Tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, het Provinciedecreet van 9 december 2005, de wet van 19 juli 1976 tot instelling van een verlof voor de uitoefening van een politiek mandaat en het koninklijk besluit van 31 mei 1977 tot uitvoering van artikel 4 van de wet van 19 juli 1976 tot instelling van een verlof voor de uitoefening van een politiek mandaat #2027
Gemerged 




Open Vld, N-VA, cd&v voegde 18 artikels samen in decreet-2017-12-22-1029017 · 20 februari 2024 Alle checks geslaagd
19 artikels gewijzigd
| 1 | Het gemeenteraadslid dat wegens een beperking niet zelfstandig zijn mandaat kan vervullen, kan zich voor de uitoefening van dat mandaat laten bijstaan door een vertrouwenspersoon, gekozen uit personen die de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die legaal binnen de Europese Unie verblijven, op voorwaarde dat hij zich niet bevindt in een situatie als vermeld in artikel 10, met uitzondering van het verbod in verband met bloed- en aanverwantschap, vermeld in punt 7° van dat artikel, ten aanzien van het lid met een beperking, en een situatie als vermeld in artikel 12. | 1 | Het gemeenteraadslid dat wegens een handicap niet zelfstandig zijn mandaat kan vervullen, kan zich voor de uitoefening van dat mandaat laten bijstaan door een vertrouwenspersoon, gekozen uit personen die de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die legaal binnen de Europese Unie verblijven, op voorwaarde dat hij zich niet bevindt in een situatie als vermeld in artikel 10, met uitzondering van het verbod in verband met bloed- en aanverwantschap, vermeld in punt 7° van dat artikel, ten aanzien van het lid met een handicap, en een situatie als vermeld in artikel 12. |
| 2 | De Vlaamse Regering bepaalt de criteria tot vaststelling van de hoedanigheid van een gemeenteraadslid met een beperking als vermeld in het eerste lid. | 2 | De Vlaamse Regering bepaalt de criteria tot vaststelling van de hoedanigheid van een gemeenteraadslid met een handicap als vermeld in het eerste lid. |
| 3 | Bij het verlenen van de bijstand krijgt de vertrouwenspersoon dezelfde middelen ter beschikking en heeft hij dezelfde verplichtingen als het gemeenteraadslid, maar hij is niet gehouden tot de eedaflegging. Hij heeft ook recht op presentiegeld onder dezelfde voorwaarden als het gemeenteraadslid. | 3 | Bij het verlenen van de bijstand krijgt de vertrouwenspersoon dezelfde middelen ter beschikking en heeft hij dezelfde verplichtingen als het gemeenteraadslid, maar hij is niet gehouden tot de eedaflegging. Hij heeft ook recht op presentiegeld onder dezelfde voorwaarden als het gemeenteraadslid. |
| 1 | § 1. Een of meer gemeenteraadsleden die op dezelfde lijst verkozen zijn, vormen een fractie. | 1 | § 1. Een of meer gemeenteraadsleden die op dezelfde lijst verkozen zijn, vormen een fractie. |
| 2 | § 2. In afwijking van paragraaf 1 kunnen de kandidaat-gemeenteraadsleden die op dezelfde lijst zijn verkozen twee fracties vormen, mits aan volgende voorwaarden is voldaan: | 2 | § 2. In afwijking van paragraaf 1 kunnen de kandidaat-gemeenteraadsleden die op dezelfde lijst zijn verkozen twee fracties vormen, mits aan de bepalingen van artikel 71, vijfde lid, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 is voldaan. |
| 3 | 1° de naam van de lijst bestaat uit verschillende woorden of afkortingen die minstens de twee fractienamen omvatten; | ||
| 4 | 2° de kandidaat-gemeenteraadsleden beslissen bij de indiening van de voordrachtsakte of verbeteringsakte dat de op de lijst verkozen gemeenteraadsleden twee fracties vormen of kunnen vormen. In dat laatste geval worden twee fracties gevormd als een meerderheid van de verkozen gemeenteraadsleden die potentieel een afzonderlijke fractie kunnen uitmaken daartoe op de installatievergadering van de gemeenteraad beslist; | ||
| 5 | 3° de beslissing, vermeld in punt 2°, wordt genomen in een afzonderlijke akte inzake fractievorming, ondertekend door alle kandidaat-gemeenteraadsleden op de lijst; | ||
| 6 | 4° de akte inzake fractievorming bevat alle kandidaat-gemeenteraadsleden van de lijst, in dezelfde volgorde als op de voordrachtsakte of de verbeteringsakte die bij de voorzitter van het gemeentelijk hoofdbureau wordt ingediend; | ||
| 7 | 5° met behoud van de toepassing van het derde lid vermeldt de akte inzake fractievorming voor alle kandidaat-gemeenteraadsleden tot welke fractie ze zullen behoren in geval van verkiezing; | ||
| 8 | 6° er worden op de akte inzake fractievorming maar twee verschillende fracties vermeld; | ||
| 9 | 7° de akte inzake fractievorming is als bijlage gevoegd bij de voordrachtsakte of de verbeteringsakte die, overeenkomstig artikel 70 en 91 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, aan de voorzitter van het gemeentelijk hoofdbureau wordt bezorgd; | ||
| 10 | 8° aan de algemeen directeur wordt tegen ontvangstbewijs een afschrift van de akte inzake fractievorming bezorgd uiterlijk de eerste werkdag nadat de voordrachtsakte of de verbeteringsakte bij de voorzitter van het gemeentelijk hoofdbureau is ingediend. | ||
| 11 | De indiening van de akte inzake fractievorming en de door de kandidaat- gemeenteraadsleden gemaakte keuze is niet herroepbaar. | 3 | De vermelding inzake fractievorming op de voordrachtsakte, vermeld in artikel 71, vijfde lid, van het voormelde decreet, en de door de kandidaat- gemeenteraadsleden gemaakte keuze zijn niet herroepbaar. |
| 12 | Als een kandidaat-gemeenteraadslid zich op de akte inzake fractievorming niet tot een fractie bekent, wordt het betrokken kandidaat-gemeenteraadslid geacht bij verkiezing te opteren voor de grootste fractie. Als beide fracties in de gemeenteraad even groot zijn, wordt hij geacht bij verkiezing te opteren voor de fractie waartoe de aanvoerder van de lijst behoort, behalve als de lijstaanvoerder op de akte van fractievorming zich niet tot een fractie heeft bekend. In dat laatste geval wordt het kandidaat-gemeenteraadslid geacht te opteren voor de fractie waartoe het kandidaat-gemeenteraadslid behoort dat de hoogste plaats op de lijst inneemt en dat zich tot een fractie heeft bekend. | ||
| 13 | Als de regeling, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, niet is toegepast, kunnen er geen aparte fracties worden gevormd. Als de kandidaat-gemeenteraadsleden die op dezelfde lijst verkozen zijn, beslissen om twee fracties te vormen overeenkomstig het eerste lid, spreekt de gemeenteraad zich op de installatievergadering bij besluit uit of aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, is voldaan. | ||
| 14 | De Vlaamse Regering stelt het model van akte inzake fractievorming vast. | ||
| 15 | § 3. Een of meer gemeenteraadsleden die verkozen zijn op lijsten die zich uiterlijk op de installatievergadering onderling hebben verenigd, vormen een fractie. Tot onderlinge vereniging van de lijsten kan alleen beslist worden als de meerderheid van de verkozenen op elk van die lijsten daarmee instemt. | ||
| 16 | § 4. De onderlinge vereniging tot een fractie of de vorming van twee fracties overeenkomstig paragraaf 2, geldt tot de eerstvolgende volledige vernieuwing van de gemeenteraad. | ||
| 4 | § 3. ... | ||
| 5 | § 4. ... | ||
| 17 | § 5. Het huishoudelijk reglement legt de nadere regels vast voor de samenstelling en de werking van de fracties, alsook, binnen de grenzen die de Vlaamse Regering bepaalt, voor de financiering ervan. | 6 | § 5. Het huishoudelijk reglement legt de nadere regels vast voor de samenstelling en de werking van de fracties, alsook, binnen de grenzen die de Vlaamse Regering bepaalt, voor de financiering ervan. |
| 12 | § 2. Op basis van de bevolkingsaantallen van de gemeenten, vermeld in artikel 4, § 3, stelt de Vlaamse Regering een lijst op van het maximale aantal per gemeente te verkiezen schepenen overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, en van het maximale aantal te verkiezen schepenen van de nieuwe gemeente in toepassing van artikel 355, alsook van het aantal per gemeente te verkiezen schepenen in de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en in de gemeente Voeren overeenkomstig artikel 16 van de Nieuwe Gemeentewet. | 12 | § 2. Op basis van de bevolkingsaantallen van de gemeenten, vermeld in artikel 4, § 3, stelt de Vlaamse Regering een lijst op van het maximale aantal per gemeente te verkiezen schepenen overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, en van het maximale aantal te verkiezen schepenen van de nieuwe gemeente in toepassing van artikel 355, alsook van het aantal per gemeente te verkiezen schepenen in de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en in de gemeente Voeren overeenkomstig artikel 16 van de Nieuwe Gemeentewet. |
| 13 | § 3. Het college van burgemeester en schepenen bestaat uit personen van verschillend geslacht. | 13 | § 3. Het college van burgemeester en schepenen bestaat uit personen van verschillend geslacht. |
| 14 | Als het college van burgemeester en schepenen na de verkiezing van de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst niet rechtsgeldig blijkt te zijn samengesteld overeenkomstig het eerste lid, wordt de laatste overeenkomstig artikel 43 of 49, § 1, verkozen schepen in rang, van rechtswege vervangen door het gemeenteraadslid van het andere geslacht dat op dezelfde lijst met de meeste naamstemmen verkozen is. Als verschillende raadsleden van het andere geslacht een gelijk aantal naamstemmen hebben behaald, krijgt het raadslid dat de hoogste plaats op de lijst bekleedt, voorrang onder die raadsleden. Als er geen verkozen gemeenteraadsleden van het andere geslacht op die lijst voorkomen, wordt de schepen van rechtswege vervangen door de eerste opvolger van het andere geslacht op die lijst. | 14 | Als het college van burgemeester en schepenen na de eedaflegging van de burgemeester niet rechtsgeldig blijkt te zijn samengesteld overeenkomstig het eerste lid, wordt de laatste overeenkomstig artikel 43 of 49, § 1, verkozen schepen in rang, van rechtswege vervangen door het gemeenteraadslid van het andere geslacht dat op dezelfde lijst met de meeste naamstemmen verkozen is. Als verschillende raadsleden van het andere geslacht een gelijk aantal naamstemmen hebben behaald, krijgt het raadslid dat de hoogste plaats op de lijst bekleedt, voorrang onder die raadsleden. Als er geen verkozen gemeenteraadsleden van het andere geslacht op die lijst voorkomen, wordt de schepen van rechtswege vervangen door de eerste opvolger van het andere geslacht op die lijst. |
| 15 | In afwijking van het tweede lid wordt, als het college van burgemeester en schepenen na de verkiezing van de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst niet rechtsgeldig blijkt te zijn samengesteld overeenkomstig het eerste lid, en als de overeenkomstig artikel 43 of 49, § 1, laatst verkozen schepen in rang, bij de verkiezing van de gemeenteraadsleden verkozen is op een lijst die maar één kandidaat bevat, de voorlaatste schepen in rang vervangen overeenkomstig het tweede lid. Als ook de voorlaatste schepen in rang verkozen werd op een lijst die maar een kandidaat bevat, wordt de derde laatste schepen in rang of, in voorkomend geval, de eerstvolgende laatste schepen in rang, vervangen overeenkomstig dezelfde bepalingen. | 15 | In afwijking van het tweede lid wordt, als het college van burgemeester en schepenen na de eedaflegging van de burgemeester niet rechtsgeldig blijkt te zijn samengesteld overeenkomstig het eerste lid, en als de overeenkomstig artikel 43 of 49, § 1, laatst verkozen schepen in rang, bij de verkiezing van de gemeenteraadsleden verkozen is op een lijst die maar één kandidaat bevat, de voorlaatste schepen in rang vervangen overeenkomstig het tweede lid. Als ook de voorlaatste schepen in rang verkozen werd op een lijst die maar een kandidaat bevat, wordt de derde laatste schepen in rang of, in voorkomend geval, de eerstvolgende laatste schepen in rang, vervangen overeenkomstig dezelfde bepalingen. |
| 16 | § 4. De schepen die overeenkomstig paragraaf 3 buiten de gemeenteraad is benoemd en de schepen, vermeld in paragraaf 1, derde lid, zijn in alle gevallen stemgerechtigd in het college van burgemeester en schepenen. | 16 | § 4. De schepen die overeenkomstig paragraaf 3 buiten de gemeenteraad is benoemd en de schepen, vermeld in paragraaf 1, derde lid, zijn in alle gevallen stemgerechtigd in het college van burgemeester en schepenen. |
| 17 | § 5. Iedereen die het mandaat van burgemeester, schepen of voorzitter van de raad uitoefent of waarneemt, moet beschikken over de kennis van de bestuurstaal die vereist is voor de uitoefening van het mandaat. | 17 | § 5. Iedereen die het mandaat van burgemeester, schepen of voorzitter van de raad uitoefent of waarneemt, moet beschikken over de kennis van de bestuurstaal die vereist is voor de uitoefening van het mandaat. |
| 1 | § 1. Met behoud van de toepassing van de nationaliteitsvereiste, vermeld in artikel 13 van de Nieuwe Gemeentewet, wordt de burgemeester door de Vlaamse Regering benoemd uit de verkozenen voor de gemeenteraad. Die verkozenen kunnen daarvoor kandidaten voordragen waarvoor een gedagtekende akte van voordracht wordt voorgelegd aan de provinciegouverneur. Om ontvankelijk te zijn moet de akte van voordracht ondertekend zijn door meer dan de helft van de verkozenen op de lijsten die aan de verkiezingen hebben deelgenomen, alsook door een meerderheid van de personen die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat-burgemeester zijn verkozen. Als de lijst waarop de naam van de kandidaat-burgemeester voorkomt maar twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen. Een akte van voordracht die wordt voorgelegd na de installatievergadering van de gemeenteraad is alleen ontvankelijk als ze ondertekend is door meer dan de helft van de gemeenteraadsleden, alsook door een meerderheid van de gemeenteraadsleden die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat-burgemeester verkozen zijn. | ||
| 1 | § 1. Met behoud van de toepassing van de nationaliteitsvereiste, vermeld in artikel 13 van de Nieuwe Gemeentewet, wordt de verkozene voor de gemeenteraad die het hoogste aantal naamstemmen heeft en die tot de coalitiefractie met de meeste zetels in de gemeenteraad behoort, door de Vlaamse Regering benoemd tot burgemeester. Als verschillende coalitiefracties het hoogste aantal zetels hebben, wordt de verkozene voor de gemeenteraad die het hoogste aantal naamstemmen heeft en die tot de coalitiefractie behoort waarvan de lijst het hoogste stemcijfer heeft behaald, door de Vlaamse Regering benoemd tot burgemeester. Als de verkozenen van de coalitiefracties met het hoogste aantal zetels verkozen zijn op dezelfde lijst conform artikel 36, § 2, van dit decreet, en als die lijst het hoogste stemcijfer heeft behaald, wordt de verkozene voor de gemeenteraad van die lijst met het hoogste aantal naamstemmen door de Vlaamse Regering benoemd tot burgemeester. Als twee verkozenen van de grootste coalitiefractie een gelijk hoogste aantal naamstemmen hebben behaald, is de kandidaat die het hoogst gerangschikt stond op de lijst, de aangewezen burgemeester. Tot de eerstvolgende vernieuwing van de gemeenteraad wordt een fractie geacht hetzelfde aantal leden te behouden voor wat betreft het gewicht van de fracties en de daaruit volgende benoeming van de burgemeester. | ||
| 2 | In het geval van verkiezing zonder stemming, is de hoogst gerangschikte kandidaat op de lijst met het hoogste aantal zetels de aangewezen burgemeester. | ||
| 3 | Vanaf de installatie van de schepenen is het raadslid waarvan sprake in het eerste lid, aangewezen-burgemeester, draagt het de titel van `aangewezen-burgemeester' en oefent het alle functies uit die aan de burgemeester worden toever- trouwd. De aangewezen-burgemeester wordt niet als schepen vervangen, indien hij als schepen werd verkozen. | ||
| 4 | Voor hij zijn mandaat aanvaardt, legt de aangewezen-burgemeester de volgende eed af in handen van de voorzitter van de gemeenteraad: "Ik zweer de verplichtingen van mijn mandaat trouw na te komen.". Als de aangewezenburgemeester zelf de voorzitter van de gemeenteraad is, legt hij de eed af in handen van het oudste gemeenteraadslid. De aangewezen-burgemeester die de eed weigert of die, nadat hij daarvoor uitdrukkelijk is opgeroepen, zonder geldige reden afwezig is op de eerste daaropvolgende vergadering, wordt geacht zowel het ambt van aangewezen-burgemeester als het burgemeestersmandaat niet te aanvaarden. De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet uitspraak over de geschillen die daarover rijzen. | ||
| 5 | De Vlaamse Regering neemt een beslissing over de al dan niet benoeming tot burgemeester nadat de aangewezen-burgemeester de eed heeft afgelegd en zij daarvan in kennis is gesteld door de gemeenteraad. In geval van benoeming tot burgemeester, kan hij als schepen worden vervangen conform artikel 49, § 1. | ||
| 6 | Voor hij zijn mandaat aanvaardt, legt de benoemde burgemeester de volgende eed af in handen van de provinciegouverneur: “Ik zweer de verplichtingen van mijn mandaat trouw na te komen.” De benoemde burgemeester die de eed na twee oproepingen niet heeft afgelegd, wordt geacht het burgemeestersmandaat niet te aanvaarden. De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet uitspraak over de geschillen die daarover rijzen. | ||
| 7 | In geval van een algehele vernieuwing van de gemeenteraad vindt de eedaflegging plaats tijdens de installatievergadering van de gemeenteraad of tijdens een van de daaropvolgende vergaderingen van de gemeenteraad. | ||
| 8 | In geval van weigering van eedaflegging van de aangewezen-burgemeester of van de burgemeester of van weigering tot benoeming in afwijking van het eerste lid wordt de procedure, vermeld in het derde tot en met het vijfde lid, hernomen met toepassing van de regeling, vermeld in paragraaf 2. | ||
| 9 | De beslissing van de Vlaamse Regering tot niet-benoeming van de burgemeester en de weigering tot eedaflegging als aangewezen-burgemeester of als burgemeester heeft tot gevolg dat betrokkene tijdens dezelfde bestuursperiode niet meer kan worden benoemd als burgemeester. | ||
| 10 | § 2. Als het raadslid, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, het mandaat van aangewezen-burgemeester of het burgemeestersmandaat niet aanvaardt, als hij definitief ophoudt dat mandaat uit te oefenen, of in het geval dat de Vlaamse Regering beslist de benoeming tot burgemeester te weigeren, wordt het raadslid dat, na dat raadslid, binnen dezelfde fractie de meeste naamstemmen heeft behaald, aangewezen-burgemeester en door de Vlaamse Regering benoemd tot burgemeester. Als alle verkozenen van de grootste coalitiefractie ervan afzien het mandaat van aangewezen-burgemeester of het mandaat van burgemeester op te nemen, wordt de verkozene die behoort tot de op een na grootste coalitiefractie en die de meeste naamstemmen behaald heeft, aangewezen-burgemeester en door de Vlaamse Regering benoemd tot burgemeester. | ||
| 11 | De regeling, vermeld in het eerste lid, wordt op een analoge manier toegepast op de verkozenen van de andere coalitiefracties in afnemende volgorde van grootte. | ||
| 12 | §3. In afwijking van paragraaf 2 en artikel 59 kan de Vlaamse Regering een burgemeester benoemen voor minder dan zes jaar in geval van een ontvankelijke akte van opvolging die voldoet aan al de ontvankelijkheidsvoorwaarden, vermeld in het tweede lid. De Vlaamse Regering stelt het model van de akte van opvolging vast en de wijze waarop dat model ter beschikking wordt gesteld. De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop de akte van opvolging wordt ingediend bij de algemeen directeur. | ||
| 13 | Een ontvankelijke akte van opvolging voldoet aan al de volgende voorwaarden: | ||
| 14 | 1° ze draagt een gemeenteraadslid voor dat de Belgische nationaliteit heeft; | ||
| 15 | 2° ze is gedaan op de modelakte die de Vlaamse Regering krachtens het eerste lid vaststelt en die op de dag van de verkiezingen door een door de Vlaamse Regering aan te wijzen entiteit van de Vlaamse overheid met de datumstempel van die dag ter beschikking is gesteld; | ||
| 16 | 3° ze vermeldt de einddatum van het mandaat van burgemeester. De opvolging kan op zijn vroegst in werking treden op 1 oktober van het vierde jaar van de bestuursperiode; | ||
| 17 | 4° ze vermeldt de naam van de persoon die de burgemeester opvolgt. De voormelde persoon behoort tot dezelfde fractie als de burgemeester die wordt opgevolgd; | ||
| 18 | 5° ze is ondertekend door meer dan de helft van de verkozenen op de lijsten die aan de verkiezingen deelnamen; | ||
| 19 | 6° ze is ondertekend door de meerderheid van de personen die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat-opvolger zijn verkozen. Als de lijst waarop de naam van de kandidaat-opvolger voorkomt maar twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen; | ||
| 20 | 7° ze is uiterlijk drie dagen voor de installatievergadering van de gemeenteraad aan de algemeen directeur bezorgd. | ||
| 21 | Bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van de burgemeester, vermeld in de akte van opvolging, is de burgemeester van rechtswege ontslagnemend. | ||
| 22 | Als het mandaat van burgemeester eindigt voor 1 oktober van het vierde jaar van de bestuursperiode, wordt de akte van opvolging zonder voorwerp en wordt tot vervanging overgegaan conform paragraaf 2. | ||
| 23 | Als het mandaat van burgemeester vervroegd eindigt op of na 1 oktober van het vierde jaar van de bestuursperiode, neemt het raadslid, vermeld in de opvolgakte, het mandaat vervroegd op. | ||
| 24 | Als de persoon die in de akte van opvolging is vermeld, geen gemeenteraadslid meer is, wordt de akte van opvolging zonder voorwerp. | ||
| 25 | Een nieuwe akte van opvolging kan alleen worden ingediend in de volgende gevallen: | ||
| 26 | 1° de akte van opvolging is onontvankelijk; | ||
| 27 | 2° het mandaat van de burgemeester eindigt voor 1 oktober van het vierde jaar van de bestuursperiode en er wordt tot vervanging overgegaan conform paragraaf 2; | ||
| 28 | 3° voor de einddatum van het mandaat van de burgemeester is de persoon die in de akte van opvolging is vermeld, geen gemeenteraadslid meer. | ||
| 29 | Het tweede lid, met uitzondering van punt 7°, is van toepassing op de nieuwe akte van opvolging, vermeld in het zevende lid. De voormelde nieuwe akte van opvolging wordt uiterlijk acht dagen voor de vergadering van de gemeenteraad aan de algemeen directeur bezorgd. | ||
| 30 | Als bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van burgemeester, vermeld in de akte van opvolging, de persoon die in de akte van opvolging is vermeld, het mandaat niet opneemt of als na de opvolging het mandaat van burgemeester vroegtijdig eindigt, wordt de burgemeester vervangen op basis van een akte van voordracht die voldoet aan al de ontvankelijkheidsvoorwaarden, vermeld in het tiende lid. De Vlaamse Regering stelt het model van de voormelde akte van voordracht vast en de wijze waarop dat model ter beschikking wordt gesteld. De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop de voormelde akte van voordracht wordt ingediend bij de algemeen directeur. | ||
| 31 | Een akte van voordracht als vermeld in het negende lid, is ontvankelijk als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden: | ||
| 32 | 1° ze draagt een gemeenteraadslid voor dat de Belgische nationaliteit heeft; | ||
| 33 | 2° ze is gedaan op de modelakte die de Vlaamse Regering krachtens het negende lid vaststelt en die op de dag van de verkiezingen door een door de Vlaamse Regering aan te wijzen entiteit van de Vlaamse overheid met de datumstempel van die dag ter beschikking is gesteld; | ||
| 34 | 3° ze vermeldt de naam van de kandidaat-burgemeester. De kandidaat-burgemeester behoort tot dezelfde fractie als de burgemeester die wordt vervangen; | ||
| 35 | 4° ze is ondertekend door meer dan de helft van de gemeenteraadsleden; | ||
| 36 | 5° ze is ondertekend door de meerderheid van de personen die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat-opvolger zijn verkozen. Als de lijst waarop de naam van de kandidaat-opvolger voorkomt maar twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen; | ||
| 37 | 6° ze is uiterlijk acht dagen voor de vergadering van de gemeenteraad waarop de vervanging van de burgemeester is geagendeerd, aan de algemeen directeur bezorgd. | ||
| 2 | Niemand kan meer dan één akte van voordracht ondertekenen. Overtreding van dat verbod wordt bestraft overeenkomstig artikel 7, §2. | 38 | Niemand kan meer dan één akte van opvolging of één akte van voordracht ondertekenen. Overtreding van het voormelde verbod wordt bestraft conform artikel 7, §2. |
| 3 | De akte van voordracht kan ook de einddatum van het mandaat van de kandidaat-burgemeester vermelden. In dat geval kan op de akte van voordracht de naam vermeld worden van een of meer personen die worden voorgedragen om hem op te volgen voor de resterende duurtijd van het mandaat. In voorkomend geval is de burgemeester bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van rechtswege ontslagnemend. Als het mandaat eindigt voor de einddatum, vermeld in de akte, of, als de persoon die in de akte van voordracht is vermeld als de persoon die de burgemeester zou opvolgen, zijn mandaat niet opneemt, wordt de voordracht van de eerstvolgende opvolger, vermeld in de akte, vervroegd. Als de persoon die als laatste opvolger is vermeld, het mandaat niet kan opnemen of als er geen opvolger is vermeld, wordt tot vervanging overgegaan overeenkomstig artikel 62. | ||
| 4 | De Vlaamse Regering gaat na of de akte van voordracht ontvankelijk is overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in het eerste lid. De Vlaamse Regering kan evenwel altijd om een nieuwe voordracht verzoeken. | ||
| 5 | § 2. Een voorgedragen kandidaat-burgemeester die niet is benoemd, kan tijdens dezelfde bestuursperiode niet meer opnieuw worden voorgedragen, tenzij op basis van nieuwe feiten of nieuwe gegevens. | ||
| 6 | § 3. Met behoud van de toepassing van artikel 13, derde lid, van de Nieuwe Gemeentewet kan de burgemeester buiten de verkozenen voor de gemeenteraad worden benoemd uit de gemeenteraadskiezers die minstens vijfentwintig jaar oud zijn. | ||
| 7 | De burgemeester die buiten de raad is benoemd, is in alle gevallen stemgerechtigd in het college van burgemeester en schepenen en beschikt over een raadgevende stem in de gemeenteraad. | ||
| 39 | De algemeen directeur bezorgt een afschrift van de akte van opvolging of de akte van voordracht aan de burgemeester. | ||
| 40 | Nadat de gemeenteraadsleden de eed hebben afgelegd, bezorgt de algemeen directeur in voorkomend geval de akte van opvolging aan de voorzitter van de gemeenteraad. In voorkomend geval bezorgt de algemeen directeur de akte van voordracht, vermeld in het negende lid, aan de voorzitter van de gemeenteraad. | ||
| 41 | De voorzitter van de gemeenteraad gaat na of de akte van opvolging of de akte van voordracht voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden. Alleen de handtekeningen van de gemeenteraadsleden die de eed hebben afgelegd, worden daarvoor in aanmerking genomen, met inbegrip van de opvolgers die de akte van opvolging hebben ondertekend en die nadien als gemeenteraadslid de eed hebben afgelegd. Als de akte van opvolging of de akte van voordracht, vermeld in het eerste en het negende lid, ontvankelijk is, bezorgt de voorzitter de akte aan de Vlaamse Regering. | ||
| 42 | De Vlaamse Regering beslist of de opvolger of kandidaat-burgemeester al dan niet benoemd wordt. |
| 1 | Het aantal leden dat voor de districtsraden verkozen moet worden, wordt bepaald op twee derde van het aantal leden, vermeld in artikel 4, § 1, toegepast op de overeenkomstige gebiedsomschrijvingen. Het resultaat van die deling wordt afgerond naar het hoger oneven getal. | 1 | Het aantal leden dat voor de districtsraden verkozen moet worden, wordt bepaald op twee derde van het aantal leden, vermeld in artikel 4, § 1, toegepast op de overeenkomstige gebiedsomschrijvingen. Het resultaat van die deling wordt afgerond naar het hoger oneven getal. |
| 2 | Artikel 4, § 3, is van toepassing op de districtsraad met dien verstande dat "gemeente" wordt gelezen als "district", "gemeenteraadsleden" wordt gelezen als "districtsraadsleden" en "gemeenteraadsverkiezingen" wordt gelezen als "districtsraadsverkiezingen". | ||
| 2 | Artikel 4, § 3, is van toepassing op de districtsraad met dien verstande dat "gemeente" wordt gelezen als "district", "gemeenteraadsleden" wordt gelezen als "districtsraadsleden" en "gemeenteraadsverkiezingen" wordt gelezen als "districtsraadsverkiezingen". Als een gemeente de beslissing tot oprichting van een nieuw district bekendgemaakt heeft, vermeldt de Vlaamse Regering, in voorkomend geval in de lijst van het aantal te verkiezen districtsraadsleden, het aantal te verkiezen districtsraadsleden van het nieuwe district op basis van het aantal personen die ingeschreven zijn in het Rijksregister van de natuurlijke personen en die op 1 januari van het jaar van de districtsraadsverkiezingen hun hoofdverblijfplaats in de gebiedsomschrijving en binnen de grenzen van het nieuwe district hebben. |
| 6 | De databank, vermeld in het tweede lid, bevat de volgende gegevens van de mandatarissen: de voornaam, de achternaam, het rijksregisternummer, het geslacht, de geboortedatum, de naam van de lijst waarop ze als raadslid zijn verkozen, de naam van de fractie waartoe ze behoren of, in voorkomend geval, de melding dat ze als onafhankelijke zetelen, alsook, in voorkomend geval, de bevoegdheden die ze toegewezen krijgen, en de begin- en einddatum van hun mandaat. Die gegevens worden ter beschikking gesteld door het lokaal bestuur waarbij de mandataris actief is. De databank houdt het historische overzicht van die gegevens bij. | 6 | De databank, vermeld in het tweede lid, bevat de volgende gegevens van de mandatarissen: de voornaam, de achternaam, het rijksregisternummer, het geslacht, de geboortedatum, de naam van de lijst waarop ze als raadslid zijn verkozen, de naam van de fractie waartoe ze behoren of, in voorkomend geval, de melding dat ze als onafhankelijke zetelen, alsook, in voorkomend geval, de bevoegdheden die ze toegewezen krijgen, en de begin- en einddatum van hun mandaat. Die gegevens worden ter beschikking gesteld door het lokaal bestuur waarbij de mandataris actief is. De databank houdt het historische overzicht van die gegevens bij. |
| 7 | De gegevens van de mandatarissen, vermeld in het vijfde lid, worden met uitzondering van het rijksregisternummer, het geslacht en de geboortedatum publiek toegankelijk gemaakt door de entiteit die door de Vlaamse Regering overeenkomstig het tweede lid is aangewezen. | 7 | De gegevens van de mandatarissen, vermeld in het vijfde lid, worden met uitzondering van het rijksregisternummer, het geslacht en de geboortedatum publiek toegankelijk gemaakt door de entiteit die door de Vlaamse Regering overeenkomstig het tweede lid is aangewezen. |
| 8 | De gegevens, vermeld in het vijfde lid, kunnen worden meegedeeld aan de instanties, vermeld in artikel I.3, 1° tot en met 9°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, voor zover die mededeling past in het kader van een wettelijk vastgelegde plicht of opdracht van algemeen belang van de ontvangende instantie en de mededeling noodzakelijk is om die wettelijk vastgelegde plicht of opdracht te vervullen. Als de mededeling aan die voorwaarden voldoet, wordt het doeleinde van een mededeling als verenigbaar beschouwd met het doeleinde van de oorspronkelijke verwerking, vermeld in het derde lid. | ||
| 9 | De ontvangende instantie, vermeld in het zevende lid, is met betrekking tot latere verwerkingen van de gegevens, vermeld in het vijfde lid, de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming. | ||
| 8 | De gegevens, vermeld in het vijfde lid, worden bewaard overeenkomstig de regeling die geldt met toepassing van artikel III.87 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. | 10 | De gegevens, vermeld in het vijfde lid, worden bewaard overeenkomstig de regeling die geldt met toepassing van artikel III.87 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. |
| 9 | De Vlaamse Regering regelt de nadere uitvoering van dit artikel. | 11 | De Vlaamse Regering regelt de nadere uitvoering van dit artikel. |
| 1 | Na hun aanstelling leggen de algemeen directeur, de adjunct-algemeendirecteur en de financieel directeur tijdens een openbare vergadering van de gemeenteraad de volgende eed af in handen van de voorzitter: "Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen.". | 1 | Na hun aanstelling leggen de algemeen directeur, de adjunct-algemeendirecteur en de financieel directeur tijdens een openbare vergadering van de gemeenteraad de volgende eed af in handen van de voorzitter: "Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen.". |
| 2 | Een personeelslid als vermeld in het eerste lid, dat zonder wettige reden de eed niet aflegt nadat het met een aangetekende brief, met een brief die afgegeven wordt tegen ontvangstbewijs, of via een elektronische melding van gegevens die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2281 van het Burgerlijk Wetboek, en die een bewijs oplevert van die melding, van het tijdstip waarop ze is verricht en van de authenticiteit en de integriteit van de verwerkte gegevens, uitgenodigd is om de eed af te leggen, wordt geacht zijn aanstelling niet te aanvaarden. Die eedaflegging weigeren staat gelijk aan afstand doen van de aanstelling. Van de eedaflegging of de weigering ervan wordt een proces-verbaal opgemaakt. | 2 | Een personeelslid als vermeld in het eerste lid, dat zonder wettige reden de eed niet aflegt nadat het met een aangetekende brief, met een brief die afgegeven wordt tegen ontvangstbewijs, of via een elektronische melding van gegevens die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 1.5 van het Burgerlijk Wetboek, en die een bewijs oplevert van die melding, van het tijdstip waarop ze is verricht en van de authenticiteit en de integriteit van de verwerkte gegevens, uitgenodigd is om de eed af te leggen, wordt geacht zijn aanstelling niet te aanvaarden. Die eedaflegging weigeren staat gelijk aan afstand doen van de aanstelling. Van de eedaflegging of de weigering ervan wordt een proces-verbaal opgemaakt. |
| 3 | 2° het debiteurenbeheer, in het bijzonder de invordering van de fiscale en niet-fiscale ontvangsten en het verlenen van kwijting. Dat debiteurenbeheer kan plaatsvinden rekening houdend met onder meer de doelstelling van bestrijding en voorkoming van armoede en overeenkomstig het lokaal beleid. | 3 | 2° het debiteurenbeheer, in het bijzonder de invordering van de fiscale en niet-fiscale ontvangsten en het verlenen van kwijting. Dat debiteurenbeheer kan plaatsvinden rekening houdend met onder meer de doelstelling van bestrijding en voorkoming van armoede en overeenkomstig het lokaal beleid. |
| 4 | De financieel directeur kan een dwangbevel uitvaardigen, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door het college van burgemeester en schepenen of door het vast bureau, om onbetwiste en opeisbare niet-fiscale schuldvorderingen in te vorderen. Dat dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot. Dat exploot stuit de verjaring. | 4 | De financieel directeur kan een dwangbevel uitvaardigen, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door het college van burgemeester en schepenen of door het vast bureau, om onbetwiste en opeisbare niet-fiscale schuldvorderingen in te vorderen. Dat dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot. Dat exploot stuit de verjaring. |
| 5 | Een dwangbevel als vermeld in het tweede lid kan door het college van burgemeester en schepenen of door het vast bureau alleen worden geviseerd en uitvoerbaar verklaard worden als de schuld opeisbaar, vaststaand en zeker is. De schuldenaar moet bovendien vooraf aangemaand zijn met een aangetekende brief, met een brief die afgegeven wordt tegen ontvangstbewijs, of via een elektronische melding van gegevens die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2281 van het Burgerlijk Wetboek, en die een bewijs oplevert van deze melding, van het tijdstip waarop ze is verricht en van de authenticiteit en de integriteit van de verwerkte gegevens. De gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kunnen administratieve kosten aanrekenen voor die aangetekende brief. Die kosten zijn ten laste van de schuldenaar en kunnen ook ingevorderd worden via het dwangbevel. | 5 | Een dwangbevel als vermeld in het tweede lid kan door het college van burgemeester en schepenen of door het vast bureau alleen worden geviseerd en uitvoerbaar verklaard worden als de schuld opeisbaar, vaststaand en zeker is. De schuldenaar moet bovendien vooraf aangemaand zijn met een aangetekende brief, met een brief die afgegeven wordt tegen ontvangstbewijs, of via een elektronische melding van gegevens die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 1.5 van het Burgerlijk Wetboek, en die een bewijs oplevert van deze melding, van het tijdstip waarop ze is verricht en van de authenticiteit en de integriteit van de verwerkte gegevens. De gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kunnen administratieve kosten aanrekenen voor die aangetekende brief. Die kosten zijn ten laste van de schuldenaar en kunnen ook ingevorderd worden via het dwangbevel. |
| 6 | Schulden van een publieke rechtspersoon kunnen nooit via een dwangbevel als vermeld in het tweede lid worden ingevorderd. | 6 | Schulden van een publieke rechtspersoon kunnen nooit via een dwangbevel als vermeld in het tweede lid worden ingevorderd. |
| 7 | Er kan verzet worden aangetekend tegen een gerechtsdeurwaardersexploot als vermeld in het tweede lid binnen een maand na de betekening ervan bij verzoekschrift of door een dagvaarding ten gronde. | 7 | Er kan verzet worden aangetekend tegen een gerechtsdeurwaardersexploot als vermeld in het tweede lid binnen een maand na de betekening ervan bij verzoekschrift of door een dagvaarding ten gronde. |
| 1 | § 1. Er is in elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ten minste een maatschappelijk werker die personeelslid is van dat openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. | 1 | § 1. Er is in elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ten minste een maatschappelijk werker die personeelslid is van dat openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. |
| 2 | Voor een maatschappelijk werker van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zijn ambt opneemt, legt hij de volgende eed af in handen van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn: "Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen.". | 2 | Voor een maatschappelijk werker van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zijn ambt opneemt, legt hij de volgende eed af in handen van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn: "Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen.". |
| 3 | Een personeelslid als vermeld in het tweede lid, dat zonder wettige reden de eed niet aflegt nadat het met een aangetekende brief, met een brief die afgegeven wordt tegen ontvangstbewijs, of via een elektronische melding van gegevens die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2281 van het Burgerlijk Wetboek, en die een bewijs oplevert van die melding, van het tijdstip waarop ze is verricht en van de authenticiteit en de integriteit van de verwerkte gegevens, uitgenodigd is om de eed af te leggen, wordt geacht zijn aanstelling niet te aanvaarden. Die eedaflegging weigeren staat gelijk aan afstand doen van de aanstelling. Van de eedaflegging of de weigering ervan wordt een proces-verbaal opgemaakt. | 3 | Een personeelslid als vermeld in het tweede lid, dat zonder wettige reden de eed niet aflegt nadat het met een aangetekende brief, met een brief die afgegeven wordt tegen ontvangstbewijs, of via een elektronische melding van gegevens die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 1.5 van het Burgerlijk Wetboek, en die een bewijs oplevert van die melding, van het tijdstip waarop ze is verricht en van de authenticiteit en de integriteit van de verwerkte gegevens, uitgenodigd is om de eed af te leggen, wordt geacht zijn aanstelling niet te aanvaarden. Die eedaflegging weigeren staat gelijk aan afstand doen van de aanstelling. Van de eedaflegging of de weigering ervan wordt een proces-verbaal opgemaakt. |
| 4 | § 2. Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen, vermeld in artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, en in artikel 2 van dit decreet, en ter uitvoering van de taken die aan hem opgedragen zijn door de algemeen directeur namens de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau of het bijzonder comité voor de sociale dienst of zijn subcomités, of namens de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst voor het verlenen van dringende steun, heeft de maatschappelijk werker van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn als opdracht de personen en gezinnen te helpen bij het opheffen of verbeteren van de noodsituaties waarin zij zich bevinden. Daarvoor verricht hij, onder meer, de onderzoeken ter voorbereiding van de te nemen beslissingen, verstrekt hij documentatie en raadgevingen en verzekert hij de maatschappelijke begeleiding van de betrokkenen. | 4 | § 2. Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen, vermeld in artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, en in artikel 2 van dit decreet, en ter uitvoering van de taken die aan hem opgedragen zijn door de algemeen directeur namens de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau of het bijzonder comité voor de sociale dienst of zijn subcomités, of namens de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst voor het verlenen van dringende steun, heeft de maatschappelijk werker van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn als opdracht de personen en gezinnen te helpen bij het opheffen of verbeteren van de noodsituaties waarin zij zich bevinden. Daarvoor verricht hij, onder meer, de onderzoeken ter voorbereiding van de te nemen beslissingen, verstrekt hij documentatie en raadgevingen en verzekert hij de maatschappelijke begeleiding van de betrokkenen. |
| 5 | § 3. De verantwoordelijke van de sociale dienst licht de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau of de algemeen directeur in over de algemene behoeften die hij bij de vervulling van zijn taak vaststelt en stelt maatregelen voor om daaraan tegemoet te komen. De verantwoordelijke van de sociale dienst neemt deel aan de vergaderingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst. Hij kan bovendien uitgenodigd worden om deel te nemen aan de besprekingen van de raad voor maatschappelijk welzijn of van het vast bureau telkens als de problemen behandeld worden die de sociale dienst aanbelangen. | 5 | § 3. De verantwoordelijke van de sociale dienst licht de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau of de algemeen directeur in over de algemene behoeften die hij bij de vervulling van zijn taak vaststelt en stelt maatregelen voor om daaraan tegemoet te komen. De verantwoordelijke van de sociale dienst neemt deel aan de vergaderingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst. Hij kan bovendien uitgenodigd worden om deel te nemen aan de besprekingen van de raad voor maatschappelijk welzijn of van het vast bureau telkens als de problemen behandeld worden die de sociale dienst aanbelangen. |
| 11 | De databank bevat de volgende gegevens van de betrokkenen, vermeld in het tweede lid: de voornaam, de achternaam, het rijksregisternummer, contact- gegevens en de begin- en einddatum van de aanstelling. Die gegevens worden ter beschikking gesteld door de gemeente en het autonoom gemeentebedrijf. De databank houdt het historische overzicht van die gegevens bij. | 11 | De databank bevat de volgende gegevens van de betrokkenen, vermeld in het tweede lid: de voornaam, de achternaam, het rijksregisternummer, contact- gegevens en de begin- en einddatum van de aanstelling. Die gegevens worden ter beschikking gesteld door de gemeente en het autonoom gemeentebedrijf. De databank houdt het historische overzicht van die gegevens bij. |
| 12 | De gegevens, vermeld in het zesde lid, van de betrokkenen, vermeld in het tweede lid, die in functie zijn, worden, met uitzondering van het rijksregisternummer, door de entiteit die door de Vlaamse Regering overeenkomstig het tweede lid is aangewezen, publiek toegankelijk gemaakt. | 12 | De gegevens, vermeld in het zesde lid, van de betrokkenen, vermeld in het tweede lid, die in functie zijn, worden, met uitzondering van het rijksregisternummer, door de entiteit die door de Vlaamse Regering overeenkomstig het tweede lid is aangewezen, publiek toegankelijk gemaakt. |
| 13 | De gegevens, vermeld in het zesde lid, kunnen worden meegedeeld aan de instanties, vermeld in artikel I.3, 1° tot en met 9°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, voor zover die mededeling past in het kader van een wettelijk vastgelegde plicht of opdracht van algemeen belang van de ontvangende instantie en de mededeling noodzakelijk is om die wettelijk vastgelegde plicht of opdracht te vervullen. Als de mededeling aan die voorwaarden voldoet, wordt het doeleinde van de mededeling als verenigbaar beschouwd met het doeleinde van de oorspronkelijke verwerking, vermeld in het vierde lid. | ||
| 14 | De ontvangende instantie, vermeld in het achtste lid, is met betrekking tot latere verwerkingen van de gegevens, vermeld in het zesde lid, de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming. | ||
| 13 | De gegevens, vermeld in het zesde lid, worden bewaard overeenkomstig de regeling die geldt met toepassing van artikel III.87 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. | 15 | De gegevens, vermeld in het zesde lid, worden bewaard overeenkomstig de regeling die geldt met toepassing van artikel III.87 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. |
| 14 | De Vlaamse Regering regelt de nadere uitvoering van dit artikel. | 16 | De Vlaamse Regering regelt de nadere uitvoering van dit artikel. |
| 1 | In dit artikel wordt verstaan onder: | ||
| 2 | 1° algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 | ||
| 3 | van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG; | ||
| 4 | 2° subsidiebegunstigde: de rechtspersoon of feitelijke vereniging die een subsidie ontvangt. | ||
| 5 | Zowel gemeenten, openbare centra voor maatschappelijk welzijn als districten kunnen een subsidieregister oprichten en bijhouden met gegevens over de subsidies die ze verstrekken en kunnen die gegevens verwerken. De gemeente, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en in voorkomend geval de districten kunnen beslissen om dat subsidieregister gemeenschappelijk op te richten en bij te houden. | ||
| 6 | De verwerking, vermeld in het tweede lid, heeft de volgende doelstellingen: | ||
| 7 | 1° intern en extern een transparant en toegankelijk overzicht van de subsidiestromen bieden, onder meer met het oog op de informatiedeling over de verstrekte subsidies; | ||
| 8 | 2° de subsidiestromen optimaliseren, onder meer om dubbele subsidiëring tegen te gaan; | ||
| 9 | 3° de actieve openbaarheid van bestuur versterken. | ||
| 10 | De gegevens, vermeld in het tweede lid, kunnen de volgende categorieën van persoonsgegevens van subsidiebegunstigden bevatten: | ||
| 11 | 1° contactgegevens zoals een naam en adres; | ||
| 12 | 2° beroepsgegevens; | ||
| 13 | 3° financiële gegevens. | ||
| 14 | De gemeente, respectievelijk het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of het district, beheert het subsidieregister en is met betrekking tot de persoonsgegevens verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming. In geval van een gemeenschappelijk register zijn de gemeente, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en in voorkomend geval de districten de beheerders en gezamenlijke verwerkings- verantwoordelijken. | ||
| 15 | De verwerkingsverantwoordelijke kan het subsidieregister publiek toegankelijk maken. In geval van gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken is het publiek toegankelijk maken van het subsidieregister pas mogelijk na een akkoord tussen de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken. | ||
| 16 | Na maximaal tien jaar vanaf de verbintenis om de subsidie te verstrekken, moeten de gegevens van de subsidie gewist worden uit het subsidieregister. | ||
| 17 | De gemeente, respectievelijk het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of het district, regelt de nadere uitwerking van het subsidieregister. In voorkomend geval regelen de gemeente, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient en in voorkomend geval de districten de nadere uitwerking van het gemeenschappelijk subsidieregister. |
| 1 | §1. Het bevoegde orgaan van de welzijnsvereniging stelt, binnen de grenzen die vastgesteld zijn door de Vlaamse Regering, de rechtspositieregeling van het personeel vast. | ||
| 1 | § 1. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 en 3 zijn de personeelsleden van een welzijnsvereniging onderworpen aan dezelfde rechtspositieregeling en hetzelfde pensioenstelsel en aan dezelfde bepalingen van dit decreet als die welke van toepassing zijn op de personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient waar de zetel van de welzijnsvereniging gevestigd is. | 2 | §2. De personeelsleden van een welzijnsvereniging zijn onderworpen aan dezelfde bepalingen van deel 2, titel 2, hoofdstuk 4, met uitzondering van artikel 186 en 195, als de bepalingen die van toepassing zijn op de personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient waar de zetel van de welzijnsvereniging gevestigd is. |
| 2 | Het bevoegde orgaan van de welzijnsvereniging stelt de afwijkingen van de rechtspositieregeling vast, vermeld in het eerste lid, als het specifieke karakter van sommige diensten en instellingen van de welzijnsvereniging dat nodig maakt, en bepaalt de rechtspositieregeling voor de betrekkingen die onbestaand zijn op gemeentelijk vlak. | ||
| 3 | Er kan niet afgeweken worden van de tuchtregeling, vermeld in deel 2, titel 2, hoofdstuk 4, afdeling 6. | ||
| 4 | Behalve in geval van gemotiveerde afwijking, kan aan geen enkel personeelslid van de welzijnsvereniging een jaarsalaris worden toegekend dat gelijk is aan of hoger is dan het jaarsalaris van de algemeen directeur van de gemeente met het hoogste aantal inwoners van de gemeenten die bediend worden door de deelnemende openbare centra voor maatschappelijk welzijn. | ||
| 5 | § 2. Personeelsleden van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een gemeente en personeelsleden van een welzijnsvereniging of van een autonome verzorgingsinstelling als vermeld in titel 4, hoofdstuk 2 en 3, die deelgenoot zijn van een vereniging als vermeld in titel 4, hoofdstuk 2 of 3, kunnen door die vereniging overgenomen worden. | ||
| 6 | Ongeacht de regels die van toepassing zijn bij bevorderingen, worden die personeelsleden met hun graad of met een gelijkwaardige graad en in hun hoedanigheid overgeplaatst. Ze behouden de bezoldiging en de geldelijke anciënniteit die zij hadden of verkregen zouden hebben op grond van de rechtspositieregeling die van toepassing is op het ogenblik van de overname als ze in hun dienst van herkomst het ambt dat ze bij hun overplaatsing bekleedden, verder hadden uitgeoefend. | ||
| 7 | De Vlaamse Regering kan de algemene regels tot vaststelling van de administratieve anciënniteit van die personeelsleden bepalen. | ||
| 8 | Op verzoek van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van de welzijnsvereniging of van het betrokken personeelslid doet de provinciegouverneur die krachtens artikel 485 bevoegd is, uitspraak over elke betwisting betreffende de toepassing van deze paragraaf. | ||
| 9 | § 3. Een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een gemeente die deelgenoot is van een welzijnsvereniging als vermeld in dit hoofdstuk, kan de personeelsleden van die welzijnsvereniging overnemen. | ||
| 10 | Bij de overname van personeel dat in dienst is van een deelgenoot van de privésector, kan bedongen worden dat het personeel in dezelfde toestand behouden blijft wat betreft bezoldiging, anciënniteit, sociale zekerheid en verworven rechten. | ||
| 11 | De Vlaamse Regering kan de nadere voorwaarden van overname van dit personeel en, in voorkomend geval, de modaliteiten van een eventuele regularisatie in statutair dienstverband, bepalen. | ||
| 3 | § 3. ... | ||
| 12 | § 4. Als dat nader bepaald is in de rechtspositieregeling van het personeel van een welzijnsvereniging of autonome verzorgingsinstelling als vermeld in titel 4, hoofdstuk 2 en 3, kunnen personeelsleden in statutair dienstverband ter beschikking gesteld worden van een vereniging als vermeld in titel 4, hoofdstuk 2 of 3. | 4 | § 4. Als dat nader bepaald is in de rechtspositieregeling van het personeel van een welzijnsvereniging of autonome verzorgingsinstelling als vermeld in titel 4, hoofdstuk 2 en 3, kunnen personeelsleden in statutair dienstverband ter beschikking gesteld worden van een vereniging als vermeld in titel 4, hoofdstuk 2 of 3. |
| 13 | De terbeschikkingstelling is tijdelijk en wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de vereniging overeenkomstig titel 4, hoofdstuk 2 of 3, en de rechtspersoon waaraan het personeel ter beschikking wordt gesteld. | 5 | De terbeschikkingstelling is tijdelijk en wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de vereniging overeenkomstig titel 4, hoofdstuk 2 of 3, en de rechtspersoon waaraan het personeel ter beschikking wordt gesteld. |