Bij de aanpassing van de begroting 2025 #337
Gemerged Vlaamse Regering voegde 19 artikels samen in decreet-2002-07-05decreet-2019-12-20decreet-2015-07-03 · 16 mei 2025 5 checks vragen aandacht
19 artikels gewijzigd
| 1 | §1. Elke gemeente kan vragen een deel van het aandeel rechtstreeks te storten op de rekening van het OCMW. De beslissing moet uitgaan van de OCMW-raad en de gemeenteraad en moet uiterlijk op 30 juni van het jaar dat de verdeling voorafgaat, toekomen op de administratie Binnenlandse Aangelegenheden. Het OCMW-aandeel wordt uitgedrukt in hele procenten van het totale aandeel of in een bedrag, afgerond op duizend euro. | 1 | §1. Elke gemeente kan vragen een deel van het aandeel rechtstreeks te storten op de rekening van het OCMW. De beslissing moet uitgaan van de OCMW-raad en de gemeenteraad en moet uiterlijk op 30 juni van het jaar dat de verdeling voorafgaat, toekomen op de administratie Binnenlandse Aangelegenheden. Het OCMW-aandeel wordt uitgedrukt in hele procenten van het totale aandeel of in een bedrag, afgerond op duizend euro. |
| 2 | §2. Een meegedeeld percentage of bedrag wordt het daaropvolgende jaar behouden, tenzij de beslissing vóór de in § 1 bedoelde datum door de gemeenteraad en de OCMW-raad wordt gewijzigd. | 2 | §2. Een meegedeeld percentage of bedrag wordt het daaropvolgende jaar behouden, tenzij de beslissing vóór de in § 1 bedoelde datum door de gemeenteraad en de OCMW-raad wordt gewijzigd. |
| 3 | §3. Bij ontstentenis van een dergelijke beslissing of als die beslissing te laat aankomt, wordt 8 % van het gemeentelijk aandeel binnen het Vlaams Gemeentefonds rechtstreeks op de rekening van het OCMW gestort. | 3 | §3. Bij ontstentenis van een dergelijke beslissing of als die beslissing te laat aankomt, wordt 8 % van het gemeentelijk aandeel binnen het Vlaams Gemeentefonds rechtstreeks op de rekening van het OCMW gestort. |
| 4 | §4. Als gemeenten worden samengevoegd, ontvangt het nieuwe OCMW automatisch voor het jaar van de samenvoeging een deel van het definitieve aandeel van de nieuwe gemeente dat overeenkomt met het procentuele aandeel van de gezamenlijke laatste definitieve aandelen van de oude OCMW’s in de gezamenlijke laatste definitieve aandelen van de oude gemeenten. |
| 1 | Op het einde van de maanden januari tot en met oktober van elk jaar worden, onverminderd de bepalingen van artikel 21, aan elke gemeente en aan elk OCMW een voorschot uitbetaald dat gelijk is aan één tiende van hun aandeel, volgens de verhouding bepaald in artikel 12, en zonder de jaarlijkse inhouding bepaald in artikel 19sexies, § 1, en de vermindering bepaald in artikel 19septies van het laatste jaar waarvoor de Vlaamse regering de definitieve verdeling heeft bepaald. | 1 | Op het einde van de maanden januari tot en met oktober van elk jaar worden, onverminderd de bepalingen van artikel 21, aan elke gemeente en aan elk OCMW een voorschot uitbetaald dat gelijk is aan één tiende van hun aandeel, volgens de verhouding bepaald in artikel 12, en zonder de jaarlijkse inhouding bepaald in artikel 19sexies, § 1, en de vermindering bepaald in artikel 19septies van het laatste jaar waarvoor de Vlaamse regering de definitieve verdeling heeft bepaald. |
| 2 | Als gemeenten worden samengevoegd, bestaat in het eerste jaar van de samenvoeging elk voorschot aan de nieuwe gemeente en elk voorschot aan het nieuwe OCMW uit de som van de voorschotten aan respectievelijk de oude gemeenten en de oude OCMW’s, die volgens het eerste lid zijn berekend. |
| 1 | Vanaf 2020 kent de Vlaamse Regering aan de Vlaamse gemeenten, OCMW's, autonome gemeentebedrijven, havenbedrijven, hulpverleningszones, politiezones, ziekenhuizen en welzijnsverenigingen een dotatie toe ten belope van de helft van de door hen verschuldigde responsabiliseringsbijdragen, vermeld in artikel 19 van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen. | 1 | Vanaf 2020 kent de Vlaamse Regering aan de Vlaamse gemeenten, OCMW's, autonome gemeentebedrijven, havenbedrijven, hulpverleningszones, politiezones, ziekenhuizen en welzijnsverenigingen een dotatie toe ten belope van de helft van de door hen verschuldigde responsabiliseringsbijdragen, vermeld in artikel 19 van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen. |
| 2 | De dotatie houdt geen rekening met de korting die de besturen kunnen krijgen op de responsabiliseringsbijdrage door de verschuldigde premie voor een aanvullende pensioenregeling voor hun contractueel personeel in mindering te brengen. | 2 | De dotatie houdt geen rekening met de korting die de besturen kunnen krijgen op de responsabiliseringsbijdrage door de verschuldigde premie voor een aanvullende pensioenregeling voor hun contractueel personeel in mindering te brengen. De dotatie houdt ook geen rekening met de verhoging die de besturen kunnen krijgen op de responsabiliseringsbijdrage doordat een aanvullende pensioenregeling voor hun contractueel personeel ontbreekt. |
| 3 | Voor de percentages van de wettelijke basisbijdrage en voor de responsabiliseringscoëfficiënt wordt uitgegaan van de percentages waarop de ramingen van de responsabiliseringsbijdragen door de Federale Pensioendienst van mei 2019 gebaseerd zijn. Wijzigingen aan die percentages worden enkel in rekening gebracht als ze een daling van de responsabiliseringsbijdrage van dat bestuur tot gevolg hebben. | 3 | Voor de wettelijke basisbijdrage wordt uitgegaan van een percentage van 43% en voor de responsabiliseringscoëfficiënt wordt uitgegaan van een percentage van 75%. Met die percentages wordt alleen rekening gehouden als ze een daling van de responsabiliseringsbijdrage tot gevolg hebben. |
| 1 | De vastgestelde bedragen worden aan de besturen volledig betaald op de eerste werkdag van de maand december van elk jaar. | 1 | De vastgestelde bedragen worden aan de besturen jaarlijks uiterlijk op 23 december volledig betaald. |
| 2 | Als het begrotingskrediet voor een bepaald jaar ontoereikend is, worden de dotaties aan de besturen pro rata het beschikbare begrotingskrediet betaald op de eerste werkdag van de maand december van dat jaar. Het nog te betalen saldo voor dat jaar wordt toegevoegd aan het begrotingskrediet van het volgende jaar en betaald binnen de twee maanden nadat daarvoor het nodige krediet op de begroting werd ingeschreven. | 2 | Als het begrotingskrediet voor een bepaald jaar ontoereikend is, worden de dotaties aan de besturen pro rata het beschikbare begrotingskrediet uiterlijk betaald op 23 december van dat jaar. Het nog te betalen saldo voor dat jaar wordt toegevoegd aan het begrotingskrediet van het volgende jaar en betaald binnen de twee maanden nadat daarvoor het nodige krediet op de begroting werd ingeschreven. |
| 1 | De dotatie, vermeld in artikel 26, wordt gebruikt voor de algemene financiering van de besturen, vermeld in artikel 26, en is volledig vrij van verantwoordings- en rapporteringsverplichtingen. |
| 1 | Vanaf 2020 wordt op de begroting een algemene werkingssubsidie voor de gemeenten van het Vlaamse Gewest ingeschreven, als gedeeltelijke compensatie van de kosten en minderontvangsten door de vrijwaring van de open ruimte en om het behoud en de inrichting van de open ruimte te stimuleren. | 1 | Vanaf 2020 wordt op de begroting een algemene werkingssubsidie voor de gemeenten van het Vlaamse Gewest ingeschreven, als gedeeltelijke compensatie van de kosten en minderontvangsten door de vrijwaring van de open ruimte en om het behoud en de inrichting van de open ruimte te stimuleren. |
| 2 | In 2020, 2021, 2022, 2023 en 2024 bedraagt de werkingssubsidie respectievelijk 20 %, 40 %, 60 %, 80 % en 100 % van het bedrag voor open ruimte in het Gemeentefonds van het voorgaande jaar, exclusief het aandeel van de steden, vermeld in artikel 6, § 1, 1°, a), b), c) en d), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, en aangevuld met een jaarlijkse groeivoet van 3,5 %. Vanaf 2025 wordt enkel nog de jaarlijkse groeivoet van 3,5 % toegepast. | 2 | In 2020, 2021, 2022, 2023 en 2024 bedraagt de werkingssubsidie respectievelijk 20 %, 40 %, 60 %, 80 % en 100 % van het bedrag voor open ruimte in het Gemeentefonds van het voorgaande jaar, exclusief het aandeel van de steden, vermeld in artikel 6, § 1, 1°, a), b), c) en d), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, en aangevuld met een jaarlijkse groeivoet van 3,5 %. |
| 3 | In 2025 bedraagt de werkingssubsidie 100% van het bedrag voor open ruimte in het Gemeentefonds van het voorgaande jaar, exclusief het aandeel van de steden, vermeld in artikel 6, §1, 1°, a), b), c) en d), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, aangevuld met een groeivoet van 3,5%. |
| 1 | Bij een samenvoeging van gemeenten mogen de nieuwe gemeenten niet minder ontvangen dan de som van de aandelen van de samen te voegen gemeenten of delen van gemeenten in het jaar dat voorafgaat aan de samenvoeging. Als de samenvoeging gepaard gaat met de opsplitsing van een of meer gemeenten wordt om de gewaarborgde ontvangst van de nieuwe gemeenten te berekenen, het aandeel van de op te splitsen gemeenten in het jaar dat voorafgaat aan de samenvoeging, ook opgesplitst, in dezelfde verhouding als de inwonersaantallen van de opgesplitste delen. | ||
| 2 | De gewaarborgde ontvangst voor de nieuwe gemeenten, vermeld in het eerste lid, wordt, met ingang van het jaar van de samenvoeging, elk jaar geïndexeerd met 3,5%. De indexatie is cumulatief. | ||
| 3 | In afwijking van artikel 23, tweede lid, zijn de bepalingen, vermeld in het eerste en tweede lid, ook van toepassing in geval van een samenvoeging met een stad zoals vermeld in artikel 6, § 1, 1°, a), b), c) of d), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds. |
| 1 | De algemene werkingssubsidie wordt gebruikt voor de algemene financiering van de gemeenten van het Vlaamse Gewest en is volledig vrij van verantwoordings- en rapporteringsverplichtingen. |
| 3 | § 3. Het fonds wordt gespijsd door de volgende ontvangsten : | 3 | § 3. Het fonds wordt gespijsd door de volgende ontvangsten : |
| 4 | 1° de bijdragen van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen zoals opgenomen in artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, in de mate dat deze jaarlijkse ontvangsten het bedrag van 5.539.000 euro overschrijden; | 4 | 1° de bijdragen van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen zoals opgenomen in artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, in de mate dat deze jaarlijkse ontvangsten het bedrag van 5.539.000 euro overschrijden; |
| 5 | 2° de jaarlijkse ontvangsten vanaf 1 januari 2018 uit de onmiddellijke inningen, de minnelijke schikkingen en de strafrechtelijke boeten die verband houden met de inbreuken op de reglementering inzake verkeersveiligheid, die krachtens artikel 6, § 1, XII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest behoort, enerzijds tot en met het bedrag van 17.386.000 euro en anderzijds alle jaarlijkse ontvangsten in de mate dat die het bedrag van 161.243.000 overschrijden; | 5 | 2° de jaarlijkse ontvangsten vanaf 1 januari 2018 uit de onmiddellijke inningen, de minnelijke schikkingen en de strafrechtelijke boeten die verband houden met de inbreuken op de reglementering inzake verkeersveiligheid, die krachtens artikel 6, § 1, XII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest behoort, enerzijds tot en met het bedrag van 17.051.300 euro en anderzijds alle jaarlijkse ontvangsten in de mate dat die het bedrag van 161.243.000 overschrijden; |
| 6 | 3° de bijdrage en overschotten bedoeld in artikel 8 en 9 van het decreet van 8 juli 2016 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2016 | 6 | 3° de bijdrage en overschotten bedoeld in artikel 8 en 9 van het decreet van 8 juli 2016 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2016 |
| 7 | 4° de middelen voortvloeiend uit de activa van het Fonds voor Voorziening en van Openbaar Nut voor de Inspectie van Automobielen, afgekort FIA, vereniging zonder winstoogmerk, opgericht op 7 juli 1970. | 7 | 4° de middelen voortvloeiend uit de activa van het Fonds voor Voorziening en van Openbaar Nut voor de Inspectie van Automobielen, afgekort FIA, vereniging zonder winstoogmerk, opgericht op 7 juli 1970. |
Art. 11. In artikel 4.3.2.3, 2°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, wordt de zinsnede “is begrensd op 1,4” vervangen door de zinsnede “is maximaal 1,15”.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2025, met uitzondering van: | ||
| 2 | 1° artikel 7 en 8, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2023; | ||
| 3 | 2° artikel 15, 2°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2024; | ||
| 4 | 2°/1 artikel 28, dat van toepassing is vanaf het heffingsjaar 2026; | ||
| 5 | 3° artikel 31 en 32, die in werking treden op 1 januari 2025 en van toepas-sing zijn op de kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025; | ||
| 6 | 4° artikel 33, dat in werking treedt op 1 januari 2025 en van toepassing is op de akten van eigendom die ten bate van de erflater of op zijn verzoek zijn verleden vanaf 1 januari 2025; | ||
| 7 | 5° artikel 50 tot en met 53, die van toepassing zijn op de belastbare tijdper-ken en die aanvangen na 31 december 2024; | ||
| 8 | 6° artikel 54, dat in werking treedt op 1 juli 2025; | ||
| 9 | 7° artikel 58 en 59, die in werking treden op de tiende dag na de bekendma-king ervan in het Belgisch Staatsblad; | ||
| 10 | 8° artikel 60 en 61, die in werking treden op 1 juli 2025; | ||
| 11 | 9° artikel 62 tot en met 64 en 68 tot en met 72, die in werking treden op 1 september 2025; | ||
| 12 | 10° artikel 65, 1°, 3° en 5°, 67, 74 en 78, die in werking treden op 1 januari 2026; | ||
| 13 | 11° artikel 65, 2° en 4°, 73, 76 en 77, die in werking treden op 1 augustus 2025, en die van toepassing zijn vanaf het academiejaar 2025-2026. |
| 34 | 2° 1,10 voor lesplaatsen die buiten een penitentiaire inrichting gelegen zijn in een vestigingsplaats met 300 of minder inwoners per km². | 34 | 2° 1,10 voor lesplaatsen die buiten een penitentiaire inrichting gelegen zijn in een vestigingsplaats met 300 of minder inwoners per km². |
| 35 | De coëfficiënt voor het maatschappelijk belang van de opleidingen is 1,30 voor de studiegebieden aanvullende algemene vorming, algemene vorming, Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. | 35 | De coëfficiënt voor het maatschappelijk belang van de opleidingen is 1,30 voor de studiegebieden aanvullende algemene vorming, algemene vorming, Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. |
| 36 | De coëfficiënt voor de studiegebieden met een structureel knelpuntkarakter is 1,05 voor de studiegebieden algemene personenzorg, schrijnwerkerij, groot transport, mechanica-elektriciteit en koeling en warmte . De Vlaamse Regering kan die studiegebieden aanpassen en ook op lokaal niveau vastleggen. | 36 | De coëfficiënt voor de studiegebieden met een structureel knelpuntkarakter is 1,05 voor de studiegebieden algemene personenzorg, schrijnwerkerij, groot transport, mechanica-elektriciteit, koeling en warmte en specifieke personenzorg. De Vlaamse Regering kan die studiegebieden aanpassen en ook op lokaal niveau vastleggen. |
| 37 | De coëfficiënten voor het aantal deelgemeenten van gemeenten die op 1 januari 2016 meer dan 100.000 inwoners telden of het aantal gemeenten waar het centrum lesplaatsen heeft, zijn : | 37 | De coëfficiënten voor het aantal deelgemeenten van gemeenten die op 1 januari 2016 meer dan 100.000 inwoners telden of het aantal gemeenten waar het centrum lesplaatsen heeft, zijn : |
| 38 | 1° 1,000 voor één gemeente of deelgemeente; | 38 | 1° 1,000 voor één gemeente of deelgemeente; |