§ flandrepo

Decreet houdende vaststelling van het kwaliteitszorgstelsel in het hoger onderwijs

Staatsblad 3 augustus 2018 NUMAC 2018013116
73 artikels gewijzigd
+3 −3 codex-hoger-onderwijs/art. I.2
1§1. Deze codificatie is van toepassing op de universiteiten en hogescholen.1§1. Deze codificatie is van toepassing op de universiteiten en hogescholen.
2§2. De artikelen I.3, 4°, 6°, 7°, 11°, 14°, 15°, 16°, 17°, 18°, 19°, 20°, 22°, 23°, 24°, 25°, 46°, 48°, 49°, 56°, 64°, 66°, 67°, 68°, 70°, 74°, 76° en 78°, II.1, II.57, II.58, II.64, II.65, II.66, II.67, II.68, II.69, II.70, II.75, II.76, II.77, II.105, II.106, II.133, II.135, II.137, II.140, II.141, II.143, II.147, II.148, II.149, II.150, II.152, II.153, II.154, II.170, II.172, II.174, II.176, II.177, II.178, II.179, II.180, II.181, II.182, II.183, II.184, II.185, II.189, II.190, II.191, II.192, II.193, II.194, II.195, II.196, II.197, II.198, II.199, II.200, II.201, II.202, II.207, II.208, II.209, II.210, II.211, II.212, II.213, II.214, II.215, II.216, II.217, II.218, II.219, II.223, II.224, II.225, II.226, II.227, II.228, II.229, II.230, II.231, II.232, II.233, II.234, II.235, II.236, II.237, II.238, II.239, II.240, II.241, II.242, II.243, II.244, II.245, II.246, II.247, II.251, II.252, II.377, II.382, II.383, II.383, II.384, II.385, II.390, IV.84 en IV.92 zijn van toepassing op de andere ambtshalve geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs. Deze bepalingen zijn van algemene toepassing of in zoverre het expliciet voorgeschreven is.2§2. De artikelen I.3, 4°, 6°, 7°, 11°, 14°, 15°, 16°, 17°, 18°, 19°, 20°, 22°, 23°, 24°, 25°, 46°, 48°, 49°, 56°, 64°, 66°, 67°, 68°, 70°, 74°, 76° en 78°, II.1, II.57, II.58, II.64, II.65, II.66, II.67, II.68, II.69, II.70, II.75, II.76, II.77, II.105, II.106, II.124/1, II.133, II.141, II.143, II.150, II.152, II.153, II.153/1, II.153/2, II.153/3, II.153/4, II.153/5, II.153/6, II.154, II.170, II.170/1, II.170/14, II.170/15, II.170/16, II.170/17, II.170/18, II.172, II.174, II.176, II.177, II.178, II.179, II.180, II.181, II.182, II.183, II.184, II.185, II.189, II.190, II.191, II.192, II.193, II.194, II.195, II.196, II.197, II.198, II.199, II.200, II.201, II.202, II.207, II.208, II.209, II.210, II.211, II.212, II.213, II.214, II.215, II.216, II.217, II.218, II.219, II.223, II.224, II.225, II.226, II.227, II.228, II.229, II.230, II.231, II.232, II.233, II.234, II.235, II.236, II.237, II.238, II.239, II.240, II.241, II.242, II.243, II.244, II.245, II.246, II.247, II.251, II.252, II.377, II.390, IV.84 en IV.92 zijn van toepassing op de andere ambtshalve geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs. Deze bepalingen zijn van algemene toepassing of in zoverre het expliciet voorgeschreven is.
3De bepalingen van deel 2, titel 5, hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de Vlerick Business School, het Instituut voor Tropische Geneeskunde en de Antwerp Management School.3De bepalingen van deel 2, titel 5, hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de Vlerick Business School, het Instituut voor Tropische Geneeskunde en de Antwerp Management School.
4§ 3. De artikelen II.1, II.57, II.58, II.64, II.65, II.75, II.76, II.77, II.105, II.106, II.133, II.135, II.137, II.140, II.141, II.143, II.147, II.148, II.149, II.150, II.152, II.153, II.154, II.170, II.172, II.247, II.251, II.252, II.377, II.382, II.383, II.384 en II.385 zijn van toepassing op de geregistreerde instellingen. Deze bepalingen zijn van algemene toepassing of in zoverre het expliciet voorgeschreven is.4§ 3. De artikelen II.1, II.57, II.58, II.64, II.65, II.75, II.76, II.77, II.105, II.106, II.124/1, II.133, II.141, II.143, II.150, II.152, II.153, II.153/1, II.153/2, II.153/3, II.153/4, II.153/5, II.153/6, II.154, II.170, II.170/1, II.170/14, II.170/15, II.170/16, II.170/17, II.170/18, II.172, II.247, II.251, II.252 en II.377 zijn van toepassing op de geregistreerde instellingen. Deze bepalingen zijn van algemene toepassing of in zoverre het expliciet voorgeschreven is.
5§4. De bepalingen van artikel I.3, 4°, 5°, 6°, 7°, 9°, 11°, 12°, 14°, 15°, 16°, 17°, 18°, 19°, 20°, 22°, 23°, 24°, 25°, 43°, 46°, 48°, 49°, 50°, 55°, 56°, 59°, 64°, 66°, 67°, 68°, 69° 70°, 74°, 75, 76° en 78°, deel 2, titel 3, hoofdstuk 3, van artikel II.174, van deel 2, titel 4, hoofdstuk 1, afdeling 2, van artikel II.189, II.190, II.191 en II.192, deel 2, titel 4, hoofdstuk 1, afdeling 4, deel 2, titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 1, 2 en 4, deel 2, titel 4, hoofdstuk 4, deel 2, titel 5, hoofdstuk 4, met uitzondering van artikel II.335, deel 2, titel 5, hoofdstuk 5, 6 en 7 deel 2, titel 8, hoofdstuk 5, deel 3, titel 2, hoofdstuk 7, artikel IV.84 en IV.92 deel 5, titel 4, hoofdstuk 1 zijn van toepassing op de associaties.5§4. De bepalingen van artikel I.3, 4°, 5°, 6°, 7°, 9°, 11°, 12°, 14°, 15°, 16°, 17°, 18°, 19°, 20°, 22°, 23°, 24°, 25°, 43°, 46°, 48°, 49°, 50°, 55°, 56°, 59°, 64°, 66°, 67°, 68°, 69° 70°, 74°, 75, 76° en 78°, deel 2, titel 3, hoofdstuk 3, van artikel II.174, van deel 2, titel 4, hoofdstuk 1, afdeling 2, van artikel II.189, II.190, II.191 en II.192, deel 2, titel 4, hoofdstuk 1, afdeling 4, deel 2, titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 1, 2 en 4, deel 2, titel 4, hoofdstuk 4, deel 2, titel 5, hoofdstuk 4, met uitzondering van artikel II.335, deel 2, titel 5, hoofdstuk 5, 6 en 7 deel 2, titel 8, hoofdstuk 5, deel 3, titel 2, hoofdstuk 7, artikel IV.84 en IV.92 deel 5, titel 4, hoofdstuk 1 zijn van toepassing op de associaties.
6§5. De volgende artikelen en titels en/of hoofdstukken van deze codificatie zijn niet van toepassing op de publiekrechtelijke hogeschool “Hogere Zeevaartschool” : artikel I.3, 13°, 21°, 26°, 27°, 28°, 29°, 32°, 34°, 37°, 40°, 44°, 45°, 57°, 62°, 71° en 78°, artikel III.1, eerste lid en III.2, deel 3, titel 1, hoofdstuk 1, afdeling 2, 3en 4, artikel III.33, artikel III.34 tot en met III.36, artikel III.39 tot en met III.43, deel 3, titel 1, hoofdstuk 2, afdeling 6, 8, 9 en 10, deel 3, titel 2, hoofdstuk 2 en 5, deel III, titel 3, hoofdstuk 3, deel 3, titel 4, artikel IV.81, IV.82, IV.83, IV.85 en IV.122. De volgende bepalingen zijn van toepassing op de Hogere Zeevaartschool: artikel III.37, artikel III.38, III.44 en III.45.6§5. De volgende artikelen en titels en/of hoofdstukken van deze codificatie zijn niet van toepassing op de publiekrechtelijke hogeschool “Hogere Zeevaartschool” : artikel I.3, 13°, 21°, 26°, 27°, 28°, 29°, 32°, 34°, 37°, 40°, 44°, 45°, 57°, 62°, 71° en 78°, artikel III.1, eerste lid en III.2, deel 3, titel 1, hoofdstuk 1, afdeling 2 en 3, artikel III.23, artikel III 24, § 1 tot en met 7, artikel III.25 tot en met III.31, artikel III.33 tot en met III.34, artikel III.35, artikel III.36, artikel III.39 tot en met III.43, deel 3, titel 1, hoofdstuk 2, afdeling 6, 8, 9 en 10, deel 3, titel 2, hoofdstuk 2 en 5, deel III, titel 3, hoofdstuk 3, deel 3, titel 4, artikel IV.81, IV.82, IV.83, IV.85 en IV.122. De volgende bepalingen zijn van toepassing op de Hogere Zeevaartschool: artikel III.37, artikel III.38, III.44 en III.45.
7De bepalingen van artikel I.3, 5°, 9°, 12°, 43°, 50°, 55°, 59°, 69° en 75°, deel 2, titel 5, hoofdstuk 1, 2, 3, 4, 6 en 7, deel 3, titel 2, hoofdstuk 7 en van deel 5, titel 4, hoofdstuk 1 zijn niet van toepassing op de transnationale Universiteit Limburg, met uitzondering van de bepalingen van deel 2, titel 5, hoofdstuk 3, afdeling 3, voor wat betreft studievoortgangsbeslissingen die betrekking hebben op de academische opleidingen bedoeld in artikel 3 van het Verdrag van 18 januari 2001 tussen de Vlaamse Gemeenschap en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de transnationale Universiteit Limburg.7De bepalingen van artikel I.3, 5°, 9°, 12°, 43°, 50°, 55°, 59°, 69° en 75°, deel 2, titel 5, hoofdstuk 1, 2, 3, 4, 6 en 7, deel 3, titel 2, hoofdstuk 7 en van deel 5, titel 4, hoofdstuk 1 zijn niet van toepassing op de transnationale Universiteit Limburg, met uitzondering van de bepalingen van deel 2, titel 5, hoofdstuk 3, afdeling 3, voor wat betreft studievoortgangsbeslissingen die betrekking hebben op de academische opleidingen bedoeld in artikel 3 van het Verdrag van 18 januari 2001 tussen de Vlaamse Gemeenschap en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de transnationale Universiteit Limburg.
8§6. De bepalingen van deel II, titel 5, hoofdstuk 1, 2 en 3, met uitzondering van artikel II.273, II.280 en II.313, zijn mede van toepassing op de in artikel II.232 bedoelde validerende instanties.8§6. De bepalingen van deel II, titel 5, hoofdstuk 1, 2 en 3, met uitzondering van artikel II.273, II.280 en II.313, zijn mede van toepassing op de in artikel II.232 bedoelde validerende instanties.
+16 −20 codex-hoger-onderwijs/art. I.3
32° accreditatie en instellingsreview:32° accreditatie en instellingsreview :
4a) opleidingsaccreditatie: de formele erkenning van een opleiding op grond van een beslissing van een onafhankelijk orgaan waarin vastgesteld wordt dat de opleiding voldoet aan vooraf vastgestelde minimale kwaliteits- en niveauvereisten;4a) opleidingsaccreditatie: de formele erkenning van een opleiding op grond van een beslissing van een onafhankelijk orgaan waarin vastgesteld wordt dat de opleiding voldoet aan vooraf vastgestelde minimale kwaliteits- en niveauvereisten;
5b) eerste ronde opleidingsaccreditaties: de accreditaties die zijn verleend vanaf 1 februari 2005 tot en met het einde van het academiejaar 2012-2013;
6c) tweede ronde opleidingsaccreditaties: de accreditaties die zijn verleend vanaf het begin van het academiejaar 2013-2014 tot en met het einde van het academiejaar 2020-2021;
7d) derde ronde opleidingsaccreditaties: de accreditaties die zijn verleend vanaf het begin van het academiejaar 2021-2022 tot en met het einde van het academiejaar 2028-2029;
8e) instellingsreview: periodieke beoordeling door een externe commissie van de beleidsprocessen die een instelling hoger onderwijs opzet om te garanderen dat ze haar taken op het terrein van het onderwijs op een kwaliteitsvolle manier uitvoert;5b) instellingsreview: de periodieke beoordeling door een externe commissie van de wijze waarop een hogeronderwijsinstelling onderwijsbeleid voert en aantoont dat ze dit onderwijsbeleid op een kwaliteitsvolle manier uitvoert met inbegrip van de regie die de instelling opzet opdat de kwaliteit van haar opleidingen geborgd wordt. De commissie betrekt daarbij ook de beleidsprocessen die de instelling opzet om het onderwijs dat ze in haar opleidingen aanbiedt te ondersteunen vanuit haar opdrachten op het terrein van onderzoek en maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening;
9f) positief besluit instellingsreview: het besluit van de accreditatieorganisatie dat een instellingsreview afrondt en waarin de accreditatieorganisatie bevestigt dat de instelling voldoet aan alle onderwerpen van het beoordelingskader instellingsreview;
10g) eerste ronde instellingsreviews: de instellingsreviews die worden uitgevoerd vanaf het begin van het academiejaar 2015-2016 tot en met het einde van het academiejaar 2016-2017;
11h) tweede ronde instellingsreviews: de instellingsreviews die worden uitgevoerd vanaf het begin van het academiejaar 2019-2020 tot en met het einde van het academiejaar 2020-2021;
12i) derde ronde instellingsreviews: de instellingsreviews die worden uitgevoerd vanaf het begin van het academiejaar 2025-2026 tot en met het einde van het academiejaar 2026-2027;
13j) opleidingsdossier: het dossier dat het instellingsbestuur indient met het oog op het verkrijgen van de opleidingsaccreditatie;
14k) visitatierapport: de gepubliceerde externe beoordeling uitgevoerd door een visitatiecommissie georganiseerd door een evaluatieorgaan;
6c) regie: het geheel van acties, processen, praktijken, procedures en instrumenten die de instelling in staat stelt de kwaliteit van de opleidingen te borgen;
7d) toets nieuwe opleiding: een beoordeling door een externe commissie van de potentiële kwaliteit van een nieuwe opleiding als vermeld in artikel II.150 van deze codex;
153° accreditatieorganisatie: de organisatie die bij internationaal verdrag aangewezen is om de accreditatie te verlenen en de toets nieuwe opleidingen uit te voeren;83° accreditatieorganisatie: de organisatie die bij internationaal verdrag aangewezen is om de accreditatie van opleidingen te verlenen, de toets nieuwe opleiding en de instellingsreview uit te voeren;
164° ...;94° ...;
175° afgevaardigde : een behoorlijk gemachtigde vertegenwoordiger;105° afgevaardigde : een behoorlijk gemachtigde vertegenwoordiger;
2210° basisvoorwaarden bij het studeren : behoeften uit het dagelijks leven die vervuld moeten zijn om goed te kunnen studeren;1510° basisvoorwaarden bij het studeren : behoeften uit het dagelijks leven die vervuld moeten zijn om goed te kunnen studeren;
2311° bekwaamheidsonderzoek : het onderzoek van de competenties van een persoon, voorafgaand aan het afleveren van een bewijs van bekwaamheid;1611° bekwaamheidsonderzoek : het onderzoek van de competenties van een persoon, voorafgaand aan het afleveren van een bewijs van bekwaamheid;
1711°/1 beroepskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties waarmee een beroep kan uitgeoefend worden als vermeld in artikel 8 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;
2412° bestuur : elk bestuursorgaan van een associatie, respectievelijk een instelling dat krachtens een wettelijke of decretale bepaling of de statuten is aangewezen om uitvoerbare beslissingen te nemen in de in deze codificatie bedoelde aangelegenheden;1812° bestuur : elk bestuursorgaan van een associatie, respectievelijk een instelling dat krachtens een wettelijke of decretale bepaling of de statuten is aangewezen om uitvoerbare beslissingen te nemen in de in deze codificatie bedoelde aangelegenheden;
2513° beursstudent : een student die een studietoelage ontvangt van de Vlaamse Gemeenschap, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;1913° beursstudent : een student die een studietoelage ontvangt van de Vlaamse Gemeenschap, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;
29c) onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische Ruimte en beantwoordt aan de financiële criteria voor het verkrijgen van een studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of23c) onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische Ruimte en beantwoordt aan de financiële criteria voor het verkrijgen van een studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of
30d) een DGOS-bursaal, een BTC-bursaal of een bursaal in de programma’s van de ontwikkelingssamenwerking van de Vlaamse Interuniversitaire Raad is;24d) een DGOS-bursaal, een BTC-bursaal of een bursaal in de programma’s van de ontwikkelingssamenwerking van de Vlaamse Interuniversitaire Raad is;
3115° bewijs van bekwaamheid: het bewijsdat een student op grond van EVC’s of EVK’s de competenties heeft verworven eigen aan:2515° bewijs van bekwaamheid: het bewijs, via een document of een bewijs van registratie, dat een student op grond van EVC's of EVK's de competenties heeft verworven die eigen zijn aan:
26a) het niveau van gegradueerde in het hoger beroepsonderwijs;
32a) het niveau van bachelor in het hoger professioneel onderwijs of het academisch onderwijs, of27b) het niveau van bachelor in het hoger professioneel onderwijs of het academisch onderwijs;
33b) het masterniveau, of
28c) het niveau van master;
34c) een welomschreven opleiding, opleidingsonderdeel of cluster van opleidingsonderdelen;29d) een welomschreven opleiding, opleidingsonderdeel of cluster van opleidingsonderdelen;
35Bedoeld bewijs betreft een document of een registratie;
3616° bijna-beursstudent : een student die onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische ruimte of voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 9 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap en die geen studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap ontvangt, maar waarvan het referentie-inkomen ten hoogste 3000 euro ligt boven de financiële maximumgrens, bepaald in de regelgeving betreffende de studietoelagen. Het bedrag van 3000 euro wordt geïndexeerd overeenkomstig artikel II.218;3016° bijna-beursstudent : een student die onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische ruimte of voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 9 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap en die geen studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap ontvangt, maar waarvan het referentie-inkomen ten hoogste 3000 euro ligt boven de financiële maximumgrens, bepaald in de regelgeving betreffende de studietoelagen. Het bedrag van 3000 euro wordt geïndexeerd overeenkomstig artikel II.218;
3717° creditbewijs : de erkenning van het feit dat een student blijkens een examen de competenties, verbonden aan een opleidingsonderdeel, heeft verworven. Deze erkenning wordt vastgelegd in een document of een registratie. De verworven studiepunten, verbonden aan het betrokken opleidingsonderdeel, worden aangeduid als “credits”;3117° creditbewijs : de erkenning van het feit dat een student blijkens een examen de competenties, verbonden aan een opleidingsonderdeel, heeft verworven. Deze erkenning wordt vastgelegd in een document of een registratie. De verworven studiepunten, verbonden aan het betrokken opleidingsonderdeel, worden aangeduid als “credits”;
3818° creditcontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van (een) creditbewij(s)(zen) voor 1 of meer opleidingsonderdelen;3218° creditcontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van (een) creditbewij(s)(zen) voor 1 of meer opleidingsonderdelen;
3919° cursist : een deelnemer aan het hoger beroepsonderwijs die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden en ingeschreven is, als vermeld in artikel 3, 6°, van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs;
3319°...;
4019°/1 Databank Hoger Onderwijs: de databank, vermeld in artikel IV.90;3419°/1 Databank Hoger Onderwijs: de databank, vermeld in artikel IV.90;
4120° diplomacontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van een graad of diploma van een opleiding of die zich inschrijft voor een schakel- of voorbereidingsprogramma;3520° diplomacontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van een graad of diploma van een opleiding of die zich inschrijft voor een schakel- of voorbereidingsprogramma;
5027° financieringspunten : het financieringsvolume, uitgedrukt in een aantal punten en berekend op basis van het aantal opgenomen studiepunten, het aantal verworven studiepunten en het aantal diploma’s, en rekening houdend met het puntengewicht en de financieringsboni;4427° financieringspunten : het financieringsvolume, uitgedrukt in een aantal punten en berekend op basis van het aantal opgenomen studiepunten, het aantal verworven studiepunten en het aantal diploma’s, en rekening houdend met het puntengewicht en de financieringsboni;
5128° gedelibereerde studiepunten : studiepunten waarvoor een student op basis van examens geen creditbewijs verworven heeft, maar waarvoor een examencommissie beslist heeft dat de bijbehorende opleidingsonderdelen niet hervat hoeven te worden. De examencommissie heeft verklaard dat de student geslaagd is voor het geheel van de opleidingsonderdelen in kwestie die hij tijdens de periode in kwestie heeft gevolgd;4528° gedelibereerde studiepunten : studiepunten waarvoor een student op basis van examens geen creditbewijs verworven heeft, maar waarvoor een examencommissie beslist heeft dat de bijbehorende opleidingsonderdelen niet hervat hoeven te worden. De examencommissie heeft verklaard dat de student geslaagd is voor het geheel van de opleidingsonderdelen in kwestie die hij tijdens de periode in kwestie heeft gevolgd;
5229° generatiestudent : een student die zich, in een bepaald academiejaar, voor het eerst inschrijft met een diplomacontract voor een professioneel of academisch gerichte bachelor in het Vlaamse hoger onderwijs. Het statuut van generatiestudent geldt voor dat volledige academiejaar;4629° generatiestudent : een student die zich, in een bepaald academiejaar, voor het eerst inschrijft met een diplomacontract voor een opleiding van het hoger beroepsonderwijs of een professioneel of academisch gerichte bachelor in het Vlaamse hoger onderwijs. Het statuut van generatiestudent geldt voor dat volledige academiejaar;
5330° gesubsidieerde officiële hogeschool : een hogeschool met een publiekrechtelijk karakter tot 1 oktober 2013, die opgericht is door een provincie, een gemeente of een OCMW;4730° gesubsidieerde officiële hogeschool : een hogeschool met een publiekrechtelijk karakter tot 1 oktober 2013, die opgericht is door een provincie, een gemeente of een OCMW;
5431° gesubsidieerde vrije hogeschool : een hogeschool met een privaatrechtelijk karakter;4831° gesubsidieerde vrije hogeschool : een hogeschool met een privaatrechtelijk karakter;
5532° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van ’s lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen;4932° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van ’s lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen;
5633° graad : aanduiding van bachelor, master of doctor verleend op het einde van een opleiding c.q. na promotie met de uitreiking van een diploma;5033° graad : aanduiding van gegradueerde, bachelor, master of doctor verleend op het einde van een opleiding c.q. na promotie met de uitreiking van een diploma;
5733°/1 hbo5-opleiding: een opleiding van het hoger beroepsonderwijs die buiten de context van deze codex werd of wordt aangeboden, met name door een cvo of een secundaire school;5133°/1 hbo5-opleiding: een opleiding van het hoger beroepsonderwijs die buiten de context van deze codex werd of wordt aangeboden, met name door een cvo of een secundaire school;
5834° herstructurering : onder herstructurering wordt begrepen :5234° herstructurering : onder herstructurering wordt begrepen :
62d) een overdracht van 1 of meer studiegebieden van een hogeronderwijsinstelling naar een andere instelling, waarbij deze laatste instelling onderwijsbevoegdheid heeft voor de overgedragen studiegebieden;56d) een overdracht van 1 of meer studiegebieden van een hogeronderwijsinstelling naar een andere instelling, waarbij deze laatste instelling onderwijsbevoegdheid heeft voor de overgedragen studiegebieden;
6334°/1 Hogeronderwijsregister: het register, vermeld in artikel II.170;5734°/1 Hogeronderwijsregister: het register, vermeld in artikel II.170;
6435° integratiekader: het geheel van personeelsleden, opgenomen in een lijst die bekrachtigd is door de Vlaamse Regering, zoals vermeld in artikel V.209;
5835° integratiekader : het geheel van de personeelsleden die door een hogeschool met behoud van hun rechtspositieregeling als personeel van de hogeschool, aan een universiteit zijn overgedragen, voor zover ze niet opgenomen zijn in de rechtspositieregeling van de universiteiten;
6536° jaar : kalenderjaar;5936° jaar : kalenderjaar;
6637° kunstopleidingen : de professioneel gerichte bacheloropleidingen en de academisch gerichte bachelor- en masteropleidingen in de volgende studiegebieden:6037° kunstopleidingen : de professioneel gerichte bacheloropleidingen en de academisch gerichte bachelor- en masteropleidingen in de volgende studiegebieden:
79waarin de ambtshalve geregistreerde instellingen krachtens deze codificatie opleidingen kunnen aanbieden;73waarin de ambtshalve geregistreerde instellingen krachtens deze codificatie opleidingen kunnen aanbieden;
8043° onderwijs- en examenreglement : het reglement bedoeld in deel 2, titel 4, hoofdstuk 3;7443° onderwijs- en examenreglement : het reglement bedoeld in deel 2, titel 4, hoofdstuk 3;
7543°/1 onderwijskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties dat noodzakelijk is om maatschappelijk te functioneren en te participeren, waarmee verdere studies in het secundair of in het hoger onderwijs aangevat kunnen worden of waarmee beroepsactiviteiten uitgeoefend kunnen worden als vermeld in artikel 9 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;
8144° onderzoeksmaster : een initiële masteropleiding zoals vermeld in artikel II.157;7644° onderzoeksmaster : een initiële masteropleiding zoals vermeld in artikel II.157;
8245° opgenomen studiepunten : studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student zich heeft ingeschreven in een bepaald academiejaar;7745° opgenomen studiepunten : studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student zich heeft ingeschreven in een bepaald academiejaar;
12776° voorbereidingsprogramma : een programma dat kan worden opgelegd aan een student die niet in het bezit is van een diploma dat op rechtstreekse wijze toelating verleent tot de opleiding waarvoor hij zich wenst in te schrijven;12276° voorbereidingsprogramma : een programma dat kan worden opgelegd aan een student die niet in het bezit is van een diploma dat op rechtstreekse wijze toelating verleent tot de opleiding waarvoor hij zich wenst in te schrijven;
12877° vrijstelling : de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen;12377° vrijstelling : de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen;
12477°/1 werkplekleren : leeractiviteiten die gericht zijn op het verwerven van algemene of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is;
12978° werkstudent : een student die aan al de volgende voorwaarden beantwoordt :12578° werkstudent : een student die aan al de volgende voorwaarden beantwoordt :
130a) hij is in het bezit van een bewijs van tewerkstelling in een dienstverband met een omvang van ten minste 80 uren per maand, of hij is in het bezit van een bewijs van uitkeringsgerechtigde werkzoekende en de opleiding kadert binnen het door een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling voorgestelde traject naar werk;126a) hij is in het bezit van een bewijs van tewerkstelling in een dienstverband met een omvang van ten minste 80 uren per maand, of hij is in het bezit van een bewijs van uitkeringsgerechtigde werkzoekende en de opleiding kadert binnen het door een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling voorgestelde traject naar werk;
+7 −6 codex-hoger-onderwijs/art. II.24
4b) nieuwe bachelor- of masteropleidingen overeenkomstig artikel II.153, §3;4b) nieuwe bachelor- of masteropleidingen overeenkomstig artikel II.153, §3;
52° een oordeel uit te brengen over het aanbieden van een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig artikel II.263;52° een oordeel uit te brengen over het aanbieden van een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig artikel II.263;
63° een advies uit te brengen over een vrijstelling van een equivalentievoorwaarde voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig artikel II.264;63° een oordeel uit te brengen over een vrijstelling van een equivalentievoorwaarde voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig artikel II.264;
74° een oordeel uit te brengen over een afwijking op de voorwaarde tot het aanbieden van een equivalente opleiding overeenkomstig artikel II.268;74° een oordeel uit te brengen over een afwijking op de voorwaarde tot het aanbieden van een equivalente opleiding overeenkomstig artikel II.268;
85° ...;85° ...;
96° het kwaliteitstoezicht uitoefenen op de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, vermeld in artikel 160 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, en overeenkomstig de bepalingen, vermeld in artikel 161/1 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs;
107° het beoordelen van de aanvragen van gecombineerd onderwijs in opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, vermeld in artikel 28 en 98, §5, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en overeenkomstig de criteria, vermeld in voormeld artikel 28;
118° het beoordelen van de aanvragen voor wijziging van het opleidingsprofiel van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, vermeld in artikel 160 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, tot aan de omvorming van die opleidingen overeenkomstig de bepalingen, vermeld in artikel 161/2 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs;
96° ...;
107° ...;
118° ...;
129° ...129° ...;
1310° het verlenen van advies aan de Vlaamse Regering over het al dan niet bijdragen van een opleiding en instelling buiten de Europese Hoger Onderwijsruimte, aan de uitbouw van een wetenschappelijke discipline, vermeld in artikel 30 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;1310° het verlenen van advies aan de Vlaamse Regering over het al dan niet bijdragen van een opleiding en instelling buiten de Europese Hoger Onderwijsruimte, aan de uitbouw van een wetenschappelijke discipline, vermeld in artikel 30 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;
1411° een oordeel uit te brengen over een aanvraag tot vrijstelling van de afbouw van een initiële bachelor- of masteropleiding, conform artikel II.153 van deze codex;1411° een oordeel uit te brengen over een aanvraag tot vrijstelling van de afbouw van een initiële bachelor- of masteropleiding, conform artikel II.153 van deze codex;
1512° een oordeel uit te brengen over de aanvraag tot verandering van vestiging, conform artikel II.154 van deze codex.1512° een oordeel uit te brengen over de aanvraag tot verandering van vestiging, conform artikel II.154 van deze codex;
1613° het beoordelen van de aanvragen voor een relevantietoets, vermeld in artikel II.153/1, § 4, van deze codex, van nieuwe opleidingen die uitgaan van geregistreerde instellingen als vermeld in artikel II.6 van deze codex, en van de instellingen die de registratie aanvragen conform artikel II.6 van deze codex.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.26
1Een internationaal verdrag wijst de organisatie aan die overeenkomstig deel 2, titel 3, hoofdstuk 9de accreditatie verleent en de toets nieuwe opleidingen uitvoert.1Een internationaal verdrag wijst de organisatie aan die overeenkomstig deel 2, titel 3, hoofdstuk 9, de toets nieuwe opleiding uitvoert, en die overeenkomstig deel 2, titel 3, hoofdstuk 9/1, de accreditatie verleent en de instellingsreview uitvoert.
2De Vlaamse Regering geeft aan het Vlaams parlement kennis van het verdragsontwerp vóór de ondertekening ervan.2De Vlaamse Regering geeft aan het Vlaams parlement kennis van het verdragsontwerp vóór de ondertekening ervan.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.28
1Elk uitvoerbaar reglement van de accreditatieorganisatie betreffende de procedure volgens dewelke in het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap de instellingsreview wordt uitgevoerd, de besluiten die de instellingsreview afronden, worden genomen, de accreditatie wordt verleend en/of de toets nieuwe opleidingen wordt uitgevoerd, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.1Elk uitvoerbaar reglement van de accreditatieorganisatie betreffende de procedure volgens dewelke in het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap de instellingsreview wordt uitgevoerd, de besluiten die de instellingsreview afronden, worden genomen, de accreditatie wordt verleend en/of de toets nieuwe opleidingen wordt uitgevoerd, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
2De accreditatiebesluiten en de besluiten die de instellingsreview afronden worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het uittreksel betreft de essentiële elementen van het dispositief. De besluiten en de rapporten die de instellingsreview afronden, en de accreditatiebesluiten en accreditatierapporten van de accreditatieorganisatie worden integraal gepubliceerd op de website van de accreditatieorganisatie.2De accreditatiebesluiten en de besluiten die de instellingsreview afronden worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het uittreksel betreft de essentiële elementen van het dispositief. De toetsingsbesluiten bij een toets nieuwe opleiding, de accreditatiebesluiten en de besluiten die de instellingsreview afronden, samen met de onderliggende beoordelingsrapporten zijn openbaar. Ze worden integraal gepubliceerd op de website van de accreditatieorganisatie.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.29/1 nieuw
1De Vlaamse Regering kan met inachtname van artikel 1.2 van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 3 september 2003, de accreditatieorganisatie belasten met de volgende bijkomende opdracht: studie en advies inzake de samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap op het vlak van het hoger onderwijs in het algemeen.
+5 −25 codex-hoger-onderwijs/art. II.122
1§ 1. De instellingen, vermeld in artikel II.1, zorgen voor de kwaliteitszorg van de onderwijsactiviteiten. Ze zien permanent en op eigen initiatief toe op de kwaliteit van hun onderwijsactiviteiten. Ze betrekken studenten, alumni, externe deskundigen uit het beroepenveld en internationale deskundigen bij de processen van kwaliteitsbewaking. Ze voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van hun onderwijsactiviteiten.1§ 1. De instellingen voor hoger onderwijs zorgen voor de kwaliteitszorg van de onderwijsactiviteiten. Ze zien permanent en op eigen initiatief toe op de kwaliteit van hun onderwijsactiviteiten. Ze betrekken interne en externe stakeholders en externe, onafhankelijke deskundigen bij de processen van kwaliteitsbewaking. Ze voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van hun onderwijsactiviteiten.
2Tot en met het einde van het academiejaar 2016-2017 kunnen de instellingen bij wijze van experiment proefprojecten opzetten waarbij zij zelf de regie voeren van de borging van de kwaliteit van hun opleidingen.
3§ 2. Als een instelling als vermeld in artikel II.1, met toepassing van artikel II.126, § 2, tweede lid, geen bijkomende beoordeling heeft gevraagd van de manier waarop de instelling de regie voert van de borging van de kwaliteit van haar opleidingen, wordt met het oog op het verlenen van de accreditaties een externe beoordeling uitgevoerd door een visitatiecommissie die het geheel van haar werkzaamheden afrondt binnen een bestek van twaalf maanden. Van de visitatiecommissie maakt ten minste één student deel uit.
4§3. De externe beoordelingen als vermeld in paragraaf 2, worden georganiseerd door een evaluatieorgaan dat daartoe een visitatieprotocol vastlegt na overleg met de accreditatieorganisatie. Het protocol wordt openbaar gemaakt.
5Het visitatieprotocol voorziet ten minste in:
61° de mogelijkheid voor het instellingsbestuur om technische opmerkingen en inhoudelijke bezwaren te formuleren voor de commissie de externe beoordeling definitief vaststelt;
72° de plicht voor de visitatiecommissie om ten aanzien van het instellingsbestuur schriftelijk te antwoorden op de geformuleerde inhoudelijke bezwaren;
83° de wijze waarop de onafhankelijkheid van de beoordelingen wordt gewaarborgd;
94° de wijze waarop het evaluatieorgaan de visitatiecommissies samenstelt zodat de visitatiecommissies met kennis van zaken een oordeel kunnen vormen over wat er internationaal wenselijk en gangbaar is inzake het eindniveau van opleidingen met een verwante kwalificatie;
105° de wijze waarop de visitatiecommissie tot haar oordeel is gekomen en de wijze waarop de vergelijkbaarheid van de oordelen, verleend aan de criteria, bedoeld in het accreditatiekader, over de verschillende opleidingen wordt gewaarborgd;
116° de wijze waarop de leden van de visitatiecommissies gevormd worden met het oog op een eenduidige toepassing van het visitatieprotocol en het accreditatiekader;
127° de minimumvereisten waaraan een visitatieprotocol moet voldoen opdat het kan toelaten om de voldoende aanwezigheid van de generieke kwaliteitswaarborgen na te gaan.
13Met behoud van de toepassing van paragraaf 4 en artikel II.148 en II.382 organiseert het Bestuurscomité Kwaliteitszorg van de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad de externe beoordeling van de opleidingen van de instellingen, vermeld in artikel II.1. Het Bestuurscomité Kwaliteitszorg is het verzelfstandigd orgaan binnen de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad dat als evaluatieorgaan optreedt zoals bedoeld in artikel II.37, §2.
14§4. Instellingen kunnen voor de organisatie van de externe beoordeling een beroep doen op een ander evaluatieorgaan dat bij het European Quality Assurance Register for Higher Education (EQAR) geregistreerd is of dat door de NVAO erkend is om 1 van de volgende redenen:
151° de internationale vergelijkbaarheid van de te accrediteren opleiding met vergelijkbare opleidingen aan buitenlandse instellingen;
162° een goede aansluiting tussen de expertise van het ander evaluatieorgaan en de inhoudelijke specificiteit van de te accrediteren opleiding.
17§5. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1 gelden voor de lerarenopleidingen de volgende bepalingen :
18De eerste externe beoordeling van de bachelor-na-bacheloropleidingen in het onderwijs en de specifieke lerarenopleidingen moet afgerond zijn voor eind 2012. Vanaf 2013 gebeurt de externe beoordeling van de geïntegreerde lerarenopleidingen, de bachelor-na-bacheloropleidingen in het onderwijs en de specifieke lerarenopleidingen minstens om de 8 jaar.
19De visitatiecommissies worden steeds aangevuld met deskundigen die het afnemend veld vertegenwoordigen en deskundigen die voeling hebben met de noden van volwassen cursisten.
20De lerarenopleidingen worden geclusterd in een cluster geïntegreerde lerarenopleidingen, een cluster bachelor-na-bacheloropleidingen in het onderwijs en een cluster specifieke lerarenopleidingen.
21Indien de specifieke lerarenopleiding georganiseerd is als een afstudeerrichting van een masteropleiding van 120 studiepunten, maakt dit deel uit van de visitatie van de specifieke lerarenopleiding.
22§6. De visitatiecommissies brengen de uitkomst van hun beoordeling van elke opleiding, cluster van opleidingen en van verwante opleidingen samen in een openbaar verslag.
23§7. De instellingen geven gevolg aan de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling in het beleid van de instelling.
24§8. Paragraaf 2, 3, 4 en 6 is niet van toepassing op de opleidingen waarvoor een beroep wordt gedaan op de accreditatieprocedure, vermeld in artikel II.149.
25§ 9. De bepalingen in dit artikel zijn ook van toepassing op de specifieke lerarenopleidingen, met uitzondering van deze aangaande de accreditatie van opleidingen voor de specifieke lerarenopleidingen georganiseerd door de centra voor volwassenenonderwijs, de hogescholen en de universiteiten, en deze over de instellingsreview als voor de specifieke lerarenopleidingen georganiseerd door de centra voor volwassenenonderwijs.
2§ 2. De instellingen voor hoger onderwijs leggen verantwoording af over de kwaliteit van hun opleidingen.
3De instellingen, vermeld in artikel II.2 en II.3, doen dat binnen of op maat van de eigen regie van de borging van de kwaliteit van hun opleidingen conform de bepalingen, vermeld in hoofdstuk 9/1, afdeling 2 en 3.
4Voor wat betreft de transnationale Universiteit Limburg zijn de bepalingen, vermeld in hoofdstuk 9/1, enkel van toepassing op de universitaire campus Diepenbeek-Hasselt.
5De instellingen, vermeld in artikel II.19, II.20, II.21, II.105 en II.106, en de geregistreerde instellingen, vermeld in artikel II.6, doen dat door beoordelingen door externe evaluatieorganen op opleidingsniveau conform de bepalingen, vermeld in hoofdstuk 9/1, afdeling 4.
+5 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.124/1 nieuw
1De instellingen dragen de kosten van de beoordelingsprocedures, vermeld in hoofdstuk 9 en 9/1. De Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs bepaalt de tarieven voor de uitvoering van die beoordelingsprocedures. De tariefbepaling gebeurt binnen de volgende parameters :
21° het tarief voor de toets nieuwe opleiding, vermeld in hoofdstuk 9, afdeling 3/1, bedraagt per opleiding ten minste 5000 euro en ten hoogste 20.000 euro;
32° het tarief voor de instellingsreview, vermeld in hoofdstuk 9/1, afdeling 2, bedraagt per instelling ten minste 20.000 euro en ten hoogste 60.000 euro;
43° het tarief voor de opleidingsaccreditatie, vermeld in hoofdstuk 9/1, afdeling 3, bedraagt per opleiding ten minste 5000 euro en ten hoogste 20.000 euro;
54° het tarief voor de opleidingsaccreditatie, vermeld in hoofdstuk 9/1, afdeling 4, bedraagt per opleiding ten minste 500 euro en ten hoogste 2000 euro.
+4 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.124/2 nieuw
1§ 1. De accreditatieorganisatie voert jaarlijkse systeembrede analyses uit in het hoger onderwijs. Deze analyses brengen goede praktijken inzake onderwijsbeleid en onderwijskwaliteit in beeld en bieden de mogelijkheid om van elkaar te leren.
2§ 2. De instellingen, vermeld in artikel II.2 en II.3, nemen tijdens een periode van zes jaar ten minste twee keer deel aan een systeembrede analyse.
3Voor de toepassing van het eerste lid worden de transnationale Universiteit Limburg en de Universiteit Hasselt als één instelling beschouwd.
4De VLUHR, de studentenkoepelverenigingen, de accreditatieorganisatie en de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering leggen samen de onderwerpen en de kalender vast. De eerste periode van zes jaar gaat van start in het academiejaar 2020-2021.
+3 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.124/3 nieuw
1De Vlaamse Regering kan de accreditatieorganisatie belasten met volgende aanvullende opdrachten :
21° studie en advies inzake kwaliteitszorg in het hoger onderwijs;
32° het uitvoeren van accreditatieactiviteiten op vraag van buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs in andere landen dan België en Nederland, voor zover deze activiteiten de hoofdopdracht van de accreditatieorganisatie ondersteunen of aanvullen en dit de optimale werking, dienstverlening en voorziene termijnen ten aanzien van opleidingen binnen het hoger onderwijs, verzorgd door in Nederland of in Vlaanderen gevestigde instellingen, op geen enkele manier in het gedrang brengt.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.124/4 nieuw
1De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering stelt op een toegankelijke wijze kwantitatieve basisindicatoren tot op opleidingsniveau ter beschikking. Die basisindicatoren verduidelijken het profiel van een opleiding.
+0 −14 codex-hoger-onderwijs/art. II.126 opgeheven
1§ 1. De instellingen, vermeld in artikel II.1, zijn vanaf het academiejaar 2015-2016 onderworpen aan een instellingsreview. Bij een instellingsreview beoordeelt een externe commissie de beleidsprocessen die een instelling opzet om te garanderen dat ze haar taken op het terrein van het hoger onderwijs op een kwaliteitsvolle wijze uitvoert. De reviewcommissie betrekt daarbij ook de beleidsprocessen die de instelling opzet om het onderwijs dat ze in haar opleidingen aanbiedt te ondersteunen vanuit haar opdrachten op het terrein van onderzoek en maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening.
2§ 2. De reviewcommissie betrekt de volgende onderwerpen in haar beoordeling:
31° de visie van de instelling op hoger onderwijs en de kwaliteit van het hoger onderwijs en het gevoerde beleid, beleidsdoelstellingen en beleidsuitgangspunten op het terrein van het onderwijs alsmede het gevoerde beleid op het terrein van onderzoek en maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening in relatie met de onderwijskwaliteit;
42° de beleidsacties, processen, procedures, praktijken en instrumenten, die de instelling inzet om haar beleid op een effectieve wijze te realiseren en de kwaliteit van het aangeboden onderwijs te optimaliseren;
53° de feedback- en opvolgsystemen en in het bijzonder de interne systemen van kwaliteitsbewaking die de instelling opzet om de effectiviteit van haar beleidsacties in functie van de onderwijskwaliteit te garanderen;
64° de acties die een instelling onderneemt om de realisatie van haar beleidsdoelstellingen te verbeteren.
7Naast de onderwerpen, vermeld in het eerste lid, kan een instelling vragen een bijkomende beoordeling uit te voeren over de manier waarop de instelling de regie voert van de borging van de kwaliteit van haar opleidingen, zoals bedoeld in artikel II.122, § 1, tweede lid.
8§ 3. De accreditatieorganisatie legt in het beoordelingskader instellingsreview de volgende zaken vast:
91° de criteria waaraan de hiervoor vermelde onderwerpen getoetst zullen worden;
102° de voorwaarden voor het verlenen van de oordelen ‘voldoet’ of ‘voldoet niet’ aan de hiervoor vermelde criteria;
113° de verifieerbare feiten die als grondslag kunnen dienen om de oordelen uit te spreken en hoe de bewijskracht van een feit aangetoond kan worden.
12Het beoordelingskader instellingsreview moet, voor het toegepast kan worden, door de Vlaamse Regering goedgekeurd worden met vooraf het advies van de VLUHR als Koepelorganisatie en de studentenkoepelverenigingen.
13§ 4. In afwijking van paragraaf 1 zijn de instellingen bedoeld in artikel II.19, II.20 en II.21 en de erkende faculteiten der protestantse godgeleerdheid bedoeld in de artikelen II.105 en II.106 niet onderworpen aan een instellingsreview.
14§ 5. De beoordeling vermeld in artikel II.126, § 2, tweede lid, wordt uitgevoerd in overeenstemming met een Kwaliteitscode. De accreditatieorganisatie legt na overleg met de VLUHR en de studentenkoepelverenigingen deze Kwaliteitscode vast. De Kwaliteitscode bepaalt de algemene uitgangspunten waaraan de regie van de borging van de kwaliteit van de opleidingen moet beantwoorden en hoe de instelling hierover verantwoording moet afleggen. Daarnaast voorziet de Kwaliteitscode aansluiting bij de Standards and Guidelines for Quality Assurance in the European Higher Education Area, de Vlaamse Kwalificatiestructuur en de relevante Europese kwalificatieraamwerken.
+0 −4 codex-hoger-onderwijs/art. II.127 opgeheven
1§1. De instellingen, vermeld in artikel II.1, vragen een instellingsreview of een verlenging ervan aan bij de accreditatieorganisatie. De eerste ronde instellingsreviews wordt georganiseerd in de academiejaren 2015-2016 en 2016-2017. De tweede ronde instellingsreviews vindt plaats in de academiejaren 2020-2021 en 2021-2022.
2De accreditatieorganisatie stelt in overleg met de VLUHR het tijdsrooster op van de instellingsreviews in de eerste en tweede ronde en legt voor elke instellingsreview de uiterlijke datum van de aanvraag vast.
3§2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1 wordt een aanvraag voor een verlenging van een instellingsreview uiterlijk 1 jaar voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het positieve besluit instellingsreview ingediend.
4§3. Als een instellingsbestuur overeenkomstig de termijn, vermeld in paragraaf 2, een aanvraag van een instellingsreview heeft ingediend, wordt de periode van het geldende positieve besluit instellingsreview verlengd tot het moment dat onherroepelijk een beslissing is genomen over de aanvraag.
+0 −8 codex-hoger-onderwijs/art. II.128 opgeheven
1§1. De accreditatieorganisatie stelt de reviewcommissie samen die de instellingsreview uitvoert en coördineert de instellingsreview. De te beoordelen instelling heeft het recht beargumenteerd bezwaren aan te dragen tegen de samenstelling van de reviewcommissie binnen een vervaltermijn van 15 kalenderdagen vanaf de dag na de ontvangst van de mededeling van de accreditatieorganisatie.
2De reviewcommissie bestaat uit ten minste 5 leden, onder wie 1 student. De meerderheid van de leden is werkzaam of is recent werkzaam geweest in het buitenland. De reviewcommissie beschikt over bestuurlijke deskundigheid, onderwijsdeskundigheid en evaluatiedeskundigheid en is op de hoogte van de ontwikkelingen in de hogeronderwijssector in binnen- en buitenland. Ten minste 1 lid moet voldoende kennis hebben van het Vlaamse hoger onderwijs.
3De leden van de commissie zijn onafhankelijk, beschikken over de nodige deskundigheid en hebben, behalve voor de student, ten minste 5 jaar geen banden gehad met de te beoordelen instelling. Voor wat de student betreft geldt de voorwaarde dat de student minstens sedert één jaar geen band meer heeft met de betrokken instelling. De accreditatieorganisatie controleert die voorwaarden.
4De reviewcommissie gaat op een meer specifieke c.q. diepgaande wijze de correctheid na van haar bevindingen ten aanzien van het instellingsbeleid aan de hand van de praktijk op lagere organisatieniveaus c.q. op inhoudelijke speerpunten.
5§2. De accreditatieorganisatie legt na overleg met de VLUHR en de studentenkoepelverenigingen, in een draaiboek de volgende zaken vast:
61° de wijze waarop de instellingsreviews worden uitgevoerd;
72° de stappen in het beoordelingsproces;
83° de gegevens die het instellingsbestuur meestuurt bij een aanvraag voor een instellingsreview en de documenten die ter inzage moeten liggen tijdens de bezoeken aan de instelling.
+0 −7 codex-hoger-onderwijs/art. II.129 opgeheven
1§1. De accreditatieorganisatie die de aanvraag voor een instellingsreview ontvangt, rondt het proces van de instellingsreview binnen 12 maanden na de ontvangst van de aanvraag af met een besluit waarin de accreditatieorganisatie een oordeel geeft over elk van de 4 onderwerpen, vermeld in artikel II.126, §2.
2De accreditatieorganisatie kan na de indiening van het dossier en vóór het ontwerp van evaluatierapport en besluit wordt verzonden, het instellingsbestuur om aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen vragen. Als de accreditatieorganisatie daarvan gebruikmaakt, wordt daarvan melding gemaakt in het evaluatierapport. De accreditatieorganisatie legt in het reglement, vermeld in artikel II.27, de bestuursbeginselen vast inzake de verzoeken om aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen en inzake de behandeling van de antwoorden.
3§2. De accreditatieorganisatie legt de bevindingen van de review, vermeld in paragraaf 1, vast in een evaluatierapport, dat als motivering geldt van het besluit.
4De accreditatieorganisatie bezorgt een maand vóór het verstrijken van de beslissingstermijn, vermeld in paragraaf 1, een ontwerp van evaluatierapport en van besluit dat de instellingsreview afrondt, aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur wordt in staat gesteld om bezwarenen opmerkingen te formuleren binnen een vervaltermijn van 15 kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het ontwerp.
5§3. De accreditatieorganisatie bepaalt in het reglement, vermeld in artikel II.27, de procedures overeenkomstig dewelke bezwaren en opmerkingen worden behandeld. Die procedures kunnen nooit leiden tot een overschrijding van de beslissingstermijn, vermeld in paragraaf 1.
6§4. Het besluit dat een instellingsreview afrondt, treedt in werking met ingang van de dag waarop het vorige besluit met betrekking tot de instellingsreview vervalt, of als aan een instelling voor de eerste keer een instellingsreview wordt verleend, met ingang van de dag van de bekendmaking van het besluit.
7§5. De rapporten van de instellingsreviews zijn openbaar.
+0 −7 codex-hoger-onderwijs/art. II.130 opgeheven
1§1. Aan de eerste ronde instellingsreviews zijn geen rechtsgevolgen verbonden voor de instelling of de opleidingen.
2§2. Vanaf de tweede ronde instellingsreviews hebben de instellingsreviews de volgende rechtsgevolgen :
31° als de instelling naar het oordeel van de accreditatieorganisatie 'voldoet' aan alle onderwerpen, vervalt voor die instelling de verplichting om de accreditatie van een opleiding aan te vragen op basis van een gepubliceerde externe beoordeling en heeft het besluit dat de instellingsreview afrondt een geldigheidsduur van 6 jaar;
42° als de instelling naar het oordeel van de accreditatieorganisatie niet voldoet aan alle onderwerpen, beperkt de accreditatieorganisatie de geldigheidsduur van het besluit dat de instellingsreview afrondt, tot ten hoogste 3 jaar. Uiterlijk 6 maanden voor het einde van die periode onderwerpt de accreditatieorganisatie de instelling aan een nieuwe beperkte review. Die beperkte geldigheidsduur komt in mindering van de algemene geldigheidsduur van 6 jaar.
5In die periode kan de instelling geen aanvraag meer indienen voor een nieuwe opleiding.
6Als de instelling na die nieuwe beperkte review naar het oordeel van de accreditatieorganisatie niet voldoet aan alle onderwerpen wordt de instelling niet langer gefinancierd en verliest de instelling het recht om graden te verlenen. De instelling moet ervoor zorgen dat, door samenwerking met een andere instelling, de studenten hun opleiding kunnen verder zetten. De Vlaamse Regering zal hiervoor de nodige maatregelen treffen;
73° indien de instelling naar het oordeel van de accreditatieorganisatie aan geen enkele onderwerp voldoet, wordt de instelling niet langer gefinancierd en verliest de instelling het recht om graden te verlenen met ingang van het volgende academiejaar. De instelling moet ervoor zorgen dat, door samenwerking met een andere instelling, de studenten hun opleiding kunnen verder zetten. De Vlaamse Regering zal hiervoor de nodige maatregelen treffen.
+0 −4 codex-hoger-onderwijs/art. II.131 opgeheven
1De instelling draagt de kosten van de instellingsreview. De Vlaamse Regering bepaalt de tarieven voor de uitvoering van een instellingsreview en kan daarbij rekening houden met de grootte van de instelling. Deze tariefbepaling houdt rekening met de volgende beginselen:
21° het tarief voor de instellingsreview bedraagt ten minste 10.000 euro en ten hoogste 60.000 euro;
32° de in punt 1° bedoelde bedragen kunnen jaarlijks worden geïndexeerd. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze indexering wordt toegepast.
4De Vlaamse Regering zorgt voor de uitvoering van een evaluatie van de eerste instellingsreviews tegen eind juni 2018. De Vlaamse Regering zorgt daarnaast ook voor de uitvoering vóór 1 januari 2024 van een algemene evaluatie van de werking en de impact van het stelsel van accreditatie en instellingsreviews. Bij de evaluatie wordt ook nagegaan of de administratieve lastenvermindering zich manifesteert.
+0 −3 codex-hoger-onderwijs/art. II.132 opgeheven
1Indien het besluit dat een instellingsreview afrondt negatief is, kan het instellingsbestuur bij de Vlaamse Regering een beroep instellen tegen dat negatief besluit instellingsreview. Het beroep wordt ingesteld binnen een termijn van 30 kalenderdagen die ingaat de dag na deze van de betekening van het negatief besluit instellingsreview aan de instelling.
2De Vlaamse Regering toetst het betwiste besluit aan de bepalingen van deel 2 en 4 en van het in artikel II.27 bedoelde reglement. De Vlaamse Regering neemt een besluit binnen een ordetermijn van 60 kalenderdagen die ingaat de dag na deze van de ontvangst van het beroep. Zij vernietigt het negatief besluit instellingsreview wanneer dat kennelijk niet in overeenstemming is met de in dit lid vermelde bepalingen.
3De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake het verloop van de beroepsprocedure.
+7 −4 codex-hoger-onderwijs/art. II.133
1§1. De instellingen voor hoger onderwijs verlenen de graden van bachelor of master op grond van het met goed gevolg voltooien van een opleiding die overeenkomstig deze codificatie georganiseerd wordt en die:1§1. De instellingen voor hoger onderwijs verlenen de graden van gegradueerde, bachelor of master op grond van het met goed gevolg voltooien van een opleiding die overeenkomstig deze codificatie georganiseerd wordt en die:
21° ofwel overeenkomstig afdeling 2 geaccrediteerd is voor de in het accreditatiebesluit bepaalde duur;21° ofwel overeenkomstig deze codex geaccrediteerd is voor de in het accreditatiebesluit bepaalde duur;
32° ofwel overeenkomstig afdeling 3 erkend is als nieuwe opleiding;32° ofwel overeenkomstig afdeling 3 en 3/1 erkend is als nieuwe opleiding;
43° ofwel een verlenging geniet van de geldigheidsduur van de accreditatie overeenkomstig artikel II.142, §5, en artikel II.145 , II.381 of II.387/1, ofwel nog een tijdelijke erkenning geniet.43° ofwel een verlenging geniet van de geldigheidsduur van de accreditatie overeenkomstig hoofdstuk 9/1;
54° ofwel als opleiding van het hoger beroepsonderwijs is geactualiseerd conform afdeling 3/2;
65° ofwel geaccrediteerd is overeenkomstig een accreditatiebesluit genomen voor 1 september 2019 voor de in het accreditatiebesluit bepaalde duur;
76° ofwel erkend is als nieuwe opleiding overeenkomstig een erkenningsbesluit genomen voor 1 september 2019.
5§2. Een opleiding die niet meer voldoet aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 1 wordt geschrapt uit het Hogeronderwijsregister, vermeld in artikel II.170, vanaf het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin de geldigheid van de lopende accreditatie, de erkenning als nieuwe opleiding of de verlenging van de accreditatie vervalt.8§2. Een opleiding die niet meer voldoet aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 1 wordt geschrapt uit het Hogeronderwijsregister, vermeld in artikel II.170, vanaf het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin de geldigheid van de lopende accreditatie, de erkenning als nieuwe opleiding of de verlenging van de accreditatie vervalt.
6Het instellingsbestuur kan eerst na verloop van een periode van 3 jaar te rekenen vanaf de datum van de schrapping van een opleiding een aanvraag tot erkenning als nieuwe opleiding indienen van:9Het instellingsbestuur kan eerst na verloop van een periode van 3 jaar te rekenen vanaf de datum van de schrapping van een opleiding een aanvraag tot erkenning als nieuwe opleiding indienen van:
+0 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.134 opgeheven
1§1. De accreditatie van een opleiding wordt verleend op aanvraag van het instellingsbestuur. De accreditatie van gezamenlijk georganiseerde opleidingen die voltooid worden met een gezamenlijk diploma, wordt verleend op gezamenlijke aanvraag van de betrokken Vlaamse instellingsbesturen.
2§2. De aanvraag voor accreditatie van een opleiding ingediend door het bestuur van een geregistreerde instelling omvat in alle gevallen een visitatierapport georganiseerd door een evaluatieorgaan.
+0 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.135 opgeheven
1De accreditatieaanvraag moet uiterlijk 4 maanden voor het verstrijken van de geldigheid van de lopende accreditatie of van de erkenning als nieuwe opleiding of van de tijdelijke erkenning worden ingediend. De termijnen worden berekend van maand tot maand en van dag tot dag. In de termijnen is de dag waarop de termijn verstrijkt inbegrepen.
2Het instellingsbestuur vraagt een accreditatie aan binnen een periode van 2 maanden na de publicatie van het visitatierapport.
+0 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.136 opgeheven
1Overeenkomstig de voorschriften van deze codificatie, toetst de accreditatieorganisatie de kwaliteit en het niveau van een opleiding van de Vlerick Business School, de Universiteit Antwerpen Management School of het Instituut voor Tropische Geneeskunde op basis van de gepubliceerde externe beoordeling.
2De accreditatieorganisatie accrediteert de aangeboden opleiding wanneer ze op basis van de gepubliceerde externe beoordeling in redelijkheid meent te kunnen besluiten dat voldoende generieke kwaliteitswaarborgen voorhanden zijn zoals bedoeld in artikel II.140 en II.141. De instelling legt haar accreditatiedossier pas voor na positief advies van de in artikel III.116, 2°, bedoelde universiteiten.
+0 −16 codex-hoger-onderwijs/art. II.137 opgeheven
1§1. De accreditatieorganisatie bepaalt bij reglement de vorm en de inhoud van het dossier dat bij de aanvraag moet worden gevoegd.
2Een instellingsbestuur dat een inhoudelijk bezwaar, vermeld in paragraaf 2, derde lid, 2°, of artikel II.122, §3, derde lid, 1°, heeft gemaakt ten aanzien van het ontwerp van externe beoordeling, kan aan de accreditatieaanvraag een aanvullende nota toevoegen, indien de definitief vastgestelde gepubliceerde externe beoordeling dat bezwaar kennelijk veronachtzaamt.
3Indien een aanvraag niet voldoet aan bedoelde regelen, biedt de accreditatieorganisatie de gelegenheid binnen een daartoe gestelde termijn het verzuim te herstellen. Indien van deze gelegenheid geen dan wel op niet afdoende wijze gebruik wordt gemaakt, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. De accreditatieorganisatie kan nadere regelen omtrent deze procedure vaststellen in het in het eerste lid bedoelde reglement.
4§2. Het dossier omvat in ieder geval een gepubliceerde externe beoordeling van de opleiding.
5De gepubliceerde externe beoordeling komt voor wat betreft de ambtshalve geregistreerde instellingen tot stand op grond van de systematiek beschreven in artikel II.122, §3 en §4.
6De gepubliceerde externe beoordeling komt voor wat betreft de geregistreerde instellingen en de in artikel II.122, §8, vermelde opleidingen tot stand als volgt:
71° de opleiding wordt gevisiteerd door een visitatiecommissie. Van de visitatiecommissie maakt ten minste 1 student deel uit. De leden van de visitatiecommissie moeten onafhankelijk staan ten opzichte van de instelling die gevisiteerd wordt;
82° de visitatiecommissie hanteert een visitatieprotocol opgesteld door een evaluatieorgaan. Dat protocol voorziet ten minste in de elementen, vermeld in artikel II.122;
93° de werking van de visitatiecommissie wordt gecoördineerd door een evaluatieorgaan. Elk evaluatieorgaan dat optreedt ten aanzien van visitaties in geregistreerde instellingen moet ofwel bij het European Quality Assurance Register for Higher Education (EQAR) geregistreerd zijn ofwel erkend zijn door de accreditatieorganisatie, die daarvoor een reglement opstelt. De leden van het evaluatieorgaan moeten onafhankelijk staan ten opzichte van de instellingen waaromtrent zij beslissingen nemen in het kader van de coördinatie van visitaties;
104° de visitatiecommissie publiceert de uitkomst van de visitatie als een openbaar visitatierapport.
11De in het derde lid, punt 3°, vermelde erkenning van een evaluatieorgaan kan worden beperkt tot 1 of meer opleidingen. Het evaluatieorgaan geeft in de erkenningsaanvraag aan voor welke opleiding(en) het de erkenning aanvraagt.
12§3. Deze paragraaf is van toepassing op gezamenlijke opleidingen, georganiseerd door een Vlaamse instelling voor hoger onderwijs samen met 1 of meer buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs, die bij succesvolle voltooiing ervan leiden tot een gezamenlijk diploma in de zin van artikel II.172, §3.
13De externe beoordeling, vermeld in paragraaf 2, kan, voor de gehele opleiding of voor het deel van het opleidingsprogramma dat verzorgd wordt door de partnerinstelling(en), vervangen worden door 1 van de volgende beoordelingen:
141° een door een evaluatieorgaan uitgevoerde externe beoordeling die voldoet aan de European Standards for the External Quality Assurance of Higher Education;
152° een door een andere accreditatieorganisatie verleende accreditatie die betrekking heeft op de gehele opleiding of op het deel van het opleidingsprogramma dat verzorgd wordt door de partnerinstelling(en) en die bij overeenkomstige toepassing van artikel II.149, eerste lid, als equivalent wordt erkend;
163° andere relevante stukken waarbij het instellingsbestuur inzichtelijk maakt dat het deel van het opleidingsprogramma dat verzorgd wordt door de partnerinstelling(en) de generieke kwaliteitswaarborgen in de zin van artikel II.140 en II.141 biedt zodat de studenten bij het voltooien van de gehele opleiding de leerresultaten vermeld in artikel II.141, bereikt hebben.
+0 −12 codex-hoger-onderwijs/art. II.138 opgeheven
1§1. De centra voor volwassenenonderwijs kunnen de accreditatie aanvragen voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, met uitzondering van de opleidingen van het pedagogisch hoger onderwijs, die ze in het academiejaar 2003-2004 hebben georganiseerd. Het accreditatieproces verloopt overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling die gelden voor de ambtshalve geregistreerde instellingen.
2§2. Een opleiding die de accreditatie of de tijdelijke erkenning verwerft, moet worden overgedragen aan een ambtshalve geregistreerde instelling die de overeenkomstige onderwijsbevoegdheid en territoriale bevoegdheid heeft.
3De overdracht van de opleiding kan plaatsvinden vanaf het ogenblik van de accreditatie c.q. de tijdelijke erkenning en moet voltrokken zijn uiterlijk op 31 augustus van het jaar dat volgt op het jaar van de accreditatie c.q. de tijdelijke erkenning.
4Van de territorialiteitsvoorwaarde als bedoeld in het eerste lid, kan worden afgeweken. In geval van toepassing van paragraaf 3 kan deze afwijking reeds worden vastgelegd in de intentieverklaring. De afwijking heeft in dit geval pas uitwerking met de eigenlijke overdracht. Als voorwaarde geldt dat:
51° de afwijking op de territorialiteitsvoorwaarde wordt gemotiveerd;
62° de afwijking op de territorialiteitsvoorwaarde wordt bekrachtigd door het Vlaams Parlement;
73° de opleiding slechts op 1 plaats wordt aangeboden.
8§3. Indien de overdracht van de opleiding niet op het ogenblik van de accreditatie plaatsvindt, leggen het overdragende centrum voor volwassenenonderwijs en de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling hun principiële overeenstemming over de overdracht van de opleiding in een intentieverklaring neer. Deze intentieverklaring bevat minimaal de datum waarop de overdracht van de geaccrediteerde opleiding zal plaatsvinden en de engagementen van de ambtshalve geregistreerde instelling waaraan de opleiding wordt overgedragen. Deze intentieverklaring wordt ter bekrachtiging voorgelegd aan de Vlaamse Regering.
9§4. Indien de overdracht van de opleiding niet op het ogenblik van de accreditatie plaatsvindt, reiken het overdragende centrum voor volwassenenonderwijs en de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling, bij wijze van overgangsmaatregel en in afwijking van artikel II.59, gezamenlijk een diploma van de graad van bachelor uit na de succesvolle voltooiing van de opleiding die de accreditatie of de tijdelijke erkenning heeft verworven.
10De gezamenlijke diplomering is slechts mogelijk vanaf de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van de in paragraaf 3 bedoelde intentieverklaring en zolang de overdracht van de opleiding naar de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling niet is gerealiseerd.
11In ieder geval verliezen het centrum voor volwassenenonderwijs en de ambtshalve geregistreerde instelling de uitzonderlijke mogelijkheid om gezamenlijk een diploma van de graad van bachelor uit te reiken als de overdracht van de opleiding niet binnen de in paragraaf 2 vermelde termijn is gerealiseerd.
12§5. Dit artikel is enkel van toepassing als de aanvraag tot accreditatie zoals vermeld in paragraaf 1 gebeurde voor 1 september 2013.
+0 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.139 opgeheven
+0 −9 codex-hoger-onderwijs/art. II.140 opgeheven
1§1. De accreditatie van een opleiding van een instelling als vermeld in artikel II.1, is afhankelijk van de aanwezigheid van voldoende generieke kwaliteitswaarborgen. De generieke kwaliteitswaarborgen betreffen:
21° het beoogde eindniveau van de opleiding dat bepaald wordt aan de hand van de wijze waarop de niveaudescriptoren, vermeld in artikel II.141, zijn vertaald in opleidingspecifieke leerresultaten die voldoen aan de internationale eisen met betrekking tot de inhoud, het niveau en de oriëntatie;
32° de onderwijsleeromgeving : het programma, het personeel en de opleidingspecifieke voorzieningen die het studenten mogelijk maken het beoogde eindniveau te realiseren;
43° het gerealiseerde eindniveau dat bepaald wordt aan de hand van de deugdelijkheid van de beoordeling, de toetsing en de examinering van de studenten en aan de hand van de inzetbaarheid van de afgestudeerden op de arbeidsmarkt of de doorstroming naar een volgende opleiding.
5De accreditatieorganisatie legt in het accreditatiekader de volgende zaken vast:
61° de criteria waaraan de aanwezigheid van de hiervoor vermelde generieke kwaliteitswaarborgen getoetst zal worden;
72° de voorwaarden voor het verlenen van de oordelen onvoldoende en voldoende aan de hiervoor vermelde generieke kwaliteitswaarborgen;
8Het accreditatiekader moet, voor het toegepast kan worden, door de Vlaamse Regering goedgekeurd worden, met vooraf advies van de VLUHR als koepelorganisatie en de studentenkoepelverenigingen.
9§2. De accreditatieorganisatie beoordeelt de aanvraag tot accreditatie van een opleiding van een instellingsbestuur als vermeld in artikel II.6 en van de instellingen die overeenkomstig artikel II.126, §4, niet onderworpen zijn aan de instellingsreview, aan de hand van de generieke kwaliteitswaarborgen vermeld in paragraaf 1, met toevoeging van een vierde generieke kwaliteitswaarborg namelijk de opzet en de organisatie van de interne kwaliteitszorg gericht op een systematische verbetering van de opleiding. In het accreditatiekader worden er criteria bepaald waaraan de aanwezigheid van deze generieke kwaliteitswaarborg getoetst zal worden.
+0 −11 codex-hoger-onderwijs/art. II.142 opgeheven
1§1. De accreditatieorganisatie gaat na of het visitatierapport regelmatig, kwalitatief en volledig is.
2Een regelmatig visitatierapport:
31° voldoet aan de vormen, vermeld in het visitatieprotocol;
42° omvat een beoordeling aan de hand van de generieke kwaliteitswaarborgen bepaald in het door de Vlaamse Regering goedgekeurde accreditatiekader;
53° is gebaseerd op verifieerbare feiten die zijn voorgelegd in de context van de visitatie;
64° verschaft inzicht in de kwaliteit van de samenstelling van de visitatiecommissie.
7§2. In voorkomend geval betrekt de accreditatieorganisatie de aanvullende nota, vermeld in artikel II.137, §1, tweede lid, in de beoordeling van de regelmatigheid en volledigheid van het visitatierapport.
8§3. Indien de accreditatieorganisatie een eenvoudig remedieerbare onregelmatigheid of onvolledigheid vaststelt, verzoekt zij het evaluatieorgaan of het instellingsbestuur om schriftelijke aanvullende inlichtingen, toelichtingen of zienswijzen.
9De accreditatieorganisatie voegt deze aanvullende inlichtingen, toelichtingen of zienswijzen toe aan het dossier. Zij bezorgt aan het instellingsbestuur respectievelijk het evaluatieorgaan een afschrift van de bij het evaluatieorgaan respectievelijk het instellingsbestuur opgevraagde aanvullende inlichtingen, toelichtingen of zienswijzen.
10§4. De accreditatieorganisatie kan na de indiening van de accreditatieaanvraag en vóór het ontwerp van beslissing wordt verzonden, het evaluatieorgaan of desgevallend het instellingsbestuur om aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen vragen. Als de accreditatieorganisatie daarvan gebruikmaakt, wordt daarvan melding gemaakt in het accreditatierapport. De accreditatieorganisatie legt in het reglement, vermeld in artikel II.27, de bestuursbeginselen vast voor de verzoeken om aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen en voor de behandeling van de antwoorden.
11§5. Als de accreditatieorganisatie op grond van het visitatierapport niet tot een accreditatierapport en –besluit kan komen, wordt de termijn van de lopende accreditatie met ten hoogste 1 jaar verlengd. De accreditatieorganisatie bezorgt voor het verstrijken van de beslissingstermijn, vermeld in artikel II.147, §1, eerste lid, een ontwerp van die beslissing met de bijbehorende omstandige motivering aan het evaluatieorgaan en het instellingsbestuur. Het evaluatieorgaan en het instellingsbestuur hebben de mogelijkheid om bezwaren en opmerkingen te formuleren binnen een vervaltermijn van 15 kalenderdagen die ingaat de dag na de ontvangst van het ontwerp. Zodra de beslissing genomen is om de lopende accreditatie met een bepaalde duur te verlengen, belast de accreditatieorganisatie het evaluatieorgaan met de uitvoering van een bijkomende externe beoordeling volgens de richtlijnen en criteria bepaald door de accreditatieorganisatie. In voorkomend geval kan het instellingsbestuur een ander evaluatieorgaan vragen de aanvullende externe beoordeling uit te voeren. De duur van de verlenging komt in mindering van de geldigheidsduur van de accreditatie, vermeld in artikel II.147, §2.
+0 −3 codex-hoger-onderwijs/art. II.143 opgeheven
1§1. De accreditatie wordt verleend als de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport, vermeld in artikel II.137, §2, in redelijkheid besluit dat de kwaliteit van de opleiding voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen, zoals beschreven in artikel II.140, §1.
2§2. De accreditatieorganisatie legt de bevindingen van de in paragraaf 1 bedoelde toetsing vast in een accreditatierapport, dat als motivering geldt van het accreditatiebesluit. De accreditatieorganisatie kan in het accreditatierapport overige opmerkingen opnemen over de bijzondere kwaliteitskenmerken van de opleiding.
3De accreditatieorganisatie bezorgt vóór het verstrijken van de in artikel II.147, §1, eerste lid bedoelde beslissingstermijn een ontwerp van accreditatierapport en van accreditatiebesluit aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur wordt in staat gesteld om bezwaren en opmerkingen te formuleren binnen een vervaltermijn van 15 kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van ontvangst van het ontwerp. De accreditatieorganisatie bepaalt in het in artikel II.27 bedoelde reglement de procedurele regelen overeenkomstig dewelke de bezwaren en opmerkingen worden behandeld. Deze procedurele regelen kunnen nimmer leiden tot een overschrijding van de in artikel II.147, §1, eerste lid bedoelde beslissingstermijn.
+0 −8 codex-hoger-onderwijs/art. II.144 opgeheven
1§1. Zowel in het visitatierapport, vermeld in artikel II.137, §2, als in het accreditatierapport en in het accreditatiebesluit wordt, in voorkomend geval, melding gemaakt van de opleidingsvarianten die op het tijdstip van de visitatie bestonden:
21° de verschillende vestigingen waar de opleiding aangeboden wordt;
32° de verschillende afstudeerrichtingen van de opleiding, met uitzondering van de als afstudeerrichting georganiseerde specifieke lerarenopleiding(en);
43° de verschillende talen waarin de opleiding aangeboden wordt als vermeld in artikel II.261, §2;
54° het studietraject voor werkstudenten, vermeld in artikel I.3,78°,c;
65° de verschillende programma’s binnen de opleiding, als die leiden tot verschillende vormen van de diplomering, namelijk diplomering door een instelling, bidiplomering of gezamenlijke diplomering;
76° de verschillende programma’s binnen de opleiding, als deze georganiseerd worden door verschillende instellingsbesturen.
8§2. Het visitatierapport, vermeld in artikel II.137, §2, bevat een beoordeling van elk van de varianten, vermeld in paragraaf 1.
+0 −4 codex-hoger-onderwijs/art. II.145 opgeheven
1§1. De accreditatieorganisatie gaat na of het door de instelling ingediende dossier regelmatig en volledig is. Het dossier moet alle elementen en feiten bevatten die de accreditatieorganisatie in staat stellen te verifiëren of de instelling terecht tot de conclusie is gekomen dat er voldoende generieke kwaliteitswaarborgen aanwezig zijn aan de hand van de criteria vastgelegd in het accreditatiekader.
2§2. De accreditatieorganisatie kan na de indiening van het dossier en vóór het ontwerp van beslissing wordt verzonden, het instellingsbestuur aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen vragen. Als de accreditatieorganisatie daarvan gebruikmaakt, wordt daarvan melding gemaakt in het accreditatierapport. De accreditatieorganisatie legt in het reglement, vermeld in artikel II.27, de bestuursbeginselen vast voor verzoeken om aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen en voor de behandeling van de antwoorden.
3§3. Zowel in het dossier dat het instellingsbestuur indient om de accreditatie te verkrijgen als in het accreditatierapport wordt er melding gemaakt van de opleidingsvarianten, vermeld in artikel II.144, §1, die worden aangeboden in het academiejaar waarin het dossier wordt ingediend.
4§4. Als de accreditatieorganisatie op grond van het ingediende dossier niet tot een positief accreditatierapport en -besluit kan komen, wordt de termijn van de lopende accreditatie met ten hoogste 1 jaar verlengd. De accreditatieorganisatie bezorgt voor het verstrijken van de beslissingstermijn, vermeld in artikel II.147, §1, eerste lid, een ontwerp van die beslissing met de bijbehorende omstandige motivering aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur wordt in staat gesteld om bezwaren en opmerkingen te formuleren binnen een vervaltermijn van 15 kalenderdagen die ingaat de dag na de ontvangst van het ontwerp. Binnen de door de accreditatieorganisatie bepaalde termijn waarmee de lopende accreditatie wordt verlengd, moet het instellingsbestuur een externe beoordeling laten uitvoeren. De accreditatieorganisatie neemt dan een besluit over de ingediende aanvraag met toepassing van de voorschriften die gelden voor « accreditaties op basis van een visitatierapport » op voorwaarde dat het instellingsbestuur de aanvraag indient 3 maanden voor het verstrijken van de verlengde accreditatietermijn en dat de accreditatieorganisatie een besluit neemt binnen een termijn van 2 maanden. De duur van de verlenging komt in mindering van de geldigheidsduur van de accreditatie, vermeld in artikel II.147, §2.
+0 −3 codex-hoger-onderwijs/art. II.146 opgeheven
1§1. De accreditatie wordt verleend als de accreditatieorganisatie op basis van het opleidingsdossier in redelijkheid besluit dat de kwaliteit van de opleiding voldoet aan de generieke kwaliteitswaarborgen, bepaald in het accreditatiekader.
2§2. De accreditatieorganisatie legt de bevindingen van de toetsing, vermeld in paragraaf 1, vast in een accreditatierapport, dat als motivering geldt van het accreditatiebesluit.
3De accreditatieorganisatie bezorgt vóór het verstrijken van de beslissingstermijn, vermeld in artikel II.147, §1, eerste lid, een ontwerp van accreditatierapport en van accreditatiebesluit aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur wordt in staat gesteld om bezwaren en opmerkingen te formuleren binnen een vervaltermijn van 15 kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het ontwerp. De accreditatieorganisatie bepaalt in het reglement, vermeld in artikel II.27, de procedurele regels die gelden voor de behandeling van bezwaren en opmerkingen. De procedurele regels kunnen nooit leiden tot een overschrijding van de beslissingstermijn, vermeld in artikel II.147, §1, eerste lid.
+0 −9 codex-hoger-onderwijs/art. II.147 opgeheven
1§1. De accreditatieorganisatie neemt een besluit binnen een termijn van 3 maanden vanaf de ontvangst van de aanvraag tot accreditatie. De termijn wordt berekend van maand tot maand en van dag tot dag. De dag van de ontvangst van de aanvraag tot accreditatie is in de termijn begrepen.
2Als de accreditatieorganisatie binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, geen besluit heeft genomen, wordt de geldigheidsduur van de lopende accreditatie of de erkenning als een nieuwe opleiding verlengd tot het einde van het academiejaar waarin het accreditatiebesluit uiteindelijk wordt genomen.
3§2. De accreditatieorganisatie neemt een positief accreditatiebesluit, wanneer zij op basis van het visitatierapport besluit dat de opleiding voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen van het accreditatiekader. Een positief accreditatiebesluit geldt voor een termijn van 8 jaar. Vanaf de derde ronde opleidingsaccreditaties geldt een positief accreditatiebesluit voor een termijn van 6 jaar. Die termijnen vangen aan vanaf het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin het besluit genomen wordt of, in geval van verlenging, met ingang van de dag waarop het vorige accreditatiebesluit vervalt.
4§3. De accreditatieorganisatie neemt een positief accreditatiebesluit dat geldt voor een periode van ten hoogste 3 jaar, wanneer zij op grond van het visitatierapport besluit dat de opleiding of een opleidingsvariant slechts voldoet aan 1 of 2 generieke kwaliteitswaarborgen. Binnen die termijn moet het instellingsbestuur, onverminderd het bepaalde in het derde lid van deze paragraaf, een nieuwe externe beoordeling laten uitvoeren over de generieke kwaliteitswaarborgen waarvoor de opleiding of de opleidingsvariant niet als voldoende werd beoordeeld. Op basis van deze nieuwe beoordeling neemt de accreditatieorganisatie een nieuw accreditatiebesluit.
5Als de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de opleiding niet voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen vervalt de accreditatie en wordt het besluit wat de gevolgen betreft, gelijkgesteld met een negatief accreditatiebesluit.
6Als de geldigheidsduur van de accreditatie wordt beperkt omdat de kwaliteit van een opleidingsvariant niet voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen bepaald in het accreditatiekader, heeft het instellingsbestuur de keuze tussen a) een nieuwe beperkte visitatie van een opleidingsvariant en accreditatie voor een bepaalde periode of b) de opleidingsvariant stopzetten en vanaf het eerst volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer inschrijven. Als het instellingsbestuur beslist de opleidingsvariant stop te zetten na de eerste evaluatie, kan het instellingsbestuur die opleidingsvariant binnen 6 jaar niet heropstarten. Door het stopzetten van de opleidingsvariant wordt de geldigheidsduur van de accreditatie voor de opleiding niet meer beperkt en zijn de termijnen vermeld in paragraaf 2 van toepassing.
7Als de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de opleidingsvariant niet voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen, moet de instelling de opleidingsvariant stopzetten en mag het instellingsbestuur vanaf het volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer inschrijven. Het instellingsbestuur kan de opleidingsvariant binnen 6 jaar niet heropstarten. Door het stopzetten van de opleidingsvariant wordt de geldigheidsduur van de accreditatie voor de opleiding niet meer beperkt en zijn de termijnen vermeld in paragraaf 2 van toepassing.
8Als de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de opleiding of opleidingsvariant voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen van het accreditatiekader, dan neemt de accreditatieorganisatie een positief accreditatiebesluit dat geldt voor een termijn vermeld in paragraaf 2 verminderd met de termijn van het beperkte accreditatiebesluit.
9§4. De accreditatieorganisatie neemt een negatief accreditatiebesluit, wanneer zij op grond van het visitatierapport tot het besluit is gekomen dat de opleiding of een opleidingsvariant aan geen enkele generieke kwaliteitswaarborg voldoet. Het instellingsbestuur moet de opleiding of een opleidingsvariant die aan geen enkele generieke kwaliteitswaarborg voldoet, stopzetten en mag vanaf het volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer inschrijven. Het instellingsbestuur kan de opleiding of een opleidingsvariant binnen 6 jaar niet heropstarten.
+0 −3 codex-hoger-onderwijs/art. II.148 opgeheven
1Indien het accreditatiebesluit over een opleiding negatief is, kan het instellingsbestuur bij de Vlaamse Regering een beroep instellen tegen dat negatief accreditatiebesluit. Het beroep wordt ingesteld binnen een termijn van 30 kalenderdagen die ingaat de dag na deze van de betekening van het negatief accreditatiebesluit aan de instelling.
2De Vlaamse Regering toetst het betwiste besluit aan de bepalingen van dit decreet en van het in artikel II.27 bedoelde reglement. De Vlaamse Regering neemt een besluit binnen een ordetermijn van 60 kalenderdagen die ingaat de dag na deze van de ontvangst van het beroep. Zij vernietigt het negatief accreditatiebesluit wanneer dat kennelijk niet in overeenstemming is met die bepalingen.
3De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake het verloop van de beroepsprocedure.
+0 −3 codex-hoger-onderwijs/art. II.149 opgeheven
1De accreditatieorganisatie kan de accreditatie verlenen op grond van een als equivalent erkende accreditatie, verleend door een andere accreditatieorganisatie. De accreditatieorganisatie gaat daarbij na of de accreditaties worden verleend volgens een vergelijkbare methodologische aanpak als de accreditaties die in uitvoering van deze codificatie worden verleend. Tussen de datum waarop de als equivalent te erkennen accreditatie is uitgebracht en de datum van de accreditatieaanvraag bij de accreditatieorganisatie mogen niet meer dan 90 kalenderdagen verlopen zijn. Een positief accreditatiebesluit dat is gesteund op een positief accreditatiebesluit dat is afgeleverd door een andere accreditatieorganisatie, geldt tot en met het einde van het academiejaar waarin de equivalent verklaarde accreditatie een einde neemt.
2Artikel II.143, §2, II.147, §1, II.384 en II.385 is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde accreditatieprocedure.
3Als de accreditatieorganisatie meent dat een oordeel van een andere accreditatieorganisatie niet voldoet aan de in artikel I.3, 2°, vermelde begripsomschrijving, kan de accreditatieprocedure desalniettemin worden voortgezet. Het oordeel wordt in dat geval beschouwd als een externe beoordeling.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.152
16m) de door de instellingen gezamenlijk beschreven domeinspecifieke leerresultaten, vermeld in artikel II.68;16m) de door de instellingen gezamenlijk beschreven domeinspecifieke leerresultaten, vermeld in artikel II.68;
172° het voorgelegde dossier bevat een advies van de VLIR voor de dossiers die ingediend zijn door de universiteiten, of van de VHLORA voor de dossiers die ingediend zijn door de hogescholen, over het aanbieden van de nieuwe opleiding;172° het voorgelegde dossier bevat een advies van de VLIR voor de dossiers die ingediend zijn door de universiteiten, of van de VHLORA voor de dossiers die ingediend zijn door de hogescholen, over het aanbieden van de nieuwe opleiding;
183° de opleiding heeft de macrodoelmatigheidstoets, als dat van toepassing is, en de "toets nieuwe opleidingen" door de accreditatieorganisatie met positief gevolg ondergaan ;183° de opleiding heeft de macrodoelmatigheidstoets, als die van toepassing is, met positief gevolg ondergaan en heeft een positief toetsingsbesluit ontvangen van de accreditatieorganisatie;
194° de nieuwe opleiding kan in een of meer studiegebieden of delen van studiegebieden worden gerangschikt waarin de betrokken instelling onderwijsbevoegdheid bezit. De nieuwe opleiding kan eventueel ook worden gerangschikt in een studiegebied waarin de betrokken instelling onderwijsbevoegdheid bezit en een of meer andere studiegebieden waarin andere instellingen die tot de associatie behoren waarvan de instelling lid is, onderwijsbevoegdheid bezitten;194° de nieuwe opleiding kan in een of meer studiegebieden of delen van studiegebieden worden gerangschikt waarin de betrokken instelling onderwijsbevoegdheid bezit. De nieuwe opleiding kan eventueel ook worden gerangschikt in een studiegebied waarin de betrokken instelling onderwijsbevoegdheid bezit en een of meer andere studiegebieden waarin andere instellingen die tot de associatie behoren waarvan de instelling lid is, onderwijsbevoegdheid bezitten;
205° in geval van een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding wordt er parallel met de uitbouw van de nieuwe opleiding een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding afgebouwd, tenzij de Commissie Hoger Onderwijs een positief oordeel heeft gegeven over de aanvraag tot vrijstelling van die verplichte afbouw.205° in geval van een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding wordt er parallel met de uitbouw van de nieuwe opleiding een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding afgebouwd, tenzij de Commissie Hoger Onderwijs een positief oordeel heeft gegeven over de aanvraag tot vrijstelling van die verplichte afbouw.
+8 −16 codex-hoger-onderwijs/art. II.153
62° een dossier dat de Commissie Hoger Onderwijs in staat stelt de toetsing aan de criteria, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, uit te voeren;62° een dossier dat de Commissie Hoger Onderwijs in staat stelt de toetsing aan de criteria, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, uit te voeren;
73° in voorkomend geval een aanvraag tot vrijstelling van de verplichte afbouw van een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding als vermeld in artikel II.152, tweede lid, 5°. Het aanvraagdossier stelt de Commissie Hoger Onderwijs in staat de toetsing, vermeld in paragraaf 3/1, uit te voeren.73° in voorkomend geval een aanvraag tot vrijstelling van de verplichte afbouw van een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding als vermeld in artikel II.152, tweede lid, 5°. Het aanvraagdossier stelt de Commissie Hoger Onderwijs in staat de toetsing, vermeld in paragraaf 3/1, uit te voeren.
8De VLIR, voor de aanvragen van de universiteiten, en de VLHORA, voor de aanvragen van de hogescholen, stellen voor iedere aanvraag een advies als vermeld in artikel II.152, tweede lid, 2°, op. Ze bezorgen de aanvragen met het bijbehorend dossier, het advies, en in voorkomend geval, de aanvraag tot vrijstelling van de verplichte afbouw aan de Commissie Hoger Onderwijs vóór 1 april van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de instelling de opleiding op zijn vroegst wil aanbieden.8De VLIR, voor de aanvragen van de universiteiten, en de VLHORA, voor de aanvragen van de hogescholen, stellen voor iedere aanvraag een advies als vermeld in artikel II.152, tweede lid, 2°, op. Ze bezorgen de aanvragen met het bijbehorend dossier, het advies, en in voorkomend geval, de aanvraag tot vrijstelling van de verplichte afbouw aan de Commissie Hoger Onderwijs voor 1 maart van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de instelling de opleiding op zijn vroegst wil aanbieden.
9Als het advies van de VLIR of de VLHORA niet opgenomen is in het aanvraagdossier dat aan de Commissie Hoger Onderwijs bezorgd wordt, verklaart de Commissie Hoger Onderwijs de aanvraag voor de betrokken opleiding onontvankelijk.9Als het advies van de VLIR of de VLHORA niet opgenomen is in het aanvraagdossier dat aan de Commissie Hoger Onderwijs bezorgd wordt, verklaart de Commissie Hoger Onderwijs de aanvraag voor de betrokken opleiding onontvankelijk.
10Om dit advies aan te leveren stellen de VLIR en de VLHORA een procedure vast, afgestemd binnen de VLUHR, met de eigen beslisregels en een timing waarbij rekening gehouden wordt met de indiendatum bij de Commissie Hoger Onderwijs.10Om dit advies aan te leveren stellen de VLIR en de VLHORA een procedure vast, afgestemd binnen de VLUHR, met de eigen beslisregels en een timing waarbij rekening gehouden wordt met de indiendatum bij de Commissie Hoger Onderwijs.
176° de inhoud van het advies van de VLIR of de VLHORA, met aandacht voor de regionale spreiding en wenselijke fijnmazigheid van het aanbod.176° de inhoud van het advies van de VLIR of de VLHORA, met aandacht voor de regionale spreiding en wenselijke fijnmazigheid van het aanbod.
18De Commissie Hoger Onderwijs onderzoekt expliciet alle criteria, omschrijft per criterium haar bevindingen en motiveert haar positieve of negatieve oordeel over de macrodoelmatigheid van het ingediende dossier. Voor de andere ambtshalve geregistreerde instellingen wordt in het oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs geen rekening gehouden met het criterium, vermeld in paragraaf 1, 6°.18De Commissie Hoger Onderwijs onderzoekt expliciet alle criteria, omschrijft per criterium haar bevindingen en motiveert haar positieve of negatieve oordeel over de macrodoelmatigheid van het ingediende dossier. Voor de andere ambtshalve geregistreerde instellingen wordt in het oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs geen rekening gehouden met het criterium, vermeld in paragraaf 1, 6°.
19De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel over de ingediende aanvragen uiterlijk uit op 1 juni van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de instelling de opleiding op zijn vroegst wil aanbieden.19De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel over de ingediende aanvragen uiterlijk uit op 1 mei van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de instelling de opleiding op zijn vroegst wil aanbieden.
20De Commissie Hoger Onderwijs bezorgt het oordeel aan het instellingsbestuur.20De Commissie Hoger Onderwijs bezorgt het oordeel aan het instellingsbestuur.
21§ 3/1. De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit over de aanvraag tot vrijstelling van de afbouw van een initiële bachelor- of masteropleiding. Ze neemt in haar oordeel de volgende elementen in overweging:21§ 3/1. De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit over de aanvraag tot vrijstelling van de afbouw van een initiële bachelor- of masteropleiding. Ze neemt in haar oordeel de volgende elementen in overweging:
265° in voorkomend geval, de initiële bachelor- of masteropleidingen die de instelling in het verleden heeft afgebouwd;265° in voorkomend geval, de initiële bachelor- of masteropleidingen die de instelling in het verleden heeft afgebouwd;
276° de uitbouw van het aanbod van graduaatsopleidingen en de afstemming ervan op de professionele bacheloropleidingen.276° de uitbouw van het aanbod van graduaatsopleidingen en de afstemming ervan op de professionele bacheloropleidingen.
28De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel over de ingediende aanvragen uiterlijk uit op 1 juni van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de instelling de opleiding op zijn vroegst wil aanbieden.28De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel over de ingediende aanvragen uiterlijk uit op 1 mei van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de instelling de opleiding op zijn vroegst wil aanbieden.
29De Commissie Hoger Onderwijs bezorgt het oordeel aan het instellingsbestuur.29De Commissie Hoger Onderwijs bezorgt het oordeel aan het instellingsbestuur.
30§ 4. Als het oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs over de macrodoelmatigheid van de opleiding, vermeld in paragraaf 3, of over de aanvraag tot vrijstelling van de afbouw, vermeld in paragraaf 3/1, negatief is of niet tijdig wordt verstrekt, kan het instellingsbestuur binnen een vervaltermijn van vijftien dagen beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering beoordeelt de macrodoelmatigheid van de opleiding op definitieve wijze op grond van de criteria, vermeld in paragraaf 3, eerste lid. De Vlaamse Regering beoordeelt de aanvraag tot vrijstelling van de afbouw op definitieve wijze op grond van de elementen, vermeld in paragraaf 3/1.30§ 4. Als het oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs over de macrodoelmatigheid van de opleiding, vermeld in paragraaf 3, of over de aanvraag tot vrijstelling van de afbouw, vermeld in paragraaf 3/1, negatief is of niet tijdig wordt verstrekt, kan het instellingsbestuur binnen een vervaltermijn van vijftien dagen beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering beoordeelt de macrodoelmatigheid van de opleiding op definitieve wijze op grond van de criteria, vermeld in paragraaf 3, eerste lid. De Vlaamse Regering beoordeelt de aanvraag tot vrijstelling van de afbouw op definitieve wijze op grond van de elementen, vermeld in paragraaf 3/1.
34§ 5. De Vlaamse Regering deelt het oordeel, vermeld in paragraaf 4, aan het instellingsbestuur mee binnen een ordetermijn van dertig dagen, die ingaat de dag na de dag van de ontvangst van het beroep.34§ 5. De Vlaamse Regering deelt het oordeel, vermeld in paragraaf 4, aan het instellingsbestuur mee binnen een ordetermijn van dertig dagen, die ingaat de dag na de dag van de ontvangst van het beroep.
35§ 6. Het instellingsbestuur vraagt de "toets nieuwe opleidingen" aan bij de accreditatieorganisatie, binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na de dag van de ontvangst van het positieve oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs of, in voorkomend geval, van de Vlaamse Regering over de macrodoelmatigheid van de opleiding.35§ 6. Het instellingsbestuur vraagt de "toets nieuwe opleidingen" aan bij de accreditatieorganisatie, binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na de dag van de ontvangst van het positieve oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs of, in voorkomend geval, van de Vlaamse Regering over de macrodoelmatigheid van de opleiding.
36De in het eerste lid vermelde vervaltermijn geldt niet ingeval van een herindiening van een aanvraag toets nieuwe opleiding bij de accreditatieorganisatie, nadat een initiële aanvraag, ingediend overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, op initiatief van het instellingsbestuur werd ingetrokken. Het positieve macrodoelmatigheidsoordeel van de Commissie Hoger Onderwijs of, desgevallend, de Vlaamse Regering blijft in voorkomend geval slechts geldig onder 1 van de volgende voorwaarden:
371° als de intrekking is gebeurd binnen de in paragraaf 7, derde lid, vermelde termijn om na de ontvangst van het ontwerp van toetsingsrapport bezwaren en opmerkingen te formuleren, beschikt het instellingsbestuur over een vervaltermijn van 60 kalenderdagen om de aanvraag toets nieuwe opleiding opnieuw in te dienen bij de accreditatieorganisatie. De vervaltermijn gaat in op de dag na de betekening van het ontwerp van toetsingsrapport;
382° als de intrekking is gebeurd voor de betekening van een in paragraaf 7, derde lid, vermeld ontwerp van toetsingsrapport, beschikt het instellingsbestuur over een vervaltermijn van 60 kalenderdagen om de aanvraag toets nieuwe opleiding opnieuw in te dienen bij de accreditatieorganisatie. De vervaltermijn gaat in op de dag na de intrekking van de initiële aanvraag toets nieuwe opleiding.
39De accreditatieorganisatie bepaalt bij reglement de vorm en inhoud van het dossier dat bij de aanvraag moet worden gevoegd.
40Indien een aanvraag niet voldoet aan deze regelen, biedt de accreditatieorganisatie de gelegenheid binnen een daartoe gestelde termijn het verzuim te herstellen. Indien van deze gelegenheid geen dan wel op niet afdoende wijze gebruik wordt gemaakt, wordt de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. De accreditatieorganisatie kan nadere regelen omtrent deze procedure vaststellen in het in het tweede lid bedoelde reglement.
41§7. De accreditatieorganisatie behandelt de ontvankelijke aanvragen binnen een ordetermijn van 4 maanden, die ingaat de dag na deze van ontvangst. De termijn wordt berekend van maand tot maand en van dag tot dag. De dag van ontvangst van de aanvraag is in de termijn begrepen.
42De bevindingen van de accreditatieorganisatie worden neergelegd in een toetsingsrapport. Een toetsingsrapport is positief indien de accreditatieorganisatie in redelijkheid uit de aanvraag meent te kunnen opmaken dat de nieuwe opleiding de toets inzake de aanwezigheid van voldoende generieke kwaliteitswaarborgen met goed gevolg zal kunnen doorstaan. De methodologische regelen die daarbij benevens het krachtens het in artikel II.26 bedoelde verdrag vastgestelde toetsingskader worden gehanteerd, worden vastgelegd in een reglement, dat, vooraleer het van toepassing wordt, door de Vlaamse Regering moet worden bekrachtigd.
43De accreditatieorganisatie bezorgt vóór het verstrijken van de ordetermijn van 4 maanden een ontwerp van toetsingsrapport aan het instellingsbestuur, dat in staat wordt gesteld om bezwaren en opmerkingen te formuleren binnen een vervaltermijn van 10 kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van ontvangst van het ontwerp. De accreditatieorganisatie bepaalt in het in artikel II.27 bedoelde reglement de procedurele regelen overeenkomstig dewelke de bezwaren en opmerkingen worden behandeld.
44De ordetermijn van 4 maanden, vermeld in het eerste lid, wordt verlengd tot 6 maanden ingeval de opmerkingen en de bezwaren van het instellingsbestuur van die aard zijn dat de accreditatieorganisatie tot een bijkomend advies van deskundigen wordt genoopt.
45De ordetermijn van 4 maanden, vermeld in het eerste lid, wordt ingeval van intrekking van een aanvraag toets nieuwe opleiding geschorst vanaf de intrekking van de aanvraag tot en met de datum van de betekening van de herindiening ervan.
36§7. ...
46§8. De Vlaamse Regering neemt het besluit houdende erkenning van een nieuwe opleiding binnen een ordetermijn van 30 kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van ontvangst van het toetsingsrapport van de accreditatieorganisatie. Het besluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan de instelling. De nieuwe opleiding wordt geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar volgend op het einde van het academiejaar waarin voor de eerste maal de voor de nieuwe opleiding bepaalde studieomvang geheel doorlopen werd.37§8. De Vlaamse Regering neemt het besluit houdende erkenning van een nieuwe opleiding binnen een ordetermijn van dertig dagen, die ingaat de dag na de dag van de ontvangst van het positief toetsingsbesluit en het onderliggende beoordelingsrapport van de accreditatieorganisatie, vermeld in afdeling 3/1, onderafdeling 4. Het besluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan de instelling.
38De nieuwe opleiding krijgt een erkenning als nieuwe opleiding tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang die bepaald is voor de nieuwe opleiding, voor de eerste keer geheel doorlopen werd.
47In afwijking van het eerste lid, vervalt een positief besluit over de aanvraag van een graduaatsopleiding van het hoger beroepsonderwijs op het einde van het vijfde academiejaar dat volgt op de dag van de start van de opleiding in kwestie.39In afwijking van het tweede lid, vervalt een positief besluit over de aanvraag van een graduaatsopleiding van het hoger beroepsonderwijs op het einde van het vijfde academiejaar dat volgt op de dag van de start van de opleiding in kwestie.
48Een positief besluit over de aanvraag van een graduaatsopleiding van het hoger beroepsonderwijs vervalt automatisch als het instellingsbestuur de opleiding niet start in het derde academiejaar dat volgt op de bekendmaking aan het instellingsbestuur. Voor de besluiten die zijn bekendgemaakt tijdens het academiejaar 2017-2018, start de voormelde periode van drie jaar in het academiejaar 2019-2020.40Een positief besluit over de aanvraag van een graduaatsopleiding van het hoger beroepsonderwijs vervalt automatisch als het instellingsbestuur de opleiding niet start in het derde academiejaar dat volgt op de bekendmaking aan het instellingsbestuur. Voor de besluiten die zijn bekendgemaakt tijdens het academiejaar 2017-2018, start de voormelde periode van drie jaar in het academiejaar 2019-2020.
49De Vlaamse Regering kan op basis van een advies van de accreditatieorganisatie de geldigheidsduur van een positief besluit over de aanvraag van een opleiding verlengen ter vrijwaring van de gelijktijdige en geclusterde organisatie van externe beoordelingen. De totale duur van de erkenning als nieuwe opleiding kan nooit meer dan acht academiejaren zijn.41De Vlaamse Regering kan op basis van een advies van de accreditatieorganisatie de geldigheidsduur van een positief besluit over de aanvraag van een opleiding verlengen ter vrijwaring van de gelijktijdige en geclusterde organisatie van externe beoordelingen. De totale duur van de erkenning als nieuwe opleiding kan nooit meer dan acht academiejaren zijn.
50In afwijking van het tweede lid bedraagt de geldigheidsduur van de positieve besluiten over de aanvragen van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die zijn verleend tijdens het academiejaar 2014-2015, zes jaar vanaf het academiejaar dat volgt op de bekendmaking aan het instellingsbestuur.42In afwijking van het derde lid bedraagt de geldigheidsduur van de positieve besluiten over de aanvragen van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die zijn verleend tijdens het academiejaar 2014-2015, zes jaar vanaf het academiejaar dat volgt op de bekendmaking aan het instellingsbestuur.
51§ 9. Aanvragen voor nieuwe opleidingen ingediend voor 1 maart 2017 bij de Commissie Hoger Onderwijs worden erkend volgens de vereisten van artikels II.152 en II.153 zoals van toepassing voor 1 januari 2018.43§ 9. Aanvragen voor nieuwe opleidingen ingediend voor 1 maart 2017 bij de Commissie Hoger Onderwijs worden erkend volgens de vereisten van artikels II.152 en II.153 zoals van toepassing voor 1 januari 2018.
+6 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.153/1 nieuw
1§ 1. Een instelling als vermeld in artikel II.2, II.3, II.19, II.20, II.21, II.105 en II.106, of een geregistreerde instelling als vermeld in artikel II.6, of een instelling die de registratie aanvraagt conform artikel II.6, vraagt de toets nieuwe opleiding aan bij de accreditatieorganisatie.
2Instellingen die een nieuwe gezamenlijk georganiseerde opleiding willen aanbieden, dienen een gezamenlijke aanvraag in.
3§ 2. In het beoordelingskader, vermeld in artikel II.153/4, wordt de vorm en inhoud van het dossier vastgelegd dat bij de aanvraag moet worden gevoegd.
4§ 3. Als een aanvraag niet voldoet aan punt 4° van het beoordelingskader, vermeld in artikel II.153/4, biedt de accreditatieorganisatie de mogelijkheid om het verzuim te herstellen binnen een termijn die de accreditatieorganisatie bepaalt. Als geen dan wel op niet afdoende wijze gebruik wordt gemaakt van de voormelde mogelijkheid, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. De accreditatieorganisatie kan nadere regelen voor deze procedure vaststellen in het beoordelingskader.
5§ 4. Aanvragen van de geregistreerde instellingen, vermeld in artikel II.6, en van de instellingen die de registratie aanvragen conform artikel II.6, worden door de accreditatie-organisatie aan de Commissie Hoger Onderwijs, vermeld in artikel II.23, voorgelegd voor een relevantietoets, waarbij de Commissie Hoger Onderwijs de maatschappelijke relevantie van de opleiding nagaat. Ze maakt binnen een vervaltermijn van 45 dagen haar oordeel over aan de accreditatieorganisatie.
6Een negatief of niet tijdig oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs leidt onherroepelijk tot het onontvankelijk verklaren van de aanvraag.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.153/2 nieuw
1De accreditatieorganisatie stelt de commissie samen die de toets nieuwe opleiding uitvoert, en coördineert het beoordelingsproces. De betrokken instelling heeft het recht beargumenteerd bezwaren aan te dragen tegen de samenstelling van de commissie binnen een vervaltermijn van vijftien dagen vanaf de dag na de dag van de ontvangst van de mededeling van de accreditatieorganisatie.
2Van de commissie maakt ten minste een student deel uit. De leden van de commissie zijn onafhankelijk, beschikken over de nodige deskundigheid en hebben ten minste vijf jaar geen banden gehad met de betrokken instelling. Ten minste een lid heeft grondige kennis van het Vlaamse hoger onderwijs en ten minste een lid is werkzaam buiten Vlaanderen.
+4 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.153/3 nieuw
1§ 1. De commissie, vermeld in artikel II.153/2, betrekt bij de toetsing van een nieuwe opleiding de volgende onderwerpen :
21° de potentiële kwaliteit van de opleiding die tot uiting komt via de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1;
32° de betrokkenheid van enerzijds interne en externe stakeholders en anderzijds externe, onafhankelijke deskundigen bij de opleiding.
4De commissie legt de bevindingen van de toetsing vast in een beoordelingsrapport.
+7 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.153/4 nieuw
1De accreditatieorganisatie legt een beoordelingskader toets nieuwe opleiding vast voor de instellingen, vermeld in artikel II.2 en II.3, en een beoordelingskader toets nieuwe opleiding voor de instellingen, vermeld in artikel II.19, II.20, II.21, II.105 en II.106 en voor de geregistreerde instellingen, vermeld in artikel II.6, en een beoordelingskader toets nieuwe opleiding voor de instellingen die de registratie aanvragen conform artikel II.6, waarin al de volgende elementen bepaald worden :
21° de wijze waarop de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1, getoetst zullen worden;
32° de beoordelingsschaal en de beslisregels;
43° de stappen in het beoordelingsproces;
54° de vorm en inhoud van het aanvraagdossier.
6Onverminderd het eerste lid, 4°, omvat een aanvraagdossier toets nieuwe opleiding van een instelling als vermeld in artikel II.2 en II.3, de resultaten en uitkomsten van de regie die het mogelijk maken de kwaliteitskenmerken in artikel II.170/1 te toetsen.
7De in het eerste lid vermelde beoordelingskaders toets nieuwe opleiding worden, voor ze toegepast kunnen worden, door de Vlaamse Regering goedgekeurd, na advies van de VLUHR als koepelorganisatie en de studentenkoepelverenigingen.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.153/5 nieuw
1Gezamenlijke opleidingen, georganiseerd door een Vlaamse instelling voor hoger onderwijs samen met een of meer buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs die bij succesvolle voltooiing ervan leiden tot een gezamenlijk diploma als vermeld in artikel II.172, § 3, worden beoordeeld aan de hand van de European Approach for Quality Assurance of Joint Programmes, goedgekeurd door de ministers van de Europese Hogeronderwijsruimte. Instellingen kunnen voor de organisatie van die externe beoordeling een beroep doen op een evaluatieorgaan dat bij het European Quality Assurance Register for Higher Education is geregistreerd. Instellingen vragen de toets nieuwe opleiding aan bij de accreditatieorganisatie binnen twee maanden na de publicatie van de externe beoordeling van de opleiding.
+12 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.153/6 nieuw
1§ 1. De accreditatieorganisatie komt op basis van het beoordelingsrapport van de commissie, vermeld in artikel II.153/3, tot een toetsingsbesluit. Een toetsingsbesluit is positief als de accreditatieorganisatie in redelijkheid uit het beoordelingsrapport besluit dat de kwaliteit van de nieuwe opleiding zal voldoen aan de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1.
2§ 2. De accreditatieorganisatie bezorgt voor het verstrijken van een ordetermijn van zes maanden een ontwerp van toetsingsbesluit en het onderliggende beoordelingsrapport aan het instellingsbestuur.
3De accreditatieorganisatie kan voordat het ontwerp van beoordelingsrapport en besluit wordt verzonden, het instellingsbestuur om aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen vragen. De accreditatieorganisatie legt in het reglement, vermeld in artikel II.27, de bestuursbeginselen vast voor de verzoeken om aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen en voor de behandeling van de antwoorden.
4Het instellingsbestuur kan binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, vanaf de dag na de dag van de ontvangst van het ontwerp van toetsingsbesluit en het onderliggende beoordelingsrapport, een van de volgende handelingen stellen :
51° bezwaren en opmerkingen formuleren;
62° de aanvraag intrekken.
7De accreditatieorganisatie bepaalt in het reglement, vermeld in artikel II.27, de procedurele regelen voor de bezwaren en de opmerkingen, vermeld in het derde lid.
8§ 3. Een instellingsbestuur kan een initiële aanvraag intrekken voor ze het ontwerp van toetsingsbesluit en het onderliggende beoordelingsrapport heeft ontvangen of binnen de vervaltermijn, vermeld in paragraaf 2.
9Het instellingsbestuur beschikt eenmalig over een vervaltermijn van zestig dagen om de aanvraag toets nieuwe opleiding opnieuw in te dienen bij de accreditatieorganisatie. De vervaltermijn gaat in op de dag na de intrekking van de initiële aanvraag toets nieuwe opleiding.
10§ 4. De ordetermijn van zes maanden, vermeld in paragraaf 2, wordt in al de volgende gevallen verlengd tot acht maanden :
111° de accreditatieorganisatie maakt gebruik van de relevantietoets, vermeld in artikel II.153/1, § 4;
122° de opmerkingen en de bezwaren van het instellingsbestuur zijn van die aard dat de accreditatieorganisatie een bijkomend advies van deskundigen nodig heeft.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.160
5§4. In afwijking van hetgeen bepaald is in paragraaf 2, kan de Vlaamse Regering een vroegere startdatum bepalen op gemotiveerd verzoek van de instellingen, en op voorwaarde dat de studenten die in het academiejaar waarin de Vlaamse Regering de aanvraag heeft goedgekeurd, de bacheloropleiding waarop de masteropleiding aansluit zijn begonnen, de masteropleiding van 60 studiepunten kunnen afronden.5§4. In afwijking van hetgeen bepaald is in paragraaf 2, kan de Vlaamse Regering een vroegere startdatum bepalen op gemotiveerd verzoek van de instellingen, en op voorwaarde dat de studenten die in het academiejaar waarin de Vlaamse Regering de aanvraag heeft goedgekeurd, de bacheloropleiding waarop de masteropleiding aansluit zijn begonnen, de masteropleiding van 60 studiepunten kunnen afronden.
6In geval van de afwijking, vermeld in het eerste lid, bieden de instellingen de bestaande masteropleiding van 60 studiepunten en de masteropleiding met een uitgebreide studieomvang gelijktijdig aan gedurende een periode van 5 jaar. Na die termijn wordt de masteropleiding van 60 studiepunten stopgezet.6In geval van de afwijking, vermeld in het eerste lid, bieden de instellingen de bestaande masteropleiding van 60 studiepunten en de masteropleiding met een uitgebreide studieomvang gelijktijdig aan gedurende een periode van 5 jaar. Na die termijn wordt de masteropleiding van 60 studiepunten stopgezet.
7§ 4/1. De opleiding waarvan de studieomvang wordt uitgebreid wordt geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de nieuw bepaalde studieomvang, voor de eerste keer geheel doorlopen werd.
7§5. Als de Vlaamse Regering de aanvraag tot uitbreiding van de studieomvang van een masteropleiding niet goedkeurt, kan de instelling pas na verloop van een periode van 3 jaar, te rekenen vanaf de aanvraagdatum, een nieuwe aanvraag indienen.8§5. Als de Vlaamse Regering de aanvraag tot uitbreiding van de studieomvang van een masteropleiding niet goedkeurt, kan de instelling pas na verloop van een periode van 3 jaar, te rekenen vanaf de aanvraagdatum, een nieuwe aanvraag indienen.
8§6. Als de Vlaamse Regering oordeelt dat 1 van de indienende instellingen niet beschikt over de capaciteit en de kritische massa inzake academisch en wetenschappelijk personeel en infrastructuur om de opleiding met een uitgebreide studieomvang op kwaliteitsvolle basis aan te bieden, dan kan de opleiding alleen nog worden aangeboden in samenwerking met een andere instelling.9§6. Als de Vlaamse Regering oordeelt dat 1 van de indienende instellingen niet beschikt over de capaciteit en de kritische massa inzake academisch en wetenschappelijk personeel en infrastructuur om de opleiding met een uitgebreide studieomvang op kwaliteitsvolle basis aan te bieden, dan kan de opleiding alleen nog worden aangeboden in samenwerking met een andere instelling.
+1 −4 codex-hoger-onderwijs/art. II.168
1Als de aanvangsdatum van de accreditatietermijn van de opleidingen die een instelling wil samenvoegen tot 1 opleiding, als vermeld in artikel II.167, verschillend is, geldt als aanvangsdatum van de accreditatietermijn van de samengevoegde opleiding de vroegste aanvangsdatum van de samengevoegde opleidingen.1Als de aanvangsdatum van de accreditatietermijn van de opleidingen die een instelling wil samenvoegen tot 1 opleiding, als vermeld in artikel II.167, verschillend is, geldt als aanvangsdatum van de accreditatietermijn van de samengevoegde opleiding de vroegste aanvangsdatum van de samengevoegde opleidingen.
2Als de accreditatietermijn van de opleidingen die omgevormd worden tot een gezamenlijke opleiding, als vermeld in artikel II.165, 1°, verschillend is, geldt als aanvangsdatum van de accreditatietermijn van de samengevoegde opleiding de vroegste aanvangsdatum van de oorspronkelijke opleidingen.2Als de accreditatietermijn van de opleidingen die omgevormd worden tot een gezamenlijke opleiding, als vermeld in artikel II.165, 1°, verschillend is, geldt als aanvangsdatum van de accreditatietermijn van de samengevoegde opleiding de vroegste aanvangsdatum van de oorspronkelijke opleidingen.
3Een nieuwe externe beoordeling is vereist wanneer een instelling meerdere opleidingen samenvoegt waarvan minimum 1 opleiding een accreditatie met beperkte geldigheidsduur geniet. De nieuwe externe beoordeling heeft betrekking op de generieke kwaliteitswaarborgen die negatief werden beoordeeld in de samengevoegde opleidingen.3Een nieuwe externe beoordeling door een commissie is vereist wanneer een instelling meerdere opleidingen samenvoegt waarvan minimum een opleiding een accreditatie met beperkte geldigheidsduur als vermeld in artikel II.170/13, § 4, 2°, of in artikel II.170/18, § 4, 2°, geniet.
4In het geval dat de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de opleiding voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen van het accreditatiekader, neemt de accreditatieorganisatie een positief accreditatiebesluit dat geldt voor een termijn als vermeld in artikel II.147, §2, met als aanvangsdatum de vroegste aanvangsdatum van accreditatie van de samengevoegde opleidingen.
5In het geval dat de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de opleiding niet voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen van het accreditatiekader, vervalt de accreditatie en wordt het besluit, wat de gevolgen betreft, gelijkgesteld met een negatief accreditatiebesluit.
6Indien de beperkte visitatie betrekking heeft op een opleidingsvariant in de samengevoegde opleiding en de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de opleidingsvariant niet voldoet, moet de instelling de opleidingsvariant stopzetten en mag het instellingsbestuur vanaf het volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer inschrijven. Het instellingsbestuur kan de opleidingsvariant binnen 6 jaar niet heropstarten. Bij het stopzetten van de opleidingsvariant neemt de accreditatieorganisatie een positief accreditatiebesluit dat geldt voor een termijn als vermeld in artikel II.147, §2, met als aanvangsdatum de vroegste aanvangsdatum van accreditatie van de opleidingen die werden samengevoegd.
+0 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.169 opgeheven
1De Vlaamse Regering voert ten minste om de 5 jaar vergelijkende analyses uit van de visitatierapporten en van de accreditatierapporten alsook systeembrede analyses op basis van die rapporten.
2Vanuit haar eigen databanken stelt de Vlaamse Regering de nodige gegevens ter beschikking van de instellingsbesturen met betrekking tot instroom, doorstroom en uitstroom van de studenten in het kader van de voorbereiding van hun zelfevaluatierapport.
+13 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.170
1§ 1. Er wordt een Hogeronderwijsregister gepubliceerd met het hoger onderwijs dat conform deze codificatie per academiejaar aangeboden wordt.
2Het Hogeronderwijsregister omvat :
31° de instellingen die conform deze codificatie als hogeronderwijsinstelling erkend zijn;
42° de opleidingen die worden aangeboden conform deze codificatie en leiden tot de graden van gegradueerde, bachelor en master;
53° de opleidingen die leiden tot de titel van "laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten".
6§ 1/1. Het Hogeronderwijsregister bevat voor de universiteiten en hogescholen de volgende gegevens :
71° de naam van de instelling;
82° in voorkomend geval de associatie waarvan de instelling lid is;
93° de ingangsdatum van het besluit dat de instellingsreview afrondt;
104° de einddatum van het besluit dat de instellingsreview afrondt;
115° het besluit van de accreditatieorganisatie dat de instellingsreview afrondt en het onderliggende beoordelingsrapport.
1§ 1. Er wordt een register gepubliceerd van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en van de bachelor- en masteropleidingen die conform deze codex worden aangeboden, hierna Hogeronderwijsregister te noemen.12§ 1/2. Er wordt een register gepubliceerd van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en van de bachelor- en masteropleidingen die conform deze codex worden aangeboden, hierna Hogeronderwijsregister te noemen.
2Het Hogeronderwijsregister bevat van elke opleiding de volgende gegevens:13Het Hogeronderwijsregister bevat van elke opleiding de volgende gegevens:
31° de gegevens, vermeld in paragraaf 2;141° de gegevens, vermeld in paragraaf 2;
15De opmaak en de actualisering van het Hogeronderwijsregister wordt gedaan door de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid.26De opmaak en de actualisering van het Hogeronderwijsregister wordt gedaan door de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid.
16§ 2. De Vlaamse Regering legt een lijst vast van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en van de bachelor- en masteropleidingen die conform deze codex per instelling aangeboden kunnen worden.27§ 2. De Vlaamse Regering legt een lijst vast van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en van de bachelor- en masteropleidingen die conform deze codex per instelling aangeboden kunnen worden.
17Voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en de bachelor- en de masteropleidingen die door de hogescholen en universiteiten worden aangeboden in overeenstemming met de onderwijsbevoegdheid, vermeld in artikel II.78 tot en met II.100, bevat die lijst per instelling en per studiegebied, deel van een studiegebied of cluster van studiegebieden, de volgende gegevens:28Voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en de bachelor- en de masteropleidingen die door de hogescholen en universiteiten worden aangeboden in overeenstemming met de onderwijsbevoegdheid, vermeld in artikel II.78 tot en met II.100, artikel II.100/1, II.100/2 en artikel II.113, § 4, vierde lid, bevat die lijst per instelling en per studiegebied, deel van een studiegebied of cluster van studiegebieden, de volgende gegevens:
181° de graad van de opleiding;291° de graad van de opleiding;
192° de kwalificatie van de graad van de opleiding;302° de kwalificatie van de graad van de opleiding;
+10 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.170/1 nieuw
1De kwaliteit van een opleiding wordt gekenmerkt door al de volgende kwaliteitskenmerken :
21° de leerresultaten van de opleiding, vermeld in artikel II.68 van deze codex, en gebaseerd op de niveaudescriptoren, vermeld in artikel II.141 van deze codex, vormen een heldere en opleidingsspecifieke invulling van de internationale eisen voor het niveau, de inhoud en de oriëntatie;
32° het curriculum van de opleiding sluit aan bij de meest recente ontwikkelingen in het vakgebied, houdt rekening met de ontwikkelingen in het werkveld en is maatschappelijk relevant;
43° de voor de opleiding ingezette docenten bieden de studenten optimaal de mogelijkheid om de leerresultaten te behalen;
54° de opleiding biedt studenten adequate en gemakkelijk toegankelijke voorzieningen en studiebegeleiding;
65° de onderwijs-leeromgeving stimuleert de studenten om een actieve rol te spelen in het leerproces en draagt bij tot een vlotte studievoortgang;
76° de beoordeling van studenten weerspiegelt het leerproces en concretiseert de beoogde leerresultaten;
87° de opleiding verstrekt volledige en gemakkelijk leesbare informatie over alle fasen van de studieloopbaan;
98° informatie over de kwaliteit van de opleiding is publiek toegankelijk.
10De opleiding leeft, waar dat van toepassing is, de relevante regelgeving voor de toegang tot bepaalde ambten of beroepen, vermeld in artikel II.67, na.
+3 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.170/2 nieuw
1De instellingen, vermeld in artikel II.2 en II.3, zijn onderworpen aan een instellingsreview.
2De accreditatieorganisatie organiseert voor elke instelling als vermeld in artikel II.2 en II.3, een instellingsreview in de periode die loopt vanaf het begin van het academiejaar 2020-2021 tot en met het einde van het academiejaar 2024-2025. Vervolgens organiseert de accreditatieorganisatie voor elke instelling als vermeld in artikel II.2 en II.3, elke zes jaar een instellingsreview.
3De accreditatieorganisatie legt in overleg met de VLUHR als koepelorganisatie de kalender van de instellingsreviews vast.
+4 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.170/3 nieuw
1§ 1. In het beoordelingskader, vermeld in artikel II.170/6, wordt de vorm en inhoud van het dossier vastgelegd dat ter voorbereiding van de instellingsreview bij de accreditatieorganisatie wordt ingediend.
2De accreditatieorganisatie legt voor elke instelling als vermeld in artikel II.2 en II.3, de uiterlijke datum vast waarop het dossier moet worden ingediend.
3§ 2. Als een dossier niet voldoet aan punt 4° van het beoordelingskader, vermeld in artikel II.170/6, biedt de accreditatieorganisatie de mogelijkheid om het verzuim te herstellen binnen een termijn die de accreditatieorganisatie bepaalt. Als geen dan wel op niet afdoende wijze gebruik wordt gemaakt van de voormelde mogelijkheid, wordt het dossier onontvankelijk verklaard. De accreditatieorganisatie kan nadere regelen voor deze procedure vaststellen in het beoordelingskader.
4§ 3. Twee of meer universiteiten of twee of meer hogescholen kunnen samen een dossier indienen voor een instellingsreview. In dat geval zijn ze onderworpen aan dezelfde instellingsreview, die resulteert in één gezamenlijk beoordelingsrapport en één gezamenlijk besluit.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.170/4 nieuw
1De accreditatieorganisatie stelt de reviewcommissie samen die de instellingsreview uitvoert en coördineert het beoordelingsproces. De betrokken instelling heeft het recht beargumenteerd bezwaren aan te dragen tegen de samenstelling van de reviewcommissie binnen een vervaltermijn van vijftien dagen vanaf de dag na de dag van de ontvangst van de mededeling van de accreditatieorganisatie.
2De reviewcommissie bestaat uit ten minste vijf leden, onder wie een student. De leden van de reviewcommissie zijn onafhankelijk, beschikken over de nodige deskundigheid en hebben ten minste vijf jaar geen banden gehad met de te beoordelen instelling. De reviewcommissie beschikt over bestuurlijke deskundigheid, onderwijsdeskundigheid en evaluatiedeskundigheid en is op de hoogte van de ontwikkelingen in de hogeronderwijssector in binnen- en buitenland. Ten minste een lid heeft grondige kennis van het Vlaamse hoger onderwijs en ten minste een lid is werkzaam in het hoger onderwijs buiten Vlaanderen.
+10 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.170/5 nieuw
1De reviewcommissie vermeld in artikel II.170/4, betrekt al de volgende onderwerpen in haar beoordeling :
21° de aansluiting van het onderwijsbeleid bij :
3a) de visie van de instelling op hoger onderwijs en op de kwaliteit van het hoger onderwijs;
4b) de maatschappelijke uitdagingen;
52° de beleidsuitvoering en de effectiviteit van de beleidsuitvoering, en de wijze waarop die effectiviteit wordt geëvalueerd en verbeterd;
63° de regie die deel uitmaakt van het onderwijsbeleid en die ervoor instaat dat de kwaliteit van de opleidingen geborgd wordt;
74° de betrokkenheid van enerzijds interne en externe stakeholders en anderzijds externe, onafhankelijke deskundigen bij de regie;
85° de aansluiting van de regie bij de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1;
96° de kwaliteitscultuur die aanwezig is in de instelling.
10De reviewcommissie legt de bevindingen van de instellingsreview vast in een beoordelingsrapport.
+7 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.170/6 nieuw
1De accreditatieorganisatie legt een beoordelingskader Instellingsreview vast, waarin al de volgende elementen bepaald worden :
21° de wijze waarop de onderwerpen, vermeld in artikel II.170/5, getoetst zullen worden;
32° de beoordelingsschaal en de beslisregels;
43° de stappen in het beoordelingsproces;
54° de vorm en inhoud van het dossier dat ter voorbereiding van de instellingsreview bij de accreditatieorganisatie wordt ingediend.
6De accreditatieorganisatie legt in het beoordelingskader vast waaraan de regie van de borging van de kwaliteit van de opleidingen moet beantwoorden en hoe de instellingen daarover verantwoording afleggen.
7Het beoordelingskader Instellingsreview moet, voor het toegepast kan worden, door de Vlaamse Regering goedgekeurd worden, na advies van de VLUHR als koepelorganisatie en de studentenkoepelverenigingen.
+7 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.170/7 nieuw
1§ 1. De accreditatieorganisatie rondt het proces van de instellingsreview binnen twaalf maanden na de ontvangst van het dossier af.
2De accreditatieorganisatie komt op basis van het beoordelingsrapport van de reviewcommissie, vermeld in artikel II.170/5, tot een besluit waarin de accreditatieorganisatie de gevolgen en opvolging van de instellingsreview, vermeld in artikel II.170/8, opneemt.
3De accreditatieorganisatie kan voordat het ontwerp van beoordelingsrapport en besluit wordt verzonden, het instellingsbestuur om aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen vragen. De accreditatieorganisatie legt in het reglement, vermeld in artikel II.27 van deze codex, de bestuursbeginselen vast voor de verzoeken om aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen en voor de behandeling van de antwoorden gedurende de gehele procedure.
4§ 2. De accreditatieorganisatie bezorgt ten minste twee maanden voor het verstrijken van de beslissingstermijn, vermeld in paragraaf 1, een ontwerp van beoordelingsrapport en van besluit dat de instellingsreview afrondt, aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur kan binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, vanaf de dag na de ontvangst van het ontwerp, bezwaren en opmerkingen formuleren.
5§ 3. De accreditatieorganisatie bepaalt in het reglement, vermeld in artikel II.27, de procedurele regelen voor de bezwaren en de opmerkingen, vermeld in paragraaf 2. Die procedures kunnen nooit leiden tot een overschrijding van de beslissingstermijn, vermeld in paragraaf 1.
6§ 4. Het besluit dat een instellingsreview afrondt, treedt in werking vanaf het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin het besluit genomen wordt of, in geval van verlenging, met ingang van de dag waarop het vorige besluit vervalt.
7§ 5. Als de accreditatieorganisatie niet tot een besluit kan komen voordat de periode van het geldende besluit instellingsreview afloopt, wordt de periode van het geldende besluit instellingsreview met ten hoogste een jaar verlengd. De duur van de verlenging komt in mindering van de geldigheidsduur van het besluit instellingsreview.
+12 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.170/9 nieuw
1§ 1. De instellingen, vermeld in artikel II.2 en II.3, vragen de opleidingsaccreditatie op maat van de eigen regie aan bij de accreditatieorganisatie voor al de volgende opleidingen :
21° voor de opleidingen die erkend zijn als nieuwe opleiding conform artikel II.152;
32° voor de opleidingen waarvan de studieomvang uitgebreid is of die erkend zijn als onderzoeksmaster, conform hoofdstuk 9, afdeling 4;
43° voor de opleidingen die geacht geaccrediteerd te zijn conform artikel II.151;
54° voor de opleidingen die een positief accreditatiebesluit met een beperkte geldigheidsduur hebben ontvangen als vermeld in artikel II.170/13, § 4, 2° ;
65° na een negatief besluit instellingsreview, voor de opleidingen waarvan de accreditatietermijn vervalt, vermeld in artikel II.170/8, § 1, 3° ;
76° voor de graduaatsopleidingen die zijn omgevormd en erkend als nieuwe opleiding conform de procedure, vermeld in artikel II.395.
8De accreditatie van gezamenlijk georganiseerde opleidingen die voltooid worden met een gezamenlijk diploma als vermeld in artikel II.171, wordt verleend op gezamenlijke aanvraag van de betrokken Vlaamse instellingsbesturen.
9De accreditatieaanvraag wordt ingediend uiterlijk acht maanden voor de lopende accreditatie of de erkenning als nieuwe opleiding verstrijkt. De termijnen worden berekend van maand tot maand en van dag tot dag. In die termijnen is de dag waarop de termijn verstrijkt inbegrepen.
10§ 2. Als een instelling een negatief besluit instellingsreview heeft, dan kan de accreditatieorganisatie, in overleg met de betrokken instelling, de accreditatietermijn van de opleidingen waarvan de accreditatietermijn vervalt in de geldigheidsduur van het negatief besluit, aanpassen. In dat geval wordt ervoor gezorgd dat alle opleidingen waarvan de accreditatietermijn vervalt in deze geldigheidsduur van het negatieve besluit een nieuwe accreditatie aanvragen binnen de geldigheidsduur van dit negatief besluit.
11§ 3. In het beoordelingskader, vermeld in artikel II.170/12, worden de vorm en de inhoud van het dossier vastgelegd dat bij de aanvraag moet worden gevoegd.
12§ 4. Als een aanvraag niet voldoet aan punt 4° van het beoordelingskader, vermeld in artikel II.170/12, eerste lid, biedt de accreditatieorganisatie de mogelijkheid om het verzuim te herstellen binnen een termijn die de accreditatieorganisatie bepaalt. Als geen dan wel op niet afdoende wijze gebruik wordt gemaakt van de voormelde mogelijkheid, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. De accreditatie-organisatie kan nadere regelen voor de procedure vaststellen in het beoordelingskader.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.170/10 nieuw
1De accreditatieorganisatie stelt de commissie samen die de beoordeling uitvoert, en coördineert het beoordelingsproces. De betrokken instelling heeft het recht beargumenteerd bezwaren aan te dragen tegen de samenstelling van de commissie binnen een vervaltermijn van vijftien dagen vanaf de dag van de ontvangst van de mededeling van de accreditatieorganisatie.
2Van deze commissie maakt ten minste een student deel uit. De leden van de commissie zijn onafhankelijk, beschikken over de nodige deskundigheid en hebben ten minste vijf jaar geen banden gehad met de betrokken instelling(en). Ten minste een lid heeft grondige kennis van het Vlaamse hoger onderwijs en ten minste een lid is werkzaam buiten Vlaanderen.
+4 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.170/11 nieuw
1De commissie vermeld in artikel II.170/10 betrekt de volgende onderwerpen in haar beoordeling :
21° de kwaliteit van de opleidingen die tot uiting komt via de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1;
32° de betrokkenheid van enerzijds interne en externe stakeholders en anderzijds externe, onafhankelijke deskundigen bij de opleiding.
4De commissie legt de bevindingen van de beoordeling vast in een beoordelingsrapport.
+8 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.170/12 nieuw
1De accreditatieorganisatie legt een beoordelingskader vast, waarin al de volgende elementen bepaald worden :
21° de wijze waarop de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1, getoetst zullen worden;
32° de beoordelingsschaal en de beslisregels;
43° de stappen in het beoordelingsproces;
54° de vorm en de inhoud van het aanvraagdossier.
6Het dossier bevat de resultaten en uitkomsten van de regie die het mogelijk maakt de kwaliteit van de opleiding te staven aan de hand van de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1.
7Het beoordelingskader wordt, voor het toegepast kan worden, door de Vlaamse Regering, goedgekeurd na advies van de VLUHR als koepelorganisatie en de studentenkoepelverenigingen.
8Gezamenlijke opleidingen, die georganiseerd worden door een Vlaamse instelling voor hoger onderwijs samen met een of meer buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs en die bij succesvolle voltooiing ervan leiden tot een gezamenlijk diploma als vermeld in artikel II.172, § 3, worden beoordeeld aan de hand van de European Approach for Quality Assurance of Joint Programmes, goedgekeurd door de ministers van de Europese Hogeronderwijsruimte. Instellingen kunnen voor de organisatie van die externe beoordeling een beroep doen op een evaluatieorgaan dat bij het European Quality Assurance Register for Higher Education is geregistreerd. Instellingen vragen de accreditatie aan bij de accreditatieorganisatie binnen twee maanden na de publicatie van de externe beoordeling van de opleiding.
+10 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.170/13 nieuw
1§ 1. De accreditatieorganisatie komt op basis van het beoordelingsrapport van de commissie, vermeld in artikel II.170/11, of op basis van een beoordeling als vermeld in artikel II.170/12, vierde lid, tot een accreditatiebesluit.
2De accreditatieorganisatie kan voordat het ontwerp van beoordelingsrapport en besluit wordt verzonden, het instellingsbestuur om aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen vragen. De accreditatieorganisatie legt in het reglement, vermeld in artikel II.27, de bestuursbeginselen vast voor de verzoeken om aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen en voor de behandeling van de antwoorden.
3§ 2. De accreditatieorganisatie bezorgt voor het verstrijken van een ordetermijn van zes maanden een ontwerp van accreditatiebesluit en het onderliggende beoordelingsrapport aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur kan binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na de dag van de ontvangst van het ontwerp, bezwaren en opmerkingen formuleren.
4§ 3. Als de accreditatieorganisatie voor het einde van de termijn van de lopende accreditatie niet tot een accreditatiebesluit kan komen, kan de accreditatieorganisatie de termijn van de lopende accreditatie met een academiejaar verlengen. De duur van de verlenging komt in mindering van de geldigheidsduur van de accreditatie, vermeld in paragraaf 4.
5§ 4. De accreditatiebesluiten hebben in de volgende gevallen de volgende rechtsgevolgen:
61° als de accreditatieorganisatie op basis van het beoordelingsrapport, vermeld in artikel II.170/11 of II.170/12, vierde lid, in redelijkheid besluit dat afdoende geborgd wordt dat de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1, in de opleiding aanwezig zijn, neemt ze een positief accreditatiebesluit: het positieve accreditatiebesluit heeft een geldigheidsduur van zes jaar;
72° als de accreditatieorganisatie op basis van het beoordelingsrapport, vermeld in artikel II.170/11 of II.170/12, vierde lid, in redelijkheid besluit dat onvoldoende geborgd wordt dat de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1, in de opleiding aanwezig zijn, neemt ze een positief accreditatiebesluit met een beperkte geldigheidsduur van ten hoogste drie jaar. Uiterlijk drie maanden voor het einde van die periode neemt de accreditatieorganisatie een nieuw besluit op basis van een nieuwe beoordeling door een commissie.
8De beperkte geldigheidsduur wordt in geval van een nieuw positief accreditatiebesluit in mindering gebracht van de algemene geldigheidsduur van zes jaar;
93° als de accreditatieorganisatie op basis van het beoordelingsrapport na de nieuwe beoordeling, vermeld in punt 2°, in redelijkheid besluit dat nog steeds onvoldoende geborgd wordt dat de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1, in de opleiding aanwezig zijn, neemt ze een negatief accreditatiebesluit. Het instellingsbestuur zet de opleiding stop. De instelling garandeert dat de studenten hun opleiding kunnen voortzetten door samenwerking met een andere instelling. De Vlaamse Regering kan maatregelen nemen als de instelling daartoe in gebreke blijft. Het instellingsbestuur kan de opleiding binnen zes jaar niet heropstarten.
10§ 5. De accreditatieorganisatie bepaalt in het reglement, vermeld in artikel II.27, de procedurele regelen voor de bezwaren en de opmerkingen, vermeld in paragraaf 2.
+8 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.170/14 nieuw
1§ 1. De instellingen, vermeld in artikel II.19, II.20, II.21, II.105 en II.106, en de geregistreerde instellingen, vermeld in artikel II.6, vragen de accreditatie van hun opleidingen aan bij de accreditatieorganisatie.
2De accreditatie van gezamenlijk georganiseerde opleidingen die voltooid worden met een gezamenlijk diploma wordt verleend op gezamenlijke aanvraag van de betrokken instellingsbesturen.
3De accreditatieaanvraag wordt ingediend uiterlijk vier maanden voor de geldigheid van de lopende accreditatie of de erkenning als nieuwe opleiding verstrijkt. De termijnen worden berekend van maand tot maand en van dag tot dag. In de termijnen is de dag waarop de termijn verstrijkt inbegrepen.
4Het instellingsbestuur vraagt een accreditatie aan binnen twee maanden na de publicatie van de externe beoordeling, vermeld in artikel II.170/17, § 1.
5§ 2. In het beoordelingskader, vermeld in artikel II.170/17, § 1, wordt de vorm en de inhoud van het dossier vastgelegd dat bij de aanvraag moet worden gevoegd.
6§ 3. Als een aanvraag niet voldoet aan punt 4° van het beoordelingskader, vermeld in artikel II.170/17, § 1, biedt de accreditatieorganisatie de mogelijkheid om het verzuim te herstellen binnen een termijn die de accreditatieorganisatie bepaalt. Als geen dan wel op niet afdoende wijze gebruik wordt gemaakt van voormelde mogelijkheid, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. De accreditatieorganisatie kan nadere regelen voor deze procedure vaststellen in het beoordelingskader.
7§ 4. Het instellingsbestuur heeft de mogelijkheid om technische opmerkingen en inhoudelijke bezwaren te formuleren voor de commissie, vermeld in artikel II.170/15, de externe beoordeling definitief vaststelt. De commissie, vermeld in artikel II.170/15, heeft de plicht om ten aanzien van het instellingsbestuur schriftelijk te antwoorden op de geformuleerde inhoudelijke bezwaren.
8Een instellingsbestuur dat een inhoudelijk bezwaar als vermeld in voorgaand lid, heeft gemaakt ten aanzien van het ontwerp van externe beoordeling, kan aan de accreditatieaanvraag een aanvullende nota toevoegen, indien de definitief vastgestelde gepubliceerde externe beoordeling dat bezwaar kennelijk veronachtzaamt.
+6 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.170/15 nieuw
1De instellingen doen voor de organisatie van de externe beoordelingen, vermeld in artikel II.170/17, § 1, een beroep op een evaluatieorgaan dat :
21° ofwel bij het European Quality Assurance Register for Higher Education geregistreerd is;
32° ofwel door de accreditatieorganisatie erkend is op basis van een samenwerkingsakkoord dat verzekert dat de externe beoordeling overeenkomstig de Standards and Guidelines for Quality Assurance in the European Higher Education Area tot stand komt.
4Het evaluatieorgaan, vermeld in het eerste lid, stelt de commissie samen die de externe beoordeling uitvoert. Van die commissie maakt ten minste een student deel uit. De leden van de commissie zijn onafhankelijk, beschikken over de nodige deskundigheid en hebben ten minste vijf jaar geen banden gehad met de betrokken instelling. Ten minste een lid heeft grondige kennis van het Vlaamse hoger onderwijs en ten minste een lid is werkzaam buiten Vlaanderen.
5De commissie hanteert het beoordelingskader, vermeld in artikel II.170/17, of een methodologisch equivalent beoordelingskader.
6De commissie legt de bevindingen van de beoordeling vast in een beoordelingsrapport.
+3 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.170/16 nieuw
1De commissie, vermeld in artikel II.170/15, betrekt de volgende onderwerpen in haar beoordeling :
21° de kwaliteit van de opleidingen die tot uiting komt via de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1;
32° de betrokkenheid van enerzijds interne en externe stakeholders en anderzijds externe, onafhankelijke deskundigen bij de opleiding.
+8 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.170/17 nieuw
1§ 1. De accreditatieorganisatie bepaalt in het beoordelingskader al de volgende elementen :
21° de wijze waarop de onderwerpen, vermeld in artikel II.170/16, getoetst zullen worden;
32° de beoordelingsschaal en de beslisregels;
43° de stappen in het beoordelingsproces;
54° de vorm en de inhoud van het aanvraagdossier.
6Het aanvraagdossier bevat in ieder geval een gepubliceerde externe beoordeling van de opleiding.
7§ 2. Het beoordelingskader moet, voor het toegepast kan worden, door de Vlaamse Regering goedgekeurd worden, na advies van de VLUHR als koepelorganisatie en de studentenkoepelverenigingen.
8§ 3. Gezamenlijke opleidingen, die georganiseerd worden door een Vlaamse instelling voor hoger onderwijs samen met een of meer buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs en die bij succesvolle voltooiing ervan leiden tot een gezamenlijk diploma, worden beoordeeld aan de hand van de European Approach for Quality Assurance of Joint Programmes, goedgekeurd door de ministers van de Europese Hogeronderwijsruimte. Instellingen kunnen voor de organisatie van die externe beoordeling een beroep doen op een evaluatieorgaan dat bij het European Quality Assurance Register for Higher Education is geregistreerd. Instellingen vragen de accreditatie aan bij de accreditatieorganisatie binnen twee maanden na de publicatie van de externe beoordeling van de opleiding.
+11 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.170/18 nieuw
1§ 1. De accreditatieorganisatie komt op basis van het beoordelingsrapport van de commissie, vermeld in artikel II.170/15, of op basis van een beoordeling als vermeld in artikel II.170/17, § 3, tot een accreditatiebesluit.
2De accreditatieorganisatie kan voordat het ontwerp van besluit wordt verzonden, het evaluatieorgaan of het instellingsbestuur om aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen vragen. De accreditatieorganisatie legt in het reglement, vermeld in artikel II.27, de bestuursbeginselen vast voor de verzoeken om aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen en voor de behandeling van de antwoorden.
3§ 2. De accreditatieorganisatie bezorgt voor het verstrijken van een ordetermijn van drie maanden een ontwerp van accreditatiebesluit aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur kan binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, vanaf de dag na de dag van de ontvangst van het ontwerp, bezwaren en opmerkingen formuleren.
4§ 3. Als de accreditatieorganisatie voor het einde van de termijn van de lopende accreditatie niet tot een accreditatiebesluit kan komen, kan de accreditatieorganisatie de termijn van de lopende accreditatie met een academiejaar verlengen. De duur van de verlenging komt in mindering van de geldigheidsduur van de accreditatie, vermeld in paragraaf 4.
5Zodra de beslissing genomen is om de lopende accreditatie met een academiejaar te verlengen, kan de accreditatieorganisatie het evaluatieorgaan belasten met de uitvoering van een bijkomende externe beoordeling conform de richtlijnen en criteria die bepaald worden door de accreditatieorganisatie. In voorkomend geval kan het instellingsbestuur een ander evaluatieorgaan vragen om de aanvullende externe beoordeling uit te voeren.
6§ 4. De accreditatiebesluiten hebben in de volgende gevallen de volgende rechtsgevolgen :
71° als de accreditatieorganisatie op basis van het beoordelingsrapport, vermeld in artikel II.170/15 of II.170/17, § 3, in redelijkheid besluit dat afdoende geborgd wordt dat de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1, in de opleiding aanwezig zijn, neemt ze een positief accreditatiebesluit. Het positieve accreditatiebesluit heeft een geldigheidsduur van zes jaar;
82° als de accreditatieorganisatie op basis van het beoordelingsrapport, vermeld in artikel II.170/15 of II.170/17, § 3, in redelijkheid besluit dat onvoldoende geborgd wordt dat de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1, in de opleiding aanwezig zijn, neemt ze een positief accreditatiebesluit met een beperkte geldigheidsduur van ten hoogste drie jaar. Uiterlijk drie maanden voor het einde van die periode neemt de accreditatieorganisatie een nieuw besluit op basis van een nieuwe beoordeling door een commissie.
9De beperkte geldigheidsduur wordt in geval van een nieuw positief accreditatiebesluit in mindering gebracht van de algemene geldigheidsduur van zes jaar;
103° als de accreditatieorganisatie op basis van het beoordelingsrapport na de nieuwe beoordeling, vermeld in punt 2°, in redelijkheid besluit dat nog steeds onvoldoende geborgd wordt dat de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1, in de opleiding aanwezig zijn, neemt ze een negatief accreditatiebesluit. Het instellingsbestuur zet de opleiding stop. De instelling garandeert dat de studenten hun opleiding kunnen voortzetten door samenwerking met een andere instelling. De Vlaamse Regering kan maatregelen nemen als de instelling daartoe in gebreke blijft. Het instellingsbestuur kan de opleiding binnen zes jaar niet heropstarten.
11§ 5. De accreditatieorganisatie bepaalt in het reglement, vermeld in artikel II.27, de procedurele regelen voor de bezwaren en de opmerkingen, vermeld in paragraaf 2.
+0 −13 codex-hoger-onderwijs/art. II.381 opgeheven
1Tot de inwerkingtreding van artikel II.145 geldt de volgende bepaling:
2“Art. II.145. [1] §1. Zowel in de in artikel II.137, §2, bedoelde gepubliceerde externe beoordeling als in het accreditatierapport en accreditatiebesluit wordt in voorkomend geval melding gemaakt van de opleidingsvarianten die op het tijdstip van de visitatie bestonden:
31° de onderscheiden vestigingen waar de opleiding aangeboden wordt;
42° de onderscheiden afstudeerrichtingen van de opleiding, met uitzondering van de als afstudeerrichting georganiseerde specifieke lerarenopleiding(en);
53° de onderscheiden talen waarin de opleiding aangeboden wordt, als vermeld in artikel II.261, §2;
64° het studietraject voor werkstudenten, als vermeld in artikel I.3, 78°;
75° de onderscheiden programma’s binnen de opleiding, indien deze leiden tot onderscheiden vormen van diplomering, te weten diplomering door een instelling, bidiplomering of gezamenlijke diplomering;
86° de onderscheden programma’s binnen de opleiding, indien deze georganiseerd worden door onderscheiden instellingsbesturen.
9§2. De in artikel II.137, §2, bedoelde externe beoordeling bevat een beoordeling van elk van in paragraaf 1 vermelde varianten.
10§3. Indien de in artikel II.137, §2, bedoelde gepubliceerde externe beoordeling negatief is enkel en alleen op grond van het feit dat bij 1 of meerdere van de in paragraaf 1 vermelde opleidingsvarianten onvoldoende generieke kwaliteitswaarborgen aanwezig zijn, kan het instellingsbestuur deze variant of varianten uitdrukkelijk uit de accreditatieaanvraag uitsluiten.
11§4. Indien de accreditatieorganisatie de accreditatie van de betrokken opleiding verleent:
121° wordt in het accreditatiebesluit melding gemaakt van de uitsluiting van de betrokken variant of varianten;
132° verliest het instellingsbestuur, totdat een nieuw en positief accreditatiebesluit wordt verkregen, de bevoegdheid om de uitgesloten variant of varianten aan te bieden.”
+0 −8 codex-hoger-onderwijs/art. II.382 opgeheven
1§1. Indien het accreditatiebesluit over een opleiding negatief is, kan het instellingsbestuur een aanvraag om een tijdelijke erkenning indienen bij de Vlaamse Regering. De aanvraag wordt ingediend binnen een termijn van 30 kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van bekendmaking van het accreditatiebesluit aan het instellingsbestuur. Bij de aanvraag is een gedetailleerd verbeteringsplan gevoegd waarin het instellingsbestuur op een toetsbare wijze aangeeft hoe het voornemens is de kwaliteit en het niveau te verbeteren.
2§2. De Vlaamse Regering neemt een besluit binnen een termijn van 3 maanden vanaf de ontvangst van de aanvraag. De termijn wordt berekend van maand tot maand en van dag tot dag. De dag van ontvangst van de aanvraag is in de termijn begrepen.
3Het besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de vorige accreditatie of de erkenning als nieuwe opleiding vervalt.
4Indien het besluit niet binnen de termijn van 3 maanden aan de instelling bekend is gemaakt, wordt het geacht positief te zijn.
5§3. De duur van de tijdelijke erkenning varieert van 1 jaar tot maximum 3 jaar. In geval van impliciet positieve beslissing, wordt de tijdelijke erkenning geacht te zijn toegekend voor de door het instellingsbestuur gevraagde duur, die rekening dient te houden met de minimumduur van 1 jaar en de maximumduur van 3 jaar.
6§4. De Vlaamse Regering neemt het in paragraaf 2 bedoelde besluit op grond van een vergelijking van de voorgestelde verbeteringen met de vastgestelde tekorten. Zij oordeelt of de voorgestelde verbeteringen realistisch en haalbaar zijn en of ze van die aard zijn dat de opleiding bij realisatie ervan de toets inzake de aanwezigheid van voldoende generieke kwaliteitswaarborgen met goed gevolg zal kunnen doorstaan.
7De Vlaamse Regering wint voorafgaand aan het besluit het advies in van de Commissie Hoger Onderwijs.
8§5. De Vlaamse Regering stelt de nadere procedure voor de tijdelijke erkenning op aanvraag vast.
+0 −3 codex-hoger-onderwijs/art. II.383 opgeheven
1De accreditatie van een opleiding na een in artikel II.382 bedoelde tijdelijke erkenning verloopt aan de hand van volgende verkorte procedure:
21° de in artikel II.137, §2 bedoelde gepubliceerde externe beoordeling en het accreditatierapport hebben enkel betrekking op de elementen op basis waarvan de vorige accreditatieaanvraag negatief werd beoordeeld;
32° indien de vorige accreditatieaanvraag negatief werd beoordeeld op grond van deficiënties binnen uitdrukkelijk aangegeven opleidingsvarianten, zoals bedoeld in artikel II.381 en deze tijdens de periode van de in artikel II.382 bedoelde tijdelijke erkenning afgebouwd werd(en), moet bij de accreditatieaanvraag geen gepubliceerde externe beoordeling worden gevoegd.
+0 −7 codex-hoger-onderwijs/art. II.384 opgeheven
1§1. Iedere belanghebbende kan bij de Vlaamse Regering een georganiseerd beroep instellen tegen een beslissing van de accreditatieorganisatie waarbij aan een opleiding de accreditatie wordt onthouden.
2§2. Het beroep wordt ingesteld binnen een termijn van 30 kalenderdagen.
3Deze termijn gaat in als volgt:
41° de dag na deze van betekening aan de belanghebbende;
52° bij ontstentenis van betekening : de dag na deze van bekendmaking bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad.
6§3. De Vlaamse Regering toetst een betwiste beslissing aan de bepalingen van dit deel en van het in artikel II.27 bedoelde reglement. Zij vernietigt de beslissing wanneer deze kennelijk niet in overeenstemming met deze bepalingen is.
7§4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het verloop van de beroepsprocedure. Zij houdt daarbij rekening met de regelen inzake de hoorplicht.
+0 −6 codex-hoger-onderwijs/art. II.385 opgeheven
1§1. Indien het accreditatiebesluit over een opleiding negatief is, geniet de opleiding van rechtswege een tijdelijke erkenning in de volgende gevallen:
21° hangende het beroep bij de Vlaamse Regering, ingesteld door het instellingsbestuur overeenkomstig de bepalingen van artikel II.384. Het beroep wordt geacht aanhangig te zijn tot aan de nieuwe beslissing van de accreditatieorganisatie, bedoeld in het derde lid. De tijdelijke erkenning van rechtswege wordt niet toegekend indien het beroep wordt ingesteld door een andere belanghebbende dan het instellingsbestuur;
32° hangende enig jurisdictioneel beroep, ingesteld door het instellingsbestuur tegen het accreditatiebesluit of de beslissing van de Vlaamse Regering om het aangevochten accreditatiebesluit niet te vernietigen. De tijdelijke erkenning van rechtswege wordt niet toegekend indien het beroep wordt ingesteld door enige andere belanghebbende, onverminderd de desgevallend door het bevoegde gerecht toegekende voorlopige maatregelen.
4De tijdelijke erkenning van rechtswege wordt beëindigd op het einde van het academiejaar waarbinnen bedoelde beroepen opgehouden hebben aanhangig te zijn.
5Zo de Vlaamse Regering een negatief accreditatiebesluit heeft vernietigd, dient de accreditatieorganisatie opnieuw te delibereren over de ingediende accreditatieaanvraag met inachtname van de dragende motieven die aan de vernietiging ten grondslag liggen. Het nieuwe accreditatiebesluit wordt aan het instellingsbestuur meegedeeld binnen een ordetermijn van 30 kalenderdagen, die ingaat de dag na deze waarop de vernietigingsbeslissing werd genomen.
6§2. De Vlaamse Regering stelt de nadere procedure voor de tijdelijke erkenning van rechtswege vast.
+0 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.386 opgeheven
1Bij een hervisitatie na een tijdelijke erkenning of een aanvullende beoordeling na een negatief rapport en beroepsprocedure tijdens de eerste ronde opleidingsaccreditaties wordt de duur van de tijdelijke erkenning of de termijn verstreken tussen het einde van de overgangsaccreditatie en de datum van de definitieve besluitvorming in mindering genomen van de geldigheidsduur van de totale accreditatie van naargelang het geval 8 of 6 jaar.
2De instellingen kunnen de acrreditatieorganisatie verzoeken om de duur van accreditatie die werd verleend tussen 1 juli 2012 en 1 januari 2013 op basis van een hervisitatie na een tijdelijke erkenning of een aanvullende beoordeling na een negatief rapport en beroepsprocedure tijdens de eerste ronde opleidingsaccreditaties, te verminderen ter vrijwaring van de gelijktijdige en geclusterde organisatie van externe beoordelingen, vermeld in artikel II.122.
+0 −15 codex-hoger-onderwijs/art. II.387 opgeheven
1§1. Een nieuwe beperkte externe beoordeling is vereist wanneer :
21° een instelling meerdere opleidingen samenvoegt waarvan minimum 1 opleiding geniet van een tijdelijke erkenning;
32° bij de integratie een opleiding die aangeboden wordt door verschillende hogescholen, vanaf het academiejaar 2013-2014 aangeboden wordt door een universiteit als 1 opleiding, op 1 vestigingsplaats, en 1 of meerdere van de hogeschoolopleidingen geniet van een tijdelijke erkenning;
43° bij de integratie een opleiding die aangeboden wordt door verschillende hogescholen, vanaf het academiejaar 2013-2014 aangeboden wordt door meerdere universiteiten als 1 opleiding, op 1 vestigingsplaats, en 1 of meerdere van de hogeschoolopleidingen geniet van een tijdelijke erkenning.
5Bij een opleiding die ontstaan is uit meerdere opleidingen die werden samengevoegd, heeft de nieuwe beperkte externe beoordeling uitsluitend betrekking op de onderwerpen die negatief werden beoordeeld in de samengevoegde opleidingen.
6In het geval dat de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de samengevoegde opleiding voldoet, neemt zij een positief accreditatiebesluit dat geldt voor een termijn als vermeld in artikel II.147, §2, met als aanvangsdatum de vroegste aanvangsdatum van accreditatie van de opleidingen die werden samengevoegd.
7In het geval dat de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de samengevoegde opleiding niet voldoet, vervalt de accreditatie van de samengevoegde opleiding en wordt het besluit, wat de gevolgen betreft, gelijkgesteld met een negatief accreditatiebesluit.
8In het geval dat de beperkte visitatie betrekking heeft op een opleidingsvariant in de samengevoegde opleiding en de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de opleidingsvariant niet voldoet, moet de instelling de opleidingsvariant stopzetten en mag het instellingsbestuur vanaf het volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer inschrijven. Het instellingsbestuur kan de opleidingsvariant binnen 6 jaar niet heropstarten. Bij het stopzetten van de opleidingsvariant neemt de accreditatieorganisatie een positief accreditatiebesluit dat geldt voor een termijn als vermeld in artikel II.147, §2, met als aanvangsdatum de vroegste aanvangsdatum van accreditatie van de opleidingen die werden samengevoegd. Voor de toepassing van dit lid worden opleidingen die in een zelfde geografische omschrijving worden samengevoegd, beschouwd als behorend tot een verschillende vestigingsplaats.
9§2. Bij een academische opleiding, die aangeboden wordt door verschillende hogescholen en waarvan minimum 1 hogeschoolopleiding geniet van een tijdelijke erkenning, en die met ingang van het academiejaar 2013-2014 door een universiteit wordt aangeboden als 1 opleiding op verschillende vestigingsplaatsen, en aldus beschouwd wordt als een opleiding met verschillende opleidingsvarianten, kan het universiteitsbestuur beslissen om :
101° ofwel een nieuwe beperkte visitatie te laten uitvoeren van de opleidingsvariant die geniet van de tijdelijke erkenning;
112° ofwel de opleidingsvariant die geniet van de tijdelijke erkenning stop te zetten en vanaf het eerst volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer in te schrijven in deze variant.
12In het geval dat de opleidingsvariant met een tijdelijke erkenning wordt stopgezet, kan deze binnen een periode van 6 jaar niet heropgestart worden op deze vestigingsplaats. De accreditatieorganisatie neemt als gevolg van de stopzetting van de opleidingsvariant een positief accreditatiebesluit voor de opleiding dat geldt voor een termijn als vermeld in artikel II.147, §2, met als aanvangsdatum de vroegste aanvangsdatum van accreditatie van de resterende geïntegreerde opleidingen.
13In het geval dat de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de opleidingsvariant met een tijdelijke erkenning op de betrokken vestigingsplaats voldoet, dan neemt zij een positief accreditatiebesluit voor de opleiding dat geldt voor een termijn als vermeld in artikel II.147, §2, met als aanvangsdatum de vroegste aanvangsdatum van accreditatie van de geïntegreerde opleidingen.
14In het geval dat de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de opleidingsvariant met een tijdelijke erkenning op de betrokken vestigingsplaats niet voldoet, moet de instelling de opleidingsvariant stopzetten en mag het instellingsbestuur vanaf het volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer inschrijven. Het instellingsbestuur kan de opleidingsvariant binnen 6 jaar niet heropstarten. Bij het stopzetten van de opleidingsvariant neemt de accreditatieorganisatie een positief accreditatiebesluit dat geldt voor een termijn als vermeld in artikel II.147, §2, met als aanvangsdatum de vroegste aanvangsdatum van accreditatie van de resterende geïntegreerde opleidingen.
15§3. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op opleidingen die samengevoegd worden of na integratie door 1 of meerdere universiteiten als 1 opleiding aangeboden worden en waarvan minimum een van de opleidingen voor eind 2012-2013 een negatief accreditatiebesluit heeft gekregen of waarvoor krachtens artikel II.142, §5, en artikel II.147, §1, tweede lid, voor die datum nog geen accreditatiebesluit is genomen.
+7 −6 codex-hoger-onderwijs/art. II.387/1
1Als een instelling gebruikmaakt van de mogelijkheid, vermeld in artikel II.126, § 2, tweede lid, wordt de geldigheidsduur van de accreditatie van haar opleidingen die in het kader van de accreditatieprocedure volgens het visitatierooster dat is vastgelegd door de VLUHR na 16 december 2014 een zelfevaluatierapport, zoals bedoeld in het accreditatiekader, moeten indienen, van rechtswege verlengd met acht academiejaren. Die verlenging is niet van toepassing op de volgende opleidingen :
21° de opleidingen die geaccrediteerd zijn conform artikel II.153, § 8;
1Als de geldigheid van de lopende accreditatietermijn van een opleiding aangeboden door een universiteit of hogeschool afloopt vóór de accreditatieorganisatie een besluit instellingsreview als vermeld in artikel II.170/7 van deze codex, heeft genomen voor de periode 2020-2025 voor de betreffende instelling, dan wordt de accreditatie van de opleiding verlengd met 6 jaar. Dit geldt niet voor :
32° de opleidingen die geaccrediteerd zijn conform artikel II.151, eerste lid;21° de opleidingen die geaccrediteerd zijn conform artikel II.151, eerste lid;
43° de opleidingen waarvan de geldigheidsduur van de accreditaties beperkt werd met toepassing van artikel II.147, § 3.
32° de opleidingen waarvan de studieomvang uitgebreid is of die erkend zijn als onderzoeksmasters, conform hoofdstuk 9, afdeling 4;
43° de opleidingen die een positief accreditatiebesluit met beperkte geldigheidsduur hebben ontvangen.
5In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden de opleidingen van bachelor in de verpleegkunde geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het academiejaar 2021-2022. 5De opleidingen van bachelor in de verpleegkunde worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het academiejaar 2021-2022. De eerstvolgende beoordeling en accreditatie verloopt volgens de procedure en regelgeving die van toepassing was voor 1 september 2019.
6In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, 1°, worden de bachelor-na-bacheloropleiding `Bachelor in de interdisciplinaire ouderenzorg' en `Bachelor in de oncologie', aangeboden door Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen, Arteveldehogeschool en Karel de Grote-Hogeschool - Katholieke Hogeschool Antwerpen, geacht geaccrediteerd te zijn tot het einde van het academisch jaar 2021-2022.
6De bachelor-na-bacheloropleidingen, vermeld in artikel II.102, § 5, van deze codex, worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het academiejaar 2021-2022.
7Opleidingen die reeds een procedure voor accreditatie of de voorgaande procedure voor de externe beoordeling zijn opgestart voor 1 september 2019, worden geaccrediteerd volgens de procedure en de regelgeving die van toepassing was voor 1 september 2019.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.393 opgeheven
1In afwijking van artikel II.129, § 1, eerste lid, van de Codex Hoger Onderwijs rondt de accreditatieorganisatie het proces van de instellingsreviews in de eerste ronde gezamenlijk af vóór 1 september 2017 met een besluit per instelling. Die besluiten worden samen met de rapporten bekendgemaakt. De procedures bedoeld in artikel II.129, § 3, kunnen nooit leiden tot een overschrijding van die termijn.
+2 −3 codex-hoger-onderwijs/art. III.119
11In de begrotingsjaren 2015 en 2016 wordt een bedrag van 250.000 euro toegevoegd aan de toelage vermeld in deze paragraaf.11In de begrotingsjaren 2015 en 2016 wordt een bedrag van 250.000 euro toegevoegd aan de toelage vermeld in deze paragraaf.
12Vanaf het begrotingsjaar 2018 wordt een bedrag van 400.000 euro toegevoegd aan de toelage, vermeld in deze paragraaf.12Vanaf het begrotingsjaar 2018 wordt een bedrag van 400.000 euro toegevoegd aan de toelage, vermeld in deze paragraaf.
13Vanaf het begrotingsjaar 2019 wordt een bedrag van 400.000 euro toegevoegd aan de toelage vermeld in deze paragraaf.
14§2. De in paragraaf 1 bedoelde hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht met als doel posthogeschoolvormingen te organiseren inzake de opleidingen van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. De posthogeschoolvorming wordt bekrachtigd met de titel van 'Laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten'. Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Deze instituten worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel die met betrekking tot de posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die een opleiding in de betrokken sectoren organiseren.13§2. De in paragraaf 1 bedoelde hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht met als doel posthogeschoolvormingen te organiseren inzake de opleidingen van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. De posthogeschoolvorming wordt bekrachtigd met de titel van 'Laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten'. Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Deze instituten worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel die met betrekking tot de posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die een opleiding in de betrokken sectoren organiseren.
15De in paragraaf 1 bedoelde andere instellingen zijn instellingen die excellente hogere kunstopleidingen organiseren, doch krachtens artikel II.3 niet als hogescholen kunnen beschouwd worden.14De in paragraaf 1 bedoelde andere instellingen zijn instellingen die excellente hogere kunstopleidingen organiseren, doch krachtens artikel II.3 niet als hogescholen kunnen beschouwd worden.
204° de minimale kwalificaties van de ingezette personeelsleden en de arbeidsvoorwaarden;194° de minimale kwalificaties van de ingezette personeelsleden en de arbeidsvoorwaarden;
215° het afsluiten van een samenwerkingsakkoord met andere Vlaamse hogescholen die het betrokken studiegebied aanbieden, en eventueel met Belgische en buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs en derden. De samenwerkingsovereenkomst vermeldt ten minste de voorwaarden van samenwerking en de financiële vergoeding die in voorkomend geval voor de dienstverlening zal worden betaald;205° het afsluiten van een samenwerkingsakkoord met andere Vlaamse hogescholen die het betrokken studiegebied aanbieden, en eventueel met Belgische en buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs en derden. De samenwerkingsovereenkomst vermeldt ten minste de voorwaarden van samenwerking en de financiële vergoeding die in voorkomend geval voor de dienstverlening zal worden betaald;
226° het toezicht op de naleving van de verbintenissen door en de administratie, de sancties bij het niet naleven van de verbintenis en de procedure hierbij.
216° ...
23De besluiten die de Vlaamse Regering neemt in uitvoering van de bepalingen van deze codificatie met betrekking tot de begroting en de personeelsformatie voor de hogescholen en betreffende de algemene boekhouding, de jaarrekening en het rekeningstelsel voor de hogescholen zijn van overeenkomstige toepassing op de instituten voor schone kunsten en de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren.22De besluiten die de Vlaamse Regering neemt in uitvoering van de bepalingen van deze codificatie met betrekking tot de begroting en de personeelsformatie voor de hogescholen en betreffende de algemene boekhouding, de jaarrekening en het rekeningstelsel voor de hogescholen zijn van overeenkomstige toepassing op de instituten voor schone kunsten en de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren.
24§ 3/1. Het rapport van deze interne en externe kwaliteitszorg, vermeld in paragraaf 3, 2°, van hetzelfde artikel, is publiek en bevat een beoordeling van de onderwijskwaliteit van de door deze instituten of instellingen aangeboden opleidingen die leiden tot de titel van laureaat van een hoger instituut in de kunsten.23§ 3/1. Het rapport van deze interne en externe kwaliteitszorg, vermeld in paragraaf 3, 2°, van hetzelfde artikel, is publiek en bevat een beoordeling van de onderwijskwaliteit van de door deze instituten of instellingen aangeboden opleidingen die leiden tot de titel van laureaat van een hoger instituut in de kunsten.
25§4. De Vlaamse Regering kan de subsidiëring van een instituut of instelling verminderen, doch slechts jaarlijks en naar evenredigheid van de vastgestelde tekortkomingen op de in de beheersovereenkomst bezegelde afspraken.24§4. De Vlaamse Regering kan de subsidiëring van een instituut of instelling verminderen, doch slechts jaarlijks en naar evenredigheid van de vastgestelde tekortkomingen op de in de beheersovereenkomst bezegelde afspraken.
26§5. In afwijking van het bepaalde in paragraaf 3 kunnen lopende beheersovereenkomsten maximaal 2 keer met ten hoogste 1 jaar verlengd worden, in geval de evaluatie van de wijze waarop de lopende beheersovereenkomst werd uitgevoerd, onvoldoende positief is om een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van 5 jaar af te sluiten. Indien na deze verlenging(en) naar het oordeel van de Vlaamse Regering de betrokken instelling een deugdelijk beleidsplan heeft voorgelegd, kan een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van maximaal 4 jaar worden gesloten.25§5. In afwijking van het bepaalde in paragraaf 3 kunnen lopende beheersovereenkomsten maximaal 2 keer met ten hoogste 1 jaar verlengd worden, in geval de evaluatie van de wijze waarop de lopende beheersovereenkomst werd uitgevoerd, onvoldoende positief is om een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van 5 jaar af te sluiten. Indien na deze verlenging(en) naar het oordeel van de Vlaamse Regering de betrokken instelling een deugdelijk beleidsplan heeft voorgelegd, kan een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van maximaal 4 jaar worden gesloten.
27§ 6. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. Voor de berekening van de 2 % worden de bijkomende toelagen van 250.000 euro in 2015 en 2016, de bijkomende toelage van 400.000 euro vanaf 2018 en de bijkomende toelage van 400.000 euro vanaf 2019 niet in rekening gebracht.26§ 6. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. Voor de berekening van de 2 % worden de bijkomende toelagen van 250.000 euro in 2015 en 2016 en van 400.000 euro vanaf 2018 niet in rekening gebracht.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd