Artikel 2.31
§1. In de driepartijenovereenkomst verbinden de woonmaatschappij en de gemeenten zich ertoe om een bepaald aantal sociale huurwoningen te verwezenlijken en in stand te houden.
Bij de driepartijenovereenkomst verbindt de Vlaamse Regering zich via de bekrachtiging van die overeenkomst tot de financiering van dat sociaal woonaanbod.
§2. De Vlaamse Regering bepaalt het gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen dat ten laatste op 31 december 2042 minstens wordt gerealiseerd en, in voorkomend geval, de specifieke inhaalbeweging, vermeld in artikel 2.32, §1, eerste lid.
De sociale huurwoningen van het gemeentelijk objectief voor sociale huur-woningen, zoals van kracht op 31 december 2025, die op die datum dat gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen overschrijden, worden, in voorkomend geval, in mindering gebracht van het gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen, vermeld in het eerste lid.
De Vlaamse Regering kan een afwijking bepalen op het gemeentelijk objec-tief voor sociale huurwoningen, vermeld in het eerste lid, als het aandeel sociale huurwoningen in de gemeente minstens 9 procent bedraagt en op peil blijft.
Iedere gemeente sluit een overeenkomst met de woonmaatschappij over de realisatie van het gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen, vermeld in het eerste lid. De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van de overeenkomst.
§3. In afwijking van paragraaf 2 kan op initiatief van minstens twee gemeenten in hetzelfde werkingsgebied van een woonmaatschappij en die woonmaatschappij het gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen worden bepaald in een driepartijenovereenkomst, onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt.
De Vlaamse Regering bepaalt de verdere inhoud en de procedure van totstandkoming van de driepartijenovereenkomst.
§4. Het gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen, vermeld in paragraaf 2 en paragraaf 3, eerste lid, wordt herzien in 2029, 2034 en 2039 onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt.