Decreet over het onderwijs XXXIII
41 artikels gewijzigd
| 33 | 19°...; | 33 | 19°...; |
| 34 | 19°/1 Databank Hoger Onderwijs: de databank, vermeld in artikel IV.90; | 34 | 19°/1 Databank Hoger Onderwijs: de databank, vermeld in artikel IV.90; |
| 35 | 19°/2 deliberatiecijfer: een resultaat verworven na het examen op een opleidingsonderdeel waarvoor een student geen creditbewijs verwerft, maar waarvoor een examencommissie beslist dat dit opleidingsonderdeel niet hernomen moet worden; | ||
| 35 | 20° diplomacontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van een graad of diploma van een opleiding of die zich inschrijft voor een schakel- of voorbereidingsprogramma; | 36 | 20° diplomacontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van een graad of diploma van een opleiding of die zich inschrijft voor een schakel- of voorbereidingsprogramma; |
| 36 | 21° economische unie: overeenkomst over de financiële ondersteuning van een instelling van hoger onderwijs door een andere instelling van hoger onderwijs; | 37 | 21° economische unie: overeenkomst over de financiële ondersteuning van een instelling van hoger onderwijs door een andere instelling van hoger onderwijs; |
| 109 | d) de toekenning van een vrijstelling, zijnde de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen; | 110 | d) de toekenning van een vrijstelling, zijnde de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen; |
| 110 | e) een beslissing waarbij het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgesteld; | 111 | e) een beslissing waarbij het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgesteld; |
| 111 | f) het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking, bedoeld in artikel II.246; | 112 | f) het opleggen van een individuele maatregel van studievoortgangsbewaking, bedoeld in artikel II.246, § 1 tot en met § 6, § 8 en § 9; |
| 112 | g) het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het contract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich nog niet eerder heeft ingeschreven; | 113 | g) het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het contract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich nog niet eerder heeft ingeschreven; |
| 113 | h) een beslissing inzake gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma van hoger onderwijs met een Vlaams diploma van hoger onderwijs genomen krachtens artikel II.256; | 114 | h) een beslissing inzake gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma van hoger onderwijs met een Vlaams diploma van hoger onderwijs genomen krachtens artikel II.256; |
| 114 | i) een individuele beslissing houdende de weigering tot inschrijving op basis van ontoereikend leerkrediet of een leerkrediet lager dan of gelijk aan 0, indien niet het gevolg van een algemene reglementaire bepaling; | 115 | i) een individuele beslissing houdende de weigering tot inschrijving op basis van ontoereikend leerkrediet of een leerkrediet lager dan of gelijk aan 0, indien niet het gevolg van een algemene reglementaire bepaling; |
| 115 | j) een individuele beslissing houdende de weigering tot inschrijving op basis van het niet naleven van een opgelegde maatregel van studievoortgangsbewaking, bedoeld in artikel II.246; | 116 | j) een individuele beslissing houdende de weigering tot inschrijving op basis van het niet naleven van een opgelegde maatregel van studievoortgangsbewaking, bedoeld in artikel II.246; |
| 117 | k) een beslissing over substantiële verschillen in competenties als een creditbewijs meer dan vijf jaar geleden is verworven als vermeld in artikel II.225, § 3, tweede lid; | ||
| 116 | 70° toetredingsovereenkomst : de overeenkomst tussen instellingsbestuur en student bedoeld in artikel II.273; | 118 | 70° toetredingsovereenkomst : de overeenkomst tussen instellingsbestuur en student bedoeld in artikel II.273; |
| 119 | 70°/1: tolerantie: regeling in examenreglement van een instelling hoger onderwijs waarbij de student geen credits verwerft maar voor een beperkt aantal studiepunten toch het vak niet moet hernemen en waarbij de student zelf of de instelling hoger onderwijs beslist voor welke vakken hij dit inzet; | ||
| 117 | 71° verworven studiepunten : studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student een creditbewijs heeft ontvangen; | 120 | 71° verworven studiepunten : studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student een creditbewijs heeft ontvangen; |
| 118 | 72° vestiging van een hogeronderwijsinstelling: het administratief arrondissement, het gerechtelijk arrondissement of de gemeente of een geheel van aan elkaar grenzende gemeenten waar de hogeronderwijsinstelling onderwijsbevoegdheid heeft. Voor de hogescholen die gevestigd zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en die wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd als uitsluitend behorend tot de Vlaamse Gemeenschap, geldt het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad als 1 vestiging; | 121 | 72° vestiging van een hogeronderwijsinstelling: het administratief arrondissement, het gerechtelijk arrondissement of de gemeente of een geheel van aan elkaar grenzende gemeenten waar de hogeronderwijsinstelling onderwijsbevoegdheid heeft. Voor de hogescholen die gevestigd zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en die wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd als uitsluitend behorend tot de Vlaamse Gemeenschap, geldt het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad als 1 vestiging; |
| 122 | 74° volgtijdelijkheid : de door het instellingsbestuur bepaalde regels inzake het gevolgd hebben van of het geslaagd zijn voor een opleidingsonderdeel of opleiding vooraleer een student een examen kan doen over een ander opleidingsonderdeel of een andere opleiding; | 125 | 74° volgtijdelijkheid : de door het instellingsbestuur bepaalde regels inzake het gevolgd hebben van of het geslaagd zijn voor een opleidingsonderdeel of opleiding vooraleer een student een examen kan doen over een ander opleidingsonderdeel of een andere opleiding; |
| 123 | 75° volstrekte meerderheid van stemmen : het feit dat het aantal voorstemmen het aantal tegenstemmen overtreft. | 126 | 75° volstrekte meerderheid van stemmen : het feit dat het aantal voorstemmen het aantal tegenstemmen overtreft. |
| 124 | 76° voorbereidingsprogramma : een programma dat kan worden opgelegd aan een student die niet in het bezit is van een diploma dat op rechtstreekse wijze toelating verleent tot de opleiding waarvoor hij zich wenst in te schrijven; | 127 | 76° voorbereidingsprogramma : een programma dat kan worden opgelegd aan een student die niet in het bezit is van een diploma dat op rechtstreekse wijze toelating verleent tot de opleiding waarvoor hij zich wenst in te schrijven. Het programma beoogt de ontbrekende competenties van het diploma dat op rechtstreekse wijze toelating verleent bij te brengen. Indien meerdere diploma's rechtstreekse toelating verlenen, gaat het om de gemeenschappelijke ontbrekende competenties; |
| 125 | 77° vrijstelling : de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen; | 128 | 77° vrijstelling : de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen; |
| 126 | 77°/1 werkplekleren : leeractiviteiten die gericht zijn op het verwerven van algemene of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is; | 129 | 77°/1 werkplekleren : leeractiviteiten die gericht zijn op het verwerven van algemene of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is; |
| 6 | 2° een bewijs van pedagogische bekwaamheid, als vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs, in combinatie met een bachelorof masterdiploma; | 6 | 2° een bewijs van pedagogische bekwaamheid, als vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs, in combinatie met een bachelorof masterdiploma; |
| 7 | 3° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig met een van de voorgaande diploma's wordt erkend; | 7 | 3° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig met een van de voorgaande diploma's wordt erkend; |
| 8 | § 4. Een student die al beschikt over een bachelordiploma kan, in afwijking van paragraaf 2, een diploma van de educatieve bacheloropleiding voor secundair onderwijs behalen zonder de vermelding van onderwijsvakken. Tot en met het academiejaar 2022-2023 kan ook een student die beschikt over een diploma dat gelijkgeschakeld is met de graad van master, vermeld in artikel II.377 en in artikel II.378, § 1, tweede en derde lid, in afwijking van paragraaf 2 van dit artikel, een diploma van de educatieve bacheloropleiding voor secundair onderwijs behalen zonder de vermelding van onderwijsvakken. | 8 | § 4. Een student die al beschikt over een bachelordiploma kan, in afwijking van paragraaf 2, een diploma van de educatieve bacheloropleiding voor secundair onderwijs behalen zonder de vermelding van onderwijsvakken. In afwijking van paragraaf 2 kan ook een student die beschikt over een diploma van master of een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst wordt erkend als gelijkwaardig met een diploma van master, een diploma van de educatieve bacheloropleiding voor secundair onderwijs behalen zonder de vermelding van onderwijsvakken. |
| 9 | De hogescholen die de educatieve bacheloropleiding voor secundair onderwijs aanbieden, bieden de component leraarschap, met inbegrip van een cluster vakdidactiek, aan als een verkort traject van die opleiding. | 9 | De hogescholen die de educatieve bacheloropleiding voor secundair onderwijs aanbieden, bieden de component leraarschap, met inbegrip van een cluster vakdidactiek, aan als een verkort traject van die opleiding. |
| 10 | Het verkorte traject, dat focust op de component leraarschap, vormt een coherent geheel van zestig studiepunten, met inbegrip van de praktijkcomponent van ten minste dertig studiepunten en van een vakdidactische cluster. Het traject wordt op het vlak van organisatie en methodiek op maat van de student aangeboden. | 10 | Het verkorte traject, dat focust op de component leraarschap, vormt een coherent geheel van zestig studiepunten, met inbegrip van de praktijkcomponent van ten minste dertig studiepunten en van een vakdidactische cluster. Het traject wordt op het vlak van organisatie en methodiek op maat van de student aangeboden. |
| 1 | De bacheloren masteropleidingen die worden geselecteerd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi- of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, worden niet beschouwd als nieuwe opleidingen zoals bedoeld in artikel II.150. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. Deze worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar volgend op het laatste academiejaar van de Europese erkenning of tot en met het einde van het tweede academiejaar na de verlenging van de Europese erkenning. De duur van de overgangsaccreditatie kan nooit meer dan 7 academiejaren zijn. | 1 | De bacheloren masteropleidingen die worden geselecteerd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi- of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, worden niet beschouwd als nieuwe opleidingen zoals bedoeld in artikel II.150. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. Deze worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar volgend op het laatste academiejaar van de Europese erkenning of tot en met het einde van het tweede academiejaar na de verlenging van de Europese erkenning. De duur van de overgangsaccreditatie kan nooit meer dan 7 academiejaren zijn. |
| 2 | Het instellingsbestuur kan de inschrijving voor een bacheloren masteropleiding die geselecteerd werd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multiof gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid van de student om deze opleiding te volgen. | 2 | Het instellingsbestuur kan de inschrijving voor een bacheloren masteropleiding die geselecteerd werd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multiof gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid van de student om deze opleiding te volgen. |
| 3 | Een bachelorof masteropleiding die kadert binnen een `European Universities Initiative' dat als pilootproject werd goedgekeurd in 2019 of 2020 , wordt geacht een opleiding te zijn die geselecteerd werd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multiof gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, vermeld in het eerste lid. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. Deze opleidingen starten uiterlijk in het academiejaar volgend op het academiejaar waarin het pilootproject afloopt . In afwijking van het eerste lid, worden deze opleidingen geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang bepaald voor de desbetreffende opleiding voor de eerste keer geheel doorlopen werd. | 3 | Een bachelor of masteropleiding die kadert binnen een ‘European Universities Initiative’ dat als pilootproject in 2019 of 2020 is goedgekeurd, of de verlengingen daarvan, wordt geacht een opleiding te zijn die is geselecteerd conform de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld als vermeld in het eerste lid. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. De voormelde opleidingen starten uiterlijk in het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin het pilootproject afloopt of waarin de verlengingen van het pilootproject aflopen. In afwijking van het eerste lid, worden deze opleidingen geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang bepaald voor de desbetreffende opleiding voor de eerste keer geheel doorlopen werd. |
| 2 | Instellingen moeten door middel van de organisatie van specifieke studietrajecten met een studieomvang van ten hoogste 60 studiepunten studenten die een masteropleiding van 60 studiepunten hebben voltooid, de mogelijkheid bieden om de graad van master te behalen van de in studieomvang uitgebreide masteropleiding. | 2 | Instellingen moeten door middel van de organisatie van specifieke studietrajecten met een studieomvang van ten hoogste 60 studiepunten studenten die een masteropleiding van 60 studiepunten hebben voltooid, de mogelijkheid bieden om de graad van master te behalen van de in studieomvang uitgebreide masteropleiding. |
| 3 | Studenten die ingeschreven waren in een masteropleiding van 90 of 120 studiepunten in het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar waarin de vermindering van de studieomvang van de masteropleiding wordt ingevoerd, kunnen hun masteropleiding voltooien binnen de 2 daaropvolgende academiejaren. | 3 | Studenten die ingeschreven waren in een masteropleiding van 90 of 120 studiepunten in het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar waarin de vermindering van de studieomvang van de masteropleiding wordt ingevoerd, kunnen hun masteropleiding voltooien binnen de 2 daaropvolgende academiejaren. |
| 4 | § 1/1. Studenten die ingeschreven waren in een masteropleiding klinische biologie, specialistische tandheelkunde of specialistische mondzorg in het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar waarin de uitbreiding van de studieomvang van deze masteropleiding, vermeld in artikel II.160, § 9, wordt ingevoerd, kunnen deze masteropleiding voltooien binnen de vijf daaropvolgende academiejaren of kunnen inschrijven voor de in studieomvang uitgebreide masteropleiding met behoud van de verworven creditbewijzen. | ||
| 4 | § 2. In het academiejaar dat de uitbreiding van de studieomvang van een bacheloropleiding wordt ingevoerd en in de drie academiejaren die daarop volgen kunnen studenten nog het diploma behalen van de bacheloropleiding op basis van de studieomvang van voor de uitbreiding. Deze mogelijkheid bestaat voor : | 5 | § 2. In het academiejaar dat de uitbreiding van de studieomvang van een bacheloropleiding wordt ingevoerd en in de drie academiejaren die daarop volgen kunnen studenten nog het diploma behalen van de bacheloropleiding op basis van de studieomvang van voor de uitbreiding. Deze mogelijkheid bestaat voor : |
| 5 | 1° studenten die reeds in de bacheloropleiding ingeschreven waren vóór het academiejaar waarin de uitbreiding van de studieomvang wordt ingevoerd; | 6 | 1° studenten die reeds in de bacheloropleiding ingeschreven waren vóór het academiejaar waarin de uitbreiding van de studieomvang wordt ingevoerd; |
| 1 | §1. Hogescholen en universiteiten kunnen met een of meer instellingen van hoger onderwijs een overeenkomst sluiten over de gezamenlijke organisatie van onderwijs en studieactiviteiten, onderzoek, dienstverlening, kwaliteitszorg, en het gebruik van infrastructuur en apparatuur. | ||
| 1 | §1. Hogescholen en universiteiten kunnen met 1 of meer instellingen van hoger onderwijs een overeenkomst sluiten omtrent de gezamenlijke organisatie van onderwijs- en studieactiviteiten, onderzoek, dienstverlening, kwaliteitszorg, en het gebruik van infrastructuur. Hogescholen en universiteiten kunnen met derden samenwerkingsovereenkomsten sluiten inzake de gezamenlijke organisatie van permanente vorming, het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek, de maatschappelijke en de wetenschappelijke dienstverlening met inachtneming van de bepalingenin deel 4, titel 2, hoofdstuk 2, 3, 4 en 5. | 2 | Hogescholen en universiteiten kunnen met derden samenwerkingsovereenkomsten sluiten over de gezamenlijke organisatie van onderwijs en studieactiviteiten, infrastructuur en apparatuur, het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek, en de maatschappelijke en de wetenschappelijke dienstverlening met inachtneming van de bepalingen, vermeld in deel 4, titel 2, hoofdstuk 2, 3 en 4. |
| 2 | §2. De in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst bepaalt ten minste de aard en de vorm van de samenwerking en desgevallend de termijn van de overeenkomst en de financiële en andere engagementen van de betrokken partijen. In geval de samenwerking de gezamenlijke organisatie van onderwijs- en andere studieactiviteiten betreft, vermeldt de overeenkomst ook de nadere regels inzake de bekrachtiging van de studies met inachtneming van de voorschriften inzake onderwijsbevoegdheid van de instellingen van hoger onderwijs. | 3 | §2. De overeenkomst, vermeld in paragraaf 1, bepaalt ten minste de aard en de vorm van de samenwerking en in voorkomend geval de termijn van de overeenkomst en de financiële en andere engagementen van de betrokken partijen. |
| 4 | Als de samenwerking de gezamenlijke organisatie van onderwijsactiviteiten en andere studieactiviteiten met een instelling van hoger onderwijs betreft, vermeldt de overeenkomst ook de nadere regels voor de bekrachtiging van de studies met inachtneming van de voorschriften over de onderwijsbevoegdheid van de instellingen van hoger onderwijs. | ||
| 5 | Als de samenwerking de gezamenlijke organisatie van onderwijsactiviteiten en andere studieactiviteiten met een derde betreft, wordt in de overeenkomst een bepaling opgenomen waaruit de regie op kwaliteitsborging van de hogeschool of universiteit blijkt. |
| 12 | Het aantal kandidaten dat jaarlijks gunstig gerangschikt kan worden, bedraagt voor het toelatingsexamen arts 1102 en voor het toelatingsexamen tandarts 135. | 12 | Het aantal kandidaten dat jaarlijks gunstig gerangschikt kan worden, bedraagt voor het toelatingsexamen arts 1102 en voor het toelatingsexamen tandarts 135. |
| 13 | Afhankelijk van de door de kandidaten behaalde examenresultaten kan het startquotum overschreden worden. De cesuur wordt principieel getrokken tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat. | 13 | Afhankelijk van de door de kandidaten behaalde examenresultaten kan het startquotum overschreden worden. De cesuur wordt principieel getrokken tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat. |
| 14 | Jaarlijks stelt de Vlaamse Regering per opleiding uiterlijk tegen 1 januari het aantal effectieve starters in het lopende academiejaar vast. Indien dit aantal afwijkt van het startquotum dat voor deze opleiding voor dat academiejaar vooropgesteld was, corrigeert de Vlaamse Regering het startquotum voor het volgende academiejaar met dat verschil. | 14 | Jaarlijks stelt de Vlaamse Regering per opleiding uiterlijk tegen 1 maart het aantal effectieve starters in het lopende academiejaar vast. Indien dit aantal afwijkt van het startquotum dat voor deze opleiding voor dat academiejaar vooropgesteld was, corrigeert de Vlaamse Regering het startquotum voor het volgende academiejaar met dat verschil. |
| 15 | Bijkomend kan de Vlaamse Regering bij deze aanpassing van de startquota rekening houden met een of meer van de volgende beroeps- en opleidingsgerelateerde criteria: | 15 | Bijkomend kan de Vlaamse Regering bij deze aanpassing van de startquota rekening houden met een of meer van de volgende beroeps- en opleidingsgerelateerde criteria: |
| 16 | 1° het aantal afgestudeerden in de masteropleiding; | 16 | 1° het aantal afgestudeerden in de masteropleiding; |
| 19 | 4° de opleidingscapaciteit. | 19 | 4° de opleidingscapaciteit. |
| 20 | § 5. Het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts omvatten toetsen die betrekking hebben op: | 20 | § 5. Het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts omvatten toetsen die betrekking hebben op: |
| 21 | 1° wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde, afgestemd op de tweede en de derde graad van het algemeen secundair onderwijs ; | 21 | 1° wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde, afgestemd op de tweede en de derde graad van het algemeen secundair onderwijs voor de toelatingsexamens georganiseerd tot en met 2024 en afgestemd op de tweede en de derde graad van de doorstroomfinaliteit van het secundair onderwijs voor de toelatingsexamens georganiseerd vanaf 2025; |
| 22 | 2° generieke competenties die aansluiten bij themata uit respectievelijk de beroepspraktijk van artsen en de beroepspraktijk van tandartsen. | 22 | 2° generieke competenties die aansluiten bij themata uit respectievelijk de beroepspraktijk van artsen en de beroepspraktijk van tandartsen. |
| 23 | De Vlaamse Regering legt de nadere regels vast voor de indeling, de wegings- en evaluatiecriteria, met inbegrip van de afrondingsregels, de toetsmethoden en de inhoud van het examen. | 23 | De Vlaamse Regering legt de nadere regels vast voor de indeling, de wegings- en evaluatiecriteria, met inbegrip van de afrondingsregels, de toetsmethoden en de inhoud van het examen. |
| 35 | d) maakt vooraf het examenprogramma bekend en publiceert na afloop van het examen een representatief staal van de examenvragen en antwoorden; | 35 | d) maakt vooraf het examenprogramma bekend en publiceert na afloop van het examen een representatief staal van de examenvragen en antwoorden; |
| 36 | 5° de voorzitter van de examencommissie, vermeld in paragraaf 7, maakt de resultaten en de lijst, vermeld in paragraaf 3, bekend. | 36 | 5° de voorzitter van de examencommissie, vermeld in paragraaf 7, maakt de resultaten en de lijst, vermeld in paragraaf 3, bekend. |
| 37 | § 7. De toelatingsexamens, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden georganiseerd door dezelfde examencommissie. | 37 | § 7. De toelatingsexamens, vermeld in paragraaf 1 en 2, en in artikel II.187/1, worden georganiseerd door dezelfde examencommissie. |
| 38 | De Vlaamse Regering benoemt de voorzitter, de secretaris en de leden van de examencommissie. | 38 | De Vlaamse Regering benoemt de voorzitter, de secretaris en de leden van de examencommissie. |
| 39 | De examencommissie telt, voorzitter en secretaris uitgezonderd, minimaal tien en maximaal vijftien leden. | 39 | De examencommissie telt, voorzitter en secretaris uitgezonderd, minimaal tien en maximaal twintig leden. |
| 40 | De leden van de examencommissie worden op zodanige wijze aangeduid uit de leden van het zelfstandig academisch personeel van de universiteiten dat de nodige expertise aanwezig is op het vlak van de medischepraktijk, de inhoud van de vakken, de onderwijskunde en de psychologie. | 40 | De leden van de examencommissie worden op zodanige wijze aangeduid uit de leden van het zelfstandig academisch personeel van de universiteiten dat de nodige expertise aanwezig is op het vlak van de medische, de tandheelkundige en de diergeneeskundige praktijk, de inhoud van de vakken, de onderwijskunde en de psychologie |
| 41 | . | ||
| 41 | § 8. De examens worden op zodanige wijze georganiseerd dat studenten per academiejaar aan de beide toelatingsexamens, vermeld in paragraaf 1 en 2, kunnen deelnemen. | 42 | § 8. De examens worden op zodanige wijze georganiseerd dat studenten per academiejaar aan de toelatingsexamens, vermeld in paragraaf 1 en 2, en in artikel II.187/1, kunnen deelnemen. |
| 42 | Kandidaten voor beide toelatingsexamensmelden bij hun inschrijving uitdrukkelijk voor welke opleiding ze een voorkeur hebben. | 43 | Kandidaten voor beide toelatingsexamens, vermeld in paragraaf 1 en 2, melden bij hun inschrijving uitdrukkelijk voor welke opleiding ze een voorkeur hebben. |
| 43 | De keuze, vermeld in het tweede lid, is bindend. Door die keuze worden kandidaten als ze voor een dubbele gunstige rangschikking in aanmerking komen, alleen opgenomen als gunstig gerangschikte kandidaat op de lijst, vermeld in paragraaf 3, zesde lid, voor de opleiding van hun keuze. | 44 | De keuze, vermeld in het tweede lid, is bindend. Door die keuze worden kandidaten als ze voor een dubbele gunstige rangschikking in aanmerking komen, alleen opgenomen als gunstig gerangschikte kandidaat op de lijst, vermeld in paragraaf 3, zesde lid, voor de opleiding van hun keuze. |
| 44 | § 9. Het slagen voor het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts in een bepaald burgerlijk jaar wordt alleen aanvaard voor het voldoen aan de bijkomende toelatingsvoorwaarde als de student uiterlijk op 30 september van dat burgerlijk jaar in het bezit is van het diploma secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig of gelijkgesteld studiebewijs. | 45 | § 9. Het slagen voor het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts in een bepaald burgerlijk jaar wordt alleen aanvaard voor het voldoen aan de bijkomende toelatingsvoorwaarde als de student uiterlijk op 30 september van dat burgerlijk jaar voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding, vermeld in artikel II.178. |
| 45 | § 10. De bijkomende toelatingsvoorwaarde gunstig gerangschikt zijn voor het toelatingsexamen arts of het toelatingsexamen tandarts, vermeld in paragraaf 1 en 2, geldt ook voor de inschrijving in een bachelor- of masteropleiding in het studiegebied Geneeskunde of in het studiegebied Tand-heelkunde als de student vrijstelling heeft verkregen van sommige opleidingsonderdelen, of vermindering van de studieomvang, op grond van een diploma dat behaald is na een opleiding waarvoor de voormelde bijkomende toelatingsvoorwaarde niet van toepassing is. De voormelde bijkomende toelatingsvoorwaarde geldt ook in geval van een rechtstreekse diplomering als vermeld in artikel II.245. | 46 | § 10. De bijkomende toelatingsvoorwaarde gunstig gerangschikt zijn voor het toelatingsexamen arts of het toelatingsexamen tandarts, vermeld in paragraaf 1 en 2, geldt ook voor de inschrijving in een bachelor- of masteropleiding in het studiegebied Geneeskunde of in het studiegebied Tand-heelkunde als de student vrijstelling heeft verkregen van sommige opleidingsonderdelen, of vermindering van de studieomvang, op grond van een diploma dat behaald is na een opleiding waarvoor de voormelde bijkomende toelatingsvoorwaarde niet van toepassing is. De voormelde bijkomende toelatingsvoorwaarde geldt ook in geval van een rechtstreekse diplomering als vermeld in artikel II.245. |
| 46 | § 11. De studenten die vóór 1 januari 2018 voldoen aan de algemene en bijzondere toelatingsvoorwaarden voor de opleidingen in het studiegebied Geneeskunde of in het studiegebied Tandheelkunde, worden vrijgesteld van het vergelijkend toelatingsexamen, vermeld in dit artikel. | 47 | § 11. De studenten die vóór 1 januari 2018 voldoen aan de algemene en bijzondere toelatingsvoorwaarden voor de opleidingen in het studiegebied Geneeskunde of in het studiegebied Tandheelkunde, worden vrijgesteld van het vergelijkend toelatingsexamen, vermeld in dit artikel. |
| 1 | § 1. Voor de inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Diergeneeskunde geldt naast de algemene toelatingsvoorwaarde, als bijkomende toelatingsvoorwaarde het gunstig gerangschikt zijn op basis van een toelatingsexamen, hierna het toelatingsexamen dierenarts te noemen. Het toelatingsexamen dierenarts wordt georganiseerd door een examencommissie. | ||
| 2 | Het toelatingsexamen dierenarts beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een diergeneeskundige opleiding met succes af te ronden. | ||
| 3 | § 2. Het toelatingsexamen dierenarts is vergelijkend van aard. | ||
| 4 | De kandidaten die ten minste de helft van de punten behalen op elk examenonderdeel, voldoen aan de voorwaarde voor rangschikking. Kandidaten die aan deze voorwaarde voldoen, worden gerangschikt in de volgorde van de behaalde numerieke totaalscore. | ||
| 5 | De gerangschikte kandidaten met de hoogst behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het startquotum, vermeld in paragraaf 3. | ||
| 6 | De lijst met de gunstig gerangschikte kandidaten wordt definitief bekendgemaakt uiterlijk vóór 1 augustus van het jaar waarin het toelatingsexamen dierenarts is georganiseerd. | ||
| 7 | § 3. Het startquotum voor de bacheloropleiding in het studiegebied Diergeneeskunde bedraagt 240 kandidaten en is gebaseerd op beroeps- en opleidingsgerelateerde parameters. | ||
| 8 | Afhankelijk van de examenresultaten die de kandidaten behalen, kan het startquotum overschreden worden. De cesuur wordt principieel getrokken tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat. | ||
| 9 | De Vlaamse Regering stelt jaarlijks uiterlijk tegen 1 februari het aantal effectieve starters in het lopende academiejaar vast. Indien dit aantal afwijkt van het startquotum dat voor deze opleiding voor dat academiejaar vooropgesteld was, corrigeert de Vlaamse Regering het startquotum voor het volgende academiejaar met dat verschil. | ||
| 10 | Bijkomend kan de Vlaamse Regering bij deze aanpassing van dit startquotum rekening houden met een of meer van de volgende beroeps- en opleidingsgerelateerde criteria: | ||
| 11 | 1° het aantal afgestudeerden in de masteropleiding; | ||
| 12 | 2° het afnemende beroepenveld; | ||
| 13 | 3° de opleidingscapaciteit. | ||
| 14 | § 4. Het toelatingsexamen dierenarts omvat toetsen die betrekking hebben op: | ||
| 15 | 1° wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde, afgestemd op de tweede en de derde graad van het algemeen secundair onderwijs voor de toelatingsexamens georganiseerd tot en met 2024 en afgestemd op de tweede en de derde graad van de doorstroomfinaliteit van het secundair onderwijs voor de toelatingsexamens georganiseerd vanaf 2025; | ||
| 16 | 2° generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van dierenartsen. | ||
| 17 | De Vlaamse Regering legt de nadere regels vast voor de indeling, de wegings-en evaluatiecriteria, met inbegrip van de afrondingsregels, de toetsmethoden en de inhoud van de examens. | ||
| 18 | § 5. Het toelatingsexamen dierenarts wordt georganiseerd conform de volgende regels: | ||
| 19 | 1° het wordt eenmaal per jaar georganiseerd. De organisatie ervan wordt tijdig bekendgemaakt; | ||
| 20 | 2° de Vlaamse Regering kan een examengeld van ten hoogste 50 euro vastleggen als bijdrage in de organisatiekosten. Vanaf 2019 wordt het bedrag aangepast aan de jaarlijkse stijging van de index van de consumptieprijzen met als referentiedatum 1 januari 2018. Het bedrag wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal; | ||
| 21 | 3° de Vlaamse Regering: | ||
| 22 | a) organiseert het toelatingsexamen dierenarts volgens de nadere regels die ze bepaalt en legt die vast in een besluit. Bij de organisatie van het examen wordt voor studenten met functiebeperkingen als vermeld in artikel II.221, § 2, in redelijke aanpassingen voorzien; | ||
| 23 | b) legt de modaliteiten vast van de interne beroepsprocedure en de inzageprocedure. De Vlaamse Regering regelt de werking van de examencommissie, vermeld in paragraaf 6, en bepaalt de vergoedingen van de leden; | ||
| 24 | c) bepaalt de nadere regels voor het vergelijkende examen, vermeld in paragraaf 1; | ||
| 25 | 4° de examencommissie, vermeld in paragraaf 6: | ||
| 26 | a) stelt een werkings- en examenreglement op waarin concrete voorschriften zijn opgenomen ter uitvoering van het besluit, vermeld in punt 3° ; | ||
| 27 | b) valideert de examenvragen en evalueert de examenresultaten; | ||
| 28 | c) is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de examens; | ||
| 29 | d) maakt vooraf het examenprogramma bekend en publiceert na afloop van de examens een representatief staal van de examenvragen en antwoorden; | ||
| 30 | 5° de voorzitter van de examencommissie, vermeld in paragraaf 6, maakt de resultaten en de lijst, vermeld in paragraaf 2, bekend. | ||
| 31 | § 6. De toelatingsexamens, vermeld in dit artikel en in artikel II.187, worden georganiseerd door dezelfde examencommissie, zoals omschreven in artikel II.187, § 7. | ||
| 32 | § 7. De toelatingsexamens worden op zodanige wijze georganiseerd dat studenten per academiejaar aan de toelatingsexamens, vermeld in paragraaf 1, en in artikel II.187, §1 en §2, kunnen deelnemen. | ||
| 33 | § 8. De gunstige rangschikking voor het toelatingsexamen dierenarts in een bepaald burgerlijk jaar wordt alleen aanvaard voor het voldoen aan de bijkomende toelatingsvoorwaarde als de student uiterlijk op 30 september van dat burgerlijk jaar voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding, vermeld in artikel II.178. | ||
| 34 | § 9. De bijkomende toelatingsvoorwaarde van gunstige rangschikking voor het toelatingsexamen dierenarts, vermeld in paragraaf 1, geldt ook: | ||
| 35 | 1° voor de inschrijving in een bachelor- of masteropleiding in het studiegebied Diergeneeskunde als de student vrijstelling heeft verkregen van sommige opleidingsonderdelen of een diploma heeft behaald na een opleiding waarvoor de voormelde bijkomende toelatingsvoorwaarde niet van toepassing is; | ||
| 36 | 2° voor de inschrijving in een bachelor- of masteropleiding in het studiegebied Diergeneeskunde in geval van een rechtstreekse diplomering als vermeld in artikel II.245. | ||
| 37 | § 10. Studenten die in het academiejaar 2022-2023 ingeschreven zijn in de bachelor-of masteropleiding diergeneeskunde, worden vrijgesteld van het toelatingsexamen dierenarts, vermeld in paragraaf 1. | ||
| 38 | De vrijstelling van het toelatingsexamen dierenarts geldt, met behoud van de toepassing van artikel II.193, ook voor personen die buiten België een diploma van dierenarts hebben behaald en die de toelating hebben om zich aan een universiteit van de Vlaamse Gemeenschap in te schrijven voor een masteropleiding in het studiegebied Diergeneeskunde. | ||
| 39 | § 11. Het bewijs van toelating van een student die gunstig wordt gerangschikt en tijdig voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarde, vermeld in paragraaf 8, blijft onbeperkt geldig. |
| 8 | Die verplichting geldt niet voor de bachelor-na-bacheloropleidingen en de master-na-masteropleidingen. | 8 | Die verplichting geldt niet voor de bachelor-na-bacheloropleidingen en de master-na-masteropleidingen. |
| 9 | De instellingen bieden voor de graduaatsopleidingen ten minste één modeltraject aan. De studieomvang ervan per academiejaar kan, in functie van de doelgroep van de opleiding, kleiner zijn dan de omvang vermeld in het eerste lid. | 9 | De instellingen bieden voor de graduaatsopleidingen ten minste één modeltraject aan. De studieomvang ervan per academiejaar kan, in functie van de doelgroep van de opleiding, kleiner zijn dan de omvang vermeld in het eerste lid. |
| 10 | § 4. Een student die zich voor de eerste keer inschrijft in een bepaalde bacheloropleiding in een bepaalde instelling schrijft zich in voor het modeltraject met een studieomvang van 54 tot 66 studiepunten per academiejaar. | ||
| 11 | Deze verplichting geldt niet voor: | ||
| 12 | 1° een student die op grond van zijn dossier een geïndividualiseerd traject als vermeld in paragraaf 2 verkreeg; | ||
| 13 | 2° een student met een bijzonder statuut. De instelling kan voor de groep van studenten met dat bijzonder statuut een modeltraject aanbieden met een afwijkende studieomvang; | ||
| 14 | 3° een student die reeds een bachelor- of masterdiploma heeft behaald of een diploma dat daarmee gelijkwaardig wordt erkend. | ||
| 15 | § 5. Voor bachelor- en masteropleidingen beperkt het instellingsbestuur volgtijdelijkheid tot het moeten gevolgd hebben van een opleidingsonderdeel of opleiding vooraleer een student een ander opleidingsonderdeel kan volgen en hierover een examen kan afleggen. In geval van risico of veiligheidsproblemen kan het instellingsbestuur daarenboven ook vastleggen dat een student moet geslaagd zijn voor een opleidingsonderdeel of een opleiding vooraleer een student een ander opleidingsonderdeel kan volgen en hierover een examen kan afleggen. | ||
| 16 | § 6. Onverminderd de regels rond het leerkrediet heeft een student aan wie in het kader van een bepaalde opleiding een bindende voorwaarde als vermeld in artikel II.246, § 1, derde lid, § 3, tweede lid, en § 4, tweede en derde lid, wordt opgelegd, het recht om binnen het academiejaar waarop de bindende voorwaarde betrekking heeft, minimaal 45 studiepunten in die opleiding op te nemen, tenzij volgtijdelijkheid als vermeld in paragraaf 5 dat niet toelaat. | ||
| 17 | Onverminderd de regels rond het leerkrediet heeft een student aan wie in het kader van een bepaalde opleiding geen bindende voorwaarde als vermeld in artikel II.246, §1, derde lid, §3, tweede lid, en §4, tweede en derde lid, wordt opgelegd en die in een vorig academiejaar niet voor alle opgenomen opleidingsonderdelen een creditbewijs of een deliberatiecijfer heeft verworven of een tolerantie heeft ingezet, het recht om jaarlijks 72 studiepunten in die opleiding op te nemen, tenzij volgtijdelijkheid als vermeld in paragraaf 5, dat niet toelaat. | ||
| 18 | § 7. Een student die niet voor alle opgenomen opleidingsonderdelen een creditbewijs of deliberatiecijfer heeft verworven of een tolerantie heeft ingezet, schrijft zich bij een volgende inschrijving in die opleiding ten minste opnieuw in voor alle opleidingsonderdelen waarvoor hij geen creditbewijs of deliberatiecijfer heeft verworven of geen tolerantie heeft ingezet. Als het gaat om een keuzeopleidingsonderdeel of om de opleidingsonderdelen van een bepaalde afstudeerrichting of van een onderwijsvak als vermeld in artikel II.113, kan de student opteren voor een vervangend keuzeopleidingsonderdeel of voor de opleidingsonderdelen van een andere afstudeerrichting of de opleidingsonderdelen van een ander onderwijsvak, binnen de geldende afspraken van de instelling in kwestie. | ||
| 1 | § 1. Het instellingsbestuur kan maatregelen van studievoortgangsbewaking nemen: | ||
| 2 | 1° als een student de cesuur voor de proef niet behaalt als vermeld in artikel 188/1, tweede lid, of niet aan de voorwaarde tot verplichte deelname aan die proef heeft voldaan, kan de instelling een remediëring opleggen; | ||
| 1 | § 1. Voor een student aan wie verplichte remediëring als vermeld in artikel II.188/1, § 3, tweede en derde lid, werd opgelegd, gelden de maatregelen van studievoortgangsbewaking, vermeld in het tweede, het derde en het vierde lid. | ||
| 2 | Als een student niet heeft deelgenomen aan de hem opgelegde verplichte remediëring, kan de instelling hiermee rekening houden bij zijn deliberatie. | ||
| 3 | Als een student niet heeft deelgenomen aan de hem opgelegde verplichte remediëring, kan de instelling bindende voorwaarden opleggen. | ||
| 4 | Als een student een opgelegde bindende voorwaarde niet naleeft, kan de inschrijving van deze student een volgend academiejaar geweigerd worden door dezelfde instelling waar de bindende voorwaarde is opgelegd. | ||
| 5 | § 2. Voor een student in het hoger beroepsonderwijs gelden de maatregelen van studievoortgangsbewaking, vermeld in het tweede en het derde lid. | ||
| 6 | Als een student geen 60% van de ingeschreven studiepunten van een opleiding van het hoger onderwijs verworven heeft in een vorig academiejaar, kan bij een inschrijving in een opleiding van het hoger beroepsonderwijs aan dezelfde of een andere instelling de instelling aan die student een bindende voorwaarde opleggen. | ||
| 7 | Als een student een opgelegde bindende voorwaarde niet naleeft, kan de inschrijving van de student een volgend academiejaar geweigerd worden door dezelfde instelling waar de bindende voorwaarde is opgelegd. | ||
| 8 | § 3. Voor een student die bij elke eerste inschrijving in een bepaalde initiële bacheloropleiding geen creditbewijs of deliberatiecijfer heeft verworven of geen tolerantie heeft ingezet voor alle opgenomen opleidingsonderdelen van die inschrijving, gelden de maatregelen van studievoortgangsbewaking, vermeld in het tweede tot en met het vierde lid. | ||
| 9 | Als een student na zijn eerste inschrijving geen creditbewijs of deliberatiecijfer heeft verworven of geen tolerantie heeft ingezet voor alle opgenomen opleidingsonderdelen moet hij deze bij zijn tweede inschrijving in een volgend academiejaar in dezelfde opleiding verwerven. Deze bepaling blijft gelden als een student een keuzeopleidingsonderdeel bij zijn tweede inschrijving heeft vervangen door een ander keuzeopleidingsonderdeel. Deze bepaling geldt niet als een student van afstudeerrichting of van onderwijsvak als vermeld in artikel II.113, verandert. | ||
| 10 | Als een student niet voldoet aan deze bindende voorwaarde, kan hij zich niet opnieuw inschrijven in de desbetreffende opleiding. | ||
| 11 | Als een student na zijn eerste inschrijving een studierendement behaalt waaruit blijkt dat een volgende inschrijving in deze opleiding geen positief resultaat zal opleveren, kan de instelling de inschrijving in dezelfde initiële bacheloropleiding weigeren. De instelling bepaalt autonoom de grens vanaf wanneer een inschrijving kan geweigerd worden en legt dit vast in het onderwijsreglement. | ||
| 12 | § 4. Voor een student die niet in een opleiding van het hoger beroepsonderwijs is ingeschreven, gelden de maatregelen van studievoortgangsbewaking, vermeld in het tweede tot en met het vierde lid. | ||
| 3 | 1°/1 als een student geen 60% van de ingeschreven studiepunten verworven heeft een vorig academiejaarkan bij een nieuwe inschrijving aan eenzelfde of andere instelling een bindende voorwaarde opgelegd worden. | 13 | Als een student geen 60% van de ingeschreven studiepunten verworven heeft in een vorig academiejaar, kan bij een nieuwe inschrijving aan eenzelfde of andere instelling de instelling een bindende voorwaarde opleggen. |
| 4 | Deze bindende voorwaarden betreffen in beginsel geen evaluatieen/of deliberatiecriteria die strenger zijn dan de regels die in de instelling algemeen gelden. | ||
| 5 | Het instellingsbestuur kan de studievoortgang van de student wel afhankelijk maken van een deliberatie door het orgaan of de persoon die verantwoordelijk is voor de bepaling van de studievoortgang; | ||
| 14 | Als een student na twee inschrijvingen voor een opleidingsonderdeel geen creditbewijs of deliberatiecijfer verworven heeft of geen tolerantie ingezet heeft voor het betrokken opleidingsonderdeel, kan een volgende inschrijving geweigerd worden of kan bij een nieuwe inschrijving in dezelfde opleiding aan dezelfde instelling de instelling aan die student een bindende voorwaarde opleggen. | ||
| 6 | 1°/2 als een student een opgelegde bindende voorwaarde niet naleeftkan de inschrijving van de student een volgend academiejaar geweigerd worden door dezelfde instelling waar de bindende voorwaarde is opgelegd; | 15 | Als een student een opgelegde bindende voorwaarde niet naleeft, kan de inschrijving van deze student een volgend academiejaar geweigerd worden door dezelfde instelling waar de bindende voorwaarde is opgelegd. |
| 7 | 2° indien uit de gegevens van het dossier blijkt dat een volgende inschrijving in het hoger onderwijs geen positief resultaat zal opleveren kan de inschrijving van de student geweigerd worden. | 16 | § 5. Als uit de gegevens van het individueel dossier van een student blijkt dat een volgende inschrijving in het hoger onderwijs geen positief resultaat zal opleveren kan een instelling de inschrijving van de student op gemotiveerde wijze weigeren. |
| 17 | § 6. De bindende voorwaarden die een instelling kan opleggen overeenkomstig dit artikel, worden autonoom bepaald door de instelling. Een instelling kan afwijken van het opleggen van een bindende voorwaarde of van het weigeren van een inschrijving van een student overeenkomstig dit artikel indien een student overmacht of bijzondere individuele omstandigheden kan aantonen. | ||
| 18 | § 7. De maatregelen van studievoortgangsbewaking worden opgenomen in het onderwijsreglement, evenals de wijze waarop overmacht en bijzondere individuele omstandigheden kunnen worden ingeroepen. | ||
| 19 | § 8. De student van wie de inschrijving in een bepaalde opleiding is geweigerd conform paragraaf 3, derde lid, kan zich opnieuw inschrijven in dezelfde opleiding als hij na de weigering tot inschrijving een diploma van het hoger onderwijs heeft verworven, of na een wachttijd van zes academiejaren die volgen op het academiejaar waarin de inschrijving is geweigerd. | ||
| 8 | § 2. Het instellingsbestuur kan in bijzondere gevallen en op objectieve gronden de stage of een ander praktisch opleidingsonderdeel vroegtijdig beëindigen, als de student door zijn gedragingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een beroep waartoe de opleiding die hij volgt, hem opleidt. | 20 | § 9. De instelling kan in bijzondere gevallen en op objectieve gronden de stage of een ander praktisch opleidingsonderdeel vroegtijdig beëindigen, als een student door zijn gedragingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een beroep waartoe de opleiding die hij volgt, hem opleidt. |
| 9 | De student van wie de stage of het praktische opleidingsonderdeel met toepassing van het eerste lid is beëindigd, heeft geen recht op een tweede examenkans als vermeld in artikel II.223, tenzij aan de opgelegde bindende voorwaarden is voldaan. | 21 | De student van wie de stage of het praktische opleidingsonderdeel met toepassing van het eerste lid is beëindigd, heeft geen recht op een tweede examenkans als vermeld in artikel II.223. |
| 10 | De beslissing om een stage of praktisch opleidingsonderdeel vroegtijdig te beëindigen, wordt omstandig gemotiveerd. | 22 | De beslissing om een stage of praktisch opleidingsonderdeel vroegtijdig te beëindigen, wordt omstandig gemotiveerd. |
| 23 | § 10. De instelling geeft een studieadvies aan iedere student die na zijn eerste examenperiode een beperkt aantal studiepunten verworven heeft. De instelling bepaalt autonoom de inhoud van dat advies, de grens vanaf wanneer en de wijze waarop dat advies wordt verleend. | ||
| 24 | § 11. Iedere student heeft het recht om een gesprek aan te gaan met een studie-of trajectbegeleider. | ||
| 25 | § 12. De bepalingen in dit artikel worden vijf jaar na de inwerkingtreding ervan geëvalueerd. De uitkomsten van de evaluatie worden samengebracht in een openbaar verslag. |
| 7 | 2° de aanwezigheid van voldoende garanties inzake kwaliteit en democratisering, vermeld in artikel II.270 en II.271; | 7 | 2° de aanwezigheid van voldoende garanties inzake kwaliteit en democratisering, vermeld in artikel II.270 en II.271; |
| 8 | 3° de aanwezigheid van een verantwoording die de meerwaarde voor de student en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding aantoont; | 8 | 3° de aanwezigheid van een verantwoording die de meerwaarde voor de student en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding aantoont; |
| 9 | 4° de naleving van het maximumpercentage van 6% c.q35%, vermeld in artikel II.266, op basis van het overzicht van de anderstalige initiële bachelor- c.q masteropleidingen die in het lopende academiejaar worden aangeboden. | 9 | 4° de naleving van de maximumpercentages van 9% c.q. 35%, vermeld in artikel II.266, op basis van het overzicht van de anderstalige initiële bachelor- c.q masteropleidingen die in het lopende academiejaar worden aangeboden. |
| 10 | § 3. De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel uit: | 10 | § 3. De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel uit: |
| 11 | 1° in het geval het een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding betreft, uiterlijk op 31 januari van hetzelfde academiejaar; | 11 | 1° in het geval het een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding betreft, uiterlijk op 31 januari van hetzelfde academiejaar; |
| 4 | § 4. De raad van beroep hoort het personeelslid en kan de betrokken evaluatoren horen. | 4 | § 4. De raad van beroep hoort het personeelslid en kan de betrokken evaluatoren horen. |
| 5 | § 5. De raad van beroep brengt een met redenen omkleed advies uit binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Zo niet wordt het advies van de raad geacht eenparig gunstig te zijn. Bij eenparigheid is het advies van de raad van beroep bindend en neemt de raad van beroep de eindbeslissing. | 5 | § 5. De raad van beroep brengt een met redenen omkleed advies uit binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Zo niet wordt het advies van de raad geacht eenparig gunstig te zijn. Bij eenparigheid is het advies van de raad van beroep bindend en neemt de raad van beroep de eindbeslissing. |
| 6 | Als het einde van de termijn, vermeld in het eerste lid, valt binnen de herfst-, kerst, krokus, paas of zomervakantie, vermeld in artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap of in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs, wordt die termijn opgeschort gedurende de duur van de betrokken vakantie. | ||
| 6 | § 6. Indien de raad van beroep geen eenparig advies uitbrengt, wordt het dossier van een coördinerend inspecteur binnen vijftien kalenderdagen voorgelegd aan de Vlaamse Regering die bevoegd is voor de definitieve beslissing over de toekenning van de eindconclusie onvoldoende. De Vlaamse Regering beslist binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep, zoniet wordt de beslissing geacht gunstig te zijn. | 7 | § 6. Indien de raad van beroep geen eenparig advies uitbrengt, wordt het dossier van een coördinerend inspecteur binnen vijftien kalenderdagen voorgelegd aan de Vlaamse Regering die bevoegd is voor de definitieve beslissing over de toekenning van de eindconclusie onvoldoende. De Vlaamse Regering beslist binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep, zoniet wordt de beslissing geacht gunstig te zijn. |
| 7 | § 7. Als het personeelslid binnen de termijn, vermeld in § 3, geen beroep aantekent, is de evaluatie met eindconclusie onvoldoende definitief, nadat die termijn verstreken is. | 8 | § 7. Als het personeelslid binnen de termijn, vermeld in § 3, geen beroep aantekent, is de evaluatie met eindconclusie onvoldoende definitief, nadat die termijn verstreken is. |
| 2 | § 2. De raad van beroep hoort het betrokken personeelslid en kan de betrokken evaluatoren horen. | 2 | § 2. De raad van beroep hoort het betrokken personeelslid en kan de betrokken evaluatoren horen. |
| 3 | § 3. De raad van beroep brengt een met redenen omkleed advies uit binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Zo niet wordt het advies van de raad geacht eenparig gunstig te zijn. Bij eenparigheid is het advies van de raad van beroep bindend en neemt de raad van beroep de eindbeslissing. | 3 | § 3. De raad van beroep brengt een met redenen omkleed advies uit binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Zo niet wordt het advies van de raad geacht eenparig gunstig te zijn. Bij eenparigheid is het advies van de raad van beroep bindend en neemt de raad van beroep de eindbeslissing. |
| 4 | Als het einde van de termijn, vermeld in het eerste lid, valt binnen de herfst-, kerst, krokus, paas of zomervakantie, vermeld in artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap of in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs, wordt die termijn opgeschort gedurende de duur van de betrokken vakantie. | ||
| 4 | § 4. Indien de raad van beroep geen eenparig advies uitbrengt, wordt het dossier, in het geval van een inspecteur of een coördinerend inspecteur, binnen vijftien kalenderdagen voorgelegd aan de Vlaamse Regering die bevoegd is voor de definitieve beslissing over de toekenning van de eindconclusie onvoldoende. De Vlaamse Regering beslist binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep, zoniet wordt de beslissing geacht gunstig te zijn. | 5 | § 4. Indien de raad van beroep geen eenparig advies uitbrengt, wordt het dossier, in het geval van een inspecteur of een coördinerend inspecteur, binnen vijftien kalenderdagen voorgelegd aan de Vlaamse Regering die bevoegd is voor de definitieve beslissing over de toekenning van de eindconclusie onvoldoende. De Vlaamse Regering beslist binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep, zoniet wordt de beslissing geacht gunstig te zijn. |
| 5 | § 5. Als het personeelslid binnen de termijn, vermeld in § 1, geen beroep aantekent, is de evaluatie met eindconclusie onvoldoende definitief nadat die termijn verstreken is. | 6 | § 5. Als het personeelslid binnen de termijn, vermeld in § 1, geen beroep aantekent, is de evaluatie met eindconclusie onvoldoende definitief nadat die termijn verstreken is. |
| 1 | De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen betreffende het secretariaat en de werkwijze van de kamer van beroep, de procedure en de redenen tot wraking. | 1 | De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen betreffende het secretariaat en de werkwijze van de kamer van beroep, de procedure en de redenen tot wraking. |
| 2 | Op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste aanbieding door de post van de schriftelijke mededeling van de tuchtstraf die door de raad van bestuur, of de afgevaardigd bestuurder voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, aangetekend wordt verstuurd. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. De voormelde termijn van twintig kalenderdagen kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode. Het beroep heeft een schorsende werking. | 2 | Op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste aanbieding door de post van de schriftelijke mededeling van de tuchtstraf die door de raad van bestuur, of de afgevaardigd bestuurder voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, aangetekend wordt verstuurd. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. De voormelde termijn van twintig kalenderdagen kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode. Het beroep heeft een schorsende werking. |
| 3 | Een beroep kan worden behandeld volgens de vereenvoudigde procedure als het beroep zonder voorwerp of klaarblijkelijk onontvankelijk is, of als de kamer van beroep klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen. |
| 1 | § 1. Een evaluatie moet gezien worden als een constructief en positief beleidsinstrument, dat het mogelijk maakt een autonoom personeelsbeleid te voeren gericht op het verstrekken van kwaliteitsvol onderwijs. | 1 | § 1. Een evaluatie moet gezien worden als een constructief en positief beleidsinstrument, dat het mogelijk maakt een autonoom personeelsbeleid te voeren gericht op het verstrekken van kwaliteitsvol onderwijs. |
| 2 | Een personeelslid moet geëvalueerd worden op diens volledige functioneren op basis van zijn functiebeschrijving en van de persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen in de verslagen van de functioneringsgesprekken. | 2 | Een personeelslid moet geëvalueerd worden op diens volledige functioneren op basis van zijn functiebeschrijving en van de persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen in de verslagen van de functioneringsgesprekken. |
| 3 | De resultaten van de Vlaamse toetsen, vermeld in artikel 3, 56°bis, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en in artikel 3, 46°/1, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, kunnen niet als element gebruikt worden bij de evaluatie van een individueel personeelslid. | ||
| 3 | § 2. Een personeelslid voor wie geen functiebeschrijving werd opgesteld volgens de bepalingen van hoofdstuk VIIIbis, voor wie geen persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen werden opgenomen in de verslagen van zijn functioneringsgesprekken of voor wie niet in voldoende mate kan aangetoond worden dat de nodige coaching en begeleiding werd voorzien, kan niet worden geëvalueerd. Als aan een personeelslid het verslag van het eerste formele functioneringsgesprek werd overhandigd met daarin de persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen van het personeelslid en een duidelijke weergave van de tekortkomingen die zich stellen, moet een termijn van minimum 120 dagen effectieve prestaties gerespecteerd worden - waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, met uitzondering van de zomervakantie - vooraleer een evaluatieverslag met als eindconclusie "onvoldoende" kan overhandigd worden. | 4 | § 2. Een personeelslid voor wie geen functiebeschrijving werd opgesteld volgens de bepalingen van hoofdstuk VIIIbis, voor wie geen persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen werden opgenomen in de verslagen van zijn functioneringsgesprekken of voor wie niet in voldoende mate kan aangetoond worden dat de nodige coaching en begeleiding werd voorzien, kan niet worden geëvalueerd. Als aan een personeelslid het verslag van het eerste formele functioneringsgesprek werd overhandigd met daarin de persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen van het personeelslid en een duidelijke weergave van de tekortkomingen die zich stellen, moet een termijn van minimum 120 dagen effectieve prestaties gerespecteerd worden - waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, met uitzondering van de zomervakantie - vooraleer een evaluatieverslag met als eindconclusie "onvoldoende" kan overhandigd worden. |
| 4 | § 3. Evaluatoren doen met het oog op de evaluatie zelf een aantal vaststellingen, en kunnen bijkomend een beroep doen op informatie die zij verkregen hebben van derden. | 5 | § 3. Evaluatoren doen met het oog op de evaluatie zelf een aantal vaststellingen, en kunnen bijkomend een beroep doen op informatie die zij verkregen hebben van derden. |
| 18 | § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het secretariaat en de werkingskosten van het college van beroep. | 18 | § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het secretariaat en de werkingskosten van het college van beroep. |
| 19 | § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende de beroepsprocedure en betreffende de werking van de kamers van het college van beroep, in het procedurereglement, met dien verstande dat : | 19 | § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende de beroepsprocedure en betreffende de werking van de kamers van het college van beroep, in het procedurereglement, met dien verstande dat : |
| 20 | 1° op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen volgend op de overhandiging van de kopie van het evaluatieverslag met de eindconclusie 'onvoldoende' door de eerste evaluator, de raad van bestuur voor de beheerder van een autonoom internaat en de directeur of de afgevaardigd bestuurder voor de directeur van het vormingscentrum. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. De voormelde termijn van twintig kalenderdagen kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode. Indien de beroepsmogelijkheden in strijd met artikel 73decies, § 2, niet vermeld zijn in het evaluatieverslag, dan neemt de termijn van twintig kalenderdagen een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende" werd overhandigd; | 20 | 1° op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen volgend op de overhandiging van de kopie van het evaluatieverslag met de eindconclusie 'onvoldoende' door de eerste evaluator, de raad van bestuur voor de directeur of de afgevaardigd bestuurder voor de directeur van het vormingscentrum. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. De voormelde termijn van twintig kalenderdagen kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode. Indien de beroepsmogelijkheden in strijd met artikel 73decies, § 2, niet vermeld zijn in het evaluatieverslag, dan neemt de termijn van twintig kalenderdagen een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende" werd overhandigd; |
| 21 | 2° het beroep de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' opschort; | 21 | 2° het beroep de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' opschort; |
| 22 | 3° voor het vaststellen van de redenen tot wraking van de voorzitter en de leden zal worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek; | 22 | 3° voor het vaststellen van de redenen tot wraking van de voorzitter en de leden zal worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek; |
| 23 | 4° de rechten van verdediging tijdens de procedure worden gewaarborgd. | 23 | 4° de rechten van verdediging tijdens de procedure worden gewaarborgd; |
| 24 | 5° een beroep kan worden behandeld volgens de vereenvoudigde procedure als het beroep zonder voorwerp of klaarblijkelijk onontvankelijk is, of als het college van beroep klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen. | ||
| 1 | § 1. Een evaluatie moet gezien worden als een constructief en positief beleidsinstrument, dat het mogelijk maakt een autonoom personeelsbeleid te voeren gericht op het verstrekken van kwaliteitsvol onderwijs. | 1 | § 1. Een evaluatie moet gezien worden als een constructief en positief beleidsinstrument, dat het mogelijk maakt een autonoom personeelsbeleid te voeren gericht op het verstrekken van kwaliteitsvol onderwijs. |
| 2 | Een personeelslid moet geëvalueerd worden op diens volledige functioneren op basis van zijn functiebeschrijving en van de persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen in de verslagen van de functioneringsgesprekken. | 2 | Een personeelslid moet geëvalueerd worden op diens volledige functioneren op basis van zijn functiebeschrijving en van de persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen in de verslagen van de functioneringsgesprekken. |
| 3 | De resultaten van de Vlaamse toetsen, vermeld in artikel 3, 56°bis, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en in artikel 3, 46°/1, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, kunnen niet als element gebruikt worden bij de evaluatie van een individueel personeelslid. | ||
| 3 | § 2. Een personeelslid voor wie geen functiebeschrijving werd opgesteld volgens de bepalingen van hoofdstuk Vbis, voor wie geen persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen werden opgenomen in de verslagen van zijn functioneringsgesprekken of voor wie niet in voldoende mate kan aangetoond worden dat de nodige coaching en begeleiding werd voorzien, kan niet worden geëvalueerd. Als aan een personeelslid het verslag van het eerste formele functioneringsgesprek werd overhandigd met daarin de persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen van het personeelslid en een duidelijke weergave van de tekortkomingen die zich stellen, moet een termijn van minimum 120 dagen effectieve prestaties gerespecteerd worden - waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, met uitzondering van de zomervakantie - vooraleer een evaluatieverslag met als eindconclusie "onvoldoende" kan overhandigd worden. | 4 | § 2. Een personeelslid voor wie geen functiebeschrijving werd opgesteld volgens de bepalingen van hoofdstuk Vbis, voor wie geen persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen werden opgenomen in de verslagen van zijn functioneringsgesprekken of voor wie niet in voldoende mate kan aangetoond worden dat de nodige coaching en begeleiding werd voorzien, kan niet worden geëvalueerd. Als aan een personeelslid het verslag van het eerste formele functioneringsgesprek werd overhandigd met daarin de persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen van het personeelslid en een duidelijke weergave van de tekortkomingen die zich stellen, moet een termijn van minimum 120 dagen effectieve prestaties gerespecteerd worden - waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, met uitzondering van de zomervakantie - vooraleer een evaluatieverslag met als eindconclusie "onvoldoende" kan overhandigd worden. |
| 4 | § 3. Evaluatoren doen met het oog op de evaluatie zelf een aantal vaststellingen, en kunnen bijkomend een beroep doen op informatie die zij verkregen hebben van derden. | 5 | § 3. Evaluatoren doen met het oog op de evaluatie zelf een aantal vaststellingen, en kunnen bijkomend een beroep doen op informatie die zij verkregen hebben van derden. |
| 20 | § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het secretariaat en de werkingskosten van het college van beroep. | 20 | § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het secretariaat en de werkingskosten van het college van beroep. |
| 21 | § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende beroepsprocedure en betreffende de werking van de kamers van het college van beroep in het procedurereglement, met dien verstande dat : | 21 | § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende beroepsprocedure en betreffende de werking van de kamers van het college van beroep in het procedurereglement, met dien verstande dat : |
| 22 | 1° op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen volgend op de overhandiging van de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie 'onvoldoende' door de eerste evaluator of door de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur, de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en desgevallend de adjunct-directeur of door de evaluator aangeduid door de scholengemeenschap voor de directeur belast met de functie van directeur coördinatie-scholengemeenschap. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. De voormelde termijn van twintig kalenderdagen kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode. Indien de beroepsmogelijkheden in strijd met artikel 47decies, § 2, niet vermeld zijn in het evaluatieverslag, dan neemt de termijn van twintig kalenderdagen een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende" werd overhandigd; | 22 | 1° op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen volgend op de overhandiging van de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie 'onvoldoende' door de eerste evaluator of door de inrichtende macht voor de directeur, de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en desgevallend de adjunct-directeur of door de evaluator aangeduid door de scholengemeenschap voor de directeur belast met de functie van directeur coördinatie-scholengemeenschap. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. De voormelde termijn van twintig kalenderdagen kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode. Indien de beroepsmogelijkheden in strijd met artikel 47decies, § 2, niet vermeld zijn in het evaluatieverslag, dan neemt de termijn van twintig kalenderdagen een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende" werd overhandigd; |
| 23 | 2° het beroep de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' opschort; | 23 | 2° het beroep de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' opschort; |
| 24 | 3° voor het vaststellen van de redenen tot wraking van de voorzitter en de leden zal worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek; | 24 | 3° voor het vaststellen van de redenen tot wraking van de voorzitter en de leden zal worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek; |
| 25 | 4° de rechten van de verdediging tijdens de procedure worden gewaarborgd. | 25 | 4° de rechten van de verdediging tijdens de procedure worden gewaarborgd; |
| 26 | 5° een beroep kan worden behandeld volgens de vereenvoudigde procedure als het beroep zonder voorwerp of klaarblijkelijk onontvankelijk is, of als het college van beroep klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen. | ||
| 4 | 3° de aangevatte preventieve schorsing tijdens de beroepsprocedure kan worden verlengd, ook na het verstrijken van de in artikel 67 bedoelde termijn; | 4 | 3° de aangevatte preventieve schorsing tijdens de beroepsprocedure kan worden verlengd, ook na het verstrijken van de in artikel 67 bedoelde termijn; |
| 5 | 4° voor het vaststellen van de redenen tot wraking van de voorzitter en de leden zal worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek; | 5 | 4° voor het vaststellen van de redenen tot wraking van de voorzitter en de leden zal worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek; |
| 6 | 5° de rechten van de verdediging tijdens de procedure worden gewaarborgd. | 6 | 5° de rechten van de verdediging tijdens de procedure worden gewaarborgd; |
| 7 | 6° een beroep kan worden behandeld volgens de vereenvoudigde procedure als het beroep zonder voorwerp of klaarblijkelijk onontvankelijk is, of als de kamer van beroep klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen. | ||
| 1 | §1. De Centra voor Volwassenenonderwijs kunnen de volgende bevoegdheden uitoefenen : | 1 | §1. De Centra voor Volwassenenonderwijs kunnen de volgende bevoegdheden uitoefenen : |
| 2 | 1° de organisatie van de opleidingen die behoren tot de studiegebieden, vermeld in artikel 7, voor zover het Centrum voor Volwassenenonderwijs hiervoor onderwijsbevoegdheid heeft; | 2 | 1° de organisatie van de opleidingen die behoren tot de studiegebieden, vermeld in artikel 7, voor zover het Centrum voor Volwassenenonderwijs hiervoor onderwijsbevoegdheid heeft; |
| 3 | 2° de organisatie van openleercentra; | 3 | 2° de organisatie van openleercentra; |
| 6 | 5° ... | 6 | 5° ... |
| 7 | 6° het assessment van de bekwaamheid die iemand via formeel of non-formeel leren heeft verworven om een bepaald beroep uit te oefenen, volgens de procedures, vermeld in het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid en het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2005 tot uitvoering van het decreet betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid. | 7 | 6° het assessment van de bekwaamheid die iemand via formeel of non-formeel leren heeft verworven om een bepaald beroep uit te oefenen, volgens de procedures, vermeld in het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid en het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2005 tot uitvoering van het decreet betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid. |
| 8 | §1bis. De centra voor volwassenenonderwijs die onderwijsbevoegdheid hebben voor de opleiding Aanvullende Algemene Vorming zijn ertoe gehouden om op verzoek van een cursist daadwerkelijk een bepaalde module van deze opleiding te organiseren en voor elke cursist van de opleiding Aanvullende Algemene Vorming aantoonbaar een individuele leertrajectbegeleiding te organiseren. | 8 | §1bis. De centra voor volwassenenonderwijs die onderwijsbevoegdheid hebben voor de opleiding Aanvullende Algemene Vorming zijn ertoe gehouden om op verzoek van een cursist daadwerkelijk een bepaalde module van deze opleiding te organiseren en voor elke cursist van de opleiding Aanvullende Algemene Vorming aantoonbaar een individuele leertrajectbegeleiding te organiseren. |
| 9 | Het centrum voor volwassenenonderwijs legt in samenspraak met de cursist het leertraject vast en houdt daarbij rekening met de startcompetenties en het eindperspectief van de cursist. | 9 | Het centrum voor volwassenenonderwijs legt in samenspraak met de cursist het leertraject vast en houdt daarbij rekening met de startcompetenties en het eindperspectief van de cursist. |
| 10 | §1ter. De centra voor volwassenenonderwijs die onderwijsbevoegdheid hebben voor opleidingen van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 zijn ertoe gehouden om aantoonbaar voor elke cursist een individuele leertrajectbegeleiding te organiseren. | 10 | §1ter. De centra voor volwassenenonderwijs die onderwijsbevoegdheid hebben voor opleidingen van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 zijn ertoe gehouden om aantoonbaar voor elke cursist een individuele leertrajectbegeleiding te organiseren. |
| 11 | Het centrum voor volwassenenonderwijs legt hiertoe in samenspraak met de cursist het leertraject vast en houdt daarbij rekening met de startcompetenties en het eindperspectief van de cursist en in voorkomend geval ook met de vragen van de doorverwijzende instantie. | 11 | Het centrum voor volwassenenonderwijs legt hiertoe in samenspraak met de cursist het leertraject vast en houdt daarbij rekening met de startcompetenties en het eindperspectief van de cursist en in voorkomend geval ook met de vragen van de doorverwijzende instantie. |
| 12 | § 1quater. De centra voor volwassenenonderwijs die onderwijsbevoegdheid hebben voor een opleiding die duaal kan worden georganiseerd, bieden bij de organisatie van de duale opleiding de volledige duale opleiding aan binnen drie opeenvolgende schooljaren. | ||
| 12 | §quater. .... | ||
| 13 | § 1quater. De centra voor volwassenenonderwijs die onderwijsbevoegdheid hebben voor opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2, zijn ertoe gehouden om de NT2-test te organiseren. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de ontwikkeling en afname van de NT2-test en de verhouding tussen de test en de procesevaluatie voor de berekening van de eindresultaten per vaardigheid. | 13 | §1quinquies. De centra voor volwassenenonderwijs die onderwijsbevoegdheid hebben voor opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2, zijn ertoe gehouden om de NT2test te organiseren. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de ontwikkeling en afname van de NT2-test en de verhouding tussen de test en de procesevaluatie voor de berekening van de eindresultaten per vaardigheid. |
| 14 | § 2. De onderwijsbevoegdheid, vermeld in paragraaf 1, 1°, wordt vanaf 1 september 2017 voor het secundair volwassenenonderwijs per vestigingsplaats toegekend in de vorm van een studiegebied als vermeld in artikel 7. | 14 | § 2. De onderwijsbevoegdheid, vermeld in paragraaf 1, 1°, wordt vanaf 1 september 2017 voor het secundair volwassenenonderwijs per vestigingsplaats toegekend in de vorm van een studiegebied als vermeld in artikel 7. |
| 15 | § 2bis. Op 1 september 2017 heeft een centrum voor volwassenenonderwijs per vestigingsplaats onderwijsbevoegdheid voor de studiegebieden, vermeld in artikel 7, waartoe de opleidingen van het secundair volwassenenonderwijs behoren die het centrum in die vestigingsplaats effectief heeft georganiseerd tijdens minstens één van de schooljaren 2013-2014 tot en met 2015-2016, met uitzondering van de onderwijsbevoegdheden die het tussen 1 september 2013 en 31 augustus 2016 heeft overgeheveld naar een ander centrum. Als het centrum voor volwassenenonderwijs tussen 31 januari 2014 en 2 februari 2017 onderwijsbevoegdheid heeft verworven, maar nog geen opleidingen kon organiseren, wijst het centrumbestuur daarvoor per studiegebied waartoe deze opleidingen behoren, uiterlijk op 1 september 2017 één vestigingsplaats aan. Als het centrum voor volwassenenonderwijs op 1 september 2016 door overheveling een vestigingsplaats heeft verworven, heeft het centrum in die vestigingsplaats op 1 september 2017 de onderwijs|Upbevoegdheid die het overhevelende centrum daar effectief heeft georganiseerd tijdens de schooljaren 2013-2014 tot en met 2015-2016. Als de Vlaamse Regering tussen 31 januari 2016 en 2 september 2016 de bevoegdheid verleende aan een centrum voor volwassenenonderwijs om in een bijkomende vestigingsplaats leraarsuren en ambten opgericht op basis van de puntenenveloppe aan te wenden, heeft het centrum op 1 september 2017 in die vestigingsplaats de onderwijsbevoegdheid die het daar effectief heeft georganiseerd tussen 1 september 2016 en 31 december 2016. | 15 | § 2bis. Op 1 september 2017 heeft een centrum voor volwassenenonderwijs per vestigingsplaats onderwijsbevoegdheid voor de studiegebieden, vermeld in artikel 7, waartoe de opleidingen van het secundair volwassenenonderwijs behoren die het centrum in die vestigingsplaats effectief heeft georganiseerd tijdens minstens één van de schooljaren 2013-2014 tot en met 2015-2016, met uitzondering van de onderwijsbevoegdheden die het tussen 1 september 2013 en 31 augustus 2016 heeft overgeheveld naar een ander centrum. Als het centrum voor volwassenenonderwijs tussen 31 januari 2014 en 2 februari 2017 onderwijsbevoegdheid heeft verworven, maar nog geen opleidingen kon organiseren, wijst het centrumbestuur daarvoor per studiegebied waartoe deze opleidingen behoren, uiterlijk op 1 september 2017 één vestigingsplaats aan. Als het centrum voor volwassenenonderwijs op 1 september 2016 door overheveling een vestigingsplaats heeft verworven, heeft het centrum in die vestigingsplaats op 1 september 2017 de onderwijs|Upbevoegdheid die het overhevelende centrum daar effectief heeft georganiseerd tijdens de schooljaren 2013-2014 tot en met 2015-2016. Als de Vlaamse Regering tussen 31 januari 2016 en 2 september 2016 de bevoegdheid verleende aan een centrum voor volwassenenonderwijs om in een bijkomende vestigingsplaats leraarsuren en ambten opgericht op basis van de puntenenveloppe aan te wenden, heeft het centrum op 1 september 2017 in die vestigingsplaats de onderwijsbevoegdheid die het daar effectief heeft georganiseerd tussen 1 september 2016 en 31 december 2016. |
| 18 | De eerste lijsten geven de situatie weer op 1 september 2017. | 18 | De eerste lijsten geven de situatie weer op 1 september 2017. |
| 19 | De Vlaamse Regering kan de lijsten, vermeld in het vorige lid, aanpassen op basis van wijzigingen van de onderwijsbevoegdheden en vestigingsplaatsen van een centrum voor volwassenenonderwijs die het gevolg zijn van het doorlopen van de procedures, vermeld in artikel 64 en artikel 65 | 19 | De Vlaamse Regering kan de lijsten, vermeld in het vorige lid, aanpassen op basis van wijzigingen van de onderwijsbevoegdheden en vestigingsplaatsen van een centrum voor volwassenenonderwijs die het gevolg zijn van het doorlopen van de procedures, vermeld in artikel 64 en artikel 65 |
| 20 | §2ter. Een centrum dat onderwijsbevoegdheid bezit voor een opleiding waarvan andere opleidingen integraal deel uitmaken, beschikt over de onderwijsbevoegdheid voor de onderliggende opleidingen. | 20 | §2ter. Een centrum dat onderwijsbevoegdheid bezit voor een opleiding waarvan andere opleidingen integraal deel uitmaken, beschikt over de onderwijsbevoegdheid voor de onderliggende opleidingen. |
| 21 | §3. Uitsluitend de Centra voor Volwassenenonderwijs die onderwijsbevoegdheid hebben voor opleidingen van de studiegebieden aanvullende algemene vorming en algemene vorming, zijn eveneens bevoegd voor het afnemen van evaluaties van personen die geen lessen gevolgd hebben in het centrum in kwestie, voor opleidingen binnen de studiegebieden aanvullende algemene vorming en algemene vorming. Die evaluaties zijn gebaseerd op het voor hen goedgekeurde leerplan. De Vlaamse Regering bepaalt hiertoe de nadere modaliteiten. | 21 | §3. Uitsluitend de Centra voor Volwassenenonderwijs die onderwijsbevoegdheid hebben voor opleidingen van de studiegebieden aanvullende algemene vorming en algemene vorming, zijn eveneens bevoegd voor het afnemen van evaluaties van personen die geen lessen gevolgd hebben in het centrum in kwestie, voor opleidingen binnen de studiegebieden aanvullende algemene vorming en algemene vorming. Die evaluaties zijn gebaseerd op het voor hen goedgekeurde leerplan. De Vlaamse Regering bepaalt hiertoe de nadere modaliteiten. |
| 22 | De centra voor volwassenenonderwijs die als EVC-testcentrum erkend zijn overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 26 april 2019 betreffende een geïntegreerd beleid voor de erkenning van verworven competenties, zijn eveneens bevoegd voor het afnemen van evaluaties van personen die geen lessen gevolgd hebben in het centrum in kwestie, voor opleidingen die leiden naar een bewijs van een erkende beroepskwalificatie. | 22 | De centra voor volwassenenonderwijs die als EVC-testcentrum erkend zijn overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 26 april 2019 betreffende een geïntegreerd beleid voor de erkenning van verworven competenties, zijn eveneens bevoegd voor het afnemen van evaluaties van personen die geen lessen gevolgd hebben in het centrum in kwestie, voor opleidingen die leiden naar een bewijs van een erkende beroepskwalificatie. |
| 23 | §3bis. Slechts één Centrum voor Volwassenenonderwijs dat onderwijsbevoegdheid heeft voor de opleidingen Nederlands tweede taal richtgraad 1 tot en met richtgraad 4 en Frans richtgraad 1 tot en met richtgraad 4, kan door de Vlaamse Regering aangewezen worden om de examencommissie te organiseren. | 23 | §3bis. Slechts één Centrum voor Volwassenenonderwijs dat onderwijsbevoegdheid heeft voor de opleidingen Nederlands tweede taal richtgraad 1 tot en met richtgraad 4 en Frans richtgraad 1 tot en met richtgraad 4, kan door de Vlaamse Regering aangewezen worden om de examencommissie te organiseren. |
| 24 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de organisatie van de examencommissie en voor de aanwijzing van het Centrum voor Volwassenenonderwijs dat de examencommissie mag organiseren. | 24 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de organisatie van de examencommissie en voor de aanwijzing van het Centrum voor Volwassenenonderwijs dat de examencommissie mag organiseren. |
| 25 | §4. De besturen van de Centra voor Volwassenenonderwijs, in voorkomend geval op voordracht en na beslissing van de evaluatiecommissie, zijn bevoegd om aan de cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen voor zover de module of opleiding in kwestie voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 56, 2°, 3°, 4°, 5°, 7°, 8° en 9°, d, en artikel 26, § 1. | 25 | §4. De besturen van de Centra voor Volwassenenonderwijs, in voorkomend geval op voordracht en na beslissing van de evaluatiecommissie, zijn bevoegd om aan de cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen voor zover de module of opleiding in kwestie voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 56, 2°, 3°, 4°, 5°, 7°, 8° en 9°, d, en artikel 26, § 1. |
| 2 | § 2. Onverminderd de toepassing van artikel 105, § 1 en § 2, van dit decreet, heeft elk door fusie gevormd centrum recht op maximaal één voltijdse betrekking van directeur. | 2 | § 2. Onverminderd de toepassing van artikel 105, § 1 en § 2, van dit decreet, heeft elk door fusie gevormd centrum recht op maximaal één voltijdse betrekking van directeur. |
| 3 | § 3. De vastbenoemde en tot de proeftijd toegelaten directeurs die op 31 augustus titularis zijn van een betrekking en die na een fusieoperatie niet opnieuw als directeur worden aangesteld, worden aangesteld in het ambt van adjunct-directeur. Ze behouden hun salarisschaal, tenzij ze door het besluit van de Vlaamse Regering dat de salarisschalen regelt, recht hebben op een gunstiger salaris.. | 3 | § 3. De vastbenoemde en tot de proeftijd toegelaten directeurs die op 31 augustus titularis zijn van een betrekking en die na een fusieoperatie niet opnieuw als directeur worden aangesteld, worden aangesteld in het ambt van adjunct-directeur. Ze behouden hun salarisschaal, tenzij ze door het besluit van de Vlaamse Regering dat de salarisschalen regelt, recht hebben op een gunstiger salaris.. |
| 4 | § 4. Aan de puntenenveloppe waarop het centrum volgens artikel 105, § 3, recht heeft, worden voor de toepassing van paragraaf 3 per betrekking van directeur 130 punten toegevoegd. Als er voor 1 september 2019 een einde komt aan de aanstelling van de vastbenoemde directeur in het ambt van adjunct-directeur behoudt het centrum de toegevoegde punten tot 31 augustus 2019. Als er vanaf 1 september 2019 een einde komt aan de aanstelling van de vastbenoemde directeur in het ambt van adjunct-directeur dan worden de 130 punten toegevoegd aan het totale beschikbare volume aan punten voor het volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 105, §3. | 4 | § 4. Aan de puntenenveloppe waarop het centrum volgens artikel 105, § 3, recht heeft, worden voor de toepassing van paragraaf 3 per betrekking van directeur 130 punten toegevoegd. Als er voor 1 september 2019 een einde komt aan de aanstelling van de vastbenoemde directeur in het ambt van adjunct-directeur behoudt het centrum de toegevoegde punten tot 31 augustus 2019. Als er vanaf 1 september 2019 een einde komt aan de aanstelling van de vastbenoemde directeur in het ambt van adjunct-directeur dan worden de 130 punten toegevoegd aan de volumes aan punten, vermeld in artikel 105, §3, voor: |
| 5 | 1° alle studiegebieden samen, vermeld in artikel 107, §1; | ||
| 6 | 2° alle studiegebieden samen, vermeld in artikel 107, §2. | ||
| 7 | De 130 punten, vermeld in het eerste lid, worden over die volumes, vermeld in het eerste lid, verdeeld op basis van het aandeel aan gewogen financieringspunten dat per volume gemiddeld in de referteperiodes n-3 tot en met n-1 in de totaliteit van beide volumes is bereikt. | ||
| 5 | § 5. Een personeelslid dat op het ogenblik van de fusie tot de proeftijd is toegelaten in het ambt van directeur, wordt, na twaalf maanden effectieve prestaties vanaf zijn toelating tot de proeftijd, vastbenoemd in het ambt van directeur of in het ambt van adjunctdirecteur, naargelang hij bij de fusie al dan niet het ambt van directeur van het centrum heeft toegewezen gekregen. | 8 | § 5. Een personeelslid dat op het ogenblik van de fusie tot de proeftijd is toegelaten in het ambt van directeur, wordt, na twaalf maanden effectieve prestaties vanaf zijn toelating tot de proeftijd, vastbenoemd in het ambt van directeur of in het ambt van adjunctdirecteur, naargelang hij bij de fusie al dan niet het ambt van directeur van het centrum heeft toegewezen gekregen. |
| 6 | § 6. Een centrum dat in de periode van 1 september 1999 tot en met 31 augustus 2007 tot stand is gekomen door fusie, behoudt, in afwijking van § 3 en § 4, jaarlijks ten minste het aantal punten dat nodig is om het volume aan betrekkingen in de ambten van bestuurs- en ondersteunend personeel, toegekend aan de betrokken centra op de vooravond van de fusie, in stand te houden. | 9 | § 6. Een centrum dat in de periode van 1 september 1999 tot en met 31 augustus 2007 tot stand is gekomen door fusie, behoudt, in afwijking van § 3 en § 4, jaarlijks ten minste het aantal punten dat nodig is om het volume aan betrekkingen in de ambten van bestuurs- en ondersteunend personeel, toegekend aan de betrokken centra op de vooravond van de fusie, in stand te houden. |
| 3 | § 2. Als de cursist zich binnen een periode van zes schooljaren drie keer voor dezelfde module heeft ingeschreven, wordt het verschuldigde inschrijvingsgeld bij een volgende inschrijving in dezelfde module berekend door het aantal lestijden van die module te vermenigvuldigen met 3 euro. Indien de cursist een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld geniet zoals bepaald in paragraaf 4, dan wordt het aantal lestijden vermenigvuldigd met 1,5 euro. | 3 | § 2. Als de cursist zich binnen een periode van zes schooljaren drie keer voor dezelfde module heeft ingeschreven, wordt het verschuldigde inschrijvingsgeld bij een volgende inschrijving in dezelfde module berekend door het aantal lestijden van die module te vermenigvuldigen met 3 euro. Indien de cursist een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld geniet zoals bepaald in paragraaf 4, dan wordt het aantal lestijden vermenigvuldigd met 1,5 euro. |
| 4 | In afwijking van het eerste lid geldt de vermenigvuldiging met 3 of 1,5 euro niet voor een inschrijving in een open module die voldoet aan de bepalingen van artikel 25bis. | 4 | In afwijking van het eerste lid geldt de vermenigvuldiging met 3 of 1,5 euro niet voor een inschrijving in een open module die voldoet aan de bepalingen van artikel 25bis. |
| 5 | § 2bis. In afwijking van paragraaf 2 blijft het verschuldigde inschrijvingsgeld ongewijzigd, ongeacht het aantal inschrijvingen in een van de volgende opleidingen: | ||
| 6 | 1° de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 of de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 - schriftelijk richtgraad 1.1 of de opleiding Latijns Schrift - Basiseducatie van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie; | ||
| 7 | 2° de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie of de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 of de opleiding Lezen en Schrijven voor Anders- gealfabetiseerden van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs. | ||
| 5 | § 3. In afwijking van paragraaf 1 wordt het inschrijvingsgeld begrensd op 300 euro per opleiding per semester. Een semester is een periode van 1 september tot en met 31 december of een periode van 1 januari tot en met 31 augustus. Het inschrijvingsgeld, vermeld in paragraaf 2, wordt niet meegerekend in de begrenzing van het inschrijvingsgeld. | 8 | § 3. In afwijking van paragraaf 1 wordt het inschrijvingsgeld begrensd op 300 euro per opleiding per semester. Een semester is een periode van 1 september tot en met 31 december of een periode van 1 januari tot en met 31 augustus. Het inschrijvingsgeld, vermeld in paragraaf 2, wordt niet meegerekend in de begrenzing van het inschrijvingsgeld. |
| 9 | § 3bis. In afwijking van paragraaf 3 is het verschuldigde inschrijvingsgeld begrensd tot 180 euro voor een cursist die ingeschreven is in een van de volgende opleidingen: | ||
| 10 | 1° de opleiding Nederlands Tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 of de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 - schriftelijk richtgraad 1.1 van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie; | ||
| 11 | 2° de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie of de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs. | ||
| 12 | In voorkomend geval omvat de begrenzing tot 180 euro, vermeld in het eerste lid, ook het verschuldigde inschrijvingsgeld voor: | ||
| 13 | 1° de opleiding Latijns Schrift - Basiseducatie of de opleiding Lezen en Schrijven voor Andersgealfabetiseerden; | ||
| 14 | 2° een in het eerste lid vermelde opleiding waarvoor de cursist niet bij aanvang van zijn opleiding ingeschreven was maar waarnaar hij in de loop van zijn opleiding geheroriënteerd wordt. | ||
| 6 | § 4. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een volledige vrijstelling van het inschrijvingsgeld voor cursisten die : | 15 | § 4. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een volledige vrijstelling van het inschrijvingsgeld voor cursisten die : |
| 7 | 1° geen houder zijn van een diploma van het secundair onderwijs en ingeschreven zijn voor geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren of Regie over het Eigen Leren, een opleiding in de leergebieden van de basiseducatie of een opleiding in de studiegebieden aanvullende algemene vorming of algemene vorming; | 16 | 1° geen houder zijn van een diploma van het secundair onderwijs en ingeschreven zijn voor geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren of Regie over het Eigen Leren, een opleiding in de leergebieden van de basiseducatie of een opleiding in de studiegebieden aanvullende algemene vorming of algemene vorming; |
| 11 | 4° op het moment van hun inschrijving een inkomen verwerven via maatschappelijke dienstverlening of een leefloon of die ten laste zijn van de voormelde categorieën; | 20 | 4° op het moment van hun inschrijving een inkomen verwerven via maatschappelijke dienstverlening of een leefloon of die ten laste zijn van de voormelde categorieën; |
| 12 | 5° op het moment van inschrijving gedetineerd zijn zoals is bepaald in artikel 2, 16° bis; | 21 | 5° op het moment van inschrijving gedetineerd zijn zoals is bepaald in artikel 2, 16° bis; |
| 22 | 6° een inburgeringscontract hebben ondertekend als vermeld in artikel 2, eerste lid, 10°, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid of een attest van inburgering hebben behaald als vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, van hetzelfde decreet en ingeschreven zijn in het Rijksregister in een gemeente van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, voor: | ||
| 23 | a) de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 of de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 - schriftelijk richtgraad 1.1 of de opleiding Latijns Schrift - Basiseducatie van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie; | ||
| 24 | b) de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie of de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 of de opleiding Lezen en Schrijven voor Andersgealfabetiseerden van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs; | ||
| 25 | c) de opleidingen op het niveau richtgraad 2 van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie of de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 2 van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs. | ||
| 26 | In afwijking van paragraaf 2 geldt deze vrijstelling van inschrijvingsgeld ongeacht het aantal inschrijvingen in dezelfde module; | ||
| 27 | 6° bis ingeschreven zijn in het Rijksregister in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en in een lesplaats gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad ingeschreven zijn in: | ||
| 28 | a) de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 of de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1- schriftelijk richtgraad 1.1 of de opleiding Latijns Schrift - Basis- educatie van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie; | ||
| 29 | b) de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie of de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 of de opleiding Lezen en Schrijven voor Andersgealfabetiseerden van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs; | ||
| 30 | c) de opleidingen op het niveau richtgraad 2 van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie of de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 2 van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs. | ||
| 31 | In afwijking van paragraaf 2 geldt deze vrijstelling van inschrijvingsgeld ongeacht het aantal inschrijvingen in dezelfde module; | ||
| 13 | 6° inburgeraar zijn en een inburgeringscontract hebben ondertekend als vermeld in artikel 2, eerste lid, 10°, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid, of een attest van inburgering hebben behaald als vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet, voor de opleidingen Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1, Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 - schriftelijk richtgraad 1.1, Latijns schrift - Basiseducatie van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal, Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal en de opleidingen Nederlands tweede taal richtgraad 1 Nederlands tweede taal richtgraad 1, Nederlands tweede taal richtgraad 2 en Lezen en Schrijven voor Andersgealfabetiseerden in het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 ; | 32 | 6° ter een inburgeringscontract ondertekend hebben als vermeld in artikel 2, eerste lid, 10°, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid of een attest van inburgering hebben behaald als vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, van hetzelfde decreet en ingeschreven zijn in de opleidingen op het niveau richtgraad 2 van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal of de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 2 van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs; |
| 14 | 7° op het moment van hun inschrijving nog niet voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht; | 33 | 7° op het moment van hun inschrijving nog niet voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht; |
| 34 | 7° bis minderjarige inburgeraar zijn als vermeld in artikel 26, § 1, eerste lid, 3°, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid, en ingeschreven zijn in één van de volgende opleidingen: | ||
| 35 | 1° de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 of de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 - schriftelijk richtgraad 1.1 of de opleiding Latijns Schrift - Basiseducatie van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie; | ||
| 36 | 2° de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie of de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 of de opleiding Lezen en Schrijven voor Andersgealfabetiseerden van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair vol- wassenenonderwijs; | ||
| 15 | 8° werkzoekend zijn, zoals bepaald in artikel 2, 47° bis; | 37 | 8° werkzoekend zijn, zoals bepaald in artikel 2, 47° bis; |
| 16 | 9° niet-werkende, verplicht ingeschreven werkzoekenden zijn die op het moment van hun inschrijving nog geen recht op een inschakelingsuitkering hebben verworven; | 38 | 9° niet-werkende, verplicht ingeschreven werkzoekenden zijn die op het moment van hun inschrijving nog geen recht op een inschakelingsuitkering hebben verworven; |
| 17 | 10° ingeschreven zijn voor een opleiding zoals bedoeld in artikel 64bis; | 39 | 10° ingeschreven zijn voor een opleiding zoals bedoeld in artikel 64bis; |
| 18 | 11° ingeschreven zijn voor de opleiding Ondernemerschap en tegelijk ingeschreven zijn als leerling in de derde graad van het secundair onderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, een centrum voor deeltijdse vorming, of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen. | 40 | 11° ingeschreven zijn voor de opleiding Ondernemerschap en tegelijk ingeschreven zijn als leerling in de derde graad van het secundair onderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, een centrum voor deeltijdse vorming, of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen. |
| 41 | § 4bis. [... (vernietigd bij arrest Grondwettelijk Hof 2023/115 van 20 juli 2023)] | ||
| 19 | § 5. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,60 euro voor cursisten die ingeschreven zijn voor een opleiding in de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. | 42 | § 5. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,60 euro voor cursisten die ingeschreven zijn in een van de volgende opleidingen: |
| 43 | 1° een opleiding van het niveau richtgraad 2 in de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal of in het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2; | ||
| 44 | 2° een opleiding in het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. | ||
| 20 | § 6. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,30 euro voor cursisten die op het moment van hun inschrijving : | 45 | § 6. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,30 euro voor cursisten die op het moment van hun inschrijving : |
| 21 | 1° een inkomen verwerven via een inschakelingsuitkering of een werkloosheidsuitkering voor andere opleidingen dan deze bedoeld in paragraaf 4, 1°, 6° en 7°, of ten laste zijn van voormelde categorieën; | 46 | 1° een inkomen verwerven via een inschakelingsuitkering of een werkloosheidsuitkering en ingeschreven zijn voor een opleiding die niet op basis van § 4, 8°, recht geeft op een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld, of ten laste zijn van voormelde categorieën; |
| 22 | 2° in het bezit zijn van een van de volgende attesten of die ten laste zijn van een persoon die in het bezit is van een van de volgende attesten : | 47 | 2° in het bezit zijn van een van de volgende attesten of die ten laste zijn van een persoon die in het bezit is van een van de volgende attesten : |
| 23 | a) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 percent blijkt; | 48 | a) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 percent blijkt; |
| 26 | d) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van het verdienvermogen tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen; | 51 | d) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van het verdienvermogen tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen; |
| 27 | e) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van de zelfredzaamheid van ten minste zeven punten. | 52 | e) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van de zelfredzaamheid van ten minste zeven punten. |
| 53 | § 6bis. [... (vernietigd bij arrest Grondwettelijk Hof 2023/115 van 20 juli 2023)] | ||
| 54 | § 6ter. De verschuldigde bijdrage voor de eerste deelname aan de NT2-test, vermeld in artikel 40, § 1bis, eerste lid, is inbegrepen in het inschrijvingsgeld zoals bepaald in paragraaf 3bis. | ||
| 55 | De cursist die niet geslaagd is voor één of meerdere onderdelen van de NT2-test betaalt geen inschrijvingsgeld voor het opnieuw volgen van één van deze opleidingen in functie van een herkansing. Voor een nieuwe deelname aan de NT2-test betaalt de cursist 22,50 euro per onderdeel. Indien de cursist een gedeeltelijke of volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld geniet op basis van paragraaf 4 of 6 betaalt hij niet opnieuw voor een nieuwe deelname aan de NT2-test. | ||
| 28 | § 7. Centra die de studiegebieden aanvullende algemene vorming en algemene vorming organiseren en evaluaties afnemen van personen die geen lessen gevolgd hebben in het centrum voor volwassenenonderwijs in kwestie, vragen hiervoor een tegemoetkoming aan de cursist van 15 euro per evaluatieperiode. | 56 | § 7. Centra die de studiegebieden aanvullende algemene vorming en algemene vorming organiseren en evaluaties afnemen van personen die geen lessen gevolgd hebben in het centrum voor volwassenenonderwijs in kwestie, vragen hiervoor een tegemoetkoming aan de cursist van 15 euro per evaluatieperiode. |
| 29 | § 8. Het centrum voor volwassenenonderwijs dat een examencommissie organiseert, vraagt hiervoor een tegemoetkoming van 15 euro per persoon en per evaluatieperiode. | 57 | § 8. Het centrum voor volwassenenonderwijs dat een examencommissie organiseert, vraagt hiervoor een tegemoetkoming van 15 euro per persoon en per evaluatieperiode. |
| 1 | In afwijking van artikel 113novies, § 4bis, van dit decreet geldt er een volledige vrijstelling van het inschrijvingsgeld en in voorkomend geval het verhoogd tarief van 1,5 euro, vermeld in artikel 113novies, § 2, voor de inburgeraar die vóór de datum van inwerkingtreding van het decreet van 24 juni 2022 tot wijziging van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en tot wijziging van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid in functie van het hertekende inburgeringsbeleid een inburgeringscontract als vermeld in artikel 2, eerste lid, 10°, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid heeft ondertekend, voor een van de volgende opleidingen: | ||
| 2 | 1° de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 of de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 - schriftelijk richtgraad 1.1 van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie; | ||
| 3 | 2° de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie of de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs; | ||
| 4 | 3° de opleiding Latijns Schrift – Basiseducatie van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie of de opleiding Lezen en Schrijven voor Andersgealfabetiseerden van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs. | ||
| 5 | De inburgeraar, vermeld in het eerste lid, is vrijgesteld van inschrijvingsgeld voor een deelname aan de NT2-test, vermeld in artikel 40, §1bis, eerste lid. |
| 57 | - de tweede graad van het domein muziek ingevuld met een bepaald muziekinstrument; | 57 | - de tweede graad van het domein muziek ingevuld met een bepaald muziekinstrument; |
| 58 | - de derde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten, dans of woordkunst-drama ingevuld met een bepaalde optie; | 58 | - de derde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten, dans of woordkunst-drama ingevuld met een bepaalde optie; |
| 59 | - de derde graad van het domein muziek ingevuld met een bepaalde optie in combinatie met een bepaald muziekinstrument; | 59 | - de derde graad van het domein muziek ingevuld met een bepaalde optie en in voorkomend geval in combinatie met een bepaald muziekinstrument; |
| 60 | - de vierde graad van een studierichting in het domein beeldende en audiovisuele kunsten, dans of woordkunst-drama ingevuld met een bepaalde optie; | 60 | - de vierde graad van een studierichting in het domein beeldende en audiovisuele kunsten, dans of woordkunst-drama ingevuld met een bepaalde optie; |
| 61 | - de vierde graad van een studierichting in het domein muziek ingevuld met een bepaalde optie in combinatie met een bepaald muziekinstrument; | 61 | - de vierde graad van een studierichting in het domein muziek ingevuld met een bepaalde optie en in voorkomend geval in combinatie met een bepaald muziekinstrument; |
| 62 | - de kortlopende studierichting beeldende en audiovisuele cultuur; | 62 | - de kortlopende studierichting beeldende en audiovisuele cultuur; |
| 63 | - de kortlopende studierichting specialisatie beeldende en audiovisuele kunsten ingevuld met een bepaalde optie; | 63 | - de kortlopende studierichting specialisatie beeldende en audiovisuele kunsten ingevuld met een bepaalde optie; |
| 67 | -de kortlopende studierichting schrijver ingevuld met een bepaalde optie; | 67 | -de kortlopende studierichting schrijver ingevuld met een bepaalde optie; |
| 68 | - de kortlopende studierichting specialisatie woordkunst-drama ingevuld met een bepaalde optie; | 68 | - de kortlopende studierichting specialisatie woordkunst-drama ingevuld met een bepaalde optie; |
| 69 | - de kortlopende studierichting muziekcultuur ; | 69 | - de kortlopende studierichting muziekcultuur ingevuld met een bepaalde optie; |
| 70 | - de kortlopende studierichting muziekgeschiedenis ; | 70 | - de kortlopende studierichting muziekgeschiedenis ingevuld met een bepaalde optie; |
| 71 | - de kortlopende studierichting specialisatie muziek ingevuld met een bepaalde optie in combinatie met een bepaald muziekinstrument; | 71 | - de kortlopende studierichting specialisatie muziek ingevuld met een bepaalde optie in combinatie met een bepaald muziekinstrument; |
| 72 | 49° optie : de inhoudelijke invulling van een studierichting die het karakteristieke van de opleiding bepaalt en die bestaat uit een of meer vakken, vastgelegd door de Vlaamse Regering; | 72 | 49° optie : de inhoudelijke invulling van een studierichting die het karakteristieke van de opleiding bepaalt en die bestaat uit een of meer vakken, vastgelegd door de Vlaamse Regering; |
| 1 | § 1. Elke persoon heeft, met behoud van de toepassing van de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29 tot en met 36, recht op inschrijving in de academie en opleiding van zijn keuze, rekening houdend met het aanwezige onderwijsaanbod. Een leerling schrijft zich voor elk leerjaar van de opleiding opnieuw in. | 1 | § 1. Elke persoon heeft, met behoud van de toepassing van de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29 tot en met 36, recht op inschrijving in de academie en opleiding van zijn keuze, rekening houdend met het aanwezige onderwijsaanbod. Een leerling schrijft zich voor elk leerjaar van de opleiding opnieuw in. |
| 2 | Als een academie voor een bepaalde opleiding verschillende trajecten aanbiedt, kan de leerling kiezen in welk traject hij de opleiding volgt. Een leerling kan na toestemming van de directeur van traject veranderen. Als de leerling daardoor de globale studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20, overschrijdt, wordt dat beschouwd als een verlenging van het leertraject, vermeld in artikel 62, tweede lid. | 2 | Als een academie voor een bepaalde opleiding verschillende trajecten aanbiedt, kan de leerling kiezen in welk traject hij de opleiding volgt. Een leerling kan na toestemming van de directeur uiterlijk op de eerste lesdag na de kerstvakantie van traject veranderen. Als de leerling daardoor de globale studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20, overschrijdt, wordt dat beschouwd als een verlenging van het leertraject, vermeld in artikel 62, tweede lid. |
| 3 | Leerlingen die veranderd zijn van traject en op het einde van hun laatste traject daardoor minder lestijden gevolgd hebben dan de globale studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20, kunnen een bijkomend leerjaar volgen. Het voormelde bijkomende leerjaar wordt niet beschouwd als een verlenging van het leertraject. | ||
| 3 | Een leerling die in een bepaalde opleiding is ingeschreven kan zich niet meer opnieuw inschrijven voor dezelfde opleiding in dezelfde of een andere academie. Een leerling die in een bepaalde opleiding is afgestudeerd, kan zich niet meer opnieuw in dezelfde opleiding inschrijven. | 4 | Een leerling die in een bepaalde opleiding is ingeschreven kan zich niet meer opnieuw inschrijven voor dezelfde opleiding in dezelfde of een andere academie. Een leerling die in een bepaalde opleiding is afgestudeerd, kan zich niet meer opnieuw in dezelfde opleiding inschrijven. |
| 4 | Een leerling die voor de inwerkingtreding van dit decreet is afgestudeerd in een opleiding van de oude structuur, kan zich niet meer opnieuw inschrijven in de overeenkomstige opleiding van de nieuwe structuur, tenzij de leerling bijkomende competenties verwerft. De Vlaamse Regering bepaalt de overeenstemming tussen de opleidingen van de oude en de nieuwe structuur. | 5 | Een leerling die voor de inwerkingtreding van dit decreet is afgestudeerd in een opleiding van de oude structuur, kan zich niet meer opnieuw inschrijven in de overeenkomstige opleiding van de nieuwe structuur. De Vlaamse Regering bepaalt de overeenstemming tussen de opleidingen van de oude en de nieuwe structuur. |
| 5 | § 2. Inschrijvingen voor een bepaald schooljaar kunnen ten vroegste starten op de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar. Het schoolbestuur maakt de start van zijn inschrijvingen bekend aan alle belanghebbenden. | 6 | § 2. Inschrijvingen voor een bepaald schooljaar kunnen ten vroegste starten op de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar. Het schoolbestuur maakt de start van zijn inschrijvingen bekend aan alle belanghebbenden. |
| 6 | Inschrijvingen kunnen uiterlijk tot 30 september van het lopende schooljaar plaatsvinden. | 7 | Inschrijvingen kunnen uiterlijk tot 30 september van het lopende schooljaar plaatsvinden. |
| 1 | De leerlingen worden ingeschreven in de volgorde dat ze zich bij de academie aanmelden en voldoen aan al de volgende voorwaarden : | 1 | De leerlingen worden ingeschreven in de volgorde dat ze zich bij de academie aanmelden en voldoen aan al de volgende voorwaarden : |
| 2 | 1° zich akkoord verklaard hebben met het academiereglement; | 2 | 1° zich digitaal of schriftelijk akkoord verklaard hebben met het academiereglement; |
| 3 | 2° zich akkoord verklaard hebben met het eigen artistiek-pedagogische project van de academie. | 3 | 2° zich digitaal of schriftelijk akkoord verklaard hebben met het eigen artistiek-pedagogische project van de academie. |
| 1 | In afwijking van artikel 38 heeft elke leerling die al les volgt in een academie voorrang op alle nieuwe leerlingen voor het vervolg op de opleiding die hij volgt , in diezelfde academie, als hij zich vóór 15 juli van het voorafgaande schooljaar waarop de inschrijving betrekking heeft, inschrijft. | 1 | In afwijking van artikel 38 heeft elke leerling die al les volgt in een academie voorrang op alle nieuwe leerlingen voor het vervolg van de opleiding die hij volgt en de opleiding die erop volgt, in diezelfde academie, als hij zich vóór 5 juli van het voorafgaande schooljaar waarop de inschrijving betrekking heeft, inschrijft. |
| 1 | Een schoolbestuur stelt voor elk van zijn academies een academiereglement op. | ||
| 1 | Een schoolbestuur stelt voor elk van zijn academies een academiereglement op. Bij elke wijziging van het academiereglement informeert het schoolbestuur de leerlingen en de betrokken personen schriftelijk of via een elektronische drager over die wijziging. Het schoolbestuur geeft toelichting over de wijziging als de leerlingen en de betrokken personen dat willen. De leerlingen of betrokken personen verklaren zich daarna opnieuw digitaal of schriftelijk akkoord. | ||
| 2 | Het academiereglement bevat de volgende elementen : | 2 | Het academiereglement bevat de volgende elementen : |
| 3 | 1° het reglement over de tucht en de schending van de leefregels van de leerlingen, met inbegrip van een tijdelijke of een definitieve uitsluiting, en over de beroepsprocedure, vermeld in artikel 50 en 51, met inbegrip van het hanteren van redelijke en haalbare termijnen; | 3 | 1° het reglement over de tucht en de schending van de leefregels van de leerlingen, met inbegrip van een tijdelijke of een definitieve uitsluiting, en over de beroepsprocedure, vermeld in artikel 50 en 51, met inbegrip van het hanteren van redelijke en haalbare termijnen; |
| 14 | 12° de vermelding dat bij verandering van academie leerlingengegevens worden overgedragen naar de nieuwe academie tenzij daar door de leerling of de betrokken personen expliciet verzet tegen wordt gepleegd nadat ze op hun verzoek die gegevens hebben ingezien; | 14 | 12° de vermelding dat bij verandering van academie leerlingengegevens worden overgedragen naar de nieuwe academie tenzij daar door de leerling of de betrokken personen expliciet verzet tegen wordt gepleegd nadat ze op hun verzoek die gegevens hebben ingezien; |
| 15 | 13° het toetsingsinstrument als vermeld in artikel 57 met betrekking tot de relevante alternatieve leercontext; | 15 | 13° het toetsingsinstrument als vermeld in artikel 57 met betrekking tot de relevante alternatieve leercontext; |
| 16 | 14° de uiterste datum waarop de leerling het inschrijvingsgeld betaalt conform artikel 90 en in voorkomend geval de mogelijkheden tot gespreide betaling. | 16 | 14° de uiterste datum waarop de leerling het inschrijvingsgeld betaalt conform artikel 90 en in voorkomend geval de mogelijkheden tot gespreide betaling, de uitschrijvingsregeling en de terugbetaling van het inschrijvingsgeld bij uitschrijving conform artikel 90 van dit decreet. |
| 17 | Als na de toelichting, vermeld in het tweede lid, 10°, blijkt dat de leerling of de betrokken personen een kopie van de leerlingengegevens willen, hebben ze kopierecht. | 17 | Als na de toelichting, vermeld in het tweede lid, 10°, blijkt dat de leerling of de betrokken personen een kopie van de leerlingengegevens willen, hebben ze kopierecht. |
| 18 | Iedere kopie moet persoonlijk en vertrouwelijk behandeld worden, mag niet verspreid worden noch publiek gemaakt worden en mag alleen gebruikt worden in het kader van de leerloopbaan van de leerling. Als bepaalde gegevens ook een derde betreffen en volledige inzage in de gegevens door de leerling of de betrokken personen afbreuk zou doen aan het recht van de derde op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, wordt de toegang tot die gegevens verstrekt via een gesprek, gedeeltelijke inzage of rapportage. | 18 | Iedere kopie moet persoonlijk en vertrouwelijk behandeld worden, mag niet verspreid worden noch publiek gemaakt worden en mag alleen gebruikt worden in het kader van de leerloopbaan van de leerling. Als bepaalde gegevens ook een derde betreffen en volledige inzage in de gegevens door de leerling of de betrokken personen afbreuk zou doen aan het recht van de derde op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, wordt de toegang tot die gegevens verstrekt via een gesprek, gedeeltelijke inzage of rapportage. |
| 9 | § 2. In afwijking van paragraaf 1 worden de lestijden voor de kortlopende studierichtingen specialisatie als volgt berekend : | 9 | § 2. In afwijking van paragraaf 1 worden de lestijden voor de kortlopende studierichtingen specialisatie als volgt berekend : |
| 10 | 1° als in een domein in een academie het aantal leerlingen dat de specialisatie volgt op 1 februari van het voorafgaande schooljaar kleiner dan of gelijk is aan 25% van het aantal leerlingen dat de vierde graad volgt op 1 februari van het voorafgaande schooljaar, wordt het aantal leerlingen van de specialisatie op 1 februari van het voorafgaande schooljaar vermenigvuldigd met de omkaderingscoëfficiënt en de solidariteitsfactor, berekend conform artikel 71. | 10 | 1° als in een domein in een academie het aantal leerlingen dat de specialisatie volgt op 1 februari van het voorafgaande schooljaar kleiner dan of gelijk is aan 25% van het aantal leerlingen dat de vierde graad volgt op 1 februari van het voorafgaande schooljaar, wordt het aantal leerlingen van de specialisatie op 1 februari van het voorafgaande schooljaar vermenigvuldigd met de omkaderingscoëfficiënt en de solidariteitsfactor, berekend conform artikel 71. |
| 11 | 2° als in een academie en domein het aantal leerlingen dat de specialisatie volgt op 1 februari van het voorafgaande schooljaar groter is dan 25% van het aantal leerlingen in de vierde graad op 1 februari van het voorafgaande schooljaar, wordt 25% van het aantal leerlingen van de vierde graad op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in dat domein vermenigvuldigd met de omkaderingscoëfficiënt en de solidariteitsfactor, berekend conform artikel 71. | 11 | 2° als in een domein in een academie het aantal leerlingen dat de specialisatie volgt op 1 februari van het voorafgaande schooljaar groter is dan 25% van het aantal leerlingen in de vierde graad op 1 februari van het voorafgaande schooljaar, wordt 25% van het aantal leerlingen van de vierde graad op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in dat domein vermenigvuldigd met de omkaderingscoëfficiënt en de solidariteitsfactor, berekend conform artikel 71. |
| 12 | § 3. De resultaten van de berekeningen, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier en naar het lagere geheel getal als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier. | 12 | § 3. De resultaten van de berekeningen, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier en naar het lagere geheel getal als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier. |
| 13 | § 4. In afwijking van paragraaf 1 en 2 is de teldag voor de berekening van de lestijden voor de structuuronderdelen van academies in oprichting en van domeinen waarvan de oprichting gestart is vóór 31 augustus 2018 1 oktober van het lopende schooljaar. | 13 | § 4. In afwijking van paragraaf 1 en 2 is de teldag voor de berekening van de lestijden voor de structuuronderdelen van academies in oprichting en van domeinen waarvan de oprichting gestart is vóór 31 augustus 2018 1 oktober van het lopende schooljaar. |
| 1 | § 1. Het schoolbestuur beslist, met toepassing van de reglementering over overleg en onderhandeling, over de aanwending van de lestijden. | 1 | § 1. Het schoolbestuur beslist, met toepassing van de reglementering over overleg en onderhandeling, over de aanwending van de lestijden. |
| 2 | Het schoolbestuur kan het totale aantal toegekende lestijden aanwenden voor de organisatie van leeractiviteiten, muzikaal begeleiden en leeractiviteiten op maat. Het schoolbestuur kan maximaal drie percent van het aantal toegekende lestijden aanwenden voor pedagogische coördinatie. Dat percentage kan worden overschreden, mits hierover een akkoord wordt bereikt in het lokale comité. | 2 | Het schoolbestuur kan het totale aantal toegekende lestijden aanwenden voor de organisatie van leeractiviteiten, muzikaal begeleiden en leeractiviteiten op maat. Het schoolbestuur kan maximaal 5 % van het aantal toegekende lestijden aanwenden voor pedagogische coördinatie. |
| 3 | § 2. Elke lestijd die voor leeractiviteiten aangewend wordt resulteert elke week van het schooljaar in een leeractiviteit van minstens vijftig minuten voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten en ministens zestig minuten voor de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek, of minstens vijftig of zestig minuten voor de domeinoverschrijdende initiatieopleiding, rekening houdend met de bepalingen over de organisatie van het schooljaar, vermeld in artikel 63 en 64. | 3 | § 2. Elke lestijd die voor leeractiviteiten aangewend wordt resulteert elke week van het schooljaar in een leeractiviteit van minstens vijftig minuten voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten en ministens zestig minuten voor de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek, of minstens vijftig of zestig minuten voor de domeinoverschrijdende initiatieopleiding, rekening houdend met de bepalingen over de organisatie van het schooljaar, vermeld in artikel 63 en 64. |
| 4 | In afwijking van het eerste lid bepaalt de Vlaamse Regering de voorwaarden waaronder een academie de wekelijkse leeractiviteiten kan clusteren in grotere gehelen, verplaatsen of vervangen door extra-murosactiviteiten. | 4 | In afwijking van het eerste lid bepaalt de Vlaamse Regering de voorwaarden waaronder een academie de wekelijkse leeractiviteiten kan clusteren in grotere gehelen, verplaatsen of vervangen door extra-murosactiviteiten. |
| 5 | § 3. Maximaal vijf percent van de lestijden berekend volgens de bepalingen, vermeld in artikel 69 tot en met 72, kunnen aangewend worden om voordrachtgevers in te zetten. Dat percentage kan worden overschreden, mits hierover een akkoord wordt bereikt in het lokale comité. | 5 | § 3. Een schoolbestuur kan de lestijden die worden berekend conform artikel 69 tot en met 72, ook aanwenden om gastleraren in te zetten. Het aantal vacante lestijden dat aan gastleraren kan worden besteed, wordt door het schoolbestuur vastgelegd na onderhandeling in het lokaal comité. |
| 6 | In het eerste lid wordt verstaan onder voordrachtgever : een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het personeel van de academie. Een voordrachtgever geeft, in eigen naam of in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, voordrachten in de academie of op een andere locatie in het kader van de realisatie van de basiscompetenties, specifieke eindtermen en beroepskwalificaties vanuit zijn deskundigheid of ervaring in de amateurkunsten, de professionele kunsten, de creatieve industrie of het cultureel erfgoed. Als de capaciteit dat toelaat, kunnen naast leerlingen van de academie ook andere geïnteresseerden de voordrachten bijwonen. | 6 | Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, is een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het personeel van de academie. Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, geeft, in eigen naam of in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, gastlessen in de academie of op een andere locatie in het kader van de realisatie van de basiscompetenties, specifieke eindtermen en beroepskwalificaties vanuit zijn deskundigheid of ervaring in de amateurkunsten, de professionele kunsten, de creatieve industrie of het cultureel erfgoed. Als de capaciteit dat toelaat, kunnen naast leerlingen van de academie ook andere geïnteresseerden de gastlessen bijwonen. |
| 7 | Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, is van onberispelijk gedrag. Het voormelde blijkt uit een uittreksel uit het strafregister met de finaliteit 596.2 – model bestemd voor contacten met minderjarigen, dat op het ogenblik van voorleggen niet langer dan een maand tevoren is afgegeven. Daarnaast toont de voormelde gastleraar die gastlessen geeft in een academie die in het Nederlands taalgebied ligt met uitzondering van de faciliteitengemeenten, aan dat hij de kennis van het Nederlands als onderwijstaal beheerst op het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. De voormelde gastleraar bewijst de voormelde vereiste taalkennis op een van de volgende wijzen: | ||
| 8 | 1° met een bekwaamheidsbewijs dat de Vlaamse Regering vastlegt voor een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel en dat behaald is in de onderwijstaal; | ||
| 9 | 2° met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont; | ||
| 10 | 3° met een studiebewijs dat gelijkwaardig is met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs en dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont; | ||
| 11 | 4° met een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het vereiste niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont. | ||
| 12 | In het vierde lid wordt verstaan onder Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen: de Nederlandstalige vertaling van het door de Raad van Europa gepubliceerde Common European Framework of Reference for Languages. | ||
| 7 | Bij de aanwending van lestijden voor voordrachtgevers worden lestijden omgezet in een krediet . De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding ervan aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten, de grootte van het krediet per lestijd dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet. | 13 | Bij de wijze van aanwending, vermeld in het eerste lid, worden lestijden omgezet in een krediet ten belope van de lesopdracht van de gastleraar. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding van voormelde omzetting aan de dienst van de administratie die de Vlaamse Regering aanwijst, de grootte van het krediet per lestijd dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet. |
| 8 | De aanwending van lestijden voor voordrachtgevers maakt voorwerp uit van onderhandeling in het lokaal comité. | ||
| 14 | De maatregelen vervat in deze paragraaf worden geëvalueerd tijdens het schooljaar 2024-2025. | ||
| 9 | § 4. Maximaal vijf percent van de lestijden, berekend volgens de bepalingen, vermeld in artikel 69 tot en met 72, kunnen aangewend worden om leeractiviteiten op maat, vermeld in artikel 4, derde lid, te organiseren. Leeractiviteiten op maat kunnen alleen ingezet worden voor de doelstellingen, vermeld in artikel 4, derde lid. | 15 | § 4. Maximaal vijf percent van de lestijden, berekend volgens de bepalingen, vermeld in artikel 69 tot en met 72, kunnen aangewend worden om leeractiviteiten op maat, vermeld in artikel 4, derde lid, te organiseren. Leeractiviteiten op maat kunnen alleen ingezet worden voor de doelstellingen, vermeld in artikel 4, derde lid. |
| 10 | Het schoolbestuur kan de leeractiviteiten op maat vrij inplannen in de loop van het schooljaar. | 16 | Het schoolbestuur kan de leeractiviteiten op maat vrij inplannen in de loop van het schooljaar. |
| 11 | Een schoolbestuur kan lestijden voor leeractiviteiten op maat omzetten in een krediet om experten te vergoeden die deskundig zijn in een of meer van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, derde lid. De rechtspositieregeling in het onderwijs is niet van toepassing . | 17 | Een schoolbestuur kan lestijden voor leeractiviteiten op maat omzetten in een krediet om experten te vergoeden die deskundig zijn in een of meer van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, derde lid. Het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs onderwijs van 27 maart 1991 en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs 27 maart 1991 zijn niet van toepassing op deze experten. |
| 12 | In het derde lid wordt verstaan onder rechtspositieregeling in het onderwijs: het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991. | ||
| 18 | Een expert als vermeld in het derde lid, is van onberispelijk gedrag. Het voormelde blijkt uit een uittreksel uit het strafregister met de finaliteit 596.2 – model bestemd voor contacten met minderjarigen, dat op het ogenblik van voorleggen niet langer dan een maand tevoren is afgegeven. Daarnaast toont de voormelde expert in een academie die in het Nederlands taalgebied ligt met uitzondering van de faciliteitengemeenten, aan dat hij de kennis van het Nederlands als onderwijstaal beheerst op het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. De voormelde expert bewijst de voormelde vereiste taalkennis op een van de volgende wijzen: | ||
| 19 | 1° met een bekwaamheidsbewijs dat de Vlaamse Regering vastlegt voor een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel en dat behaald is in de onderwijstaal; | ||
| 20 | 2° met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont; | ||
| 21 | 3° met een studiebewijs dat gelijkwaardig is met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs en dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont; | ||
| 22 | 4° met een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het vereiste niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont. | ||
| 23 | In het derde lid wordt verstaan onder Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen: de Nederlandstalige vertaling van het door de Raad van Europa gepubliceerde Common European Framework of Reference for Languages. | ||
| 13 | De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop een academie aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten de omzetting meldt, de grootte van het krediet per lestijd dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet | 24 | De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop een academie aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten de omzetting meldt, de grootte van het krediet per lestijd dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet |
| 1 | Een regelmatige leerling betaalt inschrijvingsgeld voor elk domein waarvoor hij zich inschrijft. Het volledige inschrijvingsgeld wordt betaald vóór 1 november van het betrokken schooljaar. | 1 | Een regelmatige leerling betaalt inschrijvingsgeld voor elk domein waarvoor hij zich inschrijft. Het volledige inschrijvingsgeld wordt betaald vóór 1 november van het betrokken schooljaar. De leerling die het volledige inschrijvingsgeld niet betaald heeft vóór 1 november wordt als een niet-regelmatige leerling beschouwd waarvan het schoolbestuur de inschrijving ongedaan kan maken. |
| 2 | Als de leerling zich voor 1 oktober van het schooljaar in kwestie uitschrijft, betaalt het schoolbestuur het inschrijvingsgeld volledig terug. Na de voormelde datum betaalt het schoolbestuur het inschrijvingsgeld volledig, gedeeltelijk of niet terug conform de bepalingen in het academiereglement. Het Agentschap voor Onderwijsdiensten kan geen inschrijvingsgeld terugbetalen van leerlingen die op 1 oktober nog ingeschreven waren. | ||
| 2 | Voor de toepassing van het eerste lid wordt de domeinoverschrijdende initiatieopleiding als een opleiding in een afzonderlijk domein beschouwd. | 3 | Voor de toepassing van het eerste lid wordt de domeinoverschrijdende initiatieopleiding als een opleiding in een afzonderlijk domein beschouwd. |
| 1 | Het lokale samenwerkingsinitiatief gebruikt de puntenenveloppe en het werkingsbudget, vermeld in artikel 139 tot en met 141, voor de organisatie en coördinatie van culturele leeractiviteiten voor de deelnemende leerlingen van de basisschool of secundaire school of instelling voor hoger onderwijs. | 1 | Het lokale samenwerkingsinitiatief gebruikt de puntenenveloppe en het werkingsbudget, vermeld in artikel 139 tot en met 141, voor de organisatie en coördinatie van culturele leeractiviteiten voor de deelnemende leerlingen van de basisschool of secundaire school of instelling voor hoger onderwijs. |
| 2 | Het schoolbestuur van de academie organiseert daartoe tijdelijke betrekkingen in het ambt van leraar in om de opdracht, vermeld in het eerste lid, te vervullen. | 2 | Het schoolbestuur van de academie organiseert daartoe tijdelijke betrekkingen in het ambt van leraar in om de opdracht, vermeld in het eerste lid, te vervullen. |
| 3 | De leeractiviteiten vinden, wat betreft de samenwerkingsinitiatieven met het basisonderwijs of het secundair onderwijs, plaats tijdens de lessen van het basisonderwijs, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap op grond van artikel 48 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 12 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 . | 3 | De leeractiviteiten vinden, wat betreft de samenwerkingsinitiatieven met het basisonderwijs of het secundair onderwijs, plaats tijdens de lessen van het basisonderwijs, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap op grond van artikel 48 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 12 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 of tijdens de lessen van het secundair onderwijs, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs. |
| 1 | §1. Voor de door de Vlaamse Regering goedgekeurde lokale samenwerkingsinitiatieven wordt in het schooljaar 2019-2020 een totaal volume van 2938 punten en 100.333 euro werkingsmiddelen ter beschikking gesteld. | 1 | §1. Voor de door de Vlaamse Regering goedgekeurde lokale samenwerkingsinitiatieven wordt in het schooljaar 2019-2020 een totaal volume van 2938 punten en 100.333 euro werkingsmiddelen ter beschikking gesteld. |
| 2 | §2. In het schooljaar 2020-2021 bedraagt dit maximale volume 6303 punten en 200.667 euro werkingsmiddelen. | 2 | §2. In het schooljaar 2020-2021 bedraagt dit maximale volume 6303 punten en 200.667 euro werkingsmiddelen. |
| 3 | §3. In het schooljaar 2021-2022 bedraagt dit maximale volume 9686 punten en 301.000 euro werkingsmiddelen. | 3 | §3. In het schooljaar 2021-2022 bedraagt dit maximale volume 9686 punten en 301.000 euro werkingsmiddelen. |
| 4 | §4. Vanaf het schooljaar 2022-2023 wordt het totale volume punten berekend aan de hand van de volgende formule : | 4 | §4. Voor het schooljaar 2022-2023 wordt het totale volume punten berekend aan de hand van de volgende formule : |
| 5 | P(X/X+1) = P(X-1/X) x y, | 5 | P(X/X+1) = P(X-1/X) x y, |
| 6 | waarbij : | 6 | waarbij : |
| 12 | b) B : de omkadering voor het deeltijds kunstonderwijs voor het schooljaar (X-2/X-1). | 12 | b) B : de omkadering voor het deeltijds kunstonderwijs voor het schooljaar (X-2/X-1). |
| 13 | Daarbij wordt de omkadering telkens berekend conform artikel 68 tot en met 75. | 13 | Daarbij wordt de omkadering telkens berekend conform artikel 68 tot en met 75. |
| 14 | §5. Vanaf het schooljaar 2022-2023 wordt het globale volume werkingsmiddelen berekend aan de hand van de volgende formule : | 14 | §5. Voor het schooljaar 2022-2023 wordt het globale volume werkingsmiddelen berekend aan de hand van de volgende formule : |
| 15 | W(X/X+1) = W(X-1/X) x z, | 15 | W(X/X+1) = W(X-1/X) x z, |
| 16 | waarbij : | 16 | waarbij : |
| 23 | Daarbij worden de werkingsmiddelen telkens berekend conform de bepalingen in artikel 83 tot en met 84. | 23 | Daarbij worden de werkingsmiddelen telkens berekend conform de bepalingen in artikel 83 tot en met 84. |
| 24 | De totaliteit van het volume aan punten wordt berekend conform artikel 140, § 4. | 24 | De totaliteit van het volume aan punten wordt berekend conform artikel 140, § 4. |
| 25 | §6. Vanaf het begrotingsjaar 2020 worden de werkingsmiddelen, vermeld in de paragrafen 2 en 3, verminderd met 13.000 euro. | 25 | §6. Vanaf het begrotingsjaar 2020 worden de werkingsmiddelen, vermeld in de paragrafen 2 en 3, verminderd met 13.000 euro. |
| 26 | §7. Vanaf het schooljaar 2023-2024 bedraagt het totale volume van de lokale samenwerkingsinitiatieven die de Vlaamse Regering goedkeurt, 9690 punten. Vanaf het voormelde schooljaar stelt de Vlaamse Regering jaarlijks maximaal 3230 punten van het voormelde totale volume ter beschikking voor nieuwe samenwerkingsinitiatieven. | ||
| 27 | §8. Het totale volume van het werkingsbudget voor het schooljaar 20232024 wordt vastgelegd op 289.000 euro. | ||
| 28 | Vanaf het schooljaar 2024-2025 wordt het bedrag van het voorgaande schooljaar jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A, die als volgt berekend wordt: A = (CX1/CX2), waarbij: | ||
| 29 | 1° CX1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X1; | ||
| 30 | 2° CX2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-2. | ||
| 31 | De Acoëfficiënt, vermeld in het tweede lid, wordt voor 100% in rekening gebracht. | ||
| 1 | § 1. Het puntenvolume per samenwerkingsinitiatief wordt bepaald door het aantal deelnemende leerlingen aan de leeractiviteiten te vermenigvuldigen met 0,6682. | ||
| 2 | Voor de berekening van het werkingsbudget per samenwerkingsinitiatief wordt het aantal deelnemende leerlingen vermenigvuldigd met 20,8 euro. | ||
| 1 | § 1. Het puntenvolume per samenwerkingsinitiatief bedraagt 35 punten als er minstens 53 leerlingen gewoon basis- of secundair onderwijs of studenten hoger onderwijs aan deelnemen. Als er minder leerlingen deelnemen, wordt het puntenaantal pro rata verminderd. | ||
| 2 | Het werkingsbudget per samenwerkingsinitiatief wordt bepaald door het aantal punten dat conform het eerste lid wordt toegekend, te vermenigvuldigen met de factor w, die jaarlijks berekend wordt door het totale volume van het werkingsbudget, dat wordt berekend conform artikel 140, §8, te delen door 9690 | ||
| 3 | § 2. Het maximale puntenvolume per samenwerkingsinitiatief bedraagt 35 punten. | 3 | § 2. Het maximale puntenvolume per samenwerkingsinitiatief bedraagt 35 punten. |
| 4 | Het maximale werkingsbudget per samenwerkingsinitiatief bedraagt 995 euro. | ||
| 5 | Het globale volume aan werkingsmiddelen wordt berekend conform artikel 140, § 5. |
| 1 | Om de cultuureducatie binnen de onderwijssector te consolideren, verhogen en verbreden, subsidieert de Vlaamse Regering jaarlijks publiq vzw, met ondernemingsnummer 0475.250.609, op voorwaarde dat publiq de volgende strategische doelstellingen uitvoert: | ||
| 2 | 1° publiq richt zich prioritair op een actieve exploitatie van een digitaal platform waarin diverse instrumenten geïntegreerd zijn die cultuureducatie bevorderen; | ||
| 3 | 2° publiq zet in op informatie en communicatietechnologie in functie van de versterking van de cultuureducatie; | ||
| 4 | 3° publiq richt zich prioritair en rechtstreeks tot bestaande en potentiële cultuureducatieve partners, naast lokale besturen en alle organisatoren van cultuuractiviteiten. | ||
| 5 | Om de opdrachten, vermeld in het eerste lid, uit te voeren, kent de Vlaamse Regering voor een periode van maximaal vijf jaar een subsidie toe aan de vzw, waarvan ze het bedrag bepaalt. De subsidie wordt bepaald en jaarlijks geïndexeerd met inachtname van de beschikbare begrotingskredieten. | ||
| 6 | De subsidie wordt toegekend om de personeels-, investerings- en werkingskosten te ondersteunen. | ||
| 7 | De subsidie wordt toegekend op voorwaarde dat de Vlaamse Regering een beheersovereenkomst van maximaal vijf jaar sluit met publiq waarin de opdrachten die aan hen toegewezen zijn worden geconcretiseerd in strategische en operationele doelstellingen. | ||
| 8 | De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen om de beheersovereenkomst, vermeld in het vierde lid, op te stellen en goed te keuren. De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van de beheersovereenkomst nader. | ||
| 9 | De administratie kan op regelmatige tijdstippen overleggen met publiq over de uitvoering van de beheersovereenkomst. |
| 1 | De scholen die betrokken zijn bij de organisatie van het zonaal leerlingenvervoer georganiseerd krachtens de wet van 15 juli 1983 houdende oprichting van de Nationale Dienst voor Leerlingenvervoer, verlenen hun medewerking aan de organisatie van het collectief zonaal leerlingenvervoer. | ||
| 2 | Zij stellen busbegeleiders aan en ontvangen hiervoor een toelage lastens de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van die toelage, de wijze van toekenning en de controlemaatregelen, en bepaalt de minimale loon en arbeidsvoorwaarden voor de busbegeleiders. |
| 1 | Aan het personeel dat door middel van een arbeidsovereenkomst tewerkgesteld is als busbegeleider bij een basisschool of een secundaire school kan tijdens de maanden juli en augustus een bestaanszekerheidsvergoeding worden toegekend. De Vlaamse Regering bepaalt hiervoor de modaliteiten. |
| 1 | §1. Aan cursisten en leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften die een opleiding in het gefinancierd of gesubsidieerd volwassenenonderwijs volgen en daar aan de toelatingsvoorwaarden voldoen, en aan studenten met een functiebeperking die in het gefinancierd of gesubsidieerd hoger onderwijs ingeschreven zijn in een graduaatsopleiding van het hoger beroepsonderwijs, in een bachelor-, een master-, een bachelor-na-bachelor - of een master-na-masteropleiding, of in een schakel- of voorbereidingsprogramma of in een specifieke lerarenopleiding, kunnen speciale onderwijsleermiddelen ter beschikking worden gesteld. | 1 | §1. Aan cursisten en leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften die een opleiding in het gefinancierd of gesubsidieerd volwassenenonderwijs volgen en daar aan de toelatingsvoorwaarden voldoen, en aan studenten met een functiebeperking die ingeschreven zijn in een ambtshalve geregistreerde instelling voor hoger onderwijs als vermeld in artikel II.1 tot en met II.3 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, of in een hoger instituut of andere instelling voor schone kunsten als vermeld in artikel III.119 van de voormelde codex, kunnen speciale onderwijsleermiddelen ter beschikking worden gesteld. |
| 2 | §2. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse Gebarentaal of een andere gebarentaal of schrijftolken, dan bepaalt de Vlaamse Regering : | 2 | §2. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse Gebarentaal of een andere gebarentaal of schrijftolken, dan bepaalt de Vlaamse Regering : |
| 3 | 1° de procedure voor de aanvraag en toekenning van de schrijftolken en tolken Vlaamse Gebarentaal of een andere gebarentaal bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten; het Agodi zal hiertoe eveneens een intern beroep voorzien; | 3 | 1° de procedure voor de aanvraag en toekenning van de schrijftolken en tolken Vlaamse Gebarentaal of een andere gebarentaal bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten; het Agodi zal hiertoe eveneens een intern beroep voorzien; |
| 1 | Binnen de beschikbare kredieten subsidieert de Vlaamse Regering jaarlijks de door het Executief van de Moslims van België erkende vzw die optreedt als erkende instantie van het islamitische godsdienstonderwijs in de Vlaamse Gemeenschap. | 1 | Binnen de beschikbare kredieten subsidieert de Vlaamse Regering jaarlijks een vzw voor de organisatie van het Onderwijsnetwerk Islamexperten. |
| 2 | De subsidie strekt ertoe om de loonkost van de medewerkers in kwestie en de werkingskost van het ingediende project te dekken. Dat project moet activiteiten omvatten op het vlak van levensbeschouwelijke diversiteit, polarisering, radicalisering en extremisme binnen de werking van onderwijsinstellingen, vormingscentra en centra voor leerlingenbegeleiding die door de Vlaamse Gemeenschap zijn erkend. | 2 | De subsidie, vermeld in het eerste lid, heeft als doel om de loonkosten van de medewerkers in kwestie en de werkingskosten van het ingediende project te dekken. Het ingediende project omvat activiteiten op het vlak van levensbeschouwelijke diversiteit, polarisering, radicalisering en extremisme binnen de werking van onderwijsinstellingen, vormingscentra en centra voor leerlingenbegeleiding die door de Vlaamse Gemeenschap zijn erkend. |
| 3 | De Vlaamse Regering sluit met vermelde vzw een beheersovereenkomst telkens voor maximaal vier jaren waarin opzet en doelstellingen, invulling, evaluatie en aanwending van de subsidie nader zijn omschreven. | 3 | De Vlaamse Regering sluit met de gekozen vzw een beheersovereenkomst voor telkens maximaal vier jaar, waarin de opzet en de doelstellingen, de invulling, de evaluatie en de aanwending van de subsidie nader zijn omschreven. De Vlaamse Regering motiveert bij elke nieuwe beheersovereenkomst haar keuze voor de specifieke vzw aan wie ze de subsidies toekent. |
| 1 | §1. De Vlaamse Regering biedt een informaticatoepassing aan, die tot doel heeft dat leerlingen zich kunnen identificeren om digitale leermiddelen en toepassingen te gebruiken waarvoor identificatie nodig is. Via de voormelde informaticatoepassing melden leerlingen zich aan bij verschillende dienstenleveranciers met hetzelfde account. De school bepaalt welke leermiddelen of toepassingen de leerling gebruikt. De dienstenleveranciers vragen het gebruik van de informaticatoepassing aan bij de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2. Tijdens die aanvraagprocedure en tijdens de uitvoering worden de verwerkingen beoordeeld die de dienstenleveranciers beogen of uitvoeren. | ||
| 2 | §2. De entiteit die door de Vlaamse Regering wordt belast met de voorbereiding van het Vlaamse onderwijsbeleid, is verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). De voormelde verwerkingsverantwoordelijke verwerkt de gegevens om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust. | ||
| 3 | §3. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, gebruikt in de informaticatoepassing, vermeld in paragraaf 1, administratieve gegevens die beschikbaar zijn bij de entiteiten van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, conform de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens die van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd. | ||
| 4 | §4. De volgende categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt in de informaticatoepassing, vermeld in paragraaf 1: | ||
| 5 | 1° het identificatienummer van de sociale zekerheid, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, namelijk het identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer van de Kruispuntbank; | ||
| 6 | 2° de volgende officiële persoonsgegevens, zoals bekend in het Rijksregister: de voor en achternaam en de geboortedatum; | ||
| 7 | 3° de unieke identificator voor de informaticatoepassing; | ||
| 8 | 4° de unieke identificator in de administratieve gegevens die beschikbaar zijn bij de entiteiten van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie; | ||
| 9 | 5° de inschrijvingsdatum en de begindatum; | ||
| 10 | 6° de volgende inschrijvingsgegevens: de instellingen, het vestigingsplaatsnummer, het stamnummer, het soort onderwijs en de administratieve groep; | ||
| 11 | 7° de gegevens waarmee de leerling bij de dienstenleverancier inlogt. | ||
| 12 | De gegevens van de auditlogs en technische logs worden beheerd door de instantie die instaat voor het Vlaamse toegangsen gebruikersbeheer, als verwerker. | ||
| 13 | §5. De betrokkenen zijn de leerlingen die het leermiddel of de toepassing moeten gebruiken in het kader van hun onderwijs. De dienstenleveranciers zijn de ontvangers van de gegevens die noodzakelijk zijn voor het doel van de identificatie van de gebruikers of de controle van de gebruiksvoorwaarden. De dienstenleveranciers ontvangen de voor en achternaam en de unieke identificator voor de informaticatoepassing, tenzij ze tijdens de aanvraagprocedure aantonen dat ze gerechtigd zijn om ook andere gegevens te ontvangen. | ||
| 14 | §6. De gegevens worden door de verwerkingsverantwoordelijke niet langer bewaard dan twaalf jaar nadat het leerlingenaccount is aangemaakt. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, neemt de nodige maatregelen om de juistheid van de persoonsgegevens te garanderen. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, verduidelijkt in een privacyverklaring welke verwerkingen er gebeuren en neemt met het oog op transparantie en de garantie van de rechten van de betrokkenen, vermeld in paragraaf 5, in de communicatie met de voormelde betrokkenen of hun onderwijsinstelling een verwijzing op naar de vindplaats van de privacyverklaring. |
| 1 | De vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen basisonderwijs, die zijn ingediend op initiatief van de acht schoolbesturen van de Franstalige faciliteitenscholen in de gemeenten Drogenbos, Linkebeek, Kraainem, SintGenesiusRode, Wemmel en WezembeekOppem, en met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2020 over vervangende eindtermen op initiatief van de Franstalige faciliteitenscholen in de gemeenten Drogenbos, Linkebeek, Kraainem, SintGenesiusRode, Wemmel en WezembeekOppem in hun geheel gelijkwaardig zijn verklaard, worden goedgekeurd op grond van de specifieke institutionele context op basis waarvan die scholen zijn opgericht. De vervangende onderwijsdoelen zijn de decretale competentiesokkels van de Franse Gemeenschap. |