27 regels · van kracht sinds 1 sep 2026nieuwe versie vanaf 1 apr 2027
1
§1. Een benoeming eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg:
2
1° wanneer het personeelslid niet meer voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel V.106, 1°, 2° en 5°;
3
2° wanneer het personeelslid gedurende een ononderbroken periode van meer dan 10 kalenderdagen ongewettigd afwezig blijft;
4
3° indien het personeelslid zich bevindt in de gevallen waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft;
5
4° wanneer is vastgesteld dat het personeelslid wegens en overeenkomstig de wet, het decreet of het reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat is zijn ambt naar behoren te vervullen;
6
5° bij pensionering wegens het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd of op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt. De leden van het administratief en technisch personeel, vermeld in hoofdstuk 3, kunnen bij het bereiken van de pensioenleeftijd maar verder werken tot het einde van het academiejaar wanneer het hogeschoolbestuur hiermee instemt;
8° wanneer een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1, eerste lid, 1°, overgekomen is van een centrum voor volwassenenonderwijs naar een centrum terugkeert met toepassing van artikel 31, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 45, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
10
§2. Voor de benoemde personeelsleden geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging:
In de gevallen, vermeld in het eerste lid, kent het hogeschoolbestuur een opzeggingstermijn toe. De opzeggingstermijn bedraagt drie maanden voor het personeelslid dat minder dan vijf jaar anciënniteit heeft in de hogeschool in kwestie of haar rechtsvoorganger. De termijn wordt verhoogd met drie maanden per begonnen schijf van vijf jaar anciënniteit. Het hogeschoolbestuur en het personeelslid in kwestie kunnen een langere of kortere opzeggingstermijn overeenkomen.
14
De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van het ontslag. Het ontslag wordt betekend met een aangetekende brief en heeft uitwerking op de derde dag na de verzending.
15
Het hogeschoolbestuur kan beslissen dat het ontslag onmiddellijk ingaat. In dat geval betaalt het hogeschoolbestuur een verbrekingsvergoeding die gelijk is aan het salaris dat overeenstemt met de duur van de berekende opzeggingstermijn.
16
Met het oog op de opname van het personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering, worden tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding de nodige werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdragen gestort. Als die bijdragen niet volstaan, betaalt de hogeschool de nog benodigde werkgevers- en werknemersbijdragen.
17
§3. Het hogeschoolbestuur kan de benoeming van een personeelslid eveneens beëindigen bij een ontslag om een dringende reden. In dit geval vindt het ontslag plaats zonder opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding. Het hogeschoolbestuur betaalt evenwel de werkgevers- en werknemersbijdragen nodig voor de opname van het betrokken personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering met inbegrip van de sector uitkeringen en de moederschapsbescherming. De duur van de periode gedekt door de betaling van werkgevers- en werknemersbijdragen voor de werkloosheidsverzekering en de ziekteverzekering met inbegrip van de sector uitkeringen mag de duur van de benoeming van het ontslagen personeelslid niet overschrijden.
§4. Het hogeschoolbestuur kan in het kader van het bevorderen van een evenwichtige verdeling van de werkgelegenheid tussen generaties de benoeming beëindigen van een personeelslid vanaf het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. Het einde van de aanstelling gaat in op een van de volgende momenten:
19
1° de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
20
2° op de eerste dag van de maand na het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
21
3° op een door het hogeschoolbestuur en het personeelslid overeengekomen moment dat tussen de momenten, vermeld in punt 1° en 2°, ligt.
22
Het hogeschoolbestuur dat de benoeming beëindigt, neemt daarbij een opzeggingstermijn in acht die gelijk is aan 26 weken. Het hogeschoolbestuur en het personeelslid kunnen een kortere opzeggingstermijn overeenkomen. De opzeggingstermijn gaat in de maandag volgend op de week waarin het personeelslid op de hoogte gebracht is van de opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn kan niet geschorst worden. De start- en einddatum van de opzeggingstermijn worden opgenomen in het geschrift, vermeld in het derde lid, dat aan het personeelslid bezorgd wordt.
23
Het hogeschoolbestuur brengt het personeelslid op een van de volgende manieren op de hoogte van de opzegging:
24
1° door afgifte van een geschrift aan het personeelslid, dat tekent voor ontvangst;
25
2° bij aangetekend schrijven;
26
3° bij deurwaardersexploot.
27
Het in het derde lid vermelde aangetekend schrijven heeft uitwerking op de derde werkdag na de datum van de verzending.