§ flandrepo
52 regels · van kracht sinds 20 aug 2026
1§1. Indien de oeverzone enkel de taluds omvat gelden ten minste de volgende bepalingen:
21° elke vorm van bemesting is verboden, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing. Indien de oeverzone enkel de taluds omvat, is elke vorm van bemesting, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing verboden binnen:
3a) vijf meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam;
4b) tien meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam in het Vlaams Ecologisch Netwerk;
5c) tien meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam indien een helling grenst aan het oppervlaktewaterlichaam;
62° het gebruik van pesticiden als vermeld in artikel 3, van het decreet van 8 februari 2013 houdende duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest, is verboden in de oeverzone en binnen een meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam. Van dat verbod kan worden afgeweken in de gevallen, vermeld in artikel 7, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet, en volgens de procedures, vastgesteld ter uitvoering van dat decreet;
73° grondbewerkingen zijn verboden binnen een meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een oppervlaktewaterlichaam. De grondbewerkingen, uitgevoerd vanaf een meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud, moeten beantwoorden aan de code van goede landbouwpraktijken;
84° er mogen geen nieuwe bovengrondse constructies worden opgericht of aanmerkelijke reliëfwijzigingen als vermeld in artikel 4.2.1, 4°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 worden doorgevoerd binnen vijf meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een oppervlaktewaterlichaam. Dat geldt ook aan overwelfde of ingebuisde oppervlaktewaterlichamen. Met uitzondering van herbouwen als vermeld in artikel 4.1.1, 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 is de uitvoering van onderhoudswerken, stabiliteitswerken en het verbouwen van dergelijke constructies, vermeld in artikel 4.1.1, 9°, 11° en 12°, van de voormelde codex, toegestaan als die handelingen toelaatbaar zijn op basis van de regelgeving over de ruimtelijke ordening.
9De voormelde verboden zijn niet van toepassing op:
10a) constructies en reliëfwijzigingen die noodzakelijk zijn voor het beheer van het oppervlaktewaterlichaam;
11b) werkzaamheden van algemeen belang;
12c) werkzaamheden en constructies die expliciet zijn toegelaten door een ruimtelijk uitvoeringsplan als ze de functie of de functies van de oeverzone niet onmogelijk maken;
13d) werkzaamheden en constructies voorzien in een goedgekeurd beheersplan voor onroerend erfgoed of erfgoedlandschappen als vermeld in artikel 8.1.6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 betreffende de uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
14e) constructies en reliëfwijzigingen die verenigbaar zijn met de functie of de functies van de oeverzone en met het recht van doorgang van de waterbeheerder;
155° bij het uitvoeren van de werken, vermeld in punt 4°, andere dan degene die niet zijn gericht op het herstel van de natuurlijke werking van het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam, worden bij voorkeur en waar mogelijk de technieken van natuurtechnische milieubouw gehanteerd.
16Op percelen gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3 en waarop als hoofdteelt een nitraatgevoelige teelt wordt verbouwd, en die gelegen zijn langs oppervlaktewaterlichamen die zijn opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas, gelden vanaf 1 januari 2025 de volgende bijkomende bepalingen:
171° het gebruik van pesticiden is als vermeld in artikel 3 van het decreet van 8 februari 2013 houdende duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest, verboden in de oeverzone en binnen 5 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam. Van dat verbod kan worden afgeweken in de gevallen, vermeld in artikel 7, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet, en volgens de procedures, vastgesteld ter uitvoering van dat decreet;
182° binnen 5 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een oppervlaktewaterlichaam mag geen nitraatgevoelige teelt aanwezig zijn.
19In afwijking van het eerste lid, 1° tot en met 3°, gelden voor oeverzones die enkel de taluds omvatten, die onderdeel zijn van een landbouwgrond of gelegen langs een landbouwgrond, en die gelegen zijn langs oppervlaktewaterlichamen die zijn opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas, vanaf 1 januari 2026 de volgende bepalingen:
201° in de beschermingsstrook is elke vorm van bemesting verboden, met inbegrip van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing. In afwijking hiervan is elke vorm van bemesting met inbegrip van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, verboden over een strook van minimaal 10 meter vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas, voor percelen gelegen langs oppervlaktewaterlichamen die zijn opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas gelegen in het Vlaams Ecologisch Netwerk of voor percelen waar een helling grenst aan de waterloop.
21In afwijking hiervan is op de beschermingsstrook of de strook van 10 meter bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing toegestaan, als de beschermingsstrook of in voorkomend geval de strook van 10 meter:
22a) hetzij behoort tot een perceel waarop als hoofdteelt gras verbouwd wordt;
23b) hetzij in geval van tijdelijke begrazing voor het onderhoud van de beschermingsstrook of de strook van 10 meter;
242° het gebruik van pesticiden als vermeld in artikel 3 van het decreet van 8 februari 2013 houdende duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest, is verboden in de beschermingsstrook. Van dat verbod kan worden afgeweken in de gevallen, vermeld in artikel 7, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet, en volgens de procedures, vastgesteld ter uitvoering van dat decreet;
253° op de beschermingsstrook is hetzij spontane vegetatie aanwezig, hetzij vanaf 1 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam een meerjarig buffergewas;
264° bewerkingen, uitgevoerd buiten de beschermingsstrook, moeten beantwoorden aan de code van goede landbouwpraktijken;
275° in de beschermingsstrook zijn bewerkingen met inbegrip van het betreden of berijden van de beschermingsstrook, verboden. Op het gedeelte vanaf 1 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam, zijn de volgende uitzonderingen op het bewerkingsverbod toegestaan:
28a) beschermingsstroken waarop niet-houtige vegetatie aanwezig is. Hiervoor is het toegelaten om te maaien op voorwaarde dat het maaien niet gebeurt in de periode vanaf 1 mei tot en met 15 juni. Dit geldt niet voor stroken die grenzen aan of deel zijn van een perceel grasland. De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin in afwijking van het voorgaande wel gemaaid mag worden;
29b) bewerkingen die noodzakelijk zijn om probleemonkruiden mechanisch te bestrijden en op voorwaarde dat de bestrijding van de onkruiden gericht en pleksgewijs gebeurt;
30c) bewerkingen die nodig zijn om het meerjarig buffergewas te vernieuwen, met dien verstande dat dit maximaal eenmaal om de drie jaar mogelijk is;
31d) het louter rijden over de beschermingsstrook als gevolg van het gebruik van de beschermingsstrook als wendakker, met dien verstande dat bij het toepassen van deze uitzondering er maximaal getracht moet worden om de beschermingsstrook niet te beschadigen;
32e) bewerkingen voor het uitvoeren van activiteiten of werkzaamheden als vermeld in het eerste lid, 4°, a) tot en met e).
33Bij het verbouwen van een buffergewas als vermeld in het derde lid, 3°, of het uitvoeren van bewerkingen als vermeld in het derde lid, 5°, wordt er voor gezorgd dat de stabiliteit van het talud gegarandeerd blijft.
34In afwijking van het derde lid kan, mits voorafgaandelijk positief advies van de waterloopbeheerders en mits dit geen risico’s voor de waterveiligheid met zich meebrengt, de Vlaamse Regering in de zone binnen 1 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam, bepaalde maatregelen toestaan.
35De beschermingsstrook als vermeld in het derde lid is een strook die vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas:
361° minimaal 3 meter is;
372° in afwijking van punt 1° is de beschermingsstrook minimaal 5 meter voor percelen:
38a) hetzij gelegen in de gebieden, vermeld in artikel 10, §1, 7°, c), van het Pachtdecreet van 13 oktober 2023;
39b) hetzij gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3 en waarop als hoofdteelt een nitraatgevoelige teelt wordt verbouwd.
40De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de toepassing van deze paragraaf, kan bepalen welke planten als probleemonkruid beschouwd worden, kan aan de toegestane grondbewerkingen als vermeld in het derde lid extra voorwaarden verbinden, waaronder het beperken van de periode waarbinnen deze grondbewerkingen uitgevoerd mogen worden en kan voor percelen waarvoor de toepassing van de afwijking, vermeld in het zesde lid, 2°, b), een verhoudingsgewijs grote impact heeft, de afwijking, vermeld in het zesde lid, 2°, b), beperken.
41Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
421° gebiedstype 2: gebiedstype 2 als vermeld in artikel 3, §2, 7°, van het Mestdecreet van 22 december 2006;
432° gebiedstype 3: gebiedstype 3 als vermeld in artikel 3, §2, 8°, van het Mestdecreet van 22 december 2006;
443° landbouwgrond: landbouwgrond als vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
454° meerjarig buffergewas: gras, meerjarige vlinderbloemigen of meerjarige mengsels met vlinderbloemigen of houtige gewassen. De Vlaamse Regering kan de lijst met meerjarige buffergewassen aanpassen;
465° nitraatgevoelige teelt: een teelt die geen niet-nitraatgevoelige teelt als vermeld in artikel 3, §6, 16°/1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, is.
47§2. De Vlaamse Regering kan in de oeverzones en in de afgebakende oeverzones, naast de bepalingen vermeld in paragraaf 1, andere noodzakelijke maatregelen opleggen, met inbegrip van erfdienstbaarheden.
48In dat geval kunnen particuliere grondeigenaars of gebruikers aan het Vlaamse Gewest een vergoeding vragen. Die vergoeding kan alleen worden gevraagd als maatregelen worden opgelegd die verder gaan dan wat voor het bereiken van de basismilieukwaliteitsnormen is vereist of die verder gaan dan de maatregelen die vereist zijn voor het realiseren van het standstillbeginsel, vermeld in artikel 1.2.3, 1° .
49De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor het beheer van oeverzones, de financiering ervan en de vergoedingsregeling, vermeld in het tweede lid.
50§3. De aangelanden, de gebruikers en de eigenaars van kunstwerken op de oppervlaktewaterlichamen zijn verplicht om:
511° doorgang te verlenen aan de personeelsleden van de beheerder van een waterloop of waterweg, aan de werklieden en aan de andere personen die in opdracht van de overheid met de uitvoering van het beheer van een oeverzone zijn belast;
522° op hun gronden of eigendommen de materialen, het gereedschap en de werktuigen te laten plaatsen die voor de uitvoering van de werkzaamheden aan de oeverzone nodig zijn.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd