§ flandrepo

Over het professionele rijonderricht #1739

Gemerged Marino KeulenPaul Van MiertSofie MertensRita MoorsMartine FournierBert Maertens Open Vld, N-VA, cd&v wijzigt geen gevolgde wet · 5 juni 2023 1 checks vragen aandacht
Amendementen
28 februari 2024 · 9 blz.
1739/4 Officiële PDF
Dit stuk wijzigt geen artikels rechtstreeks; de aanvaarde amendementen zitten in de volgende tekst van het voorstel. Hieronder de tekst uit de PDF.
verzendcode: OPE ingediend op 21 februari 2024 (2023-2024) Amendementen op het voorstel van decreet van Marino Keulen, Paul Van Miert, Sofie Mertens, Rita Moors, Martine Fournier en Bert Maertens over het professionele rijonderricht Documenten in het dossier: : Ontwerp van decreet – Nr. 2: Advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit – Nr. 3: Advies van de Raad van State AMENDEMENT Nr. 1 voorgesteld door Marino Keulen, Paul Van Miert, Sofie Mertens, Rita Moors, Martine Fournier en Bert Maertens Artikel 8 Paragraaf 2 vervangen door wat volgt: “§2. Elke vergunde rijlesgever die professioneel theorieonderricht of professioneel praktijkonderricht verstrekt en die op 31 december van het voorgaande kalenderjaar over een vergunning als vermeld in artikel 2, 33°, a), beschikt, betaalt een jaarlijkse vergoeding aan het departement van 150 euro voor de administratie, de controle en het toezicht die nodig zijn conform dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Het bedrag van de vergoeding, vermeld in het eerste lid, wordt elk jaar op 1 januari automatisch aangepast aan de gezondheidsindex van de maand november van het voorgaande jaar. Het verkregen resultaat wordt afgerond naar de hogere euro als het deel in decimalen groter dan of gelijk is aan vijftig cent. De afronding gebeurt naar de lagere euro als dit deel kleiner is dan vijftig cent. Het basisindexcijfer is dat van de maand november 2023. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de vergoeding wordt geïnd.”. VERANTWOORDING De Raad van State stelt in het advies van 21 november 2023 (73.920/3) dat de jaarlijkse retributie uit artikel 8, §2, van het voorstel van decreet die elke vergunde rijlesgever die professioneel theorieonderricht of professioneel praktijkonderricht verstrekt, moet betalen om de kosten te dekken voor de administratie, de controle en het toezicht die nodig zijn volgens dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, niet kan worden beschouwd als een prestatie van de overheid ten voordele van de vergunde rijlesgever, individueel beschouwd. De Raad van State gaat ervan uit dat de financiering van het algemeen overheidstoezicht op de houders van een vergunning niet zonder meer kan worden afgewenteld op die houders door middel van retributies. De Raad van State stelt dat het niet gaat om een retributie, maar om een vergoeding van fiscale aard, zodat het voorstel in de voorgestelde versie geen doorgang kan vinden. De Raad van State merkt daarbij op dat de bijdrage waarin wordt voorzien vorm zou kunnen krijgen als belasting, als de essentiële elementen in het voorstel van decreet worden geregeld (randnummer 7 en voetnoot 27 van het advies). Het advies kan op dat punt niet worden bijgetreden. Het specifieke toezicht dat wordt bedoeld, komt wel degelijk individueel ten goede aan de vergunde rijlesgevers die professioneel theorieonderricht of professioneel praktijkonderricht verstrekken. Het Grondwettelijk Hof (GwH) heeft over de financiële jaarlijkse bijdragen die de kansspelinrichtingen verschuldigd zijn ter financiering van de oprichtings-, personeels- en werkingskosten van de Kansspelcommissie die instaat voor de toepassing en de controle van de naleving van de Kansspelwet en haar uitvoeringsbesluiten voor de kansspelsector, geoordeeld dat die bijdragen hun juridische aard van een retributie behouden, op voorwaarde dat de bijdrage in redelijke verhouding staat tot de prestatie (GwH 13 juli 2001, B.10.3.2; GwH 29 maart 2018, 42/2018, B.19 en B.23 en GwH 23 mei 2019, 72/2019, B.3.3). De omstandigheid dat een jaarlijkse vergoeding gebruikt wordt voor de toepassing en de controle van de naleving van de sectorspecifieke regeling en de sector in het geheel, neemt dus niet weg dat er sprake is van een prestatie ten voordele van de heffingsplichtige, individueel beschouwd, en ontneemt de vergoeding dus niet haar juridische aard van retributie (op voorwaarde dat de vergoeding in redelijke verhouding staat). De tegenprestatie van de overheid voor de vergoeding bestaat erin dat toezicht en controle gehouden wordt op de desbetreffende sector, wat elke heffingsplichtige individueel tot voordeel strekt. Dat is niet anders voor de jaarlijkse vergoeding die de vergunde rijlesgevers verschuldigd zijn. De jaarlijkse vergoeding strekt ook hier – net zoals bij de jaarlijkse bijdragen voor de kansspelsector, die overigens vele malen groter zijn dan de jaarlijkse vergoeding bedoeld in het voorliggende voorstel van decreet – tot voordeel van alle vergunde rijlesgevers dat er voldoende toezicht en controle gehouden wordt op de naleving van het decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Het is de bedoeling een vergunning zonder einddatum te verlenen. Dat betekent dat de vergunde rijlesgevers alleen een vergoeding moeten betalen om de vergunning te verkrijgen en bijvoorbeeld niet na verloop van een bepaalde periode een nieuw vergunningsdossier, met daaraan gekoppelde kosten, moeten indienen. Om te verzekeren dat de voorwaarden waaraan de vergunde rijlesgevers moeten voldoen vervuld blijven, en zij dus vergund blijven, is een toezicht vereist. Voor dat toezicht is een periodieke vergoeding gerechtvaardigd. De controle en toezicht komt tot slot ook het imago van de sector van de professionele rijlesgevers ten goede en voorkomt dat er oneerlijke concurrentie ontstaat. Anders dan de Raad van State het ziet, staat tegenover de vergoeding ter financiering van de kosten voor de administratie, controle en het toezicht op een sector, dus wel degelijk een voldoende individualiseerbare tegenprestatie en kan deze juridisch dus als een retributie gekwalificeerd worden. Ook in andere regelgeving wordt overigens een vergoeding die geheven wordt voor de uitoefening van het toezicht, juridisch als een retributie gekwalificeerd. Zo wordt in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu (VLAREL) een vergoeding geheven voor de uitoefening van het toezicht op de …
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd