ||
| 84 | Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft vanaf 1 september 2019 recht op hetzelfde aandeel aan aanvullende leraarsuren voor aanvangsbegeleiding als het aandeel aan leraarsuren waarop het centrum volgens de berekening van paragraaf 1 recht heeft. | ||
| 85 | Een centrumbestuur kan de aanvullende leraarsuren voor aanvangsbegeleiding omzetten in aanvullende punten voor aanvangsbegeleiding volgens de onderstaande tabel: | ||
| 86 | leraarsuren | ||
| 87 | punten | ||
| 88 | 40 | ||
| 89 | 5 | ||
| 90 | 80 | ||
| 91 | 9 | ||
| 92 | 120 | ||
| 93 | 14 | ||
| 94 | 160 | ||
| 95 | 19 | ||
| 96 | 200 | ||
| 97 | 24 | ||
| 98 | 240 | ||
| 99 | 28 | ||
| 100 | 280 | ||
| 101 | 33 | ||
| 102 | 320 | ||
| 103 | 38 | ||
| 104 | 360 | ||
| 105 | 43 | ||
| 106 | 400 | ||
| 107 | 47 | ||
| 108 | 440 | ||
| 109 | 52 | ||
| 110 | 480 | ||
| 111 | 57 | ||
| 112 | 520 | ||
| 113 | 63 | ||
| 114 | 560 | ||
| 115 | 66 | ||
| 116 | 600 | ||
| 117 | 71 | ||
| 118 | 640 | ||
| 119 | 76 | ||
| 120 | 680 | ||
| 121 | 82 | ||
| 122 | 720 | ||
| 123 | 85 | ||
| 124 | 760 | ||
| 125 | 90 | ||
| 126 | 800 | ||
| 127 | 95 | ||
| 128 | 840 | ||
| 129 | 100 | ||
| 130 | 880 | ||
| 131 | 104 | ||
| 132 | 920 | ||
| 133 | 110 | ||
| 134 | 960 | ||
| 135 | 114 | ||
| 136 | 1000 | ||
| 137 | 120 | ||
| 138 | Deze aanvullende leraarsuren kunnen worden samengelegd. Centra voor volwassenenonderwijs die kiezen om de aanvullende leraarsuren samen te leggen, richten daartoe een samenwerkingsverband `aanvangsbegeleiding' op dat bestaat uit twee of meer centra. Het samenwerkingsverband maakt afspraken over de aanwending van de aanvullende lesuren. De Vlaamse Regering kan met betrekking tot dit samenwerkingsverband volgende maatregelen vastleggen: | ||
| 139 | - de duur van de samenwerking; | ||
| 140 | - de vorm van overeenkomst waarmee het samenwerkingsverband wordt opgericht; | ||
| 141 | - de wijze en het tijdstip van mededeling van het samenwerkingsverband aan de overheid. | ||
| 142 | § 5. .... | ||
| 27 | § 6. Ter uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3bis, heeft het centrum voor volwassenenonderwijs dat werd aangeduid als examencommissie, recht op vierhonderd aanvullende leraarsuren per schooljaar voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs. Het centrum voor volwassenenonderwijs krijgt jaarlijks een bijkomende subsidie ter beschikking gesteld door de Vlaamse Regering voor de ontwikkeling en het beheer van de taaltoetsen voor de examencommissie. | 143 | § 6. Ter uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3bis, heeft het centrum voor volwassenenonderwijs dat werd aangeduid als examencommissie, recht op vierhonderd aanvullende leraarsuren per schooljaar voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs. Het centrum voor volwassenenonderwijs krijgt jaarlijks een bijkomende subsidie ter beschikking gesteld door de Vlaamse Regering voor de ontwikkeling en het beheer van de taaltoetsen voor de examencommissie. |
| 28 | Het personeelslid dat in de betrekking bedoeld in het eerste lid wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, blijven verder van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen : | 144 | Het personeelslid dat in de betrekking bedoeld in het eerste lid wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, blijven verder van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen : |
| 1 | § 1. Voor de berekening van het aantal lesurencursist komen enkel de cursisten in aanmerking die : | 1 | § 1. Voor de berekening van het aantal financieringspunten komen enkel de cursisten in aanmerking die : |
| 2 | 1° het inschrijvingsgeld betaald hebben, als zij daartoe verplicht zijn; | 2 | 1° het inschrijvingsgeld betaald hebben, als zij daartoe verplicht zijn; |
| 3 | 2° ingeschreven zijn vóór een derde van het minimumaantal lestijden van een module voorbij is, dat volgens het opleidingsprofiel, vermeld in artikel 24 en artikel 24bis, georganiseerd moet worden; | 3 | 2° ingeschreven zijn vóór een derde van het minimumaantal lestijden van een module voorbij is, dat volgens het opleidingsprofiel, vermeld in artikel 24 en artikel 24bis, georganiseerd moet worden; |
| 4 | 3° regelmatig aan het geheel van de vorming geparticipeerd hebben vanaf het moment van inschrijving tot het moment dat één derde van het minimum aantal lestijden van de module voorbij is. | ||
| 5 | Indien de afwezigheid van een cursist tot het moment dat één derde van het minimumaantal lestijden van de module voorbij is meer dan 30 percent bedraagt maar slechts één dag betreft, komt deze cursist in aanmerking voor de berekening van het aantal lesurencursist. | ||
| 4 | 3° .... | ||
| 6 | § 2. Cursisten die onderwijs volgen in een Centrum voor Volwassenenonderwijs dat niet door de Vlaamse Gemeenschap wordt erkend, gefinancierd of gesubsidieerd, komen niet in aanmerking voor de berekening van het aantal lesurencursist. | 5 | § 2. Cursisten die onderwijs volgen in een Centrum voor Volwassenenonderwijs dat niet door de Vlaamse Gemeenschap wordt erkend, gefinancierd of gesubsidieerd, komen niet in aanmerking voor de berekening van het aantal financieringspunten. |
| 7 | § 3. In afwijking van § 1 komen voor de berekening van het aantal lesurencursist in het gecombineerd onderwijs enkel cursisten in aanmerking die : | ||
| 8 | 1° ingeschreven zijn vóór één derde van het minimum aantal lestijden van een module voorbij is, dat volgens het opleidingsprofiel , vermeld in artikel 24 en artikel 24bis, georganiseerd moet worden; | ||
| 9 | 2° aantoonbaar participeren aan de opleiding. | ||
| 6 | § 3. ... |
| 1 | § 1. Bij een fusie van Centra voor Volwassenenonderwijs worden de leraarsuren berekend op basis van de samengevoegde lesurencursist van de samengevoegde centra. | 1 | § 1. Bij een fusie van Centra voor Volwassenenonderwijs worden de financieringspunten berekend op basis van de samengevoegde financieringspunten van de samengevoegde centra. |
| 2 | § 2. Onverminderd de toepassing van artikel 105, § 1 en § 2, van dit decreet, heeft elk door fusie gevormd centrum recht op maximaal één voltijdse betrekking van directeur. | 2 | § 2. Onverminderd de toepassing van artikel 105, § 1 en § 2, van dit decreet, heeft elk door fusie gevormd centrum recht op maximaal één voltijdse betrekking van directeur. |
| 3 | § 3. De vastbenoemde en tot de proeftijd toegelaten directeurs die op 31 augustus titularis zijn van een betrekking en die na een fusieoperatie niet opnieuw als directeur worden aangesteld, worden aangesteld in het ambt van adjunct-directeur. Ze behouden hun salarisschaal, tenzij ze door het besluit van de Vlaamse Regering dat de salarisschalen regelt, recht hebben op een gunstiger salaris.. | 3 | § 3. De vastbenoemde en tot de proeftijd toegelaten directeurs die op 31 augustus titularis zijn van een betrekking en die na een fusieoperatie niet opnieuw als directeur worden aangesteld, worden aangesteld in het ambt van adjunct-directeur. Ze behouden hun salarisschaal, tenzij ze door het besluit van de Vlaamse Regering dat de salarisschalen regelt, recht hebben op een gunstiger salaris.. |
| 2 | § 2. Het centrumbestuur kan maximaal 3 percent van leraarsuren aanwenden voor andere opdrachten dan de onderwijsopdrachten. Die 3 percent kan worden overschreden, mits hierover een akkoord wordt bereikt in het lokale comité. | 2 | § 2. Het centrumbestuur kan maximaal 3 percent van leraarsuren aanwenden voor andere opdrachten dan de onderwijsopdrachten. Die 3 percent kan worden overschreden, mits hierover een akkoord wordt bereikt in het lokale comité. |
| 3 | De directeur van elk Centrum voor Volwassenenonderwijs legt hiertoe, na onderhandeling in het lokaal comité, een lijst vast van de onderwijsopdrachten en van de opdrachten die niet als onderwijsopdracht worden beschouwd. | 3 | De directeur van elk Centrum voor Volwassenenonderwijs legt hiertoe, na onderhandeling in het lokaal comité, een lijst vast van de onderwijsopdrachten en van de opdrachten die niet als onderwijsopdracht worden beschouwd. |
| 4 | Een andere opdracht in de ambten van leraar secundair volwassenenonderwijs of van lector dan een lesopdracht, moet steeds in hoofdambt worden uitgeoefend. | 4 | Een andere opdracht in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs dan een lesopdracht, moet steeds in hoofdambt worden uitgeoefend. |
| 1 | § 1. Na onderhandelingen in het lokale comité kan het centrumbestuur leraarsuren overdragen aan een ander Centrum voor Volwassenenonderwijs. De overdracht wordt beperkt tot 2 percent van het aantal toegekende leraarsuren. Die overdracht wordt uiterlijk op 31 mei van het lopende schooljaar vastgelegd. | 1 | § 1. Na onderhandelingen in het lokale comité kan het centrumbestuur leraarsuren overdragen aan een ander Centrum voor Volwassenenonderwijs. De overdracht wordt beperkt tot 2 percent van het aantal toegekende leraarsuren. Die 2 percent kan worden overschreden, mits hierover een akkoord wordt bereikt in het lokale comité. Die overdracht wordt uiterlijk op 31 mei van het lopende schooljaar vastgelegd. |
| 2 | § 2. Die overdracht mag niet tot gevolg hebben dat personeelsleden ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking. | 2 | § 2. Die overdracht mag niet tot gevolg hebben dat personeelsleden ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking. |
| 3 | Het centrumbestuur moet met het oog op de controle aan de overheid een verklaring op erewoord bezorgen, waarin het aangeeft die bepaling in acht te zullen nemen. | 3 | Het centrumbestuur moet met het oog op de controle aan de overheid een verklaring op erewoord bezorgen, waarin het aangeeft die bepaling in acht te zullen nemen. |
| 1 | § 1. Een centrumbestuur kan tijdens een bepaald schooljaar niet-aangewende leraarsuren overdragen naar het daaropvolgende schooljaar, onder de volgende voorwaarden : | 1 | § 1. Na onderhandelingen in het lokale comité kan een centrumbestuur tijdens een bepaald schooljaar niet-aangewende leraarsuren overdragen naar het daaropvolgende schooljaar, onder de volgende voorwaarden : |
| 2 | 1° de overdracht wordt beperkt tot 2 percent van het aantal toegekende leraarsuren tijdens dat bepaalde schooljaar; | 2 | 1° de overdracht wordt beperkt tot 2 percent van het aantal toegekende leraarsuren tijdens dat bepaalde schooljaar; |
| 3 | 2° de niet-aangewende leraarsuren van dat bepaalde schooljaar worden vastgelegd uiterlijk op 31 mei van dat schooljaar met het oog op de overdracht naar het daaropvolgende schooljaar; | 3 | 2° de niet-aangewende leraarsuren van dat bepaalde schooljaar worden vastgelegd uiterlijk op 31 mei van dat schooljaar met het oog op de overdracht naar het daaropvolgende schooljaar. Die 2 percent kan worden overschreden, mits hierover een akkoord wordt bereikt in het lokale comité; |
| 4 | 3° de overgedragen leraarsuren van dat bepaalde schooljaar worden enkel in het daaropvolgende schooljaar aangewend. | 4 | 3° de overgedragen leraarsuren van dat bepaalde schooljaar worden enkel in het daaropvolgende schooljaar aangewend. |
| 5 | § 2. De overdracht van leraarsuren tijdens een bepaald schooljaar, vermeld in § 1, is alleen mogelijk als het centrumbestuur op erewoord verklaart dat het tijdens dat schooljaar in het Centrum voor Volwassenenonderwijs in kwestie overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of aanvullende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel moet uitspreken. | 5 | § 2. De overdracht van leraarsuren tijdens een bepaald schooljaar, vermeld in § 1, is alleen mogelijk als het centrumbestuur op erewoord verklaart dat het tijdens dat schooljaar in het Centrum voor Volwassenenonderwijs in kwestie overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of aanvullende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel moet uitspreken. |
| 3 | De directeur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs kan zijn ambt enkel uitoefenen in hoofdambt. | 3 | De directeur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs kan zijn ambt enkel uitoefenen in hoofdambt. |
| 4 | De directeurs van een centrum die op 31 augustus 1999 het ambt van directeur in bijbetrekking uitoefenden, worden ten persoonlijken titel uitgesloten van het bepaalde in het derde lid voor het volume van de opdracht die zij op deze datum uitoefenden. | 4 | De directeurs van een centrum die op 31 augustus 1999 het ambt van directeur in bijbetrekking uitoefenden, worden ten persoonlijken titel uitgesloten van het bepaalde in het derde lid voor het volume van de opdracht die zij op deze datum uitoefenden. |
| 5 | § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, hebben centra voor volwassenenonderwijs die geen 120.000 lesurencursist behaald hebben, recht op een tiende voltijdse betrekking in het ambt van directeur per behaalde volle schijf van 12.000 lesurencursist, met maximaal één voltijdse betrekking in het ambt van directeur. | ||
| 5 | § 2. ... | ||
| 6 | § 3. Elk Centrum voor Volwassenenonderwijs heeft recht op een puntenenveloppe voor de oprichting van betrekkingen in de ambten van het bestuurs- en ondersteunend personeel. Deze puntenenveloppe wordt berekend op basis van het aantal lesurencursist voor de referteperiode van 1 februari van het jaar n-1 tot en met 31 januari van het jaar n voor het toekennen van het volume aan punten voor het schooljaar n/n+1 . De Vlaamse Regering bepaalt het aantal lesurencursist per toe te kennen punt. | 6 | § 3. Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft recht op een puntenenveloppe voor de oprichting van betrekkingen in de ambten van het bestuurs- en ondersteunend personeel. Voor de berekening van de puntenenveloppe waarop een centrum voor volwassenenonderwijs vanaf 1 september 2020 jaarlijks recht heeft, wordt het totale beschikbare volume aan punten voor het volwassenenonderwijs uitgedrukt in financieringspunten. Het totale aantal financieringspunten is de som van het aantal gewogen financieringspunten van alle centra voor volwassenenonderwijs. Elk centrum heeft op 1 september n recht op hetzelfde aandeel aan punten als het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari n-3 tot en met 31 december n-1 volgens de berekeningsformules, vermeld in paragraaf 3bis, heeft bereikt. |
| 7 | Op basis van de lesurencursist van de opleidingen van de studiegebieden afwerking bouw, ambachtelijke accessoires, ambachtelijk erfgoed, auto, bakkerij, drankenkennis, fotografie, grafische communicatie en media, horeca, ICT-technieken, koeling en warmte, lassen, mechanica-elektriciteit, meubelmakerij, mode : maatwerk, mode : realisaties, printmedia, ruwbouw, schrijnwerkerij, slagerij, en textiel wordt een bijkomend aantal punten toegekend. De Vlaamse Regering bepaalt het aantal lesurencursist per toe te kennen punt en kan de lijst van studiegebieden die in aanmerking komen voor een bijkomend aantal punten wijzigen. | ||
| 7 | § 3bis. Het totale aantal financieringspunten voor de punten per centrum is de som van het aantal gewogen financieringspunten, waarbij 90 % gewogen wordt op centrumkenmerken en opleidingskenmerken en 10 % op cursistenkenmerken en vermeerderd met de kwalificatiebonus. | ||
| 8 | Voor de 90 %-weging op centrumkenmerken en opleidingskenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (kg) * (bd) * (mb) * (skk) * (lpg) * (cg) * (pi), waarbij : | ||
| 9 | 1° FP = het ongewogen financieringspunt; | ||
| 10 | 2° kg = de coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte; | ||
| 11 | 3° bd = de coëfficiënt voor de bevolkingsdichtheid per vestigingsplaats vastgesteld op 31 december n-1; | ||
| 12 | 4° mb = de coëfficiënt voor het maatschappelijk belang van het studiegebied; | ||
| 13 | 5° skk = de coëfficiënt voor de studiegebieden met een structureel knelpuntkarakter; | ||
| 14 | 6° lpg = de coëfficiënt voor het aantal gemeenten of deelgemeenten waar het centrum minstens 1 lesplaats heeft met ingericht aanbod in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1; | ||
| 15 | 7° cg = de coëfficiënt voor de centrumgrootte of de grootte van het samenwerkingsverband van een of meer centra; | ||
| 16 | 8° pi = de coëfficiënt voor het aanbod in een penitentiaire inrichting. | ||
| 17 | De coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte is : | ||
| 18 | 1° 1,000 voor de studiegebieden Europese hoofdtalen richtgraad 1 en 2, Europese neventalen richtgraad 1 en 2, Hebreeuws, Oosterse talen, Scandinavische talen en Slavische talen; | ||
| 19 | 2° 1,071 voor de studiegebieden administratie, bedrijfsbeheer, logistiek en verkoop, huishoudelijk koken, huishoudelijke decoratie- en naaitechnieken en huishoudhulp; | ||
| 20 | 3° 1,154 voor de studiegebieden land- en tuinbouw, lichaamsverzorging en Europese talen richtgraad 3 en 4; | ||
| 21 | 4° 1,250 voor de studiegebieden algemene personenzorg, bibliotheek-, archief- en documentatiekunde, Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2, Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 en specifieke personenzorg; | ||
| 22 | 5° 1,364 voor de studiegebieden ambachtelijke accessoires, assistentie vrije zorgberoepen, informatie- en communicatietechnologie en toerisme; | ||
| 23 | 6° 1,500 voor de geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren en de studiegebieden aanvullende algemene vorming, algemene vorming, afwerking bouw, bakkerij, chemie, drankenkennis, fotografie, grafische communicatie en media, horeca, printmedia, slagerij en ruwbouw; | ||
| 24 | 7° 1,667 voor de studiegebieden ambachtelijk erfgoed, maritieme diensten, meubelmakerij, mode : maatwerk, mode : realisaties en schrijnwerkerij; | ||
| 25 | 8° 1,875 voor de opleiding Ervaringsdeskundige in de Armoede en de Sociale Uitsluiting en voor het studiegebied auto; | ||
| 26 | 9° 2,143 voor de opleidingen Vlaamse Gebarentaal 1 en Vlaamse Gebarentaal 2 en voor de studiegebieden koeling en warmte, ICT-technieken, lassen, mechanica-elektriciteit en textiel; | ||
| 27 | 10° 3,750 voor het studiegebied groot transport. | ||
| 28 | De coëfficiënt voor de bevolkingsdichtheid per vestigingsplaats is : | ||
| 29 | 1° 1 voor lesplaatsen van een vestigingsplaats met meer dan 300 inwoners per km² en voor lesplaatsen in een penitentiaire inrichting; | ||
| 30 | 2° 1,10 voor lesplaatsen die buiten een penitentiaire inrichting gelegen zijn in een vestigingsplaats met 300 of minder inwoners per km². | ||
| 31 | De coëfficiënt voor het maatschappelijk belang van de opleidingen is 1,30 voor de studiegebieden aanvullende algemene vorming, algemene vorming, Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. | ||
| 32 | De coëfficiënt voor de studiegebieden met een structureel knelpuntkarakter is 1,05 voor de studiegebieden algemene personenzorg, schrijnwerkerij, groot transport, mechanica-elektriciteit en koeling en warmte. De Vlaamse Regering kan die studiegebieden aanpassen en ook op lokaal niveau vastleggen. | ||
| 33 | De coëfficiënten voor het aantal deelgemeenten van gemeenten die op 1 januari 2016 meer dan 100.000 inwoners telden of het aantal gemeenten waar het centrum lesplaatsen heeft, zijn : | ||
| 34 | 1° 1,000 voor één gemeente of deelgemeente; | ||
| 35 | 2° 1,004 voor twee gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 36 | 3° 1,009 voor drie gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 37 | 4° 1,013 voor vier gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 38 | 5° 1,017 voor vijf gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 39 | 6° 1,021 voor zes gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 40 | 7° 1,026 voor zeven gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 41 | 8° 1,030 voor acht gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 42 | 9° 1,034 voor negen gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 43 | 10° 1,039 voor tien gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 44 | 11° 1,043 voor elf gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 45 | 12° 1,047 voor twaalf gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 46 | 13° 1,051 voor dertien gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 47 | 14° 1,056 voor veertien gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 48 | 15° 1,060 voor vijftien en meer gemeenten of deelgemeenten. | ||
| 49 | De Vlaamse Regering kan voor de toepassing van bovenstaande coëfficiënten een minimum aantal lesurencursist per gemeente of deelgemeente bepalen. | ||
| 50 | De coëfficiënten voor de centrumgrootte of de grootte van het samenwerkingsverband van een of meer centra zijn : | ||
| 51 | 1° 1,000 voor een centrum of een samenwerkingsverband van minder dan 850.000 lesurencursist; | ||
| 52 | 2° 1,100 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 850.000 en 950.000 lesurencursist; | ||
| 53 | 3° 1,110 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 950.001 en 1.050.000 lesurencursist; | ||
| 54 | 4° 1,120 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.050.001 en 1.150.000 lesurencursist; | ||
| 55 | 5° 1,130 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.150.001 en 1.250.000 lesurencursist; | ||
| 56 | 6° 1,140 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.250.001 en 1.350.000 lesurencursist; | ||
| 57 | 7° 1,150 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.350.001 en 1.450.000 lesurencursist; | ||
| 58 | 8° 1,160 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.450.001 en 1.550.000 lesurencursist; | ||
| 59 | 9° 1,170 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.550.001 en 1.650.000 lesurencursist; | ||
| 60 | 10° 1,180 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.650.000 en 1.750.000 lesurencursist; | ||
| 61 | 11° 1,190 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.750.001 en 1.850.000 lesurencursist; | ||
| 62 | 12° 1,200 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.850.001 en 1.950.000 lesurencursist; | ||
| 63 | 13° 1,210 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.950.001 en 2.050.000 lesurencursist; | ||
| 64 | 14° 1,200 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 2.050.001 en 2.150.000 lesurencursist; | ||
| 65 | 15° 1,191 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 2.150.001 en 2.250.000 lesurencursist; | ||
| 66 | 16° 1,183 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 2.250.001 en 2.350.000 lesurencursist; | ||
| 67 | 17° 1,175 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 2.350.001 en 2.450.000 lesurencursist; | ||
| 68 | 18° 1,168 voor een centrum of een samenwerkingsverband van minstens 2.450.001 lesurencursist. | ||
| 69 | Het samenwerkingsverband, vermeld in het achtste lid, van twee of meer centra voor volwassenenonderwijs : | ||
| 70 | 1° maakt afspraken over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod binnen het samenwerkingsverband, eventueel gespreid over de verschillende centra die het samenwerkingsverband vormen; | ||
| 71 | 2° maakt afspraken over een objectieve informatieverstrekking, doorverwijzing en begeleiding van cursisten; | ||
| 72 | 3° maakt afspraken over het personeelsbeleid, meer bepaald over de criteria voor het aanwerven, functioneren en evalueren van personeelsleden. | ||
| 73 | De coëfficiënt voor het aanbod in een penitentiaire inrichting is 1,40. | ||
| 74 | Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij : | ||
| 75 | 1° FP = ongewogen financieringspunt; | ||
| 76 | 2° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs; | ||
| 77 | 3° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist. | ||
| 78 | De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs is 2,50. | ||
| 79 | De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50. | ||
| 80 | De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat of diploma. | ||
| 8 | De Vlaamse Regering bepaalt het aandeel van de puntenenveloppe dat moet worden aangewend voor ambten van het ondersteunend personeel. | 81 | De Vlaamse Regering bepaalt het aandeel van de puntenenveloppe dat moet worden aangewend voor ambten van het ondersteunend personeel |
| 9 | § 4. De oprichting van betrekkingen in de ambten, vermeld in § 3, is gebaseerd op een puntensysteem, waarbij aan elk ambt een aantal punten wordt toegekend. Dat aantal punten wordt bepaald op basis van de salarisschaal van het personeelslid dat de betrekking uitoefent. | 82 | § 4. De oprichting van betrekkingen in de ambten, vermeld in § 3, is gebaseerd op een puntensysteem, waarbij aan elk ambt een aantal punten wordt toegekend. Dat aantal punten wordt bepaald op basis van de salarisschaal van het personeelslid dat de betrekking uitoefent. |
| 10 | De Vlaamse Regering legt voor elk ambt de punten-waarde vast volgens de salarisschaal. | 83 | De Vlaamse Regering legt voor elk ambt de punten-waarde vast volgens de salarisschaal. |
| 1 | De Vlaamse Regering bepaalt voor de Centra voor Volwassenenonderwijs jaarlijks het percentage waarmee de leraarsuren zoals bedoeld in artikel 98 en de punten voor de oprichting van betrekkingen in ambten van het bestuurs- en ondersteunend personeel zoals bedoeld in artikel 105, kunnen toenemen. Dit percentage wordt afzonderlijk bepaald voor de leraarsuren die gegenereerd worden door de opleidingen van het secundair volwassenenonderwijs, de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleiding. Indien het afzonderlijke groeipercentage van een indeling niet overschreden is, wordt het resterend aantal leraarsuren herverdeeld over de andere indelingen. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van vastleggen en herverdelen van de groei. | ||
| 2 | Aan de groei met betrekking tot de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs zoals vermeld in het voorgaande lid, wordt voor alle centra voor volwassenenonderwijs samen een bedrag van 1.644.512 euro voorzien in het begrotingsjaar 2016. Vanaf het begrotingsjaar 2017 worden er 41.622,70 bijkomende leraarsuren toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs. | ||
| 1 | § 1. Het totale volume te verdelen leraarsuren en punten voor alle studiegebieden, met uitzondering van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4, volgt de evolutie van het totale aantal lesurencursist als volgt : | ||
| 2 | 1° als het aantal gewogen financieringspunten voor het schooljaar n/n+1 afneemt of toeneemt met minder dan 1 % ten opzichte van het referentiepunt, vermeld in het tweede lid, neemt het totale volume te verdelen leraarsuren en punten voor het schooljaar n/n+1 toe of af met het reële groeipercentage; | ||
| 3 | 2° als het aantal gewogen financieringspunten voor het schooljaar n/n+1 toeneemt met ten minste 1 % ten opzichte van het referentiepunt, vermeld in het tweede lid, neemt het totale volume te verdelen leraarsuren en punten voor het schooljaar n/n+1 toe met 1 %. | ||
| 4 | Het eerste referentiepunt is gelijk aan het aantal gewogen financieringspunten in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. Bij elke daling of stijging van het aantal gewogen financieringspunten wordt er een nieuw referentiepunt vastgelegd dat gelijk is aan het vorige referentiepunt plus of min het reële groeipercentage of het begrensde groeipercentage van 1 %. | ||
| 5 | De Vlaamse Regering kan omwille van de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar een ander groeipercentage dan vermeld in het eerste en tweede lid vastleggen. | ||
| 6 | § 2. Het totale volume te verdelen leraarsuren en punten voor de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 volgt de evolutie van het totale aantal gewogen financieringspunten met het reële groeipercentage ten opzichte van het vorige referentiepunt. | ||
| 3 | Wanneer er definitief leraarsuren of punten van een Centrum voor Volwassenenonderwijs overgedragen worden naar een instelling van het secundair onderwijs, hoger onderwijs of deeltijds kunstonderwijs, dan worden deze leraarsuren of punten niet meer in rekening gebracht voor het bepalen van het percentagevermeld in het eerste lid. | 7 | § 3. Als er definitief leraarsuren of punten van een centrum overgedragen worden aan een instelling van het secundair onderwijs, hoger onderwijs of deeltijds kunstonderwijs, worden die leraarsuren of punten niet meer in rekening gebracht voor het bepalen van het percentage, vermeld in paragraaf 1 en 2. |
| 4 | Wanneer er definitief leraarsuren of punten naar een Centrum voor Volwassenenonderwijs overgedragen worden door overdrachten vanuit andere onderwijsniveaus of andere beleidsdomeinen, dan worden deze leraarsuren of punten mee in rekening gebracht voor het bepalen van het percentage, vermeld in het eerste lid. | 8 | Als er definitief leraarsuren of punten aan een centrum overgedragen worden door overdrachten vanuit andere onderwijsniveaus of andere beleidsdomeinen, worden die leraarsuren of punten niet mee in rekening gebracht voor het bepalen van het percentage, vermeld in paragraaf 1 en 2. |
| 9 | § 4. De Vlaamse Regering evalueert de berekening van de financieringspunten zoals vermeld in paragraaf 1 en 2 met het oog op een mogelijke bijsturing ervan vanaf het schooljaar 2023-2024. |
| 1 | De Vlaamse Regering beschikt jaarlijks over ten minste een totaal bedrag van 241.000 euro voor de organisatie van opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 door de Centra voor Volwassenenonderwijs in de maanden juli en augustus. |
| 1 | § 1. Het centrumbestuur dat in aanmerking wil komen voor de subsidiëring van het aanbod Nederlands tweede taal, vermeld in artikel 107bis, dient hiertoe uiterlijk op 31 maart een of meerdere aanvragen in bij de Vlaamse Regering. | ||
| 2 | Deze aanvragen voldoen aan volgende criteria om ontvankelijk te zijn : | ||
| 3 | 1° de module(s) van opleidingen van het studiegebied `Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2' waarop de aanvraag betrekking heeft, wordt vermeld; | ||
| 4 | 2° het aantal lestijden van de module(s) waarop de aanvraag betrekking heeft, wordt vermeld; | ||
| 5 | 3° de startdatum van de module(s) waarop de aanvraag betrekking heeft, bevindt zich in de maanden juli of augustus; | ||
| 6 | 4° het protocol van de onderhandeling over de organisatie van aanbod Nederlands tweede taal in de maanden juli en augustus is bij de aanvraag bijgevoegd. |
| 1 | § 1. De Vlaamse Regering bepaalt aan welke ontvankelijk verklaarde aanvragen een subsidie voor de organisatie van aanbod Nederlands tweede taal in de maanden juli en augustus wordt toegekend. Indien het totale subsidiebedrag, vermeld in § 1, ontoereikend is om aan alle ontvankelijke aanvragen een subsidie toe te kennen, dan wordt prioriteit gegeven aan : | ||
| 2 | 1° de aanvragen van Centra voor Volwassenenonderwijs die op het moment van de aanvraag beschikken over een wachtlijst, zoals bedoeld in artikel 37, voor de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1; | ||
| 3 | 2° de aanvragen die betrekking hebben op de organisatie van opleidingen Nederlands tweede taal voor inburgeraars, die behoren tot de doelgroep, vermeld in artikel 3, § 4, van het decreet van 28 februari 2003 betreffende het Vlaamse inburgeringsbeleid; | ||
| 4 | 3° de aanvragen van de Centra voor Volwassenenonderwijs die het meest aantal lesuren-cursist in het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 gegenereerd hebben in de laatst afgesloten referteperiode. | ||
| 5 | Indien een centrumbestuur meerdere aanvragen heeft ingediend die ontvankelijk zijn, wordt de tweede aanvraag van dat centrumbestuur pas goedgekeurd nadat er subsidies zijn toegekend aan de ontvankelijke aanvragen van de andere centrumbesturen. | ||
| 6 | § 2. Het centrumbestuur ontvangt voor de goedgekeurde aanvragen een subsidie van 86,36 euro per lestijd. | ||
| 7 | De subsidie per lestijd, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met ingang van 1 januari 2012 aangepast aan de evolutie van de prijsindex die berekend en benoemd wordt door de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen. | ||
| 8 | § 3. De subsidie, vermeld in § 2, wordt uitbetaald in een voorschot en een saldo : | ||
| 9 | 1° een voorschot van 50 percent wordt uitbetaald na de beslissing van de Vlaamse Regering; | ||
| 10 | 2° het saldo van 50 percent wordt uitbetaald na controle van het eindrapport, vermeld in artikel 107quinquies. | ||
| 11 | § 4. De cursisten ingeschreven in een module, ingericht op basis van de subsidie, bedoeld in § 2, komen niet in aanmerking voor de berekening van het aantal lesurencursist. |
| 1 | Uiterlijk één maand na het beëindigen van de module(s) waarvoor men het voorschot, vermeld in artikel 107quater, § 3, 1°, heeft ontvangen, dient het centrumbestuur een eindrapport in bij de Vlaamse Regering. Het eindrapport omvat ten minste : | ||
| 2 | 1° de begin- en einddatum van de ingerichte module(s); | ||
| 3 | 2° de lesplaats waar de module(s) werd ingericht; | ||
| 4 | 3° het aantal aangewende lestijden voor de module(s); | ||
| 5 | 4° het aantal ingeschreven cursisten; | ||
| 6 | 5° het aantal uitgereikte deelcertificaten; | ||
| 7 | 6° het proces-verbaal van de evaluatie, zoals vermeld in artikel 38. |
| 1 | De werkingsmiddelen van Centra voor Volwassenenonderwijs bestaan uit : | ||
| 2 | 1° de inschrijvingsgelden van de cursisten; | ||
| 3 | 2° de tegemoetkomingen, vermeld in artikel 109, § 6, § 6bis en § 7; | ||
| 4 | 3° de toegekende middelen uit het Fonds, vermeld in artikel 110; | ||
| 5 | 4° andere inkomsten. | ||
| 1 | § 1. Elk centrum voor volwassenenonderwijs ontvangt ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n-1/n een werkingstoelage per financieringspunt. | ||
| 2 | § 2. Voor de berekening van de werkingstoelage waarop een centrum voor volwassenenonderwijs vanaf 1 september 2020 jaarlijks recht heeft, wordt het totale beschikbare volume aan werkingsmiddelen voor het volwassenenonderwijs uitgedrukt in financieringspunten. Het totale aantal financieringspunten is de som van het aantal gewogen financieringspunten van alle centra voor volwassenenonderwijs. Elk centrum heeft op 1 september n recht op de som van een vast bedrag per ongewogen financieringspunt en hetzelfde aandeel aan werkingsmiddelen als het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2 volgens de berekeningsformules, vermeld in paragraaf 3, heeft bereikt. De Vlaamse Regering bepaalt het vaste bedrag van de werkingstoelage binnen de volgende grenzen : | ||
| 3 | 1° het bedrag per ongewogen financieringspunt mag niet minder bedragen dan 0,40 euro; | ||
| 4 | 2° het bedrag per ongewogen financieringspunt mag niet meer bedragen dan 0,68 euro. | ||
| 5 | De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar. De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n-1/n recht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar. | ||
| 6 | § 3. Het totale aantal financieringspunten voor de werking per centrum wordt berekend volgens de formule : FP * (ds) * (lpg), waarbij : | ||
| 7 | 1° FP = ongewogen financieringspunt; | ||
| 8 | 2° ds = de coëfficiënt voor infrastructureel dure studiegebieden; | ||
| 9 | 3° lpg = de coëfficiënt voor het aantal gemeenten of deelgemeenten waar het centrum minstens 1 lesplaats heeft met ingericht aanbod in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1. | ||
| 10 | De coëfficiënt voor de infrastructureel dure studiegebieden afwerking bouw, ambachtelijk erfgoed, auto, bakkerij, chemie, groot transport, horeca, huishoudelijk koken, koeling en warmte, land- en tuinbouw, lassen, lichaamsverzorging, maritieme diensten, mechanica-elektriciteit, meubelmakerij, ruwbouw, schrijnwerkerij, slagerij en textiel is 1,38. | ||
| 11 | De coëfficiënten voor het aantal deelgemeenten van gemeenten die op 1 januari 2016 meer dan 100.000 inwoners telden of het aantal gemeenten waar het centrum lesplaatsen heeft, zijn : | ||
| 12 | 1° 1,000 voor één gemeente of deelgemeente; | ||
| 13 | 2° 1,004 voor twee gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 14 | 3° 1,009 voor drie gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 15 | 4° 1,013 voor vier gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 16 | 5° 1,017 voor vijf gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 17 | 6° 1,021 voor zes gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 18 | 7° 1,026 voor zeven gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 19 | 8° 1,030 voor acht gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 20 | 9° 1,034 voor negen gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 21 | 10° 1,039 voor tien gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 22 | 11° 1,043 voor elf gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 23 | 12° 1,047 voor twaalf gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 24 | 13° 1,051 voor dertien gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 25 | 14° 1,056 voor veertien gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 26 | 15° 1,060 voor vijftien en meer gemeenten of deelgemeenten. | ||
| 27 | De Vlaamse Regering kan voor de toepassing van bovenstaande coëfficiënten een minimum aantal lesurencursist per gemeente of deelgemeente bepalen. | ||
| 28 | § 4. Het totale volume aan werkingsmiddelen volgt de evolutie van de gewogen financieringspunten voor het bijkomend bedrag dat berekend wordt op basis van de formule, vermeld in paragraaf 3. | ||
| 29 | Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 1 | § 1. Het inschrijvingsgeld dat de cursist verschuldigd is, wordt berekend door het aantal lestijden van een module of voor het hoger beroepsonderwijs het opleidingsonderdeel te vermenigvuldigen met 1,50 euro. Het inschrijvingsgeld voor het gecombineerd onderwijs wordt berekend, alsof het volledig in contactonderwijs is verstrekt. | ||
| 2 | Indien de in artikel 24, § 2, bedoelde afwijking voor bijzondere doelgroepen het minimale aantal lestijden van een opleiding overschrijdt, dan wordt het inschrijvingsgeld berekend op basis van het aantal lestijden bedoeld in hetzelfde artikel 24, § 1, 3°. | ||
| 3 | § 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt het inschrijvingsgeld begrensd op 300 euro per opleiding per semester. Een semester is een periode van 1 september tot en met 31 december of een periode van 1 januari tot en met 31 augustus. | ||
| 4 | § 3. In afwijking van § 1 geldt er een volledige vrijstelling van het inschrijvingsgeld voor cursisten die : | ||
| 5 | 1° ingeschreven zijn voor een opleiding in de studiegebieden aanvullende algemene vorming en algemene vorming; | ||
| 6 | 1° bis ingeschreven zijn voor de opleiding ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting; | ||
| 7 | 2° op het moment van hun inschrijving materiële hulp genieten zoals bedoeld in de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen; | ||
| 8 | 3° op het moment van hun inschrijving een inkomen verwerven via maatschappelijke dienstverlening of een leefloon of die ten laste zijn van de voormelde categorieën; | ||
| 9 | 4° op het moment van inschrijving gedetineerd zijn zoals is bepaald in artikel 2, 16°bis ; | ||
| 10 | 5° ... | ||
| 11 | 6° inburgeraar zijn en een inburgeringscontract hebben ondertekend als vermeld in artikel 2, eerste lid, 10°, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid, of een attest van inburgering hebben behaald als vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet, voor de opleidingen Nederlands tweede taal richtgraad 1, Nederlands tweede taal richtgraad 2 en Latijns schrift in het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2; | ||
| 12 | 7° op het moment van hun inschrijving nog niet voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht; | ||
| 13 | 8° op het moment van hun inschrijving een inkomen verwerven via een inschakelingsuitkering of een werkloosheidsuitkering voor een opleiding die gevolgd wordt in het kader van een door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding erkend traject naar werk; | ||
| 14 | 9° niet-werkende, verplicht ingeschreven werkzoekenden zijn die op het moment van hun inschrijving nog geen recht op een inschakelingsuitkering hebben verworven; | ||
| 15 | 10° ingeschreven zijn voor een opleiding zoals bedoeld in artikel 64bis. | ||
| 16 | § 4. In afwijking van § 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,60 euro voor cursisten die ingeschreven zijn voor een opleiding in de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. | ||
| 17 | § 5. In afwijking van § 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,30 euro voor cursisten die op het moment van hun inschrijving : | ||
| 18 | 1° een inkomen verwerven via een inschakelingsuitkering of een werkloosheidsuitkering voor andere opleidingen dan deze bedoeld in § 3, 1°, 6° en 7°, of ten laste zijn van voormelde categorieën; | ||
| 19 | 2° in het bezit zijn van een van de volgende attesten of die ten laste zijn van een persoon die in het bezit is van een van de volgende attesten : | ||
| 20 | a) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 percent blijkt; | ||
| 21 | b) een attest waaruit het recht blijkt op een integratietegemoetkoming aan gehandicapten; | ||
| 22 | c) een attest waaruit de inschrijving bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap blijkt; | ||
| 23 | d) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van het verdienvermogen tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen; | ||
| 24 | e) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van de zelfredzaamheid van ten minste zeven punten; | ||
| 25 | 3° gedurende twee opeenvolgende schooljaren een opleiding uit een leergebied van de basiseducatie gevolgd hebben gedurende ten minste 120 lestijden en dit voorafgaand aan het schooljaar van inschrijving in een opleiding uit een studiegebied van het secundair volwassenenonderwijs. | ||
| 26 | § 6. Centra die de studiegebieden aanvullende algemene vorming en algemene vorming organiseren en evaluaties afnemen van personen die geen lessen gevolgd hebben in het Centrum voor Volwassenenonderwijs in kwestie, vragen hiervoor een tegemoetkoming aan de cursist van 15 euro per evaluatieperiode. | ||
| 27 | § 6bis. Het centrum voor volwassenenonderwijs dat een examencommissie organiseert, vraagt hiervoor een tegemoetkoming van 15 euro per persoon en per evaluatieperiode. |
| 1 | § 1. Er wordt een Fonds Inschrijvingsgelden Centra voor Volwassenenonderwijs opgericht, hierna het Fonds genoemd. | ||
| 2 | Het Fonds wordt opgericht als een Dienst met Afzonderlijk Beheer zoals bedoeld in artikel 140 van de Gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit. | ||
| 3 | § 2. Het Fonds wordt belast met het financieel beheer van de inschrijvingsgelden van de centra voor volwassenenonderwijs en de middelen die ter beschikking worden gesteld door de uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap. | ||
| 4 | Per begrotingsjaar wordt per centrum voor volwassenenonderwijs een afrekening gemaakt tussen de ontvangsten en uitgaven. Alleen het resultaat van de afrekening wordt in de begroting van het Fonds als uitgave of als ontvangst geboekt. | ||
| 5 | § 3. De middelen van het Fonds zijn : | ||
| 6 | 1° een dotatie ten laste van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap - Beleidsdomein Onderwijs en Vorming; | ||
| 7 | 2° dotaties ten laste van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap - overige beleidsdomeinen; | ||
| 8 | 3° een vordering op de ontvangen inschrijvingsgelden van de Centra voor Volwassenenonderwijs. Die vordering bedraagt per 1,15 euro inschrijvingsgeld, zoals bepaald in artikel 109, § 1, voor de periode van 1 september 2014 tot en met 31 december 2014 0,40 euro. Die vordering bedraagt per 1,50 euro inschrijvingsgeld, zoals bepaald in artikel 109, § 1, voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 augustus 2015 0,75 euro en vanaf het schooljaar 2015-2016 0,70 euro; | ||
| 9 | 4° de terugvorderingen die voortvloeien uit de ten onrechte verrichte betalingen; | ||
| 10 | 5° de inkomsten die voortvloeien uit de financiële sancties, vermeld in artikel 118, § 2. | ||
| 11 | § 4. De middelen van het Fonds kunnen uitsluitend aangewend worden voor : | ||
| 12 | 1° de toekenning van middelen aan de Centra voor Volwassenenonderwijs. Deze middelen worden samengesteld uit : | ||
| 13 | a) een bedrag per lesuurcursist gegenereerd door cursisten die geen inschrijvingsgeld betalen, dat 0,75 euro bedraagt in het schooljaar 2014-2015 en 0,80 euro vanaf het schooljaar 2015-2016; | ||
| 14 | b) een bedrag per lesuurcursist waarvoor geen inschrijvingsgeld betaald werd op basis van artikel 109, § 2, dat 0,75 euro bedraagt in het schooljaar 2014-2015 en 0,80 euro vanaf het schooljaar 2015-2016; | ||
| 15 | c) een bedrag per lesuurcursist gegenereerd door cursisten die verminderd inschrijvingsgeld van 0,30 euro per lesuur betalen, dat 0,45 euro bedraagt in het schooljaar 2014-2015 en 0,50 euro vanaf het schooljaar 2015-2016; | ||
| 16 | d) een bedrag per lesuurcursist gegenereerd door cursisten die verminderd inschrijvingsgeld van 0,60 euro per lesuur betalen, dat 0,15 euro bedraagt in het schooljaar 2014-2015 en 0,20 euro vanaf het schooljaar 2015-2016; | ||
| 17 | e) 0,30 euro per lesuurcursist voor de opleidingen van de studiegebieden ambachtelijk erfgoed, afwerking bouw, auto, bakkerij, chemie, drankenkennis, horeca, ICT-technieken, koeling en warmte, land- en tuinbouw, lassen, lichaamsverzorging, maritieme diensten, mechanica-elektriciteit, meubelmakerij, ruwbouw, schrijnwerkerij, slagerij en textiel; | ||
| 18 | 2° de toekenning van een premie aan cursisten die een diploma behaald hebben, zoals vermeld in artikel 41, § 4. | ||
| 19 | De Vlaamse Regering bepaalt de opleidingen, bekrachtigd met een diploma die in aanmerking komen voor het verkrijgen van een premie, het bedrag dat per behaald diploma wordt toegekend en de procedure voor de toekenning van de premie; | ||
| 20 | 3° de toekenning van middelen aan de Centra voor Volwassenenonderwijs die onderwijsbevoegdheid hebben in de studiegebieden ambachtelijke accessoires, ambachtelijk erfgoed, afwerking bouw, auto, bakkerij, chemie, drankenkennis, horeca, ICT-technieken, koeling en warmte, land- en tuinbouw, lassen, lichaamsverzorging, maritieme diensten, mechanica-elektriciteit, meubelmakerij, mode : maatwerk, mode : realisaties, ruwbouw, schrijnwerkerij, slagerij en textiel, voor investeringen in de basisuitrusting of de beveiliging van de bestaande uitrustingsgoederen. De Vlaamse Regering bepaalt hiertoe de procedure en de nadere modaliteiten. | ||
| 21 | § 5. De middelen van het Fonds worden eerst aangewend voor de toekenning van middelen zoals bedoeld in § 4, 1°. Slechts indien er na de toekenning van deze middelen in het Fonds nog resterende middelen zijn, kunnen deze aangewend worden voor de toekenning van een premie aan cursisten zoals bedoeld in § 4, 2°, of voor de toekenning van middelen voor de basisuitrusting of de beveiliging van de bestaande uitrustingsgoederen, zoals bedoeld in § 4, 3°. | ||
| 22 | § 6. Het per 31 december van een lopend begrotingsjaar beschikbare saldo van het Fonds wordt overgedragen naar en gevoegd bij de inkomsten van het volgende begrotingsjaar. | ||
| 23 | § 7. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten met betrekking tot de aanwending en het financiële en materiële beheer van het Fonds. |
| 1 | In 2012 wordt door de Vlaamse Regering in overleg met de centra de financiering of subsidiering geëvalueerd, en de resultaten van die evaluatie worden aan het Vlaams Parlement meegedeeld. | ||
| 2 | In afwijking van het eerste lid organiseert de Vlaamse Regering in 2009 een tussentijdse evaluatie van de financiering of subsidiëring van de Centra voor Volwassenenonderwijs. De Vlaamse Regering bepaalt hiertoe de nadere modaliteiten. |
| 1 | Indien zich in een centrum een wachtlijst, zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, voordoet voor een opleiding van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal of Nederlands tweede taal of voor de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4, bedraagt in afwijking van artikelen 85, § 2, en 98, § 1, de waarde van de deler : | ||
| 1 | § 1. Bij de aanwending van het toegekende aantal vte, volume leraarsuren, punten, en werkingstoelagen houdt het centrum voor de volgende soorten opleiding rekening met het plan voor een behoeftedekkend aanbod Nederlands als tweede taal in het volgend schooljaar, goedgekeurd op het regionaal overleg, vermeld in artikel 46/3, 4°, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid : | ||
| 2 | 1° 11 voor het leergebied Nederlands tweede taal ; | 2 | 1° de opleidingen van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal en leergebied Nederlands tweede taal; |
| 3 | 2° 13 voor de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. | 3 | 2° de opleidingen van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. |
| 4 | § 2. Als de onderwijsinspectie in een centrum een kennelijk onverantwoord gebruik van de vrije aanwending vaststelt ten nadele van een van de volgende soorten opleidingen, formuleert ze een omstandig en gemotiveerd advies voor de Vlaamse Regering : | ||
| 5 | 1° de opleidingen van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal of het leergebied Nederlands tweede taal; | ||
| 6 | 2° de opleidingen van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 of Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. | ||
| 7 | De Vlaamse Regering kan op basis van het voormelde advies ten aanzien van het betrokken centrum een norm bepalen. Boven die norm kunnen de vte of de leraarsuren die aan het centrum worden toegekend, gegenereerd door de opleidingen, vermeld in het eerste lid, niet worden aangewend voor andere opleidingen. De Vlaamse Regering kan beslissen om de subsidiëring of financiering van de vte of de leraarsuren boven die norm voor het komende schooljaar in mindering te brengen op het totale aantal financieringspunten, vermeld in artikel 85, § 1, tweede lid, en in artikel 98, § 1, tweede lid. De in mindering gebrachte middelen kunnen toegekend worden aan de instanties, vermeld in artikel 36, om in overeenstemming met het regionaal behoefteplan vermeld in het eerste lid een aanbod te organiseren. De Vlaamse Regering bepaalt de elementen van toetsing voor het advies en de criteria om de subsidie of financiering van een centrum te verminderen en de voorwaarden voor de toekenning van deze in mindering gebrachte middelen aan een andere instelling. | ||
| 8 | § 3. De Vlaamse Regering kan de onderwijsinspectie verzoeken om, op vraag van de instanties zoals vermeld in artikel 36, een onderzoek in te richten, en legt de nadere modaliteiten hiervoor vast. |
| 1 | § 1. De Vlaamse Regering beschikt jaarlijks over een volume aan leraarsuren voor de organisatie van de opleidingen van de leergebieden Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal en opleidingen van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. | ||
| 2 | Het volume, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt voor het schooljaar n/n+1 berekend volgens de formule : | ||
| 3 | ((LUC NT2CVO/12) - (LUC NT2CVO/13)) + ((LUC NT2CBE/10) - (LUCNT2CBE/11)); | ||
| 4 | waarbij : | ||
| 5 | 1° LUC NT2CVO : het aantal lesurencursist van de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4; | ||
| 6 | 2° LUC NT2CBE : het aantal lesurencursist van de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n van het leergebied Nederlands tweede taal. | ||
| 7 | § 2. Het volume aan leraarsuren, zoals bepaald in § 1, kan gedeeltelijk of geheel omgezet worden in een volume aan vte, door het om te zetten volume aan leraarsuren te delen door 667. |
| 1 | § 1. De Vlaamse Regering kent de leraarsuren of vte, bedoeld in artikel 113ter, prioritair toe aan de centra die hun onderwijsbevoegdheid voor de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal, voor de opleiding Nederlands tweede taal alfa - richtgraad 1 van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal, voor de opleiding Latijn schrift - richtgraad 1 basiseducatie van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal, voor de opleiding Latijns schrift van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4, voor de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4, voor de opleiding bedoeld in artikel 62bis of voor de opleiding bedoeld in artikel 64, § 5, uitoefenen in een vestigingsplaats waar zich een wachtlijst, zoals bedoeld in artikel 37, voordoet. | ||
| 2 | § 2. De leraarsuren of vte voor de centra, bedoeld in § 1, worden toegekend in verhouding tot het aantal cursisten die de intake, testing en doorverwijzing door het Huis van het Nederlands hebben doorlopen en op een wachtlijst, zoals bedoeld in artikel 37, staan. | ||
| 3 | § 3. De leraarsuren die niet werden toegekend op basis van de bepalingen, bedoeld in § 2, worden pro rata het volume gegenereerde lesurencursist in de voorafgaande referteperiode verdeeld over de centra die nog geen leraarsuren of vte, bedoeld in artikel 113ter, toegekend kregen. |
| 1 | § 1. De leraarsuren of vte, zoals bedoeld in artikel 113quater, § 1, kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal, de opleiding Nederlands tweede taal alfa - richtgraad 1 van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal, de opleiding Latijn schrift - richtgraad 1 basiseducatie van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal, de opleiding Latijns schrift van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4, de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4, de opleiding bedoeld in artikel 62bis of de opleiding bedoeld in artikel 64, § 5. | ||
| 2 | Deze leraarsuren of vte, bedoeld in artikel 113quater, § 2, eerste lid, kunnen niet aangewend worden voor andere opdrachten dan de lesopdracht. | ||
| 3 | § 2. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de organisatie van de opleidingen, bedoeld in § 1, eerste lid, met betrekking tot het aantal in te richten lestijden per week, het aantal ingeschreven cursisten en de vestigingsplaats waar de opleiding wordt ingericht. |
| 1 | De Vlaamse Regering kan bepalen dat een Centrum voor Volwassenenonderwijs de leraarsuren die het gegenereerd heeft in de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 in de referteperiode 1 april n-1 tot en met 31 maart n, volledig moet aanwenden voor de organisatie van opleidingen in dit studiegebied in het schooljaar n/n+1, indien dat Centrum voor Volwassenenonderwijs : | ||
| 2 | 1° beschikt over een wachtlijst, zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, voor een opleiding uit de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4; | ||
| 3 | 2° de leraarsuren die het gegenereerd heeft in de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 in de referteperiode 1 april n-2 tot en met 31 maart n-1, niet volledig heeft aangewend voor de organisatie van opleidingen van dit studiegebied in het schooljaar n-1/n. | ||
| 4 | De Vlaamse Regering bepaalt voor welke termijn de bepaling in het eerste lid van toepassing is, met een maximum van twee schooljaren. |
| 1 | § 1. Het inschrijvingsgeld dat de cursist verschuldigd is, wordt berekend door het aantal lestijden van een module te vermenigvuldigen met 1,50 euro. Het inschrijvingsgeld voor het gecombineerd onderwijs wordt berekend, alsof het volledig in contactonderwijs is verstrekt. | ||
| 2 | Indien de in artikel 24, § 2, bedoelde afwijking voor bijzondere doelgroepen het minimale aantal lestijden van een opleiding overschrijdt, dan wordt het inschrijvingsgeld berekend op basis van het aantal lestijden bedoeld in hetzelfde artikel 24, § 1, 3°. | ||
| 3 | § 2. Als de cursist zich binnen een periode van zes schooljaren drie keer voor dezelfde module heeft ingeschreven, wordt het verschuldigde inschrijvingsgeld bij een volgende inschrijving in dezelfde module berekend door het aantal lestijden van die module te vermenigvuldigen met 3 euro. Indien de cursist een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld geniet zoals bepaald in paragraaf 4, dan wordt het aantal lestijden vermenigvuldigd met 1,5 euro. | ||
| 4 | In afwijking van het eerste lid geldt de vermenigvuldiging met 3 of 1,5 euro niet voor een inschrijving in een open module die voldoet aan de bepalingen van artikel 25bis. | ||
| 5 | § 3. In afwijking van paragraaf 1 wordt het inschrijvingsgeld begrensd op 300 euro per opleiding per semester. Een semester is een periode van 1 september tot en met 31 december of een periode van 1 januari tot en met 31 augustus. Het inschrijvingsgeld, vermeld in paragraaf 2, wordt niet meegerekend in de begrenzing van het inschrijvingsgeld. | ||
| 6 | § 4. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een volledige vrijstelling van het inschrijvingsgeld voor cursisten die : | ||
| 7 | 1° geen houder zijn van een diploma van het secundair onderwijs en ingeschreven zijn voor geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren, een opleiding in de leergebieden van de basiseducatie of een opleiding in de studiegebieden aanvullende algemene vorming of algemene vorming; | ||
| 8 | 2° ingeschreven zijn voor de opleiding ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting; | ||
| 9 | 3° op het moment van hun inschrijving materiële hulp genieten zoals bedoeld in de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen; | ||
| 10 | 4° op het moment van hun inschrijving een inkomen verwerven via maatschappelijke dienstverlening of een leefloon of die ten laste zijn van de voormelde categorieën; | ||
| 11 | 5° op het moment van inschrijving gedetineerd zijn zoals is bepaald in artikel 2, 16° bis; | ||
| 12 | 6° inburgeraar zijn en een inburgeringscontract hebben ondertekend als vermeld in artikel 2, eerste lid, 10°, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid, of een attest van inburgering hebben behaald als vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet, voor de opleidingen Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1, Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 - schriftelijk richtgraad 1.1, Latijns schrift - Basiseducatie van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal, Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal en de opleidingen Nederlands tweede taal richtgraad 1 Nederlands tweede taal richtgraad 1, Nederlands tweede taal richtgraad 2 en Latijns schrift in het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2; | ||
| 13 | 7° op het moment van hun inschrijving nog niet voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht; | ||
| 14 | 8° werkzoekend zijn, zoals bepaald in artikel 2, 47° bis; | ||
| 15 | 9° niet-werkende, verplicht ingeschreven werkzoekenden zijn die op het moment van hun inschrijving nog geen recht op een inschakelingsuitkering hebben verworven; | ||
| 16 | 10° ingeschreven zijn voor een opleiding zoals bedoeld in artikel 64bis; | ||
| 17 | 11° ingeschreven zijn voor de opleiding Ondernemerschap en tegelijk ingeschreven zijn als leerling in de derde graad van het secundair onderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, een centrum voor deeltijdse vorming, of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen. | ||
| 18 | § 5. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,60 euro voor cursisten die ingeschreven zijn voor een opleiding in de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. | ||
| 19 | § 6. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,30 euro voor cursisten die op het moment van hun inschrijving : | ||
| 20 | 1° een inkomen verwerven via een inschakelingsuitkering of een werkloosheidsuitkering voor andere opleidingen dan deze bedoeld in paragraaf 4, 1°, 6° en 7°, of ten laste zijn van voormelde categorieën; | ||
| 21 | 2° in het bezit zijn van een van de volgende attesten of die ten laste zijn van een persoon die in het bezit is van een van de volgende attesten : | ||
| 22 | a) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 percent blijkt; | ||
| 23 | b) een attest waaruit het recht blijkt op een integratietegemoetkoming aan gehandicapten; | ||
| 24 | c) een attest waaruit de inschrijving bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap blijkt; | ||
| 25 | d) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van het verdienvermogen tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen; | ||
| 26 | e) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van de zelfredzaamheid van ten minste zeven punten. | ||
| 27 | § 7. Centra die de studiegebieden aanvullende algemene vorming en algemene vorming organiseren en evaluaties afnemen van personen die geen lessen gevolgd hebben in het centrum voor volwassenenonderwijs in kwestie, vragen hiervoor een tegemoetkoming aan de cursist van 15 euro per evaluatieperiode. | ||
| 28 | § 8. Het centrum voor volwassenenonderwijs dat een examencommissie organiseert, vraagt hiervoor een tegemoetkoming van 15 euro per persoon en per evaluatieperiode. |
| 1 | § 1. Er wordt per 1 september 2019 een begrotingsfonds "Fonds Volwassenenonderwijs" opgericht, hierna genoemd `het fonds'. | ||
| 2 | § 2. Het fonds is een begrotingsfonds zoals vermeld in artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof. | ||
| 3 | § 3. Het fonds wordt gespijsd door: | ||
| 4 | 1° alle ontvangsten die voortvloeien uit de inschrijvingsgelden van het volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 113novies. Elk centrumbestuur betaalt daartoe in het jaar n aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen voor elk van zijn gesubsidieerde of gefinancierde centra in twee schijven een bedrag dat berekend wordt tegen 100 % van de inschrijvingsgelden van de cursisten die ingeschreven waren in het schooljaar n-2/n-1. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het centrumbestuur de inschrijvingsgelden overmaakt aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen; | ||
| 5 | 2° andere ontvangsten ten behoeve van het volwassenenonderwijs. | ||
| 6 | § 4. Het fonds wordt aangewend ter financiering van: | ||
| 7 | 1° de werkingstoelagen en de werkingsmiddelen in het volwassenenonderwijs; | ||
| 8 | 2° de premie aan cursisten die een diploma van het secundair onderwijs behaald hebben als vermeld in artikel 41, § 4, 2° en 2° bis. De Vlaamse Regering bepaalt de opleidingen, bekrachtigd met een diploma van het secundair onderwijs, die in aanmerking komen voor het verkrijgen van een premie, het bedrag dat wordt toegekend en de procedure voor de toekenning van de premie; | ||
| 9 | 3° de betaling van andere uitgaven ten voordele van het volwassenenonderwijs. | ||
| 10 | § 5. Het saldo en de vastgestelde rechten vastgesteld op 31 december 2019 op het Fonds Inschrijvingsgelden Centra voor Volwassenenonderwijs zoals bepaald in artikel 110 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, wordt overgedragen naar het fonds, zoals bepaald in het vorige artikel. |
| 1 | Het centrumbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 108 of van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB , personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een centrumbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het meesters-, vak en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een centrumbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. | 1 | Het centrumbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 108 of van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB of van andere middelen, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een centrumbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het meesters-, vak en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een centrumbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. |
| 2 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. | 2 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. |
| 3 | Het personeelslid dat door een centrumbestuur voor volwassenenonderwijs in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. | 3 | Het personeelslid dat door een centrumbestuur voor volwassenenonderwijs in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. |
| 1 | § 1. Onverminderd artikel 90 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde vte waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft, berekend volgens de volgende formules : | ||
| 2 | 1° schooljaar 2019-2020 : (vte schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt); | ||
| 3 | 2° schooljaar 2020-2021 : (vte berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,33); | ||
| 4 | 3° schooljaar 2021-2022 : (vte berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, heeft bereikt); | ||
| 5 | 4° schooljaar 2022-2023 : (vte berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, heeft bereikt). | ||
| 6 | Onverminderd artikel 107 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde leraarsuren waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft, berekend volgens de volgende formules : | ||
| 7 | 1° schooljaar 2019-2020 : (leraarsuren schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt en de lesurencursist gerealiseerd in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend); | ||
| 8 | 2° schooljaar 2020-2021 : (leraarsuren, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 2, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,33); | ||
| 9 | 3° schooljaar 2021-2022 : (leraarsuren, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 2, heeft bereikt); | ||
| 10 | 4° schooljaar 2022-2023 : (leraarsuren, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 2, heeft bereikt). | ||
| 11 | § 2. Onverminderd artikel 90 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde punten waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft, berekend volgens de volgende formule : | ||
| 12 | 1° schooljaar 2019-2020 : (punten schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt); | ||
| 13 | 2° schooljaar 2020-2021 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 87, § 2bis, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,33); | ||
| 14 | 3° schooljaar 2021-2022 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 87, § 2bis, heeft bereikt); | ||
| 15 | 4° schooljaar 2022-2023 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 87, § 2bis, heeft bereikt). | ||
| 16 | Onverminderd artikel 107 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde punten waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft, berekend volgens de volgende formules : | ||
| 17 | 1° schooljaar 2019-2020 : (punten schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt en de lesurencursist gerealiseerd in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend); | ||
| 18 | 2° schooljaar 2020-2021 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 105, § 3bis, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,33); | ||
| 19 | 3° schooljaar 2021-2022 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 105, § 3bis, heeft bereikt); | ||
| 20 | 4° schooljaar 2022-2023 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 105, § 3bis, heeft bereikt). | ||
| 21 | § 3. Voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2023-2024 wordt de werkingstoelage waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft, als volgt berekend : | ||
| 22 | 1° schooljaar 2019-2020 : werkingstoelage schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt; | ||
| 23 | 2° schooljaar 2020-2021 : werkingstoelage, berekend op basis van de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019; | ||
| 24 | 3° schooljaar 2021-2022 : werkingstoelage, berekend op basis van het gemiddelde van de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020; | ||
| 25 | 4° schooljaar 2022-2023 : werkingstoelage, berekend op basis van het gemiddelde van de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021; | ||
| 26 | 5° schooljaar 2023-2024 : werkingstoelage, berekend op basis van het gemiddelde van de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021. | ||
| 27 | Voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2023-2024 wordt de werkingstoelage waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft, berekend volgens de volgende formules : | ||
| 28 | 1° schooljaar 2019-2020 : (werkingstoelage schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt en de lesurencursist gerealiseerd in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 wordt gehanteerd en de lesurencursist die gerealiseerd zijn in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend); | ||
| 29 | 2° schooljaar 2020-2021 : (werkingstoelage, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 108, § 3, heeft bereikt); | ||
| 30 | 3° schooljaar 2021-2022 : (werkingstoelage, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 108, § 3, heeft bereikt); | ||
| 31 | 4° schooljaar 2022-2023 : (werkingstoelage, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 108, § 3, heeft bereikt); | ||
| 32 | 5° schooljaar 2023-2024 : (werkingstoelage, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 108, § 3, heeft bereikt). | ||
| 33 | § 4. Het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde vte en punten en de werkingstoelage waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft voor de schooljaren 2020-2021 tot en met 2022-2023 kan in toepassing van paragraaf 1 tot en met paragraaf 3 niet minder bedragen dan 100 % van het aantal gesubsidieerde vte en punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020. Indien deze vte, punten en werkingstoelagen in toepassing van paragraaf 1 tot en met paragraaf 3 minder bedragen dan 100 % van het aantal gesubsidieerde vte en punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020, worden voor elk centrum deze verliezen gecompenseerd a rato van : | ||
| 34 | 1° 100 % voor het schooljaar 2020-2021; | ||
| 35 | 2° 66 % voor het schooljaar 2021-2022; | ||
| 36 | 3° 33 % voor het schooljaar 2022-2023. | ||
| 37 | Het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde leraarsuren en punten en de werkingstoelage waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft voor de schooljaren 2020-2021 tot en met 2022-2023 kan in toepassing van paragraaf 1 tot en met paragraaf 3 niet minder bedragen dan 100 % van het aantal gesubsidieerde leraarsuren en punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020. Indien deze leraarsuren, punten en werkingstoelagen in toepassing van paragraaf 1 tot en met paragraaf 3 minder bedragen dan 100 % van het aantal gesubsidieerde leraarsuren en punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020, worden voor elk centrum deze verliezen gecompenseerd a rato van : | ||
| 38 | 1° 100 % voor het schooljaar 2020-2021; | ||
| 39 | 2° 66 % voor het schooljaar 2021-2022; | ||
| 40 | 3° 33 % voor het schooljaar 2022-2023. |
| 1 | In afwijking van artikel 83 en artikel 97, § 6, wordt voor het schooljaar 2020-2021 in de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 en de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 vastgesteld of een centrum voldoet aan de rationalisatienorm. |