Tot wijziging van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, wat betreft de opheffing van de leeftijdsgrens en de mogelijkheid van elektronische monitoring in de fase van de voorlopige rechtspleging en overige wijzigingen #2013
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (onduidelijk welk deel). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (het deel om aan te vullen niet gevonden). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | § 1. De initiatiefnemers die een voorafgaande vergunning of erkenning aanvragen voor een in dit decreet bedoelde woonzorgvoorziening of vereniging worden onderverdeeld in de volgende categorieën: | ||
| 2 | 1° categorie I bestaat uit volgende initiatiefnemers: | ||
| 3 | a) vennootschappen naar Belgisch of buitenlands recht, vzw's, stichtingen of verenigingen naar buitenlands recht met rechtspersoonlijkheid die rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel mogen uitkeren of bezorgen behalve voor het in de statuten bepaalde belangeloze doel, met een jaargemiddelde van minstens 100 werknemers, bepaald overeenkomstig artikel 15, § 5, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Vennootschappen; | ||
| 4 | b) vennootschappen die behoren tot een consortium of een met andere rechtspersonen gemengd consortium; | ||
| 5 | c) vennootschappen die een verbonden of een geassocieerde vennootschap zijn als vermeld in artikel 11 en 12 van het Wetboek van Vennootschappen; | ||
| 6 | d) vzw's, stichtingen of verenigingen naar buitenlands recht met rechtspersoonlijkheid die rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel mogen uitkeren of bezorgen behalve voor het in de statuten bepaalde belangeloze doel, die tot een consortium behoren; | ||
| 7 | e) vzw's of stichtingen of verenigingen naar buitenlands recht met rechtspersoonlijkheid die rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel mogen uitkeren of bezorgen behalve voor het in de statuten bepaalde belangeloze doel, waarover een controlebevoegdheid wordt uitgeoefend of die zelf een controlebevoegdheid uitoefenen; | ||
| 8 | 2° categorie II bestaat uit alle initiatiefnemers die niet tot categorie I behoren. | ||
| 9 | In deze paragraaf wordt verstaan onder: | ||
| 10 | 1° consortium: | ||
| 11 | a) als het enkel vennootschappen naar Belgisch of buitenlands recht betreft: een consortium als vermeld in artikel 10 van het Wetboek van Vennootschappen; | ||
| 12 | b) als het enkel vzw's, stichtingen of verenigingen naar buitenlands recht met rechtspersoonlijkheid die rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel mogen uitkeren of bezorgen behalve voor het in de statuten bepaalde belangeloze doel betreft: vzw's, stichtingen of verenigingen naar buitenlands recht met rechtspersoonlijkheid die rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel mogen uitkeren of bezorgen behalve voor het in de statuten bepaalde belangeloze doel die onder centrale leiding staan. De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen dat al dan niet onweerlegbaar vermoed wordt; | ||
| 13 | 2° gemengd consortium: vzw's, stichtingen of vennootschappen of varianten naar buitenlands recht die onder centrale leiding staan. De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen dat al dan niet onweerlegbaar vermoed wordt; | ||
| 14 | 3° controlebevoegdheid: de bevoegdheid in rechte of in feite om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of op de oriëntatie | ||
| 15 | van het beleid. De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen deze bevoegdheid in rechte of in feite al dan niet op onweerlegbare wijze vermoed wordt. | ||
| 16 | § 2. De Vlaamse Regering kan de onderverdeling van woonzorgvoorzieningen en verenigingen in categorieën uit de eerste paragraaf concretiseren, wijzigen of aanvullen na een geformaliseerd overleg met het permanent overlegorgaan weerbaarheid en transparantie zoals bepaald in artikel 7, § 3. | ||
| 1 | §1. Het herstelrechtelijk aanbod en de reacties op grond van dit decreet kunnen worden opgelegd zonder leeftijdsgrens. Ook de afhandeling op niveau van het openbaar ministerie, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 2, is niet afhankelijk van een leeftijdsgrens. | ||
| 2 | De maatregel, vermeld in artikel 20, §2, eerste lid, 3°/1, of de sanctie, vermeld in artikel 29, §2, eerste lid, 5°/1, kan worden opgelegd tot de minderjarige verdachte of delictpleger de volle leeftijd van achttien jaar bereikt heeft, en neemt uiterlijk een einde als de minderjarige de volle leeftijd van negentien jaar bereikt heeft. | ||
| 3 | §2. Als de minderjarige verdachte of delictpleger de volle leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, kan de jeugdrechter of jeugdrechtbank de aanwijzing geven dat de justitiehuizen toezicht houden op de naleving van voorwaarden of ambulante reacties en de minderjarige verdachte of delictpleger daarin begeleiden. | ||
| 4 | Als de minderjarige verdachte of delictpleger de volle leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, kan de jeugdrechter of jeugdrechtbank de aanwijzing geven dat het VCET instaat voor de controle op het individuele uurrooster en de uitvoering van de individuele voorwaarden in het kader van elektronische monitoring. | ||
| 5 | §3. Als de minderjarige verdachte de volle leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt op het ogenblik dat de jeugdrechter de maatregel, vermeld in artikel 26 of 27, oplegt, kan de jeugdrechter beslissen dat de gesloten begeleiding wordt uitgevoerd in een strafinrichting voor volwassenen, nadat hij een medisch-psychologisch onderzoek heeft laten verrichten. | ||
| 6 | Als de minderjarige verdachte de volle leeftijd van drieëntwintig jaar bereikt tijdens zijn verblijf in een gemeenschapsinstelling, kan de jeugdrechter beslissen dat de gesloten begeleiding verder wordt uitgevoerd in een strafinrichting voor volwassenen, nadat hij een medisch-psychologisch onderzoek heeft laten verrichten. | ||
| 7 | Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op artikel 25, §8, derde tot en met vijfde lid, als de vervangende maatregel het toevertrouwen van de minderjarige verdachte aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, betreft. | ||
| 8 | §4. Als de minderjarige delictpleger de volle leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt op het ogenblik dat de jeugdrechtbank de sanctie, vermeld in artikel 36 of 37, oplegt, kan de jeugdrechtbank beslissen dat de gesloten begeleiding wordt uitgevoerd in een strafinrichting voor volwassenen, nadat ze een medischpsychologisch onderzoek heeft laten verrichten. | ||
| 9 | Als de minderjarige delictpleger de volle leeftijd van drieëntwintig jaar bereikt tijdens zijn verblijf in een afdeling van een gemeenschapsinstelling, kan de jeugdrechtbank beslissen dat de gesloten begeleiding wordt uitgevoerd in een strafi nrichting voor volwassenen, nadat ze een medisch-psychologisch onderzoek heeft laten verrichten. | ||
| 10 | In afwijking van het tweede lid wordt de sanctie, vermeld in artikel 37, uitgevoerd in een afdeling van een gemeenschapsinstelling indien deze wordt opgelegd uiterlijk op het moment dat de minderjarige delictpleger de volle leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. | ||
| 11 | Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op artikel 32, derde lid, artikel 33, derde lid, en artikel 34, §1, derde lid, als de vervangende sanctie het toevertrouwen van de minderjarige delictpleger aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, betreft. | ||
| 12 | In het geval, vermeld in het eerste en tweede lid, draagt de jeugdrechtbank het gerechtelijke dossier over aan de territoriale bevoegde strafuitvoeringsrechter of strafuitvoeringsrechtbank. Met uitzondering van titel XI bis zijn de bepalingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten in dit geval van toepassing op de minderjarige delictpleger. | ||
| 13 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de opmaak en inhoud van het medisch-psychologisch onderzoek, vermeld in paragraaf 3 en 4, eerste en tweede lid. | ||
| 14 | §5. Als de minderjarige verdachte of delictpleger de volle leeftijd van negentien jaar heeft bereikt op het ogenblik dat de jeugdrechter de maatregel, vermeld in artikel 20, §2, eerste lid, 3°/1, of de jeugdrechtbank de sanctie, vermeld in artikel 29, §2, eerste lid, 5°/1, oplegt, wordt die minderjarige verdachte of delictpleger toevertrouwd aan een psychiatrische inrichting voor volwassenen. | ||
| 15 | Als de minderjarige verdachte of delictpleger de volle leeftijd van negentien jaar heeft bereikt tijdens zijn verblijf in een forensische kinder- en jeugdpsychiatrische afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis, wordt die minderjarige verdachte of delictpleger toevertrouwd aan een psychiatrische inrichting voor volwassenen. |
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (het deel om aan te vullen niet gevonden). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (het deel om aan te vullen niet gevonden). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (plaats van invoeging niet gevonden). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (het deel om aan te vullen niet gevonden). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (tekst niet eenduidig gevonden in het genoemde deel). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | De jeugdrechter kan in de gevallen waarin een maatregel als vermeld in artikel 20, §2, eerste lid, 4° of 5°, wordt overwogen, een elektronische monitoring, gecombineerd met begeleiding, opleggen nadat de sociale dienst de opdracht heeft gekregen om een gemotiveerde inhoudelijke en technische inschatting over de uitvoerbaarheid van elektronische monitoring, te maken. | ||
| 2 | De elektronische monitoring kan ook als modaliteit of ter ondersteuning van een maatregel als vermeld in artikel 20, §2, eerste lid, 1° tot en met 3°, worden opgelegd. | ||
| 3 | Een elektronische monitoring kan niet worden opgelegd indien het jeugddelict een feit betreft als vermeld in artikel 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 393 tot en met 397, 398 tot en met 404 juncto 410, 417/11 tot en met 417/22 en 417/25 tot en met 417/37 van het Strafwetboek of een feit betreft als vermeld in artikel 2bis, §4, b), van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, voor zover de feiten betrekking hebben op de invoer, de uitvoer, de vervaardiging, de verkoop of het te koop stellen van de in dat artikel bedoelde middelen en stoffen en voor zover ze daden betreffen van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, in de hoedanigheid van leidend persoon. | ||
| 4 | De jeugdrechter houdt bij het opleggen van elektronische monitoring in het bijzonder rekening met het feit of het jeugddelict een gevaar vormt voor de fysieke of psychische integriteit van de persoon of de personen met wie de minderjarige verdachte op het verblijfsadres zal samenwonen. | ||
| 5 | De minimumduur van elektronische monitoring bedraagt drie maanden. De voormelde termijn is één keer verlengbaar met een termijn van maximaal drie maanden. De maximale duur bedraagt zes maanden. De jeugdrechter bepaalt de duur in zijn beschikking. | ||
| 6 | De Vlaamse Regering bepaalt de elementen van de inhoudelijke en technische inschatting, vermeld in het eerste lid, en ook de modaliteiten van de controle en de begeleiding waarmee de elektronische monitoring gecombineerd moet worden. |
| 1 | De jeugdrechter kan een minderjarige die veertien jaar of ouder is op het ogenblik van de feiten toevertrouwen aan kortverblijf in een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling voor een periode van maximaal veertien dagen als vermeld in artikel 20, §2, eerste lid, 3°/2. De voorwaarden, vermeld in artikel 26, | ||
| 2 | §2, 1°, 2° en 3°, zijn van overeenkomstige toepassing. | ||
| 3 | Ten aanzien van een minderjarige die tussen twaalf en veertien jaar oud is op het ogenblik van de feiten, kan deze maatregel worden uitgesproken onder de voorwaarden, vermeld in artikel 26, §3, 1°, 2° en 3°. |
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (wijziging niet herkend). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (tekst niet eenduidig gevonden in het genoemde deel). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.