Decreet tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de tweede algemene implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 2026004338 4 weken geleden 4 versies
| 1 | §1. De toezichthouder is bevoegd voor het toezicht op Vlaamse regelgeving en voor de opsporing van misdrijven en inbreuken. |
| 2 | De Vlaamse Regering wijst onder de toezichthouders diegenen aan die de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, of officier van gerechtelijke politie-hulpofficier van de procureur des Konings, verkrijgen. |
| 3 | Bij de opsporing van misdrijven handelt de toezichthouder in de hoedanigheid van agent van gerechtelijke politie, of in de hoedanigheden, vermeld in het tweede lid. |
| 4 | §2. De volgende personen kunnen worden aangesteld als toezichthouder conform de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt: |
| 5 | 1° de personeelsleden van de Vlaamse administraties, vermeld in artikel I.3, 1°, d, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 die de Vlaamse Regering daarvoor aanwijst, met uitsluiting van de personeelsleden, vermeld in artikel I.3, 2°, f, van hetzelfde decreet; |
| 6 | 2° de personeelsleden van de instanties, vermeld in artikel I.3, 1°, f), van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, die deze instanties daarvoor aanwijzen; |
| 7 | 3° de gemeentelijke personeelsleden die het college van burgemeester en schepenen daarvoor aanwijst, zelfs al zijn ze personeelslid van een andere gemeente; |
| 8 | 4° de personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband, die het intergemeentelijk samenwerkingsverband daarvoor aanwijst; |
| 9 | 5° de personeelsleden van de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt, die deze politiediensten daarvoor aanwijzen; |
| 10 | 6° de personeelsleden van een havenbedrijf, die het havenbedrijf daarvoor aanwijst; |
| 11 | 7° de bijzondere veldwachters, vermeld in artikel 61 van het Veldwetboek, die de Vlaamse Regering daarvoor aanwijst; |
| 12 | 8° de personeelsleden van de provincie, die de deputatie daarvoor aanwijst; |
| 13 | 9° de personeelsleden van de instellingen met een publieke taak, vermeld in artikel I.3, 6°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, die die instel-lingen daarvoor aanwijzen. |
| 14 | De Vlaamse Regering kan de aanwijzingsbevoegdheid vermeld in het eerste lid, 1° en 7°, delegeren. |
| 15 | §3. De Vlaamse Regering kan opleidings- en ervaringsvereisten en andere voorwaarden bepalen waaraan categorieën van toezichthouders moeten voldoen. De Vlaamse Regering kan de aanstelling als toezichthouder afhankelijk maken van een van de volgende elementen: |
| 16 | 1° het volgen van een opleiding, die wordt georganiseerd door de Vlaamse administratie, vermeld in artikel I.3, eerste lid, 2°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018; |
| 17 | 2° het volgen van een opleiding, die wordt verstrekt door instellingen die de Vlaamse Regering daarvoor erkend heeft, conform de regels die de Vlaamse Regering daarvoor bepaalt; |
| 18 | 3° een bewijs van beroepskwalificatie als vermeld in artikel 8, eerste lid, van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, die de Vlaamse Regering heeft erkend voor de uitoefening van het beroep als toezichthouder. |
| 19 | De Vlaamse Regering kan de toezicht- en opsporingsopdracht van categorieën van toezichthouders inhoudelijk, geografisch of temporeel beperken, of hen de hoedanigheid van agent van gerechtelijke politie ontzeggen. Binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering de aanstelling als toezichthouders subsidiëren, of ondersteuning geven voor de opleiding en permanente vorming van die toezichthouders. |
| 20 | §4. Het besluit waarin de toezichthouder wordt aangesteld, omschrijft de toezicht- en opsporingsopdracht van de toezichthouder. Binnen de perken van zijn toezicht- en opsporingsopdracht beschikt de toezichthouder over de bevoegdheden, vermeld in dit hoofdstuk, onverminderd de mogelijkheid voor de Vlaamse Regering om het gebruik van de voormelde bevoegdheden voor categorieën van toezichthouders uit te sluiten of aan bijkomende voorwaarden te verbinden. Een toezichthouder gebruikt zijn bevoegdheden alleen als dat redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van zijn taak. Het toezicht wordt onafhankelijk en neutraal uitgeoefend, en de toezichthouder waakt erover dat de inzet van zijn bevoegdheden geen onevenredige schade veroorzaakt bij de overtreder of derden. |
| 21 | Toezichthouders kunnen de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, alleen gebruiken als ze beëdigd zijn. De toezichthouder legt de eed af conform de wettelijke of decretale bepalingen die op hem van toepassing zijn, of, bij ontstentenis daarvan, in handen van zijn lijnmanager of diens gemachtigde conform artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831. |
| 22 | Onverminderd artikel 9, eerste lid, van de algemene verordening gegevensbescherming, voldoet het gebruik van de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, aan al de volgende voorwaarden: |
| 23 | 1° het schendt de intimiteit van een persoon niet; |
| 24 | 2° het is niet gericht op het inwinnen van informatie over de filosofische, religieuze, politieke, syndicale gezindheid, etnische of sociale origine, het seksuele leven of de gezondheidstoestand; |
| 25 | 3° het is niet gericht op de verwerking van genetische gegevens of de verwerking van biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon. |
| 26 | §5. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992, dragen toezichthouders bij de uitoefening van hun taak een legitimatiebewijs bij zich, dat de overheid of de entiteit waar ze werken uitgeeft. |
| 27 | Toezichthouders tonen onmiddellijk hun legitimatiebewijs als ze daarom verzocht worden. |