§ flandrepo

Decreet tot wijziging van diverse decreten over welzijn, volksgezondheid en gezin

Vlaamse Regering #698 Staatsblad 18 juni 2021 NUMAC 2021031619
48 artikels gewijzigd
+14 −0 decreet-2019-12-20/art. 39
1§ 1. Voor alle subsidies binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap waarvan de evolutie gekoppeld is aan de schommelingen van een prijsindexcijfer, wordt, voor het gedeelte van de niet-looncomponent van de subsidie, de indexaanpassing niet verrekend in het begrotingsjaar 2020 tot en met 2024.
2Het eerste lid is niet van toepassing op:
31° de betaalde vergoedingen, vermeld in artikel 16 van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg;
42° artikel 65, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 november 2013 houdende de subsidies en de eraan gekoppelde voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening door gezinsopvang en groepsopvang van baby's en peuters;
53° artikel 55 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 2012 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning;
64° de tarieven voor zakgeld, vermeld in bijlage 3 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp;
75° de zakgelden die worden toegekend voor minderjarigen met een handicap op basis van artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 tot bepaling van het bedrag, de voorwaarden voor de toekenning en de wijze van vereffening van een vrij besteedbaar bedrag voor minderjarigen aan wie residentiële jeugdhulpverlening wordt geboden in voorzieningen die erkend zijn en gesubsidieerd worden door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
86° de huursubsidie, zoals vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2007 tot instelling van een tegemoetkoming in de huurprijs voor woonbehoeftige huurders;
97° de huurpremie, zoals vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2012 tot instelling van een tegemoetkoming voor kandidaat-huurders;
108° de subsidies verleend in het kader van artikel 9 en artikel 19 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
119° de premie verleend op basis van artikel 94, § 1, van de programmawet van 30 december 1988, hoofdstuk II. Opzetting van een stelsel van gesubsidieerde contractuelen bij sommige openbare besturen;
1210° de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen, vermeld in deel 2, titel 4, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming;
1311° de studiefinanciering, vermeld in artikel 46 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap.
14De toepassing van het eerste lid mag niet leiden tot een nominale vermindering van de subsidies, vermeld in het eerste lid.
+1 −0 groeipakketdecreet-van-2018/art. 1/1 nieuw
1Dit decreet wordt aangehaald als: het Groeipakketdecreet van 2018.
+2 −2 groeipakketdecreet-van-2018/art. 3
2820° hoger onderwijs: hoger onderwijs als vermeld in artikel 5, 16° /1, van het decreet van 8 juni 2007;2820° hoger onderwijs: hoger onderwijs als vermeld in artikel 5, 16° /1, van het decreet van 8 juni 2007;
2921° interne leerling: de volgende leerlingen worden beschouwd als interne leerlingen:2921° interne leerling: de volgende leerlingen worden beschouwd als interne leerlingen:
30a) de leerling die gedurende het schooljaar in kwestie minstens vijf maanden verblijft in een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd internaat;30a) de leerling die gedurende het schooljaar in kwestie minstens 149 dagen verblijft in een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd internaat;
31b) de leerling die gedurende het schooljaar in kwestie een huurovereenkomst heeft gesloten voor minstens vijf maanden, voor een woning die zich bevindt op een ander adres dan zijn hoofdverblijfplaats;31b) de leerling die gedurende het schooljaar in kwestie een huurovereenkomst heeft gesloten voor minstens 149 dagen, voor een woning die zich bevindt op een ander adres dan zijn hoofdverblijfplaats;
32c) de leerling die in het buitenland een opleiding volgt;32c) de leerling die in het buitenland een opleiding volgt;
33d) de gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerling;33d) de gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerling;
+3 −3 groeipakketdecreet-van-2018/art. 27
51° hij 150 halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 3 jaar bereikt. In afwijking hiervan moet de leerling die pas na 31 december van hetzelfde schooljaar de leeftijd van 3 jaar bereikt, 100 halve schooldagen aanwezig zijn op school;51° hij 150 halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 3 jaar bereikt. In afwijking hiervan moet de leerling die pas na 31 december van hetzelfde schooljaar de leeftijd van 3 jaar bereikt, 100 halve schooldagen aanwezig zijn op school;
62° hij 185 halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 4 jaar bereikt;62° hij 185 halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 4 jaar bereikt;
73° hij 250 halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 5 jaar bereikt;73° hij 290 halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 5 jaar bereikt;
84° hij niet meer dan 29 halve schooldagen ongewettigd afwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 6 of 7 jaar bereikt.84° hij niet meer dan 29 halve schooldagen ongewettigd afwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 6 of 7 jaar bereikt.
9§ 3. Een kleuter wordt geacht een halve dag aanwezig te zijn als dit blijkt uit de registratie in het aanwezigheidsregister van de school.9§ 3. Een kleuter wordt geacht een halve dag aanwezig te zijn als dit blijkt uit de registratie in het aanwezigheidsregister van de school.
10Een leerplichtige kleuter is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van de leerlingen in het basisonderwijs.10Een leerplichtige kleuter is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van de leerlingen in het basisonderwijs.
11§ 4. In afwijking van paragraaf 3, bepaalt de Vlaamse Regering wanneer een leerling geacht wordt voldoende aanwezig te zijn, wanneer de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs, overeenkomstig artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, over een afwijkende uurregeling beschikt.11§ 4. In afwijking van paragraaf 2, bepaalt de Vlaamse Regering wanneer een leerling geacht wordt voldoende aanwezig te zijn, wanneer de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs, overeenkomstig artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, over een afwijkende uurregeling beschikt.
12§ 5. In afwijking van paragraaf 2 en paragraaf 3, eerste lid, wordt een kleuter tijdens het betrokken schooljaar geacht voldoende aanwezig te zijn, indien een attest van een arts, een paramedicus als vermeld in het koninklijk besluit van 2 juli 2009 tot vaststelling van de lijst van de paramedische beroepen, of een houder van een diploma in kinesitherapie als vermeld in artikel 21bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitvoering van de gezondheidsberoepen, voorgelegd wordt. Het attest bevat een verklaring dat de in een school ingeschreven kleuter tijdens het betrokken schooljaar niet of slechts onregelmatig naar school kan gaan. Het attest wordt door de aanvrager of de wettelijke vertegenwoordiger van de leerling bij wie de betrokken leerling zijn hoofdverblijfplaats heeft, teruggestuurd naar de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering.12§ 5. In afwijking van paragraaf 2 en paragraaf 3, eerste lid, wordt een kleuter tijdens het betrokken schooljaar geacht voldoende aanwezig te zijn, indien een attest van een arts, een paramedicus als vermeld in het koninklijk besluit van 2 juli 2009 tot vaststelling van de lijst van de paramedische beroepen, of een houder van een diploma in kinesitherapie als vermeld in artikel 21bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitvoering van de gezondheidsberoepen, voorgelegd wordt. Het attest bevat een verklaring dat de in een school ingeschreven kleuter tijdens het betrokken schooljaar niet of slechts onregelmatig naar school kan gaan. Het attest wordt door een ouder of een werkelijke opvoeder van de leerling bij wie de betrokken leerling zijn hoofdverblijfplaats heeft, teruggestuurd naar de uitbetalingsactor.
13§ 6. In afwijking van paragraaf 3 worden halve dagen aanwezigheid in de rijdende kleuterschool zoals bepaald in artikel 168 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 beschouwd als aanwezigheid in de erkende school waar de leerling ingeschreven is.13§ 6. In afwijking van paragraaf 3 worden halve dagen aanwezigheid in de rijdende kleuterschool zoals bepaald in artikel 168 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 beschouwd als aanwezigheid in de erkende school waar de leerling ingeschreven is.
+5 −0 groeipakketdecreet-van-2018/art. 28
1§ 1. Om het recht op een selectieve participatietoeslag kleuteronderwijs vast te stellen, meldt het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming aan het agentschap Opgroeien regie:
21° welke leerlingen op de laatste schooldag van juni in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 26, zijn ingeschreven;
32° welke leerlingen in het kleuteronderwijs gedurende het schooljaar in kwestie en het daaraan voorafgaande schooljaar niet voldoende aanwezig zijn geweest als vermeld in artikel 27, § 2 tot en met § 6.
4§ 2. Het agentschap Opgroeien regie meldt aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming het aantal kinderen dat selectieve participatietoeslagen kleuteronderwijs ontvangt.
5§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens, vermeld in paragraaf 1 en 2, moeten worden meegedeeld.
+6 −0 groeipakketdecreet-van-2018/art. 31
1§ 1. Om het recht op een selectieve participatietoeslag lager onderwijs vast te stellen, meldt het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming aan het agentschap Opgroeien regie:
21° welke leerlingen op de laatste schooldag van juni in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 29, zijn ingeschreven;
32° welke leerlingen in het lager onderwijs ongewettigd afwezig zijn geweest of niet voldoende aanwezig zijn geweest als vermeld in artikel 30, § 2 tot en met § 4;
43° welke leerlingen uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van uitschrijving in het lager onderwijs niet opnieuw zijn ingeschreven in het lager onderwijs.
5§ 2. Het agentschap Opgroeien regie meldt aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming het aantal kinderen dat selectieve participatietoeslagen lager onderwijs ontvangt.
6§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens, vermeld in paragraaf 1 en 2, moeten worden meegedeeld.
+10 −0 groeipakketdecreet-van-2018/art. 34
1§ 1. Aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, wordt geen selectieve participatietoeslag secundair onderwijs toegekend in een van de volgende gevallen:
21° in het schooljaar in kwestie is hij niet ingeschreven in een onderwijsinstelling of centrum als vermeld in artikel 32;
32° hij is ongewettigd afwezig geweest;
43° uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van uitschrijving uit een instelling voor secundair onderwijs of uit de leertijd in een centrum zoals bedoeld in artikel 32 is hij niet opnieuw ingeschreven in een instelling voor secundair onderwijs of in de leertijd in een centrum zoals bedoeld in artikel 32.
5In afwijking van het eerste lid, 3°, behoudt de rechthebbende leerling in het secundair onderwijs die op 30 juni van het schooljaar in kwestie niet langer ingeschreven is in een instelling voor secundair onderwijs of een centrum zoals bedoeld in artikel 32, zijn toelage, op voorwaarde dat hij in de loop van dat schooljaar zijn kwalificatie behaalde.
6§ 2. Een leerling wordt tijdens een schooljaar geacht niet voldoende aanwezig te zijn als de leerling gedurende het schooljaar in kwestie 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest tijdens de lessen in de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor voltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, en/of het werkplekleren dat deel uitmaakt van de opleiding in de periode van 1 september tot en met 30 juni, en als hij gedurende het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar in kwestie 30, al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest tijdens de lessen in de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor voltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs, en/of het werkplekleren dat deel uitmaakt van de opleiding in de periode van 1 september tot en met 30 juni.
7§ 3. Een leerling in het secundair onderwijs en het deeltijds leerplichtonderwijs wordt geacht aanwezig te zijn wanneer deze tijdens de lessen of het werkplekleren daadwerkelijk aanwezig is of niet ongewettigd afwezig is.
8Een leerling is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van leerlingen in het secundair onderwijs of in het stelsel van leren en werken.
9In afwijking van het tweede lid is een leerling die met een erkende leerovereenkomst of -verbintenis in het kader van de leertijd een opleiding volgt in een erkend en gesubsidieerd centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, onwettig afwezig wanneer deze problematisch afwezig is als vermeld in de uitvoeringsreglementering aangenomen door de Vlaamse Regering in het kader van de leertijd krachtens artikelen 58 en 59 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.
10§ 4. In afwijking van paragraaf 2, bepaalt de Vlaamse Regering het aantal halve schooldagen dat een leerling in het voltijds secundair onderwijs maximaal per schooljaar ongewettigd afwezig mag zijn, wanneer de onderwijsinstelling in kwestie overeenkomstig artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs, over een afwijkende uurregeling beschikt.
+7 −0 groeipakketdecreet-van-2018/art. 36
1§ 1. Om het recht op en het bedrag van een selectieve participatietoeslag in het secundair onderwijs vast te stellen, meldt het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming aan het agentschap Opgroeien regie:
21° welke leerlingen in welk structuuronderdeel zijn ingeschreven in een onderwijsinstelling of een centrum als vermeld in artikel 32;
32° de datum van inschrijving;
43° de datum van eventuele uitschrijving;
54° welke leerlingen ongewettigd afwezig zijn geweest als vermeld in artikel 34, § 2 tot en met § 4,.
6§ 2. Het agentschap Opgroeien regie meldt aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming het aantal kinderen dat selectieve participatietoeslagen secundair onderwijs ontvangt.
7§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens, vermeld in paragraaf 1 en 2, moeten worden meegedeeld. De Vlaamse Regering bepaalt ook welke instellingen aan het agentschap Opgroeien regie moeten melden dat een leerling een interne leerling is en de wijze waarop ze dat moeten melden.
+1 −0 groeipakketdecreet-van-2018/art. 57
64° de niet uit de ouderlijke macht ontzette ouder als een van de ouders uit de ouderlijke macht is ontzet;64° de niet uit de ouderlijke macht ontzette ouder als een van de ouders uit de ouderlijke macht is ontzet;
75° de bekende ouder als één ouder niet bekend is.75° de bekende ouder als één ouder niet bekend is.
86° de ouder die de bevoegde rechtbank daarvoor aanwijst in het belang van het kind.
8§ 3. Het rechtgevende kind is de begunstigde van de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1 van boek 2:9§ 3. Het rechtgevende kind is de begunstigde van de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1 van boek 2:
91° als het gehuwd is;101° als het gehuwd is;
+1 −1 groeipakketdecreet-van-2018/art. 65
9§ 5. Als de begunstigden geen uitbetalingsactor aanwijzen, vóór de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de gebeurtenis die aanleiding geeft tot het openen van het recht zich voordoet, neemt het agentschap de betaling van de betrokken toelagen vanaf die maand op. De begunstigden worden door het agentschap op de hoogte gebracht dat zij gedurende een termijn van drie maanden na de maand waarin de betrokken gebeurtenis zich voordeed, de keuze kunnen kenbaar maken om aan te sluiten bij een uitbetalingsactor. Deze uitbetalingsactor neemt de betalingen over van het agentschap de maand nadat de begunstigden hun keuze hebben gemaakt. Indien het agentschap binnen die termijn als uitbetalingsactor wordt gekozen, zet zij de betalingen verder.9§ 5. Als de begunstigden geen uitbetalingsactor aanwijzen, vóór de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de gebeurtenis die aanleiding geeft tot het openen van het recht zich voordoet, neemt het agentschap de betaling van de betrokken toelagen vanaf die maand op. De begunstigden worden door het agentschap op de hoogte gebracht dat zij gedurende een termijn van drie maanden na de maand waarin de betrokken gebeurtenis zich voordeed, de keuze kunnen kenbaar maken om aan te sluiten bij een uitbetalingsactor. Deze uitbetalingsactor neemt de betalingen over van het agentschap de maand nadat de begunstigden hun keuze hebben gemaakt. Indien het agentschap binnen die termijn als uitbetalingsactor wordt gekozen, zet zij de betalingen verder.
10Indien de begunstigden niet binnen de in het eerste lid vermelde periode een keuze voor een uitbetalingsactor hebben gemaakt, worden de begunstigden van rechtswege aangesloten bij het agentschap. De aansluiting van rechtswege heeft dezelfde gevolgen als vermeld in paragraaf 2, tweede lid.10Indien de begunstigden niet binnen de in het eerste lid vermelde periode een keuze voor een uitbetalingsactor hebben gemaakt, worden de begunstigden van rechtswege aangesloten bij het agentschap. De aansluiting van rechtswege heeft dezelfde gevolgen als vermeld in paragraaf 2, tweede lid.
11Als beide begunstigden niet bepalen op welke bankrekening de toelagen, vermeld in paragraaf 1, aan hen moeten worden uitbetaald vóór de eerste van de maand die volgt op de maand waarin het recht is ontstaan, of als een van beide begunstigden zijn toestemming intrekt, worden de toelagen uitbetaald aan de jongste onder hen. De begunstigde kan een uitbetalingsactor van zijn keuze aanduiden, onder voorbehoud van het bepaalde inzake de minimale aansluiting van één jaar in paragraaf 2, tweede lid, van dit artikel.De begunstigde kan daarentegen wel degelijk een nieuw bankrekeningnummer kiezen onder toepassing van paragraaf 2, derde lid.11Als beide begunstigden niet bepalen op welke bankrekening de toelagen, vermeld in paragraaf 1, aan hen moeten worden uitbetaald vóór de eerste van de maand die volgt op de maand waarin het recht is ontstaan, of als een van beide begunstigden zijn toestemming intrekt, worden de toelagen uitbetaald aan de jongste onder hen. De voormelde jongste begunstigde kan een uitbetalingsactor van zijn keuze aanduiden, onder voorbehoud van het bepaalde inzake de minimale aansluiting van één jaar in paragraaf 2, tweede lid, van dit artikel.De voormelde jongste begunstigde kan daarentegen wel degelijk een nieuw bankrekeningnummer kiezen onder toepassing van paragraaf 2, derde lid.
12In afwijking daarvan en met behoud van de toepassing van artikel 67 wordt, als een van de werkelijke opvoeders een pleegzorger is als vermeld in artikel 59, § 2, de toelage, vermeld in paragraaf 1, altijd uitbetaald aan de pleegzorger.12In afwijking daarvan en met behoud van de toepassing van artikel 67 wordt, als een van de werkelijke opvoeders een pleegzorger is als vermeld in artikel 59, § 2, de toelage, vermeld in paragraaf 1, altijd uitbetaald aan de pleegzorger.
13§ 6. De Vlaamse Regering legt de uitvoeringsregels vast voor de eerste uitbetalingen en de keuze van de bankrekening en bepaalt de voorwaarden voor de keuze van uitbetalingsactor, de mogelijke aansluiting van rechtswege en voor de overdracht tussen uitbetalingsactoren.13§ 6. De Vlaamse Regering legt de uitvoeringsregels vast voor de eerste uitbetalingen en de keuze van de bankrekening en bepaalt de voorwaarden voor de keuze van uitbetalingsactor, de mogelijke aansluiting van rechtswege en voor de overdracht tussen uitbetalingsactoren.
+1 −1 groeipakketdecreet-van-2018/art. 72
9§ 5. Als de ouders of werkelijke opvoeders geen uitbetalingsactor aanwijzen, vóór de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de gebeurtenis die aanleiding geeft tot het openen van het recht zich voordoet, neemt het agentschap de betaling van de betrokken toelagen vanaf die maand op. De ouders of werkelijke opvoeders worden door het agentschap op de hoogte gebracht dat ze gedurende een termijn van drie maanden na de maand waarin de betrokken gebeurtenis zich voordeed, de keuze kunnen kenbaar maken om aan te sluiten bij een uitbetalingsactor. Deze uitbetalingsactor neemt de betalingen over van het agentschap de maand nadat de ouders of werkelijke opvoeders hun keuze hebben gemaakt. Indien het agentschap binnen die termijn als uitbetalingsactor wordt gekozen, zet zij de betalingen verder.9§ 5. Als de ouders of werkelijke opvoeders geen uitbetalingsactor aanwijzen, vóór de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de gebeurtenis die aanleiding geeft tot het openen van het recht zich voordoet, neemt het agentschap de betaling van de betrokken toelagen vanaf die maand op. De ouders of werkelijke opvoeders worden door het agentschap op de hoogte gebracht dat ze gedurende een termijn van drie maanden na de maand waarin de betrokken gebeurtenis zich voordeed, de keuze kunnen kenbaar maken om aan te sluiten bij een uitbetalingsactor. Deze uitbetalingsactor neemt de betalingen over van het agentschap de maand nadat de ouders of werkelijke opvoeders hun keuze hebben gemaakt. Indien het agentschap binnen die termijn als uitbetalingsactor wordt gekozen, zet zij de betalingen verder.
10Indien de ouders of werkelijke opvoeders niet binnen de in het eerste lid vermelde periode een keuze voor een uitbetalingsactor hebben gemaakt, wordt de begunstigde van rechtswege aangesloten bij het agentschap. De aansluiting van rechtswege heeft dezelfde gevolgen als vermeld in paragraaf 2, tweede lid.10Indien de ouders of werkelijke opvoeders niet binnen de in het eerste lid vermelde periode een keuze voor een uitbetalingsactor hebben gemaakt, wordt de begunstigde van rechtswege aangesloten bij het agentschap. De aansluiting van rechtswege heeft dezelfde gevolgen als vermeld in paragraaf 2, tweede lid.
11Als beide ouders of de werkelijke opvoeders niet bepalen op welke bankrekening de selectieve participatietoeslagen leerling en de andere toelagen aan hen moeten worden uitbetaald vóór de eerste van de maand die volgt op de maand waarin het recht is ontstaan, of als een van beide ouders of werkelijke opvoeders zijn toestemming intrekt, worden de selectieve participatietoeslagen leerling en de andere toelagen uitbetaald aan de jongste onder hen. 11Als beide ouders of de werkelijke opvoeders niet bepalen op welke bankrekening de selectieve participatietoeslagen leerling en de andere toelagen aan hen moeten worden uitbetaald vóór de eerste van de maand die volgt op de maand waarin het recht is ontstaan, of als een van beide ouders of werkelijke opvoeders zijn toestemming intrekt, worden de selectieve participatietoeslagen leerling en de andere toelagen uitbetaald aan de jongste onder hen. De voormelde jongste ouder of werkelijke opvoeder kan een uitbetalingsactor van zijn keuze aanwijzen, onder voorbehoud van de bepaling over de minimale aansluiting van één jaar in paragraaf 2, tweede lid. De voormelde jongste ouder of werkelijke opvoeder kan daarentegen een nieuw bankrekeningnummer kiezen conform paragraaf 2, derde lid.
12In afwijking daarvan worden, als een van de werkelijke opvoeders een pleegzorger is als vermeld in artikel 59, § 2, de toelagen, vermeld in paragraaf 1, altijd uitbetaald aan de pleegzorger.12In afwijking daarvan worden, als een van de werkelijke opvoeders een pleegzorger is als vermeld in artikel 59, § 2, de toelagen, vermeld in paragraaf 1, altijd uitbetaald aan de pleegzorger.
13§ 6. De Vlaamse Regering legt de regels vast voor de eerste uitbetalingen en de keuze van de bankrekening en bepaalt de voorwaarden voor de keuze van uitbetalingsactor, de mogelijke aansluiting van rechtswege en voor de overdracht tussen uitbetalingsactoren.13§ 6. De Vlaamse Regering legt de regels vast voor de eerste uitbetalingen en de keuze van de bankrekening en bepaalt de voorwaarden voor de keuze van uitbetalingsactor, de mogelijke aansluiting van rechtswege en voor de overdracht tussen uitbetalingsactoren.
+1 −1 decreet-2019-02-15/art. 2
2019° sanctie: het maatschappelijk antwoord op een jeugddelict tijdens de rechtspleging ten gronde, met uitsluiting van het herstelrechtelijk aanbod, de uithandengeving en het toevertrouwen van een minderjarige aan een afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst als vermeld in artikel 39;2019° sanctie: het maatschappelijk antwoord op een jeugddelict tijdens de rechtspleging ten gronde, met uitsluiting van het herstelrechtelijk aanbod, de uithandengeving en het toevertrouwen van een minderjarige aan een afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst als vermeld in artikel 39;
2120° slachtoffer: de persoon die verklaart morele of materiële schade te hebben geleden die veroorzaakt is door een jeugddelict;2120° slachtoffer: de persoon die verklaart morele of materiële schade te hebben geleden die veroorzaakt is door een jeugddelict;
2221° sociale dienst: de Sociale Dienst voor Gerechtelijke Jeugdhulpverlening, vermeld in artikel 56 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;2221° sociale dienst: de Sociale Dienst Jeugdrechtbank, vermeld in artikel 56 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;
2322° voorbereidende rechtspleging: de rechtspleging met het oog op de toepassing van een van de maatregelen, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2;2322° voorbereidende rechtspleging: de rechtspleging met het oog op de toepassing van een van de maatregelen, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2;
2423° wet van 8 april 1965: de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade.2423° wet van 8 april 1965: de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade.
+4 −3 decreet-2019-02-15/art. 16
8Uit de genomen beslissing blijkt duidelijk op welke wijze met de factoren rekening is gehouden.8Uit de genomen beslissing blijkt duidelijk op welke wijze met de factoren rekening is gehouden.
9§ 2. De jeugdrechter of jeugdrechtbank kan te allen tijde, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, de opgelegde maatregelen of sancties ten aanzien van de minderjarige verdachte of delictpleger herzien, door deze in te trekken of te wijzigen in een minder strenge of ingrijpende maatregel of sanctie.9§ 2. De jeugdrechter of jeugdrechtbank kan te allen tijde, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, de opgelegde maatregelen of sancties ten aanzien van de minderjarige verdachte of delictpleger herzien, door deze in te trekken of te wijzigen in een minder strenge of ingrijpende maatregel of sanctie.
10De minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken, kunnen, via gemotiveerd verzoekschrift, de herziening van een opgelegde maatregel vragen. Zij kunnen de vraag, om een minder strenge of ingrijpende maatregel te nemen, stellen na een termijn van drie maanden vanaf de dag waarop de beslissing definitief werd. De griffie bezorgt het openbaar ministerie onverwijld een kopie van het verzoekschrift. De jeugdrechter hoort de minderjarige verdachte en zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken, alsmede het openbaar ministerie ingeval het erom verzoekt. De verzoeker mag geen nieuw verzoekschrift indienen dat hetzelfde voorwerp heeft alvorens een termijn van drie maanden is verstreken vanaf de datum van de laatste beslissing houdende verwerping van zijn verzoek.10De minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken, kunnen, via gemotiveerd verzoekschrift, de herziening van een opgelegde maatregel vragen. Zij kunnen de vraag, om een minder strenge of ingrijpende maatregel te nemen, stellen na een termijn van drie maanden vanaf de dag waarop de beslissing definitief werd. De griffie bezorgt het openbaar ministerie onverwijld een kopie van het verzoekschrift. De verzoeker mag geen nieuw verzoekschrift indienen dat hetzelfde voorwerp heeft alvorens een termijn van drie maanden is verstreken vanaf de datum van de laatste beslissing houdende verwerping van zijn verzoek.
11De minderjarige delictpleger, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken, kunnen, via gemotiveerd verzoekschrift, de herziening van een opgelegde sanctie vragen. Zij kunnen de vraag, om een minder strenge of ingrijpende sanctie te nemen, stellen na een termijn van zes maanden vanaf de dag waarop de beslissing definitief werd. Indien dit verzoekschrift wordt afgewezen, kan het niet worden hernieuwd voordat zes maanden verstreken zijn sedert de dag waarop de afwijzende beslissing definitief is geworden.11De minderjarige delictpleger, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken, kunnen, via gemotiveerd verzoekschrift, de herziening van een opgelegde sanctie vragen. Zij kunnen de vraag, om een minder strenge of ingrijpende sanctie te nemen, stellen na een termijn van zes maanden vanaf de dag waarop de beslissing definitief werd. Indien dit verzoekschrift wordt afgewezen, kan het niet worden hernieuwd voordat zes maanden verstreken zijn sedert de dag waarop de afwijzende beslissing definitief is geworden.
12De jeugdrechter of jeugdrechtbank hoort bij elke procedure tot herziening de minderjarige verdachte of delictpleger en zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken. Ook het Openbaar Ministerie wordt gehoord als het daarom verzoekt.
12In het geval van uitvoering van een akkoord dat werd bereikt binnen het herstelrechtelijk aanbod als vermeld in artikel 30, geldt de wachttermijn van zes maanden voor het herzien van de sanctie. Ingeval de uitvoering van het akkoord volgens de daarin bepaalde regels plaatsvindt na de uitspraak van het vonnis, kan de zaak te allen tijde bij de jeugdrechtbank aanhangig worden gemaakt om de aan de minderjarige delictpleger opgelegde sanctie te herzien door deze in te trekken of te wijzigingen in een minder strenge of ingrijpende sanctie.13In het geval van uitvoering van een akkoord dat werd bereikt binnen het herstelrechtelijk aanbod als vermeld in artikel 30, geldt de wachttermijn van zes maanden voor het herzien van de sanctie. Ingeval de uitvoering van het akkoord volgens de daarin bepaalde regels plaatsvindt na de uitspraak van het vonnis, kan de zaak te allen tijde bij de jeugdrechtbank aanhangig worden gemaakt om de aan de minderjarige delictpleger opgelegde sanctie te herzien door deze in te trekken of te wijzigingen in een minder strenge of ingrijpende sanctie.
13Iedere sanctie zoals bedoeld in artikel 29, § 2, moet, voor zover geen bijzondere bepalingen voorzien zijn, opnieuw worden onderzocht, ten einde te worden bevestigd, ingetrokken of gewijzigd vóór het verstrijken van een termijn van één jaar te rekenen van de dag waarop de beslissing definitief is geworden. Deze procedure wordt ingeleid door het openbaar ministerie overeenkomstig de in artikel 45, 2°, b) en c), genoemde vormvereisten.14Iedere sanctie zoals bedoeld in artikel 29, § 2, moet, voor zover geen bijzondere bepalingen voorzien zijn, opnieuw worden onderzocht, ten einde te worden bevestigd, ingetrokken of gewijzigd vóór het verstrijken van een termijn van één jaar te rekenen van de dag waarop de beslissing definitief is geworden. Deze procedure wordt ingeleid door het openbaar ministerie overeenkomstig de vormvereisten, vermeld in artikel 45, 2, b) en c), van de wet van 8 april 1965.
14De bevoegde dienst die instaat voor de opvolging van de sanctie stuurt om de drie maanden aan de jeugdrechtbank een evaluatieverslag .15De bevoegde dienst die instaat voor de opvolging van de reactie, stuurt om de drie maanden een evaluatieverslag naar de jeugdrechter of de jeugdrechtbank.
15De jeugdrechter of jeugdrechtbank houdt er bij de herziening rekening mee dat het herstelgericht karakter van de maatregel of sanctie gevrijwaard blijft. Bij de herziening van een sanctie moet de jeugdrechtbank bijkomend de belangen van het slachtoffer in overweging nemen voordat zij een beslissing neemt. Indien nodig kan zij hiertoe een maatschappelijk onderzoek laten uitvoeren.16De jeugdrechter of jeugdrechtbank houdt er bij de herziening rekening mee dat het herstelgericht karakter van de maatregel of sanctie gevrijwaard blijft. Bij de herziening van een sanctie moet de jeugdrechtbank bijkomend de belangen van het slachtoffer in overweging nemen voordat zij een beslissing neemt. Indien nodig kan zij hiertoe een maatschappelijk onderzoek laten uitvoeren.
16Het slachtoffer wordt geïnformeerd over de beslissing tot herziening van de maatregel of de sanctie door de door de Vlaamse Regering bepaalde dienst.17Het slachtoffer wordt geïnformeerd over de beslissing tot herziening van de maatregel of de sanctie door de door de Vlaamse Regering bepaalde dienst.
+2 −2 decreet-2019-02-15/art. 20
1§ 1. De jeugdrechter kan aan de minderjarige verdachte, een herstelrechtelijk aanbod doen van bemiddeling of herstelgericht groepsoverleg.1§ 1. De jeugdrechter kan aan de minderjarige verdachte, een herstelrechtelijk aanbod doen van bemiddeling of herstelgericht groepsoverleg.
2In eerste instantie verdient een herstelrechtelijk aanbod de voorkeur. Als de jeugdrechter geen herstelrechtelijk aanbod doet, motiveert hij daaromtrent specifiek zijn beslissing.2Een herstelrechtelijk aanbod verdient de voorkeur. Als de jeugdrechter geen herstelrechtelijk aanbod doet, motiveert hij daaromtrent specifiek zijn beslissing.
3§ 2. De jeugdrechter kan, in voorkomend geval op cumulatieve wijze, in opgaande graad van het ingrijpende karakter van de maatregel en altijd in combinatie met een ondertoezichtstelling door de sociale dienst, de volgende maatregelen opleggen:3§ 2. De jeugdrechter kan, in voorkomend geval op cumulatieve wijze, in opgaande graad van het ingrijpende karakter van de maatregel en altijd in combinatie met een ondertoezichtstelling door de sociale dienst, de volgende maatregelen opleggen:
41° een positief project van ten hoogste zestig uur;41° een positief project van ten hoogste zestig uur;
95° de minderjarige verdachte toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten begeleiding van maximaal drie maanden opeenvolgend.95° de minderjarige verdachte toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten begeleiding van maximaal drie maanden opeenvolgend.
10De maatregelen, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3° /1, verdienen de voorkeur boven het toevertrouwen van de minderjarige aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet.10De maatregelen, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3° /1, verdienen de voorkeur boven het toevertrouwen van de minderjarige aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet.
11Als de jeugdrechter een maatregel als vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 5°, uitspreekt, bepaalt hij de maximumduur ervan. De duur van een maand, vermeld in het eerste lid, 4° en 5°, is dertig dagen. De maatregel als vermeld in het eerste lid, 5°, kan worden opgeheven voor hij zijn einddatum bereikt wanneer blijkt dat er voor de minderjarige verdachte geen behoefte aan gesloten begeleiding meer aanwezig is. De jeugdrechter kan ambtshalve, of op vordering van het openbaar ministerie, de opgelegde maatregel opheffen.11Als de jeugdrechter een maatregel als vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 5°, uitspreekt, bepaalt hij de maximumduur ervan. De duur van een maand, vermeld in het eerste lid, 4° en 5°, is dertig dagen.
12Alle maatregelen, vermeld in het eerste lid, betrekken op een actieve wijze de ouders of de opvoedingsverantwoordelijken en andere relevante personen uit de leefomgeving van de minderjarige verdachte.12Alle maatregelen, vermeld in het eerste lid, betrekken op een actieve wijze de ouders of de opvoedingsverantwoordelijken en andere relevante personen uit de leefomgeving van de minderjarige verdachte.
13De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels en modaliteiten waaraan de maatregelen, vermeld in het eerste lid, moeten voldoen.13De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels en modaliteiten waaraan de maatregelen, vermeld in het eerste lid, moeten voldoen.
+8 −4 decreet-2019-02-15/art. 21
1§ 1. Buiten de gevallen, vermeld in paragraaf 2, is de duur van de voorbereidende rechtspleging beperkt tot zes maanden vanaf de vordering, vermeld in artikel 14. De termijn van de voorbereidende rechtspleging wordt geschorst tussen de datum van neerlegging van de akte van hoger beroep en de datum van de uitspraak van het arrest.1§ 1. De duur van de voorbereidende rechtspleging is beperkt tot negen maanden vanaf de vordering, vermeld in artikel 14, tot en met het vonnis van de jeugdrechtbank.
2Als de termijn van zes maanden, vermeld in het eerste lid, wordt overschreden, is het niet meer mogelijk om een maatregel op te leggen behoudens voor de gevallen, vermeld in paragraaf 2.2Als de termijn van de voorbereidende rechtspleging, vermeld in het eerste lid, wordt overschreden, kan een opgelegde maatregel alleen nog blijven doorlopen, verlengd worden of herzien worden overeenkomstig artikel 16, § 2, in de gevallen, vermeld in paragraaf 4 en 5.
3De termijn van de voorbereidende rechtspleging, vermeld in het eerste lid, wordt geschorst:
41° tussen de datum van neerlegging van de akte van hoger beroep en de datum van de uitspraak van het arrest;
52° tijdens de duur van het uitstel tussen de inleidende zitting en het moment waarop de zaak in beraad wordt genomen.
3§ 2. In de volgende gevallen kan van de duur, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, worden afgeweken door de jeugdrechter:6§ 2. In de volgende gevallen kan van de duur, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, worden afgeweken door de jeugdrechter:
41° het onderzoek naar de feiten is nog niet afgerond;71° het onderzoek naar de feiten of een deskundigenonderzoek naar de persoonlijkheid van de minderjarige verdachte is nog niet afgerond;
52° het jeugddelict waarvan de minderjarige verdacht wordt het te hebben gepleegd, betreft een feit dat, als het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een opsluiting van vijf jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben.82° het jeugddelict waarvan de minderjarige verdacht wordt het te hebben gepleegd, betreft een feit dat, als het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een opsluiting van vijf jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben.
6In het geval één voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, vervuld is, bedraagt de maximumduur van de voorbereidende rechtspleging twaalf maanden.9In het geval één voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, vervuld is, bedraagt de maximumduur van de voorbereidende rechtspleging twaalf maanden.
8De jeugdrechter neemt hiertoe uitdrukkelijk uiterlijk voor het verstrijken van de in paragraaf 1 vermelde termijn, na de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken te hebben opgeroepen, een bijzondere gemotiveerde beslissing tot verlenging van de termijn van maximaal drie maanden en zolang de voorwaarden zijn vervuld, telkenmale voor het verstrijken van de aldus verlengde termijn.11De jeugdrechter neemt hiertoe uitdrukkelijk uiterlijk voor het verstrijken van de in paragraaf 1 vermelde termijn, na de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken te hebben opgeroepen, een bijzondere gemotiveerde beslissing tot verlenging van de termijn van maximaal drie maanden en zolang de voorwaarden zijn vervuld, telkenmale voor het verstrijken van de aldus verlengde termijn.
9§ 3. De voorbereidende rechtspleging kan zeer uitzonderlijk, zolang beide voorwaarden cumulatief vervuld blijven, na de termijn, vermeld in paragraaf 2, derde lid, maximaal per maand opeenvolgend verlengd worden, indien de jeugdrechter dergelijke verlenging absoluut noodzakelijk acht en de redenen hiervoor specifiek motiveert in zijn beslissing, na de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken te hebben opgeroepen.12§ 3. De voorbereidende rechtspleging kan zeer uitzonderlijk, zolang beide voorwaarden cumulatief vervuld blijven, na de termijn, vermeld in paragraaf 2, derde lid, maximaal per maand opeenvolgend verlengd worden, indien de jeugdrechter dergelijke verlenging absoluut noodzakelijk acht en de redenen hiervoor specifiek motiveert in zijn beslissing, na de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken te hebben opgeroepen.
10§ 4. In afwijking van artikel 24, derde lid, artikel 25, § 2, en artikel 27, § 1, eerste lid, kan de duur van de maatregel maximaal per drie maanden opeenvolgend verlengd worden en dit uiterlijk totdat de maximale termijn van de voorbereidende rechtspleging is verstreken.
13§ 4. Uiterlijk tot de maximale termijn van de voorbereidende rechtspleging is verstreken, kunnen de maatregelen, vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 1° tot en met 3° /1, en 5°, die de jeugdrechter heeft opgelegd, blijven doorlopen voor de oorspronkelijk bepaalde duur, verlengd worden of herzien worden overeenkomstig artikel 16, § 2. De maatregel wordt in voorkomend geval verlengd met een bijzonder gemotiveerde beslissing, na de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken te hebben opgeroepen. Binnen de termijn van maximaal twee jaar vanaf de vordering, vermeld in artikel 14, kan de maatregel maximaal per drie maanden opeenvolgend worden verlengd. Na die termijn kan de maatregel maximaal per maand opeenvolgend worden verlengd.
11§ 5. In afwijking van paragraaf 4 kan de duur van de maatregel, vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 3° /1, maximaal tweemaal verlengd worden met een termijn van maximaal drie maanden met een bijzondere gemotiveerde beslissing, na de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken te hebben opgeroepen.14§ 5. In afwijking van paragraaf 4 kan de duur van de maatregel, vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 3° /1, maximaal tweemaal verlengd worden met een termijn van maximaal drie maanden met een bijzondere gemotiveerde beslissing, na de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken te hebben opgeroepen.
15§ 6. Wanneer de duur van de voorlopige rechtspleging is verstreken en de minderjarige verdachte is gedagvaard om voor de jeugdrechtbank te verschijnen, kan de jeugdrechter de maatregel, vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 5°, verlengen met een bijzondere gemotiveerde beslissing voor het einde van die maatregel, met telkens een termijn van maximaal een maand en uiterlijk tot de dag waarop de beslissing ten gronde is genomen, indien ernstige en uitzonderlijke omstandigheden in verband met vereisten inzake openbare veiligheid dit vereisen en na de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken te hebben opgeroepen.
+2 −2 decreet-2019-02-15/art. 21
1§ 1. De duur van de voorbereidende rechtspleging is beperkt tot negen maanden vanaf de vordering, vermeld in artikel 14, tot en met het vonnis van de jeugdrechtbank.1§ 1. De duur van de voorbereidende rechtspleging is beperkt tot negen maanden vanaf de vordering, vermeld in artikel 14, tot en met het vonnis van de jeugdrechtbank.
2Als de termijn van de voorbereidende rechtspleging, vermeld in het eerste lid, wordt overschreden, kan een opgelegde maatregel alleen nog blijven doorlopen, verlengd worden of herzien worden overeenkomstig artikel 16, § 2, in de gevallen, vermeld in paragraaf 4 en 5.2Als de termijn van de voorbereidende rechtspleging, vermeld in het eerste lid, wordt overschreden, kan een opgelegde maatregel alleen nog blijven doorlopen, verlengd worden of herzien worden overeenkomstig artikel 16, § 2, in de gevallen, vermeld in paragraaf 4 tot en met 6.
3De termijn van de voorbereidende rechtspleging, vermeld in het eerste lid, wordt geschorst:3De termijn van de voorbereidende rechtspleging wordt geschorst:
41° tussen de datum van neerlegging van de akte van hoger beroep en de datum van de uitspraak van het arrest;41° tussen de datum van neerlegging van de akte van hoger beroep en de datum van de uitspraak van het arrest;
52° tijdens de duur van het uitstel tussen de inleidende zitting en het moment waarop de zaak in beraad wordt genomen.52° tijdens de duur van het uitstel tussen de inleidende zitting en het moment waarop de zaak in beraad wordt genomen.
+1 −1 decreet-2019-02-15/art. 25
20Om de drie maanden brengen de diensten, vermeld in het eerste lid, en verder telkens als ze het nuttig achten, of telkens als de jeugdrechter erom verzoekt, verslag uit over de begeleiding en de naleving van de voorwaarden. De minderjarige moet op de hoogte worden gebracht van de inhoud van dit verslag.20Om de drie maanden brengen de diensten, vermeld in het eerste lid, en verder telkens als ze het nuttig achten, of telkens als de jeugdrechter erom verzoekt, verslag uit over de begeleiding en de naleving van de voorwaarden. De minderjarige moet op de hoogte worden gebracht van de inhoud van dit verslag.
21De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van erkenning van de diensten die instaan voor uitvoering, ondersteuning en naleving van de voorwaarden en bepaalt de nadere regels voor de organisatie, de samenstelling, de werking, de subsidiëring, alsook de wijze waarop hun werking en de kwaliteit van hun dienstverlening worden geëvalueerd.21De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van erkenning van de diensten die instaan voor uitvoering, ondersteuning en naleving van de voorwaarden en bepaalt de nadere regels voor de organisatie, de samenstelling, de werking, de subsidiëring, alsook de wijze waarop hun werking en de kwaliteit van hun dienstverlening worden geëvalueerd.
22§ 7. Als de jeugdrechter van oordeel is dat een aanpassing van de voorwaarden aan de orde is, kan dat pas als de minderjarige, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, gehoord is. De jeugdrechter kan ook de ouders, of de opvoedingsverantwoordelijken, alsook het openbaar ministerie horen.
22§ 7. ...
23§ 8. De maatregel om voorwaarden op te leggen, kan worden herroepen wanneer er tijdens de looptijd van de voorwaarden voldoende ernstige aanwijzingen zijn dat verder onderzoek noodzakelijk is naar de betrokkenheid van de minderjarige, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, bij het plegen van een nieuw jeugddelict. De voormelde maatregel kan worden herroepen als de minderjarige verdachte de opgelegde voorwaarden niet naleeft en de jeugdrechter de niet-naleving voldoende ernstig acht.23§ 8. De maatregel om voorwaarden op te leggen, kan worden herroepen wanneer er tijdens de looptijd van de voorwaarden voldoende ernstige aanwijzingen zijn dat verder onderzoek noodzakelijk is naar de betrokkenheid van de minderjarige, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, bij het plegen van een nieuw jeugddelict. De voormelde maatregel kan worden herroepen als de minderjarige verdachte de opgelegde voorwaarden niet naleeft en de jeugdrechter de niet-naleving voldoende ernstig acht.
24Als de jeugdrechter van oordeel is dat herroeping aan de orde is, kan dat pas als de minderjarige en zijn advocaat gehoord zijn, alsook, wanneer het dit wenst, het openbaar ministerie. De jeugdrechter kan ook de ouders, of de opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige verdachte horen.24Als de jeugdrechter van oordeel is dat herroeping aan de orde is, kan dat pas als de minderjarige en zijn advocaat gehoord zijn, alsook, wanneer het dit wenst, het openbaar ministerie. De jeugdrechter kan ook de ouders, of de opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige verdachte horen.
+8 −0 decreet-2019-02-15/art. 27
1§ 1. De jeugdrechter kan een minderjarige verdachte toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor minderjarigen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten begeleiding van maximaal drie maanden opeenvolgend als vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 5°.
2§ 2. De jeugdrechter kan de minderjarige, vermeld in paragraaf 1, toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling als vermeld in artikel 26, § 1. De jeugdrechter kan de minderjarige pas toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling voor een gesloten begeleiding nadat hij het oriëntatievoorstel, vermeld in artikel 26, § 4, vierde lid, heeft ontvangen. De jeugdrechter kan enkel een gesloten begeleiding opleggen als dit in het oriëntatievoorstel wordt geadviseerd, tenzij hij hiervan afwijkt met een gemotiveerde beslissing. De jeugdrechter bepaalt de duur van de gesloten begeleiding in zijn beschikking.
3De jeugdrechter kan desgevallend elementen uit een vorig oriëntatievoorstel in overweging nemen.
4§ 3. De jeugdrechter kan de minderjarige, vermeld in paragraaf 1, op advies van de directie van de gemeenschapsinstelling, onder de voorwaarden die hij bepaalt, toelaten de instelling te verlaten voor de termijn die hij bepaalt, of toelaten contact te hebben met derden die hij aanwijst.
5Een kopie van het advies van de directie van de gemeenschapsinstelling en van de toelating kan na de ontvangst door de griffie, aan het openbaar ministerie bezorgd worden.
6Het verlaten van de instelling om te verschijnen voor de rechtbank, om medische redenen of om een begrafenis in België bij te wonen in geval van het overlijden van een familielid tot en met de tweede graad, is niet ondergeschikt aan een toelating door de jeugdrechter.
7Als de jeugdrechter weigert de gevraagde toelating om de gemeenschapsinstelling te verlaten, te verstrekken, vermeldt hij de redenen van dat verbod.
8§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de organisatie, de samenstelling en de werking van gemeenschapsinstellingen. De Vlaamse Regering kan voor bepaalde specifieke doelgroepen programma's erkennen en de toegankelijkheid tot die programma's bepalen.
+1 −1 decreet-2019-02-15/art. 29
1§ 1. De jeugdrechtbank kan aan een minderjarige delictpleger een herstelrechtelijk aanbod doen van bemiddeling of herstelgericht groepsoverleg.1§ 1. De jeugdrechtbank kan aan een minderjarige delictpleger een herstelrechtelijk aanbod doen van bemiddeling of herstelgericht groepsoverleg.
2In eerste instantie verdient een herstelrechtelijk aanbod de voorkeur.Als de jeugdrechtbank geen herstelrechtelijk aanbod doet, motiveert ze haar beslissing.2Een herstelrechtelijk aanbod verdient de voorkeur.. Als de jeugdrechtbank geen herstelrechtelijk aanbod doet, motiveert ze haar beslissing.
3§ 2. De jeugdrechtbank kan, in voorkomend geval op cumulatieve wijze, in opgaande graad van het ingrijpende karakter van de sanctie de volgende sancties opleggen:3§ 2. De jeugdrechtbank kan, in voorkomend geval op cumulatieve wijze, in opgaande graad van het ingrijpende karakter van de sanctie de volgende sancties opleggen:
41° berispen;41° berispen;
+25 −0 decreet-2019-02-15/art. 42
1§ 1. Met het oog op de uitvoering van de opdrachten, toegewezen aan de diensten, vermeld in artikel 11, § 4, eerste lid, artikel 12, § 1, tweede lid, artikel 13, § 1, vierde lid, artikel 18, § 2, artikel 22, § 3, eerste lid, artikel 23, § 1, derde lid, artikel 24, tweede lid, en artikel 25, § 6, eerste lid, de gesloten oriëntatie, de gemeenschapsinstelling en de sociale dienst worden persoonsgegevens van de minderjarige, zijn ouders, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken en, in voorkomend geval, de slachtoffers, inclusief gegevens over gezondheid als vermeld in artikel 9 en persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten als vermeld in artikel 10 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, verwerkt.
2De dienst, vermeld in artikel 11, § 4, eerste lid, artikel 12, § 1, tweede lid, artikel 13, § 1, vierde lid, artikel 22, § 3, eerste lid, artikel 23, § 1, derde lid, en artikel 25, § 6, eerste lid, verwerkt minstens de persoonsgegevens met het oog op de identificatie van de betrokken personen en gerechtelijke gegevens.
3De dienst, vermeld in artikel 24, tweede lid, verwerkt minstens de persoonsgegevens met het oog op de identificatie van de betrokken personen, gegevens over gezondheid en gerechtelijke gegevens.
4De dienst, vermeld in artikel 18, § 2, verwerkt minstens de persoonsgegevens, waaronder identificatiegegevens van de ouders en gegevens met betrekking tot de context van de minderjarige en gerechtelijke gegevens.
5De gesloten oriëntatie, de gemeenschapsinstelling en de sociale dienst verwerken minstens de persoonsgegevens, waaronder identificatiegegevens en gegevens met betrekking tot de context van de minderjarige, gegevens over gezondheid en gerechtelijke gegevens.
6§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de entiteit die optreedt als Gegevensbeschermingsautoriteit, de eventuele andere gegevenscategorieën die door diensten, sociale dienst, gesloten oriëntatie, en gemeenschapsinstelling verwerkt zullen worden en de nadere regels over de vorm waarin en de wijze waarop persoonsgegevens worden uitgewisseld.
7De dienst, vermeld in artikel 11, § 4, eerste lid, verwerkt de gegevens met als doel de voorwaarden die opgelegd worden door de procureur des Konings op te volgen en hiervan het nodige bewijs te leveren aan de procureur des Konings.
8De dienst, vermeld in artikel 12, § 1, tweede lid, verwerkt de gegevens met als doel het voorzien in de begeleiding en de ondersteuning van de door de procureur aangeboden mogelijkheid tot bemiddeling.
9De dienst, vermeld in artikel 13, § 1, vierde lid, verwerkt de gegevens met als doel het voorzien in de begeleiding en de ondersteuning van de door de procureur aangeboden mogelijkheid tot het uitvoeren van een positief project.
10De dienst, vermeld in artikel 18, § 2, verwerkt de gegevens, met als doel delictvoorkomend te kunnen werken met de ouders.
11De dienst, vermeld in artikel 22, § 3, eerste lid, verwerkt de gegevens met als doel het voorzien in de begeleiding en de ondersteuning van de door de jeugdrechter of jeugdrechtbank aangeboden mogelijkheid tot bemiddeling of herstelgericht groepsoverleg.
12De dienst, vermeld in artikel 23, § 1, derde lid, verwerkt de gegevens met als doel het voorzien in de begeleiding en de ondersteuning van een positief project als reactie op niveau van de jeugdrechter of jeugdrechtbank.
13De dienst, vermeld in artikel 24, tweede lid, verwerkt de gegevens met als doel het voorzien in een niet-residentiële reactie op een jeugddelict, waarbij gewerkt wordt met methodieken die het risico op recidive verminderen en er sterk ingezet wordt op het activeren van de context van de minderjarige.
14De dienst, vermeld in artikel 25, § 6, eerste lid, verwerkt de gegevens met als doel de voorwaarden die opgelegd worden door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank op te volgen en hiervan het nodige bewijs te leveren aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank.
15De gesloten oriëntatie verwerkt de gegevens met als doel een multidisciplinaire screening en een risicotaxatie uit te voeren. Deze onderzoeken resulteren in een oriëntatievoorstel gericht aan de jeugdrechter.
16De gemeenschapsinstelling verwerkt de gegevens met als doel om delictvoorkomend te kunnen werken.
17De sociale dienst verwerkt de gegevens met als doel de door de jeugdrechtbank gevraagde maatschappelijke onderzoeken, overeenkomstig artikel 50 van de wet van 8 april 1965 te kunnen aanleveren en de ondertoezichtstelling van de minderjarige te kunnen uitvoeren.
18§ 3. De verwerkingsverantwoordelijke van persoonsgegevens is het hoofd van het Agentschap Opgroeien regie, voor de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van de opdrachten van de gemeenschapsinstelling, de gesloten oriëntatie, en van de sociale dienst.
19De verwerkingsverantwoordelijke van persoonsgegevens is de dienst voor de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van de opdrachten omschreven in artikel 11, § 4, eerste lid, artikel 12, § 1, tweede lid, artikel 13, § 1, vierde lid, artikel 18, § 2, artikel 22, § 3, eerste lid, artikel 23, § 1, derde lid, artikel 24, tweede lid en artikel 25, § 6, eerste lid.
20§ 4. Voor de uitvoering van dit decreet worden de volgende instanties aangewezen als dienstenintegrator:
211° het eHealth-platform, opgericht bij de wet van 21 augustus 2008 houdende oprichting en organisatie van het eHealth-platform, met betrekking tot de gegevensdeling in functie van de verstrekte jeugdhulpverlening, met uitzondering van de gegevens, vermeld in punt 2°, a) en b);
222° de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, opgericht bij wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, voor:
23a) de identificatiegegevens van de natuurlijke persoon die jeugdhulpverlening aanbiedt en de minderjarige, zijn ouders of, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken en, in voorkomend geval, de slachtoffers;
24b) de sociale gegevens, vermeld in artikel 2, 4°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, met betrekking tot de minderjarige, zijn ouders of, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijke.
25Als er bepaalde gegevens gedeeld worden bij of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie met een andere dienstenintegrator dan die vermeld in het eerste lid, dan werken die dienstenintegratoren samen om de gegevensdeling, volgens de bepalingen van dit decreet, zo optimaal mogelijk te laten verlopen met zo weinig mogelijk aanvullende lasten voor de minderjarige zijn ouders of, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, de slachtoffers in het bijzonder en meer specifiek voor de jeugdhulpaanbieders of personen en voorzieningen die jeugdhulpverlening aanbieden.
+3 −0 decreet-2019-02-15/art. 87
5§ 3. Voor een beslissing tot uithandengeving als vermeld in artikel 38, § 2, tweede lid, van dit decreet, wordt een plaatsing in een openbare gemeenschapsinstelling als vermeld in artikel 37, § 2, 8°, van de wet van 8 april 1965, gelijkgesteld met de sancties, vermeld in artikel 35, 36 en 37 van dit decreet.5§ 3. Voor een beslissing tot uithandengeving als vermeld in artikel 38, § 2, tweede lid, van dit decreet, wordt een plaatsing in een openbare gemeenschapsinstelling als vermeld in artikel 37, § 2, 8°, van de wet van 8 april 1965, gelijkgesteld met de sancties, vermeld in artikel 35, 36 en 37 van dit decreet.
6§ 4. Een plaatsing of een voorlopige plaatsing in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling, bedoeld respectievelijk in artikel 37, § 2quater, tweede lid, en artikel 52 van de wet van 8 april 1965, kan als vervangende reactie worden opgelegd als vermeld in artikel 25, § 8, derde, vierde en vijfde lid, artikel 32, derde lid, artikel 33, derde lid, en artikel 34, § 1, derde lid, van dit decreet.6§ 4. Een plaatsing of een voorlopige plaatsing in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling, bedoeld respectievelijk in artikel 37, § 2quater, tweede lid, en artikel 52 van de wet van 8 april 1965, kan als vervangende reactie worden opgelegd als vermeld in artikel 25, § 8, derde, vierde en vijfde lid, artikel 32, derde lid, artikel 33, derde lid, en artikel 34, § 1, derde lid, van dit decreet.
7§ 5. In afwijking van artikel 21, § 4, en tot op de dag van de inwerkingtreding van de bepalingen, vermeld in artikel 89, tweede lid, kan de maatregel tot een voorlopige plaatsing in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling, vermeld in artikel 52 en 52quater van de wet van 8 april 1965, verlengd worden overeenkomstig de termijnen van de wet van 8 april 1965.
8Tot op de dag van de inwerkingtreding van de bepalingen, vermeld in artikel 89, tweede lid, kan de maatregel ten gronde tot plaatsing in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling, vermeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 8°, van de wet van 8 april 1965, verlengd worden uiterlijk tot de dag waarop de betrokkene de leeftijd van twintig jaar heeft bereikt, overeenkomstig artikel 37, § 3, van de wet van 8 april 1965.
9§ 6. Voor de toepassing van artikel 21, § 6, en tot op de datum van inwerkingtreding van de in artikel 89, tweede lid, vermelde artikelen, wordt de maatregel tot een voorlopige plaatsing in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling, vermeld in 52quater van de wet van 8 april 1965, gelijkgesteld met de maatregel, vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 5°, van dit decreet.
+1 −0 decreet-2012-04-20/art. 13
43° samenwerken met alle kinderopvanglocaties binnen het werkingsgebied, met instanties die werken met gezinnen die kinderopvangvragen kunnen hebben, en met andere lokale loketten kinderopvang in functie van de opdrachten, vermeld in punt 1° en 2° ;43° samenwerken met alle kinderopvanglocaties binnen het werkingsgebied, met instanties die werken met gezinnen die kinderopvangvragen kunnen hebben, en met andere lokale loketten kinderopvang in functie van de opdrachten, vermeld in punt 1° en 2° ;
54° het lokaal bestuur of de lokale besturen, de organisatoren van kinderopvang en het agentschap informeren over de vragen naar kinderopvangplaatsen.54° het lokaal bestuur of de lokale besturen, de organisatoren van kinderopvang en het agentschap informeren over de vragen naar kinderopvangplaatsen.
65° ondersteuning bieden aan de gezinnen, bij het aanvragen van het inkomenstarief als bedoeld in artikel 8;
6Het lokaal loket kinderopvang krijgt gestalte doordat binnen het Lokaal Overleg Kinderopvang, dit is de gemeentelijke adviesraad inzake kinderopvang, ter uitvoering van artikel 6, § 3, van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, een initiatiefnemer wordt aangewezen of een structuur wordt gecreëerd om het lokaal loket kinderopvang te organiseren. Elke lokale actor die relevant is voor kinderopvang, kan de organisatie op zich nemen. Als er geen initiatiefnemer wordt aangewezen of als er geen structuur wordt gecreëerd en een operationeel werkend lokaal loket kinderopvang ontbreekt, neemt het lokaal bestuur de organisatie ervan op zich.7Het lokaal loket kinderopvang krijgt gestalte doordat binnen het Lokaal Overleg Kinderopvang, dit is de gemeentelijke adviesraad inzake kinderopvang, ter uitvoering van artikel 6, § 3, van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, een initiatiefnemer wordt aangewezen of een structuur wordt gecreëerd om het lokaal loket kinderopvang te organiseren. Elke lokale actor die relevant is voor kinderopvang, kan de organisatie op zich nemen. Als er geen initiatiefnemer wordt aangewezen of als er geen structuur wordt gecreëerd en een operationeel werkend lokaal loket kinderopvang ontbreekt, neemt het lokaal bestuur de organisatie ervan op zich.
7Het lokaal loket kinderopvang kan betrekking hebben op verschillende gemeenten binnen de grenzen van de zorgregio.8Het lokaal loket kinderopvang kan betrekking hebben op verschillende gemeenten binnen de grenzen van de zorgregio.
+1 −1 decreet-2012-04-20/art. 24
314° van elke meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie direct contact heeft met de opgevangen kinderen, de gegevens, vermeld in punt 2°, a).314° van elke meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie direct contact heeft met de opgevangen kinderen, de gegevens, vermeld in punt 2°, a).
32De toezichthouder verwerkt ter uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, minstens de persoonsgegevens, vermeld in het eerste en tweede lid, in het kader van het toezicht op de vergunnings- en subsidievoorwaarden.32De toezichthouder verwerkt ter uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, minstens de persoonsgegevens, vermeld in het eerste en tweede lid, in het kader van het toezicht op de vergunnings- en subsidievoorwaarden.
33Het lokaal loket kinderopvang verwerkt ter uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan minstens de persoonsgegevens van het kind en van het gezin van het kind, meer bepaald de identificatiegegevens, gegevens over de vraag naar kinderopvang en gegevens over de maatschappelijke kwetsbaarheid van het kind en het gezin van het kind in het kader van de opdracht van het lokaal loket kinderopvang.33Het lokaal loket kinderopvang verwerkt ter uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan minstens de persoonsgegevens van het kind en van het gezin van het kind, meer bepaald de identificatiegegevens, de financiële gegevens en de gegevens over de gezinssituatie, gegevens over de vraag naar kinderopvang en gegevens over de maatschappelijke kwetsbaarheid van het kind en het gezin van het kind in het kader van de opdracht van het lokaal loket kinderopvang.
34De bewaartermijn is tien jaar voor de gegevens over de klachten en crisissituaties, en vijf jaar voor de andere gegevens, vermeld in het eerste lid tot en met het vierde lid. Voor de gegevens over de verantwoordelijken, de kinderbegeleiders en de eventuele andere medewerkers begint de termijn te lopen vanaf het einde van hun tewerkstelling.34De bewaartermijn is tien jaar voor de gegevens over de klachten en crisissituaties, en vijf jaar voor de andere gegevens, vermeld in het eerste lid tot en met het vierde lid. Voor de gegevens over de verantwoordelijken, de kinderbegeleiders en de eventuele andere medewerkers begint de termijn te lopen vanaf het einde van hun tewerkstelling.
+3 −3 decreet-2013-07-12/art. 2
2016° geïndiceerde jeugdhulpverlening : enerzijds de jeugdhulpverlening die voor de minderjarige op basis van de hulpvraag en in overleg met de context wordt voorgesteld in het indicatiestellingsverslag, vermeld in artikel 21, eerste lid, 2°, en die in de vorm van inzetbare en combineerbare typemodules wordt beschreven, waarbij flexibiliteit gewaarborgd is, en anderzijds de jeugdhulpverlening die voor de minderjarige wordt voorgesteld in het verzoek van de jeugdrechter om niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening, vermeld in artikel 55;2016° geïndiceerde jeugdhulpverlening : enerzijds de jeugdhulpverlening die voor de minderjarige op basis van de hulpvraag en in overleg met de context wordt voorgesteld in het indicatiestellingsverslag, vermeld in artikel 21, eerste lid, 2°, en die in de vorm van inzetbare en combineerbare typemodules wordt beschreven, waarbij flexibiliteit gewaarborgd is, en anderzijds de jeugdhulpverlening die voor de minderjarige wordt voorgesteld in het verzoek van de jeugdrechter om niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening, vermeld in artikel 55;
2117° gemandateerde voorzieningen : het ondersteuningscentrum Jeugdzorg en de vertrouwenscentra kindermishandeling;2117° gemandateerde voorzieningen : het ondersteuningscentrum Jeugdzorg en de vertrouwenscentra kindermishandeling;
2218° gemeenschapsinstelling : een voorziening als vermeld in artikel 47 van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand;2218° gemeenschapsinstelling : een instelling als vermeld in artikel 2, 4°, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht;
2319° gerechtelijke jeugdhulpverlening : de jeugdhulpverlening die wordt opgelegd bij rechterlijke beslissing;2319° gerechtelijke jeugdhulpverlening : de jeugdhulpverlening die wordt opgelegd bij rechterlijke beslissing;
2420° hulpprogramma : een voorzieningenoverstijgend en gecoördineerd geheel van jeugdhulpverlening dat bestaat uit een combinatie van modules, afgestemd op de hulpvraag, die al dan niet gelijktijdig ingezet worden met de focus op een specifieke doelgroep of problematiek;2420° hulpprogramma : een voorzieningenoverstijgend en gecoördineerd geheel van jeugdhulpverlening dat bestaat uit een combinatie van modules, afgestemd op de hulpvraag, die al dan niet gelijktijdig ingezet worden met de focus op een specifieke doelgroep of problematiek;
3025° intersectorale registratielijst : systeem waarin al de indicatiestellingsverslagen, vermeld in artikel 21, eerste lid, 2°, en al de verzoeken van de jeugdrechter om niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening, vermeld in artikel 55, op naam van de minderjarige worden opgenomen met het oog op de jeugdhulpregie, vermeld in artikel 26;3025° intersectorale registratielijst : systeem waarin al de indicatiestellingsverslagen, vermeld in artikel 21, eerste lid, 2°, en al de verzoeken van de jeugdrechter om niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening, vermeld in artikel 55, op naam van de minderjarige worden opgenomen met het oog op de jeugdhulpregie, vermeld in artikel 26;
3126° jeugdhulp : het geheel van de jeugdhulpaanbieders, de personeelsleden die de indicatiestelling en de jeugdhulpregie verrichten binnen en voor de toegangspoort, en de personeelsleden die de opdrachten binnen de gemandateerde voorzieningen uitvoeren;3126° jeugdhulp : het geheel van de jeugdhulpaanbieders, de personeelsleden die de indicatiestelling en de jeugdhulpregie verrichten binnen en voor de toegangspoort, en de personeelsleden die de opdrachten binnen de gemandateerde voorzieningen uitvoeren;
3227° jeugdhulpaanbieder : een natuurlijke persoon of een voorziening die jeugdhulpverlening aanbiedt, in de vorm van rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening of niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening of beide, als vermeld in artikel 3, en het ondersteuningscentrum ;3227° jeugdhulpaanbieder : een natuurlijke persoon of een voorziening die jeugdhulpverlening aanbiedt, in de vorm van rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening of niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening of beide, als vermeld in artikel 3, het ondersteuningscentrum en de gemeenschapsinstelling;
3328° jeugdhulpverleningsbeslissing : het document, opgemaakt door het team Jeugdhulpregie, vermeld in artikel 17, derde lid, dat de geïndiceerde jeugdhulpverlening omzet in een of meer modules niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening of in een persoonsvolgende financiering die het mogelijk maakt om de geïndiceerde jeugdhulpverlening te realiseren, overeenkomstig artikel 26, § 1, eerste lid, 1° ;3328° jeugdhulpverleningsbeslissing : het document, opgemaakt door het team Jeugdhulpregie, vermeld in artikel 17, derde lid, dat de geïndiceerde jeugdhulpverlening omzet in een of meer modules niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening of in een persoonsvolgende financiering die het mogelijk maakt om de geïndiceerde jeugdhulpverlening te realiseren, overeenkomstig artikel 26, § 1, eerste lid, 1° ;
3429° jeugdhulpregie : het proces, vermeld in artikel 26, dat wordt uitgevoerd door het team Jeugdhulpregie, vermeld in artikel 17, en dat de geïndiceerde jeugdhulpverlening omzet in een of meer modules jeugdhulpverlening of in een persoonsvolgende financiering;3429° jeugdhulpregie : het proces, vermeld in artikel 26, dat wordt uitgevoerd door het team Jeugdhulpregie, vermeld in artikel 17, en dat de geïndiceerde jeugdhulpverlening omzet in een of meer modules jeugdhulpverlening of in een persoonsvolgende financiering;
3934° maatschappelijke noodzaak : de kwalificatie die na het onderzoek, vermeld in artikel 34, door de gemandateerde voorziening aan een verontrustende situatie wordt gegeven en die de noodzaak vastlegt om jeugdhulpverlening in te schakelen;3934° maatschappelijke noodzaak : de kwalificatie die na het onderzoek, vermeld in artikel 34, door de gemandateerde voorziening aan een verontrustende situatie wordt gegeven en die de noodzaak vastlegt om jeugdhulpverlening in te schakelen;
4035° ...;4035° ...;
4136° minderjarige : elke natuurlijke persoon die jonger is dan achttien jaar of van wie vermoed wordt dat hij jonger dan achttien jaar is ;4136° minderjarige : elke natuurlijke persoon die jonger is dan achttien jaarof van wie vermoed wordt dat hij jonger dan achttien jaar is ;
4237° mobiel : de hulp wordt niet in de voorziening maar elders aangeboden (thuis, op school enzovoort);4237° mobiel : de hulp wordt niet in de voorziening maar elders aangeboden (thuis, op school enzovoort);
4338° module : een duidelijk afgelijnde eenheid van jeugdhulpverlening op basis van de hulpvraag, aangeboden door een jeugdhulpaanbieder, gebaseerd op één typemodule, die afzonderlijk, gelijktijdig of consecutief en op een manier waarbij de flexibiliteit met andere eenheden van jeugdhulpverlening gewaarborgd is, kan worden aangeboden;4338° module : een duidelijk afgelijnde eenheid van jeugdhulpverlening op basis van de hulpvraag, aangeboden door een jeugdhulpaanbieder, gebaseerd op één typemodule, die afzonderlijk, gelijktijdig of consecutief en op een manier waarbij de flexibiliteit met andere eenheden van jeugdhulpverlening gewaarborgd is, kan worden aangeboden;
+1 −1 decreet-2013-07-12/art. 48
1514° uitzonderlijk en voor ten hoogste drie maanden de minderjarige die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, toevertrouwen aan een geschikte gesloten inrichting, als wordt aangetoond dat de minderjarige zich aan de maatregelen, vermeld in punt 9° tot en met 13°, tweemaal of meer heeft onttrokken en dat die maatregel noodzakelijk is voor het behoud van de integriteit van de persoon van de minderjarige.1514° uitzonderlijk en voor ten hoogste drie maanden de minderjarige die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, toevertrouwen aan een geschikte gesloten inrichting, als wordt aangetoond dat de minderjarige zich aan de maatregelen, vermeld in punt 9° tot en met 13°, tweemaal of meer heeft onttrokken en dat die maatregel noodzakelijk is voor het behoud van de integriteit van de persoon van de minderjarige.
16De jeugdrechter en de jeugdrechtbank bepalen de jeugdhulpaanbieder bij wie de functie dient opgenomen te worden en, wanneer aangewezen, vermelden zij de bijhorende typemodules.16De jeugdrechter en de jeugdrechtbank bepalen de jeugdhulpaanbieder bij wie de functie dient opgenomen te worden en, wanneer aangewezen, vermelden zij de bijhorende typemodules.
17Voor wat pleegzorg als vermeld in artikel 2, 11°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, betreft, kunnen de jeugdrechtbank en de jeugdrechter een minderjarige toevertrouwen aan een kandidaat-pleegzorger of een pleegzorger als vermeld in artikel 14, § 1 of § 3, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg ten hoogste tot aan de leeftijd van dertien jaar, al dan niet met toepassing van artikel 5 van voormeld decreet, en een minderjarige die ouder is dan twaalf jaar, toevertrouwen aan een kandidaat-pleegzorger of aan een pleegzorger als vermeld in artikel 14, § 1 of § 3, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg voor ten hoogste drie jaar, al dan niet met toepassing van artikel 5 van het voormelde decreet.17Voor wat pleegzorg als vermeld in artikel 2, 11°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, betreft, kunnen de jeugdrechtbank en de jeugdrechter een minderjarige toevertrouwen aan een kandidaat-pleegzorger of een pleegzorger als vermeld in artikel 14, § 1 of § 3, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg ten hoogste tot aan de leeftijd van twaalf jaar, al dan niet met toepassing van artikel 5 van voormeld decreet, en een minderjarige die ouder is dan twaalf jaar, toevertrouwen aan een kandidaat-pleegzorger of aan een pleegzorger als vermeld in artikel 14, § 1 of § 3, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg voor ten hoogste drie jaar, al dan niet met toepassing van artikel 5 van het voormelde decreet.
18De Vlaamse Regering bepaalt de nadere invulling van de typemodules die onder de functies, vermeld in punt 4° tot en met 10°, vallen. De Vlaamse Regering kan in afwijking van de termijn bepaald in het eerste lid, 4° tot en met 10°, voor specifieke typemodules andere, kortere, termijnen voorzien.18De Vlaamse Regering bepaalt de nadere invulling van de typemodules die onder de functies, vermeld in punt 4° tot en met 10°, vallen. De Vlaamse Regering kan in afwijking van de termijn bepaald in het eerste lid, 4° tot en met 10°, voor specifieke typemodules andere, kortere, termijnen voorzien.
19Een opvoedend project als vermeld in het eerste lid, 3°, moet cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoen:19Een opvoedend project als vermeld in het eerste lid, 3°, moet cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoen:
+2 −1 decreet-2013-07-12/art. 51
1De maatregelen, vermeld in artikel 48, § 1, eerste lid, kunnen zowel tijdens de voorbereidende rechtspleging als tijdens en na de rechtspleging over de grond van de zaak worden genomen. Ze kunnen door de jeugdrechter op elk moment worden ingetrokken of op verzoek van de minderjarige, zijn wettelijke vertegenwoordiger, de sociale dienst of het openbaar ministerie worden vervangen door een andere maatregel die in dat artikel is bepaald.1De maatregelen, vermeld in artikel 48, § 1, eerste lid, kunnen zowel tijdens de voorbereidende rechtspleging als tijdens en na de rechtspleging over de grond van de zaak worden genomen. Ze kunnen door de jeugdrechter op elk moment worden ingetrokken of op verzoek van de minderjarige, zijn wettelijke vertegenwoordiger, de sociale dienst of het openbaar ministerie worden vervangen door een andere maatregel die in dat artikel is bepaald.
2De maatregelen, vermeld in artikel 48, § 1, eerste lid, 2°, 4°, 5° tot en met 7°, 9°, doelend op pleegzorg als vermeld in artikel 2, 11°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg en 12°, eindigen na het verstrijken van de maximumtermijn, tenzij ze worden verlengd, telkens voor een termijn die de gestelde maximumperiode niet mag overschrijden. De maatregelen, vermeld in artikel 48, § 1, eerste lid, 6°en 14°, kunnen slechts eenmaal worden verlengd.2De maatregelen, vermeld in artikel 48, § 1, eerste lid, 2°, 4°, 5, 7° tot en met 9° en 11° tot en met 13°, eindigen na het verstrijken van de maximumtermijn, tenzij ze worden verlengd, telkens voor een termijn die de gestelde maximum- periode niet mag overschrijden. De maatregelen, vermeld in artikel 48, § 1, eerste lid, 6°, 10° en 14°, kunnen slechts eenmaal worden verlengd.
3Al de maatregelen die tijdens de voorbereidende rechtspleging worden genomen, zijn samen beperkt tot zes maanden. Als een maatregel die na de rechtspleging over de grond van de zaak is genomen, door een andere maatregel wordt vervangen, eindigt die op de dag waarop de vervangen maatregel een einde zou hebben genomen.3Al de maatregelen die tijdens de voorbereidende rechtspleging worden genomen, zijn samen beperkt tot zes maanden. Als een maatregel die na de rechtspleging over de grond van de zaak is genomen, door een andere maatregel wordt vervangen, eindigt die op de dag waarop de vervangen maatregel een einde zou hebben genomen.
4Met behoud van de toepassing van de bij het tweede lid bepaalde maximale termijnen wordt iedere maatregel die bevolen is bij vonnis, met uitzondering van de maatregelen in het kader van pleegzorg als vermeld in artikel 2, 11°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, opnieuw onderzocht om te worden bevestigd, ingetrokken of gewijzigd voor een termijn van een jaar verstreken is vanaf de dag waarop de beslissing definitief is geworden. De voormelde procedure wordt ingeleid door het Openbaar Ministerie conform de vormvereisten, vermeld in artikel 45, 2, b), van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade.
4De voorbereidende rechtspleging, vermeld in het eerste en derde lid, is de fase van de rechtspleging voor de jeugdrechter, die loopt vanaf de vordering van het openbaar ministerie en die voorafgaat aan het vonnis van de jeugdrechtbank tot het opleggen van een maatregel ten gronde.5De voorbereidende rechtspleging, vermeld in het eerste en derde lid, is de fase van de rechtspleging voor de jeugdrechter, die loopt vanaf de vordering van het openbaar ministerie en die voorafgaat aan het vonnis van de jeugdrechtbank tot het opleggen van een maatregel ten gronde.
+18 −0 decreet-2019-05-03/art. 2
1In dit decreet wordt verstaan onder:
21° agentschap: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, dat is opgericht bij artikel 3 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie;
31°/1 buitenschoolse activiteiten: het geheel van formeel georganiseerde activiteiten voor kinderen, met inbegrip van de kleuteropvang en de opvang lager onderwijs;
42° gebruikers: ouders en andere opvoedingsverantwoordelijken, en hun kinderen;
53° kleuteropvang: opvang die op structurele basis en gedurende een minimale tijdsduur wordt georganiseerd voor kinderen die naar de kleuterschool, vermeld in artikel 5 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, kunnen gaan en nog niet naar het lager onderwijs, vermeld in artikel 6, § 1, van hetzelfde decreet, gaan;
64° ...
75° kinderen: kinderen vanaf de leeftijd waarop ze naar de kleuterschool, vermeld in artikel 3, 26°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, kunnen gaan;
86° lokaal bestuur: het gemeentebestuur en het bestuur van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of, wat het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad betreft, de Vlaamse Gemeenschapscommissie;
97° meerjarenplanning: de meerjarenplanning, vermeld in artikel 254 en 255 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
108° opvang lager onderwijs: de activiteiten voor kinderen die naar het lager onderwijs, vermeld in artikel 6, § 1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, gaan, met uitzondering van de activiteiten van het jeugdwerk of van de sportverenigingen;
119° organisator: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een aanbod van buitenschoolse activiteiten organiseert.
12Onder meer de volgende activiteiten worden niet beschouwd als buitenschoolse activiteiten en vallen bijgevolg niet onder de toepassing van dit decreet:
131° het verstrekken van onderwijs of het organiseren van middagopvang op school, met uitzondering van het deeltijds kunstonderwijs;
142° het aanbieden van dagbesteding of begeleiding in internaten of semi-internaten;
153° het verlenen van jeugdhulp als vermeld in artikel 2, § 1, 30°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;
164° het bieden van exclusieve zorg aan kinderen met een handicap;
175° het bieden van gezondheidszorg aan kinderen;
186° het passen op kinderen van klanten of bezoekers.
+9 −0 decreet-2019-05-03/art. 11
1Het agentschap kent een kwaliteitslabel toe aan organisatoren van kleuteropvang die dat kwaliteitslabel aanvragen en die voldoen aan de kwaliteitsvoorwaarden.
2De kwaliteitsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, hebben minimaal betrekking op de volgende elementen:
31° het aanbod van buitenschoolse activiteiten;
42° de toegankelijkheid, met bijzondere aandacht voor kwetsbare gezinnen en kinderen met een specifieke zorgbehoefte;
53° de kwaliteitsvolle interacties tussen de medewerkers en de kinderen, waarbij de medewerkers beschikken over de nodige competenties en voldoende kennis van het Nederlands;
64° het beschikken voor de medewerkers over een recent uittreksel uit het strafregister, vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, of over een gelijkwaardig document voor wie niet in België gedomicilieerd is, waaruit onberispelijk gedrag in de omgang met kinderen blijkt. Als de organisator een rechtspersoon is, beschikt de organisator over een uittreksel uit het centraal strafregister op naam van de rechtspersoon;
75° het gebruik van het Nederlands.
8De Vlaamse Regering kan aanvullende voorwaarden bepalen.
9De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot het kwaliteits-label, waaronder het toezicht op de naleving van de kwaliteitsvoorwaarden.
+37 −0 decreet-2019-05-03/art. 14
1§ 1. Het agentschap, de toezichthouders, organisatoren en lokale besturen, verwerken alle noodzakelijke persoonsgegevens over organisatoren, medewerkers, kinderen en hun gezinnen die gebruikmaken van buitenschoolse activiteiten, om de doelstellingen, geformuleerd in artikel 3, te kunnen realiseren.
2§ 2. De organisatoren van kleuteropvang verwerken met het oog op de toekenning van een kwaliteitslabel als vermeld in artikel 11, de volgende categorieën van persoonsgegevens over de medewerkers van kleuteropvang en over de kinderen en hun gezinnen die gebruikmaken van kleuteropvang:
31° identificatiegegevens van de kinderen;
42° gegevens over de gezondheid van de kinderen;
53° gegevens over de kwetsbaarheid van de gezinnen;
64° gegevens over de deelname van kinderen aan het aanbod buitenschoolse activiteiten;
75° identificatiegegevens, gegevens over de competenties en de voldoende kennis van het Nederlands van medewerkers;
86° gegevens over het uittreksel uit het strafregister, vermeld in artikel 11, tweede lid, 4°.
9De organisatoren van kleuteropvang zijn de verwerkingsverantwoordelijken voor bovenvermelde persoonsgegevens. Zij bezorgen de gegevens uit punt 1° tot en met punt 3°, punt 5° en punt 6° aan het agentschap met het oog op de toepassing en de handhaving van de kwaliteitsvoorwaarden, vermeld in artikel 11.
10De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 4°, worden bewaard tot vijf jaar nadat het kind geen gebruik meer maakt van kleuteropvang bij de betrokken organisator. De persoonsgegevens in het eerste lid, 5° en 6°, worden bewaard tot vijf jaar nadat de medewerker niet langer verbonden is aan de betrokken organisator van kleuteropvang.
11§ 3. Het agentschap verwerkt met het oog op de toepassing en de handhaving van de kwaliteitsvoorwaarden, vermeld in artikel 11, de volgende categorieën van persoonsgegevens van medewerkers van kleuteropvang, kinderen en gezinnen die gebruikmaken van kleuteropvang en van organisatoren van kleuteropvang:
121° identificatiegegevens van de organisator van kleuteropvang en gegevens over de kwaliteitsvoorwaarden, vermeld in artikel 11, tweede lid, waaraan deze organisator moet voldoen;
132° de gegevens uit paragraaf 2, eerste lid, 1° tot en met 3°, 5° en 6°.
14Het agentschap is de verwerkingsverantwoordelijke voor de bovenvermelde persoonsgegevens.
15De persoonsgegevens voorzien in het eerste lid worden bewaard tot vijf jaar na de verwerking ervan.
16§ 4. De toezichthouders verwerken met het oog op de toepassing en de handhaving van de kwaliteitsvoorwaarden, vermeld in artikel 11, de volgende categorieën van persoonsgegevens van medewerkers, kinderen en gezinnen die gebruikmaken van kleuteropvang en van organisatoren van kleuteropvang:
171° identificatiegegevens van de organisator van kleuteropvang en gegevens over de kwaliteitsvoorwaarden, vermeld in artikel 11, tweede lid, waaraan deze organisator moet voldoen;
182° de gegevens uit paragraaf 2, eerste lid, 1° tot en met 6°.
19De toezichthouders zijn verwerkingsverantwoordelijken voor de bovenvermelde persoonsgegevens.
20De persoonsgegevens voorzien in het eerste lid worden bewaard tot drie jaar nadat hun verslag in het kader van het toezicht definitief is geworden.
21§ 5. Organisatoren verwerken op vraag van het lokaal bestuur, in het kader van de regie buitenschoolse activiteiten, vermeld in artikel 4, en de toekenning van subsidies, vermeld in artikel 12, de volgende categorieën van persoonsgegevens van de kinderen en hun gezinnen die gebruikmaken van buitenschoolse activiteiten en de medewerkers:
221° identificatiegegevens van de kinderen;
232° gegevens over de gezondheid van de kinderen;
243° gegevens over de kwetsbaarheid van de gezinnen;
254° gegevens over de vraag naar en de deelname van kinderen aan het aanbod buitenschoolse activiteiten;
265° identificatiegegevens, gegevens over de competenties en de voldoende kennis van het Nederlands van medewerkers;
276° gegevens van een recent uittreksel uit het strafregister, vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, of een gelijkwaardig document voor wie niet in België gedomicilieerd is, waaruit onberispelijk gedrag in de omgang met kinderen blijkt, voor hun medewerkers.
28De organisatoren zijn verwerkingsverantwoordelijken voor de bovenvermelde persoonsgegevens. De organisator bezorgt deze persoonsgegevens aan het lokaal bestuur, op vraag van het lokaal bestuur en dit in het kader van hun regie inzake buitenschoolse activiteiten.
29De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 4°, worden bewaard tot vijf jaar nadat het kind geen gebruik meer maakt van buitenschoolse activiteiten bij de betrokken organisator. De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, 5° en 6°, worden bewaard tot vijf jaar nadat de medewerker niet langer verbonden is aan de betrokken organisator.
30§ 6. Lokale besturen verwerken met het oog op de vervulling van de regie van buitenschoolse activiteiten, de volgende categorieën van persoonsgegevens over de kinderen en hun gezinnen die gebruikmaken van buitenschoolse activiteiten en medewerkers:
311° identificatiegegevens van de organisator en gegevens over de voorwaarden waaraan deze organisator moet voldoen;
322° de gegevens uit paragraaf 5, eerste lid, 1° tot en met 6°.
33Het lokaal bestuur is de verwerkingsverantwoordelijke voor de bovenvermelde persoonsgegevens.
34De persoonsgegevens voorzien in het eerste lid worden bewaard tot vijf jaar na de verwerking ervan.
35§ 7. Lokale besturen, en desgevallend de actor aangeduid overeenkomstig artikel 8, tweede lid, verwerken met het oog op de organisatie van het lokaal samenwerkingsverband, vermeld in artikel 7, identificatiegegevens van organisatoren, of de persoon die deze vertegenwoordigt, die deel uitmaken van het samenwerkingsverband.
36Het lokaal bestuur, desgevallend de aangeduide actor, is de verwerkingsverantwoordelijke voor de bovenvermelde persoonsgegevens.
37De persoonsgegevens voorzien in het eerste lid worden bewaard tot vijf jaar na de verwerking ervan.
+5 −0 decreet-2019-05-03/art. 15
1De Vlaamse Regering keurt een overgangsplan goed voor een periode van zes jaar, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit artikel, met de mogelijkheid tot tussentijdse bijsturing. Het overgangsplan heeft minstens betrekking op de volgende elementen:
21° een budgettaire meerjarenplanning;
32° de bepaling van wetenschappelijk onderbouwde indicatoren om artikel 12, eerste lid, 3° en 4°, te operationaliseren.
4Het lokaal bestuur geeft in zijn meerjarenplanning aan wat de gekozen beleidsopties zijn om de continuïteit van het aanbod van kleuteropvang en opvang lager onderwijs tijdens de overgangstermijn zo veel mogelijk te verzekeren.
5Als de Vlaamse Regering gedurende de overgangstermijn een subsidie, vermeld in artikel 12, toekent aan lokale besturen, dan wordt de bestaande subsidie, vermeld in artikel 17, eerste lid, daarin verrekend.
+9 −0 decreet-2019-05-03/art. 17
1De organisator die een subsidie als vermeld in de onderstaande besluiten ontvangt, behoudt die subsidie gedurende een overgangstermijn van zes jaar:
21° het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende de subsidievoorwaarden voor buitenschoolse gezinsopvang en groepsopvang;
32° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 betreffende subsidiëring van projecten vanuit het vroegere Fonds voor Collectieve Uitrusting en Diensten en voor personeelsleden met een gewezen gescostatuut;
43° het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 houdende de voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van gemandateerde voorzieningen, coördinatiepunten en flexibele opvangpools van doelgroepwerknemers, de voorwaarden voor de toestemming en de subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte buitenschoolse opvang, en de voorwaarden voor een aanvullende subsidie voor organisatoren met een vergunning groepsopvang en een plussubsidie;
54° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2017 betreffende de subsidiëring van de organisatoren kinderopvang en buitenschoolse opvang ter uitvoering van het Vlaams Intersectoraal Akkoord.
6In afwijking van het eerste lid kunnen het lokaal bestuur en de organisatoren een kortere overgangstermijn overeenkomen. In dat geval wordt aan het lokaal bestuur voor de rest van de termijn een subsidie toegekend, waarvan het bedrag minstens gelijk is aan de totaliteit van de subsidies van de organisatoren met betrekking tot het grondgebied van de gemeente.
7Gedurende de overgangstermijn, die eventueel wordt verkort op een wijze als vermeld in het tweede lid, behoudt het agentschap de opdracht om de subsidie toe te kennen en uit te betalen aan de organisatoren in kwestie.
8Het blijft mogelijk voor een organisator of een kandidaat-organisator om, na overleg met het lokaal bestuur en op voorwaarde van onderlinge toestemming, de gesubsidieerde activiteit volledig of gedeeltelijk over te nemen van een andere organisator.
9De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels die van toepassing zijn gedurende de overgangstermijn, minstens met betrekking tot kwetsbare gezinnen en kinderen met een specifieke zorgbehoefte, en met betrekking tot de eventuele inkorting van de overgangstermijn, vermeld in het tweede lid.
+1 −1 decreet-2012-06-29/art. 18
1De Vlaamse Regering kan regels bepalen voor het innen, per opvangdag, van een bijdrage van de ouders van pleegkinderen en van de pleeggasten .1De Vlaamse Regering kan regels bepalen voor het innen, per opvangdag, van een bijdrage van de ouders van pleegkinderen, van de pleeggasten en van meerderjarige pleegkinderen.
+2 −2 decreet-2012-01-20/art. 10
1Het maatschappelijk onderzoek dat krachtens artikel 346.2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1231.29, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek door de jeugdrechtbank wordt bevolen, wordt gevoerd door een door de Vlaamse Regering erkende dienst voor maatschappelijk onderzoek.1Het maatschappelijk onderzoek dat krachtens artikel 1231-1/4 van het Gerechtelijk Wetboek door de familierechtbank wordt bevolen, wordt gevoerd door een door de Vlaamse Regering erkende dienst voor maatschappelijk onderzoek.
2Nadat de familierechtbank de opdracht tot maatschappelijk onderzoek heeft bevolen, verwijst het Vlaams Centrum voor Adoptie de adoptant door naar een dienst voor maatschappelijk onderzoek. Deze dienst neemt onverwijld contact op met de adoptant. De dienst meldt elke nieuwe aanvraag aan het Vlaams Centrum voor Adoptie.2Nadat de familierechtbank de opdracht tot maatschappelijk onderzoek heeft bevolen, verwijst het Vlaams Centrum voor Adoptie de adoptant door naar een dienst voor maatschappelijk onderzoek. Deze dienst neemt onverwijld contact op met de adoptant. De dienst meldt elke nieuwe aanvraag aan het Vlaams Centrum voor Adoptie.
3Het Vlaams Centrum voor Adoptie kan nadere richtlijnen bepalen inzake de wijze waarop het maatschappelijk onderzoek gevoerd wordt conform artikel 1231.29 van het Gerechtelijk Wetboek en de bepalingen van het samenwerkingsakkoord.3Het Vlaams Centrum voor Adoptie kan nadere richtlijnen bepalen inzake de wijze waarop het maatschappelijk onderzoek gevoerd wordt conform artikel 1231-1/4 van het Gerechtelijk Wetboek en de bepalingen van het samenwerkingsakkoord.
+6 −0 decreet-2012-01-20/art. 15
1§ 1. Een adoptiedienst treedt op als tussenpersoon inzake adoptie met als taak te informeren, te bemiddelen en de nazorg te verstrekken.1§ 1. Een adoptiedienst treedt op als tussenpersoon inzake adoptie met als taak te informeren, te bemiddelen en de nazorg te verstrekken.
2De adoptiedienst stelt een adoptiedossier samen dat alle stukken bevat die met de adoptie verband houden. Dat dossier bevat minstens:
31° het dossier van het kind, dat de gegevens, vermeld in artikel 361-3, 2°, van het Burgerlijk Wetboek, bevat;
42° de documenten die betrekking hebben op de gerechtelijke en administratieve procedure waarbij de adoptie tot stand komt;
53° de documenten in verband met de nazorg;
64° het dossier met informatie over de kandidaat-adoptant.
2§ 2. De taken inzake adoptiebemiddeling zijn :7§ 2. De taken inzake adoptiebemiddeling zijn :
31° mede op grond van de kindstudie, de juridische en sociaal-psychologische adopteerbaarheid van het kind nagaan;81° mede op grond van de kindstudie, de juridische en sociaal-psychologische adopteerbaarheid van het kind nagaan;
108° voorstellen voor mogelijke adoptiesamenwerking aanbrengen bij het Vlaams Centrum voor Adoptie;158° voorstellen voor mogelijke adoptiesamenwerking aanbrengen bij het Vlaams Centrum voor Adoptie;
119° de adoptiewerking periodiek evalueren en hierover rapporteren aan het Vlaams Centrum voor Adoptie.169° de adoptiewerking periodiek evalueren en hierover rapporteren aan het Vlaams Centrum voor Adoptie.
1710° het rapport, vermeld in artikel 361-2/1 van het Oud Burgerlijk Wetboek, opmaken op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt.
12§ 3. De taak inzake informeren is de kandidaat-adoptanten, gedurende de voorbereidingssessie en in samenspraak met het Steunpunt Adoptie, informeren over de herkomstlanden waarmee een lopende adoptiesamenwerking bestaat.18§ 3. De taak inzake informeren is de kandidaat-adoptanten, gedurende de voorbereidingssessie en in samenspraak met het Steunpunt Adoptie, informeren over de herkomstlanden waarmee een lopende adoptiesamenwerking bestaat.
13§ 4. ...19§ 4. ...
+1 −1 decreet-2012-01-20/art. 25
2§ 2. Vanaf de leeftijd van twaalf jaar heeft de geadopteerde recht op inzage in zijn adoptiedossier als vermeld in paragraaf 3.2§ 2. Vanaf de leeftijd van twaalf jaar heeft de geadopteerde recht op inzage in zijn adoptiedossier als vermeld in paragraaf 3.
3Als de geadopteerde minderjarig is, gebeurt de inzage met professionele begeleiding van een medewerker van de adoptiedienst of het afstammingscentrum en in aanwezigheid van zijn ouder, voogd of een meerderjarige vertrouwenspersoon.3Als de geadopteerde minderjarig is, gebeurt de inzage met professionele begeleiding van een medewerker van de adoptiedienst of het afstammingscentrum en in aanwezigheid van zijn ouder, voogd of een meerderjarige vertrouwenspersoon.
4§ 3. De geadopteerde heeft recht op inzage in de stukken van het adoptiedossier, vermeld in artikel 14, tweede lid, 1° tot en met 3°. De geadopteerde heeft daarnaast toegang tot het deel van het dossier met gegevens over de adoptant, vermeld in artikel 14, tweede lid, 4°, die betrekking hebben op de motivatie voor de adoptie, de redenen voor de aanvaarding van de kandidaat-adoptant en de reden tot plaatsing bij de adoptant.4§ 3. De geadopteerde heeft recht op inzage in de stukken van het adoptiedossier, vermeld in artikel 15, tweede lid, 1° tot en met 3°. De geadopteerde heeft daarnaast toegang tot het deel van het dossier met gegevens over de adoptant, vermeld in artikel 15, tweede lid, 4°, die betrekking hebben op de motivatie voor de adoptie, de redenen voor de aanvaarding van de kandidaat-adoptant en de reden tot plaatsing bij de adoptant.
5§ 4. De geadopteerde heeft recht op toelichting bij de gegevens uit zijn adoptiedossier. Als bepaalde gegevens ook betrekking hebben op een derde en een volledige inzage in de gegevens door de geadopteerde afbreuk zou doen aan het recht van die derde op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, wordt de toegang tot die gegevens verstrekt via een gesprek, gedeeltelijke inzage of rapportage.5§ 4. De geadopteerde heeft recht op toelichting bij de gegevens uit zijn adoptiedossier. Als bepaalde gegevens ook betrekking hebben op een derde en een volledige inzage in de gegevens door de geadopteerde afbreuk zou doen aan het recht van die derde op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, wordt de toegang tot die gegevens verstrekt via een gesprek, gedeeltelijke inzage of rapportage.
6§ 5. De geadopteerde dient zijn verzoek tot inzage schriftelijk in bij het afstammingscentrum. Het afstammingscentrum registreert de aanvraag en stuurt binnen een maand na de datum van de aanvraag een ontvangstbevestiging aan de aanvrager met informatie over het verdere verloop van de aanvraag.6§ 5. De geadopteerde dient zijn verzoek tot inzage schriftelijk in bij het afstammingscentrum. Het afstammingscentrum registreert de aanvraag en stuurt binnen een maand na de datum van de aanvraag een ontvangstbevestiging aan de aanvrager met informatie over het verdere verloop van de aanvraag.
+1 −1 decreet-binnenlandse-adoptie-van-3-juli-2015/art. 11
1Het maatschappelijk onderzoek dat wordt bevolen krachtens artikel 346-2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1231-29, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek door de familierechtbank, wordt gevoerd door een door de Vlaamse Regering erkende dienst voor maatschappelijk onderzoek als vermeld in artikel 11 van het decreet van 20 januari 2012.1Het maatschappelijk onderzoek dat wordt bevolen krachtens artikel 1231-1/4 van het Gerechtelijk Wetboek door de familierechtbank, wordt gevoerd door een door de Vlaamse Regering erkende dienst voor maatschappelijk onderzoek als vermeld in artikel 11 van het decreet van 20 januari 2012.
+7 −1 decreet-binnenlandse-adoptie-van-3-juli-2015/art. 14
1§ 1. De dienst voor binnenlandse adoptie treedt op als tussenpersoon inzake adoptie met als taak te bemiddelen, de nazorg te verstrekken en de kandidaat-adoptant en afstandsouder te begeleiden en te informeren.1§ 1. De dienst voor binnenlandse adoptie treedt op als tussenpersoon inzake adoptie met als taak te bemiddelen, de nazorg te verstrekken en de kandidaat-adoptant en afstandsouder te begeleiden en te informeren.
2De dienst voor binnenlandse adoptie stelt een adoptiedossier samen dat uit de volgende drie bestanddelen bestaat : een dossier met informatie over de geadopteerde, een dossier met informatie over de afstandsouder en een dossier met informatie over de kandidaat-adoptant.
2De dienst voor binnenlandse adoptie stelt een adoptiedossier samen dat alle stukken bevat die met de adoptie verband houden. Dat dossier bevat minstens:
31° het dossier van het kind, dat gegevens bevat over zijn identiteit, zijn adopteerbaarheid, zijn persoonlijke achtergrond, zijn gezinssituatie, zijn medisch verleden en het medische verleden van zijn familie, zijn sociale milieu en de levensbeschouwelijke opvattingen ervan, alsook zijn bijzondere behoeften;
42° de documenten die betrekking hebben op de gerechtelijke en administratieve procedure waarbij de adoptie tot stand komt;
53° de documenten in verband met de nazorg;
64° het dossier met informatie over de kandidaat-adoptant.
3§ 2. De taken inzake adoptiebemiddeling zijn :7§ 2. De taken inzake adoptiebemiddeling zijn :
41° de kindstudie opstellen en daarin de juridische en sociaalpsychologische adopteerbaarheid van het kind beschrijven;81° de kindstudie opstellen en daarin de juridische en sociaalpsychologische adopteerbaarheid van het kind beschrijven;
85° zorgen voor een gepaste opvang van het kind, totdat er een definitieve oplossing gevonden is;125° zorgen voor een gepaste opvang van het kind, totdat er een definitieve oplossing gevonden is;
96° het onderzoek voeren, vermeld in artikel 1231.10, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek.136° het onderzoek voeren, vermeld in artikel 1231.10, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek.
147° het onderzoek voeren, vermeld in artikel 1231-35, van het Gerechtelijk Wetboek;
158° het onderzoek voeren over het belang van het in de procedure bedoelde kind om te worden geadopteerd, vermeld in artikel 1231-6, van het Gerechtelijk Wetboek.
10De gepaste opvang van een kind totdat er een definitieve oplossing gevonden is, kan zijn een directe plaatsing waarbij het te adopteren kind rechtstreeks wordt geplaatst bij de kandidaat-adoptanten, of in een tijdelijke pleegzorgplaatsing. De dienst voor binnenlandse adoptie motiveert de keuze voor een directe plaatsing dan wel een tijdelijke pleegzorgplaatsing omstandig en schriftelijk, rekening houdend met de specifieke situatie, wensen en belangen van het kind, de afstandsouder en de kandidaat-adoptant.16De gepaste opvang van een kind totdat er een definitieve oplossing gevonden is, kan zijn een directe plaatsing waarbij het te adopteren kind rechtstreeks wordt geplaatst bij de kandidaat-adoptanten, of in een tijdelijke pleegzorgplaatsing. De dienst voor binnenlandse adoptie motiveert de keuze voor een directe plaatsing dan wel een tijdelijke pleegzorgplaatsing omstandig en schriftelijk, rekening houdend met de specifieke situatie, wensen en belangen van het kind, de afstandsouder en de kandidaat-adoptant.
11§ 3. De taken inzake de nazorg zijn :17§ 3. De taken inzake de nazorg zijn :
+14 −0 decreet-2019-04-26-1031791/art. 2
1In dit decreet wordt verstaan onder:
21° adoptiedossier: een dossier als vermeld in artikel 14, § 1, van het decreet van 3 juli 2015 houdende regeling van de binnenlandse adoptie van kinderen en houdende wijziging van het decreet van 20 januari 2012 houdende regeling van de interlandelijke adoptie van kinderen;
31°/1 agentschap: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, dat is opgericht bij artikel 3 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie;
42° algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) nr. 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG;
53° afstandsouder: een ouder of toekomstige ouder die overweegt om het kind af te staan voor adoptie;
64° centrum voor menselijke erfelijkheid: een centrum in de zin van het koninklijk besluit van 14 december 1987 houdende vaststelling van de normen waaraan de centra voor menselijke erfelijkheid moeten voldoen om erkend te worden;
75° DNA-profiel: een alfanumerieke code die specifiek is voor ieder individu en die uitsluitend bepaald wordt op basis van niet-coderende sequenties van het genetische erfgoed;
86° gebruiker: de natuurlijke persoon die zich aanmeldt voor de diensten van het afstammingscentrum;
97° ...
108° matching van DNA-profielen: de vergelijking van genetische profielen van aangetroffen sporen met genetische profielen van referentiestalen of hun onderlinge vergelijkingen, met het oog op het vaststellen van een genetische verwantschap;
119° persoonsgegevens: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. Als identificeerbaar wordt beschouwd: een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd aan de hand van een identificatienummer, of een of meer specifieke elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die persoon;
1210° afstammingsvragen: zoektocht naar meer informatie en verheldering over de eigen achtergrond en genetische verwanten;
1311° Vlaams Centrum voor Adoptie: de afdeling, aangewezen binnen het agentschap, die belast is met het vervullen van de opdrachten, vermeld in dit decreet, in het decreet van 20 januari 2012 houdende regeling van de interlandelijke adoptie van kinderen en het decreet van 3 juli 2015 houdende regeling van de binnenlandse adoptie van kinderen en houdende wijziging van het decreet van 20 januari 2012 houdende regeling van de interlandelijke adoptie van kinderen;
1412° zoekvragen: de zoektocht naar informatie over genetische verwanten met de bedoeling om contact met die verwanten op te nemen.
+2 −0 decreet-2019-04-26-1031791/art. 5
1De taken van het afstammingscentrum, vermeld in artikel 3 en 4, worden door het agentschap bij vergunning voor onbepaalde duur ondergebracht bij een organisatie die al erkend of vergund is binnen het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, met dien verstande dat de opdrachten, vermeld in dit decreet, georganiseerd en bekendgemaakt worden onder de benaming afstammingscentrum. De organisatie houdt een afzonderlijke functionele en financiële verantwoording bij van de activiteiten als afstammingscentrum.
2De Vlaamse Regering stelt de vergunningsprocedure vast voor de aanwijzing van de organisatie waarbij het afstammingscentrum wordt ondergebracht en voorziet in een bezwaarprocedure.
+1 −0 decreet-2019-04-26-1031791/art. 9
1Het agentschap vergunt een centrum voor menselijke erfelijkheid voor onbepaalde duur voor de opdracht, vermeld in artikel 4, 2°, a).
+9 −0 decreet-2019-04-26-1031791/art. 10
1Om een vergunning als vermeld in artikel 9 te verkrijgen en te behouden, voldoet het centrum voor menselijke erfelijkheid aan de volgende voorwaarden:
21° het is opgenomen in het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 1995 betreffende de centra voor menselijke erfelijkheid als een van de Vlaamse centra voor menselijke erfelijkheid;
32° het beschikt over een laboratorium dat de DNA-analyses voor het afstammingscentrum uitvoert, dat geaccrediteerd is volgens de geldende kwaliteitsnormen en dat in voorkomend geval beantwoordt aan de door de Vlaamse Regering gespecificeerde technische normen;
43° het kan voldoende kennis aantonen over afstamming en genetisch onderzoek, en kan handelen volgens de laatste stand van de wetenschap en techniek, gespecificeerd door het agentschap;
54° het voert DNA-onderzoek uit in het kader van de samenwerking met het afstammingscentrum en deelt de resultaten mee aan het afstammingscentrum conform de procedure die de Vlaamse Regering heeft vastgelegd;
65° het verwerkt de persoonsgegevens van alle betrokkenen van wie persoonsgegevens worden verwerkt met respect voor de wetgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, in het bijzonder de algemene verordening gegevensbescherming;
76° het bouwt de samenwerking met het afstammingscentrum uit, met het oog op de realisatie van de decretale opdrachten;
87° het werkt mee aan de rapportering in de vorm en binnen de termijnen die de Vlaamse Regering vaststelt;
98° het beschikt over een functionaris voor de gegevensbescherming als vermeld in artikel 37 van de algemene verordening gegevensbescherming. De functionaris dient systematisch te worden betrokken bij het uitwerken van organisatorische en technische beveiligingsmaatregelen om de veiligheid van de persoonsgegevens te garanderen zoals bepaald in artikel 31 van dit decreet.
+3 −0 decreet-2019-04-26-1031791/art. 37
1Als de organisatie die voor de opdrachten van het afstammingscentrum vergund is of het centrum voor menselijke erfelijkheid de vergunningsvoorwaarden niet naleeft, kan het agentschap begeleidende maatregelen opleggen of de vergunning van de organisatie opheffen of schorsen voor de termijn die het agentschap bepaalt. Bij opheffing of schorsing kan het agentschap maatregelen opleggen voor de afwerking en overdracht van dossiers en aanvragen, alsook voor de nazorg.
2De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de te volgen procedure bij de opheffing en schorsing van de vergunning en bepaalt de wijze waarop de gegevens, waaronder persoonsgegevens, aan het Vlaams Centrum voor Adoptie ter beschikking gesteld worden. Daarnaast legt de Vlaamse Regering ook de vorm en de termijnen vast voor de vermelde gegevensoverdracht, en voorziet ze in een bezwaarprocedure. In ieder geval worden alle persoonsgegevens of kopieën of afgeleiden daarvan na gegevensoverdracht aan het Vlaams Centrum voor Adoptie, verwijderd uit alle gegevensdatabanken bij het afstammingscentrum en het centrum voor menselijke erfelijkheid.
3Het agentschapn kan de subsidie van het afstammingscentrum verminderen of stopzetten als het afstammingscentrum een inbreuk begaat op de vergunningsnormen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de procedure.
+3 −0 decreet-2019-04-26-1031791/art. 38
1Het agentschap kan een bestuurlijke geldboete van 1000 tot 5000 euro opleggen als de organisatie die voor de opdrachten van het afstammingscentrum vergund is of het centrum voor menselijke erfelijkheid de bepalingen van dit decreet en de besluiten van de Vlaamse Regering ter uitvoering van dit decreet niet naleeft.
2De bestuurlijke geldboete kan opgelegd worden binnen een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de dag waarop het agentschap het verslag van vaststellingen van Zorginspectie heeft ontvangen of vanaf de dag waarop het agentschap zelf de inbreuk heeft vastgesteld.
3De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het opleggen en betalen van de bestuurlijke geldboete.
+7 −0 decreet-2019-04-26-1031791/art. 46
1Bij de inwerkingtreding van dit decreet lanceert het agentschap een oproep tot indiening van een vergunningsaanvraag voor de organisatie, vermeld in artikel 5, en voor het centrum voor menselijke erfelijkheid, vermeld in artikel 9. De termijn waarbinnen de aanvragen ingediend moeten worden, bedraagt dertig dagen vanaf de oproep. De oproep wordt gepubliceerd op de website van het agentschap.
2De oproep, vermeld in het eerste lid, bevat de volgende informatie:
31° de vergunningsprocedure;
42° het beslissingskader dat in de vergelijkende procedure toegepast zal worden voor het vaststellen van de rangorde van de aanvragers;
53° de ontvankelijkheids- en gegrondheidsvoorwaarden;
64° de termijn en de wijze van indiening van de vergunningsaanvraag;
75° de beslissingstermijnen.
+13 −0 decreet-2019-04-26-1031791/art. 47
1Een vergunningsaanvraag voor de organisatie, vermeld in artikel 5, is ontvankelijk als ze binnen de indieningstermijn die in de oproep is opgenomen, met een aangetekende brief, door afgifte tegen ontvangstbewijs of op digitale wijze ingediend wordt bij het agentschap en als ze een dossier bevat dat is samengesteld uit de volgende gegevens en stukken:
21° de gegevens van de kandidaat-aanvrager:
3a) de naam, de rechtsvorm, het adres en eventueel het ondernemingsnummer van de kandidaat-aanvrager;
4b) de identiteitsgegevens en de contactgegevens van de kandidaat-aanvrager, waaronder minstens zijn voor- en achternaam, en het telefoonnummer en e-mailadres van de contactpersoon van de kandidaat-aanvrager;
52° de context van de aanvraag;
63° de rechtsgeldige beslissing van de kandidaat-aanvrager om de vergunning aan te vragen;
74° de gegevens die het aannemelijk maken dat de kandidaat-aanvrager binnen de termijn die in de oproep wordt vastgesteld, de taken, vermeld in artikel 3 en 4, kan opstarten;
85° de verbintenis dat de kandidaat-aanvrager zal voldoen aan alle vergunningsvoorwaarden, vermeld in artikel 6 en 7, waaraan hij op het moment van de aanvraag nog niet voldoet en dat hij zal meewerken aan de uitoefening van het toezicht op de naleving van die normen;
96° het bewijs dat de kandidaat-aanvrager vergund of erkend is binnen het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
107° een begroting van de geplande werking;
118° de visie en het plan van aanpak voor de samenwerking met andere diensten en verenigingen die op het vlak van afstammingsgerelateerde aangelegenheden en adoptie actief zijn, alsook met het bij dit decreet vergunde centrum voor menselijke erfelijkheid;
129° een verklaring op erewoord dat de persoon die de aanvraag doet, gemachtigd is om te handelen in naam van de kandidaat-aanvrager;
1310° de datum en handtekening van de verantwoordelijke van de kandidaat-aanvrager.
+11 −0 decreet-2019-04-26-1031791/art. 48
1Een vergunningsaanvraag voor het centrum voor menselijke erfelijkheid, vermeld in artikel 9, is ontvankelijk als ze binnen de indieningstermijn die in de oproep is opgenomen, met een aangetekende brief, door afgifte tegen ontvangstbewijs of op digitale wijze ingediend wordt bij het agentschap en als ze een dossier bevat dat is samengesteld uit de volgende gegevens en stukken:
21° de gegevens over het centrum voor menselijke erfelijkheid:
3a) de naam, het adres en het ziekenhuis waaraan het centrum verbonden is;
4b) de identiteitsgegevens en de contactgegevens, waaronder minstens de voor- en achternaam, het telefoonnummer en het e-mailadres van de contactpersoon van het centrum voor menselijke erfelijkheid;
52° de context van de aanvraag;
63° de rechtsgeldige beslissing van het centrum voor menselijke erfelijkheid om de vergunning aan te vragen;
74° de gegevens die het aannemelijk maken dat het centrum voor menselijke erfelijkheid binnen de termijn die in de oproep wordt vastgesteld, de opdracht, vermeld in artikel 4, 2°, a), kan opstarten en voor een termijn van minstens vijf jaar kan uitoefenen;
85° de verbintenis dat het centrum voor menselijke erfelijkheid zal voldoen aan alle vergunningsvoorwaarden, vermeld in artikel 10, waaraan het op het ogenblik van de aanvraag nog niet voldoet, en dat het zal meewerken aan de uitoefening van het toezicht op de naleving van de normen, vermeld in artikel 11;
96° de visie en het plan van aanpak voor de samenwerking met de bij dit decreet vergunde organisatie die optreedt als afstammingscentrum;
107° een verklaring op erewoord dat de persoon die de aanvraag doet, gemachtigd is om te handelen in naam van het centrum voor menselijke erfelijkheid;
118° de datum en handtekening van de verantwoordelijke van het centrum voor menselijke erfelijkheid.
+2 −0 decreet-2019-04-26-1031791/art. 49
1Het agentschap bezorgt na de ontvangst van de aanvraag een ontvangstmelding aan de kandidaat-aanvrager of aan het centrum voor menselijke erfelijkheid dat de aanvraag heeft ingediend. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van de aanvraag deelt het agentschap aan de kandidaat-aanvrager of het centrum voor menselijke erfelijkheid mee of de aanvraag ontvankelijk is.
2Als de aanvraag niet ontvankelijk is omdat een of meer gegevens of stukken als vermeld in artikel 47 of 48 ontbreken, vraagt het agentschap de ontbrekende stukken of gegevens op. De termijn voor de indiening van de gegevens of stukken bedraagt vijftien dagen. Tijdens die periode wordt de beslissingstermijn geschorst. Als de kandidaat-aanvrager of het centrum voor menselijke erfelijkheid de ontbrekende stukken of gegevens niet binnen die termijn van vijftien dagen met aangetekende zending, door afgifte tegen ontvangstbewijs of op digitale wijze aan het agentschap heeft bezorgd, is de aanvraag onontvankelijk.
+2 −0 decreet-2019-04-26-1031791/art. 50
1Het agentschap onderzoekt de gegrondheid van de aanvraag door de aanvraag te toetsen aan de toepasselijke vergunningsvoorwaarden, vermeld in dit decreet, en rangschikt de kandidaat-aanvragers en de centra voor menselijke erfelijkheid als de vergelijkende procedure wordt toegepast.
2Binnen dertig dagen nadat het agentschap aan de kandidaat-aanvrager of aan het centrum voor menselijke erfelijkheid heeft meegedeeld dat de aanvraag ontvankelijk is, wordt de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap om de vergunning te verlenen of zijn voornemen om de vergunning te weigeren, betekend met een aangetekende brief of op digitale wijze. De betekening bevat informatie over de mogelijkheid en de voorwaarden om een bezwaarschrift in te dienen.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd