§ flandrepo

Programmadecreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begrotingsaanpassing 2023

Vlaamse Regering #1699 Staatsblad 29 augustus 2023 NUMAC 2023044295
13 artikels gewijzigd
+2 −1 codex-wonen/art. 4.17
43° wooninfrastructuur aanleggen als vermeld in artikel 5.23;43° wooninfrastructuur aanleggen als vermeld in artikel 5.23;
54° zelf woonprojecten realiseren die ofwel vernieuwend of experimenteel zijn, ofwel noodzakelijk zijn ter uitvoering van het investeringsprogramma, vermeld in artikel 2.22, § 1, bij gebrek aan initiatieven van actoren als vermeld in artikel 4.13, of van initiatiefnemers als vermeld in artikel 5.29;54° zelf woonprojecten realiseren die ofwel vernieuwend of experimenteel zijn, ofwel noodzakelijk zijn ter uitvoering van het investeringsprogramma, vermeld in artikel 2.22, § 1, bij gebrek aan initiatieven van actoren als vermeld in artikel 4.13, of van initiatiefnemers als vermeld in artikel 5.29;
65° grondbeleidsmaatregelen uitvoeren die noodzakelijk worden geacht om in de door de Vlaamse Regering te bepalen gebieden een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen.65° grondbeleidsmaatregelen uitvoeren die noodzakelijk worden geacht om in de door de Vlaamse Regering te bepalen gebieden een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen;
76° de subsidies, vermeld in artikel 4.42, §4, en in artikel 5.52/1, tweede lid, uitbetalen.
7De Vlaamse Regering legt een nadere omschrijving vast van het begrip "grondbeleidsmaatregelen die noodzakelijk worden geacht om een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen", vermeld in het eerste lid, 5°.8De Vlaamse Regering legt een nadere omschrijving vast van het begrip "grondbeleidsmaatregelen die noodzakelijk worden geacht om een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen", vermeld in het eerste lid, 5°.
+72 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.2.4.0.7
1Als de CO2-uitstoot van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 1°, artikel 2.2.4.0.1, § 3/2, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel:1§1. Als de CO2-uitstoot van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 1°, artikel 2.2.4.0.1, § 3/2, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel:
2Brandstofsoort2Brandstofsoort
3Cilinderinhoud in cc3Cilinderinhoud in cc
8623686236
8723887238
88§2. Als de CO2-uitstoot van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, §2/2 en artikel 2.2.4.0.1, §3/3, bepaald volgens volgende formule:
89CO2-uitstoot = Constante + (Parameter_CC x CC) + (Parameter_KW x KW) + (Parameter_FPK x FPK) + (Parameter_ZP x ZP) + (Parameter_CC_KW x CC x KW)
90+ (Parameter_CC_FPK x CC x FPK) + (Parameter_KW_FPK x KW x FPK) + (Para- meter_CC_KW_FPK x CC x KW x FPK).
91De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt: 1° CC = de cilinderinhoud in cc gedeeld door 1000;
922° KW = het vermogen van de motor uitgedrukt in kilowatt gedeeld door 100; 3° FPK = het vermogen van de motor uitgedrukt in fiscale pk;
934° ZP = het aantal zitplaatsen.
94De overige parameters, vermeld in het eerste lid, worden voor de toepassing van deze formule, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, vermeld in de volgende tabel:
95Benzine en andere
96brandstoffen, met uitzondering van aardgas, diesel en
97plug-inhybride
98Diesel
99Benzine plug- inhybride
100Diesel plug- inhybride
101Aardgas
102Parameter constante
10358.3304
1041017.5710
10575.3124
1061716.4604
1077627.0345
108Parameter_CC
1092.9316
110-403.6269
111-126.9417
112-102.5352
113-8617.6901
114Parameter_KW
11553.6921
116-817.4980
11756.3978
118-1333.5261
119-8710.9573
120Parameter_FPK
1215.0617
122-96.0669
12327.1787
124-229.5888
125-606.3489
126Parameter_ZP
1271.9861
1281.9861
1291.9861
1301.9861
1311.9861
132Parameter_CC_ KW
13317.2267
134399.2770
135-51.8607
136-344.2686
1378134.2581
138Parameter_CC_ FPK
139-0.2578
14041.8433
141-1.0233
14251.2497
143817.4474
144Parameter_ KW_FPK
145-5.4089
14676.3656
147-2.7148
148245.7955
149905.1812
150Parameter_CC_ KW_FPK
1510.1784
152-34.3605
1533.1869
154-30.2220
155-854.6351
156De CO2-uitstoot, zoals berekend in het eerste lid, is minstens gelijk aan nul.
157Een plug-inhybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.
158Een voertuig op aardgas is een voertuig waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas.
+155 −12 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.3.4.1.6
1Als de CO2-uitstoot van het wegvoertuig niet bekend is, wordt die parameter bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel :1§1. Als de CO2-uitstoot van het wegvoertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.3.4.2.1, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel :
2brandstofsoort
2brandstofsoort cilinderinhoud in cc Euronorm3cilinderinhoud in cc
36 5 4 3 2 1 0
4Euronorm
56
65
74
83
92
101
110
4CO2-emissies in g/km12CO2-emissies in g/km
5benzine en andere brandstoffen, met uitzondering van diesel en aardgas minder dan 1400 117 125 140 150 164 173 17513benzine en andere brandstoffen, met uitzondering van diesel en aardgas
14minder dan 1400
15117
16125
17140
18150
19164
20173
21175
61400 tot en met 2000 150 159 172 185 200 211 213221400 tot en met 2000
7meer dan 2000 228 238 247 259 279 295 297
8diesel minder dan 1400 98 103 120 116 125 132 133
23150
24159
25172
26185
27200
28211
29213
30meer dan 2000
31228
32238
33247
34259
35279
36295
37297
38diesel
39minder dan 1400
4098
41103
42120
43116
44125
45132
46133
91400 tot en met 2000 117 125 144 151 163 173 174471400 tot en met 2000
10meer dan 2000 159 169 201 199 214 226 228
11aardgas minder dan 1400 94 100 112 120 131 139 140
48117
49125
50144
51151
52163
53173
54174
55meer dan 2000
56159
57169
58201
59199
60214
61226
62228
63aardgas
64minder dan 1400
6594
66100
67112
68120
69131
70139
71140
121400 tot en met 2000 120 127 138 148 160 169 171721400 tot en met 2000
13meer dan 2000 182 190 198 207 223 236 238
73120
74127
75138
76148
77160
78169
79171
80meer dan 2000
81182
82190
83198
84207
85223
86236
87238
88§2. Als de CO2-uitstoot van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.3.4.1.2/1, bepaald volgens volgende formule: CO2-uitstoot = Constante + (Parameter_CC x CC) + (Parameter_KW x KW) + (Parameter_FPK x FPK) + (Parameter_ZP x ZP) + (Parameter_CC_KW x CC x KW) + (Parameter_CC_FPK x CC x FPK) + (Parameter_KW_FPK x KW x FPK)
89+ (Parameter_CC_KW_FPK x CC x KW x FPK).
90De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt: 1° CC = de cilinderinhoud in cc gedeeld door 1000;
912° KW = het vermogen van de motor uitgedrukt in kilowatt gedeeld door 100; 3° FPK = het vermogen van de motor uitgedrukt in fiscale pk;
924° ZP = het aantal zitplaatsen.
93De overige parameters, vermeld in het eerste lid, worden voor de toepassing van deze formule, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, vermeld in de volgende tabel:
94Benzine en andere brand- stoffen, met uitzondering van aardgas, diesel en
95plug-inhybride
96Diesel
97Benzine plug- inhybride
98Diesel plug- inhybride
99Aardgas
100Parameter constante
10158.3304
1021017.5710
10375.3124
1041716.4604
1057627.0345
106Parameter_ CC
1072.9316
108-403.6269
109-126.9417
110-102.5352
111-8617.6901
112Parameter_ KW
11353.6921
114-817.4980
11556.3978
116-1333.5261
117-8710.9573
118Parameter_ FPK
1195.0617
120-96.0669
12127.1787
122-229.5888
123-606.3489
124Parameter_ ZP
1251.9861
1261.9861
1271.9861
1281.9861
1291.9861
130Parameter_ CC_KW
13117.2267
132399.2770
133-51.8607
134-344.2686
1358134.2581
136Parameter_ CC_FPK
137-0.2578
13841.8433
139-1.0233
14051.2497
141817.4474
142Parameter_ KW_FPK
143-5.4089
14476.3656
145-2.7148
146245.7955
147905.1812
148Parameter_ CC_KW_ FPK
1490.1784
150-34.3605
1513.1869
152-30.2220
153-854.6351
154De CO2-uitstoot, zoals berekend in het eerste lid, is minstens gelijk aan nul.
155Een plug-inhybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.
156Een voertuig op aardgas is een voertuig waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas.
+4 −4 decreet-2011-12-23-1021295/art. 46
776° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;776° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
787° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;787° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
798° in de heffingsjaren 2020, 2021 en 2022 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;798° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2024 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
809° in het heffingsjaar 2023 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;809° in het heffingsjaar 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
8110° in het heffingsjaar 2024 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;8110° in het heffingsjaar 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
8211° in het heffingsjaar 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.8211° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.
83Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2.83Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2.
84Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° :84Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° :
+1 −1 decreet-2009-05-08/art. 9
31° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;31° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
42° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;42° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 354.000 euro;
64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
75° voor de CLB's: 178.000 euro;75° voor de CLB's: 178.000 euro;
+6 −5 decreet-2009-05-08/art. 9
1§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.1§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
2§ 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015:
31° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;
42° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;
2§ 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld:
31° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
42° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
75° voor de CLB's: 178.000 euro;75° voor de CLB's: 178.000 euro;
86° voor de basiseducatie: 77.500 euro.86° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
97° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
9Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..10Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
10§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.11§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
+6 −5 decreet-2009-05-08/art. 9
1§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.1§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
2§ 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015:
31° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;
42° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;
2§ 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld:
31° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
42° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
75° voor de CLB's: 178.000 euro;75° voor de CLB's: 178.000 euro;
86° voor de basiseducatie: 77.500 euro.86° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
97° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
9Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..10Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
10§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.11§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
+6 −5 decreet-2009-05-08/art. 9
1§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.1§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
2§ 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015:
31° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;
42° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;
2§ 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld:
31° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
42° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
75° voor de CLB's: 178.000 euro;75° voor de CLB's: 178.000 euro;
86° voor de basiseducatie: 77.500 euro.86° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
97° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
9Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..10Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
10§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.11§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
+6 −5 decreet-2009-05-08/art. 9
1§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.1§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
2§ 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015:
31° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;
42° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;
2§ 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld:
31° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
42° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
75° voor de CLB's: 178.000 euro;75° voor de CLB's: 178.000 euro;
86° voor de basiseducatie: 77.500 euro.86° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
97° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
9Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..10Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
10§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.11§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
+6 −5 decreet-2009-05-08/art. 9
1§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.1§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
2§ 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015:
31° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;
42° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;
2§ 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld:
31° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
42° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
75° voor de CLB's: 178.000 euro;75° voor de CLB's: 178.000 euro;
86° voor de basiseducatie: 77.500 euro.86° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
97° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
9Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..10Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
10§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.11§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
+1 −1 decreet-2009-05-08/art. 10
1De nascholingsmiddelen worden in twee schijven aan de besturen van de instellingen uitbetaald. De eerste schijf van zestig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand februari van het betreffende begrotingsjaar, de tweede schijf van veertig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand juni van het betreffende begrotingsjaar. 1De nascholingsmiddelen worden in twee schijven aan de besturen van de instellingen uitbetaald. De eerste schijf van zestig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand februari van het betreffende begrotingsjaar, de tweede schijf van veertig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand juni van het betreffende begrotingsjaar. Indien het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting of het programmadecreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begrotingsaanpassing, van het begrotingsjaar waarin de nascholingsmiddelen voor het betrokken begrotingsjaar zijn opgenomen, aanleiding geeft tot meer nascholingsmiddelen voor de instellingen, dan worden deze bijkomende middelen uitbetaald binnen de twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van betrokken decreet.
2Elk bestuur wendt de middelen uitsluitend aan voor de nascholing van de personeelsleden van de instelling die recht heeft op de nascholingsmiddelen, en dit overeenkomstig het goedgekeurde nascholingsplan.2Elk bestuur wendt de middelen uitsluitend aan voor de nascholing van de personeelsleden van de instelling die recht heeft op de nascholingsmiddelen, en dit overeenkomstig het goedgekeurde nascholingsplan.
3Er kan een reserve worden opgebouwd ten bedrage van maximaal 50 % van de jaarlijkse middelen.3Er kan een reserve worden opgebouwd ten bedrage van maximaal 50 % van de jaarlijkse middelen.
+2 −5 decreet-2007-06-15/art. 108
30Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale volume aan werkingsmiddelen verminderd met 6 %.30Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale volume aan werkingsmiddelen verminderd met 6 %.
31Vanaf het schooljaar 2023-2024 wordt het totaal volume aan werkingsmiddelen vermeerderd met 1.953.622,94 euro.31Vanaf het schooljaar 2023-2024 wordt het totaal volume aan werkingsmiddelen vermeerderd met 1.953.622,94 euro.
32§ 5. Een centrum voor volwassenenonderwijs dat in uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3, tweede lid, als erkend EVC-centrum in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 evaluaties voor een EVC-traject heeft afgenomen en daarvoor een financiële bijdrage van minder dan 96 euro heeft ontvangen, heeft recht op een aanvullende werkingstoelage voor het schooljaar n/n +1.32§ 5. Een centrum voor volwassenenonderwijs dat in uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3, tweede lid, als erkend EVC-centrum in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 evaluaties voor een EVC-traject heeft afgenomen bij een specifieke doelgroep die recht heeft op een verminderde financiële bijdrage als vermeld in artikel 8 van het decreet van 26 april 2019 betreffende een geïntegreerd beleid voor de erkenning van verworven competenties, heeft recht op een aanvullende werkingstoelage voor het schooljaar n/n +1.
33De aanvullende werkingstoelage bedraagt:
341° 60 euro per geteste kandidaat die de verminderde financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een beroepskwalificatie heeft betaald;
352° 48 euro per geteste kandidaat die de verminderde financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een deelkwalificatie heeft betaald.
33De aanvullende werkingstoelage bedraagt de helft van de volledige financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een beroepskwalificatie of een deelkwalificatie als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2019 betreffende de uitvoering van het decreet van 26 april 2019 betreffende een geïntegreerd beleid voor de erkenning van verworven competenties, zoals van kracht op de datum van de inwerkingtreding van artikel 11 van het programmadecreet van 30 juni 2023 houdende bepalingen tot begeleiding van de begrotingsaanpassing 2023.
36Voor de berekening van de aanvullende werkingstoelage komen enkel geteste kandidaten in aanmerking die voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht en die het bewijs geleverd hebben te beschikken over de Belgische nationaliteit of te voldoen aan de bepalingen van het wettig verblijf zoals bedoeld in artikel 1, 48°.34Voor de berekening van de aanvullende werkingstoelage komen enkel geteste kandidaten in aanmerking die voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht en die het bewijs geleverd hebben te beschikken over de Belgische nationaliteit of te voldoen aan de bepalingen van het wettig verblijf zoals bedoeld in artikel 1, 48°.
37De bedragen, vermeld in het tweede lid, worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2019. Het bedrag wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal.
+2 −0 decreet-2007-06-15/art. 196sexies
6Ten laste van het begrotingsjaar 2021 worden 32.955,75 aanvullende leraars- uren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.6Ten laste van het begrotingsjaar 2021 worden 32.955,75 aanvullende leraars- uren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
7Ten laste van het begrotingsjaar 2022 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkings- middelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.7Ten laste van het begrotingsjaar 2022 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkings- middelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
8Ten laste van het begrotingsjaar 2023 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
9De centra voor volwassenenonderwijs kunnen na een voorafgaand akkoord in het bevoegde lokale comité de toegekende leraarsuren ten laste van het begrotingsjaar 2023 omzetten in werkingsmiddelen voor contractuele aanwervingen ten belope van de lesopdracht tijdens de maanden juli en augustus. Voor de omzetting geldt één leraarsuur voor 63,64 euro. Uiterlijk twee maanden na de melding aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen van de om te zetten leraarsuren voor de aanwerving van contractuele personeelsleden worden 80% van deze omgezette werkingsmiddelen als voorschot aan de centra uitbetaald. Het resterende saldo van 20% wordt uitbetaald uiterlijk in de loop van de maand december van het kalenderjaar 2023. Het centrum moet alle aangewende middelen bewijzen met facturen of betalingen die werden gedaan in het kader van deze contractuele aanstellingen. Niet-aangewende middelen worden na het einde van het kalenderjaar 2023 teruggestort. Daarvoor deelt het centrum het niet-aangewende bedrag mee aan de bevoegde administratie
8§ 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.10§ 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.
9§ 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.11§ 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd