Over de programmatische aanpak stikstof #1801
Gemerged 


N-VA, Open Vld voegde 16 artikels samen in decreet-1988-12-21decreet-1997-10-21mestdecreet · 27 juli 2023 2 checks vragen aandacht
23 artikels gewijzigd
| 33 | 2° bijdragen aan de algemene beleidsondersteuning inzake de open ruimte en het buitengebied. | 33 | 2° bijdragen aan de algemene beleidsondersteuning inzake de open ruimte en het buitengebied. |
| 34 | § 8. Het agentschap wordt belast met de taken die overeenkomstig het decreet Vlaamse Grondenbank aan de Vlaamse Grondenbank zijn opgedragen. | 34 | § 8. Het agentschap wordt belast met de taken die overeenkomstig het decreet Vlaamse Grondenbank aan de Vlaamse Grondenbank zijn opgedragen. |
| 35 | §9. Het agentschap wordt belast met de taken die overeenkomstig het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof aan de VLM zijn opgedragen. | ||
| 91 | 68° soortenbeschermingsprogramma: een programma van soortenbehoudsmaatregelen dat met name gericht is op het verkrijgen van de gunstige staat van instandhouding van een inheemse soort of een groep van soorten in het gebied waarop het programma van toepassing is; | 91 | 68° soortenbeschermingsprogramma: een programma van soortenbehoudsmaatregelen dat met name gericht is op het verkrijgen van de gunstige staat van instandhouding van een inheemse soort of een groep van soorten in het gebied waarop het programma van toepassing is; |
| 92 | 69° planversie: één van de opeenvolgende versies van een managementplan Natura 2000; | 92 | 69° planversie: één van de opeenvolgende versies van een managementplan Natura 2000; |
| 93 | 70° zoekzone: een zone die per Europees te beschermen soort en per Europees te beschermen habitat de perimeter aangeeft die gevrijwaard wordt met het oog op het optimaal plaatsen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de betrokken speciale beschermingszone. De omvang van de zoekzone wordt bepaald door de oppervlakte die nodig is voor het realiseren van het openstaand saldo van de taakstelling voor de betrokken Europees te beschermen habitat of Europees te beschermen soort; | 93 | 70° zoekzone: een zone die per Europees te beschermen soort en per Europees te beschermen habitat de perimeter aangeeft die gevrijwaard wordt met het oog op het optimaal plaatsen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de betrokken speciale beschermingszone. De omvang van de zoekzone wordt bepaald door de oppervlakte die nodig is voor het realiseren van het openstaand saldo van de taakstelling voor de betrokken Europees te beschermen habitat of Europees te beschermen soort. Dat openstaand saldo is het verschil tussen de oppervlakte aan Europees te beschermen habitat of leefgebied van Europees te beschermen soorten, bepaald in de instandhoudingsdoelstellingen voor een speciale beschermingszone, en de oppervlakte waarvoor het passende beheer is vastgesteld in goedgekeurde natuurbeheerplannen als vermeld in artikel 16octies van dit decreet of daarmee vergelijkbare plannen of vergelijkbare overeenkomsten waarin een passend beheer is vastgesteld; |
| 94 | 71° actiegebied: een gebied dat op basis van relevante milieueffecten vastgesteld wordt voor de realisatie van de taakstelling inzake de toestand van het natuurlijk milieu voor de betrokken speciale beschermingszone; | 94 | 71° actiegebied: een gebied dat op basis van relevante milieueffecten vastgesteld wordt voor de realisatie van de taakstelling inzake de toestand van het natuurlijk milieu voor de betrokken speciale beschermingszone; |
| 95 | 72° omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie: de omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie of het geheel of gedeeltelijk wijzigen van kleine landschapselementen of de vegetatie ervan. | 95 | 72° omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie: de omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie of het geheel of gedeeltelijk wijzigen van kleine landschapselementen of de vegetatie ervan; |
| 96 | 74° stikstofdepositie: de aanvoer van stikstof uit de atmosfeer naar oppervlakken zoals bodem, water en vegetaties. Dat gebeurt rechtstreeks vanuit de lucht (droge depositie) en via regen, sneeuw en hagel (natte depositie); | ||
| 97 | 75° stikstofgevoelige habitats: habitattypes waarvan de kwaliteit wordt aangetast door de effecten van stikstofdepositie. | ||
| 3 | 1° het nemen van beslissingen ter uitvoering van het eerste lid en paragraaf 2 van dit artikel; | 3 | 1° het nemen van beslissingen ter uitvoering van het eerste lid en paragraaf 2 van dit artikel; |
| 4 | 2° het nemen van beslissingen of het verlenen van advies ter uitvoering van paragraaf 3 tot en met 6. | 4 | 2° het nemen van beslissingen of het verlenen van advies ter uitvoering van paragraaf 3 tot en met 6. |
| 5 | Als een zoekzone wordt afgebakend met het oog op het optimaal plaatsen van de instandhoudingsdoelstellingen die conform het eerste lid zijn vastgesteld, gebeurt dat op basis van actuele en potentiële natuurwaarden die relevant zijn voor de realisatie van het openstaande saldo van de taakstelling, vermeld in artikel 2, 70°. | ||
| 6 | Elke zoekzone wordt in die mate groter afgebakend dan het openstaande saldo zodanig dat dat saldo altijd binnen de zoekzone gerealiseerd kan worden. De Vlaamse Regering kan hiervoor nadere regels bepalen. Zij kan daarbij bepalen welke soort en omvang van oppervlakte bij voorrang in aanmerking komt als zoekzone en welke factor op welke grootte van een openstaand saldo wordt toegepast om de oppervlakte van een zoekzone te bepalen. | ||
| 7 | Binnen de delen van de zoekzone met de laagste actuele of potentiële natuurwaarden kan de afbakening worden aangepast op basis van socio-economische belangen. Bij een dergelijke aanpassing worden de bepalingen van het derde en vierde lid gerespecteerd en wordt ervoor gezorgd dat de totale oppervlakte van de zoekzone niet kleiner wordt. | ||
| 8 | De zoekzonekaart van 2015, zoals consulteerbaar op de website Geopunt van de Vlaamse administratie, die opgemaakt is voor Europees te beschermen habitats, bevat voor elke speciale beschermingszone die aangewezen is met toepassing van de Habitatrichtlijn, zoekzones voor de Europees te beschermen habitats waarvoor de betreffende speciale beschermingszones zijn aangewezen. Die zoekzones worden geacht afgebakend te zijn overeenkomstig de bepalingen van het derde tot en met het vijfde lid. | ||
| 9 | De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de toepassing van het derde tot en met het vijfde lid. | ||
| 5 | § 2. De administratieve overheid neemt, binnen haar bevoegdheden, ongeacht de bestemming van het betrokken gebied, tevens alle nodige maatregelen om | 10 | § 2. De administratieve overheid neemt, binnen haar bevoegdheden, ongeacht de bestemming van het betrokken gebied, tevens alle nodige maatregelen om |
| 6 | a) elke verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu van de habitats van bijlage I van dit decreet en van de habitats van de soorten vermeld in de bijlagen II, III en IV van dit decreet evenals de niet in bijlage IV van dit decreet genoemde en op het grondgebied van het Vlaamse Gewest geregeld voorkomende soorten trekvogels in een speciale beschermingszone te vermijden; | 11 | a) elke verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu van de habitats van bijlage I van dit decreet en van de habitats van de soorten vermeld in de bijlagen II, III en IV van dit decreet evenals de niet in bijlage IV van dit decreet genoemde en op het grondgebied van het Vlaamse Gewest geregeld voorkomende soorten trekvogels in een speciale beschermingszone te vermijden; |
| 1 | §1. De Vlaamse grondenbank heeft het recht van voorkoop bij verkoop van onroerende goederen : | 1 | §1. De Vlaamse grondenbank heeft het recht van voorkoop bij verkoop van onroerende goederen : |
| 2 | 1° in het VEN, met uitzondering van de onroerende goederen uitgesloten door de Vlaamse Regering; | 2 | 1° in het VEN, met uitzondering van de onroerende goederen uitgesloten door de Vlaamse Regering; |
| 3 | 2° binnen de groen- en bosgebieden en de bosuitbreidingsgebieden en de met al deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, gelegen binnen de speciale beschermingszones; | 3 | 2° binnen de groen- en bosgebieden en de bosuitbreidingsgebieden en de met al deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, gelegen binnen de speciale beschermingszones; |
| 5 | 4° in de afbakening van een natuurinrichtingsproject. | 5 | 4° in de afbakening van een natuurinrichtingsproject. |
| 6 | 5° in de terreinen waar het agentschap het beheer heeft overgenomen met toepassing van artikel 16decies, § 1 en § 2; | 6 | 5° in de terreinen waar het agentschap het beheer heeft overgenomen met toepassing van artikel 16decies, § 1 en § 2; |
| 7 | 6° in een zoekzone afgebakend conform artikel 50septies, § 4, eerste lid, ongeacht de planologische bestemming in de goedgekeurde plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen. Van zodra een dergelijke zoekzone is afgebakend wordt het voorkooprecht dat conform punt 2° bestaat, opgeheven binnen de speciale beschermingszone of -zones in kwestie. | ||
| 7 | 6° binnen het werkingsgebied Turnhouts Vennengebied, vermeld in artikel 41 van het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof, voor zover dat ligt binnen de speciale beschermingszones, vermeld in artikel 2, 43°, a) en c); | ||
| 8 | 7° op de binnen een speciale beschermingszone, vermeld in artikel 2, 43°, | ||
| 9 | a) of c), gelegen gronden die eigendom zijn van een exploitant van een veehouderij waarvoor er een stopzettingsvergoeding werd verleend in uitvoering van artikel 39 van het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof. | ||
| 8 | Onverminderd artikel 8 van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten geldt dit voorkooprecht niet in geval van verkoop van het goed aan leden van erkende bos-groeperingen die voor 20 januari 1998 overeenkomstig artikel 85 van het bosdecreet van 13 juni 1990 werden erkend, voor zover het bovenvermelde goed deel uitmaakt van de kadastrale percelen waarop de erkenning betrekking heeft en de koper reeds onroerende goederen in eigendom of mede-eigendom heeft binnen de omschrijving van de bosgroepering. | 10 | Onverminderd artikel 8 van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten geldt dit voorkooprecht niet in geval van verkoop van het goed aan leden van erkende bos-groeperingen die voor 20 januari 1998 overeenkomstig artikel 85 van het bosdecreet van 13 juni 1990 werden erkend, voor zover het bovenvermelde goed deel uitmaakt van de kadastrale percelen waarop de erkenning betrekking heeft en de koper reeds onroerende goederen in eigendom of mede-eigendom heeft binnen de omschrijving van de bosgroepering. |
| 9 | § 2. ... | ||
| 10 | § 3. ... | ||
| 11 | §2. De Vlaamse Regering kan de nodige maatregelen nemen opdat, in geval het voorkooprecht, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 7°, wordt uitgeoefend, voor de realisatie van stikstofsaneringsmaatregelen, vermeld in artikel 4, §5, derde lid, van het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof, de mogelijkheid gegeven wordt aan de kandidaat-koper, om het onroerend goed in kwestie te verwerven, op voorwaarde dat de kandidaat-koper de vermelde stikstofsaneringsmaatregelen zelf realiseert. | ||
| 12 | §3. ... | ||
| 11 | §4. De Vlaamse regering kan de nodige maatregelen nemen om in geval het voorkooprecht wordt uitgeoefend op een verpacht perceel een vrijwillige grondruil mogelijk te maken. | 13 | §4. De Vlaamse regering kan de nodige maatregelen nemen om in geval het voorkooprecht wordt uitgeoefend op een verpacht perceel een vrijwillige grondruil mogelijk te maken. |
| 12 | Voor voormelde gronden kan slechts een einde gemaakt aan de lopende pacht bij het verstrijken van elke pachtperiode zoals voorzien in artikel 11, 9°, van het Vlaams Pachtdecreet van 13 oktober 2023 tenzij de pachter vroeger afstand doet van zijn pachtrecht. | 14 | Voor voormelde gronden kan slechts een einde gemaakt aan de lopende pacht bij het verstrijken van elke pachtperiode zoals voorzien in artikel 11, 9°, van het Vlaams Pachtdecreet van 13 oktober 2023 tenzij de pachter vroeger afstand doet van zijn pachtrecht. |
| 13 | §5. De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VI, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op dit recht van voorkoop. | 15 | §5. De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VI, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op dit recht van voorkoop. |
| 14 | §6. Het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten is van toepassing op dit recht van voorkoop. | 16 | §6. Het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten is van toepassing op dit recht van voorkoop. |
| 1 | §1. Voor elke speciale beschermingszone wordt een managementplan Natura 2000 opgemaakt. Als meerdere speciale beschermingszones geheel of gedeeltelijk samenvallen, kan voor die speciale beschermingszones een gezamenlijk managementplan Natura 2000 worden opgemaakt. | 1 | §1. Voor elke speciale beschermingszone wordt een managementplan Natura 2000 opgemaakt. Als meerdere speciale beschermingszones geheel of gedeeltelijk samenvallen, kan voor die speciale beschermingszones een gezamenlijk managementplan Natura 2000 worden opgemaakt. |
| 2 | Het managementplan Natura 2000 doorloopt opeenvolgende cyclussen van zes jaar en heeft een tijdshorizon tot uiterlijk 2050. | 2 | Het managementplan Natura 2000 doorloopt opeenvolgende cyclussen van zes jaar en heeft een tijdshorizon tot uiterlijk 2050. |
| 3 | Binnen een plancyclus wordt het managementplan Natura 2000 opgebouwd aan de hand van verschillende, opeenvolgende planversies. De planversies worden opgemaakt op basis van een tussentijdse toetsing van de realisatiegraad van de taakstelling van het plan, en naargelang van de actoren die worden betrokken bij de realisatie van het plan en het type instrumenten die daarvoor achtereenvolgens worden ingezet. De bepalingen die gelden voor het managementplan Natura 2000 zijn ook van toepassing op de planversies. | 3 | Binnen een plancyclus wordt het managementplan Natura 2000 opgebouwd aan de hand van verschillende, opeenvolgende planversies. De planversies worden opgemaakt op basis van een tussentijdse toetsing van de realisatiegraad van de taakstelling van het plan, en naargelang van de actoren die worden betrokken bij de realisatie van het plan en het type instrumenten die daarvoor achtereenvolgens worden ingezet. De bepalingen die gelden voor het managementplan Natura 2000 zijn ook van toepassing op de planversies. |
| 4 | §2. Het managementplan Natura 2000 wordt opgemaakt met het oog op: | 4 | §2. Het managementplan Natura 2000 wordt opgemaakt met het oog op: |
| 5 | 1° het gradueel realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen voor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie, ter uitvoering van artikel 36ter, § 1; | 5 | 1° het gradueel realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen voor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie, ter uitvoering van artikel 36ter, § 1; |
| 6 | 2° het vermijden of het stoppen van de verslechtering van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van Europees te beschermen soorten, waarvoor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie zijn aangemeld of die in die zone of zones voorkomen, ter uitvoering van artikel 36ter, § 2; | 6 | 2° het vermijden of het stoppen van de verslechtering van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van Europees te beschermen soorten, waarvoor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie zijn aangemeld of die in die zone of zones voorkomen, ter uitvoering van artikel 36ter, § 2; |
| 7 | 3° het vermijden of het stoppen van de betekenisvolle verstoring van de Europees te beschermen soorten, waarvoor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie zijn aangemeld of die in die zone of zones voorkomen, ter uitvoering van artikel 36ter, § 2. | 7 | 3° het vermijden of het stoppen van de betekenisvolle verstoring van de Europees te beschermen soorten, waarvoor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie zijn aangemeld of die in die zone of zones voorkomen, ter uitvoering van artikel 36ter, § 2. |
| 8 | De bepaling, vermeld in het eerste lid, 2°, verhindert niet dat te allen tijde maatregelen moeten worden genomen ter uitvoering van artikel 36ter, § 2, of ter uitvoering van andere regelgeving, onder meer maatregelen ter uitvoering van titel XV en titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, in het bijzonder als dat noodzakelijk is om verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu van de Europees te beschermen habitats en soorten en hun leefgebied te vermijden of te beëindigen. | 8 | De bepaling, vermeld in het eerste lid, 2°, verhindert niet dat te allen tijde maatregelen moeten worden genomen ter uitvoering van artikel 36ter, § 2, of ter uitvoering van andere regelgeving, onder meer maatregelen ter uitvoering van titel XV en titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, in het bijzonder als dat noodzakelijk is om verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu van de Europees te beschermen habitats en soorten en hun leefgebied te vermijden of te beëindigen. |
| 9 | §3. Het managementplan Natura 2000 bevat ten minste: | 9 | §3. Het managementplan Natura 2000 bevat ten minste: |
| 10 | 1° een taakstelling voor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie die bestaat uit de inspanningen met betrekking tot het natuurbehoud die nodig worden geacht voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, tijdens de plancyclus in kwestie; | 10 | 1° een taakstelling voor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie die bestaat uit de inspanningen met betrekking tot het natuurbehoud die nodig worden geacht voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, tijdens de plancyclus in kwestie; |
| 11 | 2° een opgave van de acties voor de realisatie van de taakstelling. | 11 | 2° een opgave van de acties voor de realisatie van de taakstelling. |
| 12 | De taakstelling, vermeld in het eerste lid, 1°, geeft ook aan hoe in de speciale beschermingszone of -zones in kwestie wordt bijgedragen tot de realisatie van het bindend gedeelte van de taakstelling, vermeld in artikel 50ter, § 3, 1°, in voorkomend geval met inbegrip van het plan van aanpak, vermeld in artikel 50ter, § 4, tweede lid, 2°. | 12 | De taakstelling, vermeld in het eerste lid, 1°, geeft ook aan hoe in de speciale beschermingszone of -zones in kwestie wordt bijgedragen tot de realisatie van het bindend gedeelte van de taakstelling, vermeld in artikel 50ter, § 3, 1°, in voorkomend geval met inbegrip van het plan van aanpak, vermeld in artikel 50ter, § 4, tweede lid, 2°. |
| 13 | § 4. Met het oog op de ruimtelijke toewijzing van de instandhoudingsdoelstellingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, worden binnen de speciale beschermingszone of -zones in kwestie zoekzones afgebakend. | ||
| 13 | §4. Voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, wordt gebruikgemaakt van de zoekzones die afgebakend zijn overeenkomstig artikel 36ter, §1, derde tot en met vijfde lid. | ||
| 14 | Elke wijziging van de in artikel 36ter, §1, zesde lid, vermelde zoekzonekaart van 2015 gebeurt in het kader van de opmaak van een managementplan Natura 2000, of van een volgende planversie van een vastgesteld managementplan Natura 2000, voor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie. De zoekzonekaart van 2015 wordt tweejaarlijks aangepast, met inachtneming van de bepalingen van het derde tot en met het vijfde lid van artikel 36ter, §1, en rekening houdende met de voortgang van de realisatie van de doelstelling van artikel 4, §5, eerste lid, van het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof, en met de in artikel 49, laatste lid, van hetzelfde decreet vermelde evaluatie. | ||
| 14 | Voor de realisatie van de taakstelling inzake de toestand van het natuurlijk milieu voor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie worden actiegebieden vastgesteld. De actiegebieden gelden voor een bepaald milieueffect of een groep van relevante milieueffecten. | 15 | Voor de realisatie van de taakstelling inzake de toestand van het natuurlijk milieu voor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie worden actiegebieden vastgesteld. De actiegebieden gelden voor een bepaald milieueffect of een groep van relevante milieueffecten. |
| 8 | 1°/5 gebiedstype 3: gebiedstype 3 als vermeld in artikel 14, § 1, vierde lid, 4° : | 8 | 1°/5 gebiedstype 3: gebiedstype 3 als vermeld in artikel 14, § 1, vierde lid, 4° : |
| 9 | 2° grondwater: al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat; | 9 | 2° grondwater: al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat; |
| 10 | 2°/1 Habitatrichtlijngebied: de gebieden, vermeld in artikel 2, 43°, c), van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; | ||
| 11 | 2°/2 groen Habitatrichtlijngebied: Habitatrichtlijngebied dat volgens ruimtelijke uitvoeringsplannen die definitief vastgesteld zijn met toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, in een van de volgende gebieden ligt: | ||
| 12 | a) de gebieden die op provinciale of gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen aangewezen zijn onder de categorie “reservaat en natuur”, vermeld in artikel 2.2.6, §2, tweede lid, 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, of de categorie “bos”, vermeld in artikel 2.2.6, §2, tweede lid, 5°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; | ||
| 13 | b) de gebieden die op gewestelijke, provinciale of gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen aangewezen zijn onder de categorie “overig groen”, vermeld in artikel 2.2.6, §2, tweede lid, 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, voor zover het geen agrarisch gebied met ecologisch belang of agrarisch gebied met overdruk natuurverweving, betreft; | ||
| 10 | 3° kaderrichtlijn Water: de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 (2000/60/EG) tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid; | 14 | 3° kaderrichtlijn Water: de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 (2000/60/EG) tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid; |
| 11 | 4° kwetsbare zone water: een overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de Nitraatrichtlijn aangewezen stuk land; | 15 | 4° kwetsbare zone water: een overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de Nitraatrichtlijn aangewezen stuk land; |
| 1 | § 1. Bij bemesting mogen de opgebrachte meststoffen niet afspoelen. | 1 | § 1. Bij bemesting mogen de opgebrachte meststoffen niet afspoelen. |
| 2 | Bij bemesting worden dierlijke mest en andere meststoffen emissiearm als volgt opgebracht: | 2 | Bij bemesting worden dierlijke mest en andere meststoffen emissiearm als |
| 3 | 1° op grasland met zode-injectie, sleepslangtechniek of sleufkouter; | ||
| 3 | volgt opgebracht: | ||
| 4 | 1° op grasland met zode-injectie, zodenbemester of sleufkouter. Op grasland dat gescheurd zal worden, mogen de meststoffen ook via het direct inwerken na spreiden worden opgebracht; | ||
| 4 | 2° op beteelde landbouwgronden die geen grasland zijn, met mestinjectieof sleepslangtechniek; | 5 | 2° op beteelde landbouwgronden die geen grasland zijn, met mestinjectie, zodenbemester, sleufkouter of sleepslangtechniek; |
| 5 | 3° op niet-beteelde landbouwgrond met mestinjectie of met het in twee opeenvolgende werkgangen uitspreiden en inwerken van de mest, waarbij de mest binnen twee uur na het uitspreiden moet zijn ingewerkt op het perceel in kwestie. Op zaterdagen is het verplicht om de dierlijke mest onmiddellijk in te werken. | ||
| 6 | 3° op niet-beteelde landbouwgrond met mestinjectie of via het direct inwerken van de mest na spreiden. | ||
| 6 | In afwijking van het tweede lid, worden de volgende meststoffen niet-emissiearm opgebracht: | 7 | In afwijking van het tweede lid, worden de volgende meststoffen niet-emissiearm opgebracht: |
| 7 | 1° spuistroom, gft-compost of groencompost; | 8 | 1° spuistroom, gft-compost of groencompost; |
| 13 | 4° vaste dierlijke mest arm aan ammoniakale stikstof en vaste andere meststoffen arm aan ammoniakale stikstof die gebruikt wordt voor bepaalde houtachtige teelten. | 14 | 4° vaste dierlijke mest arm aan ammoniakale stikstof en vaste andere meststoffen arm aan ammoniakale stikstof die gebruikt wordt voor bepaalde houtachtige teelten. |
| 14 | In afwijking van het tweede lid, 3°, worden de vaste dierlijke mest en vaste andere meststoffen die arm zijn aan ammoniakale stikstof binnen 24 uur na de opbrenging ingewerkt. | 15 | In afwijking van het tweede lid, 3°, worden de vaste dierlijke mest en vaste andere meststoffen die arm zijn aan ammoniakale stikstof binnen 24 uur na de opbrenging ingewerkt. |
| 16 | Ureumhoudende kunstmest wordt als volgt opgebracht: | ||
| 17 | 1° via directe inwerking na het spreiden; | ||
| 18 | 2° via injectie; | ||
| 19 | 3° door bij de opbrenging ervan gebruik te maken van ureaseremmers; | ||
| 20 | 4° via door de Vlaamse Regering, na advies van de instanties, vermeld in deel 2, hoofdstuk 2.17, van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, vast te stellen alternatieve methodes die minstens even efficiënt zijn als de methodes, vermeld in punt 1°, 2° en 3°, voor de emissiearme opbrenging van ureumhoudende kunstmeststoffen. | ||
| 21 | Het direct inwerken na spreiden als vermeld in het tweede en het vijfde lid wordt op een van de volgende wijzen uitgevoerd: | ||
| 22 | 1° het spreiden en inwerken van de meststoffen in één enkele werkgang; | ||
| 23 | 2° het spreiden en inwerken van de meststoffen, met verschillende vervoerscombinaties, waarbij voldaan is aan al de volgende voorwaarden: | ||
| 24 | a) bij de start van het spreiden van de meststoffen is op hetzelfde perceel al een tweede vervoerscombinatie aanwezig die de gespreide meststoffen zal inwerken; | ||
| 25 | b) uiterlijk onmiddellijk nadat de eerste opslagtank van de vervoerscombinatie die de mest spreidt, leeg is, wordt er gestart met het inwerken van de gespreide meststoffen; | ||
| 26 | c) er wordt pas gestopt met het inwerken van de gespreide meststoffen als al de gespreide meststoffen ingewerkt zijn. | ||
| 15 | Om gebruik te maken van de afwijking, vermeld in het derde lid, 2°, moet het gehalte aan ammoniakale stikstof, vermeld in het derde lid, 2°, bewezen worden volgens een analyse, uitgevoerd door een erkend laboratorium. | 27 | Om gebruik te maken van de afwijking, vermeld in het derde lid, 2°, moet het gehalte aan ammoniakale stikstof, vermeld in het derde lid, 2°, bewezen worden volgens een analyse, uitgevoerd door een erkend laboratorium. |
| 16 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen ter uitvoering van dit artikel, kan de bemestingstechnieken, vermeld in het eerste lid, nader omschrijvenen kan aan het gebruik van de afwijking, vermeld in het derde lid, 2°, extra voorwaarden verbinden. | 28 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen ter uitvoering van dit artikel, kan de bemestingstechnieken, vermeld in deze paragraaf, nader omschrijven, kan de minimale hoeveelheid ureaseremmers die gebruikt moet worden, bepalen, en kan aan het gebruik van de afwijking, vermeld in het derde lid, 2°, extra voorwaarden verbinden. |
| 17 | § 2. ... | 29 | § 2. ... |
| 18 | § 3. De Vlaamse Regering kan bepalen dat onder welbepaalde voorwaarden voor wetenschappelijke proefnemingen de toelating gegeven kan worden om af te wijken van voorgaande paragrafen. | 30 | § 3. De Vlaamse Regering kan bepalen dat onder welbepaalde voorwaarden voor wetenschappelijke proefnemingen de toelating gegeven kan worden om af te wijken van voorgaande paragrafen. |
| 22 | § 4. Wanneer de aangifteplichtige overleden is of failliet verklaard rust de verplichting tot aangifte in het eerste geval op zijn erfgenamen of legatarissen en in het tweede geval op zijn curator. | 22 | § 4. Wanneer de aangifteplichtige overleden is of failliet verklaard rust de verplichting tot aangifte in het eerste geval op zijn erfgenamen of legatarissen en in het tweede geval op zijn curator. |
| 23 | § 5. Elke aangifteplichtige landbouwer als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, doet elk jaar, per exploitatie, aangifte van de volgende gegevens: | 23 | § 5. Elke aangifteplichtige landbouwer als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, doet elk jaar, per exploitatie, aangifte van de volgende gegevens: |
| 24 | 1° het aantal standplaatsen van de dieren, vermeld in artikel 27, die konden gehouden worden op 1 januari van het lopende kalenderjaar; | 24 | 1° het aantal standplaatsen van de dieren, vermeld in artikel 27, die konden gehouden worden op 1 januari van het lopende kalenderjaar, gespecificeerd per stal; |
| 25 | 2° per diercategorie , het gemiddeld aantal dierenvermeld in artikel 27, die gehouden zijn in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte. De dieren die behoren tot de diersoort rundvee moeten niet vermeld worden; | 25 | 2° per diercategorie en gespecificeerd per stal, het gemiddelde aantal dieren, vermeld in artikel 27, die gehouden zijn in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar van aangifte; |
| 26 | 3° de opslagcapaciteit van mest op 1 januari van het lopende kalenderjaar, uitgedrukt in m®; | 26 | 3° de opslagcapaciteit van mest op 1 januari van het lopende kalenderjaar, uitgedrukt in m®; |
| 27 | 4° de opgeslagen hoeveelheid mest op 1 januari van het lopende kalenderjaar uitgedrukt in m® en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide; | 27 | 4° de opgeslagen hoeveelheid mest op 1 januari van het lopende kalenderjaar uitgedrukt in m® en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide; |
| 32 | 9° de hoeveelheid dierlijke mest, inclusief rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, andere meststoffen en kunstmest, uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide, die in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte, is afgezet op eigen landbouwgrond buiten het Vlaamse Gewest; | 32 | 9° de hoeveelheid dierlijke mest, inclusief rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, andere meststoffen en kunstmest, uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide, die in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte, is afgezet op eigen landbouwgrond buiten het Vlaamse Gewest; |
| 33 | 10° de productie aan voedingswater uitgedrukt in m® en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte; | 33 | 10° de productie aan voedingswater uitgedrukt in m® en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte; |
| 34 | 11° de productie aan spuistroom uitgedrukt in m® en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte. | 34 | 11° de productie aan spuistroom uitgedrukt in m® en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte; |
| 35 | 12° de ammoniakemissiereducerende maatregelen, vermeld in artikel 2, eerste lid, 5°, die op de exploitatie worden toegepast. | ||
| 35 | Ter staving van het gegeven als vermeld in het eerste lid, 5°, beschikt de landbouwer in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte over een overzicht van alle leveringen van kunstmest op zijn bedrijf, gestaafd door de nodige documenten. | 36 | Ter staving van het gegeven als vermeld in het eerste lid, 5°, beschikt de landbouwer in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte over een overzicht van alle leveringen van kunstmest op zijn bedrijf, gestaafd door de nodige documenten. |
| 36 | De Vlaamse Regering kan deze lijst aanvullen of wijzigen. | 37 | De Vlaamse Regering kan deze lijst aanvullen of wijzigen. |
| 38 | §5/1. Elke aangifteplichtige uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, vermeldt in zijn aangifte de hoeveelheid NH3 die er het afgelopen jaar geëmitteerd is, gespecificeerd per NH3-emissiepunt. | ||
| 37 | § 6. De personeelsleden van de Vlaamse Landmaatschappij, de door haar erkende mestvoerders, de derden waarop de Vlaamse Landmaatschappij voor de uitoefening van haar taken een beroep doet, alsmede eenieder die in welke hoedanigheid ook kennis krijgen van de gegevens en inlichtingen, verzameld in uitvoering van dit decreet, zijn gehouden tot geheimhouding ervan. Deze geheimhoudingsverplichting doet geen afbreuk aan de regeling inzake openbaarmaking van milieu-informatie, vermeld in titel II, hoofdstuk 3, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 . Deze geheimhoudingsverplichting is niet van toepassing voor uitwisselingen van gegevens met instanties van de Vlaamse overheid als vermeld in artikel I.3, 1°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. | 39 | § 6. De personeelsleden van de Vlaamse Landmaatschappij, de door haar erkende mestvoerders, de derden waarop de Vlaamse Landmaatschappij voor de uitoefening van haar taken een beroep doet, alsmede eenieder die in welke hoedanigheid ook kennis krijgen van de gegevens en inlichtingen, verzameld in uitvoering van dit decreet, zijn gehouden tot geheimhouding ervan. Deze geheimhoudingsverplichting doet geen afbreuk aan de regeling inzake openbaarmaking van milieu-informatie, vermeld in titel II, hoofdstuk 3, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 . Deze geheimhoudingsverplichting is niet van toepassing voor uitwisselingen van gegevens met instanties van de Vlaamse overheid als vermeld in artikel I.3, 1°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. |
| 38 | De Vlaamse Landmaatschappij mag de gegevens met betrekking tot de gemiddelde veebezetting als vermeld in paragraaf 1, 1°, overmaken aan de OVAM, die deze gegevens mag gebruiken in het kader van haar bevoegdheden rond de ophaling en verwerking van krengen. | 40 | De Vlaamse Landmaatschappij mag de gegevens met betrekking tot de gemiddelde veebezetting als vermeld in paragraaf 1, 1°, overmaken aan de OVAM, die deze gegevens mag gebruiken in het kader van haar bevoegdheden rond de ophaling en verwerking van krengen. |
| 1 | §1. Elke landbouwer als vermeld in artikel 23, §1, die dieren houdtis ertoe gehouden een register bij te houden met betrekking tot de veestapel. In afwijking van het voorgaande moet voor dieren van de diersoort 1° RUNDVEE geen register bijgehouden worden. | 1 | §1. Elke landbouwer als vermeld in artikel 23, §1, die dieren houdt, is ertoe gehouden een register op stalniveau bij te houden voor de veestapel. |
| 2 | Het register, vermeld in het eerste lid, wordt gebruikt voor het bepalen van de gemiddelde veebezetting . Voor dieren van de diersoort 1° RUNDVEE wordt de gemiddelde veebezetting bepaald op basis van de cijfergegevens over de dierenaantallen, vermeld in de databank van Dierengezondheidszorg Vlaanderen vzw. | 2 | Het register, vermeld in het eerste lid, wordt gebruikt om de gemiddelde veebezetting te bepalen. Voor dieren van de diersoort rundvee, vermeld in artikel 27, §1, 1°, wordt de gemiddelde veebezetting bepaald op basis van de cijfergegevens over de dierenaantallen, vermeld in de databank van Dierengezondheidszorg Vlaanderen vzw. |
| 3 | In afwijking van het eerste en het tweede lid kan de Vlaamse Regering ook voor andere dieren dan runderen bepalen dat er geen of slechts een beperkt register moet bijgehouden worden of dat voor het bepalen van de gemiddelde veebezetting andere informatiebronnen dan louter het register, vermeld in het eerste lid, gebruikt worden. | 3 | In afwijking van het eerste en tweede lid kan de Vlaamse Regering bepalen dat er geen register of maar een beperkt register bijgehouden hoeft te worden of dat voor het bepalen van de gemiddelde veebezetting andere informatiebronnen dan louter het register, vermeld in het eerste lid, gebruikt worden. |
| 4 | § 2. Eenieder die minstens 10 000 kg N per jaar, uit kunstmest produceert, verdeelt, importeert of exporteert en deze levert aan verdelers of landbouwers, is ertoe gehouden een register bij te houden met betrekking tot de hoeveelheden en soorten meststoffen, inzonderheid hun gehalte aan N en P2O5 die hij importeert, exporteert, verdeelt of levert aan landbouwers. | 4 | § 2. Eenieder die minstens 10 000 kg N per jaar, uit kunstmest produceert, verdeelt, importeert of exporteert en deze levert aan verdelers of landbouwers, is ertoe gehouden een register bij te houden met betrekking tot de hoeveelheden en soorten meststoffen, inzonderheid hun gehalte aan N en P2O5 die hij importeert, exporteert, verdeelt of levert aan landbouwers. |
| 5 | Uiterlijk vanaf 1 juli 2020 moet het bijhouden van het register, vermeld in deze paragraaf, op een digitale wijze gebeuren waarbij de geregistreerde gegevens geautomatiseerd doorgestuurd worden naar de Mestbank. De Vlaamse Regering kan hiervoor de nadere regels bepalen en zal, als dit digitaal bijhouden en doorsturen niet uiterlijk vanaf 1 juli 2020 gerealiseerd kan worden, extra maatregelen nemen. | 5 | Uiterlijk vanaf 1 juli 2020 moet het bijhouden van het register, vermeld in deze paragraaf, op een digitale wijze gebeuren waarbij de geregistreerde gegevens geautomatiseerd doorgestuurd worden naar de Mestbank. De Vlaamse Regering kan hiervoor de nadere regels bepalen en zal, als dit digitaal bijhouden en doorsturen niet uiterlijk vanaf 1 juli 2020 gerealiseerd kan worden, extra maatregelen nemen. |
| 11 | § 6. Elke landbouwer die percelen landbouwgrond gebruikt, houdt een register bij met betrekking tot de hoeveelheid kunstmest die hij op zijn bedrijf ontvangt en gebruikt. Het gebruik van de kunstmest wordt geregistreerd op perceelsniveau. | 11 | § 6. Elke landbouwer die percelen landbouwgrond gebruikt, houdt een register bij met betrekking tot de hoeveelheid kunstmest die hij op zijn bedrijf ontvangt en gebruikt. Het gebruik van de kunstmest wordt geregistreerd op perceelsniveau. |
| 12 | Uiterlijk vanaf 1 juli 2020 moet het bijhouden van het register, vermeld in deze paragraaf, op een digitale wijze gebeuren waarbij de geregistreerde gegevens geautomatiseerd doorgestuurd worden naar de Mestbank. De Vlaamse Regering kan hiervoor de nadere regels bepalen en zal, als dit digitaal bijhouden en doorsturen niet uiterlijk vanaf 1 juli 2020 gerealiseerd kan worden, extra maatregelen nemen. | 12 | Uiterlijk vanaf 1 juli 2020 moet het bijhouden van het register, vermeld in deze paragraaf, op een digitale wijze gebeuren waarbij de geregistreerde gegevens geautomatiseerd doorgestuurd worden naar de Mestbank. De Vlaamse Regering kan hiervoor de nadere regels bepalen en zal, als dit digitaal bijhouden en doorsturen niet uiterlijk vanaf 1 juli 2020 gerealiseerd kan worden, extra maatregelen nemen. |
| 13 | §7. Elke uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid als vermeld in artikel 23, §1, eerste lid, 3°, registreert per NH3-emissiepunt de ammoniakemissies van zijn uitbating. De uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid zorgt ervoor dat er op zijn uitbating voldoende meetapparatuur aanwezig is om een correcte registratie van de ammoniakemissie van zijn uitbating per NH3-emissiepunt toe te laten. | ||
| 14 | De uitbater van de bewerkings- of verwerkingseenheid bezorgt een overzicht van de NH3-emissiepunten op zijn uitbating aan de Mestbank. Dat overzicht bevat minstens de volgende gegevens: | ||
| 15 | 1° een plan met aanduiding van de aanwezige gebouwen en constructies, en met vermelding, per gebouw of constructie, van alle aanwezige emissiepunten; | ||
| 16 | 2° per emissiepunt, vermeld in punt 1°, de volgende gegevens: | ||
| 17 | a) de x- en y-coördinaten; | ||
| 18 | b) de vermelding of de luchtaanvoer naar het emissiepunt in kwestie op natuurlijke of op mechanische wijze gebeurt, waarbij voor punten waar de luchtaanvoer op mechanische wijze gebeurt, ook per punt de volgende gegevens vermeld worden: | ||
| 19 | 1) de vermelding of de uitstoot van het punt in kwestie verticaal of | ||
| 20 | horizontaal georiënteerd is; | ||
| 21 | 2) de diameter van het emissiepunt in kwestie, bij uitstoot; | ||
| 22 | 3) het debiet van het emissiepunt in kwestie; | ||
| 23 | c) de hoogte van het emissiepunt in kwestie, bij uitstoot; | ||
| 24 | d) de temperatuur van de geëmitteerde lucht. Als de temperatuur van de geëmitteerde lucht kan variëren, de minimale en de maximale temperatuur van de geëmitteerde lucht; | ||
| 25 | e) de meetapparatuur waarmee de NH3-emissie van het emissiepunt in kwestie bepaald zal worden, de exacte locatie waar de meetapparatuur geplaatst is, en de wijze waarop, op basis van de resultaten van meetapparatuur, de ammoniakemissie van dat emissiepunt bepaald zal worden. | ||
| 26 | Bij elke wijziging van de uitbating bezorgt de uitbater aan de Mestbank een nieuw overzicht als vermeld in het tweede lid. | ||
| 27 | De Mestbank kijkt na of op basis van de gegevens, vermeld in het overzicht, alle NH3-emissiepunten van de uitbating opgenomen zijn, zodat de ammoniakemissie van de volledige uitbating geregistreerd wordt, en of de vermelde meetapparatuur afdoende is om de ammoniakemissie per NH3-emissiepunt te bepalen. Als de gegevens, vermeld in het overzicht, onvoldoende zijn, kan de Mestbank de ontbrekende emissiepunten aanduiden of bepalen dat er ontbrekende meetapparatuur geplaatst moet worden. | ||
| 28 | De Mestbank kent voor elk NH3-emissiepunt een identificatienummer toe. | ||
| 29 | De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de toepassing van deze paragraaf en kan extra eisen bepalen voor de meetapparatuur die gebruikt moet worden om de NH3-emissie te bepalen. De Vlaamse Regering kan daarbij bepalen dat de gegevens van die meetapparatuur op automatische wijze aan de Mestbank bezorgd moeten worden, en kan de voorwaarden bepalen waaronder de NH3-emissie van een emissiepunt niet bepaald hoeft te worden op basis van meetapparatuur. De Vlaamse Regering kan nader bepalen op welke wijze het overzicht, vermeld in het tweede lid, aan de Mestbank bezorgd moet worden, en op welke wijze bezwaar kan ingediend worden tegen de beoordeling en in voorkomend geval de aanduiding van ontbrekende emissiepunten of bepaling van ontbrekende meetapparatuur als vermeld in het vierde lid. | ||
| 1 | §1. Bedrijfsontwikkeling is mogelijk door: | 1 | §1. Bedrijfsontwikkeling is mogelijk door: |
| 2 | 1° de overname van nutriëntenemissierechten met annulering van een 25% van de overgenomen nutriëntenemissierechten; | 2 | 1° de overname van nutriëntenemissierechten met annulering van 25% van de overgenomen nutriëntenemissierechten; |
| 3 | De overnemer kan ervoor opteren om 25 percent van de overgenomen nutriëntenemissierechten te verwerken door verwerking van mest afkomstig van het eigen bedrijf in plaats van deze te laten annuleren. De verwerking van 25 percent nutriëntenemissierechten gebeurt in voorkomend geval, bovenop de mestverwerkingsplicht, zoals bepaald in artikel 29. | ||
| 4 | 2° de overname van nutriëntenemissierechten zonder annulering : | 3 | 2° de overname van nutriëntenemissierechten zonder annulering in het kader van een familiale overdracht. |
| 5 | a) ofwel indien alle nutriëntenemissierechten van een bepaald bedrijf overgenomen worden in het kader van een eerste installatie waarbij de overnemer jonger is dan 40 jaar en nog niet beschikt of beschikt heeft over een eigen bedrijf. De nutriëntenemissierechten die in het kader van een eerste installatie worden overgenomen, zijn gedurende drie kalenderjaren volgend op die overname slechts verder overdraagbaar op grond van 1° of op grond van 2°, a). Als de nutriëntenemissierechten worden overgenomen door een vennootschap met rechtspersoonlijkheid, moeten de bij de vennootschap betrokken personen samen minstens 51 % van de aandelen van die rechtspersoon bezitten. Als binnen de drie jaar na de datum waarop de overname van de nutriëntenemissierechten ingaat, de aandelen van de vennootschap met rechtspersoonlijkheid geheel of gedeeltelijk worden overgedragen, waardoor na de overdracht van die aandelen, niet minstens 51 % van de aandelen van die vennootschap nog eigendom zijn van de bij de vennootschap betrokken personen, of als de functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder wordt toegewezen aan een derde die niet jonger is dan 40 jaar of aan een derde die beschikt of beschikt heeft over een eigen bedrijf, dan wordt alsnog ambtshalve een annulering van 25 % van de overgenomen nutriëntenemissierechten doorgevoerd. De annulering gaat in op de eerste dag van de derde maand die volgt op de via beveiligde zending verzonden kennisgevingsbrief van de Mestbank. Als de nutriëntenemissierechten tijdens die tijdsspanne verder worden overgedragen, dan gaat, in afwijking van de bepalingen van de vorige zin, de annulering in op de dag van de verdere overdracht. De annulering van de niet-ingevulde nutriëntenemissierechten die gepaard gaat met de annulering met 25 % van de overgenomen nutriëntenemissierechten, wordt bepaald op grond van de invulling van de nutriëntenemissierechten gedurende de laatste drie gekende kalenderjaren die voorafgaan aan de datum van de overname van de nutriëntenemissierechten; | ||
| 6 | b) ofwel indien de nutriëntenemissierechten worden overgedragen aan een landbouwer, waarvan elke persoon die deel uitmaakt van de overnemende landbouwer : | ||
| 7 | 1° hetzij zelf deel uitmaakt van de overlatende landbouwer; | ||
| 4 | Onder een familiale overdracht als vermeld in het eerste lid, 2°, wordt begrepen een overdracht van nutriëntenemissierechten van een landbouwer naar een landbouwer, waarbij de relatie tussen de overlatende en de overnemende landbouwer, onder een van de volgende gevallen valt: | ||
| 5 | 1° de overnemende landbouwer is de echtgenoot of echtgenote van de overlatende landbouwer; | ||
| 8 | 2° hetzij een bloed- of aanverwant in de nederdalende lijn is van een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van de overlatende landbouwer; | 6 | 2° de overnemende landbouwer is een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de overlatende landbouwer; |
| 9 | 3° hetzij een bloed- of aanverwant is in de tweede graad in de zijlijn van een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van de overlatende landbouwer; | ||
| 10 | 4° hetzij de echtgenoot of echtgenote is van een natuurlijke persoon, die deel uitmaakt van de overlatende landbouwer; | ||
| 11 | 5° hetzij een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid is onder de volgende voorwaarden: | 7 | 3° de overnemende landbouwer is een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid die voldoet aan de volgende twee voorwaarden: |
| 12 | - minstens 80% van de aandelen van de personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid moet eigendom zijn van één of meerdere personen vermeld in punt 1° tot en met punt 4° of punt 6° ; | ||
| 13 | - de zaakvoeder, beherende vennoot of bestuurder van de personenvennootschap moet een persoon zijn, vermeld in in punt 1° tot en met punt 4° of punt 6° . | ||
| 8 | a) minstens 80% van de aandelen van de personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid is eigendom van de overlatende landbouwer, van diens echtgenoot of van een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de overlatende landbouwer; | ||
| 9 | b) elke zaakvoeder, beherende vennoot of bestuurder van de personenvennootschap, is de overlatende landbouwer, diens echtgenoot of een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de overlatende landbouwer; | ||
| 10 | 4° de overnemende landbouwer is, in het geval de overlatende landbouwer een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid betreft, een natuurlijke persoon die voldoet aan de volgende twee voorwaarden: | ||
| 11 | a) de afgelopen drie jaren voorafgaand aan de overdracht waren minstens 80% van de aandelen van de overlatende landbouwer, steeds eigendom van de overnemende landbouwer, van diens echtgenoot of van een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de overnemende landbouwer; | ||
| 12 | b) de afgelopen drie jaren voorafgaand aan de overdracht, was elke zaakvoeder, beherende vennoot of bestuurder van de overlatende landbouwer hetzij de overnemende landbouwer, hetzij diens echtgenoot, hetzij een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de overnemende landbouwer; | ||
| 13 | 5° zowel de overnemende als de overlatende landbouwer zijn een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, en er is voldaan aan de volgende twee voorwaarden: | ||
| 14 | a) de afgelopen drie jaren voorafgaand aan de overdracht waren minstens 80% van de aandelen van de overlatende landbouwer, steeds eigendom van de overnemende landbouwer, van een aandeelhouder van de overnemende landbouwer, of van een echtgenoot of een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van een aandeelhouder van de overnemende landbouwer; | ||
| 15 | b) elke zaakvoeder, beherende vennoot of bestuurder van de overnemende landbouwer, was de afgelopen drie jaren voorafgaand aan de overdracht, door één functie of door een opeenvolging van verschillende functies, hetzij als zaakvoerder, beherend vennoot of bestuurder van de overlatende landbouwer, hetzij als een echtgenoot of een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van een zaakvoerder, beherend vennoot of bestuurder van de overlatende landbouwer, bij de overlatende landbouwer betrokken. | ||
| 16 | Als binnen de vijf jaar na een overdracht als vermeld in het eerste lid, 2°, een nieuwe overdracht van nutriëntenemissierechten gebeurt, kan dit enkel op grond van het eerste lid, 1°, behoudens in het geval de tweede overnemende landbouwer zowel met de eerste overlatende landbouwer als met de tweede overlatende landbouwer, een relatie als vermeld in het tweede lid heeft. | ||
| 14 | Deze nutriëntenemissierechten zijn gedurende de periode van vijf jaar die volgt op de overnamedatum, alleen verder overdraagbaar op grond van punt 1° of op grond van punt 2°, a), of op grond van een inbreng als vermeld in het derde lid. Als binnen vijf jaar na de datum waarop de overdracht van de nutriëntenemissierechten ingaat, de aandelen van de personenvennootschap geheel of gedeeltelijk worden overgedragen, waardoor, na de overdracht van die aandelen niet minstens 80 % van de aandelen van de personenvennootschap nog eigendom zijn van een of meer personen als vermeld in punt 1° tot en met punt 4° of punt 6°, of als na de datum waarop de overdracht van de nutriëntenemissierechten ingaat, een functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder van de overnemende personenvennootschap toch wordt toegewezen aan een derde die niet vermeld is in punt 1° tot en met punt 4° of punt 6°, dan wordt alsnog ambtshalve een annulering van 25% van de overgenomen nutriëntenemissierechten doorgevoerd. De annulering gaat in op de eerste dag van de derde maand die volgt op de via beveiligde zending verzonden kennisgevingsbrief van de Mestbank. Als deze nutriëntenemissierechten tijdens die tijdsspanne verder worden overgedragen, dan gaat, in afwijking van de bepalingen van de vorige zin, de annulering in op de dag van de verdere overdracht. De annulering van de niet-ingevulde nutriëntenemissierechten die gepaard gaat met de annulering met 25% van de nutriëntenemissierechten, wordt bepaald op grond van de invulling van de nutriëntenemissierechten gedurende de laatste drie gekende kalenderjaren die voorafgaan aan de datum van de overname van de nutriëntenemissierechten. | 17 | Als binnen de vijf jaar na een overdracht waarbij de overnemende landbouwer een personenvennootschap is als vermeld in het tweede lid, 3° of 5°, niet langer voldaan is aan een van de twee voorwaarden, vermeld in het tweede lid, 3°, a) of b), respectievelijk 5°, a) of b), wordt alsnog ambtshalve een annulering van 25% van de overgenomen nutriëntenemissierechten doorgevoerd. De annulering gaat in op de eerste dag van de derde maand die volgt op de via beveiligde zending verzonden kennisgevingsbrief van de Mestbank. Als deze nutriëntenemissierechten tijdens die tijdspanne verder worden overgedragen, dan gaat, in afwijking van de bepalingen van de vorige zin, de annulering in op de dag van de verdere overdracht. De annulering van de niet-ingevulde nutriëntenemissierechten die gepaard gaat met de annulering met 25% van de nutriëntenemissierechten, wordt bepaald op grond van de invulling van de nutriëntenemissierechten gedurende de laatste drie gekende kalenderjaren die voorafgaan aan de datum van de overname van de nutriëntenemissierechten. |
| 15 | Indien de nutriëntenemissierechten door de personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid worden overgedragen aan de landbouwer die de inbreng ervan heeft gedaan of aan één of meerdere personen als vermeld in in punt 1° tot en met punt 4° of punt 6° gebeurt de overname eveneens zonder annulering; | ||
| 16 | 6° hetzij een bloed- of aanverwant in opgaande lijn is van een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van een overlatende landbouwer in het geval deze laatste wegens geattesteerde ziekte van lange duur of overlijden niet meer in staat is de exploitatie te voeren. | ||
| 18 | Als de landbouwer bestaat uit een vennootschap wordt elke wijziging van de vennoten, aandeelhouders of bestuurders van de vennootschap waaruit de landbouwer bestaat, beschouwd als een overname van nutriëntenemissierechten, waarbij 25% van de nutriëntenemissierechten van de landbouwer geannuleerd wordt als vermeld in het eerste lid, 1°, tenzij de relatie tussen de vennootschap voor de wijziging en de vennootschap na de wijziging, voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, 5°. | ||
| 17 | Onder « deel uitmaken van een landbouwer » wordt verstaan : het als persoon of als lid van een groepering van personen uitbaten van een exploitatie van de landbouwer; | 19 | Als de overnemende landbouwer bestaat uit een groepering van meerdere personen, moet elk van de personen die deel uitmaken van de groepering, hetzij zelf de overlatende landbouwer zijn, hetzij onder een van de gevallen als vermeld in het tweede lid, 1° tot en met 5°, vallen. |
| 18 | c) ... | ||
| 19 | d) ... | ||
| 20 | e) ... | ||
| 21 | f) ofwel indien de nutriëntenemissierechten worden overgedragen van een landbouwer bestaande uit een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid aan een landbouwer waarvan elke persoon die deel uitmaakt van de overnemende landbouwer een persoon is die voldoet aan een van de voorwaarden beschreven in 1° tot en met 6° en die tegelijk eveneens voldoet aan een van de voorwaarden beschreven in 7° tot en met 12° : | ||
| 22 | 1° het betreft een natuurlijke persoon die op 1 januari 2007 of sedert minstens de drie laatste jaren voorafgaand aan de overdrachtsdatum, ononderbroken zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder was van de overlatende vennootschap; | ||
| 23 | 2° het betreft een bloed- of aanverwant in de nederdalende lijn van de persoon vermeld in 1° ; | ||
| 24 | 3° het betreft een bloed- of aanverwant in de tweede graad in de zijlijn van de persoon vermeld in 1° ; | ||
| 25 | 4° het betreft de echtgenoot of echtgenote van de persoon vermeld in 1° ; | ||
| 26 | 5° het betreft een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid waarvan elke zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder een persoon is als vermeld in 1° tot en met 4° of 6°. De nutriëntenemissierechten zijn gedurende de periode van vijf jaar die volgt op de overnamedatum, alleen verder overdraagbaar op grond van punt 1° of op grond van punt 2°, a). Als binnen de vijf jaar na de datum waarop de overname van de nutriëntenemissierechten ingaat, toch een functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder wordt toegewezen aan een derde die niet vermeld is in punt 1° tot en met punt 4° of punt 6°, dan wordt alsnog een ambtshalve annulering van 25 % van de overgenomen nutriëntenemissierechten doorgevoerd. De annulering gaat in op de eerste dag van de derde maand die volgt op de via beveiligde zending verzonden kennisgevingsbrief van de Mestbank. Als de nutriëntenemissierechten tijdens die tijdsspanne verder worden overgedragen, dan gaat, in afwijking van de bepalingen van de vorige zin, de annulering in op de dag van de verdere overdracht. De annulering van de niet-ingevulde nutriëntenemissierechten die gepaard gaat met de annulering met 25 % van de nutriëntenemissierechten, wordt bepaald op grond van de invulling van de nutriëntenemissierechten gedurende de laatste drie gekende kalenderjaren die voorafgaan aan de datum van de overname van de nutriëntenemissierechten; | ||
| 27 | 6° het betreft een bloed- of aanverwant in opgaande lijn van de persoon vermeld in 1°, als de persoon, vermeld in 1°, wegens geattesteerde ziekte van lange duur of overlijden niet meer in staat is een exploitatie uit te baten; | ||
| 28 | 7° het betreft een natuurlijk persoon die aandeelhouder is in de overlatende vennootschap en die sedert 1 januari 2007, of sedert minstens de drie laatste jaren voorafgaand aan de overdrachtsdatum, ononderbroken, zelf of samen met zijn bloed- of aanverwanten in de nederdalende lijn, zijn bloed- of aanverwanten in de tweede graad in de zijlijn, zijn echtgenoot of echtgenote, en zijn bloed- of aanverwanten in opgaande lijn, alle aandelen van de overlatende vennootschap bezit; | ||
| 29 | 8° het betreft een bloed- of aanverwant in de nederdalende lijn van een aandeelhouder als vermeld in 7° ; | ||
| 30 | 9° het betreft een bloed- of aanverwant in de tweede graad in de zijlijn van een aandeelhouder als vermeld in 7° ; | ||
| 31 | 10° het betreft de echtgenoot of de echtgenote van een aandeelhouder als vermeld in 7° ; | ||
| 32 | 11° het betreft een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid waarbij alle aandelen van de overnemende personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid eigendom zijn van één of meerdere personen vermeld in 7° tot en met 10° of 12°. De nutriëntenemissierechten zijn gedurende de periode van vijf jaar die volgt op de overnamedatum, alleen verder overdraagbaar op grond van punt 1° of op grond van punt 2°, a). Als binnen de vijf jaar na de datum waarop de overdracht van de nutriëntenemissierechten ingaat, de aandelen van de personenvennootschap toch geheel of gedeeltelijk worden overgedragen aan een derde die niet vermeld is in punt 7° tot en met punt 10° of punt 12°, dan wordt alsnog een ambtshalve annulering van 25 % van de overgenomen nutriëntenemissierechten doorgevoerd. De annulering gaat in op de eerste dag van de derde maand die volgt op de via beveiligde zending verzonden kennisgevingsbrief van de Mestbank. Als deze nutriëntenemissierechten tijdens die tijdsspanne verder worden overgedragen, dan gaat, in afwijking van de bepalingen van de vorige zin, de annulering in op de dag van de verdere overdracht. De annulering van de niet-ingevulde nutriëntenemissierechten die gepaard gaat met de annulering met 25 % van de nutriëntenemissierechten, wordt bepaald op grond van de invulling van de nutriëntenemissierechten gedurende de laatste drie gekende kalenderjaren die voorafgaan aan de datum van de overname van de nutriëntenemissierechten; | ||
| 33 | 12° het betreft een bloed- of aanverwant in opgaande lijn van een aandeelhouder vermeld in 7° als deze aandeelhouder wegens geattesteerde ziekte van lange duur of overlijden niet meer in staat is een exploitatie uit te baten; | ||
| 20 | Als de overlatende landbouwer bestaat uit een groepering van meerdere personen, is aan de voorwaarde, vermeld in het tweede lid, voldaan als hetzij de overnemende landbouwer een persoon is die deel uitmaakt van de groepering van meerdere personen waaruit de overlatende landbouwer bestaat, hetzij de overnemende landbouwer met één van de personen die deel uitmaakt van de groepering waaruit de overlatende landbouwer bestaat, een relatie heeft die valt onder een van de gevallen als vermeld in het tweede lid, 1° tot en met 5°. | ||
| 34 | Een aanvraag op grond van dit artikel wordt ongegrond verklaard als blijkt dat op de overdrachtsdatum of in de tijdsspanne tussen de overdrachtsdatum en de datum van de definitieve akteneming van de overdracht, niet voldaan is aan een van de voorwaarden, vermeld in dit artikel. | 21 | Een aanvraag op grond van dit artikel wordt ongegrond verklaard als blijkt dat op de overdrachtsdatum of in de tijdsspanne tussen de overdrachtsdatum en de datum van de definitieve akteneming van de overdracht, niet voldaan is aan een van de voorwaarden, vermeld in deze paragraaf. |
| 35 | De landbouwer brengt met een beveiligde zending de Mestbank op de hoogte van de toewijzing van een functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder, of van een aandelenoverdracht, waarvoor in het eerste lid, 2°, a), b), 5°, f), 5° of 11°, een annulering met 25 % van de overgenomen nutriëntenemissierechten is opgenomen. De melding kan alleen geldig worden gedaan binnen de negentig dagen na de toewijzing van de functie en binnen de negentig dagen na de overdracht van de aandelen. | 22 | Als na een overdracht als vermeld in het tweede lid, 3° of 5°, of het vijfde lid, er een wijziging van een functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder of een aandelenoverdracht gebeurt, brengt de landbouwer met een beveiligde zending de Mestbank op de hoogte van de toewijzing van een functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder, of van een aandelenoverdracht. De melding kan alleen geldig worden gedaan binnen de negentig dagen na de toewijzing van de functie en binnen de negentig dagen na de overdracht van de aandelen. |
| 36 | In het eerste lid, 2°, a), wordt verstaan onder bij de vennootschap betrokken personen: de zaakvoerders, beherende vennoten of bestuurders van de vennootschap. | ||
| 37 | De Vlaamse Regering bepaalt op welke wijze voldaan wordt aan de voorwaarde dat de overnemer jonger moet zijn dan 40 jaar, als vermeld in het eerste lid, 2°, a), wanneer de overnemer een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid is. | ||
| 38 | Voor de toepassing van dit artikel wordt een kapitaalsvennootschap waarvan alle aandelen op naam zijn, gelijkgesteld met een personenvennootschap. | ||
| 39 | De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de uitzonderingen, vermeld in het eerste lid. | 23 | De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot dit artikel. |
| 40 | § 2. Een verhoging van de mestproductie of een nieuwe mestproductie is uitgesloten voor bedrijven waarvoor geheel of gedeeltelijk een stopzettingsvergoeding werd bekomen in het kader van het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van één of meerdere diersoorten. | 24 | § 2. Een verhoging van de mestproductie of een nieuwe mestproductie is uitgesloten voor bedrijven waarvoor geheel of gedeeltelijk een stopzettingsvergoeding werd bekomen in het kader van het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van één of meerdere diersoorten. |
| 1 | De Vlaamse Regering kan een regeling voor het opkopen van nutriëntenemissierechten vaststellen. Het opkopen van nutriëntenemissierechten kan gebiedsgericht in functie van milieuresultaten plaatsvinden. | 1 | §1. De Vlaamse Regering kan een regeling voor het opkopen van nutriëntenemissierechten vaststellen. Het opkopen van nutriëntenemissierechten kan gebiedsgericht in functie van milieuresultaten plaatsvinden. |
| 2 | §2. Als in 2026, bij het onderzoek, vermeld in artikel 55, blijkt dat een of meer van de doelstellingen, vermeld in artikel 55, eerste lid, van het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof, niet gehaald zijn, zal de VLM nutriëntenemissierechten opkopen. Het opkopen van nutriëntenemissierechten zal tot en met 31 december 2027 op vrijwillige basis gebeuren. Na 1 januari 2028 kan ook een regeling voor gedwongen opkoop van nutriëntenemissierechten ingevoerd worden. Bedrijven waarvoor de ammoniakreductie voor de dieren van de diersoort rundvee, vermeld in de tabel in artikel 27, §1, 1°, ten opzichte van de referentiesituatie 2021, al met 15% gedaald is, worden vrijgesteld van een gedwongen opkoop van nutriëntenemissierechten. | ||
| 3 | De opkoop van nutriëntenemissierechten heeft betrekking op landbouwers die beschikken over ingevulde nutriëntenemissierechten. | ||
| 4 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels over de opkoop van nutriënten-emissierechten, vermeld in deze paragraaf, en kan daarbij: | ||
| 5 | 1° bepalen dat het opkopen van nutriëntenemissierechten gebiedsgericht kan gebeuren; | ||
| 6 | 2° bepalen dat het opkopen van nutriëntenemissierechten geheel of gedeeltelijk gericht zal zijn op bepaalde types van bedrijven of dat bepaalde types van bedrijven geheel of gedeeltelijk vrijgesteld zullen zijn van het opkopen van nutriëntenemissierechten; | ||
| 7 | 3° bepalen dat het opkopen van nutriëntenemissierechten geheel of gedeeltelijk gericht zal zijn op nutriëntenemissierechten waarmee in de jaren die voorafgaan aan de opkoop van de nutriëntenemissierechten, dieren van een of meer aangeduide diercategorieën gehouden werden; | ||
| 8 | 4° bepaalde types van bedrijven vrijstellen van een gedwongen opkoop van nutriënten-emissierechten; | ||
| 9 | 5° de nadere regels bepalen voor de vergoedingen die betaald zullen worden aan de landbouwers van wie nutriëntenemissierechten opgekocht werden; | ||
| 10 | 6° de nadere regels bepalen voor landbouwers van wie nutriëntenemissierechten opgekocht worden en die zowel over ingevulde als over niet-ingevulde nutriëntenemissierechten beschikken. | ||
| 11 | §3. Er wordt bij de Mestbank een Stikstofdatabank voor Starters, hierna SDS te noemen, opgericht als de opkoopregelingen van nutriëntenemissierechten succesvol gebleken zijn waardoor de beschikbare nutriëntenemissierechten de ontwikkelingsmogelijkheden voor startende landbouwers beperken. | ||
| 12 | De Vlaamse Regering beoordeelt of voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid. Als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, zal de Vlaamse Regering de SDS oprichten, met dien verstande dat de SDS ten vroegste op 1 januari 2026 opgericht wordt. | ||
| 13 | Als de Vlaamse Regering beslist de SDS op te richten, wordt in de SDS de helft van de nutriëntenemissierechten geplaatst die met toepassing van artikel 31, §2, tweede lid, 2°, geannuleerd worden, vanaf het moment van de oprichting van de SDS. | ||
| 14 | De Vlaamse Regering werkt een regeling uit om de nutriëntenemissierechten, geplaatst in de SDS, toe te wijzen aan startende landbouwers via een gericht doelgroepenbeleid. | ||
| 15 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de oprichting, het beheer en de werking van de SDS en voor de toewijzing van nutriëntenemissierechten vanuit de SDS aan startende landbouwers en kan daarbij: | ||
| 16 | 1° nader bepalen wat onder een startende landbouwer verstaan wordt; | ||
| 17 | 2° de toewijzing van nutriëntenemissierechten vanuit de SDS beperken tot bepaalde types van landbouwers of tot landbouwbedrijven die in bepaalde gebieden gevestigd zijn; | ||
| 18 | 3° voorwaarden opleggen aan het gebruik van nutriëntenemissierechten die vanuit de SDS toegewezen zijn; | ||
| 19 | 4° de toewijzing van nutriëntenemissierechten vanuit de SDS beperken in de tijd; | ||
| 20 | 5° een vergoeding invoeren voor de toewijzing van nutriëntenemissierechten uit de SDS. |
| 1 | §1. Met het oog op het behoud en de versterking van natuurwaarden is op landbouwgronden gelegen in gebieden, aangewezen op gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en sorterend onder de categorie van gebiedsaanduiding "bos" of "reservaat en natuur", definitief vastgesteld met toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, elke vorm van bemesting verboden met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, waarbij twee grootvee-eenheden (GVE) per hectare op jaarbasis worden toegelaten. Dit bemestingsverbod geldt : | 1 | §1. Met het oog op het behoud en de versterking van natuurwaarden is op landbouwgronden gelegen in gebieden, aangewezen op gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en sorterend onder de categorie van gebiedsaanduiding "bos" of "reservaat en natuur", definitief vastgesteld met toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, elke vorm van bemesting verboden met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, waarbij twee grootvee-eenheden (GVE) per hectare op jaarbasis worden toegelaten. Dit bemestingsverbod geldt : |
| 2 | 1° in de voor 1 januari 2009 aangeduide ruimtelijke gebieden, vanaf 1 januari 2009; | 2 | 1° in de voor 1 januari 2009 aangeduide ruimtelijke gebieden, vanaf 1 januari 2009; |
| 3 | 2° in de na 1 januari 2009 aangeduide ruimtelijke gebieden : | 3 | 2° in de na 1 januari 2009 aangeduide ruimtelijke gebieden : |
| 5 | b) als het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, geen gefaseerde inwerkingtreding voorziet, vanaf 1 januari van het jaar volgende op de datum van de definitieve vaststelling van het betrokken gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. | 5 | b) als het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, geen gefaseerde inwerkingtreding voorziet, vanaf 1 januari van het jaar volgende op de datum van de definitieve vaststelling van het betrokken gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. |
| 6 | Tot de vaststelling van de plannen, vermeld in paragraaf 5, kan in afwijking van het eerste lid op de graslanden die potentieel belangrijk zijn een supplementaire bemesting van maximaal 100 kg stikstof uit kunstmest per ha per jaar toegestaan worden, op voorwaarde dat daarover een beheersovereenkomst wordt afgesloten tussen de betrokken landbouwer en de Vlaamse Landmaatschappij, na advies van het Agentschap Natuur en Bos. Die beheersovereenkomst kan nog nadere beperkingen specificeren omtrent de toedieningsperiode van de kunstmest. | 6 | Tot de vaststelling van de plannen, vermeld in paragraaf 5, kan in afwijking van het eerste lid op de graslanden die potentieel belangrijk zijn een supplementaire bemesting van maximaal 100 kg stikstof uit kunstmest per ha per jaar toegestaan worden, op voorwaarde dat daarover een beheersovereenkomst wordt afgesloten tussen de betrokken landbouwer en de Vlaamse Landmaatschappij, na advies van het Agentschap Natuur en Bos. Die beheersovereenkomst kan nog nadere beperkingen specificeren omtrent de toedieningsperiode van de kunstmest. |
| 7 | Met behoud van de toepassing van het eerste lid en van artikel 41ter is met het oog op het behoud en de versterking van natuurwaarden op landbouwgronden in groen Habitatrichtlijngebied elke vorm van bemesting verboden, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, waarbij twee grootvee-eenheden (GVE) per hectare op jaarbasis worden toegelaten. Dat bemestingsverbod geldt: | ||
| 8 | 1° in de ruimtelijke gebieden die voor 1 januari 2028 aangeduid zijn, vanaf 1 januari 2028. In afwijking daarvan geldt voor ruimtelijke uitvoeringsplannen die in een gefaseerde inwerkingtreding voorzien op basis waarvan de bestemming, vermeld in artikel 3, §2, 2°/2, op 1 januari 2029 of later gerealiseerd moet zijn, het bemestingsverbod vanaf 1 januari van het jaar waarin de bestemming, vermeld in artikel 3, §2, 2°/2, gerealiseerd moet zijn; | ||
| 9 | 2° in de ruimtelijke gebieden die na 1 januari 2028 aangeduid zijn: | ||
| 10 | a) als het ruimtelijk uitvoeringsplan in een gefaseerde inwerkingtreding voorziet, vanaf 1 januari van het jaar vanaf wanneer de bestemming, vermeld in artikel 3, §2, 2°/2, gerealiseerd moet zijn; | ||
| 11 | b) als het ruimtelijk uitvoeringsplan niet in een gefaseerde inwerkingtreding voorziet, vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de datum van de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan in kwestie. | ||
| 7 | Als op percelen waar een bemestingsverbod als vermeld in het eerste lid geldt, geen grasland als hoofdteelt of als nateelt aanwezig is, wordt voor de toepassing van dit decreet, voor het betrokken perceel nul als bemestingsnorm toegekend. | 12 | Als op percelen waar een bemestingsverbod als vermeld in het eerste of het derde lid geldt, geen grasland als hoofdteelt of als nateelt aanwezig is, wordt voor de toepassing van dit decreet voor het perceel in kwestie nul als bemestingsnorm toegekend. De Mestbank slaat in de databank van de Mestbank de digitale ruimtelijke inventarisatie op van de landbouwgronden in de gebieden, vermeld in het eerste en het derde lid. |
| 8 | De Mestbank slaat in de databank van de Mestbank de digitale ruimtelijke inventarisatie op van de landbouwgronden gelegen in de gebieden vermeld in het eerste lid. | ||
| 9 | De Vlaamse Regering kan nadere regels stellen. | 13 | De Vlaamse Regering kan nadere regels stellen. |
| 10 | §2. In afwijking van § 1 wordt aan bedrijven ontheffing van het verbod van bemesting gegeven voor die landbouwgronden binnen deze gebieden die: | 14 | §2. In afwijking van paragraaf 1 wordt aan bedrijven ontheffing van het verbod van bemesting gegeven voor de landbouwgronden binnen die gebieden die: |
| 11 | - conform de aangifte op cartografisch materiaal in 2008 voor de voor 1 januari 2009 aangeduide ruimtelijke gebieden; | 15 | 1° conform de aangifte op cartografisch materiaal in 2008 voor de ruimtelijke gebieden die voor 1 januari 2009 aangeduid zijn, behoorden tot de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgronden voor zover het akkers of intensief grasland betreft; |
| 12 | - conform de aangifte op cartografisch materiaal in het jaar voorafgaand aan het jaar van definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voor de na 1 januari 2009 aangeduide ruimtelijke gebieden behoorden tot de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgronden voor zover het akkers of intensief grasland betreft. | 16 | 2° conform de aangifte op cartografisch materiaal in het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voor de ruimtelijke gebieden die na 1 januari 2009 maar voor 1 januari 2027 aangeduid zijn, behoorden tot de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgronden voor zover het akkers of intensief grasland betreft; |
| 17 | 3° conform de aangifte op cartografisch materiaal in het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voor de ruimtelijke gebieden die na 1 januari 2027 aangeduid zijn, behoorden tot de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgronden voor zover het akkers of intensief grasland betreft en voor zover de percelen niet in Habitatrichtlijngebied liggen. | ||
| 13 | In geval van deze ontheffing gelden de bemestingsnormen zoals bedoeld in artikel 13. | 18 | In geval van deze ontheffing gelden de bemestingsnormen zoals bedoeld in artikel 13. |
| 14 | §3. De Mestbank geeft : | 19 | §3. De Mestbank geeft : |
| 15 | - voor de landbouwgronden gelegen in de voor 1 januari 2009 aangeduide gebieden binnen de negentig dagen na 1 januari 2009; | 20 | - voor de landbouwgronden gelegen in de voor 1 januari 2009 aangeduide gebieden binnen de negentig dagen na 1 januari 2009; |
| 16 | - voor de landbouwgronden gelegen in de na 1 januari 2009 aangeduide gebieden binnen de zestig dagen na de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan aan de landbouwers kennis van de landbouwgronden die worden beschouwd als grasland dat valt onder de toepassing van de definities, bedoeld in artikel 3, § 6, 5°, 6°, 7°, 11° en 19°. | 21 | - voor de landbouwgronden gelegen in de na 1 januari 2009 aangeduide gebieden binnen de zestig dagen na de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan aan de landbouwers kennis van de landbouwgronden die worden beschouwd als grasland dat valt onder de toepassing van de definities, bedoeld in artikel 3, § 6, 5°, 6°, 7°, 11° en 19°. |
| 24 | 4° een door de Mestbank aangeduide MER-deskundige erkend in de discipline fauna en flora. | 29 | 4° een door de Mestbank aangeduide MER-deskundige erkend in de discipline fauna en flora. |
| 25 | De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de modaliteiten inzake de inventarisatie, de kennisgeving, de aanvraag tot correctie alsook de oprichting, en de werking van de Verificatiecommissie. | 30 | De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de modaliteiten inzake de inventarisatie, de kennisgeving, de aanvraag tot correctie alsook de oprichting, en de werking van de Verificatiecommissie. |
| 26 | §4. Bij overdracht van een perceel landbouwgrond waarop een ontheffing geldt, vervalt de ontheffing. | 31 | §4. Bij overdracht van een perceel landbouwgrond waarop een ontheffing geldt, vervalt de ontheffing. |
| 27 | In afwijking van het eerste lid, blijft de ontheffing gelden als het gebruiksrecht overgedragen wordt aan de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner van de gebruiker. | 32 | In afwijking van het eerste lid, blijft de ontheffing gelden als het gebruiksrecht overgedragen wordt aan de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner van de gebruiker. |
| 28 | In afwijking van het eerste lid, blijft de ontheffing gelden als het gebruiksrecht van het perceel landbouwgrond wordt overgedragen naar een landbouwer waarvan elke persoon die deel uitmaakt van deze landbouwer : | 33 | In afwijking van het eerste lid, blijft de ontheffing gelden als het gebruiksrecht van het perceel landbouwgrond wordt overgedragen naar een landbouwer waarvan elke persoon die deel uitmaakt van deze landbouwer : |
| 46 | 2° deel uitmaken van een landbouwer : het als persoon of als lid van een groepering van personen uitbaten van een exploitatie van de landbouwer. Een rechtspersoon wordt niet beschouwd als een groepering van personen. | 51 | 2° deel uitmaken van een landbouwer : het als persoon of als lid van een groepering van personen uitbaten van een exploitatie van de landbouwer. Een rechtspersoon wordt niet beschouwd als een groepering van personen. |
| 47 | In afwijking van het eerste lid blijft de ontheffing gelden als het gebruiksrecht van het perceel landbouwgrond, in het kader van de omvorming van een landbouwer met meerdere exploitanten naar een of meer nieuwe landbouwers met één exploitant, waarbij de exploitant van elke nieuwe landbouwer deel uitmaakt van de landbouwer met meerdere exploitanten, wordt overgedragen van de landbouwer met meerdere exploitanten naar een van de nieuwe landbouwers met één exploitant. | 52 | In afwijking van het eerste lid blijft de ontheffing gelden als het gebruiksrecht van het perceel landbouwgrond, in het kader van de omvorming van een landbouwer met meerdere exploitanten naar een of meer nieuwe landbouwers met één exploitant, waarbij de exploitant van elke nieuwe landbouwer deel uitmaakt van de landbouwer met meerdere exploitanten, wordt overgedragen van de landbouwer met meerdere exploitanten naar een van de nieuwe landbouwers met één exploitant. |
| 48 | §5. In plannen conform artikel 48 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu kan in functie van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu, gemoduleerd ontheffing worden verleend van het verbod op bemesting zoals bedoeld in § 1 tot maximum de bemestingsnormen, vermeld in artikel 13. | 53 | §5. In plannen conform artikel 48 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu kan in functie van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu, gemoduleerd ontheffing worden verleend van het verbod op bemesting zoals bedoeld in § 1 tot maximum de bemestingsnormen, vermeld in artikel 13. |
| 49 | In deze plannen kunnen de bemestingsnormen ter stimulering van verdergaande stappen inzake het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu mits vergoeding van de inkomstenverliezen, gemoduleerd verstrengd worden. | 54 | In deze plannen kunnen de bemestingsnormen ter stimulering van verdergaande stappen inzake het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu mits vergoeding van de inkomstenverliezen, gemoduleerd verstrengd worden. |
| 50 | §6. Ontheffing van het verbod, bedoeld in § l, wordt gegeven op de huiskavel, die bestaat op het ogenblik van de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan. | 55 | §6. Ontheffing van het verbod, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt gegeven op de huiskavel, die bestaat op het ogenblik van de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan. |
| 51 | § 7. ... | ||
| 56 | Ontheffing van het verbod, vermeld in paragraaf 1, derde lid, wordt gegeven: | ||
| 57 | 1° voor de ruimtelijke uitvoeringsplannen die voor 1 januari 2023 definitief vastgesteld zijn: op de op 1 januari 2022 tot het bedrijf behorende percelen die tot de huiskavel behoren; | ||
| 58 | 2° voor de ruimtelijke uitvoeringsplannen die na 1 januari 2023 definitief vastgesteld zijn: op de tot het bedrijf behorende percelen die op het ogenblik van de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan tot de huiskavel behoren. | ||
| 59 | §7. Met behoud van de toepassing van paragraaf 4 vervallen op landbouwgronden in Habitatrichtlijngebied de ontheffingen, vermeld in paragraaf 2, op 1 januari 2028. | ||
| 60 | Op landbouwgronden in Habitatrichtlijngebied vervalt de mogelijkheid om een supplementaire bemesting van maximaal 100kg stikstof uit kunstmest, toe te staan als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, op het moment dat het bemestingsverbod waarvoor een compensatievergoeding als vermeld in paragraaf 10, tweede lid, bekomen wordt, ingaat en uiterlijk op 1 januari 2028. | ||
| 52 | §8. Als een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een gebied aanduidt binnen de categorie van gebiedsaanduiding "bos" of "reservaat en natuur", terwijl dat gebied reeds sorteerde onder de categorie van gebiedsaanduiding "bos" of "reservaat en natuur" in het gewestplan of in een vorig gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, dan: | 61 | §8. Als een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een gebied aanduidt binnen de categorie van gebiedsaanduiding "bos" of "reservaat en natuur", terwijl dat gebied reeds sorteerde onder de categorie van gebiedsaanduiding "bos" of "reservaat en natuur" in het gewestplan of in een vorig gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, dan: |
| 53 | 1° wordt voor de landbouwgronden, gelegen in dat gebied geen nieuwe ontheffing, als vermeld in § 2, toegekend; | 62 | 1° wordt voor de landbouwgronden, gelegen in dat gebied geen nieuwe ontheffing, als vermeld in § 2, toegekend; |
| 54 | 2° blijft voor de landbouwgronden, gelegen in dat gebied de op deze landbouwgronden bestaande ontheffing behouden en kan deze ontheffing overeenkomstig de bepalingen van § 4, overgedragen worden, met dien verstande dat voor het bepalen van de overdrachtsmogelijkheden, overeenkomstig § 4, er rekening wordt gehouden met eventuele vroegere overdrachten van deze ontheffing; | 63 | 2° blijft voor de landbouwgronden, gelegen in dat gebied de op deze landbouwgronden bestaande ontheffing behouden en kan deze ontheffing overeenkomstig de bepalingen van § 4, overgedragen worden, met dien verstande dat voor het bepalen van de overdrachtsmogelijkheden, overeenkomstig § 4, er rekening wordt gehouden met eventuele vroegere overdrachten van deze ontheffing; |
| 55 | 3° is § 3 niet van toepassing. | 64 | 3° is § 3 niet van toepassing. |
| 56 | §9. Als met het oog op de realisatie van natuurbehoudsdoelstellingen een inrichtingsproject uitgevoerd wordt in een gebied dat volgens een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan sorteert onder de categorie van gebiedsaanduiding "bos" of "reservaat en natuur", dan kan, in afwijking van dit artikel, tot het aflopen van het inrichtingsproject voor dat gebied de opbrenging van meststoffen tijdelijk worden geregeld via een gebruiksovereenkomst die het Agentschap Natuur en Bos, de NV Waterwegen en Zeekanaal of een andere Vlaamse overheidsinstelling, heeft opgemaakt met de betrokken landbouwer. | 65 | §9. Als met het oog op de realisatie van natuurbehoudsdoelstellingen een inrichtingsproject uitgevoerd wordt in een gebied dat volgens een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan sorteert onder de categorie van gebiedsaanduiding "bos" of "reservaat en natuur", dan kan, in afwijking van dit artikel, tot het aflopen van het inrichtingsproject voor dat gebied de opbrenging van meststoffen tijdelijk worden geregeld via een gebruiksovereenkomst die het Agentschap Natuur en Bos, de NV Waterwegen en Zeekanaal of een andere Vlaamse overheidsinstelling, heeft opgemaakt met de betrokken landbouwer. |
| 57 | Deze mogelijkheid is uitsluitend toepasbaar voor inrichtingsprojecten waarvan de realisatie om dwingende redenen van openbaar belang noodzakelijk is en waarbij het bovendien gaat om : | 66 | Deze mogelijkheid is uitsluitend toepasbaar voor inrichtingsprojecten waarvan de realisatie om dwingende redenen van openbaar belang noodzakelijk is en waarbij het bovendien gaat om : |
| 58 | 1° hetzij inrichtingsprojecten die betrekking hebben op een gebied dat volgens een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan sorteert onder de categorie van gebiedsaanduiding "bos" of "reservaat en natuur" terwijl dat gebied in het gewestplan of in een vorig gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan niet sorteerde onder de categorie van gebiedsaanduiding "bos" of "reservaat en natuur"; | 67 | 1° hetzij inrichtingsprojecten die betrekking hebben op een gebied dat volgens een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan sorteert onder de categorie van gebiedsaanduiding "bos" of "reservaat en natuur" terwijl dat gebied in het gewestplan of in een vorig gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan niet sorteerde onder de categorie van gebiedsaanduiding "bos" of "reservaat en natuur"; |
| 69 | Voor de toepassing van dit artikel wordt onder definitief onteigeningsbesluit verstaan, een onteigeningsbesluit waarvoor de termijn voor het instellen van een vordering bij de Raad van State verstreken is en waartegen geen vordering bij de Raad van State meer hangende is. | 78 | Voor de toepassing van dit artikel wordt onder definitief onteigeningsbesluit verstaan, een onteigeningsbesluit waarvoor de termijn voor het instellen van een vordering bij de Raad van State verstreken is en waartegen geen vordering bij de Raad van State meer hangende is. |
| 70 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de inhoud en de wijze van opmaak van de gebruiksovereenkomst, vermeld in het derde lid, en met betrekking tot de wijze waarop en de termijnen waarbinnen deze gebruiksovereenkomst aan de Mestbank overgemaakt moet worden. | 79 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de inhoud en de wijze van opmaak van de gebruiksovereenkomst, vermeld in het derde lid, en met betrekking tot de wijze waarop en de termijnen waarbinnen deze gebruiksovereenkomst aan de Mestbank overgemaakt moet worden. |
| 80 | §10. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten en overeenkomstig de Europese regels inzake staatssteun, is er een flankerend beleid voor de bemestingsverboden, vermeld in dit artikel en in artikel 41ter, die door het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof, verruimd zijn of versneld ingevoerd zijn. | ||
| 81 | Het flankerend beleid, vermeld in het eerste lid, bestaat uit: | ||
| 82 | 1° een compensatievergoeding van: | ||
| 83 | a) 15.000 euro per hectare voor percelen waarop het bemestingsverbod ingaat op 1 januari 2024; | ||
| 84 | b) 14.375 euro per hectare voor percelen waarop het bemestingsverbod ingaat op 1 januari 2025; | ||
| 85 | c) 13.750 euro per hectare voor percelen waarop het bemestingsverbod ingaat op 1 januari 2026; | ||
| 86 | d) 13.125 euro per hectare voor percelen waarop het bemestingsverbod ingaat op 1 januari 2027; | ||
| 87 | e) 12.500 euro per hectare voor percelen waarop het bemestingsverbod ingaat op 1 januari 2028; | ||
| 88 | 2° een bijkomende vergoeding voor terreininvesteringen; | ||
| 89 | 3° een specifiek flankerend beleid voor landbouwers waarvan op meer dan 20% van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, een verruimde of versnelde invoering van het bemestingsverbod als vermeld in het eerste lid van toepassing is, waardoor de leefbaarheid van het bedrijf ernstig in het gedrang komt. | ||
| 90 | Voor het flankerend beleid, vermeld in het tweede lid, 3°, kunnen de instrumenten, vermeld in deel 2 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, ingezet worden. De Vlaamse Regering zal hiervoor een inrichtingsnota vaststellen, overeenkomstig de bepalingen van deel 4, titel 2, van hetzelfde decreet. | ||
| 91 | De bijkomende vergoeding voor terreininvesteringen als vermeld in het tweede lid, 2°, heeft betrekking op: | ||
| 92 | 1° hetzij nieuwe terreininvesteringen die nodig zijn voor het ontwikkelen van gelijkaardige activiteiten als de activiteiten die uitgevoerd werden op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden waarop een verruimde of versnelde invoering van het bemestingsverbod als vermeld in het eerste lid, van toepassing is; | ||
| 93 | 2° hetzij niet-afgeschreven terreininvesteringen die omwille van het invoeren van de nulbemesting niet meer bruikbaar zijn en die niet heringezet kunnen worden. | ||
| 94 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van deze paragraaf en bepaalt, voor wat betreft het flankerende beleid, vermeld in deze paragraaf: | ||
| 95 | 1° de nadere voorwaarden, gespecificeerd per maatregel van het flankerend beleid, waaraan voldaan moet zijn om toegang te hebben tot het flankerende beleid; | ||
| 96 | 2° de nadere regels aangaande het aanvragen, opvolgen en toekennen van | ||
| 97 | het flankerend beleid. | ||