Bij de begroting 2020 #152
Gemerged Vlaamse Regering voegde 43 artikels samen in circusdecreet-van-1-maart-2019decreet-2016-05-20decreet-2003-07-18 · 15 november 2019 10 checks vragen aandacht
47 artikels gewijzigd
| 1 | § 1. De organisaties, vermeld in artikel 11, 12, 13 en 16, kunnen met subsidies die op basis van dit decreet zijn toegekend, een reserve aanleggen conform het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof. | 1 | § 1. De organisaties, vermeld in artikel 11, 12, 13 en 16, kunnen met subsidies die op basis van dit decreet zijn toegekend, een reserve aanleggen conform artikel 75 en 76 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019. |
| 2 | § 2. De Vlaamse Regering kan voor de subsidies, vermeld in artikel 20 en 21, nader bepalen op welke wijze en wanneer een aanvraagdossier wordt ingediend, en op welke wijze en wanneer beslissingen worden genomen en bekendgemaakt. | 2 | § 2. De Vlaamse Regering kan voor de subsidies, vermeld in artikel 20 en 21, nader bepalen op welke wijze en wanneer een aanvraagdossier wordt ingediend, en op welke wijze en wanneer beslissingen worden genomen en bekendgemaakt. |
| 3 | De Vlaamse Regering kan de procedures voor de beoordeling van de dossiers nader bepalen. | 3 | De Vlaamse Regering kan de procedures voor de beoordeling van de dossiers nader bepalen. |
| 1 | Met de subsidie, vermeld in artikel 2/1, § 1, kan een reserve worden aangelegd conform het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle ervan, en de controle door het Rekenhof. | 1 | Met de subsidie, vermeld in artikel 2/1, § 1, kan een reserve worden aangelegd conform artikel 75 en 76 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019. |
Art. 8. In artikel 4.2.1.2.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, gewijzigd bij de decreten van 21 december 2018 en 26 april 2019, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
“Aan een heffing op de winning van grondwater, hierna genoemd de heffing grondwater, is elke natuurlijke of rechtspersoon onderworpen die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest één of meer van de volgende grondwaterwinningen heeft geëxploiteerd:
1° grondwaterwinningen bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening;
2° grondwaterwinningen van ten minste 30.000 m³ per jaar bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1, §2;
3° grondwaterwinningen van 500 tot minder dan 30.000 m³ per jaar bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1, §2.”.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
Art. 9. In artikel 4.2.2.1.11 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 21 december 2018 en 26 april 2019, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
“Het bedrag van de heffing, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, wordt voor de sectoren 45 en 51, vermeld in bijlage 5, vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,850.”.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
Art. 10. In artikel 4.3.3.5, tweede lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 21 december 2018 en 26 april 2019, wordt de zinsnede “bovengemeentelijke bijdrage als vermeld in artikel 4.3.1.1.1, en een” opgeheven.
Afdeling 2. Decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen – Milieuheffingen OVAM
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 9 | - het ELFM-project betreft een stortplaats; | 9 | - het ELFM-project betreft een stortplaats; |
| 10 | - de afgraving en herontwikkeling is opgenomen in een bodemsaneringsproject of levert een grondstoffen-, energie- of ruimtewinst op; | 10 | - de afgraving en herontwikkeling is opgenomen in een bodemsaneringsproject of levert een grondstoffen-, energie- of ruimtewinst op; |
| 11 | c) vanaf 1 juli 2016 : 15 euro per ton voor het storten van niet-brandbare, niet-recycleerbare slibresidu's afkomstig van PST-installaties op een daarvoor vergunde stortplaats; | 11 | c) vanaf 1 juli 2016 : 15 euro per ton voor het storten op een daarvoor vergunde stortplaats van zandachtige niet-recycleerbare procesresidu's afkomstig van PST-installaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere verwerkingswijzen dan storten onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn; |
| 12 | 7° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van residu's afkomstig van de verwerking van rioolkolkenslib in daartoe vergunde inrichtingen : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017. | 12 | 7° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van residu's afkomstig van de verwerking van rioolkolkenslib in daartoe vergunde inrichtingen : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017. |
| 13 | 8° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van slibresidu's afkomstig van de reiniging van zeefzand in daartoe vergunde bedrijven : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017. | 13 | 8° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van slibresidu's afkomstig van de reiniging van zeefzand in daartoe vergunde bedrijven : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017. |
| 14 | 9° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van geïmmobiliseerde niet-brandbare afvalstoffen afkomstig van daartoe vergunde bedrijven, op voorwaarde dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van de stortplaats : 23 euro per ton. Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 30 euro per ton. Ook in geval van export naar een ander gewest of lidstaat geldt het tarief slechts voor niet-brandbare afvalstoffen waarvoor wordt aangetoond dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de in het Vlaamse Gewest geldende voorwaarden voor het storten van de betreffende afvalstoffen; | 14 | 9° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van geïmmobiliseerde niet-brandbare afvalstoffen afkomstig van daartoe vergunde bedrijven, op voorwaarde dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van de stortplaats : 23 euro per ton. Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 30 euro per ton. Ook in geval van export naar een ander gewest of lidstaat geldt het tarief slechts voor niet-brandbare afvalstoffen waarvoor wordt aangetoond dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de in het Vlaamse Gewest geldende voorwaarden voor het storten van de betreffende afvalstoffen; |
| 15 | 10° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ijzeroxide afvalstoffen van de zinkproductie bekend onder de naam jarosiet en goethiet : 5 euro per ton; | 15 | 10° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ijzeroxide afvalstoffen van de zinkproductie bekend onder de naam jarosiet en goethiet : 5 euro per ton; |
| 16 | 11° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gips of calciumchloride afvalstoffen van de productie van fosforzuur en van metallurgische processen : 1 euro per ton; Vanaf 1 januari 2019 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gipshoudend slib van de productie van calciumchloride en van loodslakken van metallurgische processen. Voor de aanslagjaren 2013 en 2015 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten, dat overeenkomstig het advies van de OVAM niet gerecycleerd kan worden. Vanaf 1 juli 2016 tot en met 2019 geldt dit tarief ook voor niet-recycleerbare residu's van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten. Dit tarief geldt voor een hoeveelheid die voor 2016 15 % en voor 2017, 2018 en 2019 10 % bedraagt van de hoeveelheid selectief ingezameld gipsafval dat bij betreffende bedrijven wordt aangevoerd; | 16 | 11° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gips of calciumchloride afvalstoffen van de productie van fosforzuur en van metallurgische processen : 1 euro per ton; Vanaf 1 januari 2019 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gipshoudend slib van de productie van calciumchloride en van loodslakken van metallurgische processen. Voor de aanslagjaren 2013 en 2015 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten, dat overeenkomstig het advies van de OVAM niet gerecycleerd kan worden. Vanaf 1 juli 2016 tot en met 2022 geldt dit tarief ook voor niet-recycleerbare residu's van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten. Dit tarief geldt voor een hoeveelheid die voor 2016 15 % en voor vanaf 2017 tot en met 2022 10 % bedraagt van de hoeveelheid selectief ingezameld gipsafval dat bij betreffende bedrijven wordt aangevoerd; |
| 17 | 12° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ertsresten van de productie van titaandioxidepigmenten volgens het chloorproces : 5 euro per ton; | 17 | 12° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ertsresten van de productie van titaandioxidepigmenten volgens het chloorproces : 5 euro per ton; |
| 18 | 13° voor het storten op een vergunde stortplaats van baggerspecie : 0,1 euro per ton; | 18 | 13° voor het storten op een vergunde stortplaats van baggerspecie : 0,1 euro per ton; |
| 25 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. | 25 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. |
| 26 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. | 26 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. |
| 27 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor de verwerking van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. | 27 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. |
| 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. | 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. |
| 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. | 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. |
| 123 | Het nultarief geldt zowel voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen en ongevaarlijke slibs die rechtstreeks naar de verbrandings- of meeverbrandingseenheid worden overgebracht als voor de afvalstoffen en slibs die na een nuttige voorbehandeling in een daartoe vergunde inrichting, al of niet samen met Vlaamse afvalstoffen, worden verbrand of meeverbrand. | 123 | Het nultarief geldt zowel voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen en ongevaarlijke slibs die rechtstreeks naar de verbrandings- of meeverbrandingseenheid worden overgebracht als voor de afvalstoffen en slibs die na een nuttige voorbehandeling in een daartoe vergunde inrichting, al of niet samen met Vlaamse afvalstoffen, worden verbrand of meeverbrand. |
| 124 | Onverminderd de bepalingen hierboven geldt het nultarief slechts voor die hoeveelheden die overeenkomstig de goedkeuring van OVAM aan de gestelde voorwaarden voldoen en volledig traceerbaar zijn; | 124 | Onverminderd de bepalingen hierboven geldt het nultarief slechts voor die hoeveelheden die overeenkomstig de goedkeuring van OVAM aan de gestelde voorwaarden voldoen en volledig traceerbaar zijn; |
| 125 | 7° voor wat betreft het in het Vlaamse Gewest geproduceerd papier- en kartonafval dat wordt overgebracht naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen voor nuttige toepassing met EU-code R3 of wordt opgeslagen in afwachting van de overbrenging naar een dergelijke vergunde inrichting met het oog op de onderwerping aan handelingen met EU-code R3: de recyclageresidu's afkomstig van dit papier- en kartonafval. | 125 | 7° voor wat betreft het buiten het Vlaamse Gewest ingezameld en in het Vlaamse Gewest gesorteerd papier- en kartonafval dat wordt overgebracht naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen voor nuttige toepassing met EU-code R3 of wordt opgeslagen in afwachting van de overbrenging naar een dergelijke vergunde inrichting met het oog op de onderwerping aan handelingen met EU-code R3: de recyclageresidu's afkomstig van dit papier- en kartonafval. |
| 126 | In het eerste lid, 1°, wordt onder asbesthoudende afvalstoffen verstaan : afvalstoffen geheel of gedeeltelijk bestaande uit keramische vezels met gelijkaardige carcinogene eigenschappen. | 126 | In het eerste lid, 1°, wordt onder asbesthoudende afvalstoffen verstaan : afvalstoffen geheel of gedeeltelijk bestaande uit keramische vezels met gelijkaardige carcinogene eigenschappen. |
| 127 | § 4. De volgende activiteiten zijn niet aan een milieuheffing onderworpen : | 127 | § 4. De volgende activiteiten zijn niet aan een milieuheffing onderworpen : |
| 1 | § 1. In dit decreet wordt verstaan onder: | ||
| 2 | 1° entiteit: een koepelterm voor zowel een woongelegenheid in een woonzorgcentrum, een verblijfseenheid in een centrum voor kortverblijf of een centrum voor herstelverblijf of een centrum voor dagverzorging, als een assistentiewoning in een groep van assistentiewoningen; | ||
| 3 | 2° gebruiker: iedere natuurlijke persoon die vanuit een verminderd zelfzorgvermogen een beroep doet of kan doen op woonzorg; | ||
| 4 | 3° geïntegreerde zorg en ondersteuning: het op operationeel en organisatorisch niveau samenwerken van alle betrokken zorg- en welzijnsactoren en initiatieven van vrijwillige en informele zorg in het streven naar een samenhangende en continue zorg en ondersteuning aan de gebruiker en zijn mantelzorgers, waarbij de zorg- en ondersteuningsvraag en de context van de gebruiker het uitgangspunt vormen en dat gedurende de hele levensloop; | ||
| 5 | 4° initiatiefnemer: de rechtspersoon die een woonzorgvoorziening of een vereniging uitbaat of zal uitbaten; | ||
| 6 | 5° integrale zorg en ondersteuning: de zorg en ondersteuning die een persoon met een zorg- en ondersteuningsvraag als geheel benadert, rekening houdend met aspecten van medische, psychosociale, levensbeschouwelijke en culturele aard en ook met factoren uit het dagelijks leven; | ||
| 7 | 5°/1 koepelorganisatie: een vennootschap naar Belgisch of buitenlands recht, een vzw, een stichting of een vereniging naar buitenlands recht met rechtspersoonlijkheid die rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel mag uitkeren of bezorgen behalve voor het in de statuten bepaalde belangeloze doel waarin erkende woonzorgvoorzieningen of verenigingen vertegenwoordigd zijn, en die de belangen van die woonzorgvoorzieningen of verenigingen behartigt; | ||
| 8 | 6° mantelzorger: de natuurlijke persoon die vanuit een sociale en emotionele band een of meer personen met verminderd zelfzorgvermogen, niet beroepshalve maar meer dan occasioneel, helpt en ondersteunt in het dagelijkse leven; | ||
| 9 | 7° natuurlijk thuismilieu: de plaats waar de gebruiker effectief woont of inwoont, met uitsluiting van het woonzorgcentrum; | ||
| 10 | 8° oppashulp: het aanbod dat erin bestaat de gebruiker gezelschap te bieden en toezicht op hem te houden bij afwezigheid of ter ondersteuning van de mantelzorg; | ||
| 11 | 9° ouderen: de personen van 65 jaar of ouder; | ||
| 12 | 10° preventie: het geheel van maatregelen die doelgericht genomen of gepland worden in een bepaalde woon- en zorgcontext die anticiperen op bepaalde risico's met als doel de gezondheid en het welzijn van de gebruiker te behouden of te verbeteren; | ||
| 13 | 11° respijtzorg: een tijdelijke overname van de zorg voor de gebruiker met als doel de mantelzorger te ontlasten; | ||
| 14 | 12° revalidatie: de zorg en ondersteuning gericht op het opheffen of verminderen van stoornissen, beperkingen en handicaps, met als doel het maatschappelijk functioneren van de gebruiker te optimaliseren; | ||
| 15 | 13° thuiszorg: de zorg aan huis of buitenshuis die er specifiek op gericht is de gebruiker te ondersteunen of te handhaven in zijn natuurlijk thuismilieu; | ||
| 16 | 14° thuiszorgvoorziening: een woonzorgvoorziening die thuiszorg aanbiedt, zijnde een dienst voor gezinszorg, een dienst voor oppashulp, een dienst voor thuisverpleging, een dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds, een dienst voor gastopvang, een centrum voor dagverzorging, een centrum voor kortverblijf of een centrum voor herstelverblijf; | ||
| 17 | 15° vereniging: een vereniging voor mantelzorgers en gebruikers; | ||
| 18 | 16° verenigingswerker: de natuurlijke persoon die activiteiten uitvoert als vermeld in artikel 3 van de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie; | ||
| 19 | 17° vrijwilliger: de natuurlijke persoon die zijn activiteiten uitvoert, op vrijwillige basis onbezoldigd en in een georganiseerd verband; | ||
| 20 | 18° woonzorg: alle activiteiten in dit decreet die de woonzorgvoorzieningen of verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers aanbieden; | ||
| 21 | 19° woonzorgvoorziening: een lokaal dienstencentrum, een thuiszorgvoorziening, een groep van assistentiewoningen of een woonzorgcentrum; | ||
| 22 | 20° zelfzorgvermogen: het vermogen om als natuurlijke persoon beslissingen en acties in het dagelijkse leven uit te voeren om te voldoen aan zijn basisbehoeften, en de bijbehorende activiteiten. Die activiteiten kunnen onder meer betrekking hebben op de uitvoering van huishoudelijke activiteiten, het leggen van sociale contacten en de mogelijkheid om zich te ontplooien en zich te oriënteren in tijd en ruimte; | ||
| 23 | 21° zorg en ondersteuning: één activiteit of het geheel van activiteiten in het kader van het gezondheids- of welzijnsbeleid, die uitgevoerd worden in het kader van dit decreet. Met zorg en ondersteuning wordt gelijkgesteld: hulp- en dienstverlening; | ||
| 24 | 22° zorg- en ondersteuningsplan: een werkinstrument waarin, na vraagverheldering of indicatiestelling, op aangeven van en in samenspraak met de gebruiker de zorg- en ondersteuningsdoelstellingen en de afspraken over de geplande zorg en ondersteuning voor een persoon met een zorg- en ondersteuningsvraag zijn opgenomen, en dat toegankelijk is voor de persoon zelf en de betrokken informele en professionele zorg- en welzijnsactoren; | ||
| 25 | 23° zorg- en ondersteuningsvraag: de nood aan zorg en ondersteuning die door de gebruiker of zijn omgeving subjectief aangevoeld of objectief vastgesteld wordt. | ||
| 26 | § 2. Met de gebruiker, vermeld in paragraaf 1, 2°, wordt ook zijn vertegenwoordiger bedoeld. | ||
| 27 | In deze paragraaf wordt verstaan onder vertegenwoordiger: de natuurlijke persoon die in plaats van de gebruiker optreedt bij alle handelingen die de gebruiker moet stellen in het kader van dit decreet, voor zover en zolang deze niet in staat is om zijn rechten zelf uit te oefenen. |
| 1 | § 1. Onverminderd de financiering in het kader van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en in het kader van het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden, kan de Vlaamse Regering, binnen de begrotingskredieten, subsidies verlenen aan woonzorgvoorzieningen, verenigingen en koepelorganisaties. | ||
| 2 | De subsidies, vermeld in het eerste lid, mogen niet hetzelfde voorwerp hebben als financieringen in het kader van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming. | ||
| 3 | § 2. Als in uitvoering van dit decreet staatssteun in de zin van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt verleend aan een onderneming, wordt die staatssteun toegekend met inachtneming van het besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen. |
| 1 | De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de aanvraag, de vaststelling, de toekenning en de vereffening van de subsidie. | ||
| 2 | Bij het bepalen van de subsidie aan een woonzorgvoorziening, vereniging of koepelorganisatie legt de Vlaamse Regering de opdrachten vast die deze woonzorgvoorziening, vereniging of koepelorganisatieverricht, alsook desgevallend de personeelsformatie die ze moet inzetten, de subsidievoorwaarden waaraan ze moet voldoen, de resultaten die ze moet bereiken en de wijze waarop de subsidie verantwoord moet worden. |
| 1 | § 1. In dit artikel wordt verstaan onder de algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG. | ||
| 2 | § 2. Woonzorgvoorzieningen, verenigingen, partnerorganisaties als vermeld in artikel 60 en projecten als vermeld in artikel 61, verzamelen op een gestructureerde, systematische wijze gegevens over de gebruikers, hun mantelzorgers, de personeelsleden, vrijwilligers, verenigingswerkers en de bestuurders van de woonzorgvoorziening of vereniging, de aard van de zorg- en ondersteuningsvraag, de geboden woonzorg, de kwaliteit en het effect ervan, met als doel: | ||
| 3 | 1° over de noodzakelijke informatie te beschikken die nodig is voor de zorg en ondersteuning aan de gebruiker, zodat de zorg en ondersteuning verleend door de woonzorgvoorziening zelf of in samenwerking met andere zorg- en welzijnsactoren passend wordt afgestemd op de evoluerende zorg- en ondersteuningsvraag van de gebruiker en het zorg- en ondersteuningstraject per gebruiker kan worden opgevolgd en bijgestuurd, waar nodig; | ||
| 4 | 2° aan de Vlaamse overheid gegevens te bezorgen om haar in staat te stellen de woonzorg passend te financieren en haar woonzorgbeleid af te stemmen op de evoluerende maatschappelijke behoeften en de kwaliteit van de geboden woonzorg te monitoren conform het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen. Die gegevens zijn, waar mogelijk, geanonimiseerd; | ||
| 5 | 3° over de noodzakelijke informatie over de bekwaamheid en integriteit van de personeelsleden, vrijwilligers, verenigingswerkers en bestuurders te beschikken die noodzakelijk is om een kwaliteitsvol zorg- en ondersteuningsaanbod te kunnen garanderen en waar nodig bijzondere maatregelen te kunnen treffen. | ||
| 6 | § 3. De persoonsgegevens die verzameld worden in het kader van dit decreet, worden verwerkt conform de regelgeving over de bescherming bij de verwerking van persoonsgegevens. De verwerking van persoonsgegevens is gebaseerd op artikel 6, eerste lid, 1), e), en artikel 10 van de algemene verordening gegevensbescherming en, wat gegevens over gezondheid als vermeld in artikel 9, eerste lid, van de algemene verordening gegevensbescherming betreft, op artikel 9, tweede lid, 2), h), van de algemene verordening gegevensbescherming. | ||
| 7 | De gegevens over gezondheid, vermeld in het eerste lid, worden verwerkt conform artikel 9, derde lid, van de algemene verordening gegevensbescherming, door of onder de verantwoordelijkheid van een beroepsbeoefenaar die aan het beroepsgeheim is gebonden, of door een andere persoon die tot geheimhouding is gehouden. De Vlaamse Regering specificeert welke personen of instanties toegang hebben tot voormelde gezondheidsgegevens. | ||
| 8 | De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats met respect voor de rechten van de betrokken gebruikers en mantelzorgers. | ||
| 9 | § 4. In het kader van de uitvoering van hun bevoegdheden en taken, waaronder deze vermeld in artikel 4, § 1, eerste lid, 14°, artikel 18, eerste lid, 2°, artikel 34, paragraaf 1, eerste lid, 9°, en artikel 38, derde lid, verzamelen en verwerken woonzorgvoorzieningen, verenigingen, partnerorganisaties als vermeld in artikel 60 en projecten als vermeld in artikel 61, minstens volgende gegevens: | ||
| 10 | 1° de persoonsgegevens met het oog op de identificatie van de betrokken gebruiker, zijn vertegenwoordiger en zijn mantelzorgers, in voorkomend geval externe zorgverstrekkers; | ||
| 11 | 2° de gezondheidsgegevens over de gebruiker die relevant zijn voor zorg en ondersteuning; | ||
| 12 | 3° de gegevens met betrekking tot de te verlenen zorg en ondersteuning; | ||
| 13 | 4° de persoonsgegevens met het oog op de identificatie van de personeelsleden, vrijwilligers, verenigingswerkers en de bestuurders; | ||
| 14 | 5° de gegevens met betrekking tot de bekwaamheid en integriteit van de personeelsleden, vrijwilligers, verenigingswerkers en de bestuurders, met name: | ||
| 15 | a) de genoten opleiding; | ||
| 16 | b) een uittreksel uit het strafregister. | ||
| 17 | De Vlaamse Regering kan, na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, vermeld in artikel 4, 21), van de algemene verordening gegevensbescherming, de lijst van gegevens, vermeld in het eerste lid, inclusief de gezondheidsgegevens, vermeld in artikel 4, 15), van voormelde verordening, nader preciseren. | ||
| 18 | De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, vermeld in artikel 4, 21), van de algemene verordening gegevensbescherming: | ||
| 19 | 1° de regels voor en de wijze van verwerking van de gegevens; | ||
| 20 | 2° de termijn gedurende welke de verwerkte persoonsgegevens maximaal zullen worden bewaard; | ||
| 21 | 3° de instanties waaraan de persoonsgegevens zullen worden verstrekt; | ||
| 22 | 4° de vorm waarin en de wijze waarop gegevens worden uitgewisseld. | ||
| 23 | § 5. Met het oog op de uitvoering van de bevoegdheden en taken, geregeld bij of krachtens dit decreet, worden persoonsgegevens van de gebruiker, inclusief gegevens als vermeld in artikel 4, 15), van de algemene verordening gegevensbescherming, en de persoonsgegevens van de personeelsleden, vrijwilligers, verenigingswerkers en bestuurders verwerkt door: | ||
| 24 | 1° het Agentschap Zorg en Gezondheid; | ||
| 25 | 2° het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. | ||
| 26 | De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, vermeld in artikel 4, 21), van de algemene verordening gegevensbescherming: | ||
| 27 | 1° welke gegevens worden verzameld, inclusief de gezondheidsgegevens, vermeld in artikel 4, 15), van voormelde verordening; | ||
| 28 | 2° de regels voor en de wijze van verwerking van de gegevens; | ||
| 29 | 3° de termijn gedurende welke de verwerkte persoonsgegevens maximaal zullen worden bewaard; | ||
| 30 | 4° de instanties waaraan de persoonsgegevens zullen worden verstrekt; | ||
| 31 | 5° de vorm waarin en de wijze waarop gegevens worden uitgewisseld. | ||
| 32 | § 6. De verwerkingsverantwoordelijken in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming zijn: | ||
| 33 | 1° het Agentschap Zorg en Gezondheid voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de passende financiering van de woonzorgvoorzieningen, de monitoring en handhaving met betrekking tot de geboden woonzorg en de bekwaamheid en integriteit van de personeelsleden, vrijwilligers, verenigingswerkers en bestuurders; | ||
| 34 | 2° het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin voor het uitoefenen van toezicht op de erkenningsvoorwaarden en de kwaliteit van de geboden woonzorg; | ||
| 35 | 3° de woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor wat betreft de verwerking van persoonsgegevens in het kader van hun opdrachten en hun zorgrelatie met de gebruiker; | ||
| 36 | 4° de partnerorganisaties, vermeld in artikel 60, en de projecten, vermeld in artikel 61, in het kader van hun opdrachten en hun zorgrelatie met de gebruiker. | ||
| 37 | De Vlaamse Regering bepaalt welke technische en organisatorische maatregelen de verwerkingsverantwoordelijke moet treffen ter bescherming van de persoonsgegevens conform artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming. |
| 1 | § 1. De bedragen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid en, in voorkomend geval, de inkomensgrenzen, vermeld in de delen 1 en 3 van boek 2 en deel 2 van boek 5, worden gekoppeld aan de afgevlakte gezondheidsindex. | 1 | § 1. De bedragen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid en, in voorkomend geval, de inkomensgrenzen, vermeld in de delen 1 en 3 van boek 2 en deel 2 van boek 5, worden gekoppeld aan de afgevlakte gezondheidsindex. |
| 2 | Die bedragen zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,04 (basis 2013 = 100). | 2 | Die bedragen zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,04 (basis 2013 = 100). |
| 3 | De koppeling aan de afgevlakte gezondheidsindex uit het eerste lid wordt beëindigd vanaf 1 januari 2020. | ||
| 4 | De bedragen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, en in voorkomend geval, de inkomensgrenzen, vermeld in delen 1 en 3 van boek 2 en deel 2 van boek 5, die ingevolge de koppeling uit het eerste lid en de toepassing van het tweede lid, werden bekomen op 31 december 2019, worden vanaf 1 januari 2020 jaarlijks op 1 september verhoogd met een index van 2 %. | ||
| 5 | In afwijking van het voorgaande lid start de jaarlijkse verhoging met een index van 2 %, zoals opgenomen in het vorige lid, voor het bedrag voor het derde jongste kind en oudere kinderen, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, en het bedrag van de leeftijdsbijslagen, vermeld in artikel 212, § 1 en § 2, en artikel 213, zoals die voor deze bedragen ingevolge de koppeling uit het eerste lid werden bekomen op 31 december 2019, vanaf 1 september 2025. | ||
| 3 | § 2. Als ingevolge de toepassing van paragraaf 1 de bedragen van de toelagen eindigen op een gedeelte van een cent, wordt het uit te betalen bedrag vastgesteld zonder rekening te houden met het gedeelte van een cent als dat minder dan 0,5 cent bedraagt. Als het gedeelte 0,5 cent of meer bedraagt, wordt het voor een cent gerekend. | 6 | § 2. Als ingevolge de toepassing van paragraaf 1 de bedragen van de toelagen eindigen op een gedeelte van een cent, wordt het uit te betalen bedrag vastgesteld zonder rekening te houden met het gedeelte van een cent als dat minder dan 0,5 cent bedraagt. Als het gedeelte 0,5 cent of meer bedraagt, wordt het voor een cent gerekend. |
| 4 | De afronding op een cent naar boven of naar beneden wordt gedaan op het totaal uit te betalen bedrag voor het rechtgevende kind, het rechthebbende kind of de rechthebbende leerling. | 7 | De afronding op een cent naar boven of naar beneden wordt gedaan op het totaal uit te betalen bedrag voor het rechtgevende kind, het rechthebbende kind of de rechthebbende leerling. |
| 5 | § 3. De bedragen en de inkomensgrenzen van de selectieve participatietoeslagen worden geïndexeerd zoals de bedragen, vermeld in artikel 46 van het decreet van 8 juni 2007. De bedragen en inkomensgrenzen die in de artikelen 43, 46, 47 en 48 van dit decreet zijn opgenomen, zijn deze voor het schooljaar 2019-2020. | 8 | § 3. De bedragen en de inkomensgrenzen van de selectieve participatietoeslagen worden geïndexeerd zoals de bedragen, vermeld in artikel 46 van het decreet van 8 juni 2007. De bedragen en inkomensgrenzen die in de artikelen 43, 46, 47 en 48 van dit decreet zijn opgenomen, zijn deze voor het schooljaar 2019-2020. |
| 6 | § 4. De bedragen bepaald door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 103, § 2, worden, met toepassing van paragraaf 1, tweede lid, en paragraaf 2, tweede lid, gekoppeld aan de afgevlakte gezondheidsindex. | 9 | § 4. De bedragen bepaald door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 103, § 2, worden, met toepassing van paragraaf 1, tweede lid, en paragraaf 2, tweede lid, gekoppeld aan de indexmechanismen uit het eerste lid, rekening houdend met de toepassing van het derde lid van de eerste paragraaf, en het vierde lid van de eerste paragraaf. |
| 1 | § 1. Het Fonds voor verwerking en analyse van gezondheidsindicatoren ten behoeve van derden, de uitvoering van het protocolakkoord van 20 maart 2003 gesloten tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet betreffende de harmonisering van het vaccinatiebeleid en de aanhangsels bij het protocolakkoord van 20 maart 2003 van 11 december 2006 en 2 maart 2009, over de harmonisering van het vaccinatiebeleid inzake het netwerk voor de distributie van vaccins en inzake het akkoord gesloten tussen de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, voor de uitvoering van Europese overeenkomsten en voor de uitvoering van het Protocolakkoord van 28 september 2012 tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet inzake preventie, met aanhangsel van 18 juni 2012, voor de uitvoering van de overeenkomst (1 augustus 2015-31 juli 2016) van 13 oktober 2015 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid, voor de uitvoering van het protocolakkoord van 5 februari 2016 tussen de federale overheid en de Vlaamse Gemeenschap betreffende de aankoop van vaccins voor vaccinatie van asielzoekers, voor de uitvoering van het avenant van 16 januari 2017 bij de overeenkomst (1 augustus 2015 - 31 december 2017) van 13 oktober 2015 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid, voor de uitvoering van het avenant van 1 oktober 2018 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2019) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid en voor de uitvoering van de overeenkomst (1 januari 2018 - 31 december 2020) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid; voor de uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 betreffende de preventie van de veteranenziekte op publiek toegankelijke plaatsen, meer bepaald voor de afhandeling van de kosten verbonden aan het goedkeuringsprotocol alternatieve beheersmaatregelen, en voor de uitvoering van het decreet betreffende het preventieve gezondheidsbeleid van 21 november 2003, meer bepaald het principe `vervuiler betaalt' als vermeld in artikel 54, § 3, van het decreet, wordt opgericht, hierna het Fonds te noemen. | 1 | § 1. Het Fonds voor verwerking en analyse van gezondheidsindicatoren ten behoeve van derden, de uitvoering van het protocolakkoord van 20 maart 2003 gesloten tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet betreffende de harmonisering van het vaccinatiebeleid en de aanhangsels bij het protocolakkoord van 20 maart 2003 van 11 december 2006 en 2 maart 2009, over de harmonisering van het vaccinatiebeleid inzake het netwerk voor de distributie van vaccins en inzake het akkoord gesloten tussen de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, voor de uitvoering van Europese overeenkomsten en voor de uitvoering van het Protocolakkoord van 28 september 2012 tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet inzake preventie, met aanhangsel van 18 juni 2012, voor de uitvoering van de overeenkomst (1 augustus 2015-31 juli 2016) van 13 oktober 2015 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid, voor de uitvoering van het protocolakkoord van 5 februari 2016 tussen de federale overheid en de Vlaamse Gemeenschap betreffende de aankoop van vaccins voor vaccinatie van asielzoekers, voor de uitvoering van het avenant van 16 januari 2017 bij de overeenkomst (1 augustus 2015 - 31 december 2017) van 13 oktober 2015 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid, voor de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2020) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid en voor de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst van (1 januari 2018 - 31 december 2021) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid; voor de uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 betreffende de preventie van de veteranenziekte op publiek toegankelijke plaatsen, meer bepaald voor de afhandeling van de kosten verbonden aan het goedkeuringsprotocol alternatieve beheersmaatregelen, en voor de uitvoering van het decreet betreffende het preventieve gezondheidsbeleid van 21 november 2003, meer bepaald het principe `vervuiler betaalt' als vermeld in artikel 54, § 3, van het decreet, wordt opgericht, hierna het Fonds te noemen. |
| 2 | Het Fonds is een begrotingsfonds zoals vermeld in artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof. | 2 | Het Fonds is een begrotingsfonds zoals vermeld in artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof. |
| 3 | § 2. Het Fonds wordt gespijsd met de middelen die in uitvoering van een overeenkomst tussen de Vlaamse Gemeenschap en derden worden betaald voor contractonderzoek dat door de administratie Gezondheidszorg wordt uitgevoerd, door de verkoop van publicaties en door de inkomsten in uitvoering van het protocolakkoord bedoeld in § 1. | 3 | § 2. Het Fonds wordt gespijsd met de middelen die in uitvoering van een overeenkomst tussen de Vlaamse Gemeenschap en derden worden betaald voor contractonderzoek dat door de administratie Gezondheidszorg wordt uitgevoerd, door de verkoop van publicaties en door de inkomsten in uitvoering van het protocolakkoord bedoeld in § 1. |
| 12 | § 2/8. Het Fonds wordt, conform artikel 54, § 3, van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid, gespijsd met een partim van bestaande milieugerelateerde heffingen of belastingen die door burgers worden betaald na het akkoord van de Vlaamse Regering of met middelen van bedrijven die medeverantwoordelijk zijn voor de aanwezigheid van fysische of chemische factoren die schadelijk zijn voor de gezondheid en dit in uitvoering van een overeenkomst die een bedrijf in kwestie daarover met de Vlaamse Gemeenschap heeft gesloten. | 12 | § 2/8. Het Fonds wordt, conform artikel 54, § 3, van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid, gespijsd met een partim van bestaande milieugerelateerde heffingen of belastingen die door burgers worden betaald na het akkoord van de Vlaamse Regering of met middelen van bedrijven die medeverantwoordelijk zijn voor de aanwezigheid van fysische of chemische factoren die schadelijk zijn voor de gezondheid en dit in uitvoering van een overeenkomst die een bedrijf in kwestie daarover met de Vlaamse Gemeenschap heeft gesloten. |
| 13 | § 2/8. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in de uitvoering van de overeenkomst (1 januari 2018 - 31 december 2020) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald. | 13 | § 2/8. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in de uitvoering van de overeenkomst (1 januari 2018 - 31 december 2020) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald. |
| 14 | § 2/9. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2020) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald. | ||
| 15 | § 2/10. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst van (1 januari 2018 - 31 december 2021) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald. | ||
| 14 | § 3. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven van de administratie Gezondheidszorg aangerekend, zowel voor personeel, als voor werking of uitrusting, voorzover deze uitgaven verband houden met onderzoek dat door derden wordt betaald, betrekking hebben op het centraal beheer van het informatiesysteem, op de kosten gegenereerd door de uitvoering van het protocolakkoord van 20 maart 2003 gesloten tussen de Federale Overheid en de Overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet betreffende de harmonisering van het vaccinatiebeleid en het aanhangsel bij het protocolakkoord van 20 maart 2003, over de harmonisering van het vaccinatiebeleid inzake het netwerk voor de distributie van vaccins en inzake het akkoord gesloten tussen de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad of op het preventief gezondheidsbeleid. | 16 | § 3. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven van de administratie Gezondheidszorg aangerekend, zowel voor personeel, als voor werking of uitrusting, voorzover deze uitgaven verband houden met onderzoek dat door derden wordt betaald, betrekking hebben op het centraal beheer van het informatiesysteem, op de kosten gegenereerd door de uitvoering van het protocolakkoord van 20 maart 2003 gesloten tussen de Federale Overheid en de Overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet betreffende de harmonisering van het vaccinatiebeleid en het aanhangsel bij het protocolakkoord van 20 maart 2003, over de harmonisering van het vaccinatiebeleid inzake het netwerk voor de distributie van vaccins en inzake het akkoord gesloten tussen de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad of op het preventief gezondheidsbeleid. |
| 15 | § 3/1. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven van de administratie Zorg en Gezondheid aangerekend, zowel voor personeel, als voor werking of uitrusting voor zover deze uitgaven verband houden met de uitvoering van Europese overeenkomsten. | 17 | § 3/1. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven van de administratie Zorg en Gezondheid aangerekend, zowel voor personeel, als voor werking of uitrusting voor zover deze uitgaven verband houden met de uitvoering van Europese overeenkomsten. |
| 23 | § 3/8. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de oprichting van een netwerk voor de bewaking van de in de mens gemeten blootstelling of voor de bewaking van de effecten van fysische en chemische factoren op de bevolking, om maatregelen te kunnen nemen voor de bescherming van de volksgezondheid. | 25 | § 3/8. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de oprichting van een netwerk voor de bewaking van de in de mens gemeten blootstelling of voor de bewaking van de effecten van fysische en chemische factoren op de bevolking, om maatregelen te kunnen nemen voor de bescherming van de volksgezondheid. |
| 24 | § 3/8. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de uitvoering van de overeenkomst (1 januari 2018 - 31 december 2020) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid. | 26 | § 3/8. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de uitvoering van de overeenkomst (1 januari 2018 - 31 december 2020) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid. |
| 27 | § 3/9. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2020) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid. | ||
| 28 | § 3/10. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst van (1 januari 2018 - 31 december 2021) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid. | ||
| 25 | § 4. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het Fonds. | 29 | § 4. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het Fonds. |