33 regels · van kracht sinds 1 sep 2026nieuwe versie vanaf 1 apr 2027
1
§1. Een aanstelling eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg:
2
1° bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt;
3
2° bij het einde van de aanstelling of van de benoeming van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt;
4
3° op het ogenblik dat het tijdelijk personeelslid wordt benoemd in deze betrekking;
5
4° uiterlijk op het einde van de termijn waarvoor de aanstelling gebeurde;
6
5° bij pensionering wegens het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd of op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt. De leden van het administratief en technisch personeel, vermeld in hoofdstuk 3, kunnen bij het bereiken van de pensioenleeftijd maar verder werken tot het einde van het academiejaar wanneer het hogeschoolbestuur hiermee instemt;
7
6° bij overlijden;
8
7° bij ontslag wegens dringende redenen;
9
8° voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel V.106;
10
9° wanneer is vastgesteld dat het personeelslid wegens en overeenkomstig de wet, het decreet of het reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat is zijn ambt naar behoren te vervullen.
11
§2. Wanneer het hogeschoolbestuur een einde maakt aan de aanstelling, om andere redenen dan de bepalingen vermeld in paragraaf 1, moet het een opzeggingstermijn in acht nemen, gelijk aan 3 maanden per begonnen schijf van 5 jaar dienstanciënniteit gepresteerd in de betrokken hogeschool of haar rechtsvoorganger. De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van kennisgeving van de opzegging. Op straffe van nietigheid moet de kennisgeving van de opzegging het begin en de duur van de opzeggingstermijn vermelden. De kennisgeving gebeurt door afgifte van een geschrift aan het personeelslid dat tekent voor ontvangst, ofwel bij aangetekend schrijven dat uitwerking heeft de derde werkdag na verzending, ofwel bij deurwaardersexploot.
12
De opzeggingstermijn wordt herleid tot 7 dagen indien het een personeelslid betreft dat is aangesteld voor een periode van minder dan 12 maanden en indien dit personeelslid de evaluatie "onvoldoende" heeft gekregen voor het ambt waarop de evaluatie betrekking heeft.
Wanneer het hogeschoolbestuur een einde maakt aan de aanstelling van een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1 naar de hogeschool overgegaan is, wordt voor het bepalen van de opzeggingstermijn ook rekening gehouden met de dienstanciënniteit die het personeelslid in het hoger beroepsonderwijs of de specifieke lerarenopleiding aan het centrum voor volwassenenonderwijs opgebouwd heeft.
§2/1. Het hogeschoolbestuur kan in het kader van het bevorderen van een evenwichtige verdeling van de werkgelegenheid tussen generaties de aanstelling beëindigen van een personeelslid vanaf het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. Het einde van de aanstelling gaat in op een van de volgende momenten:
15
1° de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
16
2° op de eerste dag van de maand na het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
17
3° op een door het hogeschoolbestuur en het personeelslid overeengekomen moment dat tussen de momenten, vermeld in punt 1° en 2°, ligt.
18
Het hogeschoolbestuur dat de aanstelling beëindigt, neemt daarbij een opzeggingstermijn in acht die gelijk is aan 26 weken. Het hogeschoolbestuur en het personeelslid kunnen een kortere opzeggingstermijn overeenkomen. De opzeggingstermijn gaat in de maandag volgend op de week waarin het personeelslid op de hoogte gebracht is van de opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn kan niet geschorst worden. De start- en einddatum van de opzeggingstermijn worden opgenomen in het geschrift, vermeld in het derde lid, dat aan het personeelslid bezorgd wordt.
19
Het hogeschoolbestuur brengt het personeelslid op een van de volgende manieren op de hoogte van de opzegging:
20
1° door afgifte van een geschrift aan het personeelslid, dat tekent voor ontvangst;
21
2° bij aangetekend schrijven;
22
3° bij deurwaardersexploot.
23
Het in het derde lid vermelde aangetekend schrijven heeft uitwerking op de derde werkdag na de datum van de verzending.
§3. Behalve om redenen die vreemd zijn aan de uitoefening van de volgende rechten mag het hogeschoolbestuur in afwijking van paragraaf 2 geen handelingen stellen die eenzijdig een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid dat gebruik maakt van een van die rechten:
25
1° het recht op geboorteverlof, vermeld in artikel 7/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool;
26
2° het recht op ouderschapsverlof, vermeld in artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool;
27
3° het recht op zorgverlof, vermeld in artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool;
28
4° het recht om een flexibele werkregeling aan te vragen, vermeld in artikel V.116/6;
29
5° het recht om een nevenactiviteit uit te oefenen, binnen de grenzen van de cumulatieregeling en de regeling rond onverenigbaarheden, vermeld in hoofd-stuk 2, afdeling 6 en 7, en in hoofdstuk 3, afdeling 6;
30
6° het recht op een ambtswijziging, vermeld in artikel V.108.
31
Het verbod, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag van de aanvraag van een van de rechten, vermeld in het eerste lid, 1° en 3° tot en met 5°, of de geboorte van het kind bij ouderschapsverlof als vermeld in het eerste lid, 2°, en eindigt dertig dagen na de uiterste datum van de uitoefening van het recht.
32
Het hogeschoolbestuur deelt het personeelslid schriftelijk mee wat de redenen voor het ontslag zijn. Als de ingeroepen redenen niet vreemd zijn aan de uitoefening van het recht waarvan het personeelslid gebruik maakt of als er geen reden opgegeven is, betaalt het hogeschoolbestuur aan het personeelslid aanvullend op de opzegtermijn of -vergoeding een forfaitaire vergoeding die gelijk is aan het brutoloon voor zes maanden. De voormelde vergoeding mag bij het ontslag van een personeelslid dat gebruik maakt van de rechten, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 5°, niet samen genoten worden met andere vergoedingen die in het kader van een bijzondere beschermingsprocedure tegen ontslag zijn bepaald.
33
Elke handeling van het hogeschoolbestuur na afloop van de periode, vermeld in het tweede lid, die als doel heeft om de aanstelling te beëindigen waarvoor tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, voorbereidingen zijn getroffen, wordt gelijkgesteld met een ontslag door het hogeschoolbestuur als vermeld in het eerste lid. Onder het voormelde treffen van enige voorbereiding wordt ook het nemen van de ontslagbeslissing begrepen.