§ flandrepo

Decreet over het onderwijs XXXVI

Vlaamse Regering #844 Staatsblad 26 augustus 2026 NUMAC 2026005886
57 artikels gewijzigd
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. I.3
2828c) het niveau van master;
2929d) een welomschreven opleiding, opleidingsonderdeel of cluster van opleidingsonderdelen;
30−16° bijna-beursstudent: een student die onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische ruimte of voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 9 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap en die geen studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap ontvangt, maar waarvan het referentie-inkomen ten hoogste 3000 euro ligt boven de financiële maximumgrens, bepaald in de regelgeving betreffende de studietoelagen. Het bedrag van 3000 euro wordt geïndexeerd overeenkomstig artikel II.218;
30+16° bijna-beursstudent: een student die onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische ruimte of voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 9 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, die geen studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap ontvangt, maar van wie het referentie-inkomen ten hoogste 3900 euro boven de financiële maximumgrens ligt die is bepaald in de regelgeving over de studietoelagen. Het basisbedrag van 3900 euro is het bedrag voor het academiejaar 2024-2025 en wordt geïndexeerd overeenkomstig artikel II.218, §1, tweede lid;;
313117° creditbewijs : de erkenning van het feit dat een student blijkens een examen de competenties, verbonden aan een opleidingsonderdeel, heeft verworven. Deze erkenning wordt vastgelegd in een document of een registratie. De verworven studiepunten, verbonden aan het betrokken opleidingsonderdeel, worden aangeduid als “credits”;
323218° creditcontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van (een) creditbewij(s)(zen) voor 1 of meer opleidingsonderdelen;
+4 −1 codex-hoger-onderwijs/art. I.3
929250°/1 pesterijen: een onrechtmatig geheel van meerdere, gelijkaardige of uiteenlopende gedragingen buiten of binnen de hogeronderwijsinstelling, die plaatshebben gedurende een bepaalde tijd, die tot doel of gevolg hebben dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een student of een personeelslid wordt aangetast of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd;
939351° postinitieel onderwijs : de opleidingen die leiden tot een graad van master en waarvoor de inschrijving primair openstaat voor personen die reeds in het bezit zijn van een graad van master. Personen die niet in het bezit zijn van een graad van master kunnen toegelaten worden na een intakegesprek waarin de instelling peilt naar de motivatie en de wetenschappelijke affiniteit van de student en naar de aard van de beroepservaring;
94+51°/1 preventieadviseur psychosociale aspecten: de preventieadviseur psychosociale aspecten, vermeld in artikel 32sexies, §1, van de wet van 4 augustus 1996
949552° publiekrechtelijke hogeschool: een hogeschool met een publiekrechtelijk karakter die vanaf 1 oktober 2013 omgevormd of opgericht is bij of krachtens het bijzonder decreet van 13 juli 2012 houdende regeling van de bestuurlijke organisatie en werking van sommige publiekrechtelijke hogescholen en het bijzonder decreet van 13 juli 2012 houdende regeling van de bestuurlijke organisatie en werking van twee fusiehogescholen;
959653° raadsman : een advocaat of deskundige;
12412570° toetredingsovereenkomst : de overeenkomst tussen instellingsbestuur en student bedoeld in artikel II.273;
12512670°/1: tolerantie: regeling in examenreglement van een instelling hoger onderwijs waarbij de student geen credits verwerft maar voor een beperkt aantal studiepunten toch het vak niet moet hernemen en waarbij de student zelf of de instelling hoger onderwijs beslist voor welke vakken hij dit inzet;
127+70°/2 vertrouwenspersoon personeel: de vertrouwenspersoon, vermeld in artikel 32sexies, §2 en §2/2, van de wet van 4 augustus 1996;
12612871° verworven studiepunten : studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student een creditbewijs heeft ontvangen;
12712972° vestiging van een hogeronderwijsinstelling: het administratief arrondissement, het gerechtelijk arrondissement of de gemeente of een geheel van aan elkaar grenzende gemeenten waar de hogeronderwijsinstelling onderwijsbevoegdheid heeft. Voor de hogescholen die gevestigd zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en die wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd als uitsluitend behorend tot de Vlaamse Gemeenschap, geldt het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad als 1 vestiging;
137139a) hij is in het bezit van een bewijs van tewerkstelling in een dienstverband met een omvang van ten minste 80 uren per maand, of hij is in het bezit van een bewijs van uitkeringsgerechtigde werkzoekende en de opleiding kadert binnen het door een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling voorgestelde traject naar werk;
138140b) hij is nog niet in het bezit van een tweede cyclusdiploma of masterdiploma;
139−c) hij is ingeschreven in een studietraject met specifieke onderwijs- en leervormen en met specifieke modaliteiten van begeleiding en aanbod, dat als zodanig geregistreerd is in het Hogeronderwijsregister. De afzonderlijke registratie in het Hogeronderwijsregister impliceert niet dat het hier een nieuwe opleiding betreft, zoals bepaald in artikel II.150.
141+c) hij is ingeschreven in een studietraject met specifieke onderwijs- en leervormen en met specifieke modaliteiten van begeleiding en aanbod, dat als zodanig geregistreerd is in het Hogeronderwijsregister. De afzonderlijke registratie in het Hogeronderwijsregister impliceert niet dat het hier een nieuwe opleiding betreft, zoals bepaald in artikel II.150;
142+79° wet van 4 augustus 1996: de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.2
775° de "Vrije Universiteit Brussel".
88Onverminderd de bepalingen die van toepassing zijn op de instellingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, worden de Vlerick Business School, de Antwerp Management School en het Instituut voor Tropische Geneeskunde beschouwd als universiteit voor de opdrachten, vermeld in artikel II.19, II.20 en II 21.
9+Onverminderd de bepalingen die van toepassing zijn op de Hogere Instituten voor Schone Kunsten, wordt het Orpheus Instituut beschouwd als universiteit voor zijn opdracht tot het verstrekken van postinitieel onderwijs, het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en het verstrekken van wetenschappelijke dienstverlening op het gebied van de kunsten en artistiek onderzoek.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.4
11Alleen de instellingen vernoemd in artikel II.2, eerste lid kunnen als universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap aanspraak maken op de benaming universiteit en zich als dusdanig doen kennen.
2−Alleen de instellingen vernoemd in artikel II.3 kunnen als hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap aanspraak maken op de benaming hogeschool en zich als dusdanig doen kennen. De benaming hogeschool wordt vertaald als University College.
2+Alleen de instellingen vernoemd in artikel II.3 kunnen als hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap aanspraak maken op de benaming hogeschool en zich als dusdanig doen kennen. De benaming hogeschool wordt vertaald als “University of Applied Sciences”. Voor de hogescholen die een School of Arts hebben opgericht of als geheel beschouwd worden als een School of Arts als vermeld in artikel II.7, is de vertaling “University of Applied Sciences and Arts”.
33De Vlaamse Regering past de lijst van de universiteiten en hogescholen aan in geval van fusie, opslorping, opheffing of officiële naamswijziging.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.29/2
11De Vlaamse Regering financiert, binnen de perken van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 3 september 2003 en van de Vlaamse begroting, de werking van de accreditatieorganisatie.
22De accreditatieorganisatie kan het gedeelte van de toegekende financiële ondersteuning dat de aanvaarde kosten overschrijdt, aanwenden voor de aanleg van reserves van maximaal 20% van het maximale jaarlijkse subsidiebedrag. De totale gecumuleerde reserves mogen maximaal 50% van het maximale jaarlijkse subsidiebedrag bedragen. De accreditatieorganisatie rapporteert jaarlijks over de reservevorming.
3+In het begrotingsjaar 2026 wordt 500.000 euro toegevoegd aan de financiële onder-steuning om de werkingskosten voor het werkingsjaar 2026 te bekostigen.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.29/3 nieuw
1+Ter uitvoering van artikel 15, derde lid, van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 3 september 2003, financiert de Vlaamse Regering, binnen de perken van de Vlaamse begroting, de ondersteunende of de aanvullende opdrachten, vermeld in artikel 1, tweede lid, van het voormelde verdrag, die de Vlaamse Regering als enige Verdragsluitende Partij aan de accreditatieorganisatie opdraagt.
2+De accreditatieorganisatie rapporteert, inhoudelijk en financieel, over elke aanvullende opdracht die de Vlaamse Regering heeft opgedragen. De accreditatieorganisatie kan het gedeelte van de toegekende financiering voor een aanvullende opdracht dat de aanvaarde kosten overschrijdt, niet aanwenden voor de aanleg van reserves.
+2 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.37
22§2. De VLUHR is bevoegd voor de externe kwaliteitsbeoordelingen in de instellingen zoals bepaald in artikel II.122. De VLUHR kan daartoe een verzelfstandigd orgaan oprichten.
33De leden van het verzelfstandigd orgaan, vermeld in het eerste lid, moeten expertise hebben met betrekking tot kwaliteitszorg van opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, het hoger professioneel onderwijs en het academisch onderwijs.
4+§2/1. De VLUHR richt een expertisecentrum voor inclusief onderwijs met een focus op hoger onderwijs op. Het expertisecentrum heeft als opdracht de instellingen te begeleiden en te ondersteunen bij de ondersteuning van studenten met een inclusienood, met bijzondere aandacht voor de inclusie van studenten met een functiebeperking ter implementatie van de VN-conventie van 13 december 2006 over de rechten van personen met een handicap.
45§3. Op vraag van de Vlaamse Regering en de Commissie Hoger Onderwijs verstrekt de VLUHR adviezen in diverse materies.
5−§4. De VLUHR moet ook aspecten zoals internationalisering, ontwikkelingssamenwerking en wetenschap en innovatie op volwaardige manier aan bod laten komen binnen zijn werking.
6+§4. De VLUHR moet ook aspecten zoals internationalisering, ontwikkelingssamenwerking, wetenschap, innovatie en de ondersteuning van studenten met een inclusienood op volwaardige manier aan bod laten komen binnen zijn werking.
67§5. De VLUHR fungeert als forum voor interassociatieoverleg.
+7 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.38/1 nieuw
1+De Vlaamse Regering en de VLUHR sluiten ten aanzien van de organisatie van het expertisecentrum voor inclusief onderwijs vijfjaarlijks een convenant waarin al de volgende elementen zijn opgenomen:
2+1° de aansturingsmogelijkheden van de Vlaamse Regering en de wijze waarop relevante actoren uit het inclusieveld worden betrokken;
3+2° de minimale resultaatsverbintenissen van het expertisecentrum voor inclusief onderwijs, met de focus op hoger onderwijs;
4+3° de minimale behoorlijkheidsvereisten op het vlak van het financieel management, en ook de mogelijkheden om een bepaalde financiële reserve aan te leggen van maximaal 20%per jaar van de werkingsenveloppe die in een bepaald jaar is toegekend. De totale gecumuleerde reserve op basis van de werkingsenveloppe bedraagt maximaal 50% van de jaarlijkse werkingsenveloppe;
5+4° de rapporterings- en controlemechanismen, in het bijzonder de wijze waarop het expertisecentrum voor inclusief onderwijs wordt geëvalueerd. Deze evaluatie wordt steeds afgerond in de eerste helft van het vijfde kalenderjaar van het lopende convenant;
6+5° de remediërende en sanctionerende maatregelen in geval van niet-naleving van het convenant;
7+6° de gevallen waarin en de wijze waarop het convenant tijdens de looptijd ervan kan worden gewijzigd.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.38/2 nieuw
1+Als de VLUHR een overeenkomst sluit met de Vlaamse Regering, krijgt ze jaarlijks recht op een werkingsenveloppe voor het expertisecentrum voor inclusief onderwijs.
2+De Vlaamse Regering bepaalt, rekening houdend met de beschikbare begrotingskredieten, de grootte van de jaarlijkse werkingsenveloppe van het expertisecentrum, vermeld in artikel II.37, §2/1, en ook de wijze van vereffening ervan. De werkingsenveloppe wordt geïndexeerd volgens de formule vastgesteld om de werkingsuitkering van de universiteiten en hogescholen te indexeren, vermeld in artikel III.5, §9.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.38/3 nieuw
1+De hogescholen en de universiteiten kunnen in het kader van de opdracht van de VLUHR, vermeld in artikel II.37, §2/1, personeelsleden met hun instemming belasten met een opdracht bij de VLUHR. De betrokken personeelsleden blijven gedurende de uitoefening van de opdracht bij de VLUHR juridisch en administratief behoren tot de universiteit of hogeschool die hen ter beschikking stelt.
+4 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.65/1 nieuw
1+Getuigschriften van micro-credentials kunnen door de hogescholen en universiteiten uitgereikt worden. De micro-credentials zijn het bewijs van de leerresultaten die een lerende heeft behaald na een klein leervolume, met een omvang tussen 0,5 en 59 studiepunten.
2+Leerervaringen die leiden tot micro-credentials zijn bedoeld om de lerende te voorzien van specifieke kennis, vaardigheden en competenties die beantwoorden aan maatschappelijke, persoonlijke, culturele of arbeidsmarktbehoeften. De leerresultaten zijn beoordeeld aan de hand van transparante en duidelijk omschreven criteria.
3+Micro-credentials zijn eigendom van de lerende, kunnen worden gedeeld en zijn meeneembaar. Zij kunnen op zichzelf staan of tot bredere credentials worden gecombineerd. Zij worden ondersteund door kwaliteitsborging volgens overeengekomen normen in de betrokken sector of het betrokken activiteitengebied.
4+Het instellingsbestuur verleent een getuigschrift van een micro-credential aan de student die het opleidingstraject met succes heeft afgerond. De Vlaamse Regering bepaalt de vorm van dat getuigschrift en de inhoud van het bijbehorende supplement. Het getuigschrift vermeldt de naam en de studieomvang van de micro-credential. Het supplement geeft een aanduiding van de leerresultaten van de micro-credential, het niveau van de leerervaring die leidt tot de micro-credential, het soort beoordeling, de vorm van deelname aan de leeractiviteit en de gehanteerde kwaliteitsborging.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.98
2525a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;
2626b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.
27+§3. Thomas More Mechelen-Antwerpen kan in de vestiging Mechelen opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in het studiegebied Sociaal-agogisch werk, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.
+0 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.124/2 opgeheven
1−§ 1. De accreditatieorganisatie voert systeembrede analyses uit in het hoger onderwijs. Deze analyses brengen goede praktijken inzake onderwijsbeleid en onderwijskwaliteit in beeld en bieden de mogelijkheid om van elkaar te leren.
2−§ 2. ...
+3 −3 codex-hoger-onderwijs/art. II.151
1−De bacheloren masteropleidingen die worden geselecteerd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi- of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, worden niet beschouwd als nieuwe opleidingen zoals bedoeld in artikel II.150. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. Die opleidingen worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang die voor de opleiding in kwestie is bepaald, voor de eerste keer volledig is doorlopen sinds de deelname van de Vlaamse instelling aan die opleiding.
1+De graduaats-, bachelor- en masteropleidingen die worden geselecteerd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi- of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, worden niet beschouwd als nieuwe opleidingen zoals bedoeld in artikel II.150. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. Die opleidingen worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang die voor de opleiding in kwestie is bepaald, voor de eerste keer volledig is doorlopen sinds de deelname van de Vlaamse instelling aan die opleiding.
2−Het instellingsbestuur kan de inschrijving voor een bacheloren masteropleiding die geselecteerd werd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multiof gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid van de student om deze opleiding te volgen.
2+Het instellingsbestuur kan de inschrijving voor een graduaats-, bachelor- en masteropleiding die geselecteerd werd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multiof gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid van de student om deze opleiding te volgen.
3−Een bachelor­ of masteropleiding die kadert binnen een ‘European Universities Initiative’ dat als pilootproject in 2019 of 2020 is goedgekeurd, of de verlengingen daarvan, wordt geacht een opleiding te zijn die is geselecteerd conform de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi­ of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld als vermeld in het eerste lid. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. De voormelde opleidingen starten uiterlijk in het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin het pilootproject afloopt of waarin de verlengingen van het pilootproject aflopen. Die opleidingen worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang die voor de opleiding in kwestie is bepaald, voor de eerste keer volledig is doorlopen.
3+Een graduaats-, bachelor­ of masteropleiding die kadert binnen een ‘European Universities Initiative’ wordt geacht een opleiding te zijn die is geselecteerd conform de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi­ of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld als vermeld in het eerste lid. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. De voormelde opleidingen starten uiterlijk in het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin het project afloopt of waarin de verlengingen van het project aflopen. Die opleidingen worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang die voor de opleiding in kwestie is bepaald, voor de eerste keer volledig is doorlopen.
+7 −4 codex-hoger-onderwijs/art. II.176
22Daarenboven moet de student beschikken over 1 van de volgende studiebewijzen:
331° een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, dat minstens 3 jaar behaald is;
4+1°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, uitgereikt door een school voor secundair onderwijs of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het schooljaar 2024-2025;
4−1°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;
5+1°/2 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs vanaf het schooljaar 2027-2028;
5−2° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 2024-2025;
6+2° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt door een school voor secundair onderwijs of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap tot en met het schooljaar 2024-2025;
6−2°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;
7+2°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt door een school voor secundair onderwijs of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het schooljaar 2024-2025;
7−2°/2 een diploma van secundair onderwijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs tot en met het schooljaar 2025-2026;
8+2°/2 een diploma van secundair onderwijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs tot en met het schooljaar 2026-2027;
9+2°/3 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs vanaf het schooljaar 2027-2028;
8103° een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie van minimaal 900 lestijden;
9114° een certificaat van een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs van minimaal 900 lestijden;
14169° een diploma van bachelor of master;
151710° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst wordt erkend als gelijkwaardig met 1 van de diploma’s vermeld in punt 1° tot en met 9°. Bij ontstentenis van een dergelijke erkenning kan het instellingsbestuur personen die in een land buiten de Europese Unie een diploma of een getuigschrift hebben behaald dat toelating geeft tot het hoger onderwijs in dat land, toelaten tot de inschrijving voor een opleiding hoger beroepsonderwijs.
18+De hogescholen treden, op grond van een taak van algemeen belang, op als verwerkingsverantwoordelijke voor het verwerken van de gegevens voor de toetsing van de algemene toelatingsvoorwaarden tot een opleiding van het hoger beroepsonderwijs. De gegevens worden maximaal 10 jaar bewaard.
+5 −3 codex-hoger-onderwijs/art. II.178
11Als algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding gelden:
2−1° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 2024-2025;
2+1° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt door een school voor secundair onderwijs of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap tot en met het schooljaar 2024-2025;
3−1°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;
3+1°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt door een school voor secundair onderwijs of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het schooljaar 2024-2025;
4−1°/2 een diploma van secundair onderwijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs tot en met het schooljaar 2025-2026;
4+1°/2 een diploma van secundair onderwijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs tot en met het schooljaar 2026-2027;
5+1°/3 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs vanaf het schooljaar 2027-2028;
562° een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;
673° een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie, met uitzondering van het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid, of
9105° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig met 1 van de voorgaande diploma’s wordt erkend.
1011Het instellingsbestuur kan personen toelaten die in een land buiten de Europese Unie een diploma of certificaat hebben behaald dat niet als gelijkwaardig is erkend zoals bepaald in punt 5° van lid 1. Dit kan enkel op voorwaarde dat dit document toegang verleent tot een bacheloropleiding in het land waar het is uitgereikt die vergelijkbaar is met een Vlaamse bacheloropleiding én op voorwaarde dat aan de authenticiteitscontrole van de betreffende diploma’s of certificaten is voldaan, voor zover door de Vlaamse overheid maatregelen zijn uitgevaardigd.
12+De universiteiten en hogescholen treden, op grond van een taak van algemeen belang, op als verwerkingsverantwoordelijke voor het verwerken van de gegevens voor de toetsing van de algemene toelatingsvoorwaarden tot een bacheloropleiding. De gegevens worden maximaal 10 jaar bewaard.
+3 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.188/1
1−§ 1. Met behoud van de toepassing van de algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding, vermeld in artikel II.178, wordt de eerste inschrijving voor bepaalde bacheloropleidingen aan de hogescholen of universiteiten afhankelijk gesteld van de verplichte deelname aan een starttoets. Een starttoets is instellingsneutraal, betrouwbaar en valide. Na de afname van de starttoets ontvangen de deelnemers een attest van deelname, dat alleen geldig is voor inschrijving in het lopende academiejaar waarin de test wordt afgenomen of in het academiejaar dat start na de afname van de starttoets.
1+§ 1. Met behoud van de toepassing van de algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding, vermeld in artikel II.178, wordt de eerste inschrijving voor bepaalde bacheloropleidingen aan de hogescholen of universiteiten afhankelijk gesteld van de verplichte deelname aan een starttoets. Een starttoets is instellingsneutraal, betrouwbaar en valide. Na de afname van de starttoets ontvangen de deelnemers een attest van deelname. De geldigheidsduur van het attest van deelname wordt opgenomen in de instellingsoverschrijdende reglementen, vermeld in paragraaf 5.
22Een starttoets test startcompetenties die nodig zijn voor het welslagen in de betrokken opleiding. De deelname aan een starttoets gebeurt onder gecontroleerde omstandigheden. Bij de organisatie van een starttoets wordt voor studenten met functiebeperkingen als vermeld in artikel II.221, § 2, tweede lid, in redelijke aanpassingen voorzien.
33Na de afname van de starttoets ontvangt iedere deelnemer een individueel feedbackrapport. Iedere deelnemer heeft het recht om op basis van dit feedbackrapport een gesprek aan te gaan met een studie- of trajectbegeleider in de instelling waar hij zich wenst in te schrijven.
25254° de vrijstellingen van de verplichte deelname aan een starttoets en de manier waarop de vrijstelling van deelname wordt verleend;
26265° de regels over de beroepsprocedure;
27−6° afspraken rond de toekenning van redelijke aanpassingen bij de deelname aan een starttoets voor studenten met functiebeperkingen als vermeld in artikel II.221, § 2, tweede lid.
27+6° afspraken rond de toekenning van redelijke aanpassingen bij de deelname aan een starttoets voor studenten met functiebeperkingen als vermeld in artikel II.221, § 2, tweede lid;
28+7° de geldigheidsduur van een attest van deelname en eventuele overgangsbepalingen.
2829De instellingsoverschrijdende reglementen worden jaarlijks opgesteld en gevalideerd door respectievelijk de VLHORA en de VLIR volgens hun eigen beslissingsregels. Ze maken deze reglementen over aan de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 15 maart van het jaar waarin de starttoetsen worden afgenomen. De instellingsoverschrijdende reglementen worden door de instellingen openbaar en makkelijk raadpleegbaar gemaakt.
2930§ 6. De deelname aan een starttoets is kosteloos. In voorkomend geval genereert ook de opgelegde verplichte remediëring voor de student geen extra kosten, met uitzondering van verschuldigd studiegeld en kosten voor het gebruikelijke cursusmateriaal.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.208
44§2. Het vast gedeelte is slechts eenmaal per academiejaar verschuldigd.
55Deze bepaling geldt ongeacht het aantal inschrijvingen dat tijdens dat academiejaar aan dezelfde instelling wordt genomen.
6+Als een student is ingeschreven in een gezamenlijk georganiseerde opleiding, geldt de bepaling, vermeld in het eerste lid, ongeacht het aantal inschrijvingen tijdens dat academiejaar aan de hogeronderwijsinstellingen die de gezamenlijke georganiseerde opleiding aanbieden.
67§3. Wanneer een student wordt ingeschreven in een opleiding met het oog op het uitreiken van een diploma in overeenstemming met artikel II.245, §1, eerste lid, of in uitvoering van artikel II.172, §2, gebeurt de registratie zonder heffing van studiegeld, onverminderd de toepassing van artikel II.245, §2.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.218
11§1. De in deze onderafdeling bedoelde bedragen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2015.
2+In afwijking van het eerste lid wordt het basisbedrag, vermeld in artikel I.3, 16°, aangepast overeenkomstig de procentuele stijging van de gezondheidsindex voor de maand december (basis 1996) van het tweede kalenderjaar vóór het jaar waarin het academiejaar in kwestie begint, ten opzichte van de gezondheidsindex voor de maand december (basis 1996) van het derde kalenderjaar vóór het jaar waarin het academiejaar in kwestie begint. De stijging wordt afgerond naar het hogere tiende. Het resultaat van de indexatie van het bedrag, vermeld in artikel I.3, 16°, wordt afgerond op het dichtstbijzijnde geheel getal.
23§2. De bedragen bedoeld in de artikelen II.209 en II.213 worden naar het dichtstbijzijnde decimaal afgerond tot één cijfer na de komma.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.261
663° de anderstalige opleidingsonderdelen die, op initiatief van de student en met instemming van de instelling, worden gevolgd aan een andere instelling voor hoger onderwijs;
774° de opleidingsonderdelen waar uit de expliciet gemotiveerde beslissing de meerwaarde voor de studenten en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding blijkt.
8−5° de opleidingsonderdelen die deel uitmaken van een bachelorof masteropleiding die kadert binnen een `European Universities Initiative' dat als pilootproject werd goedgekeurd in 2019 of 2020, zoals beschreven in artikel II.151.
8+5° de opleidingsonderdelen die deel uitmaken van een bachelor- of masteropleiding die kadert binnen een `European Universities Initiative', zoals beschreven in artikel II.151.
99§3. Een anderstalige initiële bacheloropleiding is een initiële bacheloropleiding waarvan de omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het modeltraject van die opleiding hoger is dan 18,33% van de totale omvang van de in die opleiding aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het modeltraject.
1010Een anderstalige intiële masteropleiding is een initiële masteropleiding waarvan de omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het modeltraject van die opleiding hoger is dan 50% van de totale omvang van de in die opleiding aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het modeltraject.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.262
883° de gezamenlijk georganiseerde equivalente opleidingen die van de Commissie Hoger Onderwijs de toelating hebben gekregen om het volgen van de onderwijsactiviteiten te spreiden over meer dan 1 vestiging. De aanvragen tot afwijking worden door de Commissie Hoger Onderwijs behandeld overeenkomstig de procedure beschreven in artikel II.263;
994° de equivalente opleiding master in de ingenieurswetenschappen : biomedische ingenieurstechnieken, gezamenlijk aangeboden door de Universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel.
10+§3. Als er door een beslissing van een instelling om een Nederlandstalige opleiding stop te zetten in de Vlaamse Gemeenschap geen Nederlandstalige equivalente opleiding meer wordt aangeboden voor een bepaalde anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding, wordt die anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding afgebouwd. Bij de afbouw neemt het instellingsbestuur de nodige maatregelen zodat de ingeschreven studenten hun opleiding kunnen voltooien binnen een redelijke termijn.
11+Als de enige Nederlandstalige equivalente opleiding, vermeld in het eerste lid, door een andere instelling wordt aangeboden dan de instelling die de anderstalige opleiding aanbiedt, dan heeft de instelling die de anderstalige opleiding aanbiedt de mogelijkheid om deze anderstalige opleiding niet af te bouwen maar om voor de Nederlandstalige equivalente opleiding, vermeld in het eerste lid, de erkenning als nieuwe opleiding aan te vragen. Zij dient hiervoor een dossier toets nieuwe opleiding, vermeld in artikel II.153/1, in bij de accreditatieorganisatie. Zij dient deze aanvraag in uiterlijk tijdens het academiejaar dat volgt op de beslissing om de Nederlandstalige equivalente opleiding stop te zetten. Als de accreditatieorganisatie niet tot een positief toetsingsbesluit over deze aanvraag komt, dan bouwt de instelling de anderstalige opleiding af.
+2 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.270
11§1. Elk lid van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel, belast met een onderwijsopdracht, moet de onderwijstaal waarin hij een opleidingsonderdeel doceert op adequate wijze beheersen.
2−Dit betekent dat het personeelslid die taal moet beheersen op het ERK-niveau C1. Dit vereiste beheersingsniveau van de onderwijstaal wordt aangetoond aan de hand van kwalificatiegetuigschriften uitgereikt door officieel erkende instellingen waaruit blijkt dat het personeelslid de onderwijstaal op het vereiste niveau beheerst. Het vereiste beheersingsniveau wordt vermoed aanwezig te zijn als het betrokken personeelslid een diploma secundair onderwijsof een bachelor- of masterdiploma of doctoraat behaald heeft in de onderwijstaal waarin hij doceert, in een instelling waarin die taal de onderwijstaal is.
2+Dit betekent dat het personeelslid die taal moet beheersen op het ERK-niveau C1. Dit vereiste beheersingsniveau van de onderwijstaal wordt aangetoond aan de hand van kwalificatiegetuigschriften uitgereikt door officieel erkende instellingen waaruit blijkt dat het personeelslid de onderwijstaal op het vereiste niveau beheerst. Het vereiste beheersingsniveau wordt vermoed aanwezig te zijn als het betrokken personeelslid een diploma secundair onderwijs, een diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, een diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, een diploma van ge-gradueerde of een bachelor- of masterdiploma of doctoraat behaald heeft in de onderwijstaal waarin hij doceert, in een instelling waarin die taal de onderwijstaal is.
33In afwijking van het tweede lid is voor een personeelslid dat doceert in een opleiding in het studiegebied Muziek en podiumkunsten of Audiovisuele en beeldende kunst de beheersing van het Frans of Engels op ERK-niveau B1 voldoende.
44Aan de voorwaarden vermeld in deze paragraaf moet voldaan zijn vóór 15 februari 2015.
5−§2. Elk lid van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel, belast met een onderwijsopdracht, dat geen opleidingsonderdelen in het Nederlands doceert, moet de Nederlandse taal beheersen op ERK-niveau B2. Het instellingsbestuur voorziet een verplicht integratietraject dat garandeert dat het personeelslid na twee jaar minstens de Nederlandse taal beheerst op ERK-niveau A2, dat wordt afgesloten met het vereiste beheersingsniveau op ERK-niveau B2, en dat door het betrokken personeelslid wordt afgerond binnen de vijf jaar na zijn aanstelling of op het moment van zijn benoeming. Wanneer een personeelslid al langer dan vijf jaar aangesteld is of al benoemd is op het moment dat het belast wordt met een onderwijsopdracht, moet het op dat moment aan het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal voldoen. Een personeelslid dat niet aan de vereisten voor het beheersingsniveau van de Nederlandse taal voldoet, kan geen onderwijsopdracht uitoefenen. Het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal wordt aangetoond aan de hand van kwalificatiegetuigschriften uitgereikt door officieel erkende instellingen waaruit blijkt dat het personeelslid de Nederlandse taal op het vereiste niveau beheerst. Het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal wordt vermoed aanwezig te zijn als het betrokken personeelslid een Nederlandstalig bachelor- of masterdiploma of doctoraat behaald heeft in een niet-anderstalige opleiding.
5+§2. Elk lid van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel, belast met een onderwijsopdracht, dat geen opleidingsonderdelen in het Nederlands doceert, moet de Nederlandse taal beheersen op ERK-niveau B2. Het instellingsbestuur voorziet een verplicht integratietraject dat garandeert dat het personeelslid na twee jaar minstens de Nederlandse taal beheerst op ERK-niveau A2, dat wordt afgesloten met het vereiste beheersingsniveau op ERK-niveau B2, en dat door het betrokken personeelslid wordt afgerond binnen de vijf jaar na zijn aanstelling of op het moment van zijn benoeming. Wanneer een personeelslid al langer dan vijf jaar aangesteld is of al benoemd is op het moment dat het belast wordt met een onderwijsopdracht, moet het op dat moment aan het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal voldoen. Een personeelslid dat niet aan de vereisten voor het beheersingsniveau van de Nederlandse taal voldoet, kan geen onderwijsopdracht uitoefenen. Het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal wordt aangetoond aan de hand van kwalificatiegetuigschriften uitgereikt door officieel erkende instellingen waaruit blijkt dat het personeelslid de Nederlandse taal op het vereiste niveau beheerst. Het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal wordt vermoed aanwezig te zijn als het betrokken personeelslid een Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs, een Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, een Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, een Nederlandstalig diploma van gegradueerde, een Nederlandstalig bachelor- of masterdiploma of doctoraat behaald heeft in een niet-anderstalige opleiding.
66§3. De instellingen voorzien voor de leden van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel in aangepaste voorzieningen, waaronder een toegankelijk en behoeftedekkend aanbod van Nederlandstalige en anderstalige taalcursussen en taalbegeleidingsmaatregelen.
+6 −5 codex-hoger-onderwijs/art. II.355/3
11§1. Het bestuur stelt samen met de vertegenwoordigers van de studenten en het personeel een gedragscode op over grensoverschrijdend gedrag. De voormelde gedragscode wordt opgenomen in het arbeidsreglement en in het onderwijs- en examenreglement van de instelling.
2−Het bestuur werkt samen met de vertegenwoordigers van de studenten en van het personeel een procedure uit voor de meldingen over grensoverschrijdend gedrag en de opvolging ervan binnen de instelling, met inbegrip van de te respecteren termijnen.
2+Het bestuur werkt samen met de vertegenwoordigers van de studenten en van het personeel een procedure uit voor de meldingen door studenten en door personeel over grensoverschrijdend gedrag en de opvolging ervan binnen de instelling, met inbegrip van de te respecteren termijnen. De procedure voor de meldingen door personeel wordt conform de wet van 4 augustus 1996 opgemaakt..
33Studenten die een melding doen, kunnen desgewenst gebruikmaken van de mogelijkheid om hun examen te laten bijwonen door een waarnemer als vermeld in artikel II.222, 3°.
44§2. Het bestuur richt binnen de instelling minstens één intern meldpunt voor meldingen van grensoverschrijdend gedrag door studenten of personeelsleden op. Dit meldpunt bestaat uit de vertrouwenspersoon voor studenten en de vertrouwenspersoon voor personeel. Het bestuur garandeert de onafhankelijke en toegankelijke werking van het interne meldpunt of de interne meldpunten voor meldingen van grensoverschrijdend gedrag.
5−§3. Het bestuur zorgt ervoor dat er per instelling een centraal register bijgehouden wordt waarin alle meldingen van grensoverschrijdend gedrag bij het meldpunt, de vertrouwenspersoon voor studenten en de vertrouwenspersoon personeel zoals bedoeld in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, van de instelling worden geregistreerd. Het doel van dit centrale register bestaat erin om alle meldingen die binnen de instelling worden gedaante verzamelen op één digitale plek. Dit moet de instelling in staat stellen om een beter overzicht te krijgen over meldingen met gemeenschappelijke kenmerken, om deze meldingen beter en accurater op te volgen en om ten aanzien van de betrokken personen sneller en beter gepaste maatregelen uit te werken en te implementeren. Daarnaast stelt het de instellingen in staat om kwaliteitscontrole en opvolging te organiseren rond wat er met de meldingen gebeurt.
5+§3. Het bestuur zorgt ervoor dat er per instelling een centraal register bijgehouden wordt waarin alle meldingen van grensoverschrijdend gedrag bij de vertrouwenspersoon voor studenten en de vertrouwenspersoon personeel worden geregistreerd. De hogeronderwijsinstelling treedt op als verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens die worden opgenomen in het centrale register. Het doel van het centrale register is om alle meldingen die binnen de instelling worden gedaan, te verzamelen op één digitale plek. Het centrale register stelt de instelling in staat om een beter overzicht te krijgen over meldingen met gemeenschappelijke kenmerken, om die meldingen beter en accurater op te volgen en om ten aanzien van de betrokken personen sneller en beter gepaste maatregelen uit te werken en te implementeren. Daarnaast stelt het centrale register de instellingen in staat om kwaliteitscontrole en opvolging te organiseren rond wat er met de meldingen gebeurt.
66In het centrale register worden met inachtneming van de wetgeving op de bescherming van de persoonsgegevens en met het oog op het bereiken van het doel, vermeld in het eerste lid, volgende gegevens opgenomen per registratie:
771° de identificatiegegevens van de melder: naam en voornaam;
882° de identificatiegegevens van iedere persoon die volgens de melder direct of indirect betrokken is bij het grensoverschrijdend gedrag, in welke hoedanigheid dan ook: naam, voornaam, functie en hoedanigheid;
9−3° een beschrijving van de verklaring van de melder inzake grensoverschrijdend gedrag: de aard van het grensoverschrijdend gedrag, tijdstip van het grensoverschrijdend gedrag, een feitelijke weergave van het grensoverschrijdend gedrag.
9+3° een beschrijving van de verklaring van de melder inzake grensoverschrijdend gedrag: de aard van het grensoverschrijdend gedrag, tijdstip van het grensoverschrijdend gedrag, een feitelijke weergave van het grensoverschrijdend gedrag;
10+4° de acties, vermeld in artikel II.355/4, §2, die zijn ondernomen.
10−Het gaat om meldingen over grensoverschrijdend gedrag tussen studenten, verbonden aan de instelling, onderling binnen de onderwijscontext en tussen studenten en personeel, verbonden aan de instelling binnen de onderwijscontext of buiten de onderwijscontext indien er een hiërarchische relatie bestaat tussen de student en het personeelslid. Ook de meldingen in het kader van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, komen in dit register.
11+Het gaat om meldingen over grensoverschrijdend gedrag tussen studenten, verbonden aan de instelling, onderling binnen de onderwijscontext en tussen studenten en personeel, verbonden aan de instelling binnen de onderwijscontext of buiten de onderwijscontext indien er een hiërarchische relatie bestaat tussen de student en het personeelslid.
11−Alleen de preventieadviseur psychosociale aspecten, de vertrouwenspersonen voor personeel zoals bedoeld in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, en de vertrouwenspersoon voor studenten hebben toegang tot het centrale register.
12+Alleen de preventieadviseur psychosociale aspecten, de vertrouwenspersoon personeel en de vertrouwenspersoon voor studenten hebben toegang tot het centrale register. De vertrouwenspersoon personeel en de vertrouwenspersoon voor studenten registreren meldingen over grensoverschrijdend gedrag in het centrale register.
1213Indien een melder wenst dat de naam van de melder niet in het register wordt opgenomen, dan zorgt de vertrouwenspersoon waar mogelijk voor een geanonimiseerde registratie. De vertrouwenspersoon informeert de melder dat dit gevolgen heeft voor de opvolging van het dossier.
1314De instelling bewaart de verklaringen inzake de feiten die in het register zijn opgenomen gedurende vijf jaar indien de betrokkenen allemaal studenten zijn, tien jaar indien een personeelslid betrokken partij is, dertig jaar indien de melding om strafbare feiten gaat, dit steeds te rekenen vanaf de dag dat het personeelslid of de student deze verklaringen heeft laten optekenen. Indien er een nieuwe melding wordt gedaan omtrent een betrokken partij die eerder in het register werd vermeld, dan wordt de bewaartermijn van de oorspronkelijke verklaring in overeenstemming gebracht met de nieuwe bewaartermijn.
+14 −8 codex-hoger-onderwijs/art. II.355/4
774° een gerichte doorverwijzing;
885° het in kaart brengen van andere mogelijke interne en externe acties en het ondersteunen bij die acties die de melder kan ondernemen als de melder de acties, vermeld in punt 1° tot en met 4°, als onvoldoende beschouwt.
9−§3. De vertrouwenspersoon voor studenten of de vertrouwenspersoon voor personeel kan, als er ten aanzien van een bepaalde betrokken persoon meerdere meldingen zijn ontvangen, ambtshalve initiatief nemen om vervolgstappen te nemen. Daarbij houdt de vertrouwenspersoon steeds rekening met de eventuele vraag van een of meerdere melders om anoniem te blijven.
9+§3. De vertrouwenspersoon voor studenten of de vertrouwenspersoon personeel kan, als er ten aanzien van een bepaalde betrokken persoon meerdere meldingen zijn ontvangen, vervolgstappen nemen. Daarbij houdt de vertrouwenspersoon steeds rekening met de eventuele vraag van een of meerdere melders om anoniem te blijven.
10−Als er zich een situatie voordoet die een acuut risico inhoudt voor studenten of personeelsleden, neemt de vertrouwenspersoon voor studenten of de vertrouwenspersoon voor personeel een initiatief met inachtneming van de regels van het beroepsgeheim, vermeld in artikel 458 van het Strafwetboek.
10+Als er zich een situatie voordoet die een acuut risico of een noodtoestand inhoudt voor studenten of personeelsleden, moet de vertrouwenspersoon voor studenten of de vertrouwenspersoon personeel vervolgstappen nemen.
11−Het nemen van initiatief kan bestaan uit de acties opgenomen in paragraaf 2, het op de hoogte brengen van de tuchtoverheid en/of het parket informeren.
11+Vervolgstappen als vermeld in het eerste en tweede lid kunnen bestaan uit:
12+1° de acties, vermeld in paragraaf 2;
13+2° de tuchtoverheid op de hoogte brengen;
14+3° het parket informeren.
12−De vertrouwenspersoon voor studenten of personeel kan de bevoegde tuchtoverheid op de hoogte brengen van een melding over grensoverschrijdend gedrag als er ten aanzien van een bepaalde persoon meerdere meldingen zijn ontvangen. Hierbij worden in een eerste fase enkel die gegevens doorgegeven die de tuchtoverheid toelaten te beslissen of ze al dan niet een tuchtonderzoek wil opstarten.
15+Bij het op de hoogte brengen van de tuchtoverheid, vermeld in het derde lid, 2°, worden in een eerste fase alleen die gegevens uit het centrale register doorgegeven die de tuchtoverheid toelaten te beslissen of ze al dan niet een tuchtonderzoek opstart.
13−Het tuchtreglement legt procedures vast waaronder vastgelegde termijnen voor het geven van een ontvangstbevestiging en de verschillende stappen die de tuchtoverheid kan ondernemen.
16+Het tuchtreglement van de instelling legt procedures vast waaronder termijnen om een ontvangstbevestiging te versturen en de verschillende stappen die de tuchtoverheid kan ondernemen
1417§4. Het bestuur zorgt ervoor dat de vertrouwenspersoon voor studenten beschikt over de nodige tijd en over de vaardigheden en kennis die nodig zijn voor de uitoefening van de opdracht als vertrouwenspersoon voor studenten.
1518Desgevallend zorgt de instelling zo snel mogelijk voor de nodige opleiding en professionalisering. De vertrouwenspersoon voor studenten volgt uiterlijk binnen zes maanden nadat die is aangesteld een basisopleiding van ten minste vijf dagen.
1619De vertrouwenspersoon voor studenten volgt minstens één keer per jaar een intervisie of supervisie voor vertrouwenspersonen voor studenten. Vertrouwenspersonen voor studenten die zonder geldige reden niet jaarlijks een intervisie of supervisie volgen, verliezen het statuut van vertrouwenspersoon voor studenten en kunnen niet meer als vertrouwenspersoon voor studenten functioneren.
17−§5. De vertrouwenspersoon voor studenten werkt binnen de regels van het beroepsgeheim, vermeld in artikel 458 van het Strafwetboek.
20+§5. De vertrouwenspersoon voor studenten werkt binnen de regels van het beroepsgeheim, vermeld in artikel 352 van het nieuwe Strafwetboek.
18−De vertrouwenspersoon voor studenten, de vertrouwenspersoon personeel en de preventieadviseur psychosociale aspecten zoals bedoeld in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, hebben het recht en de plicht om waar nodig contact op te nemen met elkaar zodat het mogelijk wordt om alle meldingen die gedaan worden binnen de instelling op één digitale plek te verzamelen. Zij maken gezamenlijke afspraken over het centraal register en kunnen pertinente informatie uitwisselen met het oog op de uitoefening van hun functie. De verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) wordt hierbij in acht genomen. De persoonsgegevens worden verwerkt op basis van de rechtvaardigheidsgrond in artikel 6.1, c), van de algemene verordening gegevensbescherming.
21+In afwijking van de verplichting, vermeld in het eerste lid, gelden de volgende bepalingen:
22+1° de vertrouwenspersoon voor studenten kan, als er ten aanzien van een bepaalde betrokken persoon meerdere meldingen zijn ontvangen, vervolgstappen nemen;
23+2° de vertrouwenspersoon voor studenten moet vervolgstappen nemen als er zich een situatie voordoet die een acuut risico of een noodtoestand inhoudt voor studenten of personeelsleden;
24+3° de vertrouwenspersoon voor studenten wisselt met de vertrouwenspersoon personeel en de preventie adviseur psychosociale aspecten informatie uit die nodig is voor het vervullen van zijn of haar opdracht.
1925Vertrouwenspersonen voor studenten houden per melding een individueel dossier bij. Het gaat om een weergave van de gebeurtenissen inzake het grensoverschrijdend gedrag zoals beschreven door de melder en identificatiegegevens van alle personen die volgens de melder direct of indirect zijn betrokken bij het grensoverschrijdend gedrag, in welke hoedanigheid dan ook. In het dossier wordt ook opgenomen welke acties uit paragraaf 2 zijn ondernomen.
2026Indien een melder wenst dat de naam van de melder niet in het individueel dossier wordt opgenomen, dan zorgt de vertrouwenspersoon waar mogelijk voor een geanonimiseerde registratie. De vertrouwenspersoon informeert de melder dat dit gevolgen heeft voor de opvolging van het dossier.
2228§7. Minstens de helft van de vertrouwenspersonen voor studenten behoort niet tot het zelfstandig academisch personeel of onderwijspersoneel.
2329§8. Personen die binnen de hogeronderwijsinstelling als vrijwilliger werkzaam zijn, extern gefinancierde onderzoekers en doctoraatsstudenten die werkzaam zijn in een hogeronderwijsinstelling kunnen grensoverschrijdend gedrag melden bij een intern meldpunt als vermeld in artikel II.355/3, §2. Ze worden met betrekking tot de verdere afhandeling van hun melding gelijkgesteld met een personeelslid.
24−§9. De bepalingen van paragraaf 3 tot en met 5 zijn onverminderd de bepalingen van de federale wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk eveneens van toepassing op de vertrouwenspersonen voor personeel.
30+§9. ...
+0 −9 codex-hoger-onderwijs/art. III.18 opgeheven
1−De totale omvang van de middelen die gegenereerd worden door de toepassing van de voorschriften inzake financieringsboni voor beurstariefstudenten, werkstudenten en studenten met een functiebeperking kan:
2−1° in het onderwijsvariabel deel voor de professionele opleidingen aan de hogescholen niet meer bedragen dan 15% van het totaal VOWprof;
3−2° in het onderwijsvariabel deel voor de academische opleidingen aan de hogescholen niet meer bedragen dan 10% van het totaal VOWac;
4−3° in het onderwijsvariabel deel voor de academische opleidingen aan de universiteiten niet meer bedragen dan 10% van het totaal VOWun;
5−4° in het onderwijsvariabele deel voor de professionele opleidingen, met uitzondering van de professionele kunstopleidingen, aan de hogescholen niet meer bedragen dan 15% van het totaal VOWprof2014;
6−5° in het onderwijsvariabele deel voor de kunstopleidingen aan de hogescholen niet meer bedragen dan 10% van het totaal VOWhko2014;
7−6° in het onderwijsvariabele deel voor de academische opleidingen aan de universiteiten niet meer bedragen dan 10% in het totaal VOWun2014.
8−Indien het aandeel van die middelen de in het eerste lid genoemde percentages overschrijdt dan worden de extra puntengewichten proportioneel verminderd voor de berekening van de werkingsuitkeringen van het desbetreffende begrotingsjaar.
9−Voor de berekening van de financieringspunten in het kader van de evolutie van de bedragen voor de variabele onderwijsdelen VOWprof, VOWac, VOWun, VOWprof2014, VOWhko2014 en VOWun2014, zoals bedoeld in artikel III.6, is deze proportionele vermindering van de extra puntengewichten niet van toepassing.
+3 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.29
1111Een instelling die een studiegebied overdraagt naar een andere instelling verliest de onderwijsbevoegdheid voor het betreffende studiegebied.
1212§3. De hogescholen en universiteiten delen jaarlijks voor 1 mei de opleidingen of studiegebieden die ze het daaropvolgende academiejaar willen overdragen, mee aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.
13+§4. In afwijking van paragraaf 2 kan de schrapping van een opleiding uit het Hogeronderwijsregister bij de overdragende instelling worden uitgesteld als de betrokken instellingen hiervoor een overeenkomst afsluiten. Door die overeenkomst gaat de overgedragen opleiding in afbouw parallel met de uitbouw van de overgedragen opleiding aan de ontvangende instelling. De overgedragen opleiding wordt geschrapt in het Hogeronderwijsregister bij de overdragende instelling één academiejaar na de overdracht voor opleidingen met een studieomvang van maximaal 120 studiepunten en twee academiejaren voor opleidingen met een studieomvang van minimaal 120 studiepunten.
14+Instellingen die een opleiding overdragen en een overeenkomst als vermeld in het eerste lid afsluiten, kunnen in deze overeenkomst opnemen dat ze afwijken van de bepalingen voor de berekening van de werkingsuitkeringen, vermeld in paragraaf 1, 1° en 2°. Die afwijkingen mogen geen budgettaire meerkosten genereren voor de Vlaamse overheid.
15+De instellingen bezorgen de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, voor 1 mei van het academiejaar waarin ze de opleiding willen overdragen aan de Vlaamse minis-ter, bevoegd voor onderwijs en vorming.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/1 opgeheven
1−De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd om onder de in volgende artikelen vermelde voorwaarden over te gaan tot erkenning van het door de verenigde associaties opgerichte Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/2 opgeheven
1−Het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs heeft als opdracht het begeleiden en ondersteunen van de instellingen bij de implementatie van de VN-conventie van 13 december 2006 over de rechten van personen met een handicap. Centraal bij die implementatie staat het verbeteren van de participatie van studenten met functiebeperkingen in het Vlaams hoger onderwijs.
+0 −2 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/3 opgeheven
1−§ 1. Het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs bezit geen rechtspersoonlijkheid.
2−§ 2. De associaties duiden een administratief coördinerende instelling of instantie aan. De associaties sluiten met de administratief coördinerende instelling of instantie een samenwerkingsovereenkomst waarin de bestuurs- en beheersstructuur wordt bepaald.
+0 −7 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/4 opgeheven
1−De Vlaamse Regering en de associaties sluiten ten aanzien van de organisatie van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs vijfjaarlijks een convenant waarin ten minste de volgende elementen zijn opgenomen:
2−1° de aansturingsmogelijkheden van de Vlaamse Regering;
3−2° de minimale resultaatsverbintenissen van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs;
4−3° de minimale behoorlijkheidsvereisten op het vlak van het financieel management, evenals de mogelijkheden om een bepaalde financiële reserve aan te leggen van maximaal 20 procent per jaar van de werkingsenveloppe die in een bepaald jaar is toegekend. De totale gecumuleerde reserve op basis van de werkingsenveloppe mag maximaal 50 procent van de jaarlijkse werkingsenveloppe bedragen;
5−4° de rapporterings- en controlemechanismen, in het bijzonder de wijze van evaluatie van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs in de tweede helft van het vijfde kalenderjaar van het lopende convenant;
6−5° de remediërende en sanctionerende maatregelen in geval van niet-naleving van het convenant;
7−6° de gevallen waarin en de wijze waarop het convenant tijdens de looptijd ervan kan worden gewijzigd.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/5 opgeheven
1−De administratief coördinerende instelling of instantie bezorgt met betrekking tot de werking van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs jaarlijks een afzonderlijke begroting, jaarplanning, jaarrekening en jaarverslag aan de Vlaamse Regering.
+0 −2 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/6 opgeheven
1−Het sluiten van een convenant met de Vlaamse Regering doet in hoofde van de administratief coördinerende instelling of instantie een recht ontstaan op een jaarlijkse werkingsenveloppe ten behoeve van de werking van het betrokken Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs.
2−De Vlaamse Regering bepaalt, rekening houdend met de beschikbare begrotingskredieten, de grootte van de jaarlijkse werkingsenveloppe, evenals de wijze van vereffening ervan. De werkingsenveloppe wordt geïndexeerd volgens de formule vastgesteld voor de indexering van de werkingsuitkering van de universiteiten en hogescholen.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/7 opgeheven
1−De partners bij de associaties kunnen personeelsleden met hun instemming belasten met een taak bij het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs. De betrokken personeelsleden blijven gedurende de uitoefening van deze taak juridisch en administratief behoren tot de terbeschikkingstellende universiteit of hogeschool.
+4 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.119
77Aan PoPoK wordt voor het begrotingsjaar 2023 een bijkomend transitiebudget van 60.000 euro voor een transitie- en onderzoekscoördinator en 25.000 euro aan werkingsmiddelen toegekend om de gesprekken en onderhandelingen met betrekking tot structurele, inhoudelijke en financiële samenwerkingen verder te zetten, en tegelijkertijd met deze transitie de programma’s van de huidige studenten te bestendigen.
88§2. De in paragraaf 1 bedoelde hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht met als doel posthogeschoolvormingen te organiseren inzake de opleidingen van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. De posthogeschoolvorming wordt bekrachtigd met de titel van 'Laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten'. Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Deze instituten worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel die met betrekking tot de posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die een opleiding in de betrokken sectoren organiseren.
9+§2/1. Naast het doel, vermeld in paragraaf 2, wordt in het kader van deze codificatie als opdracht van het Orpheus Instituut erkend:
10+1° het verstrekken van postacademisch onderwijs en vorming inzake muziek;
11+2° het faciliteren en het voeren van onderzoek in het domein van de muziek, met inbegrip van de begeleiding van doctoraatsstudenten met het oog op het behalen van de academische graad van doctor aan een Belgische of buitenlandse universiteit;
12+3° het verstrekken van maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening die voortvloeit uit zijn specifieke wetenschappelijke en artistieke expertise.
913§3. Om voor de in paragraaf 1 bedoelde subsidiëring in aanmerking te komen, sluiten de instituten een beheersovereenkomst met een looptijd van vijf jaar met de Vlaamse Regering, waarin ten minste volgende zaken worden afgesproken:
10141° de onderdelen van het strategisch beleidsplan;
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. IV.28
11§1 Bij het vaststellen van de jaarlijkse personeelsformaties neemt het hogeschoolbestuur met betrekking tot het onderwijzend personeel, uitgedrukt in voltijdse eenheden, de volgende regels in acht:
2−1° voor de personeelsformaties die betrekking hebben op de personeelsleden verbonden aan de professionele opleidingenen op de personeelsleden toegewezen aan de Schools of Arts: het aantal vastbenoemde personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, bedraagt ten hoogste 72% van het aantal leden van het onderwijzend personeel uitgedrukt in voltijdse eenheden. Hierbij wordt de bevordering of ambtswijziging van een reeds in de hogeschool benoemd personeelslid niet beschouwd als een nieuwe benoeming. De toepassing van de bepalingen van dit punt wordt voor een periode van 8 jaar met ingang van het begrotingsjaar 2014 opgeschort.
2+1° voor de personeelsformaties die betrekking hebben op de personeelsleden verbonden aan de professionele opleidingen, op de personeelsleden van de Hogere Zeevaartschool en op de personeelsleden toegewezen aan de Schools of Arts: het aantal vastbenoemde personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, bedraagt ten hoogste 72% van het aantal leden van het onderwijzend personeel uitgedrukt in voltijdse eenheden. Hierbij wordt de bevordering of ambtswijziging van een reeds in de hogeschool benoemd personeelslid niet beschouwd als een nieuwe benoeming. De toepassing van de bepalingen van dit punt wordt voor een periode van 8 jaar met ingang van het begrotingsjaar 2014 opgeschort.
33Een benoeming of aanstelling in een ambt van het onderwijzend personeel is slechts mogelijk met inachtneming van bovenvermelde aantallen.
44§2. In geval van een herstructurering zoals bedoeld in artikel I.3, 34°, kunnen de herstructurerende instellingen op gemotiveerde wijze afwijken van de normen vermeld in paragraaf 1.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. IV.37
11Inzake de salarissen van het onderwijzend, het wetenschappelijk, het academisch personeel, het administratief en het technisch personeel van de universiteiten, zijn de ten onrechte uitbetaalde bedragen, als gevolg van onjuiste salarisvaststellingen door de bevoegde overheid of het universiteitsbestuur, definitief vervallen aan hen die ze ontvangen als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen een termijn van 2 jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling, behoudens wanneer de onverschuldigde bedragen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen. In deze gevallen geldt een verjaringstermijn van 30 jaar.
2+In afwijking van het eerste lid zijn de ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen, als de terugbetaling daarvan niet is gevraagd binnen een termijn van één jaar, te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling, als het salaris foutief berekend werd als gevolg van een administratieve fout van de betalende overheid, waarbij deze laatste tijdig beschikte over alle nodige informatie. Dit lid is enkel van toepassing wanneer er sprake is van foutief berekend salaris. Het is niet van toepassing wanneer het personeelslid ten onrechte een salaris heeft ontvangen voor prestaties die niet werden geleverd, of wanneer het personeelslid voor een onderbreking van zijn opdracht recht heeft op een socialezekerheidsuitkering.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. IV.42
11Als het hogeschoolbestuur of de bevoegde overheid de salarissen van het onderwijzend personeel of van het administratief en technisch personeel verkeerd heeft vastgesteld, moet het de terugbetaling vragen binnen een termijn van 2 jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van betaling in de vorm zoals bepaald in artikel 16, §2, eerste lid, van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof. Als de terugbetaling niet gevraagd wordt binnen de gestelde termijn, zijn de ten onrechte uitbetaalde bedragen definitief vervallen.
22Te rekenen vanaf de vraag bedoeld in het eerste lid kan het onverschuldigde bedrag worden teruggevorderd gedurende de termijn die in artikel 16, §2, tweede lid, van vermelde wet is bepaald.
3+In afwijking van het eerste lid moet de terugbetaling gevraagd worden binnen een termijn van één jaar, te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling, als het salaris foutief berekend werd als gevolg van een administratieve fout van de betalende overheid, waarbij deze laatste tijdig beschikte over alle nodige informatie. Dit lid is enkel van toepassing wanneer er sprake is van foutief berekend salaris. Het is niet van toepassing wanneer het personeelslid ten onrechte een salaris heeft ontvangen voor prestaties die niet werden geleverd, of wanneer het personeelslid voor een onderbreking van zijn opdracht recht heeft op een socialezekerheidsuitkering. Als de terugbetaling niet gevraagd wordt binnen de gestelde termijn, zijn de ten onrechte uitbetaalde bedragen definitief vervallen.
+2 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.1
991°/3 gezinslid: elke persoon die met het personeelslid samenwoont;
10101°/4 langdurige pleegzorg: pleegzorg waarvan bij aanvang duidelijk is dat het kind voor minstens zes maanden in hetzelfde pleeggezin bij dezelfde pleeg-ouders zal verblijven;
11−2° vakgebied: tak van de wetenschap waarover het zelfstandig academisch personeel onderwijs verstrekt, wetenschappelijk onderzoek verricht of wetenschappelijke dienstverlening verleent.
11+2° vakgebied: tak van de wetenschap waarover het zelfstandig academisch personeel onderwijs verstrekt, wetenschappelijk onderzoek verricht of wetenschappelijke dienstverlening verleent;
12+3° werkdag: elke andere dag dan een zondag en een wettelijke feestdag.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.2
11De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het academisch personeel van de universiteiten bezoldigd ten laste van de werkingsuitkeringen verschaft door de Vlaamse Gemeenschap.
2−De Vlaamse Regering stelt voor het academisch personeel een regeling vast omtrent de afwezigheden, de tucht, de administratieve standen, het verlof, de ambtsbeëindiging en de mandaatsbeëindiging.
2+De Vlaamse Regering stelt voor het academisch personeel een regeling vast omtrent de afwezigheden, de tucht, de administratieve standen, het verlof, de ambtsbeëindiging met inbegrip van het ontslag om dringende redenen, en de mandaatsbeëindiging.
+10 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.44
1−§1. In afwijking van artikel 2, §1, van de wet van 4 augustus 1986 tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving kan de benoeming van een in het artikel 1 van de wet van 4 augustus 1986 bedoeld personeelslid na het academiejaar waarin het de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, telkens met maximum 1 academiejaar en telkens met instemming van het universiteitsbestuur verlengd worden. Het universiteitsbestuur bepaalt bij reglement de procedure voor een verlenging van de benoeming.
1+§1. Het universiteitsbestuur kan in het kader van het bevorderen van een evenwichtige verdeling van de werkgelegenheid tussen generaties de tewerkstelling beëindigen van een personeelslid vanaf het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. Het einde van de tewerkstelling gaat in op een van de volgende momenten:
2+1° de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
3+2° op de eerste dag van de maand na het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
4+3° op een door het universiteitsbestuur en het personeelslid overeengekomen moment dat tussen de momenten, vermeld in punt 1° en 2°, ligt.
5+Het universiteitsbestuur dat de tewerkstelling beëindigt, neemt daarbij een opzeggingstermijn in acht die gelijk is aan 26 weken. Het universiteitsbestuur en het personeelslid kunnen een kortere opzeggingstermijn overeenkomen. De opzeggingstermijn gaat in de maandag volgend op de week waarin het personeelslid op de hoogte gebracht is van de opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn kan niet geschorst worden. De start- en einddatum van de opzeggingstermijn worden opgenomen in het geschrift , vermeld in het derde lid, dat aan het personeelslid bezorgd wordt.
6+Het universiteitsbestuur brengt het personeelslid op een van de volgende manieren op de hoogte van de opzegging:
7+1° door afgifte van een geschrift aan het personeelslid, dat tekent voor ontvangst;
8+2° bij aangetekend schrijven;
9+3° bij deurwaardersexploot.
10+Het aangetekend schrijven, vermeld in het derde lid, heeft uitwerking op de derde werkdag na de datum van de verzending.
211§2. Het universiteitsbestuur kan beslissen dat een lid van het zelfstandig academisch personeel dat met pensioen is een deel van de activiteiten van onderwijs onderzoek of dienstverlening mag voortzetten. Het universiteitsbestuur kan hiervoor een vergoeding ten laste van de werkingsuitkeringen geven. De beslissing geldt voor maximum 1 jaar en kan telkens met maximum 1 jaar verlengd worden.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. V.50
33Het universiteitsbestuur kan de omvang van het dienstverband wijzigen met instemming of op verzoek van het personeelslid. In geval van een vermindering van de omvang behoudt het personeelslid gedurende 6 jaar het recht van terugkeer naar de oorspronkelijke omvang.
44Het universiteitsbestuur kan een deeltijds lid van het administratief en technisch personeel ook tewerkstellen als flexi-jobwerknemer als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. Op deze personeelsleden is de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing.
5+Het universiteitsbestuur kan beslissen dat een lid van het administratief en technisch personeel dat met pensioen is, een deel van de activiteiten kan voortzetten. Het uni-versiteitsbestuur kan daarvoor een vergoeding ten laste van de werkingsuitkeringen geven. De beslissing geldt voor maximaal een jaar en kan telkens met maximaal een jaar worden verlengd.
+10 −2 codex-hoger-onderwijs/art. V.59
1+Het universiteitsbestuur kan in het kader van het bevorderen van een evenwichtige verdeling van de werkgelegenheid tussen generaties de benoeming beëindigen van een personeelslid vanaf het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. Het einde van de tewerkstelling gaat in op een van de volgende momenten:
2+1° de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
1−Een benoeming eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg bij pensionering wegens het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd of, mits toestemming van het universiteitsbestuur, op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt.
3+2° op de eerste dag van de maand na het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
2−In afwijking van het eerste lid, kan de benoeming van het personeelslid na het academiejaar waarin het de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, telkens met maximum 1 jaar en telkens met instemming van het universiteitsbestuur verlengd worden. De definitieve ambtsneerlegging gaat pas in na het einde van de benoeming. Het universiteitsbestuur bepaalt bij reglement de procedure voor een verlenging van de benoeming.
4+3° op een door het universiteitsbestuur en het personeelslid overeengekomen mo-ment dat tussen de momenten, vermeld in punt 1° en 2°, ligt.
5+Het universiteitsbestuur dat de benoeming beëindigt, neemt daarbij een opzeggingstermijn in acht die gelijk is aan 26 weken. Het universiteitsbestuur en het personeelslid kunnen een kortere opzeggingstermijn overeenkomen. De opzeggingstermijn gaat in de maandag volgend op de week waarin het personeelslid op de hoogte gebracht is van de opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn kan niet geschorst worden. De start- en einddatum van de opzeggingstermijn worden opgenomen in het geschrift, vermeld in het derde lid, dat aan het personeelslid bezorgd wordt.
6+Het universiteitsbestuur brengt het personeelslid op een van de volgende manieren op de hoogte van de opzegging:
7+1° door afgifte van een geschrift aan het personeelslid, dat tekent voor ontvangst;
8+2° bij aangetekend schrijven;
9+3° bij deurwaardersexploot.
10+Het in het derde lid vermelde aangetekend schrijven heeft uitwerking op de derde werkdag na de datum van de verzending.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. V.80
343425° vacante betrekking : een betrekking die niet toegewezen is aan een titularis door benoeming of aanstelling;
353526° voltijdse betrekking : een betrekking waaraan een opdracht van 100% verbonden is en die een volledige beschikbaarheid voor de hogeschool inhoudt, gedefinieerd overeenkomstig de gangbare arbeidsduurregeling;
36+26°/1: werkdag: elke andere dag dan een zondag en een wettelijke feestdag.
363727° werving : eerste aanstelling of benoeming tot personeelslid in een ambt voorzien op de personeelsformatie van de hogeschool;
+10 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.110
998° voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel V.106;
10109° wanneer is vastgesteld dat het personeelslid wegens en overeenkomstig de wet, het decreet of het reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat is zijn ambt naar behoren te vervullen.
11−In afwijking van het eerste lid, punt 5°, kan de aanstelling van het personeelslid na het academiejaar waarin het de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, telkens met maximum een academiejaar en telkens met instemming van het hogeschoolbestuur verlengd worden. De definitieve ambtsneerlegging gaat pas in na het einde van de aanstelling. Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de procedure voor een verlenging van de aanstelling.
1211§2. Wanneer het hogeschoolbestuur een einde maakt aan de aanstelling, om andere redenen dan de bepalingen vermeld in paragraaf 1, moet het een opzeggingstermijn in acht nemen, gelijk aan 3 maanden per begonnen schijf van 5 jaar dienstanciënniteit gepresteerd in de betrokken hogeschool of haar rechtsvoorganger. De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van kennisgeving van de opzegging. Op straffe van nietigheid moet de kennisgeving van de opzegging het begin en de duur van de opzeggingstermijn vermelden. De kennisgeving gebeurt door afgifte van een geschrift aan het personeelslid dat tekent voor ontvangst, ofwel bij aangetekend schrijven dat uitwerking heeft de derde werkdag na verzending, ofwel bij deurwaardersexploot.
1312De opzeggingstermijn wordt herleid tot 7 dagen indien het een personeelslid betreft dat is aangesteld voor een periode van minder dan 12 maanden en indien dit personeelslid de evaluatie "onvoldoende" heeft gekregen voor het ambt waarop de evaluatie betrekking heeft.
1413Wanneer het hogeschoolbestuur een einde maakt aan de aanstelling van een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1 naar de hogeschool overgegaan is, wordt voor het bepalen van de opzeggingstermijn ook rekening gehouden met de dienstanciënniteit die het personeelslid in het hoger beroepsonderwijs of de specifieke lerarenopleiding aan het centrum voor volwassenenonderwijs opgebouwd heeft.
14+§2/1. Het hogeschoolbestuur kan in het kader van het bevorderen van een evenwichtige verdeling van de werkgelegenheid tussen generaties de aanstelling beëindigen van een personeelslid vanaf het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. Het einde van de aanstelling gaat in op een van de volgende momenten:
15+1° de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
16+2° op de eerste dag van de maand na het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
17+3° op een door het hogeschoolbestuur en het personeelslid overeengekomen moment dat tussen de momenten, vermeld in punt 1° en 2°, ligt.
18+Het hogeschoolbestuur dat de aanstelling beëindigt, neemt daarbij een opzeggingstermijn in acht die gelijk is aan 26 weken. Het hogeschoolbestuur en het personeelslid kunnen een kortere opzeggingstermijn overeenkomen. De opzeggingstermijn gaat in de maandag volgend op de week waarin het personeelslid op de hoogte gebracht is van de opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn kan niet geschorst worden. De start- en einddatum van de opzeggingstermijn worden opgenomen in het geschrift, vermeld in het derde lid, dat aan het personeelslid bezorgd wordt.
19+Het hogeschoolbestuur brengt het personeelslid op een van de volgende manieren op de hoogte van de opzegging:
20+1° door afgifte van een geschrift aan het personeelslid, dat tekent voor ontvangst;
21+2° bij aangetekend schrijven;
22+3° bij deurwaardersexploot.
23+Het in het derde lid vermelde aangetekend schrijven heeft uitwerking op de derde werkdag na de datum van de verzending.
1524§3. Behalve om redenen die vreemd zijn aan de uitoefening van de volgende rechten mag het hogeschoolbestuur in afwijking van paragraaf 2 geen handelingen stellen die eenzijdig een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid dat gebruik maakt van een van die rechten:
16251° het recht op geboorteverlof, vermeld in artikel 7/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool;
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.110
443° op het ogenblik dat het tijdelijk personeelslid wordt benoemd in deze betrekking;
554° uiterlijk op het einde van de termijn waarvoor de aanstelling gebeurde;
6−5° bij pensionering wegens het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd of op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt. De leden van het administratief en technisch personeel, vermeld in hoofdstuk 3, kunnen bij het bereiken van de pensioenleeftijd maar verder werken tot het einde van het academiejaar wanneer het hogeschoolbestuur hiermee instemt;
6+5° ...;
776° bij overlijden;
887° bij ontslag wegens dringende redenen;
+1 −2 codex-hoger-onderwijs/art. V.111
443° indien het personeelslid zich bevindt in de gevallen waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft;
554° wanneer is vastgesteld dat het personeelslid wegens en overeenkomstig de wet, het decreet of het reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat is zijn ambt naar behoren te vervullen;
6−5° bij pensionering wegens het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd of op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt. De leden van het administratief en technisch personeel, vermeld in hoofdstuk 3, kunnen bij het bereiken van de pensioenleeftijd maar verder werken tot het einde van het academiejaar wanneer het hogeschoolbestuur hiermee instemt;
7−6° bij overlijden;
6+5° ...;
877° bij toepassing van artikel V.87 en V.91;
988° wanneer een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1, eerste lid, 1°, overgekomen is van een centrum voor volwassenenonderwijs naar een centrum terugkeert met toepassing van artikel 31, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 45, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
+10 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.111
887° bij toepassing van artikel V.87 en V.91;
998° wanneer een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1, eerste lid, 1°, overgekomen is van een centrum voor volwassenenonderwijs naar een centrum terugkeert met toepassing van artikel 31, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 45, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
10−In afwijking van het eerste lid, punt 5°, kan de benoeming van het personeelslid na het academiejaar waarin het de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, telkens met maximum 1 academiejaar en telkens met instemming van het hogeschoolbestuur verlengd worden. De definitieve ambtsneerlegging gaat pas in na het einde van de benoeming. Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de procedure voor een verlenging van de benoeming.
1110§2. Voor de benoemde personeelsleden geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging:
12111° het ontslag als gevolg van een tuchtmaatregel;
1716Met het oog op de opname van het personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering, worden tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding de nodige werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdragen gestort. Als die bijdragen niet volstaan, betaalt de hogeschool de nog benodigde werkgevers- en werknemersbijdragen.
1817§3. Het hogeschoolbestuur kan de benoeming van een personeelslid eveneens beëindigen bij een ontslag om een dringende reden. In dit geval vindt het ontslag plaats zonder opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding. Het hogeschoolbestuur betaalt evenwel de werkgevers- en werknemersbijdragen nodig voor de opname van het betrokken personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering met inbegrip van de sector uitkeringen en de moederschapsbescherming. De duur van de periode gedekt door de betaling van werkgevers- en werknemersbijdragen voor de werkloosheidsverzekering en de ziekteverzekering met inbegrip van de sector uitkeringen mag de duur van de benoeming van het ontslagen personeelslid niet overschrijden.
18+§4. Het hogeschoolbestuur kan in het kader van het bevorderen van een evenwichtige verdeling van de werkgelegenheid tussen generaties de benoeming beëindigen van een personeelslid vanaf het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. Het einde van de aanstelling gaat in op een van de volgende momenten:
19+1° de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
20+2° op de eerste dag van de maand na het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
21+3° op een door het hogeschoolbestuur en het personeelslid overeengekomen moment dat tussen de momenten, vermeld in punt 1° en 2°, ligt.
22+Het hogeschoolbestuur dat de benoeming beëindigt, neemt daarbij een opzeggingstermijn in acht die gelijk is aan 26 weken. Het hogeschoolbestuur en het personeelslid kunnen een kortere opzeggingstermijn overeenkomen. De opzeggingstermijn gaat in de maandag volgend op de week waarin het personeelslid op de hoogte gebracht is van de opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn kan niet geschorst worden. De start- en einddatum van de opzeggingstermijn worden opgenomen in het geschrift, vermeld in het derde lid, dat aan het personeelslid bezorgd wordt.
23+Het hogeschoolbestuur brengt het personeelslid op een van de volgende manieren op de hoogte van de opzegging:
24+1° door afgifte van een geschrift aan het personeelslid, dat tekent voor ontvangst;
25+2° bij aangetekend schrijven;
26+3° bij deurwaardersexploot.
27+Het in het derde lid vermelde aangetekend schrijven heeft uitwerking op de derde werkdag na de datum van de verzending.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.113
11Het hogeschoolbestuur kan elk personeelslid zonder opzegging om dringende redenen ontslaan. Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de aanstelling of benoeming onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.
22Het hogeschoolbestuur meldt het ontslag en de dringende redenen die er aanleiding toe geven bij een ter post aangetekende brief aan het betrokken personeelslid, binnen 3 werkdagen nadat de feiten bekend werden bij het hogeschoolbestuur.
3−Het betrokken personeelslid kan binnen 3 werkdagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de indiening bij de post van bovenvermelde brief, bij aangetekend schrijven een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het college van beroep inzake tucht bedoeld in artikel V.101. Het beroep is niet opschortend. Het college van beroep inzake tucht spreekt zich binnen de 20 werkdagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de indiening van het bezwaarschrift bij de post uit over de gegrondheid van het ontslag om dwingende redenen.
3+Het betrokken personeelslid kan binnen zes werkdagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de indiening bij de post van bovenvermelde brief, bij aangetekend schrijven een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het college van beroep inzake tucht bedoeld in artikel V.101. Het beroep is opschortend. Het college van beroep inzake tucht spreekt zich binnen de 20 werkdagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de indiening van het bezwaarschrift bij de post uit over de gegrondheid van het ontslag om dwingende redenen.
44Indien het college van beroep inzake tucht het ontslag om dringende redenen van een benoemd personeelslid ongegrond verklaart, kan het beslissen tot een preventieve schorsing van het personeelslid, met een tuchtprocedure tot gevolg. Het personeelslid wordt in dat geval in de administratieve stand geplaatst waarin het zich de dag voor het ontslag bevond.
55Voor de berekening van de termijnen vermeld in dit artikel is de poststempel bewijskrachtig.
+4 −3 codex-hoger-onderwijs/art. V.121
11In afwijking van artikel V.120 worden de ambten van het onderwijzend personeel in de studiegebieden Audiovisuele en Beeldende kunst en Muziek en Podiumkunsten en de ambten aan de Hogere Zeevaartschool als volgt ingedeeld:
221° groep 1 : de praktijklector, de hoofdpraktijklector, de lector en de hoofdlector;
3−2° groep 2 : het assisterend personeel : de assistent, de doctor-assistent en de werkleider;
3+2° groep 2 : het assisterend personeel : de assistent, de praktijkassistent, de doctor-assistent en de werkleider;
443° groep 3 : de docent, de hoofddocent, de hoogleraar en de gewoon hoogleraar.
5−De ambten van groep 1 kunnen uitsluitend worden verleend in de graduaatsopleidingen en de professionele bacheloropleidingen. De lectoren en hoofdlectoren kunnen ook belast worden met praktijkgericht onderwijs in de academische bacheloropleidingen.
5+De ambten van groep 1 kunnen uitsluitend worden verleend in de graduaatsopleidingen en de professionele bacheloropleidingen. De praktijklectoren, hoofdpraktijklectoren, lectoren en hoofdlectoren kunnen ook belast worden met praktijkgericht onderwijs in de academische bacheloropleidingen.
6−De ambten van groep 2 kunnen uitsluitend worden verleend in de academische opleidingen. De praktijkassistenten, de benoemde assistenten en de werkleiders kunnen ook belast worden met een opdracht in de professionele bacheloropleidingen.
6+De ambten van groep 2 kunnen uitsluitend worden verleend in de academische opleidingen. De praktijkassistenten en de werkleiders kunnen ook belast worden met een opdracht in de professionele bacheloropleidingen.
77De ambten van groep 3 kunnen zowel in de graduaatsopleidingen en de professionele als in de academische opleidingen worden verleend.
88In afwijking van het tweede lid, kan een personeelslid in een ambt van groep 1 dat aan de hiernavolgende voorwaarden voldoet, aangesteld blijven en in voorkomend geval benoemd worden in de educatieve masteropleiding voor de kunsten:
12121° het personeelslid oefende tot 31 augustus 2021 deze opdracht uit in de professionele bachelor in de scheepswerktuigkunde;
13132° het personeelslid is vanaf 1 september 2021 voor het luik onderwijs van zijn opdracht uitsluitend belast met praktijkgebonden opleidingsonderdelen in de academische bachelor van de opleiding scheepswerktuigkunde.
14+De personeelsleden die op 31 maart 2024 benoemd zijn als assistent, verkrijgen vanaf 1 april 2024 een benoeming als praktijkassistent met behoud van het tewerkstellingspercentage, de anciënniteit en de salarisschaal die ze op 1 april 2024 hadden.
+5 −3 decreet-2009-05-08/art. 2
10108° erkenningsvoorwaarden : de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een onderwijsinstelling moet voldoen om aan haar leerlingen of cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen of de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een CLB of een leersteuncentrum moet voldoen;
11119° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen;
12+9°/1 GI-school: de school, vermeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 17 mei 2024 over het onderwijs in de gemeenschapsinstellingen die ter uitvoering van het jeugddelinquentierecht zijn opgericht;
121310° hoger beroepsonderwijs : het onderwijs zoals vermeld in de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;
131411° instelling : onderwijsinstelling, onderwijsinternaat, CLB of leersteuncentrum;
2829b) artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;
293016° pedagogische begeleiding: de externe professionele ondersteuning van onderwijsinstellingen, CLB’s en leersteuncentra in hun zorg voor kwaliteitsonderwijs, kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding en kwaliteitsvolle leersteun ingebed in een duurzame instellingsnabije relatie;
30−16°/1 referentiekader onderwijskwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvol onderwijs door onderwijsinstellingenuitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van de onderwijsinstelling;
31+16°/1 referentiekader onderwijskwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvol onderwijs door onderwijsinstellingen, met uitzondering van de GI-school, uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van de onderwijsinstelling;
313216°/2 referentiekader CLB-kwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding door de CLB's uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het CLB;
323316°/3 referentiekader kwaliteitsvolle leersteun: het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leersteun door de leersteuncentra uitzet; het kader is opgebouwd rond de drie rubrieken: resultaten en effecten, ontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het leersteuncentrum;
34+16°/3/1 referentiekader kwaliteit van onderwijs in de gemeenschapsinstellingen: het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle onderwijstrajecten door de GI-school uitzet. Dat kader is opgebouwd rond de volgende vier rubrieken: resultaten en effecten, stimuleren van ontwikkeling, kwaliteitsontwikkeling en beleid. Het houdt rekening met de context en input van de onderwijsinstelling;
333516°/4 referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit: het kader dat de ver- wachtingen voor kwaliteitsvol verblijf en kwaliteitsvolle begeleiding uitzet. Het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken: resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, beleid en kwaliteitsontwikkeling en het houdt rekening met context en input van het onderwijsinternaat;
343617° representatieve vakorganisatie : personeelsvereniging die aangesloten is bij een syndicale organisatie die vertegenwoordigd is in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en die een werking ontplooit ten behoeve van de inspectie;
363819° secundair onderwijs : het gewoon voltijds secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
373920° structuuronderdeel : onderverdeling in het onderwijsaanbod die afzonderlijk erkend kan worden;
38−20°/1 toezichtkader : kader dat de onderwijsinspectie gebruikt om haar doorlichtingsinstrumenten te ontwikkelen, gebaseerd op de referentiekaders zoals bedoeld in punt 16°/1, 16°/2, 16°/3en 16°/4. Het toezichtkader heeft betrekking op de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling, en beleid en houdt rekening met context en input van de instelling;
40+20°/1 toezichtkader : kader dat de onderwijsinspectie gebruikt om haar doorlichtingsinstrumenten te ontwikkelen, gebaseerd op de referentiekaders zoals bedoeld in punt 16°/1, 16°/2, 16°/3, 16°/3/1 en 16°/4. Het toezichtkader heeft betrekking op de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling, en beleid en houdt rekening met context en input van de instelling;
394121° volwassenenonderwijs : onderwijs dat erkend en gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door de erkende centra voor volwassenenonderwijs en de erkende centra voor basiseducatie, vermeld in het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
40−22° leeftijdsgrens : na het einde van het jaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 heeft bereikt.
42+22° ...
+1 −1 decreet-2009-05-08/art. 39
2525§7. Voor het basisen secundair onderwijs zijn volgende evaluaties van het gelijkeonderwijskansenbeleid mogelijk:
26261° een positieve evaluatie: dit heeft als gevolg dat de school het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken, alsook, naargelang het geval, de SES-lestijden, de aanvullende lestijden, de extra uren-leraar of de extra lesuren ontvangt tot de daaropvolgende schooldoorlichting, conform de berekeningen gebaseerd op, naargelang het geval, artikel 85, §2, 134 en 139ter decies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 227, 235, 249 of 319 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;
27−2° een negatieve evaluatie: dit heeft als gevolg dat de school een engagement tot remediëring met externe begeleiding en ondersteuning moet aangaan. Als de eerstvolgende evaluatie door de onderwijsinspectie opnieuw negatief is, dan ontvangt de school vanaf het daaropvolgend schooljaar, slechts de helft van het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken , alsook, naargelang het geval, de helft van het aantal SES-lestijden, aanvullende lestijden, extra uren-leraar of extra lesuren waarop ze normaliter recht heeft en dat tot en met het schooljaar waarin een evaluatie positief is. De onderwijsinspectie evalueert de school opnieuw binnen een termijn van 1 jaar.
27+2° een negatieve evaluatie: dit heeft als gevolg dat de school zich verplicht engageert tot remediëring met externe begeleiding en ondersteuning. De onderwijsinspectie evalueert in dat geval opnieuw het gelijkeonderwijskansenbeleid na een termijn van minstens 180 kalenderdagen. Als die evaluatie opnieuw negatief is, ontvangt de school vanaf het daaropvolgend schooljaar, slechts de helft van het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken en, naargelang het geval, de helft van het aantal SES-lestijden, aanvullende lestijden, extra uren-leraar of extra lesuren waarop ze normaliter recht heeft en dat tot en met het schooljaar waarin een evaluatie positief is. Evaluaties ten gevolge van een negatieve evaluatie kunnen plaatsvinden buiten de schooldoorlichting, vermeld in artikel 38, §1, eerste lid. In het geval de omkadering en het werkingsbudget zijn gehal-veerd, wordt vanaf het daaropvolgend schooljaar de evaluatie jaarlijks herhaald totdat de evaluatie positief is. Hierbij kan de termijn tussen twee opeenvolgende evaluaties nooit minder dan 180 kalenderdagen bedragen.
+3 −0 decreet-2009-05-08/art. 149
16162° geniet het personeelslid het brutoactiviteitssalaris dat verbonden is aan het ambt waarin het vastbenoemd was.
1717Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.
18+§3. De Vlaamse Regering kan een einde maken aan de tijdelijke aanstelling, vaste benoeming of het mandaat van een personeelslid dat de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft. De Vlaamse Regering neemt hierbij een opzeggingstermijn in acht, gelijk aan 3 maanden per begonnen schijf van 10 jaar dienstanciënniteit die het personeelslid heeft verworven. De opzegging wordt gemotiveerd.
19+Met behoud van de toepassing van het eerste lid, kan het personeelslid bij het voltooien van de opzeggingstermijn voortwerken tot het einde van de maand waarin het personeelslid de opzeggingstermijn volbracht heeft.
20+De opzeggingstermijn, vermeld in het eerste lid, gaat in op de maandag die volgt op de week waarin de Vlaamse Regering, het personeelslid op de hoogte heeft gebracht van het ontslag.
+1 −2 decreet-2009-05-08/art. 150
11Voor zover dat niet anders is bepaald, geven de volgende situaties voor een tijdelijk aangesteld en een vastbenoemd personeelslid eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging of tot beëindiging van de tijdelijke aanstelling :
221° het vrijwillige ontslag. De opzeggingstermijn bedraagt vijftien kalenderdagen, tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen. Het personeelslid deelt het vrijwillig ontslag mee per aangetekende brief;
3−2° de pensionering wegens het bereiken van de leeftijdsgrens.
4−In afwijking van artikel 150, eerste lid, 2°, en zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 62, § 2 en § 3, eindigt de aanstelling niet na het bereiken van de leeftijdsgrens indien het betrokken personeelslid en de inspecteur-generaal overeenkomen de aanstelling te verlengen. Dergelijke verlenging van de aanstelling geldt telkens enkel voor de duur van maximum één jaar.
3+2° ...
+1 −2 decreet-2009-05-08/art. 151
11Voor zover dat niet anders is bepaald, geven de volgende situaties voor een personeelslid dat een mandaat bekleedt, eveneens aanleiding tot beëindiging van het mandaat :
221° het vrijwillige ontslag. De opzeggingstermijn zoals vermeld in artikel 87, § 1, moet worden nageleefd;
3−2° de pensionering wegens het bereiken van de leeftijdsgrens.
4−In afwijking van artikel 151, eerste lid, 2°, en zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 62, § 2 en § 3, eindigt het mandaat niet na het bereiken van de leeftijdsgrens indien het betrokken personeelslid en de inspecteur-generaal overeenkomen het mandaat te verlengen. Dergelijke verlenging van het mandaat geldt telkens enkel voor de duur van maximum één jaar.
3+2° ...
+9 −0 decreet-2009-05-08/art. 152/1 nieuw
1+De Vlaamse Regering mag, met toepassing van artikel 149, alleen eenzijdig een einde maken aan de tijdelijke aanstelling of vaste benoeming van een personeelslid om redenen die vreemd zijn aan de uitoefening door het personeelslid volgens de geldende regelgeving van een van de volgende rechten:
2+1° het recht op omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling;
3+2° het recht op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;
4+3° het recht op afwezigheid voor verminderde prestaties voor zorgdoeleinden;
5+4° het recht om een flexibele werkregeling aan te vragen;
6+5° het recht om een nevenactiviteit uit te oefenen, binnen de grenzen van de cumulatieregeling en de regeling rond onverenigbaarheden van de inspectie;
7+6° het recht op een ambtswijziging of om werk met meer voorspelbare en zekere arbeidsvoorwaarden te vragen.
8+Het verbod om eenzijdig een einde maken aan de tijdelijke aanstelling of vaste benoeming van een personeelslid om de redenen, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag van de aanvraag van een van de rechten, vermeld in het eerste lid, met uitzondering van het recht op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof dat ingaat op de dag van de geboorte van het kind.
9+De Vlaamse Regering deelt het personeelslid schriftelijk mee wat de redenen voor het ontslag zijn. Als de ingeroepen redenen niet vreemd zijn aan de uitoefening van de rechten, vermeld in het eerste lid, of als er geen reden opgegeven is, krijgt het personeelslid aanvullend op de opzeggingstermijn of -vergoeding een forfaitaire vergoeding die gelijk is aan het brutoloon voor zes maanden. Die forfaitaire vergoeding mag bij het ontslag van een personeelslid niet samen genoten worden met andere vergoedingen die in het kader van een bijzondere beschermingsprocedure tegen ontslag zijn bepaald.
+1 −1 decreet-2007-06-15/art. 14
55§3. Om het studiepeil te waarborgen, ontwikkelt het centrumbestuur leerplannen van de opleidingen van de leergebieden, vermeld in artikel 6, en de studiegebieden, vermeld in artikel 7 of 10, die beperkt zijn in omvang.
66Leerplannen worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen. Voormeld agentschap toetst of de eindtermen en de basiscompetenties, zoals vermeld in artikel 24, volledig en correct zijn omgezet in het leerplan en dit plan geen elementen bevat die tegenstrijdig zijn met de vastgestelde eindtermen en basiscompetenties.
7−De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vastleggen met betrekking tot de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen. Leerplannen zijn een aanvullend instrument voor de onderwijsinspectie om het kwaliteitsbeleid van een centrum te kaderen.
7+De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vastleggen met betrekking tot de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen. Leerplannen zijn een aanvullend instrument voor de onderwijsinspectie om het kwaliteitsbeleid van een centrum te kaderen. De Vlaamse Regering bepaalt de beroepsprocedure voor een beslissing die de indiener betwist.
+0 −23 decreet-2007-06-15/art. 72octies opgeheven
1−§1. Binnen de beschikbare begrotingskredieten stelt de Vlaamse Regering op basis van de beheersovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, 2°, jaarlijks een subsidie ter beschikking aan Vocvo vzw voor de uitvoering van volgende opdrachten:
2−1° ...
3−2° ...
4−3° de opdrachten in uitvoering van het strategisch plan hulp- en dienstverlening aan gedetineerden:
5−a) de coördinatie en ondersteuning van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor basiseducatie bij de uitwerking van een onderwijs- en vormingsbeleid voor gedetineerden, de organisatie van het detecteren van de onderwijs- en vormingsbehoeften van gedetineerden en de coördinatie van de begeleiding van het onderwijstraject van gedetineerden;
6−b) de ondersteuning van de onderwijscoördinatoren bij enerzijds de uitbouw van een behoeftedekkend en aangepast aanbod voor onderwijs aan gedetineerden en anderzijds de coördinatie van het onderwijsaanbod in de gevangenis.
7−Voor de uitvoering van de opdracht, vermeld in het eerste lid, 3°, beantwoordt Vocvo vzw ten minste aan volgende voorwaarden:
8−1° Vocvo vzw voert de opdracht in elke penitentiaire inrichting gelegen in de werkingsgebieden van de centra voor basiseducatie en de vestigingsplaatsen van de centra voor volwassenenonderwijs op een efficiënte wijze uit en toont dit aan op basis van de resultaatsverbintenissen uit de beheersovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, 2°;
9−2° Vocvo vzw vindt een draagvlak bij de centra voor basiseducatie en de centra voor volwassenenonderwijs en toont dit aan door middel van een stuurgroep samengesteld door vertegenwoordigers van de aanbodverstrekkers en andere stakeholders;
10−3° Vocvo vzw organiseert minstens tweemaal per jaar een gezamenlijk overleg van de stuurgroep onderwijs aan gedetineerden met de overheid.
11−§2. Vocvo vzw kan enkel in aanmerking komen voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als:
12−1° in de algemene vergadering een afgevaardigde opgenomen wordt van de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten;
13−2° Vocvo vzw met de Vlaamse Regering een vierjaarlijkse beheersovereenkomst afsluit over de uitvoering van de opdrachten en de aanwending van de toegekende middelen, vermeld in paragraaf 1. Deze beheersovereenkomst bevat ten minste per opdracht, vermeld in paragraaf 1:
14−a) het aandeel van de toegekende subsidie, vermeld in paragraaf 1;
15−b) de doelstellingen en bijhorende resultaatsverbintenissen;
16−c) de planning bestaande uit een vierjarig werkingsprogramma en een jaarlijks actieplan met telkens een overeenstemmende begroting. Het vierjarig werkingsprogramma is maximaal afgestemd op de strategische doelstellingen uit de beheersovereenkomst;
17−d) rapportering en opvolging van de werkzaamheden bestaande uit een jaarlijks activiteitenverslag, een jaarlijks financieel rapport en, na de volledige periode van vier kalenderjaren, een afsluitend rapport over de activiteiten van de volledige periode. De rapportering motiveert telkens minstens welke doelstellingen en bijhorende resultaatsverbintenissen al dan niet behaald werden.
18−§3. Voor de aanwending van de subsidie, vermeld in paragraaf 1, gelden volgende regels:
19−1° de subsidie kan enkel worden aangewend voor het dekken van werkingskosten en personeelskosten;
20−2° van de subsidie kunnen geen andere reserves worden aangelegd dan voor het sociaal passief ter bezoldiging van prestaties, gerelateerd aan deze subsidies, van personeelsleden;
21−3° de subsidies kunnen geheel of gedeeltelijk teruggevorderd worden, indien blijkt dat deze middelen niet worden aangewend voor de realisatie van de opdrachten bepaald in paragraaf 1;
22−4° de stukken ter verantwoording van de ingezette middelen worden op de zetel van Vocvo vzw bewaard, waar ze voor controle ter beschikking staan van de bevoegde administratie;
23−5° de voorziene subsidie volgt de gezondheidsindex.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd