Tot wijziging van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges #1821
Gemerged Vlaamse Regering voegde 19 artikels samen in decreet-2014-04-04 · 22 september 2023 Alle checks geslaagd
19 artikels gewijzigd
De instructies van dit stuk toegepast op de wet zoals die gold op 24 nov 2023. De officiële tekst blijft het document van het Parlement.
Art. 2. In artikel 2 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, het laatst gewijzigd bij het decreet van 17 maart 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 8° wordt vervangen door wat volgt:
“8° beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen:
a) een analoge zending: een aangetekend schrijven of een afgifte tegen ontvangstbewijs;
b) een digitale zending: een zending via het digitale platform, vermeld in punt 11°;
c) elke andere betekeningswijze die de Vlaamse Regering bepaalt, waarvan de datum van de kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;”;
2° er wordt een punt 11° toegevoegd, dat luidt als volgt:
“11° digitale platform: het platform dat door de dienst van de Bestuursrechtscolleges ter beschikking wordt gesteld met het oog op de digitale procesvoering voor de Vlaamse bestuursrechtscolleges;”;
3° er wordt een punt 12° toegevoegd, dat luidt als volgt:
“12° algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming);”;
4° er wordt een punt 13° toegevoegd, dat luidt als volgt:
“13° videoconferentie: een systeem van rechtstreekse, wederkerige en gelijktijdige uitwisseling van beeld en geluid dat een of meerdere geografisch van elkaar verwijderde personen of groepen van personen toelaat om visueel, auditief en verbaal met elkaar te communiceren.”.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | De functie van beheerder, hoofd van het coördinatiebureau, hoofdgriffier, griffier, griffiemedewerker, coördinatiejurist en referendaris wordt opgenomen door personeelsleden van de dienst van de Bestuursrechtscolleges. | ||
| 1 | De functies die de eerste voorzitter met toepassing van artikel 9, tweede lid, bepaalt, worden opgenomen door personeelsleden van de dienst van de Bestuursrechtscolleges. | ||
| 2 | Deze personeelsleden kunnen hun functie bij de dienst van de Bestuursrechtscolleges niet cumuleren met een andere functie bij de diensten van de Vlaamse overheid. | 2 | Deze personeelsleden kunnen hun functie bij de dienst van de Bestuursrechtscolleges niet cumuleren met een andere functie bij de diensten van de Vlaamse overheid. |
| 3 | De personeelsleden oefenen hun ambt onafhankelijk en onpartijdig uit. Zij mogen geen nadeel ondervinden van de uitoefening van hun taken. | 3 | De personeelsleden oefenen hun ambt onafhankelijk en onpartijdig uit. Zij mogen geen nadeel ondervinden van de uitoefening van hun taken. |
| 1 | De hoofdgriffier, het hoofd van het coördinatiebureau en de beheerder zetelen met raadgevende stem in de algemene vergadering, wat hun respectieve bevoegdheden betreft. | 1 | De algemene vergadering bepaalt welke personeelsleden van de dienst van de Bestuursrechtscolleges met raadgevende stem in de algemene vergadering zetelen. |
| 2 | De algemene vergadering beslist onder meer over de volgende aangelegenheden: | 2 | De algemene vergadering beslist onder meer over de volgende aangelegenheden: |
| 3 | 1° de aanstelling van de eerste voorzitter; | 3 | 1° de aanstelling van de eerste voorzitter; |
| 1 | De eerste voorzitter is belast met de algemene en dagelijkse leiding van de Vlaamse bestuursrechtscolleges. | 1 | De eerste voorzitter is belast met de algemene en dagelijkse leiding van de Vlaamse bestuursrechtscolleges. |
| 2 | De eerste voorzitter is tevens hoofd van de dienst van de Bestuursrechtscolleges. | ||
| 2 | De eerste voorzitter is tevens hoofd van de dienst van de Bestuursrechtscolleges. De eerste voorzitter stelt de organisatiestructuur van de dienst van de Bestuursrechtscolleges vast en bepaalt de functies die binnen de dienst van de Bestuursrechtscolleges worden opgenomen. | ||
| 3 | De eerste voorzitter kan bevoegdheden inzake het dagelijks beheer delegeren aan de beheerder. | 3 | De eerste voorzitter kan bevoegdheden inzake het dagelijks beheer delegeren aan personeelsleden van de dienst van de Bestuursrechtscolleges. |
| 4 | Het dagelijks beheer omvat het technisch en financieel beheer, het beheer van de infrastructuur, de communicatie en het personeelsmanagement van de bestuursrechters en van de personeelsleden van de dienst van de Bestuursrechtscolleges. | 4 | Het dagelijks beheer omvat het technisch en financieel beheer, het beheer van de infrastructuur, de communicatie en het personeelsmanagement van de bestuursrechters en van de personeelsleden van de dienst van de Bestuursrechtscolleges. |
| 5 | De eerste voorzitter is belast met het opmaken van een beleidsplan voor de Vlaamse bestuursrechtscolleges. | 5 | De eerste voorzitter is belast met het opmaken van een beleidsplan voor de Vlaamse bestuursrechtscolleges. |
| 6 | De kamervoorzitter bewaakt de eenheid van rechtspraak of rechtsvorming in zijn kamer. | 6 | De kamervoorzitter bewaakt de eenheid van rechtspraak of rechtsvorming in zijn kamer. |
| 7 | De eerste voorzitter kan aanvullende kamers samenstellen. Hij kan daarbij afwijken van de regels die zijn vastgesteld in het huishoudelijk reglement. | 7 | De eerste voorzitter kan aanvullende kamers samenstellen. Hij kan daarbij afwijken van de regels die zijn vastgesteld in het huishoudelijk reglement. |
| 8 | De Vlaamse Regering bepaalt de ambtskledij die de leden van de bestuursrechtscolleges en van de griffie bij het uitoefenen van hun ambt en op openbare plechtigheden dragen. | ||
| 8 | In afwijking van het derde lid stelt de eerste voorzitter alle kamers van het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), samen uit één kamervoorzitter en twee bijzitters. | 9 | In afwijking van het derde lid stelt de eerste voorzitter alle kamers van het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), samen uit één kamervoorzitter en twee bijzitters. |
| 9 | In afwijking van het vierde lid kan de eerste voorzitter de kamervoorzitters van het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), niet aanwijzen onder de bijzitters. | 10 | In afwijking van het vierde lid kan de eerste voorzitter de kamervoorzitters van het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), niet aanwijzen onder de bijzitters. |
| 1 | §1. Een bestuursrechter van een Vlaams bestuursrechtscollege die weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat als vermeld in artikel 828 en 830 van het Gerechtelijk Wetboek onthoudt zich van de zaak en laat zich vervangen. | ||
| 1 | De partijen kunnen bestuursrechters die zich over het beroep of bezwaar moeten uitspreken schriftelijk en op gemotiveerde wijze wraken voor de aanvang van de zitting, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan. | 2 | §2. De partijen kunnen bestuursrechters die zich over het beroep of bezwaar moeten uitspreken en tegen wie een reden tot wraking bestaat, schriftelijk en op gemotiveerde wijze wraken tot de zaak in beraad genomen wordt, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan. |
| 2 | De redenen, vermeld in artikel 828 en 830 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn de redenen tot wraking, vermeld in het eerste lid. | 3 | De redenen, vermeld in artikel 828 en 830 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn redenen tot wraking als vermeld in het eerste lid. |
| 3 | De eerste voorzitter of, als die wordt gewraakt, de oudste kamervoorzitter doet zo spoedig mogelijk uitspraak over het verzoek tot wraking. Als het verzoek wordt ingewilligd, wordt de gewraakte bestuursrechter vervangen. | ||
| 4 | De bestuursrechter die weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, onthoudt zich van de zaak en laat zich vervangen. | ||
| 4 | §3. Het besluit van de gewraakte bestuursrechter om niet in te gaan op het ingestelde wrakingsverzoek, wordt vastgesteld in een beschikking die de beweegredenen voor de afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk weergeeft. | ||
| 5 | De griffier betekent de beschikking, vermeld in het eerste lid, samen met het wrakingsverzoek aan de partijen. De partijen kunnen hierover een nota indienen binnen een vervaltermijn van vijf dagen, die ingaat op de dag na de betekening van de voormelde beschikking. | ||
| 6 | Als de partij die het wrakingsverzoek heeft ingesteld, geen nota als vermeld in het tweede lid indient binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, wordt zij geacht te berusten in de afwijzing ervan. | ||
| 7 | Als de partij die het wrakingsverzoek heeft ingesteld, volhardt in haar wrakingsverzoek, worden de partijen uitgenodigd om te verschijnen op een zitting waarop het wrakingsverzoek wordt behandeld door de voorzitter van het Vlaams bestuursrechtscollege of, als die wordt gewraakt, door de oudste kamervoorzitter van het bestuursrechtscollege. Nadat de partijen zijn gehoord, wordt zonder verwijl bij tussenarrest uitspraak gedaan over het wrakingsverzoek. | ||
| 8 | §4. Bij inwilliging van een wrakingsverzoek wordt de gewraakte bestuursrechter vervangen. | ||
| 5 | Naast de redenen, vermeld in het tweede lid, gelden voor het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), de volgende bijkomende redenen tot wraking: | 9 | §5. Naast de redenen, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, gelden voor het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), de volgende bijkomende redenen tot wraking: |
| 6 | 1° de redenen, vermeld in artikel 829, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek; | 10 | 1° de redenen, vermeld in artikel 829, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek; |
| 7 | 2° de hoedanigheid van lid van een rechtspersoon als vermeld in artikel 24, §4, van de Grondwet, verantwoordelijk voor de universiteit of de hogeschool waaraan de kwestieuze beslissing werd genomen, of van een personeelslid van die universiteit of hogeschool; | 11 | 2° het lidmaatschap van een rechtspersoon als vermeld in artikel 24, §4, van de Grondwet, die verantwoordelijk is voor de universiteit of de hogeschool waaraan de kwestieuze beslissing is genomen, of van een personeelslid van die universiteit of hogeschool; |
| 8 | 3° de hoedanigheid, vermeld in punt 2°, hebben gehad in een periode van drie jaar die aan het ingestelde beroep voorafgaat. | 12 | 3° een lid als vermeld in punt 2° zijn geweest in een periode van drie jaar die aan het ingestelde beroep voorafgaat. |
Art. 8. In artikel 16 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° er wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
“Onverminderd de zittingen die plaatsvinden met toepassing van artikel 13, artikel 39, §3, artikel 40 en 41, wordt een beroep alleen op een zitting behandeld als de kamervoorzitter hiertoe beslist of als een van de partijen hierom verzoekt.”;
2° het bestaande zesde lid, dat het zevende lid wordt, wordt opgegeven.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (wijziging niet herkend). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | §1. De kamervoorzitter kan in uitzonderlijke gevallen het deelnemen aan of het volgen van de zitting per videoconferentie toestaan. | ||
| 2 | In geval van noodtoestand kan de kamervoorzitter beslissen dat de zitting per videoconferentie plaatsvindt. | ||
| 3 | §2. Het gebruik van een videoconferentie vereist minstens dat: | ||
| 4 | 1° daadwerkelijk kan worden deelgenomen aan de zitting en het verloop ervan volledig kan worden gevolgd; | ||
| 5 | 2° de deelnemers zich kunnen uitdrukken en elkaar kunnen zien en horen zonder technische belemmeringen; | ||
| 6 | 3° een partij tijdens de videoconferentie daadwerkelijk en vertrouwelijk kan communiceren met zijn raadsman; | ||
| 7 | 4° documenten voorafgaandelijk en tijdens de videoconferentie kunnen worden uitgewisseld; | ||
| 8 | 5° de identiteit van de deelnemers voorafgaand aan de zitting kan worden gecontroleerd; | ||
| 9 | 6° deelnemers beschikken over een hoge beeld- en geluidskwaliteit en een stabiele verbinding. | ||
| 10 | §3. De dienst van de Bestuursrechtscolleges stelt een handleiding ter beschikking op haar website met daarin de praktische regelingen in verband met het gebruik van de videoconferentie. | ||
| 11 | §4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels over het gebruik van de videoconferentie tijdens een zitting. |
| 7 | 6° het beroep op getuigen, deskundigen en tolken, met inbegrip van de regeling voor het getuigengeld, de kosten en erelonen van de deskundigen en de kosten van de tolken; | 7 | 6° het beroep op getuigen, deskundigen en tolken, met inbegrip van de regeling voor het getuigengeld, de kosten en erelonen van de deskundigen en de kosten van de tolken; |
| 8 | 7° de wijze van de berekening van de termijnen, vermeld in dit hoofdstuk; | 8 | 7° de wijze van de berekening van de termijnen, vermeld in dit hoofdstuk; |
| 9 | 8° de voorwaarden waaronder een vergoeding kan worden gevraagd voor afschriften of uittreksels. | 9 | 8° de voorwaarden waaronder een vergoeding kan worden gevraagd voor afschriften of uittreksels; |
| 10 | 9° de toegang, het gebruik en de werking van het digitale platform evenals de wijze waarop de procesvoering bij de Vlaamse bestuursrechtscolleges kan verlopen via het digitale platform. | ||
| 11 | In geval van een langdurige en volledige onbeschikbaarheid van het digitale platform kan de Vlaamse Regering in voorkomend geval de tijdelijke vereisten voor de rechtmatige indiening van processtukken uitwerken en daarbij de termijnen, vermeld in dit decreet, of de beroepstermijnen die opgenomen zijn in de decreten, vermeld in artikel 2, 1°, opschorten of verlengen tot de voormelde onbeschikbaarheid van het digitale platform is opgelost. | ||
| 1 | Op straffe van onontvankelijkheid maken de volgende partijen of raadsmannen gebruik van het digitale platform: | ||
| 2 | 1° de Vlaamse overheid, de Vlaamse administratie, de Vlaamse adviesorganen, de Vlaamse openbare instellingen die niet behoren tot de Vlaamse administratie, de lokale overheden en de externe overheden, vermeld in artikel I.3, 1° tot en met 5° en 8°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, inclusief al hun vertegenwoordigers; | ||
| 3 | 2° een advocaat in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van een partij; | ||
| 4 | 3° een partij of raadsman die geen advocaat is, en die een beroep doet op het digitale platform om een verzoekschrift of het eerste processtuk neer te leggen. | ||
| 5 | Op straffe van onontvankelijkheid geldt de gemaakte keuze van een partij of raadsman als vermeld in het eerste lid, 3°, om al dan niet gebruik te maken van het digitale platform voor alle vorderingen in dezelfde zaak. |
Art. 12. In artikel 21 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 mei 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 5 wordt het eerste lid opgeheven;
2° in de bestaande paragraaf 5, tweede lid, die pararaaf 5, eerste lid, wordt, wordt de zinsnede “, vermeld in het eerste lid, niet op tijd is gestort” vervangen door de woorden “niet is gestort bij de indiening van het verzoekschrift of bij de tussenkomst”;
3° in de bestaande paragraaf 5, tweede lid, die paragraaf 5, eerste lid, wordt, wordt het woord “derde” vervangen door het woord “tweede”;
4° aan de bestaande paragraaf 5, tweede lid, die paragraaf 5, eerste lid, wordt, wordt de volgende zin toegevoegd:
“In geval van een vordering tot schorsing die is ingesteld conform artikel 40,
§2, wordt het rolrecht gestort binnen drie dagen na de dag van de betekening van de voormelde beveiligde zending.”;
5° aan de bestaande paragraaf 5, derde lid, die paragraaf 5, tweede lid, wordt, worden de volgende zinnen toegevoegd:
“Als de verzoekende partij in een vordering tot schorsing die ingesteld is conform artikel 40, §2, het rolrecht niet tijdig heeft gestort, worden de schorsing en de voorlopige maatregelen die zouden zijn bevolen, conform artikel 40, §2, en artikel 41 opgeheven conform de procedure, vermeld in artikel 40, §13. Als de tussenkomende partij in een vordering tot schorsing die is ingesteld conform artikel 40, §2, het rolrecht niet tijdig heeft gestort, kan ze geen voortzetting van de rechtspleging vragen.”;
6° paragraaf 6 wordt opgeheven.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (tekst niet eenduidig gevonden). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 3 | 2° van de beslissing waarbij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, al dan niet uitspraak doende op een bezwaar, de zetelverdeling tussen de lijsten, de rangorde van de gekozen raadsleden of die van de opvolgers wijzigt, op dezelfde wijze kennis gegeven aan de gekozen raadsleden, die hun hoedanigheid van gekozene verliezen, en aan de gekozen opvolgers, die hun rang van eerste of tweede opvolger verliezen. | 3 | 2° van de beslissing waarbij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, al dan niet uitspraak doende op een bezwaar, de zetelverdeling tussen de lijsten, de rangorde van de gekozen raadsleden of die van de opvolgers wijzigt, op dezelfde wijze kennis gegeven aan de gekozen raadsleden, die hun hoedanigheid van gekozene verliezen, en aan de gekozen opvolgers, die hun rang van eerste of tweede opvolger verliezen. |
| 4 | Van de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen waarbij de verkiezingen geheel of gedeeltelijk ongeldig worden verklaard of de zetelverdeling wordt gewijzigd, wordt tegelijkertijd naar de eerste voorzitter van de Raad van State een eensluidend verklaard afschrift van de uitspraak, van het administratief dossier en van de procedurestukken gestuurd. | 4 | Van de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen waarbij de verkiezingen geheel of gedeeltelijk ongeldig worden verklaard of de zetelverdeling wordt gewijzigd, wordt tegelijkertijd naar de eerste voorzitter van de Raad van State een eensluidend verklaard afschrift van de uitspraak, van het administratief dossier en van de procedurestukken gestuurd. |
| 5 | Met toepassing van artikel 23, lid 1, i), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kunnen de betrokkenen binnen acht dagen nadat is kennisgegeven van de beslissingen van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, op de griffie inzage nemen in het dossier. | 5 | Met toepassing van artikel 23, lid 1, i), van de algemene verordening gegevensbescherming kunnen de betrokkenen binnen acht dagen nadat is kennisgegeven van de beslissingen van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, op de griffie inzage nemen in het dossier. |