§ flandrepo

Decreet tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023

Vlaamse Regering #1960 Staatsblad 17 juni 2024 NUMAC 2024005643
215 artikels gewijzigd
+7 −2 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 1.4.9
1De Vlaamse Regering kan voorwaarden bepalen waaraan personen moeten voldoen om als gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur of gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur als vermeld in artikel 6.1.1, 1° en 3°, te kunnen worden aangesteld.
2Alleen gewestelijke personeelsleden kunnen worden aangesteld als gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur. Voor de aanstelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur, kan het college van burgemeester en schepenen een beroep doen op eigen personeel of op personeel van een intergemeentelijk samenwerkingsverband.
1§1. De gewestelijke en gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester of zijn plaatsvervanger zijn herstelinstanties als vermeld in artikel 2, 15°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023.
2De Vlaamse Regering of haar gemachtigde wijst de gewestelijke stedenbouw-kundige inspecteurs aan onder de personeelsleden van de departementen en de agentschappen, vermeld in artikel I.3, 2°, a) tot en met d), van het Bestuursde-creet van 7 december 2018.
3De volgende personen kunnen aangewezen worden als gemeentelijke steden-bouwkundige inspecteur:
41° de personeelsleden van de gemeente die voor de misdrijven en de inbreuken, vermeld in titel VI, belast zijn met de uitvoering van de handhaving voor het grondgebied van hun gemeente of verschillende gemeenten, die het college van burgemeester en schepenen daarvoor aanwijst;
52° de personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband die voor de misdrijven en de inbreuken, vermeld in titel VI, belast zijn met de uitvoering van de handhaving voor het grondgebied van een of meer gemeen-ten, die het intergemeentelijk samenwerkingsverband daarvoor aanwijst.
6De Vlaamse Regering kan opleidings- en ervaringsvereisten en andere voor-waarden bepalen waaraan categorieën van herstelinstanties moeten voldoen, en hun bevoegdheden inhoudelijk, geografisch of temporeel beperken.
7§2. De Vlaamse Regering of haar gemachtigde duidt de personeelsleden van de Vlaamse overheid aan die optreden als beboetingsinstantie als vermeld in artikel 2, 3°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023.
+1 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 1.6.1
31° de toelagen ingeschreven in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap;31° de toelagen ingeschreven in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap;
42° het per 31 december van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar beschikbare saldo van het BRV-fonds;42° het per 31 december van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar beschikbare saldo van het BRV-fonds;
53° alle ontvangsten voortvloeiend uit de toepassing van deze codex, met inbegrip van alle ontvangsten die voortvloeien uit de toepassing van titel VI;53° alle ontvangsten voortvloeiend uit de toepassing van deze codex, met inbegrip van de opbrengsten die conform artikel 73 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 worden toebedeeld aan de Vlaamse overheid;
64° de opbrengsten van de heffingen, vermeld in titel 2, hoofdstuk 6, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;64° de opbrengsten van de heffingen, vermeld in titel 2, hoofdstuk 6, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
75° de ontvangsten voortvloeiend uit financiële lasten als vermeld in artikel 75 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, verbonden aan een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden en opgelegd op grond van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening;75° de ontvangsten voortvloeiend uit financiële lasten als vermeld in artikel 75 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, verbonden aan een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden en opgelegd op grond van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening;
+1 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 5.1.2
97° de as-builtattesten;97° de as-builtattesten;
108° het verval van de vergunningen, vermeld in punt 3° en punt 4° ;108° het verval van de vergunningen, vermeld in punt 3° en punt 4° ;
119° de vermelding van elke schriftelijke aanmaning, elk proces-verbaal en verslag van vaststelling dat opgemaakt wordt met betrekking tot misdrijven en inbreuken inzake ruimtelijke ordening alsook iedere navolgend proces-verbaal waarin het vrijwillig herstel of de regularisatie wordt vastgesteld, het verdere gevolg dat aan de processen-verbaal en verslagen van vaststelling gegeven wordt, iedere gerechtelijke uitspraak en ieder bestuurlijk besluit alsook iedere minnelijke schikking ter zake en de uitvoering van de herstelmaatregelen alsook elk herstelattest;119° de vermelding van elke schriftelijke aanmaning, elk proces-verbaal en verslag van vaststelling dat opgemaakt wordt met betrekking tot misdrijven en inbreuken inzake ruimtelijke ordening alsook iedere navolgend proces-verbaal waarin het vrijwillig herstel of de regularisatie wordt vastgesteld, het verdere gevolg dat aan de processen-verbaal en verslagen van vaststelling gegeven wordt, iedere dagvaarding of gedinginleidende akte, iedere gerechtelijke uitspraak en ieder bestuurlijk besluit alsook iedere minnelijke schikking ter zake en de uitvoering van de herstelmaatregelen alsook elk herstelattest;
1210° de vermelding van elk rechtsmiddel dat tegen de gerechtelijke uitspraken en bestuurlijke besluiten, vermeld in punt 9°, aangewend wordt, de daaropvolgende uitspraken en besluiten en het gevolg dat eraan gegeven wordt;1210° de vermelding van elk rechtsmiddel dat tegen de gerechtelijke uitspraken en bestuurlijke besluiten, vermeld in punt 9°, aangewend wordt, de daaropvolgende uitspraken en besluiten en het gevolg dat eraan gegeven wordt;
1311° het verschuldigd zijn van een planbatenheffing en het bewijs van betaling van de planbatenheffing;1311° het verschuldigd zijn van een planbatenheffing en het bewijs van betaling van de planbatenheffing;
+1 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 5.2.1
21° of er voor het onroerend goed een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is uitgereikt;21° of er voor het onroerend goed een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is uitgereikt;
32° de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit onroerend goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister;32° de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit onroerend goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister;
43° of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een maatregel als vermeld in titel VI, hoofdstuk III en IV, dan wel of een procedure voor het opleggen van een dergelijke maatregel hangende is;43° of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een beveiligingsmaatregel of publieke herstelmaatregel als vermeld in artikel 2, 10° en 23°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, dan wel of een procedure voor het opleggen van een dergelijke maatregel hangende is;
54° of er op het onroerend goed een voorkooprecht rust, vermeld in artikel 2.4.1 of artikel 34 van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten;54° of er op het onroerend goed een voorkooprecht rust, vermeld in artikel 2.4.1 of artikel 34 van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten;
65° of er voor het onroerend goed een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van toepassing is;65° of er voor het onroerend goed een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van toepassing is;
+1 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 5.2.5
1Iedereen die een onderhandse akte van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, en ook van vestiging van erfpacht of opstal opmaakt, moet vermelden of er voor het onroerend goed een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is uitgereikt en moet de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister overnemen. In voorkomend geval worden ook vermeld : de maatregelen, vermeld in titel VI, hoofdstuk III en IV, die werden opgelegd met betrekking tot het goed of de hangende procedures die strekken tot het opleggen van dergelijke maatregelen, de op het goed rustende voorkooprechten, vermeld in artikel 2.4.1, respectievelijk het feit dat op het goed een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van toepassing is.In voorkomend geval wordt ook vermeld of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een aanduiding als watergevoelig openruimtegebied conform artikel 5.6.8, § 1.1Iedereen die een onderhandse akte van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, en ook van vestiging van erfpacht of opstal opmaakt, moet vermelden of er voor het onroerend goed een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is uitgereikt en moet de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister overnemen. In voorkomend geval worden ook vermeld : de beveiligingsmaatregelen of publieke herstelmaatregelen, vermeld in artikel 2, 10° en 23°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die werden opgelegd met betrekking tot het goed of de hangende procedures die strekken tot het opleggen van dergelijke maatregelen, de op het goed rustende voorkooprechten, vermeld in artikel 2.4.1, respectievelijk het feit dat op het goed een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van toepassing is.In voorkomend geval wordt ook vermeld of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een aanduiding als watergevoelig openruimtegebied conform artikel 5.6.8, § 1.
2De vastgoedmakelaars en andere personen die in de uitoefening van hun beroep of activiteit dergelijke onderhandse akten opmaken, moeten een verwijzing naar artikel 4.2.1 van deze codex opnemen in de akte.2De vastgoedmakelaars en andere personen die in de uitoefening van hun beroep of activiteit dergelijke onderhandse akten opmaken, moeten een verwijzing naar artikel 4.2.1 van deze codex opnemen in de akte.
+1 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 5.2.6
21° of er voor het goed een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is uitgereikt;21° of er voor het goed een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is uitgereikt;
32° de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister;32° de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister;
43° of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een maatregel als vermeld in titel VI, hoofdstuk III en IV, dan wel of een procedure voor het opleggen van een dergelijke maatregel hangende is;43° of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een beveiligingsmaatregel of publieke herstelmaatregel als vermeld in artikel 2, 10° en 23°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, dan wel of een procedure voor het opleggen van een dergelijke maatregel hangende is;
54° of er op het goed een voorkooprecht rust, in de zin van artikel 2.4.1;54° of er op het goed een voorkooprecht rust, in de zin van artikel 2.4.1;
65° of voor het goed een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van toepassing is;65° of voor het goed een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van toepassing is;
+0 −11 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.1.1 opgeheven
1In deze titel wordt verstaan onder :
21° gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur: het personeelslid dat belast is met de uitvoering van de handhaving van de ruimtelijke ordening, vermeld in deze titel, bevoegd voor het grondgebied van een of meer gemeenten die het college of de colleges van burgemeester en schepenen van de gemeente of de gemeenten in kwestie daarvoor als zodanig hebben aangesteld zoals vermeld in artikel 1.4.9, tweede lid;
32° gewestelijke entiteit: de personeelsleden van het Departement Omgeving die de Vlaamse Regering of haar gemachtigde aanwijst om overeenkomstig artikel 6.2.7 een bestuurlijke geldboete op te leggen;
43° gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur: het gewestelijke personeelslid dat belast is met de uitvoering van de handhaving van de ruimtelijke ordening, vermeld in deze titel, bevoegd voor het geheel of voor onderdelen van het grondgebied van het Vlaamse Gewest, die de Vlaamse Regering als zodanig heeft aangesteld als gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur zoals vermeld in artikel 1.4.9, tweede lid;
54° Handhavingscollege : het administratief rechtscollege, vermeld in artikel 16.4.19 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
65° openruimtegebied : hetzij de landelijke en recreatiegebieden, aangewezen op plannen van aanleg, voor zover ze geen ruimtelijk kwetsbaar gebied uitmaken, hetzij de gebieden, aangewezen op ruimtelijke uitvoeringsplannen, die vallen onder een van de volgende categorieën :
7a) de categorie van gebiedsaanduiding `landbouw' of `recreatie';
8b) de subcategorie `gemengd openruimtegebied', voor zover het gebied geen onderdeel is van het Vlaams Ecologisch Netwerk;
96° overtreder : de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die het stedenbouwkundige misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk heeft uitgevoerd, er opdracht toe heeft gegeven of er zijn medewerking aan heeft verleend;
107° ....
118° verbalisant ruimtelijke ordening: het personeelslid, bedoeld in artikel 6.2.5/1, dat belast is met de uitvoering van de handhaving van de ruimtelijke ordening vermeld in deze titel.
+1 −0 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.1.2
1De toepassing van deze titel strekt tot vrijwaring van de goede ruimtelijke ordening, bedoeld in artikel 4.3.1, § 2, van deze codex.1De toepassing van deze titel strekt tot vrijwaring van de goede ruimtelijke ordening, bedoeld in artikel 4.3.1, § 2, van deze codex.
2Het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 is, met inbegrip van hoofdstuk 10, afdeling 3, 4, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12 en 13, van toepassing op de handhaving van alle misdrijven en inbreuken, vermeld in deze titel.
+0 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.1.3 opgeheven
1Artikel 16.2.1 tot en met 16.2.4 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zijn van overeenkomstige toepassing.
+3 −2 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.2.1
1De hierna volgende handelingen en omissies worden stedenbouwkundige misdrijven genoemd, en worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een geldboete van 26 euro tot 400.000 euro of met een van deze straffen alleen :1De hierna volgende misdrijven worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een geldboete van 26 euro tot 400.000 euro of met een van deze straffen alleen :
21° het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 en artikel 4.2.15, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning, of het verder uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 en artikel 4.2.15, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning;21° het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 en artikel 4.2.15, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning, of het verder uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 en artikel 4.2.15, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning;
32° het uitvoeren van de handelingen in strijd met een ruimtelijk uitvoeringsplan als vermeld in titel II, hoofdstuk II, of met de stedenbouwkundige en verkavelingsverordeningen, vermeld in artikel 2.3.1 tot en met 2.3.3, tenzij de uitgevoerde handelingen vergund zijn of tenzij het gaat om de handelingen, vermeld in artikel 6.2.2, 6° ;32° het uitvoeren van de handelingen in strijd met een ruimtelijk uitvoeringsplan als vermeld in titel II, hoofdstuk II, of met de stedenbouwkundige en verkavelingsverordeningen, vermeld in artikel 2.3.1 tot en met 2.3.3, tenzij de uitgevoerde handelingen vergund zijn of tenzij het gaat om de handelingen, vermeld in artikel 6.2.2, 6° ;
43° het verder uitvoeren van de handelingen in strijd met het bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding;
43° het verder uitvoeren van handelingen in strijd met een niet-vervallen en niet-opgeheven bevel tot staken dat regelmatig is gegeven conform deze titel vóór de datum van de inwerkingtreding van artikel 63 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
54° het na 1 mei 2000 plegen van een schending, op welke wijze ook, van de plannen van aanleg en verordeningen die tot stand zijn gekomen volgens de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en die van kracht blijven zolang en in de mate dat ze niet vervangen worden door nieuwe voorschriften, uitgevaardigd krachtens deze codex, tenzij de uitgevoerde werken, handelingen of wijzigingen vergund zijn of tenzij het gaat om de handelingen, vermeld in artikel 6.2.2, 6° ;54° het na 1 mei 2000 plegen van een schending, op welke wijze ook, van de plannen van aanleg en verordeningen die tot stand zijn gekomen volgens de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en die van kracht blijven zolang en in de mate dat ze niet vervangen worden door nieuwe voorschriften, uitgevaardigd krachtens deze codex, tenzij de uitgevoerde werken, handelingen of wijzigingen vergund zijn of tenzij het gaat om de handelingen, vermeld in artikel 6.2.2, 6° ;
65° het uitvoeren van handelingen die een schending zijn op de bouw- en verkavelingsvergunningen die zijn verleend krachtens het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996;65° het uitvoeren van handelingen die een schending zijn op de bouw- en verkavelingsvergunningen die zijn verleend krachtens het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996;
107° het als eigenaar toestaan of aanvaarden dat een van de misdrijven, vermeld in punt 1° tot en met 6°, worden gepleegd.107° het als eigenaar toestaan of aanvaarden dat een van de misdrijven, vermeld in punt 1° tot en met 6°, worden gepleegd.
11De minimumstraffen zijn echter een gevangenisstraf van vijftien dagen en een geldboete van 2000 euro, of een van die straffen alleen, als de misdrijven, vermeld in het eerste lid, gepleegd worden door instrumenterende ambtenaren, vastgoedmakelaars en andere personen die in de uitoefening van hun beroep of activiteit onroerende goederen kopen, verkavelen, te koop of te huur zetten, verkopen of verhuren, bouwen of vaste of verplaatsbare inrichtingen ontwerpen en/of opstellen of personen die bij die verrichtingen als tussenpersonen optreden, bij de uitoefening van hun beroep.11De minimumstraffen zijn echter een gevangenisstraf van vijftien dagen en een geldboete van 2000 euro, of een van die straffen alleen, als de misdrijven, vermeld in het eerste lid, gepleegd worden door instrumenterende ambtenaren, vastgoedmakelaars en andere personen die in de uitoefening van hun beroep of activiteit onroerende goederen kopen, verkavelen, te koop of te huur zetten, verkopen of verhuren, bouwen of vaste of verplaatsbare inrichtingen ontwerpen en/of opstellen of personen die bij die verrichtingen als tussenpersonen optreden, bij de uitoefening van hun beroep.
12De misdrijven, vermeld in het eerste lid, die bestuurlijk worden vervolgd, worden gesanctioneerd met een alternatieve bestuurlijke geldboete van 50 euro tot 2.000.000 euro.
+2 −2 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.2.2
1De hierna volgende handelingen en omissies worden stedenbouwkundige inbreuken genoemd, en worden bestraft met een exclusieve bestuurlijke geldboete van maximaal 400.000 euro:1De volgende inbreuken worden gesanctioneerd met een exclusieve bestuurlij-ke geldboete van 50 euro tot 400.000 euro:
21° de instandhouding van de illegale gevolgen van de misdrijven, vermeld in artikel 6.2.1, eerste lid, voor zover die gevolgen zich situeren in kwetsbaar gebied;21° de instandhouding van de illegale gevolgen van de misdrijven, vermeld in artikel 6.2.1, eerste lid, voor zover die gevolgen zich situeren in kwetsbaar gebied;
32° het schenden van de verplichtingen, vermeld in artikel 6.3.6, § 2, tweede en vierde lid, en artikel 6.4.9, § 2, tweede en vierde lid;32° het schenden van de verplichtingen, vermeld in artikel 6.3.6, § 2, tweede en vierde lid, en artikel 6.4.9, § 2, tweede en vierde lid;
43° het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.2en 4.2.5, die voorafgaan aan de voorafgaande uitdrukkelijke of stilzwijgende aktename, vermeld in artikel 6, tweede lid van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;43° het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.2, 4.2.4, eerste lid, en 4.2.5, die voorafgaan aan de voorafgaande uitdrukkelijke of stilzwijgende aktename, vermeld in artikel 6, tweede lid van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, hetzij het verder uitvoeren van die handelingen in geval van verval, schorsing of vernietiging van de meldingsakte, en ook het niet naleven van de voorwaarden die in de meldingsakte zijn opgelegd conform artikel 113, §1, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, bij de uitvoering van die handelingen, hetzij het niet- melden van het beëindigen van de zorgsituatie, vermeld in artikel 4.1.1, 18°, b);
54° het schenden van de informatieplicht, vermeld in artikel 5.2.1 tot en met 5.2.6;54° het schenden van de informatieplicht, vermeld in artikel 5.2.1 tot en met 5.2.6;
65° het uitvoeren van handelingen zonder de controle van een architect als die controle verplicht is met toepassing van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van den titel en van het beroep van architect en de uitvoeringsbesluiten ervan;65° het uitvoeren van handelingen zonder de controle van een architect als die controle verplicht is met toepassing van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van den titel en van het beroep van architect en de uitvoeringsbesluiten ervan;
+0 −4 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.2.3. opgeheven
1§ 1. Als verbalisanten ruimtelijke ordening vaststellen dat een stedenbouwkundige inbreuk of een stedenbouwkundig misdrijf dreigt te worden gepleegd, kunnen ze alle raadgevingen geven die ze nuttig achten om dat te voorkomen.
2§ 2. Als de verbalisanten ruimtelijke ordening bij de uitoefening van hun respectieve opdrachten een stedenbouwkundige inbreuk of een stedenbouwkundig misdrijf vaststellen, kunnen ze de vermoedelijke overtreder en eventuele andere betrokkenen ertoe aanmanen om de nodige maatregelen te nemen om de inbreuk of het misdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of een herhaling ervan te voorkomen.
3Als de adressant van de aanmaning, in voorkomend geval na rappel, nalaat om de gevraagde maatregelen te nemen binnen het daarvoor bepaalde tijdsbestek, geldt een aangifteplicht van het misdrijf of de inbreuk bij de gemeentelijke en gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur en bij de burgemeester.
4De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen ter uitvoering van deze onderafdeling.
+0 −4 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.2.4 opgeheven
1Onverminderd de bevoegdheden van de agenten en de officieren van gerechtelijke politie zijn de verbalisanten ruimtelijke ordening bevoegd om de misdrijven, omschreven in dit hoofdstuk, op te sporen en vast te stellen door een proces-verbaal dat ze onmiddellijk bezorgen aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar het misdrijf is gepleegd. De processen-verbaal waarin de misdrijven, omschreven in dit hoofdstuk, worden vastgesteld, gelden tot bewijs van het tegendeel. Als de vermoedelijke overtreder bekend is, wordt een kopie van het proces-verbaal met een beveiligde zending betekend aan de vermoedelijke overtreder. Die betekening gebeurt binnen een termijn van veertien dagen na de datum van de afsluiting van het proces-verbaal.
2De agenten, officieren van de gerechtelijke politie en de verbalisanten ruimtelijke ordening hebben toegang tot de bouwplaats en de gebouwen om alle nodige opsporingen en vaststellingen te verrichten.
3Als deze verrichtingen de kenmerken van een huiszoeking dragen, mogen ze alleen worden uitgevoerd op voorwaarde dat de politierechter daarvoor een machtiging heeft verstrekt.
4Een afschrift van een proces-verbaal waarin een misdrijf wordt vastgesteld of van een navolgend proces-verbaal waarin het vrijwillig herstel of de regularisatie wordt vastgesteld, wordt altijd gericht aan de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gewestelijke entiteit en de gemeente van het grondgebied waarop de handelingen hebben plaatsgevonden.
+0 −3 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.2.5 opgeheven
1De agenten en de officieren van gerechtelijke politie en de verbalisanten ruimtelijke ordening kunnen bij de vaststelling van een stedenbouwkundige inbreuk zonder samenloop met een stedenbouwkundig misdrijf, een verslag van vaststelling opstellen dat ze onmiddellijk bezorgen aan de gewestelijke entiteit. Artikel 6.2.4, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de vorm van het verslag van vaststelling.
2Een afschrift van het verslag van vaststelling wordt altijd gericht aan de vermoedelijke overtreders, de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur en de gemeente van het grondgebied waarop die handelingen werden uitgevoerd of waar dat gebruik plaatsvond. Als in het verslag van vaststelling feiten worden vastgesteld die milieu-inbreuken uitmaken wegens schending van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of de uitvoeringsbesluiten ervan, wordt een afschrift bezorgd aan de gewestelijke overheden, belast met de handhaving van die inbreuken. De Vlaamse Regering kan nader bepalen welke van deze gewestelijke overheden al dan niet een afschrift moeten ontvangen.
3Als in samenhang met de stedenbouwkundige inbreuk tegelijkertijd een stedenbouwkundig misdrijf wordt vastgesteld, dan wordt de vaststelling van de stedenbouwkundige inbreuk opgenomen in het proces-verbaal, vermeld in artikel 6.2.4.
+0 −10 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.2.5/1 opgeheven
1§ 1. De volgende personen kunnen verbalisant ruimtelijke ordening zijn:
21° de personeelsleden van de entiteit, bevoegd voor de uitvoering van de handhavingstaken met betrekking tot de ruimtelijke ordening, die daarvoor worden aangewezen door de Vlaamse Regering;
32° de personeelsleden van het Vlaamse Gewest van andere entiteiten, die daarvoor worden aangewezen door de Vlaamse Regering;
43° de personeelsleden van de gemeente, die daarvoor worden aangewezen door het college van burgemeester en schepenen;
54° de personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband, die daarvoor worden aangewezen door de colleges van burgemeester en schepenen.
6De Vlaamse Regering kan voorwaarden, die onder meer betrekking kunnen hebben op de scholingsvereisten, bepalen waaraan de verbalisanten ruimtelijke ordening moeten voldoen.
7§ 2. De Vlaamse Regering wijst onder de gewestelijke personeelsleden die als verbalisant ruimtelijke ordening zijn aangewezen, degenen aan die de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, verkrijgen om misdrijven als vermeld in dit hoofdstuk, op te sporen en vast te stellen in een proces-verbaal.
8§ 3. Contractuele personeelsleden kunnen alleen verbalisant ruimtelijke ordening zijn als ze zijn beëdigd. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden van de eedaflegging bepalen.
9Een beëdiging op grond van artikel 187 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 geldt tevens als eedaflegging in de zin van het eerste lid.
10§ 4. De Vlaamse Regering kan de aanwijzingsbevoegdheid, vermeld in paragraaf 1 en 2, delegeren.
+0 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.2.6 opgeheven
1De inbreuken, vermeld in artikel 6.2.2, kunnen worden bestraft met een exclusieve bestuurlijke geldboete. De misdrijven, vermeld in artikel 6.2.1, eerste lid, kunnen worden bestraft door de strafrechter of kunnen worden bestraft met een alternatieve bestuurlijke geldboete.
+0 −4 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.2.7 opgeheven
1§ 1. De bestuurlijke geldboete is een sanctie waarbij de gewestelijke entiteit een overtreder ertoe verplicht een geldsom te betalen.
2Ze wordt afgestemd op de ernst van het stedenbouwkundige misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk. Er wordt ook rekening gehouden met de frequentie en de omstandigheden waarin de overtreder stedenbouwkundige inbreuken of misdrijven heeft gepleegd of beëindigd.
3§ 2. Op vraag van de overtreder, kan de bestuurlijke geldboete worden opgelegd met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een proefperiode die niet minder dan een jaar en niet meer dan drie jaar mag bedragen.
4Het uitstel wordt van rechtswege herroepen als gedurende de proeftijd een nieuw stedenbouwkundig misdrijf of een nieuwe stedenbouwkundige inbreuk is gepleegd, met een veroordeling tot een straf of het opleggen van een bestuurlijke geldboete tot gevolg.
+0 −3 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.2.9 opgeheven
1Onverminderd artikel 6.2.13, § 3, derde lid, zijn de regels die van toepassing zijn op het verval van de strafvordering voor stedenbouwkundige misdrijven, van overeenkomstige toepassing op het verval van de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete.
2Met toepassing van het eerste lid verjaart de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop het stedenbouwkundig misdrijf is gepleegd, of na verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de stedenbouwkundige inbreuk is gepleegd. De verjaring wordt gestuit door daden van onderzoek of van vervolging, verricht binnen die termijn.
3Voor de toepassing van dit artikel wordt het opstellen van een verslag van vaststelling of een proces-verbaal door een bevoegde verbalisant steeds beschouwd als een daad van onderzoek. Het betekenen van een voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen, wordt steeds beschouwd als een daad van vervolging.
+0 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.2.10 opgeheven
1Voor de toepassing van deze afdeling wordt de betekening met een aangetekende brief geacht te zijn uitgevoerd op de derde werkdag na de afgifte bij de post, behalve in geval van bewijs van het tegendeel.
+0 −11 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.2.11 opgeheven
1§ 1. De opgelegde bestuurlijke geldboeten worden door het departement van de Vlaamse overheid geïnd en ingevorderd ten voordele van het BRV-fonds. Het voormelde departement is gemachtigd om aan de schuldenaars van opeisbare bestuurlijke geldboetes die bijzondere omstandigheden kunnen bewijzen, uitstel of spreiding van betaling toe te staan.
2§ 2. Als de betrokkene in gebreke blijft bij het betalen van de verschuldigde bestuurlijke geldboeten, verhoogd met de invorderingskosten, worden die bedragen bij dwangbevel ingevorderd. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door een ambtenaar die de Vlaamse Regering daarvoor heeft aangewezen.
3§ 3. Het dwangbevel wordt aan de schuldenaar bij deurwaardersexploot betekend.
4Binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van het dwangbevel kan de schuldenaar verzet doen door het Vlaamse Gewest te laten dagvaarden.
5Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Het Vlaamse Gewest kan de rechter verzoeken om de schorsing van de tenuitvoerlegging op te heffen.
6§ 4. Op grond van het uitvoerbaar verklaard dwangbevel en tot zekerheid van de voldoening van de opgelegde bestuurlijke geldboeten, heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de schuldenaar en kan het een wettelijke hypotheek nemen op alle daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van de schuldenaar.
7Het voorrecht, vermeld in paragraaf 1, neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten, vermeld in artikel 19 en 20 van de Hypotheekwet van 16 december 1851, en in artikel 23 van het Wetboek van bepaalde voorrechten op zeeschepen en diverse bepalingen.
8De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitvoerbaar verklaarde en betekende dwangbevel. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar, vermeld in paragraaf 2. De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en dat melding maakt van de betekening ervan.
9Artikel XX.113, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de opgelegde bestuurlijke geldboeten en, in voorkomend geval, de bijbehorende expertisekosten en de opgelegde voordeelontnemingen waarvoor een dwangbevel werd uitgevaardigd en waarvan betekening aan de schuldenaar is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring.
10§ 5. De vordering tot betaling van de bestuurlijke geldboete verjaart na verloop van driehonderdvijfenzestig dagen. Die termijn gaat in op de dag die volgt op de dag waarop de bestuurlijke geldboete moest worden betaald. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
11§ 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de uitvoering van dit artikel.
+0 −8 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.2.12 opgeheven
1§ 1. Na de ontvangst van een verslag van vaststelling als vermeld in artikel 6.2.5, eerste lid, waaruit het bestaan van een inbreuk blijkt, kan de gewestelijke entiteit binnen een termijn van zestig dagen zijn voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen met een beveiligde zending betekenen aan de vermoedelijke overtreder of overtreders. Hetzelfde geldt na ontvangst van een proces-verbaal als vermeld in artikel 6.2.5, derde lid, met dien verstande dat de termijn van zestig dagen pas aanvangt na ontvangst van de beslissing van de procureur des Konings, vermeld in artikel 6.2.13, § 3, eerste lid, of, bij gebreke daaraan, na het verstrijken van de termijnen, vermeld in artikel 6.2.13, § 2.
2De vermoedelijke overtreder wordt uitgenodigd om binnen een termijn van dertig dagen die volgt op de betekening, zijn verweer schriftelijk mee te delen. Hij wordt erop gewezen dat hij :
31° zijn schriftelijk verweer mondeling kan toelichten. De vermoedelijke overtreder richt daarvoor aan de gewestelijke entiteit een aanvraag binnen dertig dagen na de betekening;
42° op verzoek de documenten waarop het voornemen tot het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete berust, kan inzien en er kopieën van kan krijgen.
5De gewestelijk entiteit kan een verbalisant ruimtelijke ordening verzoeken om aanvullende inlichtingen te verstrekken.
6§ 2. Binnen een termijn van negentig dagen na de betekening van het bericht, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, beslist de gewestelijke entiteit over het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Die beslissing wordt met een beveiligde zending aan de vermoedelijke overtreder betekend binnen een termijn van tien dagen na de dag waarop ze werd genomen.
7§ 3. Met inachtneming van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vermeldt de beslissing minstens het eventueel opgelegde bedrag, de beroepsmogelijkheden en de voorwaarden van het beroep, alsook de termijn waarbinnen en de manier waarop de exclusieve bestuurlijke geldboete moet worden betaald.
8§ 4. Binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de datum waarop de vermoedelijke overtreder op de hoogte wordt gebracht van de beslissing van de gewestelijke entiteit tot het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete, kan degene aan wie de boete is opgelegd, beroep indienen bij het Handhavingscollege, vermeld in artikel 16.4.19 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, volgens de procedure, vermeld in hoofdstuk 3, afdelingen 1 en 2, en hoofdstuk 4, afdelingen 1, 2 en 4, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges. Het beroep schorst de bestreden beslissing.
+0 −9 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.2.13 opgeheven
1§ 1. Bij de vaststelling van een misdrijf als vermeld in artikel 6.2.1, eerste lid, bezorgt de verbalisant samen met het proces-verbaal een schriftelijk verzoek aan de procureur des Konings, waarin de procureur des Konings gevraagd wordt zich uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van het misdrijf.
2§ 2. De procureur des Konings beschikt over een periode van honderdtachtig dagen, te rekenen vanaf de dag waarop hij het proces-verbaal heeft ontvangen, om een beslissing over het verzoek te nemen. Voor die periode verstreken is, kan ze gemotiveerd eenmalig verlengd worden met een aanvullende periode van maximaal honderdtachtig dagen. De procureur des Konings brengt de gewestelijke entiteit onmiddellijk op de hoogte van die verlenging. Tijdens die periode van honderdtachtig dagen, eventueel verlengd met een aanvullende periode van maximaal honderdtachtig dagen, kan er geen bestuurlijke geldboete worden opgelegd.
3§ 3. De procureur des Konings deelt zijn beslissing mee aan de gewestelijke entiteit, de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester.
4Een beslissing houdende strafrechtelijke behandeling sluit het opleggen van een bestuurlijke geldboete uit. De oplegging van een bestuurlijke geldboete is ook uitgesloten als de procureur des Konings nalaat om tijdig zijn beslissing mee te delen aan de gewestelijke entiteit.
5Een beslissing houdende geen strafrechtelijke behandeling van het stedenbouwkundige misdrijf houdt het verval van de strafvordering met betrekking tot dit misdrijf in, maar laat de strafvordering met betrekking tot andere feiten onverminderd bestaan, zelfs in geval van eenheid van opzet.
6§ 4. Een alternatieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd aan alle overtreders. Ze bedraagt maximaal 2.000.000 euro.
7De bestuurlijke geldboete wordt opgelegd en ingevorderd conform artikel 6.2.11 en 6.2.12 met dien verstande dat de termijn waarbinnen de vermoedelijke overtreder op de hoogte moet worden gebracht van het voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen, dertig dagen bedraagt en pas aanvangt na ontvangst van de beslissing, vermeld in paragraaf 3. De termijn waarbinnen moet worden beslist over het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete, bedraagt honderdtachtig dagen.
8Binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de datum waarop de vermoedelijke overtreder op de hoogte wordt gebracht van de beslissing van de gewestelijke entiteit tot het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete, kan degene aan wie de boete is opgelegd, beroep indienen bij het Handhavingscollege, vermeld in artikel 16.4.19 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, volgens de procedure, vermeld in hoofdstuk 3, afdelingen 1 en 2, en hoofdstuk 4, afdelingen 1, 2 4, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges. Het beroep schorst de bestreden beslissing.
9§ 5. Wanneer een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, wordt de opsteller van het proces-verbaal dat daartoe geleid heeft, daarvan in kennis gesteld.
+0 −3 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.2.14 opgeheven
1De gewestelijke entiteit kan een voorstel tot betaling van een geldsom doen als hij van mening is dat volgens de vaststellingen in het verslag van vaststelling of het proces-verbaal onmiskenbaar vaststaat dat de overtreder de stedenbouwkundige inbreuk of het stedenbouwkundig misdrijf heeft gepleegd. Het voorstel kan, voor wat stedenbouwkundige misdrijven betreft, eerst worden gedaan na kennisname van een tijdige beslissing in de zin van artikel 6.2.13, § 3, derde lid.
2De termijn waarin de geldsom betaald moet worden, bedraagt drie maanden. Het voorstel schorst de termijnen, vermeld in artikel 6.2.12, § 1, en artikel 6.2.13, § 4, tweede lid, tot het einde van de betalingstermijn. Na de betaling van de voorgestelde geldsom is het opleggen van een bestuurlijke geldboete niet langer mogelijk.
3De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel.
+9 −14 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.1
1§ 1. Naast de straf beveelt de rechtbank, ambtshalve of op vordering van een bevoegde overheid, een meerwaarde te betalen en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken. Dat gebeurt, met inachtneming van de volgende rangorde :
21° als het gevolg van het misdrijf kennelijk verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening, het betalen van een meerwaarde;
32° als dit kennelijk volstaat om de plaatselijke ordening te herstellen, de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken;
43° in de andere gevallen, de uitvoering van het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik.
5Voor de diverse onderdelen van eenzelfde misdrijf kunnen verschillende herstelmaatregelen gecombineerd worden, bevolen volgens de rangorde, vermeld in het eerste lid. Het bevolen herstel dekt steeds de volledige illegaliteit ter plaatse, ook al werd die mee veroorzaakt door stedenbouwkundige misdrijven of inbreuken die niet bij de rechter aanhangig zijn.
6§ 2. Onder bevoegde overheid als vermeld in deze afdeling, wordt verstaan: het Openbaar Ministerie, de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur in naam van het Vlaamse Gewest, alsook de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester in naam van de gemeente.
7§ 3. De herstelvordering van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester wordt, met naleving van artikel 6.3.10 en respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of van de gemeente, met een gewone brief ingeleid bij het openbaar ministerie.
8De Vlaamse Regering kan nadere formele voorwaarden vastleggen waaraan de herstelvordering op straffe van onontvankelijkheid moet voldoen.
9§ 4. De rechtbank bepaalt een termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen en kan, op vordering van de bevoegde overheid, ook een dwangsom bepalen.
10§ 5. De meerwaarde is een vergoeding voor het behoud van een ruimtelijke situatie die volgens de actuele regelgeving, stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften, niet legaliseerbaar is. Zolang sprake is van een illegale ruimtelijke situatie, geldt voor de toepassing van dit artikel een onweerlegbaar vermoeden van niet-legaliseerbaarheid.
11De rechtbank bepaalt het bedrag van de meerwaarde. De rechtbank hanteert daarvoor de forfaitaire bedragen, bepaald door de Vlaamse Regering, maar kan het aldus bekomen bedrag ambtshalve of op verzoek verminderen als dat bedrag kennelijk de vergoeding te boven gaat om de schade aan de goede ruimtelijke ordening te herstellen.
12Bij een veroordeling tot de betaling van een meerwaarde kan de veroordeelde zich op een geldige wijze kwijten door binnen de termijn, vermeld paragraaf 4, de legaliteit te herstellen door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand, het staken van het strijdige gebruik of het verkrijgen van een regularisatievergunning en uitvoering van de daarin begrepen voorwaarden.
13De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de betaling van de meerwaarde.
14§ 6. De dagvaarding is maar ontvankelijk na overschrijving van de gedinginleidende akte in het bevoegde kantoor van de Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie van het gebied waar de goederen liggen. Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven gedinginleidende akte ingeschreven op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851. Bij gebrek aan een overschrijving wordt de eindbeslissing ingeschreven op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging.
1De Vlaamse Regering zal een adviesplicht of andere formele voorwaarden verbinden aan:
21° het inleiden van een publieke herstelvordering bij het parket;
32° het aanhangig maken van een publieke herstelvordering bij de rechter;
43° het opstarten van een ambtshalve uitvoering van publieke herstelmaatregelen.
5In het eerste lid, 3°, wordt onder opstarten van een ambtshalve uitvoering een van de volgende acties verstaan:
61° een gunningsprocedure tot aanwijzing van een particulier die het vonnis of het arrest zal uitvoeren, aanvatten;
72° een particulier binnen een raamovereenkomst schriftelijk of mondeling belasten om het vonnis of arrest uit te voeren;
83° de nodige instructies aan een ambtenaar of een dienst geven om het vonnis of arrest uit te voeren.
9In dat geval regelt de Vlaamse regering de adviesprocedure en de samenstel-ling en werking van het adviesorgaan, en bepaalt de rechtsgevolgen van het advies.
+2 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.2
1Als de herstelvordering van de burgerlijke partij niet overeenstemt met de herstelmaatregelen, voorgeschreven met toepassing van artikel 6.3.1, bepaalt de rechtbank de herstelmaatregelen die ze passend acht.
1De rechtbank kan de titel van eigendomsverkrijging of van huur vernietigen op vordering van de kopers of de huurders van een goed dat het voorwerp uitmaakt of kan uitmaken van gerechtelijke of bestuurlijke herstelmaatregelen, onvermin-derd het recht van de kopers of huurders om schadevergoeding te eisen.
2De vordering tot vernietiging, vermeld in het eerste lid, kan niet meer worden ingeroepen als de schending van de informatieplicht over de publiciteit en de onderhandse overeenkomst is rechtgezet bij de authentieke akteverlening en de informatiegerechtigde in de voormelde akte afziet van de vordering tot nietigverklaring op basis van een schending van de informatieplicht.
+1 −10 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.3
1§ 1. De bevoegde overheid kan ook voor de burgerlijke rechtbank de herstelmaatregelen en dwangsom, vermeld in artikel 6.3.1, vorderen, ongeacht of de te herstellen schade veroorzaakt is door stedenbouwkundige misdrijven of inbreuken.
2De herstelvordering wordt met naleving van artikel 6.3.10 bij de burgerlijke rechtbank ingeleid door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of van de gemeente.
3De Vlaamse Regering kan nadere formele voorwaarden vastleggen waaraan de herstelvordering op straffe van onontvankelijkheid moet voldoen.
4§ 2. De dagvaarding is maar ontvankelijk na de overschrijving van de gedinginleidende akte in het bevoegde kantoor van de Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie van het gebied waar de goederen liggen. Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven gedinginleidende akte ingeschreven op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851. Bij gebrek aan een overschrijving wordt de eindbeslissing ingeschreven op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging.
5§ 3. Het vorderingsrecht van de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester verjaart als volgt:
61° in ruimtelijk kwetsbaar gebied: na verloop van tien jaar;
72° in open ruimtegebied: na verloop van tien jaar;
83° in de andere gebieden: na verloop van vijf jaar.
9Bij herstelvorderingen voor stedenbouwkundige misdrijven nemen de termijnen, vermeld in het eerste lid, een aanvang de dag waarop het misdrijf is voltooid. In afwijking van het eerste lid kunnen herstelvorderingen voor de burgerlijke rechtbank, gebaseerd op stedenbouwkundige misdrijven, nooit verjaren voor het verval van de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering en de gemeenrechtelijke schorsings- en stuitingsgronden betreffende burgerlijke rechtsvorderingen die volgen uit een misdrijf, blijven van toepassing.
10Bij herstelvorderingen voor stedenbouwkundige inbreuken voor de burgerlijke rechtbank neemt de verjaringstermijn een aanvang de dag die volgt op de dag waarop de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, is gesteld. De gemeenrechtelijke schorsings- en stuitingsgronden, vermeld in de artikelen 2242 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, blijven van toepassing.
1Bestuurlijke herstelmaatregelen opleggen is niet mogelijk als de herstelplicht van de overtreder is ontstaan voor 1 maart 2018.
+1 −21 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.4
1§ 1. Als de plaats niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn in de vorige staat wordt hersteld, als het strijdige gebruik niet binnen die termijn wordt gestaakt of als de bouw- of aanpassingswerken niet binnen die termijn worden uitgevoerd, beveelt het vonnis of arrest altijd dat de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester ambtshalve in de uitvoering ervan kunnen voorzien in de plaats en op kosten van de veroordeelde.
2Het opstarten van een ambtshalve uitvoering geschiedt met naleving van artikel 6.3.10, § 1. Er wordt onder verstaan :
31° hetzij het aanvatten van een gunningsprocedure tot aanwijzing van een particulier die het vonnis of het arrest zal uitvoeren;
42° hetzij het schriftelijk of mondeling belasten van een particulier, binnen een raamovereenkomst, tot uitvoering van het vonnis of arrest;
53° hetzij het geven van de nodige instructies aan een ambtenaar of een dienst voor de uitvoering van het vonnis of arrest.
6De overheid of de particulier die het vonnis of het arrest uitvoert, is gerechtigd om de materialen en voorwerpen, afkomstig van de herstelling van de plaats of van de staking van het strijdig gebruik te verkopen, te vervoeren en te verwijderen.
7De overtreder die in gebreke blijft, is verplicht alle uitvoeringskosten, verminderd met de opbrengst van de verkoop van materialen en voorwerpen, te vergoeden op vertoon van een staat die de overheid, vermeld in het eerste lid, heeft opgesteld of die de beslagrechter in de burgerlijke rechtbank begroot en uitvoerbaar verklaard heeft.
8De verjaring van het recht op het uitvoeren van de herstelmaatregel neemt een aanvang vanaf het verstrijken van de termijn die de rechtbank heeft bepaald voor de tenuitvoerlegging ervan.
9§ 2. De meerwaarde en de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering, vermeld in paragraaf 1, kunnen ook worden verhaald op de titularis van een zakelijk recht, verkregen onder bezwarende titel en middels een authentieke akte, verleden na de inwerkingtreding van dit lid, op het goed dat het voorwerp uitmaakte van het vonnis of arrest.
10Op voorwaarde dat de titel al was overgeschreven vóór de gedinginleidende akte, vermeld in artikel 6.3.1, § 6, en 6.3.3, § 2, blijft het verhaal van de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering, vermeld in paragraaf 1, evenwel beperkt tot de verrijking die de titularis van het zakelijk recht ingevolge de uitvoering van de opgelegde herstelmaatregel heeft verkregen.
11§ 3. De meerwaarde en de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering, vermeld in paragraaf 1, worden, samen met de invorderingskosten, gewaarborgd door een wettelijke hypotheek, die zich uitstrekt tot alle zakelijke rechten die toebehoren aan de veroordeelde, vermeld in paragraaf 1, en die ingeschreven, vernieuwd, verminderd of geheel of gedeeltelijk wordt doorgehaald conform hoofdstuk IV en V van de Hypotheekwet van 16 december 1851. De hypotheek wordt ingeschreven op voorlegging van een afschrift van de rechterlijke beslissing waarin de herstelmaatregelen worden opgelegd, niettegenstaande beroep of verzet.
12Daarnaast kan een wettelijke hypotheek ingeschreven worden op alle zakelijke rechten van de titularis van een zakelijk recht op het goed dat het voorwerp uitmaakt van de opgelegde herstelmaatregel, vermeld in artikel 6.3.1, § 1, of artikel 6.3.3, § 1, voor zover dit recht verkregen werd onder bezwarende titel en middels een authentieke akte, verleden na de inwerkingtreding van dit lid. Als diens titel echter al overgeschreven was vóór de overschrijving van de gedinginleidende akte, blijft de wettelijke hypotheek, voor de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering, vermeld in paragraaf 1, beperkt tot het onroerend goed waarop de maatregel betrekking heeft, en dit ten belope van de verrijking die de titularis ingevolge de uitvoering van die maatregel zal verkrijgen of al verkregen heeft.
13Het bestuur dat belast is met de inschrijving van de wettelijke hypotheek, kan op voorstel van de veroordeelde of de titularis van het zakelijk recht, vermeld in paragraaf 2, een alternatieve zekerheid aanvaarden of het onderpand van de hypotheek inperken, als daarvoor ernstige redenen bestaan en de alternatieve of ingeperkte zekerheid voldoende zijn voor de waarborging van de bedragen, vermeld in het eerste lid.
14§ 4. Het bestuur dat belast is met de invordering van de dwangsom, is ertoe gemachtigd aan de schuldenaars die bijzondere omstandigheden kunnen bewijzen, uitstel of spreiding van betaling toe te staan.
15De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel, kan, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of de gemeente, ambtshalve of op eenvoudig verzoek beslissen dat een opeisbare dwangsomschuld niet of maar gedeeltelijk wordt ingevorderd, zonder dat die beslissing betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. Er wordt in de beslissing rekening gehouden met de gestelde handelingen en genomen engagementen met het oog op een correcte uitvoering van de hoofdveroordeling, alsook met de gehele of gedeeltelijke realisatie van het herstel.
16De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden vastleggen en procedurele regelen bepalen voor de toepassing van het tweede lid.
17§ 5. Onverminderd paragraaf 4 kan het Vlaamse Gewest of de gemeente, respectievelijk vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen, op gemotiveerd verzoek tijdelijk of definitief afzien van verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsomschuld. Dat kan voor het geheel of voor een gedeelte van de opeisbare schuldvordering zonder dat het betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. De Vlaamse Regering respectievelijk het college van burgemeester en schepenen kunnen hun beslissingsbevoegdheid delegeren.
18Het gemotiveerde verzoek, met inbegrip van eventuele bijlagen, wordt ingediend met een beveiligde zending respectievelijk bij de Vlaamse Regering of haar gemachtigde of bij het college van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde. De verzoeker bezorgt een afschrift van het verzoek aan de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel.
19Binnen een ordetermijn van negentig dagen vanaf de dag na de ontvangst van de beveiligde zending wordt er uitspraak gedaan, in voorkomend geval, na het schriftelijke advies, vermeld in artikel 6.3.12, van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering. De termijn van negentig dagen is geschorst vanaf de adviesaanvraag tot de dag dat het advies wordt verleend of tot de termijn voor het verlenen van advies is verstreken. Het advies is niet bindend.
20De verzoeker wordt met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing. De beslissing wordt ook bezorgd aan de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel.
21De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de uitvoering van deze paragraaf.
1Vanaf de datum van afgifte van het attest van uitvoering, vermeld in artikel 72 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, kunnen ten aanzien van het voorwerp van de uitgevoerde herstelmaatregelen onderhoudswerken als vermeld in artikel 4.1.1, 9°, van deze codex, worden uitgevoerd en stabiliteitswer-ken als vermeld in artikel 4.1.1, 11°, van deze codex, worden vergund.
+0 −12 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.5 opgeheven
1§ 1. Met betrekking tot definitieve rechterlijke herstelmaatregelen waarvan de uitvoeringstermijn al meer dan vijf jaar overschreden is, kan de bevoegde overheid die de titel heeft doen betekenen met bevel tot uitvoeren, een nieuwe uitvoeringstermijn als vermeld in artikel 6.3.1, § 4, verlenen in de vorm van een dading met de veroordeelden, hun rechtsopvolgers en de rechthebbenden van het onroerend goed waarop de herstelmaatregel rust.
2Een nieuwe uitvoeringstermijn impliceert nooit het recht om te handelen in strijd met de bepalingen van dit decreet. Gedurende de nieuwe uitvoeringstermijn blijft de verjaring van het recht op uitvoeren van de definitieve rechterlijke herstelmaatregel geschorst.
3§ 2. Die dading is maar mogelijk onder de volgende voorwaarden :
41° de vaststelling van een nieuwe uitvoeringstermijn staat de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregel niet definitief in de weg;
52° alle personen met een zakelijk recht op het onroerend goed verbinden zich door de dading;
63° de nieuwe uitvoeringstermijn is niet langer dan vijftien jaar, en verstrijkt van rechtswege zodra het gebruik van het onroerend goed in kwestie wordt stopgezet door alle in de dading geïdentificeerde actuele gebruikers;
74° de dading bevat een betalingsplan voor de opeisbare dwangsomschuld, onverminderd de toepassing van de bevoegdheid, vermeld in artikel 6.3.4, § 4 en § 5;
85° het bestuur die de vordering heeft gedaan waarop de rechterlijke herstelmaatregel werd bevolen, gaat akkoord met het sluiten van de dading.
9§ 3. De dading wordt binnen een termijn van twee maanden gekantmeld op de overschrijving van de dagvaarding, vermeld in artikel 6.3.1, § 6, of artikel 6.3.3, § 2.
10§ 4. De vaststelling bij proces-verbaal dat het in de dading begrepen afbetalingsplan voor opeisbare dwangsomschuld niet werd nageleefd, heeft van rechtswege de ontbinding van de dading tot gevolg.
11§ 5. Alle belanghebbenden kunnen verzet aantekenen tegen het verlenen van een nieuwe uitvoeringstermijn bij de rechter die de herstelmaatregel heeft opgelegd. Dat gebeurt door dagvaarding van de overheid die de dading heeft afgesloten.
12De rechter kan de uitvoeringstermijn opheffen of verminderen als dat nodig blijkt voor de vrijwaring van de belangen van de partij die verzet aantekent.
+0 −9 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.6 opgeheven
1§ 1. De veroordeelde brengt de stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren, onmiddellijk met een beveiligde zending ervan op de hoogte als hij de opgelegde herstelmaatregel vrijwillig heeft uitgevoerd.
2Na de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, maakt de stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren, een proces-verbaal van vaststelling op.
3Bij gebrek aan een betekening met bevel tot uitvoeren is alleen de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur bevoegd om een proces-verbaal van vaststelling op te stellen.
4De stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren, zendt een afschrift van het proces-verbaal van vaststelling aan de andere stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester, die niet in de akte van betekening vermeld zijn als opdrachtgever de veroordeelde, diens rechtsopvolgers en de personen die zakelijke rechten hebben op het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van de opgelegde maatregelen.
5Behalve in geval van bewijs van het tegendeel, geldt alleen het proces-verbaal van vaststelling als bewijs van het herstel en van de datum van het herstel.
6§ 2. Het proces-verbaal van vaststelling, vermeld in paragraaf 1, wordt conform artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 ingeschreven op de kant van de overschrijving, vermeld in artikel 6.3.1, § 6, en artikel 6.3.3, § 2.
7Zolang de inschrijving, vermeld in het eerste lid, niet is gedaan, moet de instrumenterende ambtenaar naar aanleiding van een authentieke akte die strekt tot de overdracht van een zakelijk recht, in een afzonderlijke akte er melding van maken dat voor het onroerend goed bij uitvoerbaar rechterlijk bevel, een verplichting werd uitgesproken om een herstelmaatregel uit te voeren. In die akte wordt bepaald dat de nieuwe titularis, voor zover de tenuitvoerlegging van de door de rechter bevolen herstelmaatregel niet verjaard is, de verbintenis aangaat om de opgelegde herstelmaatregel uit te voeren, onverminderd de verplichting van de veroordeelde.
8De kosten verbonden aan de afzonderlijke akte, vermeld in het vorige lid, vallen steeds ten laste van de overdrager van het zakelijk recht.
9De instrumenterende ambtenaar stuurt een afschrift van die akte naar de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester, en is ertoe gehouden de grosse op hun verzoek af te leveren.
+0 −6 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.7 opgeheven
1§ 1. Bij het Vlaams Ministerie van Omgeving wordt een Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering opgericht, hierna hoge raad te noemen.
2§ 2. De Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering is een orgaan van actief bestuur.
3De adviezen en beslissingen van de hoge raad zijn te allen tijde gesteund op motieven die ontleend worden aan :
41° het recht, met inbegrip van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals die specifiek binnen de ruimtelijke ordening gelden;
52° de weerslag van inbreuken op de rechten van derden en op de plaatselijke ordening, meer bepaald het niveau van de goede ruimtelijke ordening van naburige percelen dat zou worden behaald als zich geen schade ten gevolge van een stedenbouwkundig misdrijf of een stedenbouwkundige inbreuk zou hebben voorgedaan.
6§ 3. De Vlaamse Regering geeft nooit instructies over de behandeling van concrete dossiers die aan de beoordeling van de hoge raad zijn voorgelegd.
+0 −4 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.8 opgeheven
1§ 1. De hoge raad wordt samengesteld uit een voorzitter, drie leden-juristen en drie leden-deskundigen.
2De voorzitter en de leden-juristen bezitten de graad van master in de Rechten en bezitten ten minste tien jaar nuttige ervaring op het vlak van zowel het Vlaamse ruimtelijkeordeningsrecht als de rechtsbescherming tegen bestuurlijk optreden.
3De leden-deskundigen bezitten ten minste tien jaar nuttige ervaring op het vlak van de Vlaamse ruimtelijke ordening.
4§ 2. De Vlaamse Regering kan de selectiecriteria, vermeld in paragraaf 1, tweede en derde lid, verfijnen.
+0 −6 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.9 opgeheven
1§ 1. De voorzitter en de overige leden worden door de Vlaamse Regering aangewezen voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar. Ze blijven in functie tot in hun vervanging is voorzien.
2§ 2. Het mandaat van lid van de hoge raad is onverenigbaar met het lidmaatschap van een wetgevende vergadering, een provincieraad, een gemeenteraad, een districtsraad of een raad van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
3§ 3. Als een mandaat in de hoge raad om welke reden ook vacant verklaard wordt, wordt overgegaan tot de vervanging van het lid voor de verdere duur van het mandaat.
4§ 4. De Vlaamse Regering kan aan de hoge raad tijdelijke leden toevoegen om aan uitzonderlijke omstandigheden het hoofd te bieden. De tijdelijke leden voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.3.8, § 1, tweede of derde lid, in voorkomend geval verfijnd door de Vlaamse Regering met toepassing van artikel 6.3.8, § 2.
5Behalve in geval van verlenging eindigt de opdracht van de tijdelijke leden als de termijn waarvoor ze zijn aangewezen, verstreken is. Voor zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn, blijft de opdracht evenwel geldig tot aan de beslissing van de hoge raad.
6§ 5. De leden van de hoge raad ontvangen ten laste van het Vlaamse Gewest een vergoeding, presentiegelden en reis- en verblijfskosten, waarvan het bedrag of de berekeningswijze wordt vastgelegd door de Vlaamse Regering.
+0 −8 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.10 opgeheven
1§ 1. De stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester kunnen pas overgaan tot het inleiden van een herstelvordering bij het openbaar ministerie, tot het vorderen van herstel voor de burgerlijke rechter of tot het opstarten van de ambtshalve uitvoering van een gerechtelijke herstelmaatregel, als de hoge raad daarvoor vooraf een positief advies heeft verleend.
2De adviesplicht met betrekking tot de herstelvordering geldt op straffe van onontvankelijkheid.
3§ 2. Het inleiden van een herstelvordering bij het openbaar ministerie kan pas worden gevolgd door het vorderen van een herstelvordering voor de burgerlijke rechter of omgekeerd, als daarvoor een nieuw positief advies van de hoge raad werd verkregen.
4§ 3. De stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester kunnen pas overgaan tot het betekenen van een vonnis of arrest waarvan de termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen op de betekeningsdatum al tien jaar of meer is verstreken, als de hoge raad daartoe voorafgaandelijk een positief advies heeft verleend.
5Het advies, vermeld in het eerste lid, is niet vereist als voldaan is aan een van de volgende omstandigheden :
61° voorwerp van het misdrijf in kwestie ligt in een ruimtelijk kwetsbaar gebied;
72° het misdrijf dat aanleiding heeft gegeven tot het vonnis of arrest, heeft betrekking op het verrichten van handelingen die in strijd zijn met een stakingsbevel of met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de bestemmingen die voor het gebied toegestaan zijn;
83° aan de overtreder werden na het vonnis of arrest nieuwe strafrechtelijke of bestuurlijke sancties of verplichtingen tot schadevergoeding opgelegd uit hoofde van een stedenbouwkundige inbreuk of een stedenbouwkundig misdrijf.
+0 −7 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.11 opgeheven
1§ 1. Het advies wordt gevraagd met een beveiligde zending.
2Het procedurereglement, vermeld in artikel 6.3.15, bepaalt de vorm en inhoud van de aanvraag nader en vermeldt welke stukken bij de aanvraag gevoegd moeten worden.
3§ 2. De plenaire vergadering van de hoge raad brengt een advies uit binnen een vervaltermijn van zestig dagen, die ingaat de dag na de dag van de betekening van de adviesaanvraag.
4Bij het overschrijden van de termijn, vermeld in het eerste lid, mag aan de adviesvereiste voorbij worden gegaan.
5§ 3. Een advies wordt met een beveiligde zending betekend aan het betrokken bestuur. De hoge raad bezorgt een afschrift van het advies aan de belanghebbenden die in de zaak zijn gehoord of aan de personen die bij de hoge raad op grond van het dossier bekend zijn.
6Een positief advies geldt voor een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum waarop over het advies wordt beslist.
7Het betrokken bestuur of een derde-belanghebbende kan bij de hoge raad een gemotiveerd verzoek tot heroverweging instellen tegen de afgifte van een negatief advies.
+0 −4 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.12 opgeheven
1§ 1. In de procedure, vermeld in artikel 6.3.4, § 5, wint respectievelijk de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen een schriftelijk advies in bij de hoge raad over het verzoek om tijdelijk of definitief af te zien van verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsomschuld. De hoge raad behandelt die adviesaanvragen bij voorrang.
2In zijn advies houdt de hoge raad in het bijzonder rekening met de gestelde handelingen en de genomen engagementen met het oog op een correcte uitvoering van de hoofdveroordeling, alsook met de gehele of gedeeltelijke realisatie van het herstel. De hoge raad toetst zijn advies aan de beleidslijnen die in voorkomend geval opgenomen zijn in het handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening, vermeld in artikel 6.1.3, § 1, vierde lid, 6°.
3§ 2. Het advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen vanaf de dag na de ontvangst van de adviesaanvraag door de hoge raad. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
4§ 3. De werkingsregels, vermeld in artikel 6.3.13, § 1, en artikel 6.3.14 tot en met 6.3.17, zijn van overeenkomstige toepassing. Het procedure- en werkingsreglement, vermeld in artikel 6.3.14, regelt de nadere procedurele regels.
+0 −3 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.12/1 opgeheven
1§ 1. In de beroepsprocedure, vermeld in artikel 6.4.8 en 6.4.15, wint de Vlaamse Regering schriftelijk advies in bij de hoge raad over de herstelmaatregelen als het dossier ontvankelijk wordt bevonden. De hoge raad behandelt die adviesaanvragen bij voorrang.
2§ 2. Het advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen vanaf de dag na de ontvangst van de adviesaanvraag door de hoge raad. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
3§ 3. De werkingsregels, vermeld in artikel 6.3.13, § 1, en artikel 6.3.14 tot en met 6.3.17, zijn van overeenkomstige toepassing. Het procedure- en werkingsreglement, vermeld in artikel 6.3.14, regelt de nadere procedurele regels.
+0 −3 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.12/2 opgeheven
1De hoge raad is belast met vrijwillige en gerechtelijke bemiddeling zoals vermeld in artikel 6.3.12/3 en 6.3.12/4.
2De hoge raad kan een bemiddelaar aanwijzen onder zijn leden of onder de leden van het permanent secretariaat.
3Het procedure- en werkingsreglement, vermeld in artikel 6.3.14, regelt de nadere procedurele regels.
+0 −16 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.12/3 opgeheven
1§ 1. Van bij de aanvang van een bestuurlijke procedure tot minnelijke schikking zoals vermeld in artikel 6.4.19 of een procedure tot het sluiten van een dading zoals vermeld in artikel 6.3.5, kan elke belanghebbende vragen aan de hoge raad om een vrijwillige bemiddeling op te starten.
2Dit geldt ook in geval van weigering van een minnelijke schikking of een dading door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester.
3§ 2. De aanvraag om een vrijwillige bemiddeling op te starten wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending betekend aan de hoge raad.
4De aanvrager doet in de bemiddelingsaanvraag een opgave van de personen aan wie de zakelijke rechten op het onroerend goed waarop de minnelijke schikking of de dading betrekking heeft, toebehoren.
5In geval van niet-inaanmerkingneming van de bemiddelingsaanvraag stelt de hoge raad de aanvrager, de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester van de bevoegde gemeente hiervan per beveiligde zending in kennis.
6In geval van inaanmerkingneming van de bemiddelingsaanvraag stelt de hoge raad de personen, vermeld in het tweede en derde lid, hiervan per beveiligde zending in kennis.
7De personen, vermeld in het tweede en derde lid, worden voor de toepassing van dit artikel samen aangeduid als de betrokken partijen.
8De door de hoge raad aangewezen bemiddelaar kan ook derden bij de bemiddeling betrekken.
9§ 3. Een bemiddeling eindigt wanneer de betrokken partijen een bemiddelingsakkoord bereiken.
10Onverminderd het eerste lid kan de hoge raad een bemiddeling te allen tijde beëindigen eens hij vaststelt dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld. Dit kan onder meer wanneer de betrokken partijen de raad in kennis stellen van hun wil om een einde te maken aan de bemiddeling. De hoge raad stelt de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden bedoeld in paragraaf 2, daarvan per beveiligde zending in kennis.
11§ 4. Vanaf de betekening van de bemiddelingsaanvraag in de procedure tot minnelijke schikking bedoeld in artikel 6.4.19, is de verjaring van de herstelvordering zoals bedoeld in artikel 6.3.3, § 3, en van het recht een bestuurlijke maatregel op te leggen zoals bedoeld in artikel 6.4.3, § 2, geschorst voor de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden bedoeld in paragraaf 2.
12Vanaf de verzending van de bemiddelingsaanvraag in de procedure tot dading bedoeld in artikel 6.3.5, is de verjaring van het recht op uitvoeren van de definitieve rechterlijke herstelmaatregel geschorst voor de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden bedoeld in paragraaf 2.
13De schorsing bedoeld in het eerste en tweede lid, neemt een einde vanaf de datum waarop:
141° de hoge raad de beslissing tot niet-inaanmerkingneming van de bemiddelingsaanvraag aan de aanvrager betekent;
152° een bemiddelingsakkoord bereikt wordt;
163° de hoge raad de beëindiging van de bemiddeling omwille van de vaststelling dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld, betekent aan de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden bedoeld in paragraaf 2.
+0 −9 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.12/4 opgeheven
1§ 1. Zolang de zaak niet in beraad is genomen, kan de reeds geadieerde rechter in elke stand van de procedure zoals bedoeld in artikel 6.3.1 en 6.3.3, op verzoek van een van de partijen in het geding, op verzoek van de overheid die de herstelmaatregel vordert of op eigen initiatief een gerechtelijke bemiddeling bij de hoge raad bevelen.
2De rechterlijke beslissing die een bemiddeling beveelt, legt de duur van de opdracht van de hoge raad vast, zonder dat deze drie maanden kan overschrijden. Zij vermeldt tevens de datum waarop de zaak is verdaagd.
3§ 2. De griffier zendt onmiddellijk een afschrift van de rechterlijke beslissing aan de partijen in het geding, de overheid die de herstelmaatregel vordert en de hoge raad.
4De door de hoge raad aangewezen bemiddelaar kan derden bij de bemiddeling betrekken. Dit geldt ook ten opzichte van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester indien geen van hen een rechterlijke herstelmaatregel heeft gevorderd.
5§ 3. Als een bemiddelingsakkoord is bereikt, maakt de hoge raad dit over aan de rechtbank.
6Minstens meldt de hoge raad bij afloop van de bemiddelingsopdracht schriftelijk aan de rechter of er al dan niet een bemiddelingsakkoord is bekomen.
7De rechter behoudt niettemin de mogelijkheid om, zo hij dat opportuun acht en zowel de overheid die de herstelmaatregel vordert als de partijen in het geding ermee instemmen, de bemiddelingsopdracht van de hoge raad voor een door hem bepaalde termijn te verlengen.
8§ 4. Gedurende de bemiddeling blijft de rechter geadieerd en kan hij op elk ogenblik de noodzakelijk geachte maatregel treffen. Op verzoek van de hoge raad kan hij ook vóór het verstrijken van de vastgestelde termijn een einde maken aan de bemiddeling.
9§ 5. Er is geen rechtsmiddel mogelijk tegen de beslissing waarbij de bemiddeling wordt bevolen, verlengd of beëindigd.
+0 −11 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.13 opgeheven
1§ 1. De hoge raad vergadert geldig als de meerderheid van de leden aanwezig is. Hij spreekt zich uit bij gewone meerderheid van stemmen. De adviezen en beslissingen vermelden steeds de namen van de leden die aanwezig zijn op de vergadering.
2Bij staking van stemmen wordt een nieuwe stemming gehouden. Als er bij die tweede stemming opnieuw staking van stemmen is, beslist de voorzitter.
3§ 2. De vergaderingen van de hoge raad kunnen worden bijgewoond door :
41° de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur;
52° de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester, voor wat betreft die agendapunten die een vordering of een maatregel van de betrokken gemeente betreffen.
6De personen, vermeld in het eerste lid, kunnen voorafgaand aan de sluiting van de besprekingen hun standpunt weergeven en een stemadvies geven.
7§ 3. De hoge raad kan belanghebbenden schriftelijk horen telkens als hij dat nodig acht voor een zorgvuldige feitenvinding of voor de eerbiediging van het verdedigingsbeginsel. De hoge raad kan deze beoordelingsbevoegdheid inzake de organisatie van het schriftelijk horen delegeren aan een of meer van zijn leden.
8In het eerste lid wordt verstaan onder belanghebbenden :
91° personen die getroffen worden of kunnen worden door de maatregel waarover de hoge raad is geadieerd;
102° de rechtspersonen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, voor zover de gediende collectieve belangen bedreigd of geschaad worden door de misdrijven of inbreuken, vermeld in artikel 6.2.1 of 6.2.2 van deze codex, die aanleiding geven tot de maatregel waarover de hoge raad is geadieerd;
113° derden die in hun rechten worden geraakt door de misdrijven of de inbreuken, vermeld in artikel 6.2.1 of 6.2.2 van deze codex, die aanleiding geven tot de maatregel waarover de hoge raad is geadieerd.
+0 −6 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.14 opgeheven
1De Vlaamse Regering stelt een procedure- en werkingsreglement vast op voorstel van de hoge raad.
2Het reglement, vermeld in het eerste lid, kan, al dan niet op straffe van nietigheid of onontvankelijkheid voorgeschreven, vorm- en termijnvoorwaarden opleggen, in het bijzonder voor de aanhangigmaking van zaken, het overmaken van overtuigingsstukken, het inzagerecht van belanghebbenden en het horen van belanghebbenden.
3Het reglement, vermeld in het eerste lid, regelt voorts ten minste :
41° de werkverdeling;
52° de wijze waarop het horen georganiseerd wordt.
6Het reglement, vermeld in het eerste lid, treedt in werking op de dag van bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
+0 −2 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.15 opgeheven
1De hoge raad neemt een huishoudelijk reglement aan.
2Het huishoudelijk reglement bevat ten minste de deontologische beginselen, gedragsregels en richtlijnen die de leden van de hoge raad tot leidraad dienen bij de uitoefening van hun mandaat.
+0 −4 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.16 opgeheven
1§ 1. De Vlaamse Regering stelt de hoge raad binnen de beschikbare begrotingskredieten de nodige werkingsmiddelen ter beschikking.
2§ 2. De hoge raad stelt op grond van de werkingsmiddelen een permanent secretariaat samen.
3Het permanent secretariaat wordt geleid door een vaste secretaris en staat onder het gezag van de voorzitter in voor de algemene administratieve ondersteuning van de hoge raad. De vaste secretaris en de overige leden van het permanent secretariaat beschikken niet over enig stemrecht in de hoge raad.
4§ 3. De vaste secretaris en de overige leden van het permanent secretariaat worden aangesteld op grond van een detacherings- of arbeidsovereenkomst.
+0 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.3.17 opgeheven
1De hoge raad brengt jaarlijks een verslagboek uit, waarin een synthese is opgenomen van de overwegingen die tot de advies- en beslissingspraktijk van de hoge raad hebben geleid.
+0 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.1 opgeheven
1Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de betekening met een aangetekende brief geacht te zijn geschied op de derde werkdag na de afgifte ter post, behalve in geval van bewijs van het tegendeel.
+0 −4 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.2 opgeheven
1§ 1. De Vlaamse Regering kan bepaalde stedenbouwkundige misdrijven of inbreuken uitsluiten als grondslag voor de toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom, of de toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom afhankelijk maken van bijkomende voorwaarden.
2§ 2. Wie besluit tot toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom, is ook bevoegd die beslissing te wijzigen of in te trekken, zowel ambtshalve als op verzoek van belanghebbenden. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen tot uitvoering van dit lid.
3Buiten de beroepsmogelijkheden, vermeld in deze afdeling, is de intrekking of wijziging alleen mogelijk als het doel van de bestuurlijke maatregel werd bereikt, in geval van gewijzigde omstandigheden die een bijsturing van de opgelegde maatregelen noodzaken of in de gevallen, vermeld in artikel 1133 van het Gerechtelijk Wetboek.
4Bestuursdwang en last onder dwangsom kunnen niet gelijktijdig worden toegepast ten aanzien van dezelfde persoon. In afwijking van het tweede lid kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang te allen tijde worden vervangen door een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom of omgekeerd.
+0 −8 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.3 opgeheven
1§ 1. Een bestuurlijke maatregel mag geen afbreuk doen aan het gezag van gewijsde van een eerder tussengekomen rechterlijke beslissing die overeenkomstig deze titel werd genomen.
2Een bestuurlijke maatregel kan niet worden opgelegd aan de overtreder die voor dezelfde feiten werd gedagvaard voor de strafrechter of naar deze rechter werd verwezen. Hetzelfde geldt voor de overtreder die met toepassing van artikel 6.3.3 voor dezelfde feiten werd gedagvaard voor de burgerlijke rechter.
3§ 2. Het recht om een bestuurlijke maatregel op te leggen verjaart als volgt:
41° in ruimtelijk kwetsbaar gebied: na verloop van tien jaar;
52° in open ruimtegebied: na verloop van tien jaar;
63° in de andere gebieden: na verloop van vijf jaar.
7Bij bestuurlijke maatregelen voor stedenbouwkundige misdrijven neemt de termijn een aanvang hetzij de dag die volgt op de dag dat de procureur des Konings zijn beslissing, vermeld in artikel 6.2.13, § 3, houdende geen strafrechtelijke behandeling heeft meegedeeld, hetzij, bij gebrek aan een tijdige beslissing van de procureur des Konings, vanaf de dag nadat de termijn, vermeld in artikel 6.2.13, § 2, waarover de procureur des Konings beschikt, is verlopen.
8Bij bestuurlijke maatregelen voor stedenbouwkundige inbreuken neemt de verjaringstermijn een aanvang de dag die volgt op de dag dat de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, is gesteld.
+0 −9 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.4 opgeheven
1§ 1. De verbalisanten ruimtelijke ordening en de agenten of officieren van de gerechtelijke politie kunnen mondeling ter plaatse de onmiddellijke staking van handelingen bevelen als ze vaststellen dat de handeling voldoet aan de materiële omschrijving van een misdrijf of inbreuk als vermeld in artikel 6.2.1 of 6.2.2. Het stakingsbevel is een preventieve en voorlopige maatregel en is gericht op het voorkomen van schendingen die betrekking hebben op het uitvoeren of voortzetten van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 of 4.2.15, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning, hetzij zonder omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden, en die wat het gebruik en de instandhouding betreft bijkomend:
2a) hetzij een verzwaring van de schade aan de goede ruimtelijke ordening toebrengen;
3b) hetzij door hun impact de ruimtelijke bestemming van het gebied in het gedrang brengen.
4Bij schendingen inzake gebruik en instandhouding in ruimtelijk kwetsbare gebieden die onder het eerste lid vallen, kan uiterlijk tot twee jaar vanaf de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, een bevel tot staking worden gegeven. Buiten ruimtelijk kwetsbare gebieden is dat beperkt tot uiterlijk een jaar vanaf de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden.
5Als de verbalisanten ruimtelijke ordening en de agenten of officieren van gerechtelijke politie, vermeld in het eerste lid, ter plaatse niemand aantreffen, wordt ter plaatse een schriftelijk bevel tot onmiddellijke staking op een zichtbare plaats aangebracht, of wordt het stakingsbevel alsnog mondeling gegeven tijdens een verhoor van de overtreder.
6§ 2. Het proces-verbaal of verslag van vaststelling inzake de misdrijven of inbreuken, vermeld in paragraaf 1 wordt binnen acht dagen met een beveiligde zending betekend aan de initiatiefnemer, de architect, de persoon of aannemer die de handelingen uitvoert, en de gebruiker van het goed.
7Tegelijkertijd wordt per beveiligde zending een afschrift van het proces-verbaal of verslag van vaststelling verzonden naar de gemeente waar de handelingen hebben plaatsgevonden en naar de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur.
8§ 3. Het stakingsbevel moet op straffe van verval binnen acht dagen na de betekening van het proces-verbaal of verslag van vaststelling door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur worden bekrachtigd. Die bekrachtiging wordt binnen twee werkdagen met een beveiligde zending verzonden naar de personen, vermeld in paragraaf 2.
9§ 4. Elke belanghebbende kan in kort geding de opheffing van de maatregel vorderen tegen de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, die optreedt namens het Vlaamse Gewest. De vordering wordt gebracht voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in het ambtsgebied waarin de handelingen zijn uitgevoerd of het gebruik heeft plaatsgevonden. Deel IV, boek II, titel VI, van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op de inleiding en de behandeling van de vordering.
+0 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.5 opgeheven
1De verbalisanten ruimtelijke ordening en de agenten of officieren van gerechtelijke politie, vermeld in artikel 6.2.4, zijn gerechtigd tot het nemen van alle maatregelen, met inbegrip van verzegeling, inbeslagname van materiaal en materieel, om het bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding onmiddellijk te kunnen toepassen.
+0 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.6 opgeheven
1Onverminderd artikel 6.4.4, § 4, kan een stakingsbevel uitsluitend door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur worden ingetrokken of in omvang worden beperkt, zowel ambtshalve als op verzoek van belanghebbenden. De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur kan daarnaast de toestemming of het bevel geven tot het uitvoeren van beveiligingsmaatregelen. Het bevel neemt de vorm aan van een besluit als vermeld in afdeling 3 of 4.
+0 −17 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.7 opgeheven
1§ 1. De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester kan beslissen om bestuursdwang toe te passen. Bestuursdwang houdt in dat bestuurlijke maatregelen aan overtreders worden opgelegd door middel van een bestuurlijke beslissing die onmiddellijk uitvoerbaar is en steeds het recht op ambtshalve uitvoering insluit.
2De beslissing, vermeld in het eerste lid, wordt op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing wordt een besluit genoemd.
3§ 2. De bestuurlijke maatregelen, genomen in het kader van bestuursdwang, hebben dezelfde inhoud als de herstelmaatregelen, vermeld in artikel 6.3.1, § 1, en respecteren de rangorde, vermeld in het voormelde artikel.
4Het bedrag van de meerwaarde wordt door de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester vastgesteld conform artikel 6.3.1, § 5, tweede lid.
5§ 3. Het besluit bevat minstens :
61° de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp is van de inbreuk of het misdrijf en de identificatie van de personen die zakelijke rechten hebben op het goed en de overtreders aan wie het besluit zal worden betekend;
72° een vermelding van de voorschriften die worden of werden geschonden;
83° een overzicht van de vaststellingen van de inbreuk of het misdrijf;
94° een omschrijving van de opgelegde bestuurlijke maatregelen;
105° de vermelding dat tegen het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen in beroep kan worden gegaan, alsook een omschrijving van de procedure om in beroep te gaan.
11Het besluit wordt bij gerechtsdeurwaardersexploot of met een beveiligde zending betekend aan de overtreders en aan de rechthebbenden op de zaak ten aanzien van wie de bestuursdwang zal worden toegepast.
12Een afschrift van het besluit wordt aan de gemeente en de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur gezonden.
13§ 4. In het besluit wordt een termijn bepaald waarbinnen de overtreder en de belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf de bevolen maatregelen uit te voeren. De uitvoeringstermijn kan zo nodig worden gefaseerd of gedifferentieerd per maatregel.
14Voor wat de betaling van de meerwaarde betreft, kan de overtreder zich ook op een geldige wijze kwijten door binnen de uitvoeringstermijn de legaliteit te herstellen door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand, het staken van het strijdige gebruik of het verkrijgen van een regularisatievergunning en de uitvoering van de daarin begrepen voorwaarden.
15De uitvoeringstermijn neemt een aanvang de dag na de betekening.
16§ 5. Het besluit wordt binnen een termijn van twee maanden overgeschreven in het bevoegde kantoor van de Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie van het gebied waar het onroerend goed ligt. De beslissing, vermeld in artikel 6.4.8, § 2, tweede lid, wordt binnen een termijn van twee maanden nadat ze is gewezen, ingeschreven op de kant van die overschrijving, op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851. Hetzelfde geldt voor elke rechterlijke beslissing over de schorsing of vernietiging van het besluit of de beslissing, vermeld in artikel 6.4.8, § 2, tweede lid.
17§ 6. De beslissing tot toepassing van bestuursdwang en elke volgende beslissing die in de zaak gewezen is, zijn tegenwerpelijk aan alle belanghebbenden, die de gevolgen ervan moeten dragen.
+0 −5 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.8 opgeheven
1§ 1. Tegen de beslissing tot toepassing van bestuursdwang kan de vermoedelijke overtreder beroep instellen bij de Vlaamse Regering of haar gemachtigde. Bij de beoordeling van de herstelmaatregelen is artikel 6.4.7, § 2, van overeenkomstige toepassing, met inbegrip van de mogelijkheid tot vermindering van de meerwaarde, op verzoek en ambtshalve. Het beroep heeft schorsende werking.
2Het beroep is alleen ontvankelijk als het wordt ingesteld bij een met redenen omklede brief binnen een termijn van dertig dagen, die de dag na de betekening van het besluit aanvangt. Als de verzoeker gehoord wil worden, maakt hij daarvan melding in zijn beroepschrift. Het beroepschrift wordt met een beveiligde zending betekend.
3§ 2. Binnen een termijn van negentig dagen na de betekening van het beroepschrift wordt er over het beroep uitspraak gedaan, in voorkomend geval, na schriftelijk advies over de herstelmaatregel van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering als vermeld in artikel 6.3.12/1. De termijn van negentig dagen is geschorst vanaf de adviesaanvraag tot de dag dat het advies wordt verleend of tot de termijn voor het verlenen van advies is verstreken.
4De termijn van negentig dagen kan op voorwaarde van kennisgeving binnen die termijn aan de vermoedelijke overtreder en de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester die de beslissing heeft genomen, eenmalig worden verlengd met negentig dagen. Bij gebrek aan een tijdige beslissing over het beroep vervalt de bestuurlijke maatregel. De vermoedelijke overtreder en de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester die de beslissing heeft genomen, wordt van het verval schriftelijk op de hoogte gebracht. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de kennisgeving van de beslissing over het beroep en de uitvoering van dit artikel.
5§ 3. De dag na de betekening van de beslissing tot verwerping van het beroep begint de door de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester bepaalde termijn opnieuw te lopen, verminderd met het aantal dagen die al verstreken waren op het ogenblik van het instellen van het beroep.
+0 −9 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.9 opgeheven
1§ 1. De overtreder brengt de stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren, onmiddellijk met een beveiligde zending op de hoogte van de vrijwillige uitvoering van de opgelegde maatregelen.
2Daarop maakt de stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren, een proces-verbaal van vaststelling op.
3Bij gebrek aan een betekening met bevel tot uitvoeren is alleen de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur bevoegd om een proces-verbaal van vaststelling op te stellen.
4De stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren, bezorgt met een beveiligde zending een afschrift van het proces-verbaal van vaststelling aan de stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester, die niet in de akte van betekening vermeld zijn als opdrachtgever de overtreder, diens rechtsopvolgers en de personen die zakelijke rechten hebben op het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakte van de opgelegde maatregelen.
5Behalve in geval van bewijs van het tegendeel geldt alleen het proces-verbaal van vaststelling als bewijs van uitvoering van de maatregelen en van de datum van uitvoering.
6§ 2. Het proces-verbaal van vaststelling, vermeld in paragraaf 1, wordt conform artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 ingeschreven op de kant van de overschrijving, vermeld in artikel 6.4.7, § 5.
7Zolang de inschrijving, vermeld in het eerste lid, niet is gebeurd, moet de instrumenterende ambtenaar naar aanleiding van een akte die strekt tot de overdracht van een zakelijk recht, er in een afzonderlijke akte melding van maken dat op het onroerend goed ten gevolge van een uitvoerbare beslissing als vermeld in artikel 6.4.7 of 6.4.8, een verplichting rust om maatregelen als vermeld in artikel 6.4.7, § 2, uit te voeren. In die akte wordt ook bepaald dat de nieuwe titularis, voor zover de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke herstelmaatregel niet verjaard is, de verbintenis aangaat om de opgelegde maatregelen uit te voeren, onverminderd de verplichting van de overtreder.
8De kosten verbonden aan de afzonderlijke akte, vermeld in het vorige lid, vallen steeds ten laste van de overdrager van het zakelijk recht.
9De instrumenterende ambtenaar stuurt een afschrift van die akte naar de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester, en is ertoe gehouden de grosse af te leveren op hun verzoek.
+0 −5 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.10 opgeheven
1§ 1. Elke overtreder aan wie het besluit, vermeld in artikel 6.4.7, en in voorkomend geval de beslissing, vermeld in artikel 6.4.8, werd betekend, is hoofdelijk gehouden tot het betalen van de meerwaarde en de kosten die verbonden zijn aan de toepassing van bestuursdwang, met inbegrip van de kosten voor de voorbereiding ervan.
2Het besluit en de beslissing, vermeld in het eerste lid, maken daarvan melding.
3§ 2. De meerwaarde en de kosten, vermeld in paragraaf 1, kunnen ook worden verhaald op de persoon die een zakelijk recht heeft op het goed dat het voorwerp van de bestuursdwang uitmaakte.
4Op voorwaarde dat de titel van de houder van het zakelijk recht al was overgeschreven vóór de overschrijving van het besluit, vermeld in artikel 6.4.7, § 5, blijft het verhaal van de kosten evenwel beperkt tot de verrijking die de titularis van het zakelijk recht ten gevolge van de uitvoering van de opgelegde herstelmaatregel heeft verkregen.
5§ 3. De meerwaarde en de kosten, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden gewaarborgd door een wettelijke hypotheek, met overeenkomstige toepassing van artikel 6.3.4, § 3. De hypotheek wordt ingeschreven op voorlegging van een afschrift van het besluit of de beslissing over beroep.
+0 −2 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.11 opgeheven
1De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester die bestuursdwang heeft toegepast, kan van de overtreder bij dwangbevel de verschuldigde kosten, verhoogd met de invorderingskosten, invorderen. Hetzelfde geldt voor de meerwaarde die na het einde van de uitvoeringstermijn nog verschuldigd is. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar die de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen daarvoor heeft aangewezen. Het dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot of met een beveiligde zending.
2Op het dwangbevel, vermeld in het eerste lid, zijn de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.
+0 −2 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.12 opgeheven
1Tenzij de tenuitvoerlegging gebeurt met expliciete of impliciete instemming van de gebruiker en de personen die zakelijke rechten hebben op het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van de beslissing tot toepassing van bestuursdwang, is de uitvoering van handelingen in de plaats en op kosten van de overtreder alleen mogelijk door een gerechtsdeurwaarder na voorafgaande betekening van het uitvoerbare besluit, vermeld in artikel 6.4.7, of, als beroep werd ingesteld tegen het besluit, na voorafgaande betekening van het besluit en de beslissing, vermeld in artikel 6.4.8.
2Om aan een beslissing tot toepassing van bestuursdwang uitvoering te geven, hebben personen die daartoe zijn aangewezen door, naar gelang van het geval, de gerechtsdeurwaarder, de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, toegang tot elke plaats als dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
+0 −2 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.13 opgeheven
1Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort het verzegelen van gebouwen en terreinen, en wat zich daarin of daarop bevindt, alsook het meevoeren en opslaan van voor bestuursdwang vatbare zaken, als de toepassing van bestuursdwang dat vereist.
2De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de bewaring en de teruggave aan de rechthebbenden van de meegevoerde zaken.
+0 −5 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.14 opgeheven
1De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester is bevoegd om aan de overtreder een last onder dwangsom op te leggen. Last onder dwangsom houdt in dat bestuurlijke maatregelen aan overtreders worden opgelegd door middel van een bestuurlijke beslissing, die onmiddellijk uitvoerbaar is en steeds de verbeurte van een dwangsom als sanctie bij negatie insluit.
2De beslissing, vermeld in het eerste lid, wordt op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing wordt een besluit genoemd.
3Artikel 6.4.7, § 2 tot en met § 6, is ook van toepassing op het besluit, vermeld in het eerste lid, met het voorbehoud dat een last onder dwangsom nooit de betaling van een meerwaarde als enig voorwerp kan hebben.
4De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester stelt de dwangsom in het besluit vast op een bedrag ineens, op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd of per overtreding van de last, zonder dat die dwangsom betrekking kan hebben op de betaling van de meerwaarde als onderdeel van deze last. De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester kan een bedrag vaststellen waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
5Een dwangsom wordt pas verbeurd verklaard na de betekening van het uitvoerbare besluit, vermeld in het eerste lid, in voorkomend geval samen met de beslissing over het beroep.
+0 −4 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.15 opgeheven
1§ 1. Tegen de beslissing tot het opleggen van een last onder dwangsom kan de vermoedelijke overtreder beroep instellen bij de Vlaamse Regering of haar gemachtigde. Bij de beoordeling van de herstelmaatregelen is artikel 6.4.7, § 2, van overeenkomstige toepassing, met inbegrip van de mogelijkheid tot vermindering van de meerwaarde, op verzoek en ambtshalve. Het beroep heeft schorsende werking.
2Het beroep is alleen ontvankelijk als het wordt ingesteld bij een met redenen omklede brief binnen een termijn van dertig dagen, die de dag na de betekening van het besluit aanvangt. Als de verzoeker gehoord wil worden, maakt hij daarvan melding in zijn beroepschrift.
3§ 2. Artikel 6.4.8, § 2 en § 3, en artikel 6.4.9 zijn van toepassing op deze onderafdeling.
4Artikel 6.4.10 is van toepassing op de meerwaarde die in de last onder dwangsom is begrepen.
+0 −5 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.16 opgeheven
1De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester kan de verbeurde dwangsommen en de meerwaarde, verhoogd met de invorderingskosten, invorderen bij dwangbevel. Artikel 6.4.11 is van toepassing op dat dwangbevel.
2De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester die belast is met de invordering van de dwangsom, is ertoe gemachtigd aan de schuldenaars die bijzondere omstandigheden kunnen bewijzen, uitstel of spreiding van betaling toe te staan.
3De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel, kan, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of de gemeente, ambtshalve of op eenvoudig verzoek beslissen dat een opeisbare dwangsomschuld niet of maar gedeeltelijk wordt ingevorderd, zonder dat die beslissing betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. Er wordt in de beslissing rekening gehouden met de gestelde handelingen en de genomen engagementen met het oog op een correcte uitvoering van de hoofdveroordeling, alsook met de gehele of gedeeltelijke realisatie van het herstel. De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden vastleggen en procedurele regelen bepalen voor de toepassing van dit lid.
4Met behoud van de toepassing van het derde lid kan het Vlaamse Gewest of de gemeente, respectievelijk vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen, op gemotiveerd verzoek tijdelijk of definitief afzien van verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsomschuld. Dat kan voor het geheel of voor een gedeelte van de opeisbare schuldvordering zonder dat het betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. De Vlaamse Regering respectievelijk het college van burgemeester en schepenen kunnen hun beslissingsbevoegdheid delegeren.
5Het tweede tot en met het vijfde lid van artikel 6.3.4, § 5, zijn van overeenkomstige toepassing.
+0 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.17 opgeheven
1De rechtbank van eerste aanleg kan op verzoek van de overtreder de dwangsom opheffen, de looptijd ervan voor een bepaalde termijn opschorten of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen. De overtreder dagvaardt daarvoor de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van het uitvoerbare besluit, die respectievelijk optreedt namens het Vlaamse Gewest of de gemeente.
+0 −2 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.18 opgeheven
1De vordering tot betaling van verbeurde bedragen verjaart na verloop van zes maanden na de dag waarop de bedragen verbeurd zijn. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
2De verjaring wordt geschorst door faillissement en ieder ander wettelijk beletsel voor invordering van de dwangsom.
+0 −10 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.19 opgeheven
1§ 1. De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester kan, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of de gemeente, met de overtreder, overtreders of andere belanghebbenden een minnelijke schikking aangaan onder de volgende voorwaarden :
21° het voorwerp van de minnelijke schikking is in overeenstemming met artikel 6.3.1;
32° de minnelijke schikking doet geen afbreuk aan het gezag van gewijsde van een overeenkomstig hoofdstuk III tussengekomen rechterlijke beslissing noch aan een beslissing tot toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom;
43° de zakelijke rechten op het onroerend goed waarop de minnelijke schikking betrekking heeft, behoren toe aan een of meer personen die zich door de minnelijke schikking verbinden;
54° de termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen bedraagt niet meer dan vijf jaar.
6De miskenning van een van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, heeft van rechtswege de nietigheid van de minnelijke schikking tot gevolg.
7§ 2. De minnelijke schikking wordt aangevraagd door de personen die zich door de minnelijke schikking wensen te verbinden, volgens de regels, bepaald door de Vlaamse Regering.
8§ 3. Een aanvraag tot minnelijke schikking schorst de verjaring van de herstelvordering. De schorsing vangt aan vanaf de datum van betekening van de aanvraag aan de bevoegde overheid. De schorsing neemt een einde vanaf :
91° de datum waarop de minnelijke schikking tot stand komt conform artikel 6.4.20;
102° de datum waarop de minnelijke schikking wordt geweigerd.
+0 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.20 opgeheven
1De minnelijke schikking wordt op schrift gesteld. De minnelijke schikking wordt ondertekend door de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, en door de overtreder of overtreders of andere belanghebbenden met wie de minnelijke schikking wordt aangegaan. De minnelijke schikking wordt binnen een termijn van twee maanden overgeschreven in het bevoegde kantoor van de Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie waar het onroerend goed ligt. Een afschrift van de minnelijke schikking wordt verzonden aan de bevoegde overheden, bedoeld in artikel 6.3.1, § 2.
+0 −2 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.21 opgeheven
1Artikel 6.4.9 is van toepassing op deze afdeling, met dien verstande dat het proces-verbaal van vaststelling wordt overgeschreven op de kant van de overschrijving, vermeld in artikel 6.4.20.
2De uitvoering van de minnelijke schikking, bevestigd in het proces-verbaal van vaststelling, dooft elk verder recht op herstel of vergoeding van schade, geleden door het algemeen belang naar aanleiding van de inbreuken of misdrijven die omschreven zijn in de akte, vermeld in artikel 6.4.20.
+0 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.4.22 opgeheven
1De miskenning van de verplichtingen die in de minnelijke schikking zijn opgenomen, vormt ten aanzien van de overtreders of andere belanghebbenden die de minnelijke schikking hebben ondertekend, een grondslag voor de toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom.
+1 −3 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.5.1
1De ontvangsten die voortvloeien uit de toepassing van titel VI worden toegewezen aan de DAB BRV-fonds, vermeld in artikel 1.6.1.
2De in het eerste lid vermelde ontvangsten mogen enkel worden aangewend voor het verrichten van uitgaven die voortvloeien uit de toepassing van titel VI.
3In afwijking van het eerste lid en onverminderd artikel 6.4.16 worden de bestuurlijke dwangsommen opgelegd bij bestuurlijke maatregel van last onder dwangsom, vermeld in artikel 6.4.14, verhoogd met de invorderingskosten, die door de burgemeester of gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur, vermeld in artikel 6.1.1, 1°, worden geïnd en ingevorderd, toegewezen aan de gemeente op wiens grondgebied de bestuurlijke dwangsom is opgelegd.
1Artikel 73 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 is van toepassing op de opbrengsten, verkregen uit de toepassing van titel VI.
+0 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.5.1 opgeheven
1Artikel 73 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 is van toepassing op de opbrengsten, verkregen uit de toepassing van titel VI.
+0 −4 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.6.1 opgeheven
1§ 1. De uitvoering van de maatregelen die krachtens deze titel begrepen zijn in een uitvoerbare rechterlijke of bestuurlijke beslissing, of minnelijke schikking, is nimmer vergunnings- of meldingsplichtig op grond van dit decreet.
2§ 2. Vanaf de datum van afgifte van het proces-verbaal van vaststelling van uitvoering, vermeld in artikel 6.3.6, 6.4.9, 6.4.15, § 2, en artikel 6.4.21, kunnen ten aanzien van het voorwerp van de uitgevoerde herstelmaatregelen, stabiliteitswerken als vermeld in artikel 4.1.1, 11°, worden vergund.
3§ 3. Vanaf de datum, vermeld in paragraaf 2, kan met betrekking tot het voorwerp van de uitgevoerde herstelmaatregelen, een herstelattest worden verleend. Dat attest bevestigt dat het voorwerp van de uitgevoerde herstelmaatregelen in de door het herstelattest gedocumenteerde staat behouden kan blijven.
4Het herstelattest, vermeld in het eerste lid, wordt aangevraagd volgens regels die de Vlaamse Regering bepaalt, en wordt afgegeven door het college van burgemeester en schepenen.
+0 −2 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.6.2 opgeheven
1De rechtbank kan de titel van eigendomsverkrijging of van huur vernietigen op vordering van de kopers of de huurders van een goed dat het voorwerp uitmaakt of kan uitmaken van gerechtelijke of bestuurlijke herstelmaatregelen, onverminderd het recht van de kopers of huurders om schadevergoeding te eisen.
2De vordering tot vernietiging kan niet meer worden ingeroepen als de inbreuk op de informatieplicht met betrekking tot de publiciteit en de onderhandse overeenkomst is rechtgezet bij de authentieke akteverlening en de informatiegerechtigde in deze akte verzaakt aan de vordering tot nietigverklaring op basis van een inbreuk op de informatieplicht.
+0 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.6.3 opgeheven
1De dagvaarding voor de correctionele rechtbank of het exploot tot inleiding van het geding, vermeld in artikel 6.3.1 en 6.3.3, wordt in het vergunningenregister van de gemeente waar het onroerend goed gelegen is, ingeschreven op verzoek van de deurwaarder die het exploot heeft opgemaakt.
+0 −11 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 6.6.4 opgeheven
1§ 1. In dit artikel wordt verstaan onder de hiertoe bevoegde overheid : de handhavende personeelsleden en de entiteiten, vermeld in artikel 6.1.1, 1°, 2°, 3°, 4°, 7° en 8°, die hun bevoegdheden uitoefenen in het kader van titel VI, alsook de andere overheden waaraan titel VI rechtstreeks taken inzake handhaving toebedeelt, met inbegrip van de burgemeester.
2§ 2. Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kan de daartoe bevoegde overheid beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het tiende lid.
3De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de daartoe bevoegde overheid, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.
4De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, worden niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt.
5De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt.
6Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
7De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de daartoe bevoegde overheid zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het achtste lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.
8De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
9De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie.
10Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.
11Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid, bevat, naar het Openbaar Ministerie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.
+2 −2 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 7.7.2
1Als het recht van de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester om een herstelvordering in te stellen ontstaan is vóór 1 september 2009, beginnen de termijnen voor herstelvorderingen bij stedenbouwkundige misdrijven, vermeld in artikel 6.3.3, § 3, pas te lopen vanaf die datum. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer bedragen dan de termijnen, vermeld in artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.1Als het recht van de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester om een herstelvordering in te stellen ontstaan is vóór 1 september 2009, beginnen de termijnen voor herstelvorderingen bij stedenbouwkundige misdrijven, vermeld in artikel 6.3.3, § 3, zoals van kracht vóór de datum van de inwerkingtreding van artikel 63 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de imple-mentatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, pas te lopen vanaf die datum. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer bedragen dan de termijnen, vermeld in artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
2Het eerste lid verhindert de toepassing van artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering niet.2Het eerste lid verhindert de toepassing van artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering niet.
3Als de herstelvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing verjaard is verklaard voor de datum van 1 september 2009, vermeld in het eerste lid, kan de inwerkingtreding van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid niet tot gevolg hebben dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen.3Als de herstelvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing verjaard is verklaard voor de datum van 1 september 2009, vermeld in het eerste lid, kan de inwerkingtreding van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid niet tot gevolg hebben dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen.
4Als het recht om een herstelvordering in te stellen is ontstaan vóór de inwerkingtreding van artikel 31 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning en op die datum niet of verjaard is of verjaard verklaard is bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing, beginnen de verjaringstermijnen voor herstelvorderingen bij stedenbouwkundige inbreuken, vermeld in artikel 6.3.3, § 3, te lopen vanaf de inwerkingtreding van artikel 31 van het voormelde decreet, ongeacht wanneer de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, is gesteld. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer bedragen dan tien jaar in ruimtelijk kwetsbaar gebied en open ruimtegebied en vijf jaar in alle andere gebieden als het tot inbreuk verworden misdrijf is beëindigd vóór de inwerkingtreding van dat artikel 31.4Als het recht om een herstelvordering in te stellen is ontstaan vóór de inwerkingtreding van artikel 31 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning en op die datum niet of verjaard is of verjaard verklaard is bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing, beginnen de verjaringstermijnen voor herstelvorderingen bij stedenbouwkundige inbreuken, vermeld in artikel 6.3.3, § 3, zoals van kracht vóór de datum van de inwerkingtreding van artikel 63 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, te lopen vanaf de inwerkingtreding van artikel 31 van het voormelde decreet, ongeacht wanneer de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, is gesteld. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer bedragen dan tien jaar in ruimtelijk kwetsbaar gebied en open ruimtegebied en vijf jaar in alle andere gebieden als het tot inbreuk verworden misdrijf is beëindigd vóór de inwerkingtreding van dat artikel 31.
+0 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 7.7.3 opgeheven
1Het handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening van 18 november 2015 en de gewestelijke en gezamenlijke handhavingsprioriteiten Ruimtelijke Ordening van 23 december 2016 blijven van toepassing tot en met de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van het omgevingshandhavingsprogramma, vermeld in artikel 16.2.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
+0 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 7.7.4 opgeheven
1Artikel 6.6.1, § 3, is niet van toepassing op processen-verbaal van vaststelling van uitvoering als de uitgevoerde herstelmaatregelen zijn opgelegd voor de inwerkingtreding van artikel 55 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning.
+1 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 7.7.6
1In afwijking van artikel 6.2.6wordt de voorzetting van handelingen, werken of wijzigingen die voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning zijn vastgesteld, en die in strijd zijn met een stakingsbevel, bestraft conform de bepalingen van artikel 6.1.49 en 6.1.50, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet. Titel VI, hoofdstuk I, afdeling 7, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet, blijft onverkort van toepassing op die feiten en op de administratieve geldboete die erop gegrond zijn of worden.1In afwijking van artikel 6.2.6, zoals van kracht vóór de datum van de inwerkingtreding van artikel 63 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, wordt de voorzetting van handelingen, werken of wijzigingen die voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning zijn vastgesteld, en die in strijd zijn met een stakingsbevel, bestraft conform de bepalingen van artikel 6.1.49 en 6.1.50, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet. Titel VI, hoofdstuk I, afdeling 7, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet, blijft onverkort van toepassing op die feiten en op de administratieve geldboete die erop gegrond zijn of worden.
2Als de voortzetting van de handelingen, werken of wijzigingen in strijd met een bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding is uitgevoerd voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning en wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet, wordt er een geldboete opgelegd conform de procedure van onderafdeling 3 van titel VI, hoofdstuk II, afdeling 3, met dien verstande dat de administratieve geldboete niet meer kan bedragen dan bepaald in artikel 6.1.49, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet.2Als de voortzetting van de handelingen, werken of wijzigingen in strijd met een bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding is uitgevoerd voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning en wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet, wordt er een geldboete opgelegd conform de procedure van onderafdeling 3 van titel VI, hoofdstuk II, afdeling 3, met dien verstande dat de administratieve geldboete niet meer kan bedragen dan bepaald in artikel 6.1.49, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet.
+0 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 7.7.7 opgeheven
1De bepalingen over bestuursdwang en last onder dwangsom, vermeld in titel VI, hoofdstuk IV, afdeling 3 en 4, zijn niet van toepassing als het recht om een herstelvordering in te stellen is ontstaan vóór de inwerkingtreding van titel VI, hoofdstuk IV.
+0 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 7.7.8 opgeheven
1De rechtsgevolgen die verbonden zijn aan een bevel tot staking, dat is gegeven buiten de termijnen, vermeld in artikel 6.4.4, § 1, tweede lid, vervallen van rechtswege vanaf de inwerkingtreding van artikel 6.4.4, tenzij dat wordt tegengesproken door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing.
+3 −3 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 7.7.9
1De aanwijzing door de Vlaamse Regering van de ambtenaren van de entiteit, bevoegd voor de uitvoering van de handhavingstaken met betrekking tot de ruimtelijke ordening, op grond van artikel 6.1.5, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 1°, tot aan een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering.1De aanwijzing door de Vlaamse Regering van de ambtenaren van de entiteit, bevoegd voor de uitvoering van de handhavingstaken met betrekking tot de ruimtelijke ordening, op grond van artikel 6.1.5, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 1°, zoals van kracht vóór de datum van de inwerkingtreding van artikel 63 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, tot aan een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering.
2De aanwijzing door de Vlaamse Regering van de ambtenaren van andere entiteiten middels een protocol, op grond van artikel 6.1.5, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 2°,tot aan een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering.2De aanwijzing door de Vlaamse Regering van de ambtenaren van andere entiteiten middels een protocol, op grond van artikel 6.1.5, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 2°,zoals van kracht vóór de datum van de inwerkingtreding van artikel 63 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, tot aan een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering.
3De aanwijzing door de gouverneur van personeelsleden van een gemeente of van een intergemeentelijk samenwerkingsverband op grond van artikel 6.1.5 zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 3° en 4°, tot aan een andersluidende beslissing van het college van burgemeester en schepenen.3De aanwijzing door de gouverneur van personeelsleden van een gemeente of van een intergemeentelijk samenwerkingsverband op grond van artikel 6.1.5 zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 3° en 4°, zoals van kracht vóór de datum van de inwerkingtreding van artikel 63 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, tot aan een andersluidende beslissing van het college van burgemeester en schepenen.
+0 −2 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 7.7.10 opgeheven
1De aanstelling als gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur op grond van artikel 1.4.3, eerste lid, 1°, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 4 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt voor de lopende duurtijd van deze aanstelling gelijkgesteld met de aanwijzing als verbalisant ruimtelijke ordening, bedoeld in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 1°, behoudens een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering tot beëindiging van de aanstelling. De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur behoudt gedurende de gelijkstelling de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, die hij eerder verkreeg op grond van artikel 6.1.5, vierde lid, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 4 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning.
2De aanstelling als gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur op grond van artikel 1.4.3, eerste lid, 1°, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 4 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt voor de lopende duurtijd van deze aanstelling gelijkgesteld met de aanstelling als gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur, bedoeld in artikel 1.4.9, tweede lid, behoudens een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering tot beëindiging van deze aanstelling.
+1 −1 bodemdecreet-van-27-oktober-2006/art. 162
6§ 6. De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een aanvraag tot toepassing van haar bevoegdheden, vermeld in artikelen 164 en 165, afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.6§ 6. De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een aanvraag tot toepassing van haar bevoegdheden, vermeld in artikelen 164 en 165, afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.
7§ 7. De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een beroep, vermeld in artikelen 146 en 153, afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.7§ 7. De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een beroep, vermeld in artikelen 146 en 153, afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.
8§ 8. Als de OVAM ambtshalve optreedt overeenkomstig artikelen 157 of 158 van dit decreet, of artikel 16.4.7, § 1, 3°, of artikel 16.4.16, tweede lid, van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zijn de ingebrekeblijvende plichtige of de aansprakelijke personen een retributie verschuldigd aan de OVAM.8§ 8. Als de OVAM ambtshalve optreedt overeenkomstig artikelen 157 of 158 van dit decreet, of artikel 16.4.7, § 1, 3°, of 71 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 zijn de ingebrekeblijvende plichtige of de aansprakelijke personen een retributie verschuldigd aan de OVAM.
9§ 9. Als de Vlaamse Regering in de gevallen, vermeld in § 1 tot en met § 7, een retributie vaststelt, moet, op straffe van onontvankelijkheid, het bewijs van betaling van de retributie gevoegd worden :9§ 9. Als de Vlaamse Regering in de gevallen, vermeld in § 1 tot en met § 7, een retributie vaststelt, moet, op straffe van onontvankelijkheid, het bewijs van betaling van de retributie gevoegd worden :
101° ...;101° ...;
+1 −1 bodemdecreet-van-27-oktober-2006/art. 172
1Met betrekking tot dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten worden het toezicht en de bestuurlijke handhaving uitgeoefend kunnen, met behoud van de toepassing van artikel 69, veiligheidsmaatregelen worden genomen volgens de regels, bepaald in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid .1Titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid is van toepassing op de handhaving van dit decreet en de uitvoerings-besluiten ervan, met inbegrip van de verplichtingen die op grond daarvan worden opgelegd.
+0 −1 bodemdecreet-van-27-oktober-2006/art. 173 opgeheven
1Met betrekking tot dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten gebeuren het onderzoek, de vaststelling en de sanctionering van de milieu-inbreuken en milieumisdrijven volgens de regels bepaald in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
+3 −2 decreet-2011-12-23-1021295/art. 68
1Voor dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan worden het toezicht en de bestuurlijke handhaving uitgeoefend en worden veiligheidsmaatregelen genomen volgens de regels, vermeld in titel XVI, hoofdstukken III, IV en VII, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid .1Titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid is van toepassing op de handhaving van dit decreet en de uitvoerings-besluiten ervan, met inbegrip van de verplichtingen die op grond daarvan worden opgelegd.
2In afwijking van het eerste lid wordt de controle op en de bestuurlijke handhaving van de naleving van de verplichtingen inzake de milieuheffingen uitgevoerd volgens de regels, vermeld in hoofdstuk 5, afdeling 2.2In afwijking van het eerste lid wordt de controle op en de bestuurlijke hand-having van de naleving van de verplichtingen inzake de milieuheffingen uitgevoerd volgens de regels, vermeld in hoofdstuk 5, afdeling 2.
3In afwijking van het eerste lid wordt de overtreding van de verplichting tot aangifte en betaling van milieuheffingen, vermeld in artikel 50, en de verplichting om de administratieve geldboete te betalen, vermeld in artikel 58, uitsluitend bestraft op de wijze, vermeld in hoofdstuk 5, afdeling 2.
+0 −2 decreet-2011-12-23-1021295/art. 69 opgeheven
1Met betrekking tot dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan worden het onderzoek, de vaststelling en de bestraffing van de milieu-inbreuken en milieumisdrijven uitgevoerd volgens de regels, vermeld in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
2In afwijking van het eerste lid wordt de overtreding van de verplichting tot aangifte en betaling van milieuheffingen, vermeld in artikel 50, en de verplichting tot betaling van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 58, uitsluitend bestraft op de wijze, vermeld in hoofdstuk 5, afdeling 2.
+1 −1 decreet-1990-12-21/art. 24
1Er wordt een Fonds Handhaving Onroerend Erfgoed opgericht.1Er wordt een Fonds Handhaving Onroerend Erfgoed opgericht.
2Aan het Fonds Handhaving Onroerend Erfgoed worden de ontvangsten toegewezen die gerealiseerd worden op grond van hoofdstuk 11 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en zijn uitvoeringsbesluiten en de handhavingsbepalingen in de decreten, vermeld in artikel 12.2.1 van het Onroerend-erfgoeddecreet.2De opbrengsten die worden verkregen met de toepassing van hoofdstuk 11 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en hoofdstuk V van het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed, en die conform artikel 73 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 worden toebedeeld aan de Vlaamse overheid, komen toe aan het Fonds Handhaving Onroerend Erfgoed.
3De middelen van het Fonds Handhaving Onroerend Erfgoed worden aangewend voor het dekken van uitgaven die betrekking hebben op de handhaving van de decreten en uitvoeringsbesluiten, vermeld in het eerste lid.3De middelen van het Fonds Handhaving Onroerend Erfgoed worden aangewend voor het dekken van uitgaven die betrekking hebben op de handhaving van de decreten en uitvoeringsbesluiten, vermeld in het eerste lid.
+1 −1 decreet-1990-12-21/art. 25
31° alle ontvangsten voortkomend uit de verkoop van publicaties of uit allerhande initiatieven van het agentschap Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed;31° alle ontvangsten voortkomend uit de verkoop van publicaties of uit allerhande initiatieven van het agentschap Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed;
42° ...42° ...
53° de teruggevorderde subsidies en premies die werden toegekend ter uitvoering van hoofdstuk 10 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, zijn uitvoeringsbepalingen en de decreten, vermeld in artikel 12.2.1 van dit decreet.
53° de subsidies en premies die worden teruggevorderd conform artikel 95 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, hoofdstuk 10 en 11 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en hoofdstuk V van het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed.
6§ 3. De middelen van het Fonds onroerend erfgoed dienen aangewend te worden voor :6§ 3. De middelen van het Fonds onroerend erfgoed dienen aangewend te worden voor :
71° het dekken van uitgaven met betrekking tot publicaties en allerlei initiatieven van het agentschap Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed;71° het dekken van uitgaven met betrekking tot publicaties en allerlei initiatieven van het agentschap Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed;
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 2.1.2
4025° Titel II van het Vlarem: besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.4025° Titel II van het Vlarem: besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.
4126° titularis van een private waterwinning: de persoon die een private waterwinning voor water bestemd voor menselijke aanwending in eigendom heeft;4126° titularis van een private waterwinning: de persoon die een private waterwinning voor water bestemd voor menselijke aanwending in eigendom heeft;
4227° toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving: de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, vermeld in artikel 12, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
4227° toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving: de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, aangeduid door de Vlaamse Regering of haar gemachtigde.
4328° tweedecircuitwater: hemelwater, grondwater, oppervlaktewater en gerecupereerd afvalwater dat niet bestemd is voor menselijke consumptie en apparatuur bevoorraadt voor bijvoorbeeld besproeien van tuinen, WC, wasmachine of reinigen van vloeren of voor industriële of agrarische toepassingen;4328° tweedecircuitwater: hemelwater, grondwater, oppervlaktewater en gerecupereerd afvalwater dat niet bestemd is voor menselijke consumptie en apparatuur bevoorraadt voor bijvoorbeeld besproeien van tuinen, WC, wasmachine of reinigen van vloeren of voor industriële of agrarische toepassingen;
4429° Vennootschap: de vennootschap zoals bedoeld in artikel 2.6.1.1.1.4429° Vennootschap: de vennootschap zoals bedoeld in artikel 2.6.1.1.1.
+0 −0 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.1.1
+0 −0 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 5.1.1
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 5.4.1.1
1Voor hoofdstuk II van titel IV en de uitvoeringsbesluiten ervan geldt het volgende:1Voor hoofdstuk II van titel IV en de uitvoeringsbesluiten ervan geldt het volgende:
21° onverminderd de bevoegdheden van andere toezichthoudende ambtenaren die zijn aangewezen krachtens andere regelgeving, oefenen de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor de controle of het onderzoek, vermeld in artikel 5.4.1.2. van deze wet, voor de toepassing van de heffing, hun toezichtsopdrachten uit volgens de regels, vermeld in dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten ervan;21° onverminderd de bevoegdheden van andere toezichthoudende ambtenaren die zijn aangewezen krachtens andere regelgeving, oefenen de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor de controle of het onderzoek, vermeld in artikel 5.4.1.2. van deze wet, voor de toepassing van de heffing, hun toezichtsopdrachten uit volgens de regels, vermeld in dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten ervan;
32° de bepalingen van titel XVI, hoofdstuk IV, afdeling IV, en hoofdstuk VI, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zijn niet van toepassing op de overtredingen van hoofdstuk II van titel IV en de uitvoeringsbesluiten ervan. Die overtredingen worden bestraft conform artikel 5.4.2.1 tot 5.4.2.2.32° de overtredingen van hoofdstuk II van titel IV en de uitvoeringsbesluiten ervan worden bestraft conform artikel 5.4.2.1 tot en met 5.4.2.2.
+2 −2 decreet-2014-04-04/art. 2
1In dit decreet wordt verstaan onder:1In dit decreet wordt verstaan onder:
21° Vlaams bestuursrechtscollege: een van de volgende instanties:21° Vlaams bestuursrechtscollege: een van de volgende instanties:
3a) het handhavingscollege, opgericht bij artikel 16.4.19, § 1, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ;3a) het handhavingscollege, opgericht bij artikel 16.4.19, § 1, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en waaraan tevens bevoegdheden toegekend worden bij artikel 42, 46, 55, 68, 74 en 96 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 en de decreten die het voormelde decreet van toepassing verklaren, overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van het voormelde decreet;
4b) de Raad voor Vergunningsbetwistingen, opgericht bij artikel 4.8.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en waaraan tevens bevoegdheden toegekend worden bij artikel 105 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, artikel 45 van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten en artikel 43 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017;4b) de Raad voor Vergunningsbetwistingen, opgericht bij artikel 4.8.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en waaraan tevens bevoegdheden toegekend worden bij artikel 105 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en artikel 43 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017;
5c) de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, opgericht bij artikel 202 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011;5c) de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, opgericht bij artikel 202 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011;
6d) de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, opgericht bij artikel II.285 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;6d) de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, opgericht bij artikel II.285 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;
+7 −0 decreet-2014-04-04/art. 31/0 nieuw
1De volgende personen kunnen tussenkomen in een hangende procedure bij het Handhavingscollege die een bestuurlijke herstelbeslissing als vermeld in artikel 2, 5°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, een bestuurlijke beveiligingsbeslissing als vermeld in artikel 2, 4°, van het voormelde decreet of een herstelschikking als vermeld in artikel 2, 16°, van het voormelde decreet, als voorwerp heeft:
21° de overtreder ten aanzien van wie de herstelbeslissing is genomen, in geval van een beroep dat conform artikel 74 van het voormelde decreet is ingesteld tegen een herstelbeslissing;
32° de personen ten aanzien van wie de bestuurlijke beveiligingsbeslissing is genomen, in geval van een beroep dat conform artikel 74 van het voormelde decreet is ingesteld tegen een bestuurlijke beveiligingsbeslissing;
43° de bevoegde overheid die in eerste aanleg heeft beslist over de betrokken beslissing;
54° de personen die de herstelschikking hebben vastgesteld, in geval van een beroep dat conform artikel 74 van het voormelde decreet is ingesteld tegen een herstelschikking;
65° derden die om de handhaving hebben verzocht overeenkomstig artikel 96 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 of die belang hebben bij de beslissing over de bestuurlijke herstel- of beveiligingsbeslissing of herstelschikking in kwestie.
7De Vlaamse Regering bepaalt de vervaltermijnen voor de tussenkomsten, vermeld in het eerste lid, die niet korter mogen zijn dan twintig dagen.
+21 −9 decreet-2014-04-04/art. 31/1
1§1. Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot vernietiging, bedraagt 100 euro.1§1. Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot vernietiging, bedraagt 100 euro.
2Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot schorsing, ingediend conform artikel 40, §1 of §2, bedraagt 50 euro.
3Het rolrecht dat verschuldigd is per tussenkomende partij, bedraagt 50 euro per vordering waarin ze tussenkomt, ongeacht of de tussenkomst geldt voor een vordering tot vernietiging of voor een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, §1 of §2.
2§2. De verzoekende partij die aantoont dat haar inkomsten ontoereikend zijn, is vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht.4§2. De verzoekende partij of tussenkomende partij die aantoont dat haar inkomsten ontoereikend zijn, is vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht.
3De verzoekende partij richt daarvoor een verzoek aan het handhavingscollege, gelijktijdig met de indiening van haar verzoekschrift.5De verzoekende partij richt daarvoor een verzoek aan het handhavingscollege, gelijktijdig met de indiening van haar verzoekschrift.
6De tussenkomende partij richt daarvoor een verzoek aan het Handhavingscol-lege, gelijktijdig met haar tussenkomst in een vordering.
4Als de bewijsstukken, vermeld in het eerste lid, ontbreken, vraagt de griffier die bij beveiligde zending op bij de verzoekende partij.7Als de bewijsstukken, vermeld in het eerste lid, ontbreken, vraagt de griffier die bij beveiligde zending op bij de verzoekende of tussenkomende partij.
5De bewijsstukken worden bezorgd binnen een termijn van acht dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in het derde lid.8De bewijsstukken worden bezorgd binnen een termijn van acht dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in het vierde lid.
6Als de bewijsstukken niet worden bezorgd binnen de termijn, vermeld in het vierde lid, wordt de verzoekende partij geacht afstand te doen van haar vraag tot vrijstelling van het rolrecht.9Als de bewijsstukken niet worden bezorgd binnen de termijn, vermeld in het vijfde lid, wordt de verzoekende of tussenkomende partij geacht afstand te doen van haar vraag tot vrijstelling van het rolrecht.
7De ontoereikendheid van de inkomsten wordt beoordeeld conform artikel 508/13/1 tot en met 508/13/4 van het Gerechtelijk Wetboek.10De ontoereikendheid van de inkomsten wordt beoordeeld conform artikel 508/13/1 tot en met 508/13/4 van het Gerechtelijk Wetboek.
8§3. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel keer het recht als er verzoekende partijen zijn.11§3. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel keer het recht als er verzoekende partijen zijn.
9§ 4. Gelijktijdig met de indiening van het verzoekschrift houdende een vordering tot vernietiging, bezorgt de verzoekende partij het bewijs dat een overschrijvingsopdracht is gegeven of dat een storting is uitgevoerd tot betaling van het rolrecht.
12Collectieve tussenkomsten geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er tussenkomende partijen zijn.
10Als het rolrecht, vermeld in het eerste lid, niet op tijd is gestort , nodigt de griffier de verzoekende partij met een beveiligde zending uit om het rolrecht alsnog te betalen. De griffier vermeldt daarbij duidelijk de sanctie, vermeld in het derde lid. In dit geval wordt het rolrecht gestort binnen acht dagen na de dag van de betekening van de voormelde beveiligde zending. 13§4. Als het rolrecht niet is gestort bij de indiening van het verzoekschrift of bij de tussenkomst, nodigt de griffier de verzoekende of tussenkomende partij met een beveiligde zending uit om het rolrecht alsnog te betalen. De griffier vermeldt daarbij duidelijk de sanctie, vermeld in het tweede lid. In dit geval wordt het rolrecht gestort binnen acht dagen na de dag van de betekening van de voormelde beveiligde zending. In geval van een vordering tot schorsing die is ingesteld conform artikel 40, §2, wordt het rolrecht gestort binnen drie dagen na de dag van de betekening van de voormelde beveiligde zending.
11Als het bedrag van het rolrecht niet op tijd is gestort, is het beroep onontvankelijk.
14Als het bedrag van het rolrecht niet op tijd is gestort door de verzoekende of tussenkomende partij, is het beroep of de tussenkomst van die partij onontvankelijk. Als de verzoekende partij in een vordering tot schorsing die ingesteld is conform artikel 40, §2, het rolrecht niet tijdig heeft gestort, worden de schorsing en de voorlopige maatregelen die zouden zijn bevolen, conform artikel 40, §2, en artikel 41 opgeheven conform de procedure, vermeld in artikel 40, §13. Als de tussenkomende partij in een vordering tot schorsing die is ingesteld conform artikel 40, §2, het rolrecht niet tijdig heeft gestort, kan ze geen voortzetting van de rechtspleging vragen.
15§5. Het Handhavingscollege kan, op verzoek van een partij, een rechtsple-gingsvergoeding toekennen die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de partij die in het gelijk wordt gesteld.
16De Vlaamse Regering bepaalt de basisbedragen en de minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in het eerste lid.
17Het Handhavingscollege kan, op gemotiveerde wijze, de rechtsplegings-vergoeding, vermeld in het eerste lid, verlagen of verhogen, zonder echter de door de Vlaamse Regering bepaalde minimum- en maximumbedragen te overschrijden. In deze beoordeling houdt het Handhavingscollege rekening met:
181° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;
192° de complexiteit van de zaak;
203° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.
21Als de in het ongelijk gestelde partij juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in het eerste lid, vastgelegd op het minimumbedrag bepaald door de Vlaamse Regering conform het tweede lid, behalve in geval van een kennelijk onredelijke situatie. In dat geval omkleedt het Handhavingscollege zijn beslissing tot vermindering of verhoging met bijzondere redenen.
22Als meer partijen de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in het eerste lid, ten laste van een of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, is het bedrag ervan maximaal het dubbele van de maximale rechtsplegingsvergoe-ding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken. Het Handhavingscollege verdeelt de rechtsple-gingsvergoeding in dat geval tussen de partijen.
23De tussenkomende partijen kunnen niet worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding en kunnen die vergoeding niet genieten.
+1 −1 decreet-2014-04-04/art. 33
73° de kosten van de bekendmaking conform artikel 47, uitgezonderd wat de Raad voor Verkiezingsbetwistingen betreft.73° de kosten van de bekendmaking conform artikel 47, uitgezonderd wat de Raad voor Verkiezingsbetwistingen betreft.
8Wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft, omvatten de kosten ook het rolrecht en de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in artikel 21, alsook de kosten, vermeld in artikel 42, § 5.8Wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft, omvatten de kosten ook het rolrecht en de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in artikel 21, alsook de kosten, vermeld in artikel 42, § 5.
9Wat het handhavingscollege betreft, omvatten de kosten ook het rolrecht , vermeld in artikel 31/1.9Wat het handhavingscollege betreft, omvatten de kosten ook het rolrecht en de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in artikel 31/1.
+2 −2 decreet-2014-04-04/art. 34
17Als het Vlaams bestuursrechtscollege vaststelt dat de onwettigheid is hersteld en dat het herstel niet is aangetast door een nieuw opgeworpen onwettigheid, verwerpt het Vlaams bestuursrechtscollege het beroep tegen de herstelbeslissing. Daarnaast vernietigt het Vlaams bestuursrechtscollege de bestreden beslissing geheel of gedeeltelijk en doet het Vlaams bestuursrechtscollege uitspraak over de eventuele toepassing van artikel 36.17Als het Vlaams bestuursrechtscollege vaststelt dat de onwettigheid is hersteld en dat het herstel niet is aangetast door een nieuw opgeworpen onwettigheid, verwerpt het Vlaams bestuursrechtscollege het beroep tegen de herstelbeslissing. Daarnaast vernietigt het Vlaams bestuursrechtscollege de bestreden beslissing geheel of gedeeltelijk en doet het Vlaams bestuursrechtscollege uitspraak over de eventuele toepassing van artikel 36.
18§ 7. De proceduretermijnen die niet in dit artikel worden vermeld, worden geschorst vanaf de datum van de tussenuitspraak die beslist over de toepassing van de bestuurlijke lus tot de datum van de uitspraak van het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in paragraaf 4, derde lid, of paragraaf 6.18§ 7. De proceduretermijnen die niet in dit artikel worden vermeld, worden geschorst vanaf de datum van de tussenuitspraak die beslist over de toepassing van de bestuurlijke lus tot de datum van de uitspraak van het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in paragraaf 4, derde lid, of paragraaf 6.
19§ 8. Na de betekening van de uitspraak, vermeld in paragraaf 6, tweede lid, door het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, b), wordt de herstelbeslissing bekendgemaakt conform de bepalingen van de decreten, vermeld in artikel 2, 1°, b).19§ 8. Na de betekening van de uitspraak, vermeld in paragraaf 6, tweede lid, door het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), wordt de herstelbeslissing bekendgemaakt conform de bepalingen van de decreten, vermeld in artikel 2, 1°, a) en b).
20§ 9. De personen die daartoe belang hebben conform de bepalingen van de decreten, vermeld in artikel 2, 1°, b), kunnen tegen de herstelbeslissing beroep instellen bij het Vlaams bestuursrechtscollege binnen de termijnen, vermeld in het voormelde decreet.20§ 9. De personen die daartoe belang hebben conform de bepalingen van de decreten, vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), kunnen tegen de herstelbeslissing beroep instellen bij het Vlaams bestuursrechtscollege binnen de termijnen, vermeld in het voormelde decreet.
+4 −0 decreet-2014-04-04/art. 39/1 nieuw
1Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), kan ambtshalve een geldboete opleggen wegens kennelijk onrechtmatig beroep.
2De geldboete, vermeld in het eerste lid, bedraagt minimaal 125 euro en maximaal 2500 euro. De Vlaamse Regering kan de voormelde bedragen wijzigen ingevolge de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen.
3De opbrengst van de geldboete, vermeld in het eerste lid, wordt gestort op de rekening van het fonds voor de dienst van de Bestuursrechtscolleges.
4De Vlaamse Regering stelt de regels vast om de geldboete, vermeld in het eerste lid, op te leggen en te innen.
+13 −13 decreet-2014-04-04/art. 40
1§1. Met behoud van de toepassing van artikel 14, kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen op elk ogenblik de schorsing bevelen van de bestreden beslissing op voorwaarde dat wordt aangetoond dat:1§1. Met behoud van de toepassing van artikel 14, kan een Vlaams bestuursrechts-college als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), op elk ogenblik de schorsing bevelen van de bestreden beslissing op voorwaarde dat wordt aangetoond dat:
21° de zaak hoogdringend is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot vernietiging;21° de zaak hoogdringend is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot vernietiging;
32° en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt.32° en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt.
4§2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen op elk ogenblik de schorsing bevelen wegens uiterst dringende noodzakelijkheid op voorwaarde dat wordt aangetoond dat:4§2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, kan een Vlaams bestuurs-rechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), op elk ogenblik de schorsing bevelen wegens uiterst dringende noodzakelijkheid op voorwaarde dat wordt aangetoond dat:
51° de zaak uiterst dringend noodzakelijk is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot schorsing als vermeld in paragraaf 1;51° de zaak uiterst dringend noodzakelijk is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot schorsing als vermeld in paragraaf 1;
62° en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt.62° en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt.
7In voorkomend geval kan deze schorsing, op verzoek, bij wijze van voorlopige maatregel worden bevolen zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord. In dat geval worden in het arrest dat de voorlopige schorsing beveelt, de partijen binnen drie dagen opgeroepen om te verschijnen voor de kamer die uitspraak doet over de bevestiging van de schorsing.7In voorkomend geval kan deze schorsing, op verzoek, bij wijze van voorlopige maatregel worden bevolen zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord. In dat geval worden in het arrest dat de voorlopige schorsing beveelt, de partijen binnen drie dagen opgeroepen om te verschijnen voor de kamer die uitspraak doet over de bevestiging van de schorsing.
8§3. Het verzoekschrift, ingediend conform dit artikel, omschrijft de redenen op grond waarvan de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verzocht.8§3. Het verzoekschrift, ingediend conform dit artikel, omschrijft de redenen op grond waarvan de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verzocht.
9§4. Met behoud van de toepassing van de procedure, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, wordt het schorsingsarrest, uitgesproken conform dit artikel, gewezen nadat de partijen zijn gehoord of behoorlijk opgeroepen.9§4. Met behoud van de toepassing van de procedure, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, wordt het schorsingsarrest, uitgesproken conform dit artikel, gewezen nadat de partijen zijn gehoord of behoorlijk opgeroepen.
10Als de verzoekende partij noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is op de zitting, wordt de vordering tot schorsing verworpen.10Als de verzoekende partij noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is op de zitting, wordt de vordering tot schorsing verworpen.
11§5. De Raad voor Vergunningsbetwistingen houdt, bij een vordering tot schorsing ingediend conform dit artikel, op verzoek van de verwerende of de tussenkomende partij rekening met de waarschijnlijke gevolgen van de schorsing van de tenuitvoerlegging voor alle belangen die kunnen worden geschonden, alsook met het algemeen belang, en hij kan besluiten de schorsing niet te bevelen als de nadelige gevolgen ervan op een klaarblijkelijk onevenredige wijze zwaarder wegen dan de voordelen.11§5. Bij een vordering tot schorsing ingediend conform dit artikel, houdt een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), op verzoek van de verwerende of de tussenkomende partij rekening met de waarschijnlijke gevolgen van de schorsing van de tenuitvoerlegging voor alle belangen die kunnen worden geschonden en met het algemeen belang. Het Vlaams bestuursrechtscolle-ge kan besluiten de schorsing niet te bevelen als de nadelige gevolgen ervan op een klaarblijkelijk onevenredige wijze zwaarder wegen dan de voordelen.
12§6. Als een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, wordt verworpen wegens het gebrek aan hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid kan een nieuwe vordering alleen worden ingediend als die steunt op nieuwe elementen die de hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid ervan rechtvaardigen. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing kan worden ingediend als het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van tijd.12§6. Als een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, wordt verworpen wegens het gebrek aan hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid kan een nieuwe vordering alleen worden ingediend als die steunt op nieuwe elementen die de hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijk-heid ervan rechtvaardigen. Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing kan worden ingediend als het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van tijd.
13§7. Als een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, en een vordering tot vernietiging aanhangig worden gemaakt bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, en als de verzoeker, in de loop van de schorsingsprocedure, afstand doet van het door hem ingediende beroep of als de bestreden beslissing wordt ingetrokken, zodat er geen uitspraak meer hoeft te worden gedaan, kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen in een en hetzelfde arrest uitspraak doen over de vordering tot schorsing en over de vordering tot vernietiging.13§7. Als een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, en een vordering tot vernietiging aanhangig worden gemaakt bij een Vlaams bestuurs-rechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), en als de verzoeker, in de loop van de schorsingsprocedure, afstand doet van het door hem ingediende beroep of als de bestreden beslissing wordt ingetrokken, zodat er geen uitspraak meer hoeft te worden gedaan, kan het Vlaams bestuursrechtscollege in een en hetzelfde arrest uitspraak doen over de vordering tot schorsing en over de vordering tot vernietiging.
14§8. De schorsing bevolen met toepassing van dit artikel wordt onmiddellijk opgeheven, met toepassing van de procedure, vermeld in paragraaf 13, als blijkt dat binnen de beroepstermijn bepaald in het decreet, vermeld in artikel 2, 1°, b), geen verzoekschrift tot vernietiging is ingediend.14§8. De schorsing bevolen met toepassing van dit artikel wordt onmiddellijk opgeheven, met toepassing van de procedure, vermeld in paragraaf 13, als blijkt dat binnen de beroepstermijn bepaald in de decreten, vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), geen verzoekschrift tot vernietiging is ingediend.
15§9. Een verzoekschrift tot schorsing dat met toepassing van de procedurevermeld in dit artikelwordt ingesteld buiten de beroepstermijn bepaald in het decreet, vermeld in artikel 2, 1°, b), kan geen middelen bevatten die niet zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot vernietiging.15§9. Een verzoekschrift tot schorsing dat met toepassing van de procedure, vermeld in dit artikel, wordt ingesteld buiten de beroepstermijn bepaald in de decreten, vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), kan geen middelen bevatten die niet zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot vernietiging.
16§10. Een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, stuit de vervaltermijnen voor de indiening van de nota's in het kader van de vordering tot vernietiging vanaf de datum van de ontvangst van het verzoekschrift door de Raad voor Vergunningsbetwistingen tot de dag na de betekening van het ingediende verzoek tot voortzetting van de rechtspleging. De griffier brengt de partijen daarvan onmiddellijk op de hoogte.16§10. Een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, stuit de vervaltermijnen voor de indiening van de nota's in het kader van de vordering tot vernietiging vanaf de datum van de ontvangst van het verzoekschrift door een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), tot de dag na de betekening van het ingediende verzoek tot voortzetting van de rechtspleging. De griffier brengt de partijen daarvan onmiddellijk op de hoogte.
17§11. De Vlaamse Regering bepaalt de vervaltermijnen waarbinnen de partijen het administratieve dossier en hun nota's indienen. Die vervaltermijnen mogen niet korter zijn dan vijftien dagen bij vorderingen die ingesteld zijn conform de procedure, vermeld in paragraaf 1.17§11. De Vlaamse Regering bepaalt de vervaltermijnen waarbinnen de partijen het administratieve dossier en hun nota's indienen. Die vervaltermijnen mogen niet korter zijn dan vijftien dagen bij vorderingen die ingesteld zijn conform de procedure, vermeld in paragraaf 1.
18De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de behandeling van de vordering tot schorsing ingediend conform dit artikel.18De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de behandeling van de vordering tot schorsing ingediend conform dit artikel.
19§12. Het arrest dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing beveelt, conform dit artikel, kan op verzoek van een partij een dwangsom opleggen aan een andere partij ten voordele van de partij die om de oplegging van de dwangsom heeft verzocht. In dat geval is artikel 38, §2 tot en met §4, van overeenkomstige toepassing.19§12. Het arrest dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing beveelt, conform dit artikel, kan op verzoek van een partij een dwangsom opleggen aan een andere partij ten voordele van de partij die om de oplegging van de dwangsom heeft verzocht. In dat geval is artikel 38, §2 tot en met §4, van overeenkomstige toepassing.
20§13. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan de arresten waarbij de schorsing is bevolen, conform dit artikel, op verzoek van de partijen of op eigen initiatief opheffen.20§13. Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), kan de arresten waarbij de schorsing is bevolen, conform dit artikel, op verzoek van de partijen of op eigen initiatief opheffen.
21De opheffing is alleen mogelijk als nieuwe feiten, hetzij in rechte, hetzij in feite, zich voordoen of als de omstandigheden zodanig veranderd zijn dat de schorsing niet langer gerechtvaardigd is.21De opheffing is alleen mogelijk als nieuwe feiten, hetzij in rechte, hetzij in feite, zich voordoen of als de omstandigheden zodanig veranderd zijn dat de schorsing niet langer gerechtvaardigd is.
22De partijen worden uitgenodigd om te verschijnen op een zitting waarop de vordering tot opheffing wordt behandeld.22De partijen worden uitgenodigd om te verschijnen op een zitting waarop de vordering tot opheffing wordt behandeld.
+6 −5 decreet-2014-04-04/art. 41
1Als bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen conform artikel 40 een vordering tot schorsing of schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid aanhangig wordt gemaaktkan hij als enige, op verzoek, bij voorraad en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 40, §1, §2 en §5, alle nodige maatregelen bevelen om de belangen van de partijen of van de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak veilig te stellen, met uitzondering van de maatregelen die betrekking hebben op de burgerlijke rechten.1Als bij een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), conform artikel 40 een vordering tot schorsing of schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid aanhangig wordt gemaakt, kan het Vlaams bestuurs-rechtscollege, op verzoek, bij voorraad en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 40, §1, §2 en §5, alle nodige maatregelen bevelen om de belangen van de partijen of van de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak veilig te stellen, met uitzondering van de maatregelen die betrekking hebben op de burgerlijke rechten.
2Indien het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, a), van oordeel is dat er redenen zijn om, conform artikel 40, over te gaan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestuurlijke beveiligingsbeslissing als bedoeld in artikel 68 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, kan het, ambtshalve of op verzoek, beslissen om de beveiligingsbeslissing tijdelijk aan te passen.
2Deze maatregelen worden, nadat de partijen gehoord zijn of behoorlijk zijn opgeroepen, bij een gemotiveerd arrest bevolen.3Deze maatregelen worden, nadat de partijen gehoord zijn of behoorlijk zijn opgeroepen, bij een gemotiveerd arrest bevolen.
3Als de verzoekende partij noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is op de zitting, wordt de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen verworpen.4Als de verzoekende partij noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is op de zitting, wordt de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen verworpen.
4Wanneer een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen wordt verworpen wegens het gebrek aan hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid van deze vordering rechtvaardigen. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van tijd.5Wanneer een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen wordt verworpen wegens het gebrek aan hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid van deze vordering rechtvaardigen. Een Vlaams bestuursrechts-college als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van tijd.
5In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kunnen voorlopige maatregelen worden bevolen, zonder dat de partijen of sommige van hen gehoord worden . In dat geval worden in het arrest dat de voorlopige maatregelen beveelt, de partijen binnen drie dagen opgeroepen om te verschijnen voor de kamer die uitspraak doet over de handhaving van de maatregelen die niet zouden zijn uitgevoerd.6In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kunnen voorlopige maatrege-len worden bevolen, zonder dat de partijen of sommige van hen worden gehoord. In dat geval worden in het arrest dat de voorlopige maatregelen beveelt, de partijen binnen drie dagen opgeroepen om te verschijnen voor de kamer die uitspraak doet over de handhaving van de maatregelen die niet zouden zijn uitgevoerd.
6De maatregelen die bevolen zijn met toepassing van dit artikel worden onmiddellijk opgeheven, met toepassing van de procedure, vermeld in artikel 40, §13, als blijkt dat binnen de beroepstermijn bepaald in het decreet, vermeld in artikel 2, 1°, b), geen verzoekschrift tot vernietiging is ingediend.7De maatregelen die bevolen zijn met toepassing van dit artikel worden onmid-dellijk opgeheven, met toepassing van de procedure, vermeld in artikel 40, §13, als blijkt dat binnen de beroepstermijn bepaald in de decreten, vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), geen verzoekschrift tot vernietiging is ingediend.
7Artikel 40, §12 en §13, zijn van overeenkomstige toepassing op de krachtens dit artikel uitgesproken arresten.8Artikel 40, §12 en §13, zijn van overeenkomstige toepassing op de krachtens dit artikel uitgesproken arresten.
8De Vlaamse Regering bepaalt de procedure met betrekking tot de in dit artikel bedoelde maatregelen.9De Vlaamse Regering bepaalt de procedure met betrekking tot de in dit artikel bedoelde maatregelen.
+0 −4 decreet-2014-04-04/art. 43 opgeheven
1De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan ambtshalve een geldboete opleggen wegens kennelijk onrechtmatig beroep.
2De geldboete bedraagt minimaal 125 euro en maximaal 2500 euro, met dien verstande dat die bedragen door de Vlaamse Regering kunnen worden gewijzigd ingevolge de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen.
3De opbrengst van de geldboete wordt gestort op de rekening van het fonds voor de dienst van de bestuursrechtscolleges.
4De Vlaamse Regering stelt de regels vast voor het opleggen en innen van de geldboete.
+1 −1 decreet-2014-04-04/art. 44
1Na gehele of gedeeltelijke vernietiging kan het handhavingscollege zelf een beslissing nemen over het bedrag van de boete en, in voorkomend geval, over de voordeelontneming , en bepalen dat zijn uitspraak daarover de vernietigde beslissing vervangt.1Na een gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing kan het Handhavingscollege zelf een beslissing nemen zowel over het bedrag van de boete en, in voorkomend geval, over de voordeelontneming en de uitsluiting van steun, als over de publieke herstelmaatregelen en de bestuurlijke beveiligingsbeslissin-gen. Het Handhavingscollege kan bepalen dat zijn uitspraak daarover de vernietigde beslissing vervangt.
+6 −6 decreet-1995-04-05/art. 16.1.1
1De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op de hiernavolgende wetten en decreten, wat betreft de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest, met inbegrip van de uitvoeringsbesluiten ervan en de verplichtingen opgelegd krachtens de volgende wetten en decreten en de uitvoeringsbesluiten ervan :1§1. De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op de hiernavolgende wetten en decreten, wat betreft de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest, met inbegrip van de uitvoeringsbesluiten ervan en de verplichtingen opgelegd krachtens de volgende wetten en decreten en de uitvoeringsbesluiten ervan :
21° alle titels van dit decreet, met uitzondering van titel I - Algemene bepalingen, titel II - Besluitvorming en inspraak, titel X - Agentschappen, titel XI - Strategische Adviesraden en titel VIII - Klimaat;21° alle titels van dit decreet, met uitzondering van titel I - Algemene bepalingen, titel II - Besluitvorming en inspraak, titel X - Agentschappen, titel XI - Strategische Adviesraden en titel VIII - Klimaat;
32° het Boswetboek van 19 december 1854;32° het Boswetboek van 19 december 1854;
75°/1 de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;75°/1 de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
85°/2 de wet van 24 december 1970 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van gasdistributie-installaties;85°/2 de wet van 24 december 1970 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van gasdistributie-installaties;
96° de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, met uitsluiting van hoofdstuk IV, afdeling IV, en hoofdstuk VI, van deze titel voor wat de overtredingen van hoofdstuk IIIbis en de uitvoeringsbesluiten ervan betreft;96° de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging;
106°/1 ...;106°/1 ...;
117° de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;117° de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
1410° het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;1410° het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
1511° de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, en van de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973;1511° de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, en van de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973;
1612° het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, met uitsluiting van hoofdstuk IV, afdeling IV, en hoofdstuk VI, van deze titel voor wat de overtredingen van hoofdstuk IVbis en de uitvoeringsbesluiten ervan betreft;
1713° het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning;
1612° het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;
1713° ...;
1813° bis de wet van 12 juli 1985 betreffende de bescherming van de mens en van het leefmilieu tegen de schadelijke effecten en de hinder van niet-ioniserende stralingen, infrasonen en ultrasonen;1813° bis de wet van 12 juli 1985 betreffende de bescherming van de mens en van het leefmilieu tegen de schadelijke effecten en de hinder van niet-ioniserende stralingen, infrasonen en ultrasonen;
1914° het Bosdecreet van 13 juni 1990;1914° het Bosdecreet van 13 juni 1990;
3123° het decreet van 21 december 2018 houdende de luchtkwaliteit in het binnenmilieu van voertuigen;3123° het decreet van 21 december 2018 houdende de luchtkwaliteit in het binnenmilieu van voertuigen;
3224° het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof.3224° het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof.
33In afwijking van het eerste lid zijn de hoofdstukken III, IV, V, Vbis, VI en VII van deze titel pas van toepassing op de in het eerste lid sub 2°, 3°, 4°, 7°, 11°, 14°, 15°, 16°, 17° en 19° vermelde wetten en decreten, met inbegrip van hun respectieve uitvoeringsbesluiten, op het ogenblik dat de Vlaamse Regering dit bepaalt.
34Hoofdstuk II en hoofdstuk IV, afdeling III en V, van deze titel zijn van toepassing op titel VI van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.33Hoofdstuk IV, afdeling III en V, van deze titel is van toepassing op hoofdstuk VI van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.
35De bepalingen van deze titel zijn ook van toepassing op de milieuregelgeving van de Europese Unie en de internationale milieuregelgeving, die de Vlaamse Regering bepaalt, alsook op de door of krachtens de voormelde regelgeving uitgevaardigde bepalingen en opgelegde verplichtingen, wat betreft de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest.34De bepalingen van deze titel zijn ook van toepassing op de milieuregelgeving van de Europese Unie en de internationale milieuregelgeving, die de Vlaamse Regering bepaalt, alsook op de door of krachtens de voormelde regelgeving uitgevaardigde bepalingen en opgelegde verplichtingen, wat betreft de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest.
35§2. Het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 is, met inbegrip van hoofdstuk 10, afdeling 2, 3, 4, 6, 7, 9, 10, 11, 12 en 13, van toepassing op deze titel en de regelgeving, vermeld in paragraaf 1.
+7 −25 decreet-1995-04-05/art. 16.1.2
1Tenzij het uitdrukkelijk anders bepaald is, wordt, voor de toepassing van deze titel, verstaan onder :1Tenzij het uitdrukkelijk anders bepaald is, wordt, voor de toepassing van deze titel, verstaan onder :
21° milieu-inbreuk : een gedraging, in strijd met een milieu-voorschrift dat wordt gehandhaafd met toepassing van deze titel. Die gedraging :
3a)...;
4b) betreft geen emissies als vermeld in artikel 16.6.2;
5c) betreft niet het achterlaten, beheren of overbrengen van afvalstoffen als vermeld in artikel 16.6.3;
6d) veroorzaakt geen gezondheidsschade of dood;
7e) betreft geen gedraging waarop een straf is gesteld overeenkomstig de bepalingen van deze titel;
8f) moet opgenomen zijn in een lijst, te bepalen door de Vlaamse Regering.
9Onverminderd de bepalingen van het eerste lid kunnen evenwel gedragingen die een schending inhouden van :
10a) de verplichting om te beschikken over een milieuvergunning, een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, of een erkenning;
11b) de verplichting om een veiligheidsrapport of een milieueffectrapport op te maken;
12niet beschouwd worden als een milieu-inbreuk;
132° milieumisdrijf : een gedraging, in strijd met een milieu-voorschrift dat wordt gehandhaafd met toepassing van deze titel, waarop een straf is gesteld overeenkomstig de bepalingen van deze titel;
143° kennisgeving: een schriftelijke mededeling die wordt gedaan met een beveiligde zending;
153° bis beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen:
16a) een aangetekende brief;
17b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
18c) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze, waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;
194° gewestelijke entiteit: de personeelsleden van het Departement Omgeving die de Vlaamse Regering of haar gemachtigde aanwijst om overeenkomstig artikel 16.4.25 een bestuurlijke geldboete op te leggen;
205° gemachtigde ambtenaar : de door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaar of ambtenaren;
216° referentiemeetmethode : geschreven en publiek toegankelijke werkwijze die voor een bepaalde meting dient te worden toegepast. Worden in elk geval beschouwd als referentiemeetmethode en worden in geval van onderlinge tegenstrijdigheden toegepast in de hierna voorziene volgorde :
22a) de toepasselijke bepalingen in de Belgische wetten, decreten en besluiten;
23b) de Belgische normen uitgegeven door het Bureau voor Normalisatie (NBN);
24c) de normen uitgegeven door het Comité Européen de Normalisation (CEN);
25d) de normen uitgegeven door de Vlaamse instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO);
26e) de normen uitgegeven door de International Organization for Standardization (ISO);
21° ...;
32° ...;
43° ...;
53° bis ...;
64° ...;
75° ...;
86° ...;
277° milieuvoorschrift: alle bepalingen die een verplichting inhouden, ongeacht of het gaat om een algemeen of individueel geldende regeling, op voorwaarde dat de bepaling onder het toepassingsgebied, vermeld in artikel 16.1.1, valt.97° milieuvoorschrift: alle bepalingen die een verplichting inhouden, ongeacht of het gaat om een algemeen of individueel geldende regeling, op voorwaarde dat de bepaling onder het toepassingsgebied, vermeld in artikel 16.1.1, valt.
+11 −10 decreet-1995-04-05/art. 16.1.3
1§ 1. Bij de berekening van termijnen is de dies a quo, de dag waarop het feit plaatsvindt dat het uitgangspunt is voor de berekening van de termijn, niet inbegrepen in de termijn. De dies ad quem, de vervaldag van de termijn, is altijd inbegrepen in de termijn.
2Als de vervaldag een zaterdag, zondag of feestdag is, verschuift de vervaldag naar de eerstvolgende werkdag.
3De termijnen worden berekend in kalenderdagen.
4§ 2. Als een schriftelijke mededeling het startpunt is voor een termijn en gedaan is door middel van een aangetekende brief zonder ontvangstbewijs, begint de termijn te lopen de derde werkdag na de dag waarop de verzending heeft plaatsgevonden.
5Als een schriftelijke mededeling het startpunt is voor een termijn en gedaan is met een aangetekende brief met ontvangstbewijs, begint de termijn te lopen vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief werd aangeboden op de woonplaats van de geadresseerde of, in voorkomend geval, op zijn verblijfplaats of gekozen woonplaats.
6Als een schriftelijke mededeling het startpunt is voor een termijn en gedaan is door afgifte tegen ontvangstbewijs, begint de termijn te lopen de dag na de dag van de afgifte.
7§ 3. Als een schriftelijke mededeling de handeling is die gedaan moet worden binnen een bepaalde termijn, geldt die termijn voor de verzending of afgifte.
8§ 4. Als voor de schriftelijke mededeling geen bijzondere vormvereisten zijn gesteld, dan is verzending met een niet-aangetekende brief toegelaten. In dat geval berust bij eventuele betwisting over de datum van de verzending de bewijslast bij de verzender.
9§ 5. De datum van de poststempel geldt als datum van verzending.
10§ 6. De Vlaamse Regering kan van dit artikel afwijken door een uitdrukkelijk andersluidende bepaling.
1§1. De volgende personen zijn een herstelinstantie als vermeld in artikel 2, 15°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023:
21° de personeelsleden van de departementen en de agentschappen, vermeld in artikel I.3, 2°, a) tot en met d), van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, die de Vlaamse Regering of haar gemachtigde daarvoor aanwijst;
32° de gemeentelijke personeelsleden die het college van burgemeester en schepenen daarvoor aanwijst, zelfs al zijn ze personeelslid van een andere gemeente;
43° de personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband die het intergemeentelijk samenwerkingsverband daarvoor aanwijst;
54° de burgemeester of zijn plaatsvervanger.
6De Vlaamse Regering kan opleidings- en ervaringsvereisten en andere voor-waarden bepalen waaraan categorieën van herstelinstanties moeten voldoen, en hun bevoegdheden inhoudelijk, geografisch of temporeel beperken.
7§2. De Vlaamse Regering of haar gemachtigde duidt de personeelsleden van de Vlaamse overheid aan die optreden als beboetingsinstantie als vermeld in artikel 2, 3°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023.
8§3. De personeelsleden die de Vlaamse Regering of haar gemachtigde aanwijst, zijn bevoegd voor de handhaving van de milieuvoorschriften, vermeld in artikel 16.1.1, §1, eerste lid, 5°/2 en 20°.
9Het eerste lid wordt opgeheven op de datum die de Vlaamse Regering vast-stelt.
10§4. In afwijking van artikel 16.6.6, §1, wordt het niet voldoen aan de milieuvoor-schriften, vermeld in artikel 16.1.1, §1, eerste lid, 5°/2 en 20°, gelijkgesteld met een inbreuk.
11De Vlaamse Regering wordt ertoe gemachtigd om de buitenwerkingtreding van het eerste lid te regelen.
+2 −0 decreet-1995-04-05/art. 16.1.4 nieuw
1Naast de doeleinden, vermeld in artikel 63, §1, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, kunnen beveiligingsmaatregelen ook worden opgelegd voor het beheersen van een aanzienlijk risico voor mens of milieu, ongeacht of er een misdrijf, inbreuk of een normschending bestaat of dreigt voor te komen.
2Toezichthouders die gemachtigd zijn om wapens te dragen bij de uitvoering van hun ambtsverrichtingen, beschikken over de bevoegdheden, vermeld in artikel 28 en 37bis van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992, als het veiligstellen van hun fysieke integriteit of de uitvoering van hun opdrachten als officier van gerechtelijke politie dat vereist.
+2 −0 decreet-1995-04-05/art. 16.1.5 nieuw
1De opbrengsten die worden verkregen met de toepassing van deze titel, en die conform artikel 73 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 worden toebedeeld aan de Vlaamse overheid, komen toe aan het Minafonds.
2In afwijking van het eerste lid komen de bedragen die worden ingevorderd tot terugbetaling van de kosten die gemaakt zijn voor de uitvoering van maatregelen door de toezichthouders en herstelinstanties van de OVAM in het kader van het toezicht op de toepassing van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en op de toepassing van artikel 12 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, toe aan de OVAM.
+0 −4 decreet-1995-04-05/art. 16.2.1 opgeheven
1§ 1. Met inachtneming van de prerogatieven van de bevoegde overheden is de Vlaamse Regering belast met de coördinatie en de inhoudelijke invulling van het handhavingsbeleid inzake milieu, ruimtelijke ordening en de integratie ervan in omgeving, omgevingshandhavingsbeleid genaamd.
2§ 2. Om de milieuwetgeving, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning doelmatig te handhaven, overlegt de Vlaamse Regering met de overheden die daarvoor bevoegd zijn.
3De afspraken die gemaakt worden op basis van het overleg, vermeld in het eerste lid, worden in protocollen vastgelegd.
4De Vlaamse Regering kan de procedure bepalen om protocollen als vermeld in het tweede lid, vast te leggen.
+0 −17 decreet-1995-04-05/art. 16.2.2 opgeheven
1§ 1. De Vlaamse Regering maakt een vijfjaarlijks omgevingshandhavingsprogramma op dat de overkoepelende strategische en operationele beleidsdoelstellingen en beleidsprioriteiten voor een gewestelijk geïntegreerd en afgestemd omgevingshandhavingsbeleid bevat en dat de vijfjaarlijkse individuele handhavingsprioriteiten van de handhavingsinstanties bundelt. De overkoepelende beleidsdoelstellingen omvatten de gewestelijke beleidsvisie en de gewestelijke beleidslijnen voor omgevingshandhaving. Dit schept rechten noch plichten voor de rechtsonderhorigen.
2Aanbevelingen over de handhaving op gemeentelijk en provinciaal niveau en over de samenwerking met en tussen al de betrokken beleidsniveaus kunnen toegevoegd worden aan het omgevingshandhavingsprogramma, vermeld in het eerste lid.
3Het omgevingshandhavingsprogramma wordt opgemaakt in overeenstemming met het recht, met inbegrip van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
4De Vlaamse Regering kan de beleidsprioriteiten, vermeld in het eerste lid, verfijnen of aanvullen.
5§ 2. De overheden die deel uitmaken van het Vlaamse Gewest en die belast zijn met de handhaving van het milieurecht, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning bezorgen op eenvoudig verzoek hun vijfjaarlijkse individuele handhavingsprioriteiten.
6De Vlaamse Regering nodigt de overheden die belast zijn met de handhaving van het milieurecht, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en waarvoor het Vlaamse Gewest niet bevoegd is, uit om hun vijfjaarlijkse individuele handhavingsprioriteiten te bezorgen.
7De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de procedure om de individuele handhavingsprioriteiten te bezorgen.
8§ 3. De Vlaamse Regering kan voor het omgevingshandhavingsprogramma nadere regels vaststellen voor de inhoud, de opmaak, de inwerkingtreding, de verspreiding en de actualisering ervan.
9Voor de actualisering van de beleidsprioriteiten, vermeld in paragraaf 1, derde lid, kan de Vlaamse Regering nadere regels vaststellen voor de inwerkintreding en verspreiding ervan.
10§ 4. Het definitieve omgevingshandhavingsprogramma wordt vastgesteld op grond van:
111° een ontwerp van omgevingshandhavingsprogramma;
122° de adviezen van de volgende instanties over het ontwerp, vermeld in punt 1° :
13a) de bevoegde strategische adviesraden over milieu, ruimtelijke ordening en omgeving;
14b) de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
15c) de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten;
16d) de Vereniging van Vlaamse Streekontwikkelingsintercommunales.
17§ 5. Het Milieuhandhavingsprogramma 2015-2019 van 22 april 2016 blijft van kracht tot en met de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van het vijfjaarlijkse omgevingshandhavingsprogramma.
+0 −8 decreet-1995-04-05/art. 16.2.3 opgeheven
1§ 1. De Vlaamse Regering rapporteert periodiek in het tweede en het vijfde jaar van de regeerperiode over het omgevingshandhavingsbeleid en de omgevingshandhavingsuitvoering.
2De rapportering omvat een beschrijving, analyse en evaluatie van de bestaande toestand van de omgevingshandhavingsuitvoering en van het gevoerde omgevingshandhavingsbeleid zoals opgenomen in de vastgestelde beleidsdoelstellingen en van de individuele handhavingsprioriteiten in het omgevingshandhavingsprogramma, vermeld in artikel 16.2.2.
3§ 2. Jaarlijks stellen alle overheden die deel uitmaken van het Vlaamse Gewest en die belast zijn met de handhaving van het milieurecht, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, alle cijfermatige informatie ter beschikking waarover ze beschikken en die van nut kan zijn voor de periodieke rapportering, vermeld in paragraaf 1. Ze doen dat op eenvoudig verzoek of uit eigen beweging.
4Jaarlijks nodigt de Vlaamse Regering de overheden die belast zijn met de handhaving van het milieurecht, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, waarvoor het Vlaamse Gewest niet bevoegd is, uit om de cijfermatige informatie waarover ze beschikken en die van nut kan zijn voor de periodieke rapportering, vrijwillig ter beschikking te stellen.
5Met het oog op de periodieke rapportering, vermeld in paragraaf 1, kan bijkomend aan de cijfermatige informatie, vermeld in het eerste en tweede lid, een bijbehorende toelichting gevraagd worden aan deze overheden.
6De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de procedure om de cijfermatige informatie en de bijbehorende toelichting te bezorgen.
7§ 3. De rapportering, vermeld in paragraaf 1, wordt meegedeeld aan het Vlaams Parlement.
8§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud, de opmaak en de verspreiding van de rapportering, vermeld in paragraaf 1, en ook voor de jaarlijkse publicatie van de cijfermatige informatie.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.2.4 opgeheven
1De Vlaamse Regering organiseert een netwerk- en kennisplatform voor de handhavingspartners die betrokken zijn bij de handhaving van de milieuwetgeving, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. Op dat forum wisselen ze informatie uit over hun taken en opdrachten en wordt de onderlinge kennisdeling gefaciliteerd om de stroomlijning van de handhaving te stimuleren.
+0 −7 decreet-1995-04-05/art. 16.3.1 opgeheven
1§ 1. De volgende personen kunnen toezichthouders zijn :
21° de personeelsleden van het departement en de agentschappen die behoren tot een van de beleidsdomeinen, vermeld in artikel III.1, eerste lid, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, die worden aangewezen door de Vlaamse Regering, hierna gewestelijke toezichthouders te noemen;
32° de personeelsleden van de provincie die worden aangewezen door de deputatie, hierna provinciale toezichthouders te noemen;
43° de personeelsleden van de gemeente die worden aangewezen door het college van burgemeester en schepenen, hierna gemeentelijke toezichthouders te noemen;
54° de personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid die worden aangewezen door het bevoegde orgaan, hierna intergemeentelijke toezichthouders te noemen;
65° de personeelsleden van een politiezone die worden aangewezen door het bevoegde orgaan, hierna toezichthouders van politiezones te noemen.
7§ 2. Contractuele personeelsleden kunnen enkel toezichthouder zijn mits zij hiertoe speciaal zijn beëdigd. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden van de eedaflegging bepalen.
+0 −3 decreet-1995-04-05/art. 16.3.2 opgeheven
1Als toezichthouders kunnen enkel personen worden aangesteld die over de vereiste kwalificaties en eigenschappen beschikken om de toezichtopdracht naar behoren te vervullen.
2De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden, die onder meer betrekking kunnen hebben op de scholingsvereisten, bepalen waaraan de toezichthouders moeten voldoen.
3Indien nodig kan de Vlaamse Regering eveneens overgangsmaatregelen bepalen met betrekking tot die voorwaarden voor degenen die de taak van toezichthouder al uitoefenden voor die voorwaarden van kracht werden.
+0 −4 decreet-1995-04-05/art. 16.3.3 opgeheven
1De toezichthouders oefenen het toezicht onafhankelijk en neutraal uit.
2Zij moeten hun taak naar behoren kunnen vervullen en krijgen daartoe de nodige middelen ter beschikking.
3Zij mogen geen nadeel ondervinden van de taak die zij als toezichthouder vervullen.
4De Vlaamse Regering kan hiervoor de nadere regels bepalen.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.3.4 opgeheven
1Binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering de aanstelling van de toezichthouders, vermeld in artikel 16.3.1, § 1, 2°, 3°, 4° en 5°, subsidiëren, alsook ondersteuning geven voor de opleiding en permanente vorming van die toezichthouders. De Vlaamse Regering kan hiertoe de nadere regels bepalen.
+0 −5 decreet-1995-04-05/art. 16.3.4bis opgeheven
1De deputaties, de colleges van burgemeester en schepenen en de bevoegde organen, vermeld in artikel 16.3.1, § 1, 4° en 5°, zijn in de volgende gevallen, gehouden tot een meldingsplicht over de aanstelling van toezichthouders als vermeld in artikel 16.3.1, § 1, 2°, 3°, 4° en 5° :
21° de toezichthouder neemt zijn functie minstens zes maanden niet waar;
32° de toezichthouder legt zijn functie definitief neer.
4De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de wijze waarop en de instantie waarbij de melding gedaan moet worden.
5Het subsidiëren van de aanstelling van toezichthouders overeenkomstig artikel 16.3.4 kan afhankelijk worden gesteld van het voldoen aan deze meldingsplicht.
+0 −4 decreet-1995-04-05/art. 16.3.5 opgeheven
1De gemeentelijke toezichthouders kunnen toezicht uitoefenen in de eigen gemeente, in een aangrenzende gemeente of in de andere gemeenten van het intergemeentelijk samenwerkingsverband of de politiezone waarvan de eigen gemeente deel uitmaakt, mits zij hiervoor toestemming hebben gekregen van die andere gemeenten.
2De intergemeentelijke toezichthouders kunnen alleen toezicht uitoefenen in de gemeenten die behoren tot het intergemeentelijk samenwerkingsverband waardoor ze zijn aangesteld.
3De toezichthouders van de politiezones kunnen enkel toezicht uitoefenen in de gemeenten die behoren tot de politiezone.
4De Vlaamse Regering kan hiertoe de nadere regels bepalen.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.3.6 opgeheven
1De Vlaamse Regering kan het minimumaantal toezichthouders bepalen voor gemeenten, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of politiezones. Ze kan zich hiervoor baseren op het aantal inwoners, de bestreken oppervlakte, of het aantal en de soort van hinderlijke inrichtingen, ingedeeld conform de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1.
+0 −2 decreet-1995-04-05/art. 16.3.7 opgeheven
1Bij verhindering van krachtens artikel 16.3.1, § 1, 3°, 4° en 5°, aangewezen toezichthouders kunnen voor een termijn van maximaal één jaar waarnemende toezichthouders worden aangesteld.
2De Vlaamse Regering kan hiertoe de nadere regels bepalen.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.3.7bis opgeheven
1De provinciale toezichthouders kunnen toezicht uitoefenen in de eigen provincie, of in een andere provincie, als ze daarvoor toestemming hebben gekregen van de deputatie van die andere provincie.
+0 −4 decreet-1995-04-05/art. 16.3.8 opgeheven
1§ 1. Gewestelijke toezichthouders kunnen niet de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie.
2§ 2. In afwijking van § 1 kunnen de gewestelijke toezichthouders die toezicht uitoefenen op de milieuvoorschriften, vermeld in artikel 16.1.1, 2°, artikel 16.1.1, 3°, artikel 16.1.1, 4°, artikel 16.1.1, 7°, artikel 16.1.1, 11°, artikel 16.1.1, 14°, artikel 16.1.1, 15°, en artikel 16.1.1, 16°, ook de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie.
3De afwijking, vermeld in het eerste lid, geldt ook voor de internationale en Europese milieuvoorschriften waarvan de Vlaamse Regering krachtens artikel 16.1.1 bepaalt dat de bepalingen van titel XVI er ook op van toepassing zijn en die tot de bevoegdheid van de gewestelijke toezichthouders, vermeld in het eerste lid, behoren.
4§ 3. In afwijking van paragraaf 1 kunnen toezichthouders die toezicht uitoefenen op het decreet, met inbegrip van de uitvoeringsbesluiten, vermeld in artikel 16.1.1, eerste lid, 19° ter, en op titel V met inbegrip van de uitvoeringsbesluiten en die belast zijn met de uitvoering van de handhaving op het beleidsveld Ruimtelijke Ordening ook de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie.
+0 −8 decreet-1995-04-05/art. 16.3.9 opgeheven
1§ 1. De toezichthouders zien toe op de naleving van de milieuvoorschriften, vermeld in artikel 16.1.1, eerste en vierde lid.
2§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt voor elke categorie toezichthouders de toezichtopdrachten.
3Toezichthouders hebben een legitimatiebewijs bij zich en tonen dat desgevraagd onmiddellijk.
4De Vlaamse Regering bepaalt wie het legitimatiebewijs verleent alsook het model en de inhoud ervan.
5§ 3. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen omtrent de wijze waarop de toezichthouders hun toezichtsopdrachten, vermeld in § 2, uitoefenen.
6§4. In afwijking van artikel 16.3.1, §1, 1°, en van paragraaf 2, eerste lid, van dit artikel zijn de personeelsleden die de Vlaamse Regering of haar gemachtigde aanwijst, bevoegd voor de handhaving van de milieuvoorschriften die zijn opgenomen in of uitgevaardigd krachtens de regelgeving, vermeld in artikel 16.1.1, eerste lid, 5°/2 en 20°.
7§5. In afwijking van artikel 16.1.2, 1°, f), wordt het niet voldoen aan de milieuvoorschriften, vermeld in artikel 16.1.1, eerste lid, 5°/2 en 20°, gelijkge-steld met een milieu-inbreuk.
8De Vlaamse Regering wordt ertoe gemachtigd om de buitenwerkingtreding van het eerste lid te regelen.
+0 −9 decreet-1995-04-05/art. 16.3.10 opgeheven
1Bij de uitvoering van hun toezichtopdrachten beschikken toezichthouders over de volgende toezichtrechten :
21° het recht op toegang, vermeld in artikel 16.3.12;
32° het recht op inzage en kopie van zakelijke gegevens, vermeld in artikel 16.3.13;
43° het recht van onderzoek van zaken, inclusief het monsternemings-, metings-, beproevings- en analyserecht, vermeld in artikel 16.3.14;
54° het recht van onderzoek van transportmiddelen, vermeld in artikel 16.3.17;
65° het recht op ondersteuning, vermeld in artikel 16.3.18;
76° het recht op het doen van vaststellingen door middel van audiovisuele middelen, vermeld in artikel 16.3.19;
87° het recht op bijstand van de politie, vermeld in artikel 16.3.21.
9De Vlaamse Regering bepaalt de toezichtrechten die elke categorie toezichthouders kan uitoefenen.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.3.11 opgeheven
1Toezichthouders maken van hun toezichtrechten alleen gebruik voor zover dat redelijkerwijs nuttig wordt geacht voor de vervulling van hun toezichtopdrachten.
+0 −10 decreet-1995-04-05/art. 16.3.11bis opgeheven
1Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kan de bevoegde entiteit waartoe de toezichthouders, vermeld in artikel 16.3.1, § 1, van dit decreet en de milieuopsporingsambtenaren, vermeld in artikel 16.5.5 van dit decreet, behoren, beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het tiende lid.
2De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de bevoegde entiteit waartoe de toezichthouders, vermeld in artikel 16.3.1, § 1, van dit decreet, en de milieuopsporingsambtenaren, vermeld in artikel 16.5.5 van dit decreet, behoren, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.
3De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, worden niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt.
4De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt.
5Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
6De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de bevoegde entiteit waartoe de toezichthouders, vermeld in artikel 16.3.1, § 1, van dit decreet, en de milieuopsporingsambtenaren, vermeld in artikel 16.5.5 van dit decreet, behoren, zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het achtste lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.
7De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
8De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie.
9Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.
10Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid, bevat, naar het Openbaar Ministerie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.
+0 −4 decreet-1995-04-05/art. 16.3.12 opgeheven
1Toezichthouders mogen altijd, zonder voorafgaande verwittiging, elke plaats vrij betreden en het benodigde materiaal meenemen. Zij moeten hierbij de interne en externe veiligheidsprocedures respecteren.
2Tot de bewoonde lokalen hebben ze echter alleen toegang als ze aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
31° ze hebben de voorafgaande en schriftelijke toestemming gekregen van de bewoner;
42° ze werden ertoe voorafgaandelijk en schriftelijk gemachtigd door de rechter in de politierechtbank. In dat geval hebben de toezichthouders alleen toegang tussen vijf uur 's morgens en eenentwintig uur 's avonds.
+0 −2 decreet-1995-04-05/art. 16.3.13 opgeheven
1Met het oog op de uitoefening van de toezichtrechten, zoals bedoeld in artikel 16.3.10, 1° tot en met 5°, mogen toezichthouders inzage vorderen van alle daarvoor noodzakelijke zakelijke documenten en andere zakelijke informatiedragers. Hiertoe mogen zij zich die informatiedragers laten voorleggen op de plaats die zij aanwijzen.
2Zij mogen zich van alle zakelijke documenten en andere zakelijke informatiedragers kosteloos een kopie laten verstrekken of er zelf een kopie van maken. Als kopiëren niet mogelijk is, mogen zij die informatiedragers tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs bij zich houden of meenemen tijdens de periode die vereist is om hun opdracht te volbrengen.
+0 −4 decreet-1995-04-05/art. 16.3.14 opgeheven
1§ 1. Toezichthouders mogen zaken onderzoeken of laten onderzoeken. Zij mogen ze onder meer beproeven of laten beproeven, er monsters van nemen of laten nemen, ze meten of laten meten en ze analyseren of laten analyseren. Zij mogen daartoe verpakkingen openen of laten openen.
2Als het onderzoek niet ter plaatse uitgevoerd kan worden, mogen zij de zaken tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs meenemen tijdens de periode die vereist is om het onderzoek uit te voeren.
3§ 2. Toezichthouders mogen de technische middelen en personeel om de monsterneming, meting of beproeving uit te voeren kosteloos opvorderen van de houder van de te onderzoeken zaken.
4§ 3. Toezichthouders mogen gedurende de tijd die noodzakelijk is voor het onderzoek, het vervoer, het gebruik en de verwerking van zaken verbieden zonder dat hen hiervoor kosten worden aangerekend.
+0 −3 decreet-1995-04-05/art. 16.3.15 opgeheven
1De monsternemingen, metingen of beproevingen worden uitgevoerd door toezichthouders of door daartoe erkende laboratoria of milieudeskundigen.
2De analyses worden uitgevoerd door toezichthouders of door daartoe erkende laboratoria.
3Als er voor een specifieke monsterneming, meting, beproeving of analyse geen erkenning bestaat, wordt die monsterneming, meting, beproeving of analyse uitgevoerd door de toezichthouders of door de geaccrediteerde laboratoria of volgens een referentiemeetmethode of, bij gebrek daaraan, volgens een methode die de door de Vlaamse Regering hiertoe aangeduide instantie aanvaardt.
+0 −2 decreet-1995-04-05/art. 16.3.16 opgeheven
1De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor het uitvoeren van monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses.
2De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de erkenning van laboratoria en milieudeskundigen. Ze kan tevens de voorwaarden bepalen waaraan bij gebruik van de erkenning moet worden voldaan.
+0 −2 decreet-1995-04-05/art. 16.3.17 opgeheven
1Toezichthouders mogen transportmiddelen en de lading ervan onderzoeken of laten onderzoeken, en inzage vorderen van de wettelijk voorgeschreven documenten.
2Zij mogen bevelen geven aan de bestuurders of begeleiders. Zo mogen ze onder meer bevelen dat de bestuurders of begeleiders hun transportmiddel kosteloos stilzetten en dat ze het kosteloos naar een door hen aangewezen plaats brengen.
+0 −2 decreet-1995-04-05/art. 16.3.18 opgeheven
1Bij de uitoefening van hun toezichtrechten mogen toezichthouders zich laten bijstaan door personen die zij daartoe hebben aangewezen op grond van hun deskundigheid.
2Gemeentelijke toezichthouders mogen zich laten ondersteunen door gewestelijke toezichthouders. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.3.19 opgeheven
1Zonder afbreuk te doen aan de regelgeving over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, waaronder artikel 8 EVRM, en de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, kunnen de toezichthouders vaststellingen doen met audiovisuele middelen.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.3.20 opgeheven
1Iedereen moet aan toezichthouders binnen de door hen gestelde termijn alle medewerking verlenen die zij redelijkerwijs kunnen vragen bij de uitoefening van hun toezichtrechten.
+0 −5 decreet-1995-04-05/art. 16.3.21 opgeheven
1Toezichthouders kunnen bij de uitvoering van hun toezichtopdrachten de bijstand van de politie vorderen.
2Om de uitoefening van het toezichtrecht op inzage en kopie van zakelijke gegevens mogelijk te maken, kunnen toezichthouders met de bijstand van de politie overgaan tot het openen en gebruiken of doen gebruiken van zaken als de hiernavolgende voorwaarden gelijktijdig zijn vervuld :
31° het volbrengen van de toezichtopdracht vereist de uitoefening van het toezichtrecht;
42° de uitoefening van het toezichtrecht is niet mogelijk op een andere wijze;
53° de persoon die het genot heeft van de zaken in kwestie geeft geen toestemming tot opening of gebruik.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.3.22 opgeheven
1Als toezichthouders vaststellen dat een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf dreigt op te treden, kunnen zij alle raadgevingen geven die zij nuttig achten om dat te voorkomen.
+0 −2 decreet-1995-04-05/art. 16.3.23 opgeheven
1Bij de vaststelling van een milieu-inbreuk kunnen de toezichthouders een verslag van vaststelling opstellen. Ze bezorgen dat onmiddellijk aan de gewestelijke entiteit. Ze bezorgen gelijktijdig een kopie van het verslag van vaststelling aan de vermoedelijke overtreder.
2De Vlaamse Regering kan de vorm van het verslag van vaststelling bepalen, alsook welke andere overheden geïnformeerd kunnen worden over de vastgestelde milieu-inbreuken, vermeld in het eerste lid, en de wijze waarop dat moet gebeuren.
+0 −2 decreet-1995-04-05/art. 16.3.23bis opgeheven
1De door het college van burgemeester en schepenen aangewezen personeelsleden, vermeld in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 3° en 4°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, die bevoegd zijn om misdrijven als vermeld in titel VI van de voormelde codex op te sporen en vast te stellen in een proces-verbaal, kunnen milieu-inbreuken die een schending uitmaken van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V van dit decreet vaststellen in een verslag van vaststelling.
2Een afschrift van het verslag van vaststelling wordt bezorgd aan de gewestelijke overheden, belast met de handhaving van de inbreuken. De Vlaamse Regering kan nader bepalen welke van deze gewestelijke overheden een afschrift ontvangt.
+0 −4 decreet-1995-04-05/art. 16.3.24 opgeheven
1De toezichthouders kunnen de milieumisdrijven vaststellen in een proces-verbaal, dat ze onmiddellijk bezorgen aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar het milieumisdrijf is gepleegd.
2De toezichthouders kunnen een kopie van het proces-verbaal bezorgen aan de relevante gewestelijke overheden, die belast zijn met de handhaving van de milieuvoorschriften, vermeld in artikel 16.1.1, eerste en vierde lid.
3De Vlaamse Regering kan de nadere voorwaarden bepalen van het proces-verbaal, alsook welke andere overheden geïnformeerd kunnen worden over de vastgestelde milieumisdrijven en de wijze waarop dat moet gebeuren.
4De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen de toezichthouders een kopie van het proces-verbaal moeten bezorgen.
+0 −2 decreet-1995-04-05/art. 16.3.24bis opgeheven
1De door het college van burgemeester en schepenen aangewezen personeelsleden, vermeld in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 3° en 4°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, die bevoegd zijn om misdrijven als vermeld in titel VI van de voormelde codex op te sporen en vast te stellen in een proces-verbaal, kunnen ook milieumisdrijven die een schending uitmaken van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V van dit decreet vaststellen in een proces-verbaal.
2Een afschrift van het proces-verbaal wordt bezorgd aan de gewestelijke overheden, belast met de handhaving van de misdrijven. De Vlaamse Regering kan nader bepalen welke van deze gewestelijke overheden een afschrift ontvangt.
+0 −3 decreet-1995-04-05/art. 16.3.25 opgeheven
1Het proces-verbaal heeft bewijswaarde tot het tegendeel is bewezen.
2Als de vermoedelijke overtreder bekend is, wordt, op straffe van verval van de bewijswaarde tot het tegendeel, aan de vermoedelijke overtreder kennis gegeven van een kopie van het proces-verbaal. Die kennisgeving gebeurt binnen een termijn van veertien dagen, na de datum van afsluiting van het proces-verbaal.
3De vaststelling van milieumisdrijven door de personeelsleden, vermeld in artikel 16.3.24bis, geldt niet tot bewijs van het tegendeel.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.3.26 opgeheven
1Bij de vaststelling van een milieumisdrijf kunnen toezichthouders, met het oog op de bewijsvoering, alle bewarende maatregelen met betrekking tot zaken nemen voor een termijn van hoogstens tweeënzeventig uur. De toezichthouders die aldus een bewarende maatregel hebben genomen, brengen de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar het milieumisdrijf is gepleegd, hiervan onmiddellijk op de hoogte.
+0 −3 decreet-1995-04-05/art. 16.3.26bis opgeheven
1Bij de vaststelling van een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf kunnen de toezichthouders de identiteit controleren van de vermoedelijke overtreder.
2De identiteitsstukken die aan de toezichthouder worden overhandigd, moeten na verificatie van de identiteit onmiddellijk aan de betrokkene worden teruggegeven.
3Bij gebrek aan een identiteitskaart wordt aan de vermoedelijke overtreder de mogelijkheid geboden om zijn identiteit op een andere wijze te bewijzen.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.3.27 opgeheven
1Als toezichthouders bij de uitoefening van hun toezichtopdracht een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf vaststellen, kunnen zij de vermoedelijke overtreder en eventuele andere betrokkenen aanmanen om de nodige maatregelen te nemen om deze milieu-inbreuk of dat milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of een herhaling ervan te voorkomen.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.4.1 opgeheven
1De toezichthouders behouden hun toezichtrechten in de fase van de bestuurlijke handhaving.
+0 −2 decreet-1995-04-05/art. 16.4.2 opgeheven
1Bestuurlijke handhaving kan de vorm aannemen van bestuurlijke maatregelen of van bestuurlijke geldboeten. Samen met een bestuurlijke geldboete kan een bestuurlijke ontneming van het wederrechtelijk verkregen vermogensvoordeel worden opgelegd.
2Samen met bestuurlijke maatregelen kan een bestuurlijke dwangsom worden opgelegd voor het geval dat de bestuurlijke maatregelen niet of niet tijdig worden uitgevoerd.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.4.3 opgeheven
1Bestuurlijke maatregelen of bestuurlijke geldboeten kunnen alleen worden opgelegd voor feiten die in strijd zijn met wettelijke voorschriften die voorafgaandelijk aan die feiten zijn bepaald en in werking zijn getreden.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.4.4 opgeheven
1Bij het opleggen van bestuurlijke maatregelen of bestuurlijke geldboeten zorgen de personen, vermeld in artikel 16.4.6, alsook de gewestelijke entiteit, vermeld in artikel 16.4.25, ervoor dat er geen kennelijke wanverhouding bestaat tussen de feiten die aan de bestuurlijke maatregelen of bestuurlijke geldboeten ten grondslag liggen, en de maatregelen of de boeten die op grond van die feiten worden opgelegd.
+0 −3 decreet-1995-04-05/art. 16.4.5 opgeheven
1Na de vaststelling van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf kunnen bestuurlijke maatregelen worden opgelegd.
2Bestuurlijke maatregelen kunnen worden opgelegd ten aanzien van degene die een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf heeft gepleegd, alsook diegene die opdracht heeft gegeven om handelingen te stellen die een milieu-inbreuk of milieumisdrijf uitmaken.
3De Vlaamse Regering kan bepalen in welke omstandigheden bestuurlijke maatregelen moeten worden opgelegd.
+0 −6 decreet-1995-04-05/art. 16.4.6 opgeheven
1De personen, bevoegd voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen, zijn :
21° toezichthouders, voor de milieuwetgeving waarop hun toezichtopdracht betrekking heeft;
32° de gouverneur van een provincie of zijn plaatsvervanger, voor de milieu-inbreuken of milieumisdrijven aangewezen door de Vlaamse Regering;
43° de burgemeester of zijn plaatsvervanger, voor de milieu-inbreuken of milieumisdrijven aangewezen door de Vlaamse Regering.
5Wanneer de burgemeester, de provinciegouverneur of de niet-gewestelijke toezichthouders geen of geen afdoende bestuurlijke maatregelen opleggen, kunnen de bevoegde gewestelijke toezichthouders bestuurlijke maatregelen opleggen.
6De personen die volgens dit decreet bevoegd zijn om bestuurlijke maatregelen op te leggen, zijn ook bevoegd om een bestuurlijke dwangsom op te leggen.
+0 −16 decreet-1995-04-05/art. 16.4.7 opgeheven
1§ 1. De bestuurlijke maatregelen kunnen de vorm aannemen van :
21° een bevel om maatregelen te nemen om de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen;
32° een bevel om activiteiten, werkzaamheden of het gebruik van zaken te beëindigen;
43° een feitelijke handeling van de personen, vermeld in artikel 16.4.6, op kosten van degene ten aanzien van wie de bestuurlijke maatregelen werden opgelegd, om de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen;
54° een combinatie van de maatregelen, vermeld in 1°, 2° en 3°.
6§ 2. De bestuurlijke maatregelen kunnen onder meer het volgende inhouden :
71° de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten;
82° het verbod op het gebruik van of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt;
93° de volledige of gedeeltelijke sluiting van een inrichting;
104° het meenemen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen, waarvan het bezit of het gebruik in strijd is met de milieuwetgeving, vermeld in artikel 16.1.1, eerste lid;
115° het onmiddellijk vernietigen, op kosten van degene ten aanzien van wie de bestuurlijke maatregelen werden opgelegd, van zaken die bederfelijk zijn of waarvan het bezit verboden is. Als het om dieren gaat waarvan het bezit verboden is, kunnen die op kosten van degene ten aanzien van wie de bestuurlijke maatregelen werden opgelegd, al naar gelang het geval, ofwel onmiddellijk worden vrijgelaten, ofwel worden overgebracht naar een erkend opvangcentrum voor vogels en wilde dieren, ofwel worden vernietigd.
12Voor de uitvoering van die maatregelen mogen de bevoegde personen, alsmede de personen die ze hebben aangewezen, elke plaats vrij betreden en het benodigde materiaal meenemen. Tot de bewoonde lokalen kunnen ze alleen toegang hebben als ze aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
131° ze hebben de voorafgaande en schriftelijke toestemming gekregen van de bewoner;
142° ze werden ertoe voorafgaandelijk en schriftelijk gemachtigd door de rechter in de politierechtbank. In dat geval hebben ze alleen toegang tussen vijf uur 's morgens en eenentwintig uur 's avonds.
15De bevoegde personen kunnen bij de uitvoering van de bestuurlijke maatregelen de bijstand van de politie vorderen.
16Artikel 92 tot en met 96, artikel 387 en artikel 397, § 2, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning blijven onverkort van toepassing.
+0 −3 decreet-1995-04-05/art. 16.4.7bis opgeheven
1De bestuurlijke dwangsom kan worden opgelegd per tijdseenheid en per schending, alsook per onderscheiden opgelegde maatregel.
2Als de bestuurlijke dwangsom wordt opgelegd per tijdseenheid, per schending of per opgelegde maatregel, kan een maximumplafond van het te betalen bedrag vermeld worden.
3De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de dwangsom kan worden opgelegd en de modaliteiten ervan.
+0 −2 decreet-1995-04-05/art. 16.4.8 opgeheven
1In de gevallen, vermeld in artikel 16.4.7, § 1, 1° en 2°, bevatten bestuurlijke maatregelen een einddatum om er uitvoering aan te geven. Bij de bepaling van die uitvoeringstermijn wordt rekening gehouden met de tijd die redelijkerwijs is vereist om er uitvoering aan te geven.
2Als er geen einddatum is bepaald, moeten de bestuurlijke maatregelen zo snel mogelijk worden uitgevoerd.
+0 −4 decreet-1995-04-05/art. 16.4.8bis opgeheven
1§ 1. Bestuurlijke maatregelen kunnen niet meer worden opgelegd na het verstrijken van een termijn van vijf jaar nadat voor de milieu-inbreuk of voor het milieumisdrijf een verslag van vaststelling of een proces-verbaal door een toezichthouder is afgesloten, met behoud van de toepassing van paragraaf 2.
2Bestuurlijke maatregelen kunnen niet meer worden opgelegd als er meer dan twintig jaar is verstreken nadat de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf is gepleegd.
3§ 2. De verjaringstermijnen, vermeld in paragraaf 1, worden geschorst gedurende de uitvoeringstermijn van de bestuurlijke maatregel die voor de schending in kwestie is opgelegd. Als er in het kader van een besluit houdende bestuurlijke maatregelen verschillende maatregelen met verschillende uitvoeringstermijnen zijn opgelegd, wordt de verjaringstermijn geschorst gedurende een termijn die overeenkomt met de langst durende uitvoeringstermijn.
4De verjaringstermijnen, vermeld in paragraaf 1, worden geschorst gedurende de termijn waarin de bestuurlijke maatregelen het voorwerp uitmaken van een beroep bij de minister als vermeld in artikel 16.4.17, alsook gedurende de termijn waarin een beslissing van de minister als vermeld in artikel 16.4.17, het voorwerp is van een procedure bij de Raad van State.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.4.9 opgeheven
1De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de bestuurlijke maatregelen.
+0 −16 decreet-1995-04-05/art. 16.4.10 opgeheven
1§ 1. Bestuurlijke maatregelen worden schriftelijk of mondeling opgelegd.
2§ 1bis. De bestuurlijke dwangsom wordt altijd schriftelijk opgelegd in het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen waarop de dwangsom betrekking heeft.
3§ 2. De schriftelijke oplegging gebeurt door de kennisgeving van het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen.
4§ 3. De Vlaamse Regering kan bepalen dat het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen op elektronische wijze wordt bezorgd. Ze bepaalt in dat geval de nadere voorwaarden.
5§ 4. Het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen bevat minstens :
61° een vermelding van de milieuvoorschriften die werden geschonden;
72° een overzicht van de vaststellingen inzake de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf;
83° een omschrijving van de opgelegde bestuurlijke maatregelen en de uitvoeringstermijn ervan;
94° de vermelding dat tegen het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen in beroep kan worden gegaan, alsook een omschrijving van de procedure om in beroep te gaan;
105° in voorkomend geval de motieven die aan de bestuurlijke dwangsom ten grondslag liggen, alsook de hoogte en de modaliteiten ervan.
11§ 4bis. De mondelinge oplegging wordt gedaan aan diegene aan wie de bestuurlijke maatregel wordt opgelegd of aan andere aanwezige betrokken personen. Ook bij de mondelinge oplegging worden diegene aan wie de bestuurlijke maatregel wordt opgelegd of de andere aanwezige betrokken personen zo volledig mogelijk geïnformeerd over de punten, vermeld in paragraaf 4, alsook over de vereiste van de tijdige schriftelijke bevestiging van de maatregel, vermeld in het derde lid.
12Als diegene aan wie de bestuurlijke maatregel wordt opgelegd afwezig is, kan een bestuurlijke maatregel tot stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten ter plaatse op een zichtbare plaats worden aangebracht.
13Op straffe van verval van de mondeling opgelegde maatregel of van de ter plaatse aangebrachte maatregel in geval van afwezigheid van diegene aan wie de bestuurlijke maatregel is opgelegd, moet de maatregel schriftelijk worden bevestigd binnen vijf werkdagen op de wijze die vermeld is voor de schriftelijke oplegging.
14De schriftelijke bevestiging, vermeld in het derde lid, kan gepaard gaan met het opleggen van een dwangsom, die echter niet opgelegd kan worden voor de periode die voorafgaat aan de voormelde schriftelijke bevestiging.
15§ 5. De Vlaamse Regering kan bepalen welke overheden op de hoogte moeten worden gebracht van de opgelegde bestuurlijke maatregelen en de wijze waarop dat moet gebeuren.
16§ 6. Als de uitvoeringstermijn van een bestuurlijke maatregel is verstreken en die niet of maar gedeeltelijk is uitgevoerd, kan een nieuwe bestuurlijke maatregel, desgevallend gepaard gaande met een dwangsom, worden opgelegd. In dergelijk geval wordt de voorgaande bestuurlijke maatregel opgeheven met inbegrip van de in voorkomend geval eraan gekoppelde dwangsom, met behoud van de toepassing van artikel 16.4.11 tot en met artikel 16.4.15.
+0 −3 decreet-1995-04-05/art. 16.4.11 opgeheven
1Wie bestuurlijke maatregelen neemt, is ook bevoegd om ze op te heffen.
2De bestuurlijke maatregelen kunnen ofwel ambtshalve opgeheven worden, ofwel op verzoek van degene ten aanzien van wie bestuurlijke maatregelen zijn genomen.
3Als een bestuurlijke maatregel wordt opgeheven, wordt automatisch ook de dwangsom opgeheven die eraan verbonden was.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.4.12 opgeheven
1In bestuurlijke maatregelen als vermeld in artikel 16.4.7, § 1, 1° of 2°, worden de voorwaarden omschreven waaronder ze worden opgeheven in voorkomend geval.
+0 −3 decreet-1995-04-05/art. 16.4.13 opgeheven
1Als de voorwaarden, vermeld in de bestuurlijke maatregelen, vervuld zijn, kan degene die de bestuurlijke maatregelen heeft genomen, ze gemotiveerd en ambtshalve opheffen.
2Uitzonderlijk kan die persoon bestuurlijke maatregelen als vermeld in artikel 16.4.7, § 1, 1° of 2°, gemotiveerd en ambtshalve opheffen als de voorwaarden die in de bestuurlijke maatregelen zijn opgelegd, niet zijn vervuld. De Vlaamse Regering kan de nadere voorwaarden ter zake bepalen.
3Gemotiveerde en ambtshalve opheffing van bestuurlijke maatregelen als vermeld in artikel 16.4.7, § 1, 1° of 2°, is eveneens mogelijk als door gewijzigde omstandigheden de oplegging van nieuwe bestuurlijke maatregelen vereist is.
+0 −3 decreet-1995-04-05/art. 16.4.14 opgeheven
1§ 1. Degene aan wie bestuurlijke maatregelen als vermeld in artikel 16.4.7, § 1, 1° of 2°, zijn opgelegd, kan een gemotiveerd verzoek tot opheffing van die bestuurlijke maatregelen richten aan degene die de bestuurlijke maatregelen heeft genomen.
2§ 2. De persoon die bestuurlijke maatregelen heeft genomen beslist binnen een termijn van vijfenveertig dagen na de verzending of afgifte van het gemotiveerde verzoek.
3§ 3. In een besluit houdende de opheffing van bestuurlijke maatregelen wordt vastgesteld dat de opgelegde voorwaarden zijn vervuld, of dat uitzonderlijke of gewijzigde omstandigheden zich voordoen.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.4.15 opgeheven
1Het besluit houdende de opheffing van bestuurlijke maatregelen wordt aan degene aan wie de bestuurlijke maatregelen werden opgelegd meegedeeld door middel van een aangetekende brief binnen een termijn van tien dagen.
+0 −3 decreet-1995-04-05/art. 16.4.16 opgeheven
1De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de uitvoering van de opgelegde bestuurlijke maatregelen.
2Als binnen de uitvoeringstermijn geen gevolg wordt gegeven aan de bestuurlijke maatregelen, vermeld in artikel 16.4.7, § 1, 1° of 2°, kunnen de bevoegde personen alle nodige maatregelen ambtshalve uitvoeren of doen uitvoeren, op kosten en risico van degene aan wie de bestuurlijke maatregel is opgelegd. De Vlaamse Regering kan hiervoor de verdere voorwaarden bepalen.
3De dwangsom is van rechtswege opeisbaar op de dag nadat de bestuurlijke maatregel moest zijn uitgevoerd.
+0 −11 decreet-1995-04-05/art. 16.4.17 opgeheven
1§ 1. Tegen het besluit houdende bestuurlijke maatregelen, met inbegrip van de eventuele opgelegde bestuurlijke dwangsommen, kan degene ten aanzien van wie de bestuurlijke maatregelen zijn opgelegd, beroep indienen bij de minister.
2§ 2. De beroepsindiener kan, als er in het besluit houdende bestuurlijke maatregelen sprake is van de oplegging van verschillende maatregelen, het beroep beperken tot een of enkele van die maatregelen. Daarnaast kan hij ook beroep indienen tegen de bestuurlijke dwangsommen alleen. In dergelijk geval is het voorwerp van het beroep beperkt tot de bestuurlijke maatregelen of dwangsommen waartegen beroep wordt ingediend.
3Als een maatregel waaraan een dwangsom is gekoppeld, het voorwerp is van het beroep, behoort de eraan gekoppelde dwangsom automatisch tot het voorwerp van dat beroep.
4In de beroepsbeslissing wordt uitdrukkelijk vermeld welke bestuurlijke maatregelen of dwangsommen het voorwerp uitmaken van het ingediende beroep en bijgevolg van de beroepsbeslissing.
5§ 3. Op straffe van onontvankelijkheid wordt het beroep binnen een termijn van veertien dagen vanaf de kennisgeving van het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen of de bestuurlijke dwangsommen ingediend. Het beroep schorst het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen niet.
6Binnen een termijn van negentig dagen na de kennisgeving van het beroep wordt erover uitspraak gedaan. De minister kan die termijn eenmalig verlengen met negentig dagen, op voorwaarde dat de beroepsindiener en de persoon die de bestuurlijke maatregelen heeft opgelegd, van deze termijnverlenging in kennis worden gesteld binnen de initiële termijn van negentig dagen.
7Bij gebrek aan een tijdige beslissing vervallen de bestuurlijke maatregelen of de bestuurlijke dwangsommen waartegen beroep is ingediend. De eventueel al verbeurde dwangsommen vervallen in dergelijk geval van rechtswege. Degene aan wie de bestuurlijke maatregelen of de bestuurlijke dwangsommen zijn opgelegd, en de persoon die de bestuurlijke maatregelen of de bestuurlijke dwangsommen heeft opgelegd, worden van het verval schriftelijk op de hoogte gebracht.
8§ 4. Als de minister het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, heft de minister de bestuurlijke maatregelen of bestuurlijke dwangsommen op voor het gedeelte waarvoor het beroep gegrond is verklaard, en kan de minister in voorkomend geval nieuwe bestuurlijke maatregelen of dwangsommen opleggen.
9Als de minister het beroep tegen een bestuurlijke maatregel waaraan een dwangsom was gekoppeld, geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, vervallen van rechtswege de eraan gekoppelde dwangsommen en de eventueel al verbeurde bedragen voor het gedeelte waarvoor het beroep gegrond is verklaard.
10§ 5. Als de minister het beroep ongegrond verklaart, bevestigt de minister de bestuurlijke maatregelen of de bestuurlijke dwangsommen voor het gedeelte waarvoor het beroep ongegrond is verklaard.
11§ 6. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels van het beroep vast.
+0 −9 decreet-1995-04-05/art. 16.4.18 opgeheven
1§ 1. De volgende personen kunnen, als ze kennis hebben van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf, bij de personen, vermeld in artikel 16.4.6, de oplegging van bestuurlijke maatregelen verzoeken :
21° natuurlijke personen en rechtspersonen die rechtstreeks nadeel lijden als gevolg van de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf;
32° natuurlijke personen en rechtspersonen die een belang hebben bij de beteugeling van de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf;
43° rechtspersonen in de zin van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu.
5§ 2. Het verzoek om de oplegging van bestuurlijke maatregelen moet voldoende gemotiveerd zijn en aannemelijk maken dat er een milieu-inbreuk of milieumisdrijf is.
6Het verzoek vermeldt de verzoeken die eventueel al eerder bij een persoon als vermeld in artikel 16.4.6, zijn ingediend.
7§ 3. De personen die om bestuurlijke maatregelen verzoeken, worden zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen een termijn van vijfenveertig dagen na de kennisgeving van het verzoek door de personen, vermeld in artikel 16.4.6, op de hoogte gebracht van de beslissing over het al dan niet nemen van bestuurlijke maatregelen en de redenen daarvoor.
8§ 4. Tegen de weigering om een bestuurlijke maatregel op te leggen kunnen de personen, vermeld in paragraaf 1, beroep indienen bij de minister. Binnen een termijn van zestig dagen na de kennisgeving van het beroep doet de minister erover uitspraak.
9§ 5. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen voor de indiening, de behandeling, de beslissing en het beroep inzake het verzoek om bestuurlijke maatregelen.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.4.18ter opgeheven
1De Vlaamse Regering bezorgt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling inzake de bestuurlijke dwangsom aan het Vlaams Parlement een verslag over de wijze waarop de bestuurlijke dwangsom is toegepast en doet eventueel voorstellen tot aanpassing van deze bepaling.
+2 −9 decreet-1995-04-05/art. 16.4.19
1§ 1. Er wordt een handhavingscollege opgericht.1§ 1. Er wordt een handhavingscollege opgericht.
2Het handhavingscollege is een administratief rechtscollege als vermeld in artikel 161 van de Grondwet.2Het handhavingscollege is een administratief rechtscollege als vermeld in artikel 161 van de Grondwet.
3§ 2. Het handhandhavingscollege doet uitspraak over :
41° de beroepen die worden ingesteld tegen beslissingen van de gewestelijke entiteit over de oplegging van een alternatieve of een exclusieve bestuurlijke geldboete en, in voorkomend geval, een voordeelontneming als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling IV;
52° de beroepen die worden ingesteld tegen beslissingen van de gewestelijke entiteit, vermeld in artikel 6.1.1, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, over de oplegging van een exclusieve of een alternatieve bestuurlijke geldboete als vermeld in artikel 6.2.2, 6.2.6 en 6.2.13, § 4, van die codex;
63° de beroepen die worden ingesteld tegen beslissingen van de inspecteur Onroerend Erfgoed over de oplegging van een exclusieve of een alternatieve bestuurlijke geldboete als vermeld in de artikelen 11.2.5 en 11.2.6 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.;
7§ 3. De behandeling van het beroep door het handhandhavingscollege leidt tot één van de volgende uitspraken :
81° onbevoegdverklaring van het handhandhavingscollege;
92° vaststelling van de onontvankelijkheid van het beroep;
103° ongegrondverklaring van het beroep;
114° gegrondverklaring van het beroep.
3§ 2. ...;
4§ 3. ...
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.4.23 opgeheven
1De Vlaamse Regering kan aan de leden van het handhavingscollege op geen enkele manier instructies geven over de wijze waarop ze hun bevoegdheden moeten uitoefenen.
+0 −2 decreet-1995-04-05/art. 16.4.25 opgeheven
1De bestuurlijke geldboete is een sanctie waarbij de gewestelijke entiteit een overtreder verplicht een geldsom te betalen. Als overtreder wordt beschouwd degene die een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf heeft gepleegd, alsook diegene die opdracht heeft gegeven om handelingen te stellen die een milieu-inbreuk of milieumisdrijf uitmaken.
2Eventueel kunnen bij een bestuurlijke geldboete ook de expertisekosten worden gevoegd die de gewestelijke entiteit heeft moeten maken om zijn besluit te kunnen nemen.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.4.26 opgeheven
1Samen met een bestuurlijke geldboete kan een voordeelontneming worden opgelegd. Een voordeelontneming is een sanctie waarbij een overtreder verplicht wordt een al dan niet geschat geldbedrag te betalen ter waarde van het brutovermogensvoordeel dat uit de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf is verkregen.
+0 −3 decreet-1995-04-05/art. 16.4.27 opgeheven
1Een bestuurlijke geldboete kan de vorm aannemen van een alternatieve bestuurlijke geldboete of van een exclusieve bestuurlijke geldboete.
2Een alternatieve bestuurlijke geldboete kan uitsluitend worden opgelegd voor de milieumisdrijven, vermeld in artikelen 16.6.1, 16.6.2, 16.6.3, 16.6.3bis, 16.6.3ter, 16.6.3quater, 16.6.3quinquies, 16.6.3sexies en 16.6.3septies, en bedraagt maximaal 2.000.000 euro.
3Een exclusieve bestuurlijke geldboete kan uitsluitend worden opgelegd voor milieu-inbreuken en bedraagt maximaal 400.000 euro. De Vlaamse Regering bepaalt, binnen de grenzen van artikel 16.1.2, 1°, de lijst van de milieu-inbreuken. Die lijst moet een omschrijving bevatten van de juridische basis en van de concrete wettelijke verplichting.
+0 −5 decreet-1995-04-05/art. 16.4.29 opgeheven
1§ 1. Als een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, wordt de hoogte van de geldboete afgestemd op de ernst van de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf. Tevens wordt rekening gehouden met de frequentie en de omstandigheden waarin de overtreder milieu-inbreuken of milieumisdrijven heeft gepleegd of beëindigd.
2§ 2. De bestuurlijke geldboete kan geheel of gedeeltelijk worden opgelegd met uitstel van tenuitvoerlegging. Uitstel bij de alternatieve bestuurlijke geldboete is enkel mogelijk voor zover geen bestuurlijke geldboete noch een strafrechtelijke geldboete of gevangenisstraf werd opgelegd voor het plegen van een milieumisdrijf en/of milieu-inbreuk gedurende vijf jaar voorafgaand aan het milieumisdrijf. Uitstel bij de exclusieve bestuurlijke geldboete is enkel mogelijk voor zover geen bestuurlijke geldboete, noch een strafrechtelijke geldboete of gevangenisstraf werd opgelegd voor het plegen van een milieumisdrijf en/of milieu-inbreuk gedurende drie jaar voorafgaand aan de milieu-inbreuk.
3Een voordeelontneming kan niet worden opgelegd met uitstel van tenuitvoerlegging.
4Het uitstel geldt voor een proefperiode die niet minder dan een jaar en niet meer dan drie jaar mag bedragen. De proefperiode gaat in vanaf de datum van kennisgeving van de beslissing tot oplegging van een bestuurlijke geldboete.
5Het uitstel wordt van rechtswege herroepen als gedurende de proeftijd een nieuw milieumisdrijf of een nieuwe milieu-inbreuk wordt gepleegd, die leidt tot een veroordeling tot een straf of het opleggen van een bestuurlijke geldboete.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.4.30 opgeheven
1De bevoegdheid tot het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete vervalt vijf jaar na de datum van afsluiting van het proces-verbaal dat over het milieumisdrijf werd opgesteld. De bevoegdheid tot het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete vervalt drie jaar na de datum van afsluiting van het verslag van vaststelling dat over de milieu-inbreuk werd opgemaakt.
+0 −3 decreet-1995-04-05/art. 16.4.31 opgeheven
1Bij de vaststelling van een milieumisdrijf bezorgt de verbalisant onmiddellijk een proces-verbaal aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar het milieumisdrijf is gepleegd.
2Samen met dat proces-verbaal bezorgt de verbalisant een schriftelijk verzoek waarin de procureur des Konings gevraagd wordt zich uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van het milieumisdrijf.
3De verbalisant bezorgt, voor zover als mogelijk, de procureur des Konings tevens een overzicht van zowel de vroegere als de tegelijkertijd met het milieumisdrijf vastgestelde milieu-inbreuken en van de vroeger opgelegde bestuurlijke geldboeten.
+0 −3 decreet-1995-04-05/art. 16.4.32 opgeheven
1De procureur des Konings beschikt hiertoe over een periode van honderdtachtig dagen, te rekenen vanaf de dag waarop hij het proces-verbaal heeft ontvangen.
2Voor die periode verstreken is kan ze gemotiveerd eenmalig worden verlengd met een aanvullende periode van maximaal honderdtachtig dagen. Van die verlenging stelt de procureur des Konings de gewestelijke entiteit onmiddellijk in kennis.
3Tijdens die periode van honderdtachtig dagen, eventueel verlengd met een aanvullende periode van maximaal honderdtachtig dagen, kan er geen bestuurlijke geldboete worden opgelegd.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.4.33 opgeheven
1Van zijn beslissing over het al dan niet strafrechtelijk behandelen van een milieumisdrijf bericht de procureur des Konings de gewestelijke entiteit. Die entiteit informeert de verbalisant over de beslissing van de procureur des Konings.
+0 −3 decreet-1995-04-05/art. 16.4.34 opgeheven
1Een beslissing houdende strafrechtelijke behandeling van het milieumisdrijf sluit het opleggen van een bestuurlijke geldboete uit.
2De oplegging van een bestuurlijke geldboete is eveneens uitgesloten als de procureur des Konings nalaat om tijdig zijn beslissing mee te delen aan de gewestelijke entiteit.
3Een beslissing houdende geen strafrechtelijke behandeling van het milieumisdrijf houdt het verval van de strafvordering in.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.4.35 opgeheven
1Als de procureur des Konings de gewestelijke entiteit tijdig heeft geïnformeerd over zijn beslissing om het milieumisdrijf niet strafrechtelijk te behandelen, start de gewestelijke entiteit de procedure voor de eventuele oplegging van een alternatieve bestuurlijke geldboete.
+0 −11 decreet-1995-04-05/art. 16.4.36 opgeheven
1§ 1. Na de ontvangst van de beslissing van de procureur des Konings, vermeld in artikel 16.4.35, brengt de gewestelijke entiteit binnen een termijn van dertig dagen de vermoedelijke overtreder op de hoogte van het voornemen om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming. De vermoedelijke overtreder wordt uitgenodigd om binnen een termijn van dertig dagen die volgt op de kennisgeving van dit bericht schriftelijk zijn verweer mee te delen. Tevens wordt hij erop gewezen dat hij :
21° de documenten waarop het voornemen tot het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete berust, kan inzien en er kopieën van kan krijgen;
32° mondeling zijn schriftelijke verweer kan toelichten. De vermoedelijke overtreder moet daartoe bij de gewestelijke entiteit een aanvraag indienen binnen dertig dagen na de kennisgeving.
4§ 2. De gewestelijke entiteit kan toezichthouders verzoeken om aanvullende inlichtingen te verstrekken.
5§ 3. Alvorens een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen, kan de gewestelijke entiteit de vermoedelijke overtreder een voorstel doen om een geldsom te betalen binnen een bepaalde termijn.
6Het voorstel tot betaling van een geldsom gebeurt met kennisgeving aan de vermoedelijke overtreder.
7De geldsom wordt gestort ten voordele van het Minafonds.
8Het voorstel tot betaling van de geldsom schorst de procedure tot oplegging van een alternatieve bestuurlijke geldboete zoals vermeld in de artikelen 16.4.37 tot en met 16.4.39.
9De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast met betrekking tot de termijn waarin de betaling moet geschieden, de modaliteiten tot het opleggen van de geldsom evenals de milieumisdrijven waarop de procedure van toepassing is.
10§ 4. De betaling van de voorgestelde geldsom door de vermoedelijke overtreder binnen de vooropgestelde termijn doet de procedure tot het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete zoals vermeld in de artikelen 16.4.37 tot en met 16.4.39 van het decreet vervallen.
11Indien de vermoedelijke overtreder de geldsom niet betaalt binnen de vooropgestelde termijn of indien de vermoedelijke overtreder de gewestelijke entiteit per aangetekende brief laat weten niet in te gaan op het voorstel tot betaling van een geldsom, dan wordt de procedure tot het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete, zoals vermeld in de artikelen 16.4.37 tot en met 16.4.39, hervat.
+0 −2 decreet-1995-04-05/art. 16.4.37 opgeheven
1Binnen een termijn van honderdtachtig dagen na de kennisgeving, vermeld in artikel 16.4.36, § 1, beslist de gewestelijke entiteit over het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming. De gewestelijke entiteit brengt de vermoedelijke overtreder door middel van een kennisgeving op de hoogte van haar beslissing binnen een termijn van tien dagen na de dag waarop ze is genomen.
2Met inachtneming van de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vermeldt de beslissing minstens het eventueel opgelegde bedrag, de beroepsmogelijkheden en de voorwaarden van het beroep, alsmede de termijn waarbinnen en de manier waarop een alternatieve bestuurlijke geldboete moet worden betaald.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.4.38 opgeheven
1De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de wijze waarop een dossier bij de gewestelijke entiteit aanhangig wordt gemaakt, alsook de samenstelling van en de toegang tot het dossier.
+0 −4 decreet-1995-04-05/art. 16.4.39 opgeheven
1Tegen de beslissing waarbij de gewestelijke entiteit een alternatieve bestuurlijke geldboete oplegt, in voorkomend geval met voordeelontneming, kan degene aan wie de boete werd opgelegd beroep indienen bij het handhavingscollege. Het beroep schorst de bestreden beslissing.
2In afwijking van artikel 16.1.3, § 2, kan het beroep, vermeld in het eerste lid, worden ingediend binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing met inachtneming van de volgende bepalingen:
3- voor toepassing van dit artikel wordt de kennisgeving met een aangetekende brief, met of zonder ontvangstbewijs, geacht plaats te vinden op de werkdag die valt na de datum van de poststempel van deze aangetekende brief, behalve in geval van bewijs van het tegendeel door de geadresseerde. Daarbij geldt alleen de datum van de aanbieding door de postdiensten, en niet de feitelijke kennisneming van de aangetekende brief op een later tijdstip;
4- voor toepassing van dit artikel wordt de kennisgeving door afgifte tegen ontvangstbewijs geacht plaats te vinden op de datum van het ontvangstbewijs.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.4.40 opgeheven
1De gewestelijke entiteit kan een exclusieve bestuurlijke geldboete, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming, opleggen.
+0 −12 decreet-1995-04-05/art. 16.4.41 opgeheven
1§ 1. Na de ontvangst van de akte waarin een milieu-inbreuk wordt vastgesteld door een verbalisant, kan de gewestelijke entiteit binnen een termijn van zestig dagen de vermoedelijke overtreder op de hoogte brengen van het voornemen om een exclusieve bestuurlijke geldboete op te leggen, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming. De vermoedelijke overtreder wordt uitgenodigd om binnen een termijn van dertig dagen die volgt op de kennisgeving van dit bericht schriftelijk zijn verweer mee te delen.
2Tevens wordt de vermoedelijke overtreder erop gewezen dat hij :
31° op verzoek de documenten waarop het voornemen tot het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete berust, kan inzien en er kopieën van kan krijgen;
42° mondeling zijn schriftelijke verweer kan toelichten. De vermoedelijke overtreder richt daartoe aan de gewestelijke entiteit een aanvraag binnen dertig dagen na de kennisgeving.
5§ 2. Alvorens een bestuurlijke geldboete op te leggen, kan de gewestelijke entiteit de vermoedelijke overtreder een voorstel doen om een geldsom te betalen binnen een bepaalde termijn.
6Het voorstel tot betaling van een geldsom gebeurt met kennisgeving aan de vermoedelijke overtreder.
7De geldsom wordt gestort ten voordele van het Minafonds.
8Het voorstel tot betaling van de geldsom, schorst de procedure tot oplegging van een exclusieve bestuurlijke geldboete zoals vermeld in artikel 16.4.43.
9De Vlaamse Regering stelt de nadere regels met betrekking tot de termijn waarin de betaling moet geschieden, de modaliteiten tot het opleggen van de geldsom en kan bepalen op welke milieu-inbreuken de procedure van toepassing is.
10§ 3. De betaling van de door de gewestelijke entiteit voorgestelde geldsom door de vermoedelijke overtreder binnen de vooropgestelde termijn doet de procedure tot het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete zoals vermeld in artikel 16.4.43 van het decreet vervallen.
11Indien de vermoedelijke overtreder de geldsom niet betaalt binnen de vooropgestelde termijn of indien de vermoedelijke overtreder de gewestelijke entiteit per kennisgeving laat weten niet in te gaan op het voorstel tot betaling van een geldsom, dan wordt de procedure tot het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete, zoals vermeld in artikel 16.4.43 hervat.
12§ 4. De gewestelijke entiteit informeert de toezichthouders altijd over het gevolg dat wordt gegeven aan een verslag van vaststelling.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.4.42 opgeheven
1De gewestelijke entiteit kan toezichthouders verzoeken om aanvullende inlichtingen te verstrekken.
+0 −2 decreet-1995-04-05/art. 16.4.43 opgeheven
1Binnen een termijn van negentig dagen na de kennisgeving van het bericht beslist de gewestelijke entiteit over het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming. De gewestelijke entiteit brengt de vermoedelijke overtreder door middel van een kennisgeving op de hoogte van haar beslissing binnen een termijn van tien dagen na de dag waarop ze is genomen.
2Met inachtneming van de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vermeldt de beslissing minstens het eventueel opgelegde bedrag, de beroepsmogelijkheden en de voorwaarden van het beroep, alsmede de termijn waarbinnen en de manier waarop de exclusieve bestuurlijke geldboete moet worden betaald.
+0 −4 decreet-1995-04-05/art. 16.4.44 opgeheven
1Tegen de beslissing waarbij de gewestelijke entiteit een exclusieve bestuurlijke geldboete oplegt, in voorkomend geval met voordeelontneming, kan degene aan wie de boete werd opgelegd beroep indienen bij het handhavingscollege. Het beroep schorst de bestreden beslissing.
2In afwijking van artikel 16.1.3, § 2, kan het beroep, vermeld in het eerste lid, worden ingediend binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing met inachtneming van de volgende bepalingen:
3- voor toepassing van dit artikel wordt de kennisgeving met een aangetekende brief, met of zonder ontvangstbewijs, geacht plaats te vinden op de werkdag die valt na de datum van de poststempel van deze aangetekende brief, behalve in geval van bewijs van het tegendeel door de geadresseerde. Daarbij geldt alleen de datum van de aanbieding door de postdiensten, en niet de feitelijke kennisneming van de aangetekende brief op een later tijdstip;
4- voor toepassing van dit artikel wordt de kennisgeving door afgifte tegen ontvangstbewijs geacht plaats te vinden op de datum van het ontvangstbewijs.
+0 −5 decreet-1995-04-05/art. 16.5.1 opgeheven
1§1. Artikel 73 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 is van toepassing op de opbrengsten, verkregen uit de toepassing van titel XVI.
2De opbrengsten, vermeld in het eerste lid, die conform artikel 73 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 worden toebedeeld aan de Vlaamse overheid, komen toe aan het Minafonds.
3In afwijking van het tweede lid komen de bedragen die worden ingevorderd tot terugbetaling van de kosten die gemaakt zijn voor de uitvoering van maatregelen door de toezichthouders en herstelinstanties van de OVAM in het kader van het toezicht op de toepassing van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en op de toepassing van artikel 12 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, toe aan de OVAM.
4§ 2. Bij een veroordeling, overeenkomstig artikel 16.6.5, tweede lid, tot terugbetaling van de kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van afvalstoffen in de bossen en aanverwante grondoppervlakten, de onbevaarbare waterlopen en natuurreservaten, wordt dat bedrag gestort op de rekening van het Minafonds.
5Bij een veroordeling, overeenkomstig artikel 16.6.4, tweede lid, tot terugbetaling van de kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van afvalstoffen op de openbare wegen, de waterwegen en de havens en hun specifieke aanhorigheden, wordt dat bedrag gestort op de rekening van het Vlaamse Gewest.
+3 −5 decreet-1995-04-05/art. 16.5.1
1§ 1. De opgelegde bestuurlijke geldboeten, vermeld artikel 44 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, en titel XVI, hoofdstuk IV, afdeling IV en, in voorkomend geval, de opgelegde voordeelontnemingen en expertisekosten, vermeld in artikel 16.4.25, worden door het Departement Omgeving van de Vlaamse overheid geïnd en ingevorderd ten voordele van het Minafonds.
1§1. Artikel 73 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 is van toepassing op de opbrengsten, verkregen uit de toepassing van titel XVI.
2De opbrengsten, vermeld in het eerste lid, die conform artikel 73 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 worden toebedeeld aan de Vlaamse overheid, komen toe aan het Minafonds.
2De kosten die gemaakt zijn voor de uitvoering van de bestuurlijke maatregelen, vermeld in artikel 16.4.7, § 1, voor de ambtshalve uitvoering van de opgelegde bestuurlijke maatregelen en voor de tenuitvoerlegging van veiligheidsmaatregelen worden eveneens geïnd en ingevorderd door het Vlaams Ministerie van Omgeving ten voordele van het Minafonds. In afwijking hiervan worden de kosten die gemaakt zijn voor de uitvoering en de tenuitvoerlegging van die maatregelen door de toezichthouders van de OVAM die toezicht uitoefenen op de toepassing van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en haar uitvoeringsbesluiten en op de toepassing van artikelen 12 en 13 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, geïnd en ingevorderd door de OVAM ten voordele van de OVAM.3In afwijking van het tweede lid komen de bedragen die worden ingevorderd tot terugbetaling van de kosten die gemaakt zijn voor de uitvoering van maatregelen door de toezichthouders en herstelinstanties van de OVAM in het kader van het toezicht op de toepassing van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en op de toepassing van artikel 12 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, toe aan de OVAM.
3De bestuurlijke dwangsommen worden ook geïnd en ingevorderd door het Vlaams Ministerie van Omgeving ten voordele van het MINA-fonds. In afwijking hiervan worden de bestuurlijke dwangsommen geïnd en ingevorderd door:
4- de gemeente op wiens grondgebied de bestuurlijke dwangsom werd opgelegd ten voordele van diezelfde gemeente, voor zover de bestuurlijke dwangsom wordt opgelegd door een gemeentelijke toezichthouder, een intergemeentelijke toezichthouder, een toezichthouder van een politiezone, de burgemeester of zijn plaatsvervanger;
5- de provincie op wiens grondgebied de bestuurlijke dwangsom werd opgelegd ten voordele van diezelfde provincie, voor zover de bestuurlijke dwangsom wordt opgelegd door een provinciale toezichthouder, de gouverneur of zijn plaatsvervanger.
6§ 2. Bij een veroordeling, overeenkomstig artikel 16.6.5, tweede lid, tot terugbetaling van de kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van afvalstoffen in de bossen en aanverwante grondoppervlakten, de onbevaarbare waterlopen en natuurreservaten, wordt dat bedrag gestort op de rekening van het Minafonds.4§ 2. Bij een veroordeling, overeenkomstig artikel 16.6.5, tweede lid, tot terugbetaling van de kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van afvalstoffen in de bossen en aanverwante grondoppervlakten, de onbevaarbare waterlopen en natuurreservaten, wordt dat bedrag gestort op de rekening van het Minafonds.
7Bij een veroordeling, overeenkomstig artikel 16.6.4, tweede lid, tot terugbetaling van de kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van afvalstoffen op de openbare wegen, de waterwegen en de havens en hun specifieke aanhorigheden, wordt dat bedrag gestort op de rekening van het Vlaamse Gewest.5Bij een veroordeling, overeenkomstig artikel 16.6.4, tweede lid, tot terugbetaling van de kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van afvalstoffen op de openbare wegen, de waterwegen en de havens en hun specifieke aanhorigheden, wordt dat bedrag gestort op de rekening van het Vlaamse Gewest.
+0 −11 decreet-1995-04-05/art. 16.5.2 opgeheven
1§ 1. Als de betrokkene in gebreke blijft bij het betalen van de verschuldigde bedragen, verhoogd met de invorderingskosten, vermeld in artikel 16.5.1, worden die bedragen bij dwangbevel ingevorderd. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door een ambtenaar die daartoe door de Vlaamse Regering wordt aangewezen.
2§ 2. Het dwangbevel wordt aan de schuldenaar bij deurwaardersexploot betekend.
3Binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van het dwangbevel kan de schuldenaar verzet doen door het Vlaamse Gewest te laten dagvaarden. Als het dwangbevel betrekking heeft op kosten, vermeld in artikel 16.5.1, § 1, tweede lid, die door de toezichthouders van de OVAM zijn gemaakt, gebeurt in afwijking hiervan het verzet door de OVAM te laten dagvaarden.
4Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Het Vlaamse Gewest of de OVAM kan de rechter verzoeken om de schorsing van de tenuitvoerlegging op te heffen.
5Op het dwangbevel zijn de bepalingen van toepassing van deel V van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen tot tenuitvoerlegging.
6Een beroep tegen een dwangbevel kan alleen worden ingesteld met betrekking tot geschillen die in verband met de tenuitvoerlegging van het dwangbevel rijzen. Die geschillen worden voor de beslagrechter gebracht.
7§ 3. Op grond van het uitvoerbaar verklaard dwangbevel en tot zekerheid van voldoening van de bedragen en kosten, vermeld in artikel 16.5.1, hebben het Vlaamse Gewest en de OVAM een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de schuldenaar en kunnen ze een wettelijke hypotheek nemen als daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van de schuldenaar.
8Het voorrecht vermeld in § 1 neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851 en in artikel 23 van het Wetboek van bepaalde voorrechten op zeeschepen en diverse bepalingen.
9De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitvoerbaar verklaarde en betekende dwangbevel.
10De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar, vermeld in § 1. De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en dat melding maakt van de betekening ervan.
11Artikel XX.113, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de opgelegde bestuurlijke geldboeten en, in voorkomend geval, de bijbehorende expertisekosten en de opgelegde voordeelontnemingen waarvoor een dwangbevel werd uitgevaardigd en waarvan betekening aan de schuldenaar is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.5.2bis opgeheven
1In afwijking van artikel 16.5.2 kan de ambtenaar, vermeld in artikel 16.5.2, § 1, beslissen af te zien van de invordering van de bedragen en kosten, vermeld in artikel 16.5.1, § 1, tweede lid, als de invorderingskosten groter zijn dan het terug te vorderen bedrag of als niet kan worden vastgesteld wie de overtreder is.
+0 −3 decreet-1995-04-05/art. 16.5.3 opgeheven
1De bevoegdheid om over te gaan tot invordering van de bedragen en kosten, vermeld in artikel 16.5.1, § 1, eerste en derde lid, verjaart na verloop van driehonderdvijfenzestig dagen. Die termijn gaat in op de dag die volgt op de dag waarop deze bedragen en kosten moesten worden betaald.
2De bevoegdheid om over te gaan tot invordering van de kosten van de maatregelen, vermeld in artikel 16.5.1, § 1, tweede lid, verjaart door verloop van vijf jaar vanaf de dag dat de maatregelen geheel zijn voltooid.
3De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 tot en met 2280 van het Burgerlijk Wetboek.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.5.4 opgeheven
1Artikel 16.5.4. De ambtenaar, belast met de inning en invordering, beslist eveneens over de gemotiveerde verzoeken tot uitstel of spreiding van betaling die de overtreder tot hem richt.
+0 −2 decreet-1995-04-05/art. 16.5.5 opgeheven
1De Vlaamse Regering kan, met behoud van de voorwaarden, vermeld in artikel 16.3.8, aan personeelsleden van het departement en de agentschappen, die behoren tot het beleidsdomein Omgeving, de hoedanigheid toekennen van officier van gerechtelijke politie ten behoeve van de opsporing van milieumisdrijven als vermeld in hoofdstuk VI en in de regelgeving, vermeld in artikel 16.1.1.
2Deze officieren van gerechtelijke politie worden hierna gewestelijke milieuopsporingsambtenaren genoemd.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.5.6 opgeheven
1De gewestelijke milieuopsporingsambtenaren moeten over de vereiste kwalificaties en eigenschappen beschikken om de opsporingsbevoegdheden naar behoren te kunnen uitoefenen.
+0 −2 decreet-1995-04-05/art. 16.5.7 opgeheven
1Voordat de gewestelijke milieuopsporingsambtenaren hun opsporingstaak vervullen, leggen ze voor de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waartoe hun standplaats behoort, de volgende eed af : « Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk. »
2Ze zijn bevoegd om hun opdrachten te vervullen op het grondgebied van het gehele Vlaamse Gewest.
+0 −2 decreet-1995-04-05/art. 16.5.8 opgeheven
1De gewestelijke milieuopsporingsambtenaren hebben een legitimatiebewijs bij zich en tonen dat desgevraagd onmiddellijk.
2De Vlaamse Regering bepaalt wie het legitimatiebewijs verleent, en de inhoud en het model ervan.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.5.9 opgeheven
1De gewestelijke milieuopsporingsambtenaren kunnen een kopie van het proces-verbaal bezorgen aan de relevante gewestelijke overheden, die belast zijn met de handhaving van de milieuwetgeving, vermeld in artikel 16.1.1.
+0 −2 decreet-1995-04-05/art. 16.5.10 opgeheven
1Het proces-verbaal heeft bewijswaarde tot het tegendeel is bewezen.
2Als de vermoedelijke overtreder bekend is, wordt, op straffe van verval van de bewijswaarde tot het tegendeel, aan de vermoedelijke overtreder een kopie van het proces-verbaal bezorgd. Die kennisgeving wordt gedaan binnen een termijn van veertien dagen na de datum van afsluiting van het proces-verbaal.
+0 −3 decreet-1995-04-05/art. 16.5.11 opgeheven
1Bij de vaststelling van een milieumisdrijf kunnen de gewestelijke milieuopsporingsambtenaren de identiteit controleren van de vermoedelijke overtreder.
2De identiteitsstukken die aan de gewestelijke milieuopsporingsambtenaar worden overhandigd, moeten na verificatie van de identiteit onmiddellijk aan de betrokkene worden teruggegeven.
3Bij gebrek aan een identiteitskaart wordt aan de vermoedelijke overtreder de mogelijkheid geboden om zijn identiteit te bewijzen op een andere wijze.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.5.12 opgeheven
1De bijzondere veldwachters vermeld in artikel 61 van het Veldwetboek zijn bevoegd om milieumisdrijven op te sporen en vast te stellen met betrekking tot de in artikel 16.1.1, eerste lid, sub 2°, 3°, 4°, 14°, 15° en 16°, vermelde milieuvoorschriften.
+6 −9 decreet-1995-04-05/art. 16.6.1
1§1. Elke opzettelijke of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde schending van de door deze titel gehandhaafde milieuvoorschriften is strafbaar met een gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met een geldboete van 100 euro tot 250.000 euro of met een van die straffen.1§1. Elke opzettelijke of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde schending van de door deze titel gehandhaafde milieuvoorschriften is strafbaar met een gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met een geldboete van 100 euro tot 250.000 euro of met een van die straffen.
2Deze straffen gelden niet voor :2Deze straffen gelden niet voor :
31° de gedragingen die op basis van artikel 16.1.2, 1°, en op basis van artikel 16.4.27, derde lid, als milieu-inbreuk zijn gedefinieerd;
31° de gedragingen die als een inbreuk als vermeld in afdeling II, zijn ge-definieerd;
42° ...42° ...
53° de overtreding van de verplichting tot aangifte en betaling van de milieuheffingen, vermeld in artikel 50 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, en de verplichting tot betaling van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 58 van voormeld decreet;53° de overtreding van de verplichting tot aangifte en betaling van de milieuheffingen, vermeld in artikel 50 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, en de verplichting tot betaling van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 58 van voormeld decreet;
64° ...64° ...
75° het niet voldoen aan administratieve verplichtingen in het kader van een aanvraagprocedure, zoals een procedure tot aanvraag van een vergunning of machtiging, tot aanvraag van een subsidie of tot het verkrijgen van een erkenning, behalve wanneer opzettelijk informatie niet of onvolledig werd meegedeeld of wanneer opzettelijk onjuiste informatie werd meegedeeld;75° het niet voldoen aan administratieve verplichtingen in het kader van een aanvraagprocedure, zoals een procedure tot aanvraag van een vergunning of machtiging, tot aanvraag van een subsidie of tot het verkrijgen van een erkenning, behalve wanneer opzettelijk informatie niet of onvolledig werd meegedeeld of wanneer opzettelijk onjuiste informatie werd meegedeeld;
86° het nietvoldoen aan de administratieve vormvereisten die bij een melding in acht genomen moeten worden, met behoud van de toepassing van artikel 16.6.1, § 1, eerste lid, op het nalaten van enige voorafgaande melding van de betrokken activiteit .86° het niet-voldoen aan de administratieve vormvereisten die bij een melding in acht genomen moeten worden, uitgezonderd het nalaten van een voorafgaande melding van de activiteit in kwestie.
9§2. De volgende personen worden bestraft met een gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met een geldboete van 100 euro tot 100.000 euro of met een van die straffen:9§2. De volgende personen worden bestraft met een gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met een geldboete van 100 euro tot 100.000 euro of met een van die straffen:
101° personen die opzettelijk opgelegde bestuurlijke maatregelen, bestuurlijke geldboeten, voordeelontnemingen, veiligheidsmaatregelen of door de rechter opgelegde maatregelen niet uitvoeren, betalen of negeren;
112° personen die opzettelijk de in artikel 16.3.10, 1°, 2°, 3°, 4°, en 5°, bedoelde toezichtrechten schenden;
122°/1 personen die opzettelijk niet meewerken aan een identiteitscontrole als vermeld in artikel 16.3.26bis en 16.5.11;
133° personen die de orde van de zittingen van het handhavingscollege verstoren, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting;
101° personen die opzettelijk niet vervallen en niet opgeheven bestuurlijke maatregelen, gerechtelijke herstelmaatregelen of veiligheidsmaatregelen die regelmatig zijn opgelegd conform deze titel vóór de datum van de in-werking¬treding van artikel 19, 5°, van het decreet van [...] tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, niet uitvoeren, niet betalen of ne-geren;
144° personen die een bevel als vermeld in artikel 61, §6, van het Mestdecreet van 22 december 2006, niet uitvoeren of negeren.112° personen die een bevel als vermeld in artikel 61, §6, van het Mestdecreet van 22 december 2006, niet uitvoeren of negeren.
+1 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.6.5
1Na de partijen gehoord te hebben, kan de rechter bij wijze van veiligheidsmaatregel het verbod uitspreken om de inrichtingen, die aan de oorsprong van het milieumisdrijf liggen, te exploiteren gedurende de termijnen die hij bepaalt.
1De misdrijven, vermeld in deze afdeling, die bestuurlijk worden vervolgd, worden gesanctioneerd met een alternatieve bestuurlijke geldboete van 50 euro tot 2.000.000 euro.
+8 −7 decreet-1995-04-05/art. 16.6.6
1§ 1. Naast de straf kan de rechtbank, ofwel ambtshalve, ofwel op vordering van het openbaar ministerie, ofwel op vordering van de gemachtigde ambtenaar, ofwel op vordering van de burgerlijke partij, bevelen om de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen, het strijdige gebruik te staken of aanpassingswerken uit te voeren.
2Als de gemachtigde ambtenaar daartoe een herstelvordering indient, gebeurt dat op grond van deze vordering.
3§ 2. De herstelvordering wordt door de gemachtigde ambtenaar bij het parket ingeleid met een gewone brief, in naam van het Vlaamse Gewest.
4De vordering vermeldt minstens de geldende milieuvoorschriften en een omschrijving van de toestand zoals die was voor het misdrijf.
5Het vorderingsrecht van de gemachtigde ambtenaar verjaart binnen vijf jaar nadat een toezichthouder voor het milieumisdrijf een proces-verbaal heeft afgesloten, met dien verstande dat het vorderingsrecht niet kan verjaren zolang conform artikel 16.4.8bis een bestuurlijke maatregel kan worden opgelegd of zolang de strafvordering niet vervallen is.
6§ 3. De rechtbank bepaalt een termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen, rekening houdend met de termijn die voor de uitvoering van de herstelmaatregelen is bepaald in de herstelvordering, vermeld in § 1.
7De rechtbank kan op vordering van de gemachtigde ambtenaar ook een dwangsom bepalen per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregelen.
1§1. De Vlaamse Regering bepaalt de lijst van inbreuken voor de Vlaamse regelgeving waarop deze titel van toepassing is. De voormelde lijst bevat een omschrijving van de juridische basis en van de concrete wettelijke verplichting.
2De inbreuken, vermeld in het eerste lid, kunnen alleen gedragingen zijn die in strijd zijn met een milieuvoorschrift en die aan al de volgende voorwaarden voldoen:
31° de gedraging betreft geen emissies als vermeld in artikel 16.6.2;
42° de gedraging betreft niet het achterlaten, beheren of overbrengen van afvalstoffen als vermeld in artikel 16.6.3;
53° de gedraging veroorzaakt geen gezondheidsschade of de dood;
64° de gedraging houdt geen schending in van de verplichting om te beschikken over een milieuvergunning, een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, of een erkenning;
75° de gedraging houdt geen schending in van de verplichting om een veiligheids-rapport of een milieueffectrapport op te maken.
8§2. De inbreuken, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, worden gesanctioneerd met een bestuurlijke geldboete van 50 euro tot 400.000 euro.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.6.7 opgeheven
1De gemachtigde ambtenaar kan ook voor de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in burgerlijke aangelegenheden, in het ambtsgebied waarin het milieumisdrijf plaatsvond, de herstelmaatregelen, vermeld in artikel 16.6.6, vorderen.
+0 −3 decreet-1995-04-05/art. 16.6.8 opgeheven
1Als de persoon die de opgelegde herstelmaatregelen moet uitvoeren, de herstelmaatregelen vrijwillig heeft uitgevoerd, brengt hij de gemachtigde ambtenaar daarvan op de hoogte met een aangetekende brief of door afgifte tegen ontvangstbewijs.
2De gemachtigde ambtenaar maakt daarop onmiddellijk en na controle ter plaatse een proces-verbaal van vaststelling op. De gemachtigde ambtenaar stuurt een kopie van dat proces-verbaal naar de persoon die de herstelmaatregelen moest nemen.
3Het proces-verbaal van vaststelling geldt als bewijs van het herstel en van de datum van het herstel.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.6.9 opgeheven
1De gemachtigde ambtenaar kan, op kosten van de persoon die veroordeeld werd tot het uitvoeren van de herstelmaatregel, het vonnis of het arrest zelf uitvoeren als deze persoon de herstelmaatregel niet binnen de door de rechter bepaalde termijn is nagekomen.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.6.10 opgeheven
1De verjaring van het recht op ambtshalve uitvoering van de herstelmaatregel, vermeld in artikel 16.6.9 neemt een aanvang vanaf het verstrijken van de termijn die de rechtbank overeenkomstig artikel 16.6.6, § 3, heeft bepaald voor de tenuitvoerlegging ervan.
+0 −7 decreet-1995-04-05/art. 16.7.1 opgeheven
1§ 1. De volgende personen kunnen veiligheidsmaatregelen nemen in geval van een aanzienlijk risico voor mens of milieu :
21° toezichthouders, voor de milieuwetgeving waarop hun toezichtopdracht betrekking heeft;
32° de gouverneur van een provincie of zijn plaatsvervanger;
43° de burgemeester of zijn plaatsvervanger.
5§ 2. Veiligheidsmaatregelen zijn maatregelen waarbij de personen, vermeld in § 1, alle handelingen kunnen stellen of opleggen die zij onder de gegeven omstandigheden nodig achten om een aanzienlijk risico voor mens of milieu uit te schakelen, tot een aanvaardbaar niveau in te perken of te stabiliseren.
6De burgemeester en de provinciegouverneur kunnen de veiligheidsmaatregelen ambtshalve nemen of op verzoek van een toezichthouder.
7§ 3. De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen de veiligheidsmaatregelen, vermeld in § 1, moeten worden genomen en kan vaststellen wie van de personen, vermeld in § 1, die maatregelen moet nemen.
+0 −7 decreet-1995-04-05/art. 16.7.2 opgeheven
1Veiligheidsmaatregelen kunnen onder meer strekken tot :
21° de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten, ogenblikkelijk of binnen een bepaalde termijn;
32° het verbod op het gebruik of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt;
43° de hele of gedeeltelijke sluiting van een inrichting;
54° het meenemen, bewaren of verwijderen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen en dieren;
65° het niet-betreden of het verlaten van bepaalde gebieden, terreinen, gebouwen of wegen.
7Veiligheidsmaatregelen kunnen niet worden opgeheven als het risico in kwestie niet is uitgeschakeld, ingeperkt tot een aanvaardbaar niveau of gestabiliseerd.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.7.3 opgeheven
1Bij besluit opgelegde veiligheidsmaatregelen die verplichten tot een doen of laten, omschrijven duidelijk de verplichtingen waaraan moet worden voldaan.
+0 −2 decreet-1995-04-05/art. 16.7.4 opgeheven
1Kosten die gemaakt zijn voor de tenuitvoerlegging van veiligheidsmaatregelen vallen geheel of gedeeltelijk ten laste van de personen die verantwoordelijk zijn voor het aanzienlijke risico.
2De verschuldigde bedragen worden geïnd en ingevorderd overeenkomstig artikel 16.5.1 tot en met 16.5.4.
+0 −9 decreet-1995-04-05/art. 16.7.5 opgeheven
1§ 1. Veiligheidsmaatregelen worden schriftelijk genomen. Als een ogenblikkelijk optreden vereist is, kunnen veiligheidsmaatregelen ook mondeling worden genomen.
2§ 2. Als veiligheidsmaatregelen schriftelijk worden genomen, dan gebeurt dat door de kennisgeving van het besluit houdende de veiligheidsmaatregelen.
3§ 3. Als veiligheidsmaatregelen mondeling worden genomen en de personen, verantwoordelijk voor het aanzienlijke risico, niet aanwezig zijn, dan wordt ter plaatse en op een zichtbare plaats een schriftelijk bericht achtergelaten.
4Door middel van een schriftelijke bevestiging worden de personen die verantwoordelijk zijn voor het aanzienlijke risico op de hoogte gebracht van de mondeling genomen veiligheidsmaatregelen binnen vijf werkdagen nadat ze genomen zijn. Deze schriftelijke bevestiging gebeurt door middel van een kennisgeving.
5§ 4. De Vlaamse Regering kan bepalen dat de schriftelijke bevestiging, vermeld in § 3, tweede lid, en het besluit, vermeld in § 2, op elektronische wijze verspreid kunnen worden. Ze bepaalt in dat geval de nadere voorwaarden.
6§ 5. De schriftelijke bevestiging, vermeld in § 3, tweede lid, en het besluit, vermeld in § 2, bevatten minstens :
71° een omschrijving van het aanzienlijke risico dat het nemen van veiligheidsmaatregelen noodzakelijk maakt;
82° een omschrijving van de veiligheidsmaatregelen die noodzakelijk zijn en de eventuele uitvoeringstermijn.
9§ 6. De Vlaamse Regering kan bepalen welke overheden op de hoogte moeten worden gebracht van de genomen veiligheidsmaatregelen, alsook op welke wijze dat moet gebeuren.
+0 −3 decreet-1995-04-05/art. 16.7.6 opgeheven
1Wie veiligheidsmaatregelen neemt, is ook bevoegd om ze op te heffen.
2De veiligheidsmaatregelen kunnen ambtshalve opgeheven worden of op verzoek van personen ten aanzien van wie de veiligheidsmaatregelen zijn genomen.
3De opheffing van veiligheidsmaatregelen kan gepaard gaan met het nemen van nieuwe veiligheidsmaatregelen.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 16.7.7 opgeheven
1Als het aanzienlijke risico waarvoor veiligheidsmaatregelen werden genomen, is uitgeschakeld of tot een aanvaardbaar niveau ingeperkt of gestabiliseerd is, kan degene die de veiligheidsmaatregelen heeft genomen, ze gemotiveerd en ambtshalve opheffen.
+0 −3 decreet-1995-04-05/art. 16.7.8 opgeheven
1Iedere persoon tegen wie veiligheidsmaatregelen zijn genomen kan de opheffing ervan vragen. Het gemotiveerde verzoek wordt meegedeeld aan degene die de veiligheidsmaatregelen heeft genomen.
2Degene die de veiligheidsmaatregelen heeft genomen beslist binnen een termijn van dertig dagen na de mededeling van het gemotiveerde verzoek.
3Een besluit houdende de opheffing van veiligheidsmaatregelen op gemotiveerd verzoek vereist een voorafgaand verslag waarin de bevoegde persoon vaststelt dat het aanzienlijke risico waarvoor veiligheidsmaatregelen werden genomen, is uitgeschakeld of tot een aanvaardbaar niveau ingeperkt of gestabiliseerd is. De Vlaamse Regering kan de vorm en de voorwaarden van dat verslag bepalen.
+0 −2 decreet-1995-04-05/art. 16.7.9 opgeheven
1De personen tegen wie veiligheidsmaatregelen zijn genomen worden binnen een termijn van tien dagen op de hoogte gebracht van het besluit houdende de opheffing van veiligheidsmaatregelen, ambtshalve of op gemotiveerd verzoek. Dit gebeurt door middel van een kennisgeving.
2De termijn, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag waarop dit besluit werd genomen.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd