Decreet tot wijziging van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, wat betreft de opheffing van de leeftijdsgrens en de mogelijkheid van elektronische monitoring in de fase van de voorlopige rechtspleging en overige wijzigingen
33 artikels gewijzigd
| 1 | 1 | In dit decreet wordt verstaan onder: | |
| 2 | + | 1° Agentschap Justitie en Handhaving: het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Agentschap Justitie en Handhaving, opgericht bij artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 september 2021 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap “Agentschap Justitie en Handhaving”; | |
| 3 | + | 1°/1 agentschap Opgroeien regie: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid dat is opgericht bij artikel 3 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie; | |
| 2 | − | 1°bemiddeling: het overleg tussen de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger, de ouders, de opvoedingsverantwoordelijken, het slachtoffer en de personen die ten aanzien van het minderjarig slachtoffer het ouderlijk gezag uitoefenen of de opvoedingsverantwoordelijken, om hen de mogelijkheid te bieden, samen en met de hulp van een onpartijdige bemiddelaar, onder meer aan de relationele en materiële gevolgen van een jeugddelict tegemoet te komen; | |
| 4 | + | 1°/2 bemiddeling: het overleg tussen de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger, de ouders, de opvoedingsverantwoordelijken, het slachtoffer en de personen die ten aanzien van het minderjarig slachtoffer het ouderlijk gezag uitoefenen of de opvoedingsverantwoordelijken, om hen de mogelijkheid te bieden, samen en met de hulp van een onpartijdige bemiddelaar, onder meer aan de relationele en materiële gevolgen van een jeugddelict tegemoet te komen; | |
| 3 | 5 | 2° betrokken personen: de minderjarige verdachte, de minderjarige delictpleger, de ouders, de opvoedingsverantwoordelijken, het slachtoffer en de personen die ten aanzien van het minderjarige slachtoffer het ouderlijk gezag uitoefenen of de opvoedingsverantwoordelijken; | |
| 6 | + | 2°/1 casusoverleg: een overleg als vermeld in artikel 458ter van het Strafwetboek, waarop casus per casus multilateraal informatie wordt uitgewisseld in het kader van een integrale en multidisciplinaire ketenaanpak jeugddelinquentie voor de minderjarige verdachte of delictpleger en zijn gezin; | |
| 7 | + | 2°/2 elektronische monitoring: de reactie waarbij met technologische middelen vanop een afstand de naleving van locatiegeboden en -verboden wordt gecontroleerd door het VCET en waarbij de begeleiding wordt opgenomen door de sociale dienst; | |
| 4 | 8 | 3° gemeenschapsdienst: de onbezoldigde prestatie voor een aantal uren, opgelegd door de jeugdrechter of jeugdrechtbank als reactie op een delict; | |
| 5 | 9 | 4° gemeenschapsinstelling: een door de overheid ingerichte instelling met een gesloten aanbod; | |
| 21 | 25 | 20° slachtoffer: de persoon die verklaart morele of materiële schade te hebben geleden die veroorzaakt is door een jeugddelict; | |
| 22 | 26 | 21° sociale dienst: de Sociale Dienst Jeugdrechtbank, vermeld in artikel 56 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp; | |
| 27 | + | 21°/1 VCET: het Vlaams Centrum Elektronisch Toezicht, vermeld in artikel 2, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2022 tot uitvoering van bepalingen over de justitiehuizen van het decreet van 26 april 2019 houdende de justitiehuizen en de juridische eerstelijnsbijstand; | |
| 23 | 28 | 22° voorbereidende rechtspleging: de rechtspleging met het oog op de toepassing van een van de maatregelen, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2; | |
| 24 | 29 | 23° wet van 8 april 1965: de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. | |
| 5 | 5 | 4° de bescherming van het veilig en vredig samenleven in de maatschappij; | |
| 6 | 6 | 5° het vermijden van recidive ter bescherming van de maatschappij op lange termijn door multidisciplinair in te zetten op preventie en de onderliggende oorzaken van jeugddelinquentie aan te pakken. | |
| 7 | + | De kernpartners, vermeld in artikel 41/2, §1, die bij de uitvoering van dit decreet betrokken zijn, realiseren minimaal in elk gerechtelijk arrondissement een integrale en multidisciplinaire ketenaanpak jeugddelinquentie voor de minderjarige verdachte of delictpleger en zijn gezin als vermeld in hoofdstuk 4/1. | |
| 7 | 8 | § 2. Elk optreden: | |
| 8 | 9 | 1° wordt uitgevoerd door personen die een speciale en aangehouden vorming hebben genoten over het jeugdrecht; | |
| 1 | − | Behalve in het geval van de maatregel, vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 3° /1, en de sancties, vermeld in de artikelen 29, § 2, eerste lid, 1° , 2° en 5° /1, en 37, §§ 1 en 2, en de terbeschikkingstelling, vermeld in artikel 37, § 8, nemen alle reacties, vermeld in hoofdstuk 4, uiterlijk een einde als de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger de volle leeftijd van drieëntwintig jaar bereikt. Ook de afhandeling op niveau van het openbaar ministerie, vermeld in hoofdstuk 3, neemt een einde op het moment dat de minderjarige de volle leeftijd van drieëntwintig jaar bereikt. | |
| 1 | + | Art. 6. §1. Het herstelrechtelijk aanbod en de reacties op grond van dit decreet kunnen worden opgelegd zonder leeftijdsgrens. Ook de afhandeling op niveau van het openbaar ministerie, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 2, is niet afhankelijk van een leeftijdsgrens. | |
| 2 | − | De maatregel, vermeld in artikel 20, §2, eerste lid, 3°/1, en de sanctie, vermeld in artikel 29, §2, eerste lid, 5°/1, kunnen worden opgelegd tot de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger de volle leeftijd van achttien jaar bereikt en nemen uiterlijk een einde als de minderjarige de volle leeftijd van negentien jaar bereikt . | |
| 2 | + | De maatregel, vermeld in artikel 20, §2, eerste lid, 3°/1, of de sanctie, vermeld in artikel 29, §2, eerste lid, 5°/1, kan worden opgelegd tot de minderjarige verdachte of delictpleger de volle leeftijd van achttien jaar bereikt heeft, en neemt uiterlijk een einde als de minderjarige de volle leeftijd van negentien jaar bereikt heeft. | |
| 3 | − | De sancties, vermeld in artikel 29, § 2, eerste lid, 1° en 2°, kunnen worden opgelegd tot de minderjarige delictpleger de volle leeftijd van drieëntwintig jaar bereikt. | |
| 3 | + | §2. Als de minderjarige verdachte of delictpleger de volle leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, kan de jeugdrechter of jeugdrechtbank de aanwijzing geven dat de justitiehuizen toezicht houden op de naleving van voorwaarden of ambulante reacties en de minderjarige verdachte of delictpleger daarin begeleiden. | |
| 4 | + | Als de minderjarige verdachte of delictpleger de volle leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, kan de jeugdrechter of jeugdrechtbank de aanwijzing geven dat het VCET instaat voor de controle op het individuele uurrooster en de uitvoering van de individuele voorwaarden in het kader van elektronische monitoring. |
| 7 | 7 | 5° het onderwerpen aan de richtlijnen van een ambulant centrum voor geestelijke gezondheidszorg, voor seksuele opvoeding of een centrum voor de behandeling van alcohol- of drugsverslaving voor ten hoogste dertig uur; | |
| 8 | 8 | 6° het aanmelden bij een door de gemeenschap georganiseerde dienst van hulpverlening. | |
| 9 | + | 7° de deelname aan een integrale en multidisciplinaire ketenaanpak jeugddelinquentie voor de minderjarige en zijn gezin. | |
| 9 | 10 | § 2. De procureur des Konings brengt de minderjarige verdachte op de hoogte dat hij recht heeft op bijstand van een advocaat. Deze advocaat wordt, in voorkomend geval, aangewezen overeenkomstig artikel 54bis van de wet van 8 april 1965. | |
| 10 | 11 | Alle betrokkenen, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, hebben een bedenktijd van vijftien werkdagen om al dan niet in te gaan op de door de procureur des Konings voorgestelde voorwaarden. | |
| 7 | 7 | 6° de veiligheid van de minderjarige verdachte of delictpleger. | |
| 8 | 8 | Uit de genomen beslissing blijkt duidelijk op welke wijze met de factoren rekening is gehouden. | |
| 9 | + | Het slachtoffer wordt geïnformeerd over de maatregel of de sanctie door de door de Vlaamse Regering bepaalde dienst. | |
| 9 | 10 | § 2. De jeugdrechter of jeugdrechtbank kan te allen tijde, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, de opgelegde maatregelen of sancties ten aanzien van de minderjarige verdachte of delictpleger herzien, door deze in te trekken of te wijzigen in een minder strenge of ingrijpende maatregel of sanctie. | |
| 10 | 11 | De minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken, kunnen, via gemotiveerd verzoekschrift, de herziening van een opgelegde maatregel vragen. Zij kunnen de vraag, om een minder strenge of ingrijpende maatregel te nemen, stellen na een termijn van drie maanden vanaf de dag waarop de beslissing definitief werd. De griffie bezorgt het openbaar ministerie onverwijld een kopie van het verzoekschrift. De verzoeker mag geen nieuw verzoekschrift indienen dat hetzelfde voorwerp heeft alvorens een termijn van drie maanden is verstreken vanaf de datum van de laatste beslissing houdende verwerping van zijn verzoek. | |
| 5 | 5 | 2° een ambulante maatregel; | |
| 6 | 6 | 3° voorwaarden; | |
| 7 | + | 3°/0 een elektronische monitoring, gecombineerd met begeleiding; | |
| 7 | 8 | 3/1° de minderjarige verdachte toevertrouwen aan een forensische kinder- en jeugdpsychiatrische afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis, als dat na een psychiatrische expertise noodzakelijk blijkt; | |
| 9 | + | 3°/2 de minderjarige verdachte toevertrouwen aan kortverblijf in een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling voor een periode van maximaal veertien dagen; | |
| 8 | 10 | 4° de minderjarige verdachte toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten oriëntatie van maximaal een maand; | |
| 9 | 11 | 5° de minderjarige verdachte toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten begeleiding van maximaal drie maanden opeenvolgend. | |
| 12 | 12 | § 3. De voorbereidende rechtspleging kan zeer uitzonderlijk, zolang beide voorwaarden cumulatief vervuld blijven, na de termijn, vermeld in paragraaf 2, derde lid, maximaal per maand opeenvolgend verlengd worden, indien de jeugdrechter dergelijke verlenging absoluut noodzakelijk acht en de redenen hiervoor specifiek motiveert in zijn beslissing, na de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken te hebben opgeroepen. | |
| 13 | 13 | § 4. Uiterlijk tot de maximale termijn van de voorbereidende rechtspleging is verstreken, kunnen de maatregelen, vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 1° tot en met 3° /1, en 5°, die de jeugdrechter heeft opgelegd, blijven doorlopen voor de oorspronkelijk bepaalde duur, verlengd worden of herzien worden overeenkomstig artikel 16, § 2. De maatregel wordt in voorkomend geval verlengd met een bijzonder gemotiveerde beslissing, na de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken te hebben opgeroepen. Binnen de termijn van maximaal twee jaar vanaf de vordering, vermeld in artikel 14, kan de maatregel maximaal per drie maanden opeenvolgend worden verlengd. Na die termijn kan de maatregel maximaal per maand opeenvolgend worden verlengd. | |
| 14 | + | § 5. In afwijking van paragraaf 4 bedraagt de minimumduur van de maatregel, vermeld in artikel 20, §2, eerste lid, 3°/0, drie maanden. De voormelde termijn is één keer verlengbaar met een termijn van maximaal drie maanden met een gemotiveerde beslissing, na de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken te hebben opgeroepen. De maximale duur bedraagt zes maanden. | |
| 14 | − | § 5. In afwijking van paragraaf 4 kan de duur van de maatregel, vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 3° /1, maximaal tweemaal verlengd worden met een termijn van maximaal drie maanden met een bijzondere gemotiveerde beslissing, na de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken te hebben opgeroepen. | |
| 15 | + | In afwijking van paragraaf 4 kan de duur van de maatregel, vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 3° /1, maximaal tweemaal verlengd worden met een termijn van maximaal drie maanden met een bijzondere gemotiveerde beslissing, na de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken te hebben opgeroepen. | |
| 15 | 16 | § 6. Wanneer de duur van de voorlopige rechtspleging is verstreken en de minderjarige verdachte is gedagvaard om voor de jeugdrechtbank te verschijnen, kan de jeugdrechter de maatregel, vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 5°, verlengen met een bijzondere gemotiveerde beslissing voor het einde van die maatregel, met telkens een termijn van maximaal een maand en uiterlijk tot de dag waarop de beslissing ten gronde is genomen, indien ernstige en uitzonderlijke omstandigheden in verband met vereisten inzake openbare veiligheid dit vereisen en na de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken te hebben opgeroepen. | |
| 1 | 1 | § 1. De jeugdrechter kan een minderjarige verdachte voorwaarden opleggen als vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 3°. | |
| 2 | 2 | De maatregel, vermeld in het eerste lid, bestaat uit de verplichting bijzondere voorwaarden na te leven gedurende een bepaalde termijn, die door de jeugdrechter overeenkomstig paragraaf 2 wordt bepaald. | |
| 3 | − | De jeugdrechter voorziet tegelijk in een vervangende maatregel voor het geval dat de minderjarige verdachte de opgelegde voorwaarden niet naleeft. Als vervangende maatregel kunnen de in artikel 20, §2, eerste lid, 2°, 3°, 4° en 5°, vermelde maatregelen worden opgelegd. | |
| 3 | + | De jeugdrechter voorziet tegelijk in een vervangende maatregel voor het geval dat de minderjarige verdachte de opgelegde voorwaarden niet naleeft. Als vervangende maatregel kunnen de maatregelen, vermeld in artikel 20, §2, eerste lid, 2°, 3°, 3°/0, 3°/2, 4° en 5°, worden opgelegd. | |
| 4 | 4 | § 2. De maximale periode waarbinnen de voorwaarden moeten worden nageleefd, bedraagt ten hoogste een jaar. De jeugdrechter bepaalt de duur van de voorwaarden in zijn beschikking. | |
| 5 | 5 | § 3. De volgende voorwaarden kunnen onder meer worden vastgelegd: | |
| 11 | 11 | 6° het aanmelden bij de door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerde diensten voor jeugdhulpverlening; | |
| 12 | 12 | 7° het naleven van een huisarrest. | |
| 13 | + | 8° de deelname aan een integrale en multidisciplinaire ketenaanpak jeugddelinquentie voor de minderjarige en zijn gezin. | |
| 13 | 14 | § 4. De voorwaarden, vermeld in paragraaf 3, 3° en 4°, sluiten aan bij de lichamelijke en verstandelijke mogelijkheden van de minderjarige, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en de plaats waar ze uitgevoerd moeten worden, houdt rekening met zijn verblijfplaats. In het geval de vermelde voorwaarden gecumuleerd worden, kan dit voor ten hoogste zestig uur. | |
| 14 | 15 | Als het volgen van een begeleiding of een behandeling als vermeld in paragraaf 3, 5° en 6°, als na te leven voorwaarde wordt vastgelegd, brengt het betrokken centrum of de betrokken dienst binnen een maand na het begin van de begeleiding of behandeling, en telkens als de dienst of persoon het nuttig acht, of op verzoek van de jeugdrechter, verslag uit. Er wordt ten minste om de drie maanden verslag uitgebracht over de begeleiding of de behandeling. De minderjarige wordt op de hoogte gebracht van de inhoud van dit verslag. | |
| 1 | + | De jeugdrechter kan in de gevallen waarin een maatregel als vermeld in artikel 20, §2, eerste lid, 4° of 5°, wordt overwogen, een elektronische monitoring, gecombineerd met begeleiding, opleggen nadat de sociale dienst de opdracht heeft gekregen om een gemotiveerde inhoudelijke en technische inschatting over de uitvoerbaarheid van elektronische monitoring, te maken. | |
| 2 | + | De elektronische monitoring kan ook als modaliteit of ter ondersteuning van een maatregel als vermeld in artikel 20, §2, eerste lid, 1° tot en met 3°, worden opgelegd. | |
| 3 | + | Een elektronische monitoring kan niet worden opgelegd indien het jeugddelict een feit betreft als vermeld in artikel 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 393 tot en met 397, 398 tot en met 404 juncto 410, 417/11 tot en met 417/22 en 417/25 tot en met 417/37 van het Strafwetboek of een feit betreft als vermeld in artikel 2bis, §4, b), van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, voor zover de feiten betrekking hebben op de invoer, de uitvoer, de vervaardiging, de verkoop of het te koop stellen van de in dat artikel bedoelde middelen en stoffen en voor zover ze daden betreffen van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, in de hoedanigheid van leidend persoon. | |
| 4 | + | De jeugdrechter houdt bij het opleggen van elektronische monitoring in het bijzonder rekening met het feit of het jeugddelict een gevaar vormt voor de fysieke of psychische integriteit van de persoon of de personen met wie de minderjarige verdachte op het verblijfsadres zal samenwonen. | |
| 5 | + | De minimumduur van elektronische monitoring bedraagt drie maanden. De voormelde termijn is één keer verlengbaar met een termijn van maximaal drie maanden. De maximale duur bedraagt zes maanden. De jeugdrechter bepaalt de duur in zijn beschikking. | |
| 6 | + | De Vlaamse Regering bepaalt de elementen van de inhoudelijke en technische inschatting, vermeld in het eerste lid, en ook de modaliteiten van de controle en de begeleiding waarmee de elektronische monitoring gecombineerd moet worden. |
| 1 | + | De jeugdrechter kan een minderjarige die veertien jaar of ouder is op het ogenblik van de feiten toevertrouwen aan kortverblijf in een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling voor een periode van maximaal veertien dagen als vermeld in artikel 20, §2, eerste lid, 3°/2. De voorwaarden, vermeld in artikel 26, | |
| 2 | + | §2, 1°, 2° en 3°, zijn van overeenkomstige toepassing. | |
| 3 | + | Ten aanzien van een minderjarige die tussen twaalf en veertien jaar oud is op het ogenblik van de feiten, kan deze maatregel worden uitgesproken onder de voorwaarden, vermeld in artikel 26, §3, 1°, 2° en 3°. |
| 13 | 13 | Uiterlijk op de tiende kalenderdag na de aanvang van de gesloten oriëntatie, wordt op basis van een risicotaxatie aan de jeugdrechter een advies bezorgd over de behoefte aan gesloten begeleiding. | |
| 14 | 14 | In het geval na de risicotaxatie het advies bepaalt dat gesloten begeleiding niet nodig is, wordt de minderjarige en zijn advocaat, alsook, wanneer het dit wenst, het openbaar ministerie, binnen de twee werkdagen na ontvangst van het advies gehoord. De ouders of in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken worden opgeroepen om te worden gehoord. In voorkomend geval kan de jeugdrechter een andere maatregel als vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 2° tot en met 3°/1, opleggen. | |
| 15 | − | In het geval het advies gesloten begeleiding vooropstelt, en de jeugdrechter dit advies volgt, kan de minderjarige en zijn advocaat, alsook, wanneer het dit wenst, het openbaar ministerie, binnen twee werkdagen na ontvangst van het advies gehoord worden.Tijdens de resterende duur van de gesloten oriëntatie wordt een oriëntatievoorstel uitgewerkt. De ouders en in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken worden opgeroepen om te worden gehoord. Een oriëntatievoorstel dat een gesloten begeleiding adviseert, bevat ook een voorstel over de duur van de gesloten begeleiding in een gemeenschapsinstelling, vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 5°. De jeugdrechter kan beslissen tot een gesloten begeleiding overeenkomstig hetgeen bepaald is in artikel 27, § 2. | |
| 15 | + | In het geval het advies gesloten begeleiding vooropstelt, en de jeugdrechter dit advies volgt, kan de minderjarige en zijn advocaat, alsook, wanneer het dit wenst, het openbaar ministerie, binnen twee werkdagen na ontvangst van het advies gehoord worden.Tijdens de resterende duur van de gesloten oriëntatie wordt een oriëntatievoorstel uitgewerkt. De minderjarige en zijn advocaat, alsook, wanneer het dit wenst, het openbaar ministerie, worden gehoord. De ouders en in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken worden opgeroepen om te worden gehoord. Een oriëntatievoorstel dat een gesloten begeleiding adviseert, bevat ook een voorstel over de duur van de gesloten begeleiding in een gemeenschapsinstelling, vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 5°. De jeugdrechter kan beslissen tot een gesloten begeleiding overeenkomstig hetgeen bepaald is in artikel 27, § 2. | |
| 16 | 16 | § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de organisatie, de samenstelling en de werking van de gesloten oriëntatieafdeling, alsook de wijze waarop de werking en kwaliteit van de dienstverlening worden geëvalueerd. | |
| 1 | 1 | § 1. De jeugdrechter kan een minderjarige verdachte toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor minderjarigen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten begeleiding van maximaal drie maanden opeenvolgend als vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 5°. | |
| 2 | − | § 2. De jeugdrechter kan de minderjarige, vermeld in paragraaf 1, toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling als vermeld in artikel 26, § 1. De jeugdrechter kan de minderjarige pas toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling voor een gesloten begeleiding nadat hij het oriëntatievoorstel, vermeld in artikel 26, § 4, vierde lid, heeft ontvangen. De jeugdrechter kan enkel een gesloten begeleiding opleggen als dit in het oriëntatievoorstel wordt geadviseerd, tenzij hij hiervan afwijkt met een gemotiveerde beslissing. De jeugdrechter bepaalt de duur van de gesloten begeleiding in zijn beschikking. | |
| 2 | + | § 2. De jeugdrechter kan de minderjarige pas toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling voor een gesloten begeleiding nadat hij het oriëntatievoorstel, vermeld in artikel 26, § 4, vierde lid, heeft ontvangen. De jeugdrechter kan enkel een gesloten begeleiding opleggen als dit in het oriëntatievoorstel wordt geadviseerd, tenzij hij hiervan afwijkt met een gemotiveerde beslissing. De jeugdrechter bepaalt de duur van de gesloten begeleiding in zijn beschikking. | |
| 3 | 3 | De jeugdrechter kan desgevallend elementen uit een vorig oriëntatievoorstel in overweging nemen. | |
| 4 | 4 | § 3. De jeugdrechter kan de minderjarige, vermeld in paragraaf 1, op advies van de directie van de gemeenschapsinstelling, onder de voorwaarden die hij bepaalt, toelaten de instelling te verlaten voor de termijn die hij bepaalt, of toelaten contact te hebben met derden die hij aanwijst. | |
| 1 | 1 | De jeugdrechtbank neemt kennis van de dagvaarding van het openbaar ministerie, vermeld in artikel 14. | |
| 2 | 2 | Als de zaak van een persoon die voor de leeftijd van achttien jaar een jeugddelict heeft gepleegd, bij de jeugdrechtbank aanhangig is, kan ze wanneer die persoon de genoemde leeftijd tijdens de rechtspleging bereikt, of als de dagvaarding van het openbaar ministerie wordt ingesteld nadat voormelde persoon de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, een sanctie opleggen. | |
| 3 | − | Er kan geen sanctie meer worden opgelegd wanneer de persoon de leeftijdsgrenzen als bepaald in artikel 6, bereikt heeft. |
| 7 | 7 | 4° een ambulante sanctie; | |
| 8 | 8 | 5° voorwaarden; | |
| 9 | + | 5°/0 een elektronische monitoring, gecombineerd met begeleiding van drie of zes maanden; | |
| 9 | 10 | 5/1° toevertrouwen aan een forensische kinder- en jeugdpsychiatrische afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis, als dat na een psychiatrische expertise noodzakelijk blijkt; | |
| 10 | − | 6° toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten oriëntatie van maximaal een maand; | |
| 11 | + | 6° toevertrouwen aan kortverblijf in een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling voor een periode van veertien dagen; | |
| 11 | − | 7° toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten begeleiding van maximaal drie, zes of negen maanden; | |
| 12 | + | 7° toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten begeleiding van drie, zes of negen maanden; | |
| 12 | 13 | 8° toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten begeleiding van maximaal twee, vijf of zeven jaar. | |
| 13 | 14 | Behoudens de sancties, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, gaan alle sancties gepaard met een ondertoezichtstelling door de sociale dienst. | |
| 14 | − | De duur van een maand, vermeld in het eerste lid, 6° en 7°, is dertig dagen. | |
| 15 | + | De duur van een maand, vermeld in het eerste lid, 7°, is dertig dagen. | |
| 15 | 16 | § 3. De sancties, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1° tot en met 5° /1, verdienen de voorkeur boven het toevertrouwen van de minderjarige delictpleger aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor minderjarigen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet. | |
| 16 | 17 | Als de jeugdrechtbank een sanctie als vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 3° tot en met 8°, oplegt, bepaalt ze de maximumduur ervan. | |
| 17 | 18 | De sancties, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 3° tot en met 8°, betrekken op een actieve wijze de ouders of de opvoedingsverantwoordelijken en andere relevante personen uit de leefomgeving van de minderjarige, vermeld in paragraaf 1. | |
| 18 | − | § 4. De jeugdrechtbank kan mits bijzondere motivering of in de gevallen waar een sanctie als vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 6°, 7° of 8°, wordt overwogen, een elektronische monitoring gecombineerd met begeleiding, als modaliteit of ter ondersteuning van een sanctie als vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 3° tot en met 5°, opleggen. De jeugdrechtbank bepaalt de duur daarvan. | |
| 19 | − | Elektronische monitoring is elke technologie die de naleving van de opgelegde sanctie van op een afstand controleert. Tijdens de elektronische monitoring wordt de minderjarige begeleid door een erkende dienst. | |
| 19 | + | §4. ... | |
| 20 | − | § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels en modaliteiten waaraan de voorwaarden en de sancties, vermeld in dit artikel, moeten voldoen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de modaliteiten van de elektronische monitoring, alsook de nadere regels voor de begeleiding waarmee de elektronische monitoring gecombineerd moet worden. | |
| 20 | + | § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels en modaliteiten waaraan de voorwaarden en de sancties, vermeld in dit artikel, moeten voldoen. | |
| 1 | + | De jeugdrechtbank kan aan de minderjarige delictpleger voorstellen om een positief project uit te werken als vermeld in artikel 29, § 2, eerste lid, 3°, waarvan de invulling door de minderjarige zelf gebeurt. | |
| 2 | + | De bepalingen omtrent de procedure, vermeld in artikel 23, § 1, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid, en §§ 2 en 3, zijn van toepassing. In afwijking van artikel 23, § 1, vijfde lid, 1°, mag het positief project ten hoogste 220 uur bedragen. | |
| 3 | + | In afwijking van artikel 23 voorziet de jeugdrechtbank tegelijk in een vervangende sanctie voor het geval dat de minderjarige delictpleger het positief project niet, of niet overeenkomstig het voorstel, bedoeld in artikel 23, § 1, derde lid, uitvoert. In het geval het positief project niet, of niet overeenkomstig het voormelde voorstel wordt uitgevoerd, kan de jeugdrechtbank ambtshalve de voorziene vervangende sanctie opleggen. Zij kan desgevallend rekening houden met een deels uitgevoerd positief project om de vervangende sanctie aan te passen. Als vervangende sanctie kunnen de sancties, vermeld in artikel 29, §2, eerste lid, 4°, 5°, 5°/0, 6° en 7°, worden opgelegd. |
| 1 | + | De jeugdrechtbank kan een minderjarige delictpleger een ambulante sanctie als vermeld in artikel 29, § 2, eerste lid, 4°, opleggen. Artikel 24 is van overeenkomstige toepassing. | |
| 2 | + | Een ambulante sanctie betreft een behandeling bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele opvoeding, bij een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving of een contextbegeleiding die inzet op de breedsporige ondersteuning van de minderjarige en alle relevante betrokkenen uit zijn gezins- en opvoedingsmilieu en andere belangrijke levensdomeinen. Er wordt delictgericht gewerkt met onderbouwde methodieken die inwerken op het gedrag van de minderjarige, de gevolgen van het jeugddelict en die recidive moeten voorkomen. | |
| 3 | + | In afwijking van artikel 24 voorziet de jeugdrechtbank tegelijk in een vervangende sanctie voor het geval dat de minderjarige delictpleger de ambulante sanctie niet, of niet volledig, uitvoert. Als vervangende sanctie kunnen de sancties, vermeld in artikel 29, §2, eerste lid, 4°, 5°, 5°/0, 6° en 7°, worden opgelegd. Eveneens in afwijking van artikel 24 bedraagt de maximale duur voor de uitvoering van de ambulante sanctie twee jaar. De jeugdrechtbank bepaalt de duur in haar vonnis. |
| 1 | + | § 1. De jeugdrechtbank kan een minderjarige delictpleger voorwaarden opleggen als vermeld in artikel 29, § 2, eerste lid, 5°. | |
| 2 | + | De sanctie, vermeld in het eerste lid, bestaat uit de verplichting bijzondere voorwaarden na te leven gedurende een termijn. De maximale duur waarbinnen de voorwaarden gelden of de maximale periode waarbinnen de betrokken voorwaarde moet worden uitgevoerd, bedraagt twee jaar. De jeugdrechtbank bepaalt de duur van de voorwaarden in haar vonnis. | |
| 3 | + | De jeugdrechtbank voorziet tegelijk in een vervangende sanctie voor het geval dat de minderjarige delictpleger de opgelegde voorwaarden niet naleeft. De sancties, vermeld in artikel 29, §2, eerste lid, 4°, 5°, 5°/0, 6° en 7°, kunnen als vervangende sanctie worden opgelegd. | |
| 4 | + | § 2. De bepalingen omtrent de procedure, vermeld in artikel 25, §§ 3 tot en met 7, zijn van toepassing. In afwijking van artikel 25, §§ 3 en 4, is het maximale aantal uur dat een leerproject of een gemeenschapsdienst mag bedragen, 220 uur. In het geval de voormelde sancties gecumuleerd worden, kan dit voor ten hoogste 220 uur. |
| 1 | + | De jeugdrechtbank kan in de gevallen waarin een sanctie als vermeld in artikel 29, §2, eerste lid, 7° of 8°, wordt overwogen, een elektronische monitoring, gecombineerd met begeleiding, opleggen nadat de sociale dienst de opdracht heeft gekregen om een gemotiveerde inhoudelijke en technische inschatting over de uitvoerbaarheid van elektronische monitoring te maken. | |
| 2 | + | De elektronische monitoring kan ook als modaliteit of ter ondersteuning van een sanctie als vermeld in artikel 29, §2, eerste lid, 3° tot en met 5°, worden opgelegd. | |
| 3 | + | Een elektronische monitoring kan niet worden opgelegd indien het jeugddelict een feit betreft als vermeld in artikel 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 393 tot en met 397, 398 tot en met 404 juncto 410, 417/11 tot en met 417/22 en 417/25 tot en met 417/37 van het Strafwetboek of een feit betreft als vermeld in artikel 2bis, §4, b), van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, voor zover de feiten betrekking hebben op de invoer, de uitvoer, de vervaardiging, de verkoop of het te koop stellen van de in dat artikel bedoelde middelen en stoffen en voor zover ze daden betreffen van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, in de hoedanigheid van leidend persoon. | |
| 4 | + | De jeugdrechtbank houdt bij het opleggen van elektronische monitoring in het bijzonder rekening met het feit of het jeugddelict een gevaar vormt voor de fysieke of psychische integriteit van de persoon of de personen met wie de minderjarige delictpleger op het verblijfsadres zal samenwonen. | |
| 5 | + | De duur van elektronische monitoring bedraagt drie of zes maanden. De jeugdrechtbank bepaalt de duur in haar vonnis. | |
| 6 | + | De Vlaamse Regering bepaalt de elementen van de inhoudelijke en technische inschatting, vermeld in het eerste lid, en ook de modaliteiten van de controle en de begeleiding waarmee de elektronische monitoring gecombineerd moet worden. |
| 1 | − | De jeugdrechtbank kan een minderjarige delictpleger toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor minderjarigen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten oriëntatie van maximaal een maand als vermeld in artikel 29, §2, eerste lid, 6°. | |
| 1 | + | De jeugdrechtbank kan een minderjarige delictpleger die veertien jaar of ouder is op het ogenblik van de feiten toevertrouwen aan kortverblijf in een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling voor een periode van veertien dagen als vermeld in artikel 29, §2, eerste lid, 6°. De voorwaarden, vermeld in artikel 26, §2, 1°, 2° en 3°, zijn van overeenkomstige toepassing. | |
| 2 | + | Ten aanzien van een minderjarige delictpleger die tussen twaalf en veertien jaar oud is op het ogenblik van de feiten, kan deze maatregel worden uitgesproken onder de voorwaarden, vermeld in artikel 26, §3, 1°, 2° en 3°. | |
| 2 | − | De sanctie, vermeld in het eerste lid, kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden uitgesproken ten aanzien van personen die jonger zijn dan veertien jaar . De bepalingen omtrent de procedure, vermeld in artikel 26, §2, 2° en 3°, §3, 2° en 4°, en §§ 4 en 5, zijn van toepassing. | |
| 3 | + | De sanctie, vermeld in het eerste lid, kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden uitgesproken ten aanzien van personen die jonger dan veertien jaar zijn. De voorwaarden, vermeld in artikel 26, §2, 2° en 3°, en §3, 2° en 3°, zijn van overeenkomstige toepassing. |
| 1 | 1 | De jeugdrechtbank kan een minderjarige delictpleger toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten begeleiding van drie, zes of negen maanden als vermeld in artikel 29, § 2, eerste lid, 7°. | |
| 2 | − | De sanctie, vermeld in het eerste lid, kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden uitgesproken ten aanzien van personen die jonger zijn dan veertien jaar. De jeugdrechtbank kan de minderjarige delictpleger toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling op grond van de bepalingen omtrent de procedure, vermeld in artikel 27, § 2. De bepalingen van paragrafen 3 en 4 zijn overeenkomstig van toepassing. | |
| 2 | + | De sanctie, vermeld in het eerste lid, kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden uitgesproken ten aanzien van personen die jonger zijn dan veertien jaar. De bepalingen van artikel 27, §3 en §4 zijn overeenkomstig van toepassing. | |
| 3 | 3 | De jeugdrechtbank bepaalt de duur van de gesloten begeleiding in haar vonnis. | |
| 4 | 4 | Wanneer de minderjarige delictpleger tijdens de voorbereidende rechtspleging reeds een maatregel gesloten oriëntatie opgelegd kreeg, al dan niet gevolgd door een maatregel van gesloten begeleiding, kunnen elementen uit het afgeleverde oriëntatieverslag in overweging worden genomen om de duur, vermeld in het vorige lid, te bepalen. |
| 5 | 5 | 2° er is een vermoeden van schuldbekwaamheid aanwezig. Het betreft een weerlegbaar vermoeden, rekening houdend met de persoonlijkheid en maturiteit van voormelde minderjarige en zijn sociale context; | |
| 6 | 6 | 3° elke andere sanctie is ongepast of heeft gefaald; | |
| 7 | − | 4° het jeugddelict dat voormelde minderjarige gepleegd heeft, is een feit als vermeld in de artikelen 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 373, 375, 376, 379, 393 , 394, 395, 396, 397, 400, 401, 417ter, 417quater, 428, §5, 468, 469, 470, 471, 472, 473, 474 en 475 van het Strafwetboekvoor zover deze strafbaar zijn met meer dan vijf jaar opsluiting of een poging tot het plegen van een feit als vermeld in de artikelen 393, 394, 395, 396 en 397 van het Strafwetboek; | |
| 7 | + | 4° het jeugddelict dat de voormelde minderjarige gepleegd heeft, is een feit als vermeld in artikel 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 393 tot en met 397, 400, 401, 417/2, 417/3, 417/7, 417/11, 417/12 tot en met 417/17, 417/25 tot en met 417/41, 428, §5, en artikel 468 tot en met 475 van het Strafwetboek, voor zover deze strafbaar zijn met meer dan vijf jaar opsluiting of het is een poging om een feit als vermeld in artikel 393 tot en met 397 van het Strafwetboek, te plegen; | |
| 8 | 8 | 5° de fysieke en psychische integriteit van voormelde minderjarige of van derden is in gevaar; | |
| 9 | 9 | 6° een gesloten begeleiding is noodzakelijk. | |
| 10 | − | § 3. De sanctie, vermeld in paragraaf 1, houdt een gesloten begeleiding binnen een afdeling van een gemeenschapsinstelling in, gericht op begeleiding en re-integratie. De sanctie, vermeld in paragraaf 1, kan zich niet verder uitstrekken dan tot de dag waarop de minderjarige delictpleger de leeftijd van vijfentwintig jaar bereikt. | |
| 10 | + | § 3. De sanctie, vermeld in paragraaf 1, houdt een gesloten begeleiding binnen een afdeling van een gemeenschapsinstelling in, gericht op begeleiding en re-integratie. | |
| 11 | 11 | § 4. In afwijking van paragraaf 2, 1°, kan de jeugdrechtbank de sanctie, vermeld in paragraaf 1, bevelen ten aanzien van minderjarige delictplegers die nog geen zestien jaar waren op het ogenblik van het plegen van het jeugddelict. | |
| 12 | − | Als de cumulatieve voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, 2°, 3°, 5° en 6°, vervuld zijn, en als het jeugddelict gepleegd is door een minderjarige die op het ogenblik van de feiten minstens twaalf jaar was en de volle leeftijd van veertien jaar nog niet had bereikt, kan de sanctie, vermeld in paragraaf 1, alleen worden opgelegd als het jeugddelict dat de voormelde minderjarige gepleegd heeft, een feit is als vermeld in artikel 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 376, 393 , 394, 395, 396, 397 en 475 van het Strafwetboek, en de voormelde feiten strafbaar zijn met meer dan tien jaar opsluiting, of een feit is als vermeld in artikel 375 van het Strafwetboek . De maximale duur van de sanctie bedraagt twee jaar. De minderjarige delictpleger wordt geplaatst in de voorbehouden capaciteit, vermeld in artikel 40, § 3, eerste lid, van dit decreet. | |
| 12 | + | Als de cumulatieve voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, 2°, 3°, 5° en 6°, vervuld zijn, en als het jeugddelict gepleegd is door een minderjarige die op het ogenblik van de feiten minstens twaalf jaar was en de volle leeftijd van veertien jaar nog niet had bereikt, kan de sanctie, vermeld in paragraaf 1, alleen worden opgelegd als het jeugddelict dat de voormelde minderjarige gepleegd heeft een feit is als vermeld in artikel 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 393 tot en met 397, 417/11, 417/12 tot en met 417/17 en 475 van het Strafwetboek, en de voormelde feiten strafbaar zijn met meer dan tien jaar opsluiting of het is een poging om een feit als vermeld in artikel 393 tot en met 397 van het Strafwetboek te plegen van het Strafwetboek. De maximale duur van de sanctie bedraagt twee jaar. De minderjarige delictpleger wordt geplaatst in de voorbehouden capaciteit, vermeld in artikel 40, § 3, eerste lid, van dit decreet. | |
| 13 | − | Als de cumulatieve voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, 2°, 3°, 5° en 6°, vervuld zijn, en als het jeugddelict gepleegd is door een minderjarige die op het ogenblik van de feiten minstens veertien jaar was en de volle leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt, kan de sanctie, vermeld in paragraaf 1, alleen worden opgelegd als het jeugddelict dat de voormelde minderjarige gepleegd heeft, een feit is als vermeld in artikel 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 376, 393 , 394, 395, 396, 397 en 475 van het Strafwetboek, en de voormelde feiten strafbaar zijn met meer dan tien jaar opsluiting, of een feit is als vermeld in artikel 375 van het Strafwetboek . De maximale duur van de sanctie bedraagt vijf jaar. | |
| 13 | + | Als de cumulatieve voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, 2°, 3°, 5° en 6°, vervuld zijn, en als het jeugddelict gepleegd is door een minderjarige die op het ogenblik van de feiten minstens veertien jaar was en de volle leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt, kan de sanctie, vermeld in paragraaf 1, alleen worden opgelegd als het jeugddelict dat de voormelde minderjarige gepleegd heeft een feit is als vermeld in artikel 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 393 tot en met 397, 417/11, 417/12 tot en met 417/17 en 475 van het Strafwetboek, en de voormelde feiten strafbaar zijn met meer dan tien jaar opsluiting of het is een poging om een feit als vermeld in artikel 393 tot en met 397 van het Strafwetboek te plegen van het Strafwetboek. De maximale duur van de sanctie bedraagt vijf jaar. | |
| 14 | 14 | § 5. De minderjarige delictpleger, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, en paragraaf 4, tweede en derde lid, verschijnt halfjaarlijks, persoonlijk voor de jeugdrechtbank met het oog op de evaluatie van de opgelegde sanctie en in voorkomend geval voor het uitwerken en opleggen van een vervolgtraject. | |
| 15 | 15 | Vanaf de leeftijd van achttien jaar verschijnen de minderjarige delictplegers jaarlijks voor de evaluatie van de opgelegde sanctie, en in voorkomend geval voor het uitwerken en opleggen van een vervolgtraject. | |
| 17 | 17 | De jeugdrechtbank kan echter: | |
| 18 | 18 | 1° de sanctie ook opleggen zonder dat zij over het verslag van het medisch-psychologisch onderzoek beschikt, als zij constateert dat de minderjarige delict-pleger zich aan dat onderzoek onttrekt of weigert zich eraan te onderwerpen; | |
| 19 | − | 2° de sanctie ook opleggen zonder dat zij een maatschappelijk onderzoek en een medisch-psychologisch onderzoek heeft laten uitvoeren, als bij vonnis al een sanctie genomen is ten aanzien van een minderjarige delictpleger en die een of meer feiten als vermeld in de artikelen 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 393, 394, 395, 396, 397, 400, 401, 417/2, 417/3, 417/7, 417/11, 417/12 tot en met 417/17, 417/25 tot en met 417/41, 428, § 5, 468, 469, 470, 471, 472, 473, 474 en 475 van het Strafwetboek, heeft gepleegd , nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt, en die persoon opnieuw wordt vervolgd omdat hij na die eerste veroordeling weer een of meer van de voormelde feiten heeft gepleegd. De stukken van de vorige procedure worden bij die van de nieuwe procedure gevoegd; | |
| 19 | + | 2° de sanctie ook opleggen zonder dat zij een maatschappelijk onderzoek en een medisch-psychologisch onderzoek heeft laten uitvoeren, als bij vonnis al een sanctie genomen is ten aanzien van een minderjarige delictpleger en die een of meer feiten als vermeld in de artikelen 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 393, 394, 395, 396, 397, 400, 401, 417/2, 417/3, 417/7, 417/11, 417/12 tot en met 417/17, 417/25 tot en met 417/41, 428, § 5, 468, 469, 470, 471, 472, 473, 474 en 475 van het Strafwetboek, heeft gepleegd of een poging heeft ondernomen om een feit als vermeld in artikel 393 tot en met 397 van het Strafwetboek te plegen, nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt, en die persoon opnieuw wordt vervolgd omdat hij na die eerste veroordeling weer een of meer van de voormelde feiten heeft gepleegd. De stukken van de vorige procedure worden bij die van de nieuwe procedure gevoegd; | |
| 20 | 20 | 3° onder dezelfde voorwaarden als vermeld in 2°, de sanctie opleggen ten aanzien van een minderjarige delictpleger die een feit, dat als misdaad wordt omschreven en waarop een straf staat die hoger ligt dan twintig jaar opsluiting, heeft gepleegd nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en pas wordt vervolgd nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. | |
| 21 | 21 | § 7. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de organisatie van de gesloten begeleiding van maximaal twee, vijf of zeven jaar, en de inhoud en de invulling van de opdrachten die hiermee gepaard gaan en de wijze waarop deze opdrachten worden uitgevoerd in de gemeenschapsinstellingen. De Vlaamse Regering kan voor bepaalde specifieke doelgroepen programma's erkennen en de toegankelijkheid tot die programma's bepalen. | |
| 22 | − | § 8. Het toevertrouwen van een minderjarige delictpleger aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten begeleiding als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt in voorkomend geval gecombineerd met een terbeschikkingstelling van de jeugdrechtbank van maximaal tien jaar, na het einde van de hier vermelde sanctie. De jeugdrechtbank legt de terbeschikkingstelling op en bepaalt de duur ervan uiterlijk op het moment van de uitspraak van de hier vermelde sanctie. | |
| 23 | − | De terbeschikkingstelling kan enkel worden uitgesproken wanneer de volgende voorwaarden cumulatief voldaan zijn: | |
| 24 | − | 1° het jeugddelict dat de minderjarige delictpleger gepleegd heeft, is een feit als vermeld in de artikelen 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, § 2, 375, zevende lid, 376, eerste lid, 393, 394, 395, 396, 397, 417ter, derde lid, 2°, 428, § 5, 474 en 475 van het Strafwetboek, voor zover deze strafbaar zijn met twintig jaar opsluiting of meer; | |
| 25 | − | 2° de minderjarige delictpleger is zich op het ogenblik van de feiten ten volle bewust van de ernst van de feiten en de gevolgen die zijn daad tot gevolg hebben, rekening houdend met zijn persoonlijkheid, zijn omgeving en zijn maturiteitsgraad, onverminderd artikel 71 van het Strafwetboek; | |
| 26 | − | 3° een verdere opvolging is noodzakelijk na het aflopen van de sanctie met het oog op de bescherming van de fysieke en psychische integriteit van de minderjarige delictpleger of van derden en gelet op de ernst van de strafbare feiten met het oog op de bescherming van de maatschappij tegen een hoog risico op recidive. | |
| 27 | − | Aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, 1°, 2° en 3°, moet cumulatief voldaan zijn op het ogenblik van de beslissing van de jeugdrechtbank tot terbeschikkingstelling en op het ogenblik van het verstrijken van de duur van de met toepassing van paragraaf 1, opgelegde sanctie. De jeugdrechtbank kan de terbeschikkingstelling alleen opleggen nadat zij een maatschappelijk en medisch-psychologisch onderzoek heeft laten verrichten door een multidisciplinair samengesteld team. Het medisch-psychologisch onderzoek is erop gericht de situatie te evalueren in functie van de persoonlijkheid, zijn omgeving en de maturiteitsgraad van de minderjarige delictpleger en omvat tevens een advies omtrent de voorwaarden als vermeld in het tweede lid, 2° en 3°. Ten vroegste drie maanden en uiterlijk één maand voor het verstrijken van de duur van de met toepassing van paragraaf 1, opgelegde sanctie, spreekt de jeugdrechtbank zich uit over het handhaven, het verminderen van de duur of het opheffen van de terbeschikkingstelling en de wijze waarop zij uitvoering geeft aan de terbeschikkingstelling. De jeugdrechtbank kan deze beslissing enkel nemen op basis van een geactualiseerd maatschappelijk en medisch-psychologisch verslag dat niet ouder mag zijn dan één maand. | |
| 28 | − | De terbeschikkingstelling van de jeugdrechtbank die ten aanzien van de minderjarige delictpleger is uitgesproken, neemt aanvang bij het verstrijken van de termijn van de met toepassing van paragraaf 1, opgelegde sanctie. | |
| 29 | − | De jeugdrechtbank kan in de uitvoering van de terbeschikkingstelling de minderjarige delictpleger: | |
| 30 | − | 1° een ambulante sanctie opleggen; | |
| 31 | − | 2° voorwaarden opleggen overeenkomstig artikel 34; | |
| 32 | − | 3° toevertrouwen aan een afdeling van een gemeenschapsinstelling ingericht voor personen die een sanctie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet. | |
| 33 | − | De jeugdrechtbank kan mits bijzondere motivering ter ondersteuning aan de reactie als vermeld in het voorgaand lid, 1° en 2°, als modaliteit een elektronische monitoring als vermeld in artikel 29, § 4, opleggen. | |
| 34 | − | De jeugdrechtbank evalueert uiterlijk binnen de zes maanden na de aanvang van de terbeschikkingstelling en vervolgens elke zes maanden, de uitvoering van de terbeschikkingstelling, met het oog op de handhaving ervan, het wijzigen of het opheffen. | |
| 35 | − | De terbeschikkingstelling aan de jeugdrechtbank neemt in elk geval een einde op het ogenblik dat de minderjarige delictpleger de volle leeftijd van vijfentwintig jaar heeft bereikt. Uiterlijk drie maanden voor het bereiken van de leeftijd van vijfentwintig jaar, of in voorkomend geval onmiddellijk na de uitspraak van de jeugdrechtbank zoals bedoeld in het tweede lid, maakt de jeugdrechtbank het gerechtelijk dossier over aan de territoriale bevoegde strafuitvoeringsrechtbank met het oog op de verdere uitvoering van de terbeschikkingstelling op grond van dit decreet uitgesproken en dit overeenkomstig titel XIbis, hoofdstuk 1, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten. De jeugdrechtbank kan de beslissing tot het overmaken van het dossier aan de strafuitvoeringsrechtbank enkel nemen op basis van een geactualiseerd maatschappelijk en medisch-psychologisch verslag dat niet ouder mag zijn dan één maand. | |
| 22 | + | § 8. ... | |
| 36 | 23 | § 9. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de opmaak en inhoud van het medisch-psychologisch onderzoek. | |
| 3 | 3 | De jeugdrechtbank kan evenwel alleen beslissen tot uithandengeving als bovendien cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan: | |
| 4 | 4 | 1° de minderjarige verdachte, vermeld in het eerste lid, is het voorwerp geweest van een of meer sancties, vermeld in de artikelen 35, 36 en 37; | |
| 5 | − | 2° het gepleegde jeugddelict betreft een feit als vermeld in de artikelen 373, 379, 400, 401, 417/2, 417/3, 417/11, 417/12 tot en met 417/17, 428, §5, 468, 469, 470, 471, 472, 473 en 474 van het Strafwetboek of een poging tot het plegen van een feit als vermeld in de artikelen 393, 394, 395, 396 en 397 van het Strafwetboek. | |
| 5 | + | 2° het gepleegde jeugddelict betreft een feit als vermeld in artikel 400, 401, 417/2, 417/3, 417/7, 417/25 tot en met 417/41, 428, §5, en artikel 468 tot en met 474 van het Strafwetboek. | |
| 6 | − | De jeugdrechtbank kan ook beslissen tot uithandengeving wanneer de minderjarige verdachte een feit heeft gepleegd als vermeld in de artikelen 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 393, 394, 395, 396, 397, 417/11, 417/12 tot en met 417/17en 475 van het Strafwetboek. | |
| 6 | + | De jeugdrechtbank kan ook beslissen tot uithandengeving als de minderjarige verdachte een feit heeft gepleegd als vermeld in artikel 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 393 tot en met 397, 417/11, 417/12 tot en met 417/17, en 475 van het Strafwetboek, of een poging heeft ondernomen om een feit als vermeld in artikel 393 tot en met 397 van het Strafwetboek, te plegen. | |
| 7 | 7 | De motivering, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, wordt opgesteld in functie van de persoonlijkheid van de minderjarige verdachte, zijn maturiteitsgraad en zijn omgeving. | |
| 8 | 8 | Dit artikel kan worden toegepast als de minderjarige verdachte op het tijdstip van het vonnis de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, maar op het ogenblik van de feiten nog geen achttien jaar was. | |
| 12 | 12 | De jeugdrechtbank kan echter: | |
| 13 | 13 | 1° de zaak uit handen geven zonder dat zij over het verslag van het medisch-psychologisch onderzoek beschikt, als ze constateert dat de minderjarige verdachte zich aan dat onderzoek onttrekt of weigert zich eraan te onderwerpen; | |
| 14 | − | 2° de zaak uit handen geven zonder dat zij een maatschappelijk onderzoek en een medisch-psychologisch onderzoek heeft laten uitvoeren, als bij vonnis al een sanctie genomen is ten aanzien van een minderjarige verdachte en die een of meer feiten als vermeld in de artikelen 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 373, 375, 376, 379, 393, 394, 395, 396, 397, 400, 401, 417/2, 417/3, 417/11, 417/12 tot en met 417/17, 428, §5, 468, 469, 470, 471, 472, 473, 474 en 475 van het Strafwetboek, heeft gepleegd, nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt, en die persoon opnieuw wordt vervolgd omdat hij na die eerste veroordeling weer een of meer van de voormelde feiten heeft gepleegd. De stukken van de vorige procedure worden bij die van de nieuwe procedure gevoegd; | |
| 14 | + | 2° de zaak uit handen geven zonder dat zij een maatschappelijk onderzoek en een medisch-psychologisch onderzoek heeft laten uitvoeren, als bij vonnis al een sanctie genomen is ten aanzien van een minderjarige verdachte en die een of meer feiten als vermeld in artikel 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 393 tot en met 397, 400, 401, 417/2, 417/3, 417/7, 417/11, 417/12 tot en met 417/17, 417/25 tot en met 417/41, 428, §5, en artikel 468 tot en met 475 van het Strafwetboek, heeft gepleegd, of een poging heeft ondernomen om een feit als vermeld in artikel 393 tot en met 397 van het Strafwetboek, te plegen, nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt, en die persoon opnieuw wordt vervolgd omdat hij na die eerste veroordeling weer een of meer van de voormelde feiten heeft gepleegd. De stukken van de vorige procedure worden bij die van de nieuwe procedure gevoegd; | |
| 15 | 15 | 3° onder dezelfde voorwaarden als vermeld in 2°, uitspraak doen over de vordering tot het uit handen geven ten aanzien van een minderjarige verdachte die een feit, dat als misdaad wordt omschreven en waarop een straf staat die hoger ligt dan twintig jaar opsluiting, heeft gepleegd nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en pas wordt vervolgd nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. | |
| 1 | + | De kernpartners, vermeld in artikel 41/2, §1, organiseren minimaal in elk gerechtelijk arrondissement een integrale en multidisciplinaire ketenaanpak jeugddelinquentie met de minderjarige en zijn gezin om de volgende doelstellingen te realiseren: | |
| 2 | + | 1° de fysieke en psychische integriteit van de minderjarige, het gezin van de minderjarige en de slachtoffers of potentiële slachtoffers in de maatschappij beschermen door recidive te voorkomen door de hulp- en dienstverlening voor de minderjarige en zijn gezin te installeren, te verstevigen en te coördineren; | |
| 3 | + | 2° de minderjarige, het gezin van de minderjarige en de betrokken personen uit de leefomgeving van de minderjarige intensief betrekken; | |
| 4 | + | 3° het sociale netwerk van de minderjarige installeren of verstevigen; 4° de minderjarige op de eigen verantwoordelijkheid aanspreken; | |
| 5 | + | 5° perspectief bieden binnen de verschillende leefdomeinen en het welzijn van de minderjarige bevorderen; | |
| 6 | + | 6° een aanklampende regie, intensieve multidisciplinaire samenwerking en accurate informatiedeling waarborgen tussen actoren uit de domeinen welzijn, onderwijs, geestelijke gezondheidszorg, lokale besturen, politionele en gerechtelijke actoren, en die permanent monitoren en optimaliseren; | |
| 7 | + | 7° hiaten in de huidige aanpak van minderjarige verdachten en delictplegers blootleggen en beleidssignalen formuleren. | |
| 8 | + | De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden bepalen voor de opvolging en de inhoudelijke invulling van een integrale en multidisciplinaire ketenaanpak jeugddelinquentie en kan die subsidiëren op basis van de subsidievoorwaarden die ze heeft vastgesteld. |
| 1 | + | §1. De volgende kernpartners organiseren een integrale en multidisciplinaire ketenaanpak jeugddelinquentie: | |
| 2 | + | 1° de lokale besturen; | |
| 3 | + | 2° de voorzieningen die erkend zijn voor delictgerichte contextbegeleiding, vermeld in artikel 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp; | |
| 4 | + | 3° de diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling, vermeld in artikel 21 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp; | |
| 5 | + | 4° de centra voor algemeen welzijnswerk, vermeld in artikel 6 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende het algemeen welzijnswerk; | |
| 6 | + | 5° de centra voor leerlingenbegeleiding, vermeld in het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding; | |
| 7 | + | 6° het agentschap Opgroeien, opgericht bij artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Opgroeien; | |
| 8 | + | 7° de sociale dienst jeugdrechtbank, vermeld in artikel 56 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp; | |
| 9 | + | 8° de gemeenschapsinstellingen, vermeld in artikel 2, 4°, van dit decreet. | |
| 10 | + | §2. De kernpartners, vermeld in paragraaf 1, kunnen een minderjarige verdachte of delictpleger aanmelden bij de coördinator van een integrale en multidisciplinaire ketenaanpak jeugddelinquentie, indien de volgende criteria cumulatief vervuld zijn: | |
| 11 | + | 1° de minderjarige heeft verschillende jeugddelicten gepleegd in escalerende vorm waarbij de fysieke of psychische integriteit van potentiële slachtoffers in het gedrang dreigt te komen; | |
| 12 | + | 2° de minderjarige ondervindt problemen op verschillende levensdomeinen; | |
| 13 | + | 3° een intensief traject met de minderjarige, zijn gezin en de betrokken personen uit de leefomgeving van de minderjarige is noodzakelijk om recidive te voorkomen en om perspectief te bieden binnen de verschillende leefdomeinen; | |
| 14 | + | 4° intersectorale infodeling en casusoverleg tussen actoren uit de domeinen welzijn, onderwijs, geestelijke gezondheidszorg, lokale besturen, politionele en gerechtelijke actoren zijn noodzakelijk om een afgestemd traject met aanklampende regie op verschillende levensdomeinen te waarborgen. | |
| 15 | + | De functie van coördinator, vermeld in het eerste lid, wordt opgenomen door een kernpartner, vermeld in paragraaf 1. | |
| 16 | + | Op basis van de aanmelding gaat de coördinator na of voldaan is aan de criteria, vermeld in het eerste lid. | |
| 17 | + | Als de aanmelding voldoet aan de criteria, vermeld in het eerste lid, krijgen de kernpartners op uitnodiging van de coördinator de mogelijkheid om de aanmelding aan te vullen met objectieve informatie omtrent een eventueel reeds lopend traject binnen de eigen organisatie en een inschatting omtrent welke partners noodzakelijk kunnen zijn voor het aangewezen vervolgtraject en de haalbaarheid van een ketenaanpak. | |
| 18 | + | Op basis van de aanmelding, vermeld in het eerste lid, en de aanvullende informatie, vermeld in het vierde lid, beslist de coördinator of een integrale en multidisciplinaire ketenaanpak jeugddelinquentie wordt opgestart. | |
| 19 | + | De informatie die wordt uitgewisseld in het kader van een aanmelding als vermeld in het eerste lid, en de aanvulling van een aanmelding, vermeld in het vierde lid, betreft een voorbereiding op het casusoverleg en valt onder de geheimhoudingsplicht, vermeld in artikel 458ter, §2, van het Strafwetboek. De organisaties, vermeld in artikel 41/2, §1, eerste lid, kunnen deze informatie in het kader van een aanmelding als vermeld in het eerste lid en de aanvulling van een aanmelding, vermeld in het vierde lid, uitwisselen zonder dat deze mededeling strafbaar wordt gesteld conform artikel 458 van het Strafwetboek. |
| 1 | + | Binnen een integrale en multidisciplinaire ketenaanpak jeugddelinquentie kan een casusoverleg conform artikel 458ter van het Strafwetboek worden georganiseerd om een individueel traject uit te werken. | |
| 2 | + | Aan een casusoverleg kunnen op uitnodiging van de coördinator van een integrale en multidisciplinaire ketenaanpak jeugddelinquentie de volgende actoren en organisaties deelnemen vanwege hun betrokkenheid bij en kennis van de minderjarige en zijn gezin of een noodzakelijke specifieke inhoudelijke expertise: | |
| 3 | + | 1° de kernpartners, vermeld in artikel 41/2, §1, eerste lid, van dit decreet; | |
| 4 | + | 2° de erkende voorzieningen, vermeld in artikel 1, 15°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp, met uitzondering van de centra voor integrale gezinszorg; | |
| 5 | + | 3° onderwijsinstellingen als vermeld in artikel 2, 13°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs; | |
| 6 | + | 4° de erkende centra voor geestelijke gezondheidszorg, vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de geestelijke gezondheidszorg; | |
| 7 | + | 5° de diensten en voorzieningen uit de geestelijke gezondheidszorg; | |
| 8 | + | 6° de OverKophuizen, vermeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2021 over de financiering van vernieuwend aanbod in de preventieve gezinsondersteuning; | |
| 9 | + | 7° de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, vermeld in artikel 2, §1, eerste lid, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur; | |
| 10 | + | 8° de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, vermeld in artikel 3, §1, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap “Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding”; | |
| 11 | + | 9° het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap; | |
| 12 | + | 10° de voorzieningen die vergund, erkend of gesubsidieerd worden door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, vermeld in artikel 8, 2°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap; | |
| 13 | + | 11° de kinder of jeugdpsychiatrie; | |
| 14 | + | 12° de politiediensten, vermeld in artikel 1 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, op delegatie van het bevoegde openbaar ministerie; | |
| 15 | + | 13° het openbaar ministerie; | |
| 16 | + | 14° een vertegenwoordiging van de rechtbank van eerste aanleg, sectie jeugd; 15° de jeugdadvocaat van de minderjarige; | |
| 17 | + | 16° andere actoren en organisaties dan de actoren en organisaties, vermeld in punt 1° tot en met 15°, die door een bepaalde expertise geacht worden een noodzakelijke bijdrage te kunnen leveren aan een geïndividualiseerde casusgerichte opvolging. | |
| 18 | + | Voor dossiers op de brug tussen minder- en meerderjarigheid kan ook het Agentschap Justitie en Handhaving deelnemen aan het casusoverleg vanuit zijn opdracht, vermeld in artikel 4, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 september 2021 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap “Agentschap Justitie en Handhaving”. | |
| 19 | + | De leden van de diensten, de voorzieningen en de gesubsidieerde organisaties, vermeld in het tweede lid, kunnen op vrijwillige basis deelnemen aan een integrale en multidisciplinaire ketenaanpak jeugddelinquentie, als de coördinator hen daartoe uitnodigt. Een genodigde die niet wenst deel te nemen aan het casusoverleg, bezorgt een gemotiveerd antwoord aan de coördinator. Dit gemotiveerde antwoord dient niet verstrekt te worden indien de genodigde een vrijwilliger als vermeld in artikel 3, 2°, van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, is. Het gemotiveerde antwoord valt onder de geheimhoudingsplicht, vermeld in artikel 458ter, §2, van het Strafwetboek. | |
| 20 | + | De leden van de diensten, de voorzieningen en de gesubsidieerde organisaties, vermeld in het tweede lid, kunnen de informatie opgenomen in het gemotiveerde antwoord uitwisselen zonder dat deze mededeling strafbaar wordt gesteld conform artikel 458 van het Strafwetboek |
| 1 | + | De actoren en organisaties, vermeld in artikel 41/3, tweede lid, die uitgenodigd zijn voor een casusoverleg met het oog op een integrale en multidisciplinaire ketenaanpak jeugddelinquentie, kunnen zich laten vertegenwoordigen door een vaste afgevaardigde. | |
| 2 | + | De uitgenodigde persoon of de persoon van de uitgenodigde organisatie, die rechtstreeks betrokken is bij de minderjarige over wie een casusoverleg wordt georganiseerd, kan ten overstaan van de vaste afgevaardigde, vermeld in het eerste lid, voorafgaand aan en met het oog op deelname aan het casusoverleg, de noodzakelijke informatie voor dat casusoverleg meedelen, zonder dat die mededeling strafbaar wordt gesteld conform artikel 458 van het Strafwetboek. Door de voormelde informatie-uitwisseling wordt de voormelde vaste afgevaardigde onderworpen aan dezelfde bepalingen over gegevensbescherming, het ambtsgeheim, de discretieplicht en het beroepsgeheim als de persoon die de informatie verstrekt. | |
| 3 | + | De vaste afgevaardigde, vermeld in het eerste lid, kan ten overstaan van die persoon, die rechtstreeks betrokken is bij de minderjarige over wie een casusoverleg wordt georganiseerd, na het casusoverleg informatie meedelen uit het casusoverleg die op het casusoverleg is besproken. Door de voormelde informatie-uitwisseling wordt de persoon, die rechtstreeks betrokken is bij de minderjarige over wie een casusoverleg wordt georganiseerd, onderworpen aan de geheimhoudingsplicht, vermeld in artikel 458ter, §2, van het Strafwetboek. |
| 1 | + | Deelnemers aan een casusoverleg kunnen conform artikel 458ter van het Strafwetboek tijdens een casusoverleg alleen informatie delen als die informatie relevant en proportioneel is met het oog op de doelstelling van het casusoverleg, namelijk de bescherming van de fysieke en psychische integriteit van de minderjarige, het gezin van de minderjarige en de slachtoffers of potentiële slachtoffers in de maatschappij door recidive te voorkomen door de hulp- en dienstverlening voor de minderjarige en zijn gezin te installeren, te verstevigen en te coördineren. | |
| 2 | + | Deelnemers zijn vrij om te bepalen welke informatie ze delen tijdens het casusoverleg, met het oog op de doelstelling van het casusoverleg, vermeld in het eerste lid. | |
| 3 | + | Van het casusoverleg kan een verslag worden opgemaakt dat wordt bijgehouden in de gezamenlijke dossieromgeving, vermeld in artikel 44/1, §1, derde lid, 4°. |
| 1 | + | §1. Conform artikel 458ter, §2, van het Strafwetboek zijn de deelnemers tot geheimhouding verplicht met betrekking tot de geheimen die tijdens het casusoverleg worden meegedeeld. | |
| 2 | + | §2. Een deelnemer aan het casusoverleg kan informatie die op het casusoverleg is meegedeeld, delen met de minderjarige en de ouders of opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige als er een consensus is van alle deelnemers aan het casusoverleg over al de volgende elementen: | |
| 3 | + | 1° er is tussen alle deelnemers aan het casusoverleg consensus over welke informatie gedeeld kan worden met welke personen en welke deelnemer aan het casusoverleg die informatie zal delen; | |
| 4 | + | 2° de informatie die wordt meegedeeld heeft geen betrekking op derden; | |
| 5 | + | 3° de informatiedeling is noodzakelijk om hulp- en dienstverlening voor de minderjarige en zijn gezin te installeren of te verstevigen en een individueel traject op maat uit te werken. | |
| 6 | + | De geheimhoudingsplicht, vermeld in paragraaf 1, kan niet verbroken worden vanwege een rapportageplicht van een deelnemer, tenzij daarover consensus van alle deelnemers bestaat op het casusoverleg conform het eerste lid.”. |
| 1 | − | § 1. Met het oog op de uitvoering van de opdrachten, toegewezen aan de diensten, vermeld in artikel 11, § 4, eerste lid, artikel 12, § 1, tweede lid, artikel 13, § 1, vierde lid, artikel 18, § 2, artikel 22, § 3, eerste lid, artikel 23, § 1, derde lid, artikel 24, tweede lid, en artikel 25, § 6, eerste lid, de gesloten oriëntatie, de gemeenschapsinstellingen de sociale dienst worden persoonsgegevens van de minderjarige, zijn ouders, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken en, in voorkomend geval, de slachtoffers, inclusief gegevens over gezondheid als vermeld in artikel 9 en persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten als vermeld in artikel 10 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, verwerkt. | |
| 1 | + | § 1. Met het oog op de uitvoering van de opdrachten, toegewezen aan de diensten, vermeld in artikel 11, § 4, eerste lid, artikel 12, § 1, tweede lid, artikel 13, § 1, vierde lid, artikel 18, § 2, artikel 22, § 3, eerste lid, artikel 23, § 1, derde lid, artikel 24, tweede lid, en artikel 25, § 6, eerste lid, de gesloten oriëntatie, de gemeenschapsinstelling, het Agentschap Justitie en Handhaving en de sociale dienst worden persoonsgegevens van de minderjarige, zijn ouders, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken en, in voorkomend geval, de slachtoffers, inclusief gegevens over gezondheid als vermeld in artikel 9 en persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten als vermeld in artikel 10 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, verwerkt. | |
| 2 | 2 | De dienst, vermeld in artikel 11, § 4, eerste lid, artikel 12, § 1, tweede lid, artikel 13, § 1, vierde lid, artikel 22, § 3, eerste lid, artikel 23, § 1, derde lid, en artikel 25, § 6, eerste lid, verwerkt minstens de persoonsgegevens met het oog op de identificatie van de betrokken personen en gerechtelijke gegevens. | |
| 3 | 3 | De dienst, vermeld in artikel 24, tweede lid, verwerkt minstens de persoonsgegevens met het oog op de identificatie van de betrokken personen, gegevens over gezondheid en gerechtelijke gegevens. | |
| 4 | 4 | De dienst, vermeld in artikel 18, § 2, verwerkt minstens de persoonsgegevens, waaronder identificatiegegevens van de ouders en gegevens met betrekking tot de context van de minderjarige en gerechtelijke gegevens. | |
| 5 | 5 | De gesloten oriëntatie, de gemeenschapsinstelling en de sociale dienst verwerken minstens de persoonsgegevens, waaronder identificatiegegevens en gegevens met betrekking tot de context van de minderjarige, gegevens over gezondheid en gerechtelijke gegevens. | |
| 6 | + | De afdelingen justitiehuizen en VCET van het Agentschap Justitie en Handhaving kunnen de volgende persoonsgegevens verwerken: | |
| 7 | + | 1° de identificatiegegevens, het rijksregisternummer en de contactgegevens; | |
| 8 | + | 2° de gegevens over beroep, beroepsbekwaamheid, opleiding en vorming; | |
| 9 | + | 3° de leeftijd, het geslacht, de nationaliteit, de burgerlijke staat en het verblijfsstatuut; | |
| 10 | + | 4° de gegevens over schulden en solvabiliteit; | |
| 11 | + | 5° de gegevens over de levensstijl, de vrijetijdsbesteding en de sociale context; | |
| 12 | + | 6° de gegevens over de gezinssamenstelling; | |
| 13 | + | 7° de gegevens over de woonomstandigheden; | |
| 14 | + | 8° de politionele en gerechtelijke gegevens; | |
| 15 | + | 9° de gegevens over de gezondheid; | |
| 16 | + | 10° de gegevens over risicosituaties en -gedragingen; 11° de gegevens waaruit herkomst of afkomst blijkt; | |
| 17 | + | 12° de gegevens over seksueel gedrag of seksuele gerichtheid; | |
| 18 | + | 13° de gegevens waaruit politieke, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen blijken; | |
| 19 | + | 14° de lokalisatiegegevens. | |
| 20 | + | De gegevens, vermeld in het zesde lid, 11° tot en met 13°, kunnen enkel worden verwerkt door de afdeling Justitiehuizen. | |
| 21 | + | De gegevens, vermeld in het zesde lid, 14°, kunnen enkel worden verwerkt door de afdeling VCET voor de controle op het individuele uurrooster en de uitvoering van de individuele voorwaarden in het kader van elektronische monitoring. | |
| 6 | 22 | § 2. De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de entiteit die optreedt als Gegevensbeschermingsautoriteit, de eventuele andere gegevenscategorieën die door diensten, sociale dienst, gesloten oriëntatie, en gemeenschapsinstelling verwerkt zullen worden en de nadere regels over de vorm waarin en de wijze waarop persoonsgegevens worden uitgewisseld. | |
| 7 | 23 | De dienst, vermeld in artikel 11, § 4, eerste lid, verwerkt de gegevens met als doel de voorwaarden die opgelegd worden door de procureur des Konings op te volgen en hiervan het nodige bewijs te leveren aan de procureur des Konings. | |
| 15 | 31 | De gesloten oriëntatie verwerkt de gegevens met als doel een multidisciplinaire screening en een risicotaxatie uit te voeren. Deze onderzoeken resulteren in een oriëntatievoorstel gericht aan de jeugdrechter. | |
| 16 | 32 | De gemeenschapsinstelling verwerkt de gegevens met als doel om delictvoorkomend te kunnen werken. | |
| 33 | + | De sociale dienst verwerkt de gegevens met de volgende doelstellingen: | |
| 17 | − | De sociale dienst verwerkt de gegevens met als doel de door de jeugdrechtbank gevraagde maatschappelijke onderzoeken, overeenkomstig artikel 50 van de wet van 8 april 1965 te kunnen aanleveren en de ondertoezichtstelling van de minderjarige te kunnen uitvoeren. | |
| 34 | + | 1° de maatschappelijke onderzoeken die de jeugdrechtbank vraagt conform artikel 50 van de wet van 8 april 1965, aanleveren; | |
| 35 | + | 2° de ondertoezichtstelling van de minderjarige uitvoeren; | |
| 36 | + | 3° voorzien in een gepaste begeleiding voor de minderjarige gedurende een elektronische monitoring. | |
| 37 | + | De afdelingen justitiehuizen en VCET van het Agentschap Justitie en Handhaving verwerken de gegevens, vermeld in paragraaf 1, zesde lid, met de volgende doelstellingen: | |
| 38 | + | 1° de opdrachten, vermeld in artikel 5, 1° en 2°, van het decreet van 26 april 2019 houdende de justitiehuizen en de juridische eerstelijnsbijstand uitvoeren; | |
| 39 | + | 2° de controle op het individuele uurrooster en de uitvoering van de individuele voorwaarden in het kader van elektronische monitoring; | |
| 40 | + | 3° toezicht houden op de uitvoering van voorwaarden of ambulante reacties als de minderjarige verdachte of delictpleger de volle leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, en de begeleiding van de minderjarige verdachte of delictpleger daarbij. | |
| 18 | − | § 3. De verwerkingsverantwoordelijke van persoonsgegevens is het hoofd van het Agentschap Jongerenwelzijn, voor de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van de opdrachten van de gemeenschapsinstelling, de gesloten oriëntatie, en van de sociale dienst. | |
| 41 | + | § 3. De verwerkingsverantwoordelijke van persoonsgegevens is het hoofd van het Agentschap Opgroeien regie, voor de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van de opdrachten van de gemeenschapsinstelling, de gesloten oriëntatie, en van de sociale dienst. De persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1, eerste tot en met vijfde lid, worden bewaard tot de betrokkene de leeftijd van vijfendertig jaar heeft bereikt. | |
| 19 | − | De verwerkingsverantwoordelijke van persoonsgegevens is de dienst voor de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van de opdrachten omschreven in artikel 11, § 4, eerste lid, artikel 12, § 1, tweede lid, artikel 13, § 1, vierde lid, artikel 18, § 2, artikel 22, § 3, eerste lid, artikel 23, § 1, derde lid, artikel 24, tweede lid en artikel 25, §6, eerste lid. | |
| 42 | + | De verwerkingsverantwoordelijke van persoonsgegevens is de dienst voor de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van de opdrachten omschreven in artikel 11, § 4, eerste lid, artikel 12, § 1, tweede lid, artikel 13, § 1, vierde lid, artikel 18, § 2, artikel 22, § 3, eerste lid, artikel 23, § 1, derde lid, artikel 24, tweede lid artikel 25, §6, eerste lid, en artikel 37/1, §3. | |
| 43 | + | De verwerkingsverantwoordelijke is het Agentschap Justitie en Handhaving, met het oog op de uitvoering van de taken, vermeld in paragraaf 2, dertiende lid. De persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1, zesde lid, worden bewaard overeenkomstig artikel 8 van het decreet van 26 april 2019 houdende de justitiehuizen en de juridische eerstelijnsbijstand en haar uitvoeringsbesluiten. | |
| 20 | 44 | § 4. Voor de uitvoering van dit decreet worden de volgende instanties aangewezen als dienstenintegrator: | |
| 21 | 45 | 1° het eHealth-platform, opgericht bij de wet van 21 augustus 2008 houdende oprichting en organisatie van het eHealth-platform, met betrekking tot de gegevensdeling in functie van de verstrekte jeugdhulpverlening, met uitzondering van de gegevens, vermeld in punt 2°, a) en b); | |
| 1 | − | Met het oog op wetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit van de voorziene reacties bezorgen de diensten, vermeld in artikel 11, § 4, eerste lid, artikel 12, § 1, tweede lid, artikel 13, § 1, vierde lid, artikel 18, § 2, artikel 22, § 3, eerste lid, artikel 23, § 1, derde lid, artikel 24, tweede lid, en artikel 25, § 6, eerste lid, de gesloten oriëntatie, de gemeenschapsinstellingen de sociale dienst geanonimiseerde of gecodeerde persoonsgegevens aan de Vlaamse overheid. Wanneer dit volstaat voor het betrokken onderzoek, worden de gegevens enkel in geanonimiseerde vorm bezorgd. | |
| 1 | + | Met het oog op wetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit van de voorziene reacties bezorgen de diensten, vermeld in artikel 11, § 4, eerste lid, artikel 12, § 1, tweede lid, artikel 13, § 1, vierde lid, artikel 18, § 2, artikel 22, § 3, eerste lid, artikel 23, § 1, derde lid, artikel 24, tweede lid, en artikel 25, § 6, eerste lid, de gesloten oriëntatie, de gemeenschapsinstelling, het Agentschap Justitie en Handhaving en de sociale dienst geanonimiseerde of gecodeerde persoonsgegevens aan de Vlaamse overheid. Wanneer dit volstaat voor het betrokken onderzoek, worden de gegevens enkel in geanonimiseerde vorm bezorgd. | |
| 2 | 2 | De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de entiteit die optreedt als Gegevensbeschermingsautoriteit, nadere regels over de vorm waarin en de wijze waarop de persoonsgegevens worden uitgewisseld. Ze bepaalt, in voorkomend geval, ook de wijze waarop de persoonsgegevens worden gecodeerd. | |
| 3 | 3 | In dit artikel wordt verstaan onder gecodeerde persoonsgegevens: persoonsgegevens die slechts door middel van een code in verband kunnen worden gebracht met een geïdentificeerd of identificeerbaar persoon. |
| 1 | − | De diensten, vermeld in artikel 11, § 4, eerste lid, artikel 12, § 1, tweede lid, artikel 13, § 1, vierde lid, artikel 18, § 2, artikel 22, § 3, eerste lid, artikel 23, § 1, derde lid, artikel 24, tweede lid, en artikel 25, § 6, eerste lid, de gesloten oriëntatie, de gemeenschapsinstellingen de sociale dienst, wisselen onder elkaar persoonsgegevens uit met het oog op de uitvoering van de hun toegewezen opdrachten, geregeld bij dit decreet. | |
| 1 | + | De diensten, vermeld in artikel 11, § 4, eerste lid, artikel 12, § 1, tweede lid, artikel 13, § 1, vierde lid, artikel 18, § 2, artikel 22, § 3, eerste lid, artikel 23, § 1, derde lid, artikel 24, tweede lid, en artikel 25, § 6, eerste lid, de gesloten oriëntatie, de gemeenschapsinstelling, het Agentschap Justitie en Handhaving en de sociale dienst, wisselen onder elkaar persoonsgegevens uit met het oog op de uitvoering van de hun toegewezen opdrachten. | |
| 2 | 2 | Met behoud van de toepassing van de verplichtingen en beperkingen die voortvloeien uit de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens of uit de regelgeving van de sectoren, is de gegevensuitwisseling onderworpen aan de volgende voorwaarden: | |
| 3 | 3 | 1° de gegevensuitwisseling heeft alleen betrekking op gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de aan de diensten, vermeld in het eerste lid, toegewezen opdrachten; | |
| 1 | + | §1. Voor zover het noodzakelijk is om de doelstelling van een integrale en multidisciplinaire ketenaanpak jeugddelinquentie te realiseren, kunnen de organisaties, vermeld in artikel 41/3, tweede lid, de volgende persoonsgegevens verwerken: | |
| 2 | + | 1° identificatiegegevens, waaronder rijksregisternummer of identificatienummer | |
| 3 | + | van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid; | |
| 4 | + | 2° contactgegevens; | |
| 5 | + | 3° gegevens over beroep, beroepsbekwaamheid, opleiding en vorming; | |
| 6 | + | 4° leeftijd, geslacht, nationaliteit, burgerlijke staat en verblijfsstatuut; | |
| 7 | + | 5° gegevens betreffende schulden en solvabiliteit; | |
| 8 | + | 6° gegevens betreffende de levensstijl, vrijetijdsbesteding en sociale context; | |
| 9 | + | 7° gegevens betreffende de gezinssamenstelling; | |
| 10 | + | 8° gegevens betreffende de woonomstandigheden; | |
| 11 | + | 9° politionele en gerechtelijke gegevens; | |
| 12 | + | 10° gegevens betreffende de gezondheid; | |
| 13 | + | 11° gegevens betreffende risicosituaties en gedragingen; | |
| 14 | + | 12° gegevens waaruit herkomst of afkomst blijkt; | |
| 15 | + | 13° gegevens waaruit politieke, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen blijken. | |
| 16 | + | De minderjarige, het gezin van de minderjarige, de betrokken personen uit de leefomgeving van de minderjarige en, in voorkomend geval, de slachtoffers zijn de personen van wie de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, kunnen worden verwerkt. | |
| 17 | + | De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, kunnen op de volgende wijzen worden verwerkt: | |
| 18 | + | 1° de deelnemers aan een casusoverleg, vermeld in artikel 41/3, tweede lid, kunnen persoonsgegevens delen met en ontvangen van andere deelnemers aan het casusoverleg; | |
| 19 | + | 2° de deelnemers aan een casusoverleg, vermeld in artikel 41/3, tweede lid, kunnen persoonsgegevens delen met de coördinator als dat noodzakelijk is om de aanmelding van een minderjarige te realiseren; | |
| 20 | + | 3° de partners die instaan voor een individueel traject binnen de integrale en multidisciplinaire ketenaanpak jeugddelinquentie, kunnen de persoonsgegevens verwerken om een afgestemd traject op te starten en te doorlopen met de minderjarige, het gezin van de minderjarige en de betrokken personen uit de leefomgeving van de minderjarige; | |
| 21 | + | 4° de persoonsgegevens kunnen worden opgenomen in een gezamenlijke dossieromgeving als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het vierde lid. | |
| 22 | + | Voor de beveiliging van de dossieromgeving, vermeld in het derde lid, 4°, worden passende maatregelen genomen, waaronder een behoorlijk gebruikersen toegangsbeheer, conform de geheimhoudingsplicht, vermeld in artikel 458ter, §2, van het Strafwetboek, en conform de beveiliging van de verwerking, vermeld in artikel 32 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). | |
| 23 | + | De Vlaamse Regering kan de basisvereisten voor de dossieromgeving, vermeld in het derde lid, 4°, bepalen. | |
| 24 | + | §2. De verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1, gebeurt conform artikel 6, lid 1, e), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). | |
| 25 | + | De verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1, kan ook de verwerking omvatten van de bijzondere categorieën van persoonsgegevens, vermeld in artikel 9, lid 1, van de voormelde verordening. De voormelde verwerkingen worden beschouwd als noodzakelijke verwerkingen om redenen van zwaarwegend algemeen belang als vermeld in artikel 9, lid 2, g), van de voormelde verordening. | |
| 26 | + | De verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1, kan ook de verwerking omvatten van persoonsgegevens als vermeld in artikel 10 van de voormelde verordening. | |
| 27 | + | §3. De deelnemers aan het casusoverleg treden elk individueel op als verwerkingsverantwoordelijke met betrekking tot de verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1. | |
| 28 | + | De coördinator van de lokale integrale en multidisciplinaire ketenaanpak jeugddelinquentie is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gezamenlijke dossieromgeving, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 4°. | |
| 29 | + | De organisaties die deelnemen aan het casusoverleg, vermeld in artikel 41/3, tweede lid, zijn verantwoordelijk voor de inhoud die ze ter beschikking stellen via de voormelde dossieromgeving, en voor het zorgvuldige gebruik van de gegevens, die al dan niet persoonsgegevens zijn, die ze verkregen hebben via de voormelde dossieromgeving. | |
| 30 | + | §4. De persoonsgegevens worden bewaard tot de betrokkene de leeftijd van vijfendertig jaar heeft bereikt. | |
| 31 | + | §5. Met het oog op beleidsondersteuning en rapportering aan het agentschap Opgroeien regie kunnen de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1, worden verwerkt op voorwaarde dat daaruit geen informatie kan worden afgeleid waaruit de identiteit van een betrokkene rechtstreeks of onrechtstreeks blijkt. | |
| 32 | + | §6. Organisaties die deelnemen aan het casusoverleg, vermeld in artikel 41/3, tweede lid, nemen de passende maatregelen met het oog op transparantie ten aanzien van de betrokkenen. Deze maatregelen hebben onder meer tot doel dat de globale regeling inzake gegevensverwerking in het kader van een casusoverleg voldoende duidelijk is voor de betrokkenen. De communicatie hieromtrent wordt ter beschikking gesteld in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal. |
| 1 | 1 | Onverminderd het tweede en derde lid, treedt dit decreet in werking op 1 september 2019. | |
| 2 | 2 | Voor de artikelen 25, § 1, derde lid, 32, derde lid, 33, tweede lid en 34, § 1, derde lid, voor zover de vervangende reactie het toevertrouwen van de minderjarige delictpleger aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor minderjarigen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet betreft, 26, 27, 35, 36, 37, met uitzondering van 37, § 8, 38, 39, 84, 85 en 86, bepaalt de Vlaamse Regering de datum van inwerkingtreding nadat zij uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat de nodige randvoorwaarden zijn gerealiseerd die toelaten dat deze artikelen kunnen uitgevoerd worden. Deze artikelen treden uiterlijk in werking op 28 februari 2023. | |
| 3 | − | Artikel 37, § 8, treedt in werking drie maanden na publicatie in het Belgisch Staatsblad van de laatste van de instemmingsdaden van het samenwerkingsakkoord tussen de Vlaamse Gemeenschap en de Federale Staat. | |
| 4 | 3 | Als de Vlaamse Regering, met het oog op de realisatie van deze randvoorwaarden investeringssteun geeft overeenkomstig de toepasselijke regelgeving, kan zij ook diegene die de investeringssteun bekomt, toezeggen dat de nodige erkenningen en werkingsmiddelen zullen toegekend worden op het ogenblik dat de infrastructuur waarvoor de investeringssteun wordt verleend, in gebruik wordt genomen. |