Houdende aanpassing van diverse decreten met betrekking tot de omvorming van het Vlaams Energieagentschap tot het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap, tot integratie van opdrachten inzake klimaat van het Departement Omgeving in dit Vlaams Energie- en Klimaatagentschap, tot integratie van opdrachten inzake lucht van het Departement Omgeving in de Vlaamse Milieumaatschappij en houdende rapportage door het Departement Omgeving #526
Gemerged Vlaamse Regering voegde 46 artikels samen in decreet-1995-04-05decreet-1997-10-21energiedecreet · 4 november 2020 Alle checks geslaagd
46 artikels gewijzigd
| 1 | De milieuplanning op gewestelijk niveau omvat de plannen en programma's die in uitvoering van thematische wetgeving worden opgesteld en het tweejaarlijks opstellen van een milieurapport. | 1 | De milieuplanning op gewestelijk niveau omvat de plannen en programma's die in uitvoering van thematische wetgeving worden opgesteld en het uitvoeren van een rapportage. |
| 1 | De rapportage omvat minstens: | ||
| 2 | 1° een beschrijving, analyse en evaluatie van de bestaande toestand van het milieu en de ruimtelijke ordening; | ||
| 3 | 2° een beschrijving, analyse en evaluatie van het tot dan toe gevoerde milieubeleid; [voor zover dit relevant is voor de toetsing van de resultaten van het gevoerde milieubeleid aan de in de milieuregelgeving of de milieuplanning vastgestelde beleidsdoelstellingen; (ing. decr. 7 mei 2004, art. 2, I: 1 april 2006. Zie B.V.R. 31 maart 2006, B.S., 19 mei 2006) ] | ||
| 4 | 2°/1 een beschrijving en evaluatie van het tot dan toe gevoerde ruimtelijk beleid in het licht van de doelstellingen, vermeld in artikel 1.1.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; | ||
| 5 | 3° een beschrijving van de verwachte ontwikkeling van het milieu en ruimtelijke ordening bij ongewijzigd beleid en bij gewijzigd beleid volgens een aantal relevant geachte scenario's. |
| 1 | § 1. De rapportage, vermeld in artikel 2.1.3, gebeurt continu op basis van een meerjarig werkprogramma. | ||
| 2 | § 2. Het Departement Omgeving maakt het meerjarig werkprogramma op en legt dit voor advies voor aan de Strategische Adviesraad voor Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed, de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen. | ||
| 3 | Het meerjarig werkprogramma wordt meegedeeld aan de Vlaamse Regering en vervolgens gepubliceerd op de website van het Departement Omgeving. | ||
| 4 | § 3. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake de rapportage. |
| 1 | § 1. De Vlaamse Milieumaatschappij is belast met het opstellen van het milieurapport, onder begeleiding van een stuurgroep bestaande uit een voorzitter en acht leden die wetenschappelijk gevormd zijn en die als deskundig worden beschouwd. | ||
| 2 | De voorzitter en de leden van deze stuurgroep, die geen ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij mogen zijn, worden aangewezen door de Vlaamse regering. Twee leden worden aangewezen op voordracht van het college van ambtenaren-generaal, twee op voordracht van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid, twee op voordracht van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en twee op voordracht van de Sociaal-Economische Raad. Het secretariaat van de stuurgroep wordt waargenomen door de Vlaamse Milieumaatschappij. | ||
| 3 | De stuurgroep is belast met de algemene begeleiding van de opstelling van het milieurapport en draagt er tevens de eindverantwoordelijkheid voor. | ||
| 1 | § 1. Het Departement Omgeving is belast met het uitvoeren van de rapportage, vermeld in artikel 2.1.3. De Vlaamse Regering kan vragen om over specifieke onderwerpen specifiek te rapporteren. | ||
| 4 | De Vlaamse Milieumaatschappij kan voor het opstellen van het milieurapport samenwerkingsverbanden aangaan met andere openbare instellingen en wetenschappelijke instituten. | 2 | Het Departement Omgeving kan voor het uitvoeren van de rapportage samenwerkingsverbanden aangaan met andere openbare instellingen en wetenschappelijke instituten. |
| 5 | § 2. Het Vlaamse Gewest geeft jaarlijks een dotatie aan de Vlaamse Milieumaatschappij voor de opstelling van het rapport. Deze dotatie is ten laste van het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuurbehoud. | ||
| 3 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake de maatschappelijke en wetenschappelijke begeleiding en ondersteuning van de rapportage alsook inzake de specifieke rapportage. | ||
| 6 | § 3. De diensten van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, de instellingen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de ondergeschikte besturen die onder het administratief toezicht staan van het Vlaamse Gewest en de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die belast zijn met taken van openbaar nut inzake milieu , stellen, hetzij op eenvoudige vraag van de Vlaamse Milieumaatschappij hetzij uit eigen beweging, alle informatie waarover zij beschikken en die van nut kan zijn voor het opstellen van het milieurapport ter beschikking van de Vlaamse Milieumaatschappij. | 4 | § 2. De diensten van de Vlaamse overheid, de instellingen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de ondergeschikte besturen die onder het administratief toezicht staan van het Vlaamse Gewest en de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die belast zijn met taken van openbaar nut inzake milieu of ruimtelijke ordening, stellen, hetzij op eenvoudige vraag van het Departement Omgeving, hetzij uit eigen beweging, alle informatie waarover zij beschikken en die van nut kan zijn voor het uitvoeren van de rapportage ter beschikking van dit departement. |
| 7 | § 4. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen voor de werking van de stuurgroep bedoeld in § 1 en de voorwaarden bepalen waaronder, overeenkomstig § 3, informatie aan het planningsteam ter beschikking wordt gesteld. | 5 | § 3. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder, overeenkomstig paragraaf 2, informatie aan het Departement Omgeving ter beschikking wordt gesteld. |
| 1 | De resultaten van de rapportage, vermeld in artikel 2.1.3, worden ter kennis gebracht van de provincies en gemeenten. Aan de resultaten wordt ruime bekendheid gegeven, op de wijze bepaald door de Vlaamse Regering. |
| 1 | In deze titel wordt verstaan onder: | 1 | In deze titel wordt verstaan onder: |
| 2 | 1° bevoegde autoriteit: de instantie, aangewezen overeenkomstig artikel 18 van richtlijn 2003/87/ EG, namelijk het Departement Omgeving; | 2 | 1° bevoegde autoriteit: de instantie, aangewezen overeenkomstig artikel 18 van richtlijn 2003/87/ EG, namelijk het VEKA; |
| 3 | 2° BKG-installatie: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, zoals omschreven in de indelingslijst in bijlage I, van titel I, van het VLAREM en aangeduid met de letter Y in de vierde kolom van de indelingslijst in bijlage I, van titel I, van het VLAREM, alsmede andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging; | 3 | 2° BKG-installatie: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, zoals omschreven in de indelingslijst in bijlage I, van titel I, van het VLAREM en aangeduid met de letter Y in de vierde kolom van de indelingslijst in bijlage I, van titel I, van het VLAREM, alsmede andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging; |
| 4 | 3° broeikasgassen: koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4), distikstofoxide (N2O), onvolledig gefluoreerde koolwaterstoffen (HFK's), perfluorkoolwaterstoffen (PFK's) en zwavelhexafluoride (SF6); | 4 | 3° broeikasgassen: koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4), distikstofoxide (N2O), onvolledig gefluoreerde koolwaterstoffen (HFK's), perfluorkoolwaterstoffen (PFK's) en zwavelhexafluoride (SF6); |
| 18 | 17° ton CO2-equivalent: een metrische ton koolstofdioxide (CO2) of een hoeveelheid van een ander broeikasgas met een gelijkwaardig aardopwarmingspotentieel; | 18 | 17° ton CO2-equivalent: een metrische ton koolstofdioxide (CO2) of een hoeveelheid van een ander broeikasgas met een gelijkwaardig aardopwarmingspotentieel; |
| 19 | 18° tweede verbintenisperiode: de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020; | 19 | 18° tweede verbintenisperiode: de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020; |
| 20 | 18°/1 VEKA: het agentschap, vermeld in titel II van het Energiebesluit van 19 november 2010; | ||
| 20 | 19° Verordening nr. 600/2012: Verordening (EU) nr. 600/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de verificatie van broeikasgasemissie- en tonkilometerverslagen en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad; | 21 | 19° Verordening nr. 600/2012: Verordening (EU) nr. 600/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de verificatie van broeikasgasemissie- en tonkilometerverslagen en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad; |
| 21 | 20° vliegtuigexploitant: de persoon die een luchtvaartuig exploiteert op het moment dat die een luchtvaartactiviteit uitoefent, of, als die persoon niet bekend is of niet is geïdentificeerd door de eigenaar van het vliegtuig, de eigenaar van het vliegtuig. | 22 | 20° vliegtuigexploitant: de persoon die een luchtvaartuig exploiteert op het moment dat die een luchtvaartactiviteit uitoefent, of, als die persoon niet bekend is of niet is geïdentificeerd door de eigenaar van het vliegtuig, de eigenaar van het vliegtuig. |
| 1 | Het Departement Omgeving, legt aan de exploitant van een BKG-installatie of de vliegtuigexploitant een administratieve geldboete op voor elke ton CO2-equivalent die uitgestoten wordt en waarvoor met toepassing van artikel 8.2.1, § 1, of artikel 8.3.6, § 4, geen emissierechten zijn ingeleverd. Per ton uitgestoten CO2-equivalent bedraagt de administratieve geldboete 100 euro. De betaling van de boete wegens emissieoverschrijding ontslaat de exploitant van een BKG-installatie of de vliegtuigexploitant niet van de verplichting, bij de inlevering van emissierechten in verband met het volgende kalenderjaar, een hoeveelheid emissierechten in te leveren die gelijk is aan de emissieoverschrijding. | 1 | Het VEKA, legt aan de exploitant van een BKG-installatie of de vliegtuigexploitant een administratieve geldboete op voor elke ton CO2-equivalent die uitgestoten wordt en waarvoor met toepassing van artikel 8.2.1, § 1, of artikel 8.3.6, § 4, geen emissierechten zijn ingeleverd. Per ton uitgestoten CO2-equivalent bedraagt de administratieve geldboete 100 euro. De betaling van de boete wegens emissieoverschrijding ontslaat de exploitant van een BKG-installatie of de vliegtuigexploitant niet van de verplichting, bij de inlevering van emissierechten in verband met het volgende kalenderjaar, een hoeveelheid emissierechten in te leveren die gelijk is aan de emissieoverschrijding. |
| 2 | In het eerste lid wordt verstaan onder exploitant van een BKG-installatie: de houder(s) van de milieuvergunning(en) van de BKG-installatie. | 2 | In het eerste lid wordt verstaan onder exploitant van een BKG-installatie: de houder(s) van de milieuvergunning(en) van de BKG-installatie. |
| 3 | De administratieve geldboete, vermeld in het eerste lid, wordt vanaf 1 januari 2014 overeenkomstig het Europese indexcijfer van de consumptieprijzen verhoogd. | 3 | De administratieve geldboete, vermeld in het eerste lid, wordt vanaf 1 januari 2014 overeenkomstig het Europese indexcijfer van de consumptieprijzen verhoogd. |
| 45 | d) het beoordelen van de hierboven vermelde gegevens en informatie; | 45 | d) het beoordelen van de hierboven vermelde gegevens en informatie; |
| 46 | e) het verwerken van de hierboven vermelde gegevens en informatie met het oog op het rapporteren en informeren hierover; | 46 | e) het verwerken van de hierboven vermelde gegevens en informatie met het oog op het rapporteren en informeren hierover; |
| 47 | 2° het bijdragen tot ontwikkelen van instrumenten en het uitwerken van maatregelen om de verontreiniging van de atmosfeerte voorkomen en te beperken; | 47 | 2° de beleidsvoorbereiding, het opvolgen, evalueren en rapporteren over de uitvoering en voortgang van het beleid en het ontwikkelen en inzetten van instrumenten en het uitwerken en uitvoeren van maatregelen om de verontreiniging van de atmosfeer, met uitzondering van de verontreiniging als gevolg van broeikasgassen, te voorkomen en te beperken; |
| 48 | § 3 ... | 48 | § 3 ... |
| 49 | § 4. In het kader van haar missie en taken levert de Vlaamse Milieumaatschappij een bijdrage aan het beleid inzake de ingedeelde inrichtingen en activiteiten, bedoeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. | 49 | § 4. In het kader van haar missie en taken levert de Vlaamse Milieumaatschappij een bijdrage aan het beleid inzake de ingedeelde inrichtingen en activiteiten, bedoeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. |
| 1 | § 1. Het natuurrapport wordt opgesteld als een wetenschappelijk rapport in het kader van de rapportage bedoeld in artikel 2.1.3. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Het maakt er een herkenbaar maar integraal deel van uit. | ||
| 2 | Het dient tevens als inventarisatie bedoeld in artikel 7 van het Verdrag inzake biologische diversiteit, ondertekend in Rio de Janeiro op 5 juni 1992 en goedgekeurd bij decreet van 28 maart 1996. | ||
| 3 | § 2. Het natuurrapport omvat in het bijzonder: | ||
| 4 | 1° een beschrijving en evaluatie van de bestaande natuur in het Vlaamse Gewest; | ||
| 5 | 2° de te verwachten evolutie van deze natuur bij ongewijzigd en bij het door de Vlaamse regering voorgenomen beleid; | ||
| 6 | 3° de evaluatie van het voorbije beleid, waarbij expliciet gerapporteerd wordt over de afbakening van het VEN en IVON - de voortgang van de natuurrichtplannen zoals bedoeld in artikel 17 en artikel 27 van dit decreet. | ||
| 7 | § 3. Het natuurrapport wordt opgesteld door het Instituut. | ||
| 8 | Bij het opstellen van het natuurrapport worden de administratieve overheid, de relevante overheidsorganen, wetenschappelijke instellingen en organisaties die vertegenwoordigd zijn in de MINA-Raad betrokken. | ||
| 9 | § 4. De administratieve overheid stelt, hetzij op eenvoudig verzoek van het Instituut, hetzij uit eigen beweging, alle informatie en kennis waarover zij beschikt en die van nut kan zijn voor het opstellen van het natuurrapport ter beschikking van het Instituut. | ||
| 10 | § 5. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de aanvullende inhoud van het natuurrapport, de procedure van het opstellen, de openbaarmaking en het gebruik ervan. |
| 148 | b) de resterende geraamde economische levensduur van een gebouw, waarbij de energieprestatie-eisen voor het gebouw in zijn geheel worden vastgesteld, hetzij op de geraamde economische levensduur van een onderdeel van een gebouw, waarbij de energieprestatie-eisen voor afzonderlijke onderdelen van gebouwen worden vastgesteld; | 148 | b) de resterende geraamde economische levensduur van een gebouw, waarbij de energieprestatie-eisen voor het gebouw in zijn geheel worden vastgesteld, hetzij op de geraamde economische levensduur van een onderdeel van een gebouw, waarbij de energieprestatie-eisen voor afzonderlijke onderdelen van gebouwen worden vastgesteld; |
| 149 | en dat binnen het scala van prestatieniveaus ligt waar de berekende kosten-batenanalyse over de geraamde economische levensduur positief is; | 149 | en dat binnen het scala van prestatieniveaus ligt waar de berekende kosten-batenanalyse over de geraamde economische levensduur positief is; |
| 150 | 75°/3 kredietgever: de natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel I.9, 34°, van het Wetboek van Economisch Recht; | ||
| 150 | 76° kwalitatieve warmte-krachtinstallatie: warmte-krachtinstallatie waarvan het productieproces voldoet aan de kwaliteitsvoorwaarden die opgelegd zijn overeenkomstig artikel 7.1.2, § 4; | 151 | 76° kwalitatieve warmte-krachtinstallatie: warmte-krachtinstallatie waarvan het productieproces voldoet aan de kwaliteitsvoorwaarden die opgelegd zijn overeenkomstig artikel 7.1.2, § 4; |
| 151 | 77° kwalitatieve warmte-krachtkoppeling: warmte-krachtkoppeling die voldoet aan de kwaliteitsvereisten, opgelegd overeenkomstig artikel 7.1.2, § 4; | 152 | 77° kwalitatieve warmte-krachtkoppeling: warmte-krachtkoppeling die voldoet aan de kwaliteitsvereisten, opgelegd overeenkomstig artikel 7.1.2, § 4; |
| 262 | 126° tussenpersoon : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die elektriciteit of aardgas koopt met het oog op de doorverkoop aan een andere tussenpersoon of leverancier; | 263 | 126° tussenpersoon : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die elektriciteit of aardgas koopt met het oog op de doorverkoop aan een andere tussenpersoon of leverancier; |
| 263 | 126/1° uitbating volgens de regels van de kunst : een uitbating overeenkomstig het « goede-huisvader »-beginsel en waarbij bovendien het potentieel aan energie-opwekking of energie-besparing ten aanzien van het vermogen van de installatie niet significant wordt onderbenut voor langdurige periodes door de expliciete of impliciete wil van de exploitant en/of eigenaar, en waarbij louter contractuele en/of commerciële overwegingen niet kunnen gelden als verschoning voor een langdurige onderbenutting van het potentieel van deze installatie. Kortdurende onderbenutting met het oog op een betere afstemming van elektriciteitsproductie en marktvraag of met het oog op een ondersteuning van het netbeheer beantwoordt wel aan het « goede-huisvader »-beginsel; | 264 | 126/1° uitbating volgens de regels van de kunst : een uitbating overeenkomstig het « goede-huisvader »-beginsel en waarbij bovendien het potentieel aan energie-opwekking of energie-besparing ten aanzien van het vermogen van de installatie niet significant wordt onderbenut voor langdurige periodes door de expliciete of impliciete wil van de exploitant en/of eigenaar, en waarbij louter contractuele en/of commerciële overwegingen niet kunnen gelden als verschoning voor een langdurige onderbenutting van het potentieel van deze installatie. Kortdurende onderbenutting met het oog op een betere afstemming van elektriciteitsproductie en marktvraag of met het oog op een ondersteuning van het netbeheer beantwoordt wel aan het « goede-huisvader »-beginsel; |
| 265 | 126°/1/1 VEKA: het agentschap, vermeld in titel II van het Energiebesluit van 19 november 2010; | ||
| 264 | 126/2° vergunningverlenend bestuursorgaan : het bestuursorgaan dat de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen aflevert; | 266 | 126/2° vergunningverlenend bestuursorgaan : het bestuursorgaan dat de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen aflevert; |
| 265 | 126°/3 verordening 2016/631/EU: verordening 2016/631/EU van de Commissie van 14 april 2016 tot vaststelling van een netcode betreffende eisen voor de aansluiting van elektriciteitsproducenten op het net; | 267 | 126°/3 verordening 2016/631/EU: verordening 2016/631/EU van de Commissie van 14 april 2016 tot vaststelling van een netcode betreffende eisen voor de aansluiting van elektriciteitsproducenten op het net; |
| 268 | 128° vervoersnet : het vervoersnet, vermeld in artikel 1, 10°, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen; | 270 | 128° vervoersnet : het vervoersnet, vermeld in artikel 1, 10°, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen; |
| 269 | 129° vervoeronderneming : vervoeronderneming, vermeld in artikel 1, 9°, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen; | 271 | 129° vervoeronderneming : vervoeronderneming, vermeld in artikel 1, 9°, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen; |
| 270 | 130° Vlaams Energieagentschap : het agentschap dat opgericht werd door het besluit van de Vlaamse Regering van 16 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap, het Vlaamse Energieagentschap, vervangen door het Energiebesluit van 19 november 2010; | ||
| 272 | 130° ...; | ||
| 271 | 131° Vlaamse Belastingdienst: het agentschap dat opgericht werd door het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 tot oprichting van het agentschap Vlaamse Belastingdienst; | 273 | 131° Vlaamse Belastingdienst: het agentschap dat opgericht werd door het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 tot oprichting van het agentschap Vlaamse Belastingdienst; |
| 272 | 131°/1 vloeibare biomassa : vloeibare brandstof voor energiedoeleinden andere dan vervoer, waaronder elektriciteit, verwarming en koeling, die geproduceerd is uit biomassa; | 274 | 131°/1 vloeibare biomassa : vloeibare brandstof voor energiedoeleinden andere dan vervoer, waaronder elektriciteit, verwarming en koeling, die geproduceerd is uit biomassa; |
| 1 | De netbeheerders en de warmte- of koudenetbeheerders mogen de gegevens waarover ze voor de uitoefening van hun taken, vermeld in artikel 4.1.6 of artikel 4/1.1.1, beschikken, of de gegevens die voor hen hiertoe toegankelijk zijn of worden gemaakt door het Vlaams Energieagentschap, de VREG, de toegangshouders en leveranciers of gegevens uit het Rijksregister, de Kruispuntbank Sociale Zekerheid of de Kruispuntbank voor de Ondernemingen, gebruiken om energiefraude te detecteren en vast te stellen via technieken als datamining of profilering. | 1 | De netbeheerders en de warmte- of koudenetbeheerders mogen de gegevens waarover ze voor de uitoefening van hun taken, vermeld in artikel 4.1.6 of artikel 4/1.1.1, beschikken, of de gegevens die voor hen hiertoe toegankelijk zijn of worden gemaakt door het VEKA, de VREG, de toegangshouders en leveranciers of gegevens uit het Rijksregister, de Kruispuntbank Sociale Zekerheid of de Kruispuntbank voor de Ondernemingen, gebruiken om energiefraude te detecteren en vast te stellen via technieken als datamining of profilering. |
| 2 | De netbeheerders en de warmte- of koudenetbeheerders die gebruikmaken van technieken als datamining of profilering om energiefraude te detecteren en vast te stellen hanteren proportionele en relevante criteria, die periodiek kunnen variëren, en die ervoor zorgen dat de te verwerken persoonsgegevens zo beperkt mogelijk maar tegelijk relevant zijn om fraudetypologieën te detecteren. De Vlaamse Regering kan nadere regels uitvaardigen met betrekking tot de te hanteren criteria. | 2 | De netbeheerders en de warmte- of koudenetbeheerders die gebruikmaken van technieken als datamining of profilering om energiefraude te detecteren en vast te stellen hanteren proportionele en relevante criteria, die periodiek kunnen variëren, en die ervoor zorgen dat de te verwerken persoonsgegevens zo beperkt mogelijk maar tegelijk relevant zijn om fraudetypologieën te detecteren. De Vlaamse Regering kan nadere regels uitvaardigen met betrekking tot de te hanteren criteria. |
| 3 | Elke partij die data aanlevert hiervoor blijft verantwoordelijk voor de waarachtigheid en nauwkeurigheid van de betreffende data. De netbeheerders en de warmte- of koudenetbeheerders zijn verantwoordelijk voor de waarachtigheid en nauwkeurigheid van het gebruik van de gegevens voor het detecteren en vaststellen van energiefraude. Zij stellen hierover een intern rapport op, volgen de risico's van de techniek van datamining continu op, waken over hun zorgvuldigheidsplicht om kwaliteitsvolle analyses van persoonsgegevens te verrichten, evalueren continu de gebruikte dataminingmethode en passen ze indien nodig aan. | 3 | Elke partij die data aanlevert hiervoor blijft verantwoordelijk voor de waarachtigheid en nauwkeurigheid van de betreffende data. De netbeheerders en de warmte- of koudenetbeheerders zijn verantwoordelijk voor de waarachtigheid en nauwkeurigheid van het gebruik van de gegevens voor het detecteren en vaststellen van energiefraude. Zij stellen hierover een intern rapport op, volgen de risico's van de techniek van datamining continu op, waken over hun zorgvuldigheidsplicht om kwaliteitsvolle analyses van persoonsgegevens te verrichten, evalueren continu de gebruikte dataminingmethode en passen ze indien nodig aan. |
| 1 | § 1. Wat betreft installaties met startdatum voor 1 januari 2013 en gelegen in het Vlaamse Gewest, wordt een groenestroomcertificaat toegekend aan de eigenaar van de productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen, voor iedere 1 000 kWh elektriciteit die in de installatie wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen. | 1 | § 1. Wat betreft installaties met startdatum voor 1 januari 2013 en gelegen in het Vlaamse Gewest, wordt een groenestroomcertificaat toegekend aan de eigenaar van de productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen, voor iedere 1 000 kWh elektriciteit die in de installatie wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen. |
| 2 | Een productie-installatie met startdatum voor 1 januari 2013 krijgt enkel groenestroomcertificaten gedurende de periode van tien jaar. Indien de installatie in aanmerking komt voor de minimumsteun, vermeld in artikel 7.1.6, en die periode langer is dan tien jaar, krijgt de installatie groenestroomcertificaten gedurende de periode dat de installatie in aanmerking komt voor de minimumsteun. | 2 | Een productie-installatie met startdatum voor 1 januari 2013 krijgt enkel groenestroomcertificaten gedurende de periode van tien jaar. Indien de installatie in aanmerking komt voor de minimumsteun, vermeld in artikel 7.1.6, en die periode langer is dan tien jaar, krijgt de installatie groenestroomcertificaten gedurende de periode dat de installatie in aanmerking komt voor de minimumsteun. |
| 3 | In afwijking van het tweede lid kan de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen, aan het Vlaams Energieagentschap een verlenging van de steunperiode, vermeld in het tweede lid, aanvragen voor de periode die nodig is om het aantal groenestroomcertificaten te ontvangen dat overeenkomt met het aantal groenestroomcertificaten, toe te kennen volgens het aantal vollasturen dat voor de betreffende projectcategorie en overeenstemmend met het initieel geïnstalleerde nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen werd gehanteerd, voor zover: | 3 | In afwijking van het tweede lid kan de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen, aan het VEKA een verlenging van de steunperiode, vermeld in het tweede lid, aanvragen voor de periode die nodig is om het aantal groenestroomcertificaten te ontvangen dat overeenkomt met het aantal groenestroomcertificaten, toe te kennen volgens het aantal vollasturen dat voor de betreffende projectcategorie en overeenstemmend met het initieel geïnstalleerde nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen werd gehanteerd, voor zover: |
| 4 | 1° de installatie werd geïnstalleerd en uitgebaat volgens de regels van de kunst; | 4 | 1° de installatie werd geïnstalleerd en uitgebaat volgens de regels van de kunst; |
| 5 | 2° de opwekking van groene stroom niet gebeurt op basis van zonne-energie; | 5 | 2° de opwekking van groene stroom niet gebeurt op basis van zonne-energie; |
| 10 | c) uitsluitend essentiële componenten betreft met het oog op groenestroomproductie. | 10 | c) uitsluitend essentiële componenten betreft met het oog op groenestroomproductie. |
| 11 | Het aantal groenestroomcertificaten dat gedurende de periode, vermeld in het vierde lid, voor elke 1 000 kWh elektriciteit die wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen in installaties met startdatum voor 1 januari 2013 wordt toegekend, is gelijk aan 1, vermenigvuldigd met de voor die installatie van toepassing zijnde bandingfactor. De bandingfactor is in dit geval maximaal gelijk aan 1. De periode, vermeld in het vierde lid, kan eenmalig met vijf jaar worden verlengd voor zover nog altijd aan de voorwaarden, vermeld in het vierde lid wordt voldaan. Voor die nieuwe periode wordt een nieuwe bandingfactor berekend die maximaal gelijk is aan Btot voor het lopende kalenderjaar. | 11 | Het aantal groenestroomcertificaten dat gedurende de periode, vermeld in het vierde lid, voor elke 1 000 kWh elektriciteit die wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen in installaties met startdatum voor 1 januari 2013 wordt toegekend, is gelijk aan 1, vermenigvuldigd met de voor die installatie van toepassing zijnde bandingfactor. De bandingfactor is in dit geval maximaal gelijk aan 1. De periode, vermeld in het vierde lid, kan eenmalig met vijf jaar worden verlengd voor zover nog altijd aan de voorwaarden, vermeld in het vierde lid wordt voldaan. Voor die nieuwe periode wordt een nieuwe bandingfactor berekend die maximaal gelijk is aan Btot voor het lopende kalenderjaar. |
| 12 | Het Vlaams Energieagentschap oordeelt of een aanvraag, vermeld in het derde, vierde of vijfde lid, van de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen gegrond is. De eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen levert daarvoor de vereiste bewijsstukken aan het Vlaams Energieagentschap. De eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen stelt op eenvoudig verzoek alle benodigde aanvullende informatie aan het Vlaams Energieagentschap ter beschikking. Wanneer de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen een aanvraag tot verlenging, als vermeld in het vierde lid, indient zonder dat eerder een aanvraag tot verlenging, vermeld in het derde lid, werd ingediend, dan verliest deze installatie alle rechten tot verlenging van de steunperiode die ze kan verkrijgen op grond van het derde lid. | 12 | Het VEKA oordeelt of een aanvraag, vermeld in het derde, vierde of vijfde lid, van de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen gegrond is. De eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen levert daarvoor de vereiste bewijsstukken aan het VEKA. De eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen stelt op eenvoudig verzoek alle benodigde aanvullende informatie aan het VEKA ter beschikking. Wanneer de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen een aanvraag tot verlenging, als vermeld in het vierde lid, indient zonder dat eerder een aanvraag tot verlenging, vermeld in het derde lid, werd ingediend, dan verliest deze installatie alle rechten tot verlenging van de steunperiode die ze kan verkrijgen op grond van het derde lid. |
| 13 | § 2. Wat installaties betreft die elektriciteit opwekken uit hernieuwbare energiebronnen met startdatum vanaf 1 januari 2013 en gelegen in het Vlaamse Gewest, worden groenestroomcertificaten toegekend aan de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen. | 13 | § 2. Wat installaties betreft die elektriciteit opwekken uit hernieuwbare energiebronnen met startdatum vanaf 1 januari 2013 en gelegen in het Vlaamse Gewest, worden groenestroomcertificaten toegekend aan de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen. |
| 14 | In afwijking van het eerste lid worden, als het fotovoltaïsch zonne-energiesysteem in aanmerking komt om te voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 11.1.3, geen groenestroomcertificaten toegekend voor de opwekking van de hoeveelheid elektriciteit uit zonne-energie die nodig is om aan die voorwaarde te voldoen. Voor de hoeveelheid elektriciteit die door het fotovoltaïsche zonne-energiesysteem wordt geproduceerd bovenop de hoeveelheid die nodig is om aan die verplichting, vermeld in artikel 11.1.3, te voldoen, worden wel groenestroomcertificaten toegekend. | 14 | In afwijking van het eerste lid worden, als het fotovoltaïsch zonne-energiesysteem in aanmerking komt om te voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 11.1.3, geen groenestroomcertificaten toegekend voor de opwekking van de hoeveelheid elektriciteit uit zonne-energie die nodig is om aan die voorwaarde te voldoen. Voor de hoeveelheid elektriciteit die door het fotovoltaïsche zonne-energiesysteem wordt geproduceerd bovenop de hoeveelheid die nodig is om aan die verplichting, vermeld in artikel 11.1.3, te voldoen, worden wel groenestroomcertificaten toegekend. |