§ flandrepo

Programmadecreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begrotingsaanpassing 2023

Vlaamse Regering #1699 Staatsblad 29 augustus 2023 NUMAC 2023044295
13 artikels gewijzigd
+2 −1 codex-wonen/art. 4.17
443° wooninfrastructuur aanleggen als vermeld in artikel 5.23;
554° zelf woonprojecten realiseren die ofwel vernieuwend of experimenteel zijn, ofwel noodzakelijk zijn ter uitvoering van het investeringsprogramma, vermeld in artikel 2.22, § 1, bij gebrek aan initiatieven van actoren als vermeld in artikel 4.13, of van initiatiefnemers als vermeld in artikel 5.29;
6−5° grondbeleidsmaatregelen uitvoeren die noodzakelijk worden geacht om in de door de Vlaamse Regering te bepalen gebieden een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen.
6+5° grondbeleidsmaatregelen uitvoeren die noodzakelijk worden geacht om in de door de Vlaamse Regering te bepalen gebieden een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen;
7+6° de subsidies, vermeld in artikel 4.42, §4, en in artikel 5.52/1, tweede lid, uitbetalen.
78De Vlaamse Regering legt een nadere omschrijving vast van het begrip "grondbeleidsmaatregelen die noodzakelijk worden geacht om een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen", vermeld in het eerste lid, 5°.
+72 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.2.4.0.7
1−Als de CO2-uitstoot van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 1°, artikel 2.2.4.0.1, § 3/2, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel:
1+§1. Als de CO2-uitstoot van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 1°, artikel 2.2.4.0.1, § 3/2, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel:
22Brandstofsoort
33Cilinderinhoud in cc
8686236
8787238
88+§2. Als de CO2-uitstoot van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, §2/2 en artikel 2.2.4.0.1, §3/3, bepaald volgens volgende formule:
89+CO2-uitstoot = Constante + (Parameter_CC x CC) + (Parameter_KW x KW) + (Parameter_FPK x FPK) + (Parameter_ZP x ZP) + (Parameter_CC_KW x CC x KW)
90++ (Parameter_CC_FPK x CC x FPK) + (Parameter_KW_FPK x KW x FPK) + (Para- meter_CC_KW_FPK x CC x KW x FPK).
91+De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt: 1° CC = de cilinderinhoud in cc gedeeld door 1000;
92+2° KW = het vermogen van de motor uitgedrukt in kilowatt gedeeld door 100; 3° FPK = het vermogen van de motor uitgedrukt in fiscale pk;
93+4° ZP = het aantal zitplaatsen.
94+De overige parameters, vermeld in het eerste lid, worden voor de toepassing van deze formule, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, vermeld in de volgende tabel:
95+Benzine en andere
96+brandstoffen, met uitzondering van aardgas, diesel en
97+plug-inhybride
98+Diesel
99+Benzine plug- inhybride
100+Diesel plug- inhybride
101+Aardgas
102+Parameter constante
103+58.3304
104+1017.5710
105+75.3124
106+1716.4604
107+7627.0345
108+Parameter_CC
109+2.9316
110+-403.6269
111+-126.9417
112+-102.5352
113+-8617.6901
114+Parameter_KW
115+53.6921
116+-817.4980
117+56.3978
118+-1333.5261
119+-8710.9573
120+Parameter_FPK
121+5.0617
122+-96.0669
123+27.1787
124+-229.5888
125+-606.3489
126+Parameter_ZP
127+1.9861
128+1.9861
129+1.9861
130+1.9861
131+1.9861
132+Parameter_CC_ KW
133+17.2267
134+399.2770
135+-51.8607
136+-344.2686
137+8134.2581
138+Parameter_CC_ FPK
139+-0.2578
140+41.8433
141+-1.0233
142+51.2497
143+817.4474
144+Parameter_ KW_FPK
145+-5.4089
146+76.3656
147+-2.7148
148+245.7955
149+905.1812
150+Parameter_CC_ KW_FPK
151+0.1784
152+-34.3605
153+3.1869
154+-30.2220
155+-854.6351
156+De CO2-uitstoot, zoals berekend in het eerste lid, is minstens gelijk aan nul.
157+Een plug-inhybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.
158+Een voertuig op aardgas is een voertuig waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas.
+155 −12 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.3.4.1.6
1−Als de CO2-uitstoot van het wegvoertuig niet bekend is, wordt die parameter bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel :
1+§1. Als de CO2-uitstoot van het wegvoertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.3.4.2.1, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel :
2+brandstofsoort
2−brandstofsoort cilinderinhoud in cc Euronorm
3+cilinderinhoud in cc
3−6 5 4 3 2 1 0
4+Euronorm
5+6
6+5
7+4
8+3
9+2
10+1
11+0
412CO2-emissies in g/km
5−benzine en andere brandstoffen, met uitzondering van diesel en aardgas minder dan 1400 117 125 140 150 164 173 175
13+benzine en andere brandstoffen, met uitzondering van diesel en aardgas
14+minder dan 1400
15+117
16+125
17+140
18+150
19+164
20+173
21+175
6−1400 tot en met 2000 150 159 172 185 200 211 213
22+1400 tot en met 2000
7−meer dan 2000 228 238 247 259 279 295 297
8−diesel minder dan 1400 98 103 120 116 125 132 133
23+150
24+159
25+172
26+185
27+200
28+211
29+213
30+meer dan 2000
31+228
32+238
33+247
34+259
35+279
36+295
37+297
38+diesel
39+minder dan 1400
40+98
41+103
42+120
43+116
44+125
45+132
46+133
9−1400 tot en met 2000 117 125 144 151 163 173 174
47+1400 tot en met 2000
10−meer dan 2000 159 169 201 199 214 226 228
11−aardgas minder dan 1400 94 100 112 120 131 139 140
48+117
49+125
50+144
51+151
52+163
53+173
54+174
55+meer dan 2000
56+159
57+169
58+201
59+199
60+214
61+226
62+228
63+aardgas
64+minder dan 1400
65+94
66+100
67+112
68+120
69+131
70+139
71+140
12−1400 tot en met 2000 120 127 138 148 160 169 171
72+1400 tot en met 2000
13−meer dan 2000 182 190 198 207 223 236 238
73+120
74+127
75+138
76+148
77+160
78+169
79+171
80+meer dan 2000
81+182
82+190
83+198
84+207
85+223
86+236
87+238
88+§2. Als de CO2-uitstoot van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.3.4.1.2/1, bepaald volgens volgende formule: CO2-uitstoot = Constante + (Parameter_CC x CC) + (Parameter_KW x KW) + (Parameter_FPK x FPK) + (Parameter_ZP x ZP) + (Parameter_CC_KW x CC x KW) + (Parameter_CC_FPK x CC x FPK) + (Parameter_KW_FPK x KW x FPK)
89++ (Parameter_CC_KW_FPK x CC x KW x FPK).
90+De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt: 1° CC = de cilinderinhoud in cc gedeeld door 1000;
91+2° KW = het vermogen van de motor uitgedrukt in kilowatt gedeeld door 100; 3° FPK = het vermogen van de motor uitgedrukt in fiscale pk;
92+4° ZP = het aantal zitplaatsen.
93+De overige parameters, vermeld in het eerste lid, worden voor de toepassing van deze formule, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, vermeld in de volgende tabel:
94+Benzine en andere brand- stoffen, met uitzondering van aardgas, diesel en
95+plug-inhybride
96+Diesel
97+Benzine plug- inhybride
98+Diesel plug- inhybride
99+Aardgas
100+Parameter constante
101+58.3304
102+1017.5710
103+75.3124
104+1716.4604
105+7627.0345
106+Parameter_ CC
107+2.9316
108+-403.6269
109+-126.9417
110+-102.5352
111+-8617.6901
112+Parameter_ KW
113+53.6921
114+-817.4980
115+56.3978
116+-1333.5261
117+-8710.9573
118+Parameter_ FPK
119+5.0617
120+-96.0669
121+27.1787
122+-229.5888
123+-606.3489
124+Parameter_ ZP
125+1.9861
126+1.9861
127+1.9861
128+1.9861
129+1.9861
130+Parameter_ CC_KW
131+17.2267
132+399.2770
133+-51.8607
134+-344.2686
135+8134.2581
136+Parameter_ CC_FPK
137+-0.2578
138+41.8433
139+-1.0233
140+51.2497
141+817.4474
142+Parameter_ KW_FPK
143+-5.4089
144+76.3656
145+-2.7148
146+245.7955
147+905.1812
148+Parameter_ CC_KW_ FPK
149+0.1784
150+-34.3605
151+3.1869
152+-30.2220
153+-854.6351
154+De CO2-uitstoot, zoals berekend in het eerste lid, is minstens gelijk aan nul.
155+Een plug-inhybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.
156+Een voertuig op aardgas is een voertuig waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas.
+4 −4 decreet-2011-12-23-1021295/art. 46
77776° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
78787° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
79−8° in de heffingsjaren 2020, 2021 en 2022 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
79+8° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2024 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
80−9° in het heffingsjaar 2023 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
80+9° in het heffingsjaar 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
81−10° in het heffingsjaar 2024 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
81+10° in het heffingsjaar 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
82−11° in het heffingsjaar 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.
82+11° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.
8383Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2.
8484Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° :
+1 −1 decreet-2009-05-08/art. 9
331° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
442° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
5−3° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
5+3° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 354.000 euro;
664° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
775° voor de CLB's: 178.000 euro;
+6 −5 decreet-2009-05-08/art. 9
11§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
2−§ 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015:
3−1° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;
4−2° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;
2+§ 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld:
3+1° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
4+2° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
553° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
664° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
775° voor de CLB's: 178.000 euro;
8−6° voor de basiseducatie: 77.500 euro.
8+6° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
9+7° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
9−Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
10+Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
1011§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
+6 −5 decreet-2009-05-08/art. 9
11§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
2−§ 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015:
3−1° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;
4−2° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;
2+§ 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld:
3+1° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
4+2° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
553° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
664° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
775° voor de CLB's: 178.000 euro;
8−6° voor de basiseducatie: 77.500 euro.
8+6° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
9+7° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
9−Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
10+Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
1011§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
+6 −5 decreet-2009-05-08/art. 9
11§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
2−§ 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015:
3−1° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;
4−2° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;
2+§ 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld:
3+1° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
4+2° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
553° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
664° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
775° voor de CLB's: 178.000 euro;
8−6° voor de basiseducatie: 77.500 euro.
8+6° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
9+7° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
9−Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
10+Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
1011§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
+6 −5 decreet-2009-05-08/art. 9
11§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
2−§ 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015:
3−1° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;
4−2° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;
2+§ 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld:
3+1° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
4+2° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
553° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
664° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
775° voor de CLB's: 178.000 euro;
8−6° voor de basiseducatie: 77.500 euro.
8+6° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
9+7° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
9−Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
10+Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
1011§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
+6 −5 decreet-2009-05-08/art. 9
11§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
2−§ 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015:
3−1° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;
4−2° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;
2+§ 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld:
3+1° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
4+2° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
553° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
664° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
775° voor de CLB's: 178.000 euro;
8−6° voor de basiseducatie: 77.500 euro.
8+6° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
9+7° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
9−Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
10+Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
1011§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
+1 −1 decreet-2009-05-08/art. 10
1−De nascholingsmiddelen worden in twee schijven aan de besturen van de instellingen uitbetaald. De eerste schijf van zestig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand februari van het betreffende begrotingsjaar, de tweede schijf van veertig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand juni van het betreffende begrotingsjaar.
1+De nascholingsmiddelen worden in twee schijven aan de besturen van de instellingen uitbetaald. De eerste schijf van zestig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand februari van het betreffende begrotingsjaar, de tweede schijf van veertig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand juni van het betreffende begrotingsjaar. Indien het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting of het programmadecreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begrotingsaanpassing, van het begrotingsjaar waarin de nascholingsmiddelen voor het betrokken begrotingsjaar zijn opgenomen, aanleiding geeft tot meer nascholingsmiddelen voor de instellingen, dan worden deze bijkomende middelen uitbetaald binnen de twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van betrokken decreet.
22Elk bestuur wendt de middelen uitsluitend aan voor de nascholing van de personeelsleden van de instelling die recht heeft op de nascholingsmiddelen, en dit overeenkomstig het goedgekeurde nascholingsplan.
33Er kan een reserve worden opgebouwd ten bedrage van maximaal 50 % van de jaarlijkse middelen.
+2 −5 decreet-2007-06-15/art. 108
3030Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale volume aan werkingsmiddelen verminderd met 6 %.
3131Vanaf het schooljaar 2023-2024 wordt het totaal volume aan werkingsmiddelen vermeerderd met 1.953.622,94 euro.
32−§ 5. Een centrum voor volwassenenonderwijs dat in uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3, tweede lid, als erkend EVC-centrum in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 evaluaties voor een EVC-traject heeft afgenomen en daarvoor een financiële bijdrage van minder dan 96 euro heeft ontvangen, heeft recht op een aanvullende werkingstoelage voor het schooljaar n/n +1.
32+§ 5. Een centrum voor volwassenenonderwijs dat in uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3, tweede lid, als erkend EVC-centrum in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 evaluaties voor een EVC-traject heeft afgenomen bij een specifieke doelgroep die recht heeft op een verminderde financiële bijdrage als vermeld in artikel 8 van het decreet van 26 april 2019 betreffende een geïntegreerd beleid voor de erkenning van verworven competenties, heeft recht op een aanvullende werkingstoelage voor het schooljaar n/n +1.
33−De aanvullende werkingstoelage bedraagt:
34−1° 60 euro per geteste kandidaat die de verminderde financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een beroepskwalificatie heeft betaald;
35−2° 48 euro per geteste kandidaat die de verminderde financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een deelkwalificatie heeft betaald.
33+De aanvullende werkingstoelage bedraagt de helft van de volledige financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een beroepskwalificatie of een deelkwalificatie als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2019 betreffende de uitvoering van het decreet van 26 april 2019 betreffende een geïntegreerd beleid voor de erkenning van verworven competenties, zoals van kracht op de datum van de inwerkingtreding van artikel 11 van het programmadecreet van 30 juni 2023 houdende bepalingen tot begeleiding van de begrotingsaanpassing 2023.
3634Voor de berekening van de aanvullende werkingstoelage komen enkel geteste kandidaten in aanmerking die voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht en die het bewijs geleverd hebben te beschikken over de Belgische nationaliteit of te voldoen aan de bepalingen van het wettig verblijf zoals bedoeld in artikel 1, 48°.
37−De bedragen, vermeld in het tweede lid, worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2019. Het bedrag wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal.
+2 −0 decreet-2007-06-15/art. 196sexies
66Ten laste van het begrotingsjaar 2021 worden 32.955,75 aanvullende leraars- uren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
77Ten laste van het begrotingsjaar 2022 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkings- middelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
8+Ten laste van het begrotingsjaar 2023 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
9+De centra voor volwassenenonderwijs kunnen na een voorafgaand akkoord in het bevoegde lokale comité de toegekende leraarsuren ten laste van het begrotingsjaar 2023 omzetten in werkingsmiddelen voor contractuele aanwervingen ten belope van de lesopdracht tijdens de maanden juli en augustus. Voor de omzetting geldt één leraarsuur voor 63,64 euro. Uiterlijk twee maanden na de melding aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen van de om te zetten leraarsuren voor de aanwerving van contractuele personeelsleden worden 80% van deze omgezette werkingsmiddelen als voorschot aan de centra uitbetaald. Het resterende saldo van 20% wordt uitbetaald uiterlijk in de loop van de maand december van het kalenderjaar 2023. Het centrum moet alle aangewende middelen bewijzen met facturen of betalingen die werden gedaan in het kader van deze contractuele aanstellingen. Niet-aangewende middelen worden na het einde van het kalenderjaar 2023 teruggestort. Daarvoor deelt het centrum het niet-aangewende bedrag mee aan de bevoegde administratie
810§ 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.
911§ 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd